BP Toelichting herstelbesluit 2025 Energielandgoed Bergen met wijzigingen
Tekst van het document
80
Gespecificeerde archeologische verwachting, bron: archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek Advies vervolgonderzoek In het algemeen wordt geadviseerd om de werkzaamheden te beperken tot het gebied met een lage verwachting. In dit gebied wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Ook bij bodemverstoringen ondieper dan 30 cm –mv wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd.
81
Indien de bodem in het gebied met een (middel)hoge verwachting voor de steentijdijzertijd dieper dan 30 cm –mv (normale ploegdiepte) wordt verstoord, wordt geadviseerd om een verkennend booronderzoek uit te voeren om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap en de mate van intactheid van de bodem om de archeologische verwachting nader te kunnen specificeren. De eisen waaraan het booronderzoek dient te voldoen, dienen te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). In de gebieden met een hoge verwachting voor de late middeleeuwen-nieuwe tijd (inclusief de Tweede Wereldoorlog) vormt een booronderzoek geen zinvol onderzoek. Er is immers geen onderscheid te maken tussen (sub)recente bodemverstoringen en de aanwezige archeologische sporen. Derhalve wordt bij bodemverstoringen dieper dan 30 cm –mv in deze gebieden geadviseerd een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuvenonderzoek. Voorafgaand aan dit onderzoek dienen de eisen waaraan het onderzoek moet voldoen vastgelegd te worden in een door het bevoegd goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Binnen het plangebied hebben beschietingen en bombardementen plaatsgevonden. Het is derhalve belangrijk om te vermelden dat binnen het gehele plangebied rekening gehouden dient te worden met de aanwezigheid van al dan niet verschoten munitieartikelen.
Mochten in de gebieden met een (middel)hoge verwachting OCE-opsporingswerkzaamheden plaatsvinden waarbij de bodem wordt geroerd, zoals het benaderen van vastgestelde afwijkingen in detectiedata, dan wordt aanbevolen deze werkzaamheden op archeologische wijze te begeleiden. Bij de benadering (het opsporen van metaalresten door er naar te gaan graven) bestaat namelijk een aanzienlijke kans dat aanwezige archeologische resten worden verstoord. Voor deze werkzaamheden wordt dan een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleufonderzoek (variant archeologische begeleiding), met een mogelijke doorstart naar opgraving aanbevolen. 4.11.4
Regeling in bestemmingsplan In het voorliggende bestemmingsplan is op basis van de gespecificeerde archeologische verwachting uit het bureauonderzoek een regeling opgenomen ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden: − Ter plaatse van de gebieden met een hoge archeologische verwachting is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie hoog’ opgenomen. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij ingrepen die groter zijn dan 250 m2 en dieper reiken dan 40 cm. De locaties waar de verwachting op vindplaatsen voor de steentijd- ijzertijd en de late middeleeuwen – nieuwe tijd hoog zijn, zijn specifiek aangeduid. Archeologische onderzoek is hier noodzakelijk bij ingrepen die groter zijn dan 25 m 2. − Ter plaatse van de gebieden met een middelhoge archeologische verwachting is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie middelhoog’ opgenomen. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij ingrepen die groter zijn dan 2500 m 2 en dieper reiken dan 40 cm. De locaties waar de verwachting op vindplaatsen uit de Tweede Wereldoorlog hoog is zijn specifiek aangeduid. Archeologische onderzoek is hier noodzakelijk bij ingrepen die groter zijn dan 250 m 2.
82
In lijn met het gemeentelijk archeologiebeleid is een dieptegrens van 40 cm aangehouden, in plaats van de op basis van het bureauonderzoek geadviseerde 30 cm. De grens van 40 cm in het gemeentelijk beleid is gebaseerd op de bouwvoor-/ ploegdiepte. Het archeologisch bureauonderzoek geeft geen aanleiding om hiervan af te wijken. 4.11.5
Conclusie In het voorliggende plan zijn de gespecificeerde archeologische verwachtingswaarden voor het plangebied beschermd middels de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie hoog’ en ‘Waarde - Archeologie middelhoog’. Op deze wijze is gewaarborgd dat eventueel aanwezige archeologische waarden niet kunnen worden geschaad.
4.12
Cultuurhistorie
4.12.1
Algemeen Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. In deze paragraaf worden de verschillende cultuurhistorische waarden in de nabijheid van het plangebied benoemd en wordt besproken op welke wijze met de cultuurhistorische waarden wordt omgegaan.
4.12.2
Toetsing In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg opgenomen. Hieruit blijkt dat alleen op de grens van het plangebied en er net buiten cultuurhistorische elementen aanwezig zijn. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door een weg ouder dan 1806 (de Kevelaarsedijk) en direct ten oosten van het plangebied liggen een oude kamp (cultuurlandschap) en oude houtwallen op akkergrenzen.
83
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg met globale aanduiding plangebied (rode lijn) In het Masterplan Wells Meer zijn de cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied geïnventariseerd. Dit zijn de Elizenhof, de eendenkooi, de slagbomen bij de entrees van het landgoed, de voormalige arbeiderswoningen, de Kevelaarsedijk, het Wehrmachtsstation en oude houtwallen en bospercelen. Deze zijn aangegeven in de volgende afbeelding. Deze cultuurhistorische elementen worden behouden en geïntegreerd in het Energielandgoed. Op de locatie waar vroeger de villa en opstallen van het oude landgoed Wellsch stonden is het nieuwe bezoekerscentrum en bedrijfsverzamelgebouw gepland. Hiermee wordt deze locatie opnieuw het hart van het landgoed.
84
Schema cultuurhistorie, bron: Masterplan Wells Meer De cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen in de gemeente Bergen zijn weergegeven in de Kaart Cultuurhistorische Waarden bij het bestemmingsplan Buitengebied 2018. Deze kaart is overgenomen uit het Landschapsplan van de gemeente Bergen. In paragraaf 3.4.5 is het voorliggende plan getoetst aan het Landschapsplan. Hierin is geconcludeerd dat de meeste landschapselementen behouden blijven. Enkele landschapselementen zullen verdwijnen, maar in het plangebied vindt hier ruimschoots compensatie voor plaats door de aanleg van nieuwe landschapselementen. De cultuurhistorische waarden van het wehrmachtsstation zijn in het voorliggende plan beschermd. Het wehrmachtsstation heeft in het plan de aanduiding ‘karakteristiek’ gekregen. Beschermd stads- en dorpsgezicht Volgens de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) wordt vanaf een afstand van 1.800 meter het contrast tussen een windturbine en een beschermde dorpsgezicht afgezwakt. Deze afstand is geen voorgeschreven norm, maar moet worden beschouwd als zone waarbinnen verder onderzoek wordt geadviseerd. Daarom wordt voor het criterium cultuurhistorie deze afstand gehanteerd voor de beoordeling van de effecten van windenergie op beschermde gezichten.
In het kader van het milieueffectrapport (zie bijlage 4, hoofdstuk 10) is het mogelijke effect van het plan op omliggende stads- en dorpsgezichten en rijksmonumenten beoordeeld. In en in de nabijheid van het plangebied zijn geen beschermde dorps- en stadsgezichten aanwezig. Het dichtstbijzijnde beschermde dorp of stadsgezicht is gelegen nabij Helenaveen op circa 20 kilometer afstand en ligt dus ruim buiten de door RCE geadviseerde contour van 1.800 meter. Er zijn bovendien geen cultuurhistorische monumenten in het plangebied aanwezig.
85
4.12.3
Onderzoek Resultaten Ter plaatse van het plangebied is een archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek19 uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. In het plangebied zijn diverse historisch-geografische waarden aanwezig: − contrast tussen het overwegend open voormalige veengebied (ontginning) en de beboste duinen; − Veener of Spaanse Ley met singel en grenspalen als grensaanduiding; − voormalige eendenkooi als gesloten eenheid (houtwal) in een open landschap; − rechte ontginningspatroon van wegen (al dan niet met flankerende lanen) en waterlopen (waaronder de Molenbeek) met een noordwest-zuidoostelijke en noordoost-zuidwestelijke oriëntatie; − verspreide bebouwing (woningen en schuren) met de hoofdboerderij in Duitsland (voor circa de Tweede Wereldoorlog); − Wehrmachtshuisje als bijzonder relict uit de Tweede Wereldoorlog; − groenelementen, zoals houtwallen, singels, bosjes, solitaire bomen en boomgroepen. De afzonderlijke elementen hebben niet een zeer bijzondere cultuurhistorische waarde. Als geheel vormen ze de ruimtelijke structuur van het gebied en geven inzicht in de ontwikkeling van het cultuurlandschap.
Om de aantasting van de cultuurhistorische waarden zoveel mogelijk te beperken wordt geadviseerd de ontwikkeling van het gebied in te passen in de huidige structuur met de noordwest-zuidoost en zuidwestnoordoost georiënteerde wegen en waterlopen en de aanwezige cultuurhistorische elementen zoveel mogelijk te respecteren. Hierbij kan bijvoorbeeld voor de realisatie van bebouwing gebruik gemaakt worden van de oude boerderij- en schuurlocaties. Voorts wordt geadviseerd, mocht het ‘Wehrmachtshuisje’ ten behoeve van de werkzaamheden worden aangepast of afgebroken, ter plaatse een bouwhistorisch onderzoek uit te voeren door of onder begeleiding van een specialist Tweede Wereldoorlog. Verwerking in bestemmingsplan Zoals beschreven in paragraaf 3.4.5 is ervoor gekozen om de ontsluitings- en kavelstructuur van het plangebied aan te passen. Daarnaast is in deze paragraaf geconcludeerd dat in de plannen rekening is gehouden met de aanwezige landschapselementen in het plangebied, maar dat ervoor gekozen is om twee landschapselementen te verwijderen. Het Wehrmachtshuisje zal niet worden aangepast of afgebroken. In het voorliggende plan is de regeling ter bescherming van de (cultuurhistorisch) waardevolle landschapselementen overgenomen uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2018.
Daarnaast zijn de cultuurhistorische waarden van het Wehrmachtshuisje beschermd middels de aanduiding ‘karakteristiek’.
19
Gemeente Bergen, Plangebied Energielandgoed Wells Meer, Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek, BAAC, kenmerk: V-20.0111, juni 2020 86
4.12.4
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.13
Externe veiligheid
4.13.1
Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10 -6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt.
Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Windturbines In de milieueffectrapportage is een overzicht opgenomen van de relevante regelgeving voor windturbines in Nederland (zie bijlage 4, paragraaf 14.1.1). Hierbij kan getoetst worden aan de normen voor het IPR en MR die Rijkswaterstaat hanteert. IPR staat voor Individueel Passanten Risico en geeft de overlijdenskans per passant per jaar aan. Het MR staat voor Maatschappelijk Risico en is een maat voor het verwachte aantal doden per jaar, als het product van het verwachte aantal slachtoffers per passage en het aantal passages per jaar.
4.13.2
Toetsing Toevoegen (beperkt) kwetsbare objecten In het plangebied worden een bezoekerscentrum en een bedrijfsverzamelgebouw mogelijk gemaakt. Dit zijn beperkt kwetsbare objecten.
87
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (meest noordelijke rode lijn), inrichtingen met gevaarlijke stoffen (rode driehoeken) en de transportroute over de Maas (zwarte lijn) en de transportroute over de N271 en N270 (meest zuidelijke rode lijnen), bron: www.risicokaart.nl
De risicobronnen in de omgeving van het plangebied zijn weergegeven op bovenstaande kaart. Uit de gegevens van de digitale risicokaart blijkt dat het plangebied niet binnen de PR-contour of het invloedsgebied van de omliggende risicobronnen ligt. Verder worden binnen het plangebied geen kwetsbare functies mogelijk gemaakt. Toevoegen risicobronnen In het plangebied wordt de realisatie van vier windmolens mogelijk gemaakt. In de milieueffectrapportage is het effect van deze windmolens met betrekking tot het aspect externe veiligheid onderzocht (zie bijlage 4, paragraaf 17.11.2.) Voor veiligheid van windturbines geldt: − de PR10-5 contour van de windturbine mag niet over kwetsbare objecten liggen; − de PR10-6 contour van de windturbine mag niet over beperkt kwetsbare objecten liggen. Voor windturbines geldt dat er geen kwetsbare objecten binnen de PR10-6 contour en geen beperkt kwetsbare objecten binnen de PR10-5 contour mogen liggen. Geconcludeerd wordt dat dit in het bestemmingsplan gewaarborgd moet worden. In de huidige situatie liggen er geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR10 -5 en PR10-6 contour van de windmolens, met uitzondering van de bedrijfswoning op adres Wellsmeer 1a. Deze bedrijfswoning is in het voorliggende plan wegbestemd en zal worden gesloopt. Zoals al genoemd zijn de enige nieuwe (beperkt) kwetsbare
88
objecten die met het voorliggende plan worden mogelijk gemaakt een bedrijfsverzamelgebouw en een bezoekerscentrum. In het bestemmingsplan is geregeld dat kwetsbare objecten niet binnen een afstand van 250 meter van de windturbines mogen worden gerealiseerd en dat beperkt kwetsbare objecten niet binnen de breedte (rotordiameter) van de windturbines mogen worden gerealiseerd. Plaatsing van windturbines nabij infrastructurele objecten is alleen mogelijk wanneer uit nader onderzoek blijkt dat geen onaanvaardbaar verhoogd risico voor de verkeersveiligheid bestaat. In de milieueffectrapportage wordt geconcludeerd dat er geen rijkswegen of wegen van nationaal formaat aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied. Ook zijn er geen provinciale wegen aanwezig nabij het plangebied. De N271 ligt ver buiten de risicocontouren (voldoet aan de toetsafstand). Binnen het voorliggende plan is geregeld dat wegen niet zijn toegestaan binnen de rotordiameter van een windmolen. Rotoroverslag bij nieuwe wegen is hierdoor niet mogelijk. Er is bovendien geen sprake van rotoroverslag over de Veenweg of andere bestaande lokale wegen. Om te analyseren of de omgeving gevoelig kan zijn voor ijsworp of ijsval is in de milieueffectrapportage gekeken naar de directe omgeving van de windturbines tot aan een afstand gelijk aan de tiphoogte.
Voor alle varianten van het VKM kunnen binnen de tiphoogte van de windturbines fietsers en wandelaars aanwezig zijn. De windturbines draaien over de Energieboulevard. Hierdoor kunnen passanten die onbeschermd zijn (zoals fietsers en voetgangers) mogelijk worden geraakt door ijsafval. Dit effect is als negatief (-) beoordeeld. Er bestaan systemen die voorkomen dat er ijsaangroei kan optreden (verwarmen van de bladen) en ijsdetectiesysteem om het werpen van ijs te voorkomen. Ook kan er door ijsafval schade aan (geparkeerde) auto’s, voertuigen of zonnevelden optreden, dit is weliswaar een aandachtspunt maar geen risico voor personen. Binnen de tiphoogte van de windturbines (zowel lijnopstelling als clusteropstelling) kunnen zonnevelden en mogelijk parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Aangeraden wordt om in dergelijks situaties, om schade door ijsworp te voorkomen, om hier actief rekening mee te houden. Dit kan door toepassing van een ijsdetectiesysteem om het werpen van ijs te voorkomen. In het geval dat er ook binnen een halve rotordiameter plus circa 11 meter zonnevelden aanwezig zijn, dan wordt aangeraden om ook nog een ijsprotocol opstellen om ook ijsafval (glijden vanaf rotor) te minimaliseren. Naast de windturbines worden geen nieuwe risicobronnen in het plangebied mogelijk gemaakt. 4.13.3
Conclusie In het voorliggende plan is geregeld dat geen (beperkt)kwetsbare objecten binnen een afstand van 250 meter van de windturbines mogen worden gerealiseerd. Hiermee is gewaarborgd dat er geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR10-5 en PR10-6 contour van de windmolens worden gerealiseerd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
89
4.14
Verkeer en parkeren
4.14.1
Verkeer In de toekomstige situatie wordt het plangebied ingericht als een energielandgoed, welke via de Energieboulevard wordt ontsloten op de Wezerweg en de Veenweg. Het toekomstige bezoekerscentrum en innovatiecentrum (waaronder een bedrijfsverzamelgebouw) hebben een verkeersaantrekkende werking. Als gevolg van de zonnepanelen en windmolens zal geen sprake zijn van een significante verkeersaantrekkende werking. Het gebied zal alleen incidenteel worden bezocht in het kader van onderhoudswerkzaamheden. Door de realisatie van het bezoekerscentrum en bedrijfsverzamelgebouw zal het aantal verkeersbewegingen naar het plangebied toenemen. De Wezerweg wordt op dit moment al als een drukke weg ervaren door omwonenden. In een verkeersonderzoek dat is opgenomen als bijlage 17 is onderbouwd wat de invloed van het bezoekerscentrum zal zijn op de verkeerssituatie op de Wezerweg en Veenweg. Uit dit onderzoek volgen de volgende conclusies: − De Wezerweg is een 60 km/h weg met een theoretische restcapaciteit van circa 2.000 motorvoertuigen per etmaal. Dit betekent dat bij benadering dagelijks 1.000 motorvoertuigen het bezoekers- /innovatiecentrum kunnen bezoeken (1.000 ritten heen en 1.000 ritten terug), zonder dat doorstromingsproblemen ontstaan of de verkeersveiligheid in het geding komt.
− Verwacht wordt dat de toename van het verkeer door het Energielandgoed (veel) lager is dan 1.000 bezoekende motorvoertuigen per dag. Daarmee zal de doorstroming op de Wezerweg en de Veenweg niet in het geding komen. − Recent uitgevoerde snelheidsmetingen laten zien dat de V85 57 km/h bedraagt. Daarmee wordt aangetoond dat gemiddeld 85% van de bestuurders de maximum toegestane snelheid van 60 km/h niet overschrijdt. Een toename van de verkeersintensiteiten zullen niet leiden tot hoger gereden snelheden, mogelijk nemen deze door de toenemende verkeersintensiteiten juist af. − De verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid van het bezoekersverkeer van het bezoekers-/innovatiecentrum van Wells Meer op de Wezerweg zullen geen belemmering vormen voor de doorstroming en verkeersveiligheid.
90
In de regels van het voorliggende plan is opgenomen dat het energielandgoed jaarlijks door maximaal 15.000 auto’s bezocht mag worden (30.000 motorvoertuigbewegingen). Dit betekent dat het daadwerkelijk aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal ruim onder de gestelde theoretische restcapaciteit van de Wezerweg van 2.000 motorvoertuigbewegingen zal liggen en dat het verkeer op een veilige wijze kan worden afgewikkeld op het bestaande wegennet. Alleen na de aanlegfase kan hier, onder voorwaarden, middels een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van worden afgeweken. 4.14.2
Parkeren Voor het bezoekerscentrum en het bedrijfsverzamelgebouw is het belangrijk dat voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn. In het verkeersonderzoek20 (zie bijlage 17) is een inschatting gemaakt van het benodigde aantal parkeerplaatsen. Geschat wordt dat ongeveer 258 parkeerplaatsen nodig zijn, waarbij vermeld is dat dit een grove inschatting is en deze geldt voor recreatiegebieden. Het parkeren zal plaatsvinden in de directe omgeving van het toekomstige bezoekerscentrum en bedrijfsverzamelgebouw. Hier is voldoende ruimte beschikbaar voor de realisatie van deze parkeerplaatsen.
20
Verkeersonderzoek Energielandgoed Wells Meer, Anteagroup, projectnummer: 0436912.100, 20 maart 2020 91
5 5.1
Wijze van bestemmen Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0893.BP20005ELWMWEL-ON01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de kaart) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. Wanneer het GML-bestand analoog wordt afgedrukt (op papier), betreft dit één verbeelding/plankaart. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
5.2
Methodiek
5.2.1
Verbeelding In het GML-bestand hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als 'verklaringen' aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).
5.2.2
Regels De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken: − Hoofdstuk 1 (artikelen 1 en 2) bevatten de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen. − Hoofdstuk 2 (artikelen 3 tot en met 12) bevat de bestemmingen. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouw- en gebruiksregels en, eventueel, ook een regels voor het 'uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' opgenomen. Ook zijn in dit hoofdstuk de dubbelbestemmingen opgenomen. − Hoofdstuk 3 (artikelen 13 tot en met 20) bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene gebruiksregels. − Hoofdstuk 4 (artikelen 21 en 22) bevat de overgangs- en slotregel.
92
Regels in verband met de bestemmingen De bestemmingsregels kennen allemaal dezelfde opbouw: − bestemmingsomschrijving; − bouwregels; − afwijken van de bouwregels (indien aanwezig); − specifieke gebruiksregels (indien aanwezig); − afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig); − omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig); − wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig). Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. Het gebruik wordt hier geregeld. Bouwregels De bouwregels zijn gerelateerd aan deze bestemmingsomschrijving. In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel zijn. Zoals bijvoorbeeld de bouwhoogtes. Afwijken van de bouwregels Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om middels een omgevingsvergunning af te wijken van de algemeen toegestane bouwregels. In een afwijkingsregeling wordt opgenomen waarvan afwijking wordt verleend, de maximale omvang van de afwijking die kan worden toegestaan en eventuele voorwaarden waaronder de omgevingsvergunning tot afwijken wordt verleend. Een voorbeeld is een afwijkende goot- en/of bouwhoogte in een bepaalde situatie.
Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om, onder meer door middel van 'vergunningsvrij bouwen'. Specifieke gebruiksregels Deze regels zijn in feite een aanvulling op de bestemmingsomschrijving. Hier worden vormen van gebruik beschreven die men in strijd acht met de bestemming, maar waarvan niet direct uit de bestemmingsomschrijving blijkt dat dit zo is. Afwijken van de gebruiksregels Onder afwijken van de gebruiksregels wordt het mogelijk gemaakt een bepaalde vorm van gebruik toch onder de bestemming te laten vallen. Een afwijking van een gebruiksregel mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Het betreft dus altijd gebruik dat inherent is aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om.
93
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen (dat is immers al onder de bouwregels beschreven), dienen soms aan een omgevingsvergunning te worden gebonden. Hiervan zal sprake zijn als bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van invloed kunnen zijn op in de specifieke bestemming voorkomende bijzondere omstandigheden. Voorbeelden van deze omstandigheden zijn cultuurhistorischeof landschappelijke waarden. Deze waarden kunnen met een omgevingsvergunningstelsel worden beschermd. De regeling is nadrukkelijk niet bedoeld om alle werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden geheel uit te sluiten. Concreet kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het moeten aanvragen van een vergunning voor het afgraven of egaliseren van gronden of het vellen van bos binnen de bestemming 'Natuur'. De inleidende regels (hoofdstuk 1) en de overgangs- en slotregel (hoofdstuk 4) worden hier verder niet toegelicht. Voor de overige bestemmingen volgt in de volgende paragraaf een inhoudelijke beschrijving.
5.3
Bestemmingen In deze paragraaf wordt de bestemmingsplanregeling van dit plan nader toegelicht. In dit bestemmingsplan komen de hoofdbestemmingen ‘Agrarisch met waarden’, ‘Bos’, ‘Energielandgoed’, ‘Natuur’, ‘Tuin’, ‘Verkeer’ en ‘Wonen’ voor en de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie hoog’ en ‘Waarde - Archeologie middelhoog’ en ‘Waarde Zone Natuurbeek’. Naast deze bestemming en dubbelbestemmingen, wordt kort ingegaan op de algemene regels van dit plan. Binnen dit bestemmingsplan is voor wat betreft de regeling zo veel mogelijk aangesloten bij de regels van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’.
5.3.1
Agrarisch met waarden Binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zijn gronden opgenomen die onder andere gebruikt mogen worden voor extensieve (dag) recreatie als medegebruik en beweiding van grasland. Wanneer deze gronden worden gebruikt dienen de landschappelijke-, natuurlijke- en cultuurhistorische waarden behouden te blijven. Binnen het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gevestigd. Deze bedrijven worden met de regeling ook niet mogelijk gemaakt. De gronden hebben op de verbeelding geen bouwvlak. Zonder een bouwvlak mogen de gronden alleen bebouwd worden, wanneer dit wordt gedaan ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering.
5.3.2
Bos Gronden met de bestemming ‘Bos’ zijn bestemd voor onder meer bosgebied, houtteelt en extensief recreatief medegebruik. Binnen de bestemming ‘Bos’ zijn gebouwen dan wel overige bouwwerken niet toegestaan. Voor werkzaamheden als bijvoorbeeld het vellen of rooien van houtteelt moet in principe eerst een omgevingsvergunning
94
verkregen worden. Er zijn uitzonderingssituaties, bijvoorbeeld wanneer de werkzaamheden behoren tot de normale onderhoudswerkzaamheden. 5.3.3
Energielandgoed Binnen het plangebied zijn de meeste gronden bestemd als ‘Energielandgoed’. De regels staan zonneparken, zonnevelden en windturbines toe om duurzame energie op te wekken. Binnen de bestemming mogen maximaal vier windturbines gerealiseerd worden. Ook wordt een bezoekerscentrum met parkeervoorzieningen mogelijk gemaakt waar recreatieve en educatieve voorzieningen zijn toegestaan. In het bezoekerscentrum is het mogelijk om horeca te vestigen die ondergeschikt is aan de hoofdfunctie. Daarnaast is een bedrijfsverzamelgebouw mogelijk voor aan het bedrijven die zijn verbonden met het Energielandgoed voor wat betreft de bedrijfsvoering, die zijn gerelateerd aan de duurzame energiesector en die noodzakelijker- of logischerwijs op het energielandgoed gevestigd dienen te zijn. Er zijn alleen bedrijven uit milieucategorie 1 en/of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Nutsvoorzieningen met een transformatorvermogen van maximaal 100MVA en het recreatieve mede gebruik is ook toegestaan. De gronden die zijn aangeduid met ‘specifieke vorm van maatschappelijk – bezoekerscentrum’ zijn bedoeld om een bezoekerscentrum te realiseren. Het bezoekerscentrum mag een maximale oppervlakte van 1.300 m2. Daarnaast is de bestaande bebouwing toegestaan. De bouwhoogte van het bezoekerscentrum is maximaal 10 m.
De gronden die zijn aangeduid met ‘specifieke vorm van bedrijf - bedrijfsverzamelgebouw’ zijn bedoeld om een bedrijfsverzamelgebouw te realiseren. De oppervlakte van het bedrijfsverzamelgebouw mag niet meer bedragen dan 25% van het aanduidingsvlak. De bouwhoogte van het bedrijfsverzamelgebouw is maximaal 7,5 m. De gronden mogen verder alleen bebouwd worden met gebouwen, wanneer deze ten dienste staan van de op te wekken duurzame energie, zijnde nutsvoorzieningen. Nutsvoorzieningen zijn toegestaan tot een maximale bouwhoogte van 3,5 meter. De zonnepanelen en windturbines zijn overige bouwwerken. Zonnepanelen zijn bijna binnen de hele bestemming mogelijk. De gronden mogen in principe voor 75% bebouwd worden met zonnepanelen. Binnen de innovatieve zone geldt een bebouwingspercentage van 80%. Waar een zonnepark is toegestaan moeten de gronden minder intensief worden bebouwd met zonnepanelen. Door extensieve bouw komt er meer ruimte waardoor de gronden niet bedrijfsmatig ogen. Binnen een zonnepark kan het opwekken van duurzame energie makkelijker gecombineerd worden met agrarisch- of recreatief medegebruik. Voor het zonnepark geldt dan ook een bebouwingspercentage van 25%, zodat er ook ruimte blijft voor het medegebruik. De zonnepanelen mogen in principe 1.60 meter hoog zijn.
Voor het innovatiegebied geldt net als voor het gebied ‘specifieke bouwaanduiding – afwijkende bouwhoogte zonnepanelen’ een afwijkende maat, respectievelijk 10 meter en 2,5 meter. De afstand van zonnepanelen tot geluidgevoelige objecten niet minder bedragen dan 25 m. De windturbines mogen alleen gebouwd worden op in de regels vastgelegde Rijksdriehoekscoördinaten binnen de aanduiding ‘windturbine’. Een windturbine mag de
95
volgende maatvoeringen hebben, een ashoogte van maximaal 165 meter, een rotordiameter van maximaal 170 meter en een maximale tiphoogte van 250 meter. In het plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een windturbine alleen kan worden verleend onder voorwaarde dat minimaal 10 weken voorafgaand aan de start van de bouw van de windturbine een positief advies wordt verkregen van het Ministerie van Defensie. Naast de hierboven genoemde overige bouwwerken, mogen onder andere ook bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gerealiseerd, in de vorm van bewakingscamera’s en verlichting en nutsvoorzieningen zoals inkoopstations en erfafscheidingen. In de specifieke gebruiksregels is tot slot geregeld dat het Energielandgoed jaarlijks door maximaal 15.000 voertuigen met een verbrandingsmotor behorende tot de categorie licht verkeer, 200 voertuigen behorende tot de categorie middelzwaar verkeer en 200 voertuigen behorende tot de categorie zwaar verkeer bezocht mag worden. Hierbij geldt dat een bus met een verbrandingsmotor gelijk gesteld wordt aan 3 motorvoertuigen behorende tot de categorie lichtverkeer. Het is mogelijk om onder voorwaarden bij omgevingsvergunning af te wijken van de regels voor onder andere het toestaan van een gebruik van de gronden voor agrarisch medegebruik, beweiding en bemesting. 5.3.4
Natuur De gronden binnen de bestemming ‘Natuur’ zijn mede bestemd voor natuurgebieden, bosgebieden, extensief recreatief medegebruik alsook bestaand agrarisch gebruik. Naast het gebruik dienen de natuurwaarden in samenhang met de waterhuishouding behouden, verstrekt dan wel ontwikkeld te worden. Als gebouw is enkel een schaapskooi toegestaan binnen de daarvoor bestemde aanduiding ‘specifieke vorm van natuur - schaapskooi’, waarbij de bestaande maatvoering als maximaal geldt. Daarnaast is ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’ opslag toegestaan. Verder geldt ook binnen de bestemming ‘Natuur’ dat er voor sommige werkzaamheden een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Deze vergunningen dienen ervoor de waarden in het gebied te beschermen.
5.3.5
Tuin Waar de bestemming ‘Tuin’ geldt, zijn de gronden bestemd voor beplanting, parkeervoorzieningen en vijvers en sloten alsook paden en verhardingen. De gronden mogen niet worden bebouwd.
5.3.6
Verkeer De bestaande wegen binnen het plangebied zijn bestemd als ‘Verkeer’. Deze gronden mogen onder meer gebruikt worden voor wegen, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en nutsvoorzieningen. Daarnaast moeten de cultuurhistorische waarden zoals in de bijlagen zijn opgenomen wel behouden dan wel hersteld worden. Naast nutsvoorzieningen zijn geen gebouwen toegestaan. Onder voorwaarden kunnen overige bouwwerken gerealiseerd worden.
96
5.3.7
Wonen De bestaande burgerwoningen hebben de bestemming ‘Wonen’ gekregen. Naast deze functie zijn aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven bij de woningen, groenvoorzieningen en water, erven en tuinen en paden en wegen toegestaan. Voor de aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven gelden specifieke gebruiksregels waaraan bij uitoefening voldaan moet worden. De goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 6,5 en 10 meter. De inhoud van een woning mag niet meer bedragen dan 800 m3, tenzij de inhoud van de bestaande woning groter is. Daarnaast zijn bouwregels opgenomen voor bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken.
5.3.8
Waarde - Archeologie hoog en middelhoog De dubbelbestemmingen beogen de archeologische waarden te beschermen. Op de gronden met een dubbelbestemming mag alleen onder voorwaarden worden gebouwd. Dit geldt als uit archeologisch onderzoek is gebleken dat geen sprake is van archeologische (verwachtings)waarden, het vergunningsvrije bouwwerken betreft of voldaan wordt aan het beschermingsniveau dat bij een bepaalde (verwachtings)waarde hoort. Van de desbetreffende bouwregels kan onder voorwaarden worden afgeweken. Voor bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden noodzakelijk.
5.3.9
Waarde - Zone Natuurbeek Gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde -Zone Natuurbeek’ bevatten waarden die beschermd moeten worden. De bestemming heeft als doel het behoud, de bescherming en ontwikkeling van de ecologische doelen, de daarvoor benodigde waterkwaliteit en ruimte voor natuurlijke hydromorfologische processen als meanderen en inundaties en het realiseren van de benodigde zo natuurlijk mogelijke waterpeilen in de natuurbeek. In principe zijn gebouwen en overige bouwwerken niet toegestaan.
5.3.10
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen, algemene wijzigingsregels, algemene procedure regels en nog overige regels en het overgangsrecht. Hierin is onder andere een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg en instandhouding van de inrichtingsmaatregelen conform het in de bijlage opgenomen compensatieplan. Verder bevatten de algemene regels meer standaardregels in bestemmingsplannen en worden deze hier verder niet toegelicht. In de slotregels wordt de naam van het bestemmingsplan geregeld en aangegeven wanneer het bestemmingsplan is vastgesteld.
97
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
6.1.1
Uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op initiatief van de gemeente. De gemeenteraad van de gemeente Bergen heeft budget beschikbaar gesteld voor het opstellen van het bestemmingsplan en het aanvragen van de benodigde vergunningen. In het Masterplan Energielandgoed Wells Meer is de gewenste toekomstige organisatiestructuur van het Energielandgoed beschreven (zie paragraaf 7.3 van het Masterplan (bijlage 1)). De exploitatie van het energielandgoed zal worden geregeld vanuit een nog op te richten besloten vennootschap (B.V.), waaraan onder andere de gemeente Bergen zal deelnemen. Een B.V. blijkt het meest passen bij de uitgangspunten die de gemeente hanteert voor de toekomstige organisatiestructuur: − de mogelijkheid voor burgers en bedrijven in (en om) de gemeente Bergen om te participeren in het project; − participatie door anderen mag er niet toe leiden dat de gemeente haar grip (doorslaggevende zeggenschap) over de ontwikkeling en de exploitatie van het project verliest; − de zonnepanelen, turbines, et cetera, worden gerealiseerd op gronden die te allen tijde eigendom van de gemeente zullen blijven.
De op te richten opstallen worden eigendom (door middel van opstalrechten) van het “energiecollectief”, welk collectief ook voor de exploitatie verantwoordelijk is. In het Masterplan Energielandgoed Wells Meer is ook de economische haalbaarheid van het Energielandgoed beoordeeld (zie paragraaf 7.5 van het Masterplan (bijlage 1)). Op basis van het voorkeursmodel is een globale fiscale doorrekening gemaakt. Het resultaat van deze economische analyse laat zien dat het project economisch haalbaar is. Het berekende projectrendement over een periode van 16 jaar is 3,5%. De gemeente Bergen heeft daarnaast in kwartaal 3 en kwartaal 4 van 2020 een uitgebreide marktconsultatie uit laten voeren bij financiers en technische toeleveranciers. Op basis van de uitkomsten van deze marktconsultaties is de bestaande business case waar in het masterplan naar verwezen wordt aangescherpt. Hierbij is ook informatie meegenomen m.b.t. de hoogte van de SDE++ en een aantal andere parameters van recente publicaties van het Planbureau voor de Leefomgeving. De aangescherpte business case laat zien dat de ontwikkeling van het energielandgoed nog steeds financieel haalbaar is.
98