BP Toelichting herstelbesluit 2025 Energielandgoed Bergen met wijzigingen
Tekst van het document
Daarbij geldt als voorwaarde dat de bestaande leveringszekerheid geborgd blijft, de omgevingskwaliteit de aandacht heeft, kosten acceptabel zijn en de maatregelen bijdragen aan een duurzame ontwikkeling. De opgaven en aanpak moeten worden uitgewerkt in regionale energievisies (zie paragraaf 3.3.3).
31
Windturbines Voor windturbineopstellingen met een masthoogte van boven de 25 meter heeft de provincie een aanpak die bestaat uit een combinatie van een realisatiestrategie en een plaatsingsvisie.
Uitsnede kaart 5 windenergie van het POL 2014 met de globale aanduiding van het plangebied (rode lijn), bron: polviewer.nl
− Realisatiestrategie De provincie streeft naar het maximaliseren van het maatschappelijk effect van windenergie door participatie van belanghebbenden in het planproces en de realisatie van windturbines. Burgers, grondeigenaren en ondernemers die nabij windturbines wonen of ondernemen zullen in staat worden gesteld te profiteren van de opbrengsten. De wijze waarop dit gebeurt is maatwerk en afhankelijk van de lokale wensen en de financiële ruimte van het windpark. De invulling van dit profijtbeginsel zal beschreven worden in een profijtplan dat door de initiatiefnemers in overleg met de stakeholders zal worden opgesteld. Gemeenten nemen het voortouw om te komen tot ruimtelijke plannen (bestemmingsplan of provinciaal inpassingsplan) die de plaatsing van windturbines mogelijk maken. Er wordt hierbij rekening gehouden met bestaande initiatieven of initiële projectideeën. Met stakeholders worden afspraken vastgelegd over de rolverdeling en prestaties. − Plaatsingsvisie Een aantal typen gebieden leent zich het best voor de nieuwe generatie windturbines. Er wordt gestimuleerd dat nieuwe ontwikkelingen met name plaatsvinden in deze voorkeursgebieden: − grootschalige landschappen in de jonge Peelontginningen van Midden- en Noord-Limburg; − gebieden aan de provinciegrens waar reeds turbines staan opgesteld;
32
− grotere industrieterreinen en ontwikkelingsgebieden voor veehouderij en glastuinbouw; − daar waar clusters van ten minste 6 turbines kunnen worden opgesteld. Een landschapsontwerp maakt onderdeel uit van de plaatsingsvisie om een goede kwalitatieve inpassing te borgen. Concentratie van windturbines is hierbij van belang om de impact van turbines op het landschap te beperken. Dit is op Limburgs schaalniveau te bereiken door concentratie in de genoemde voorkeursgebieden en op regionale schaal door de voorwaarde dat projecten tenminste een omvang hebben van drie turbines. Bij de planning of de bouw van turbines worden vooraf afspraken vastgelegd over de sloop van de turbines. Zolang de met het Rijk overeengekomen taakstelling nog niet is gerealiseerd, zijn ook projecten kleiner dan drie turbines mogelijk, waarbij de provincie ervan uitgaat dat deze lokaal gedragen worden. Het Nationaal Landschap Zuid-Limburg, Natura 2000 - gebieden en het winterbed zijn uitgesloten van plaatsing van windturbines. Deze gebieden liggen niet binnen het plangebied. Voor het Energielandgoed is gekozen voor een locatie buiten de door de provincie aangewezen voorkeursgebieden. Aan deze locatiekeuze ligt echter wel een zorgvuldige afweging ten grondslag, welke in het MER bij de structuurvisie is beoordeeld (zie paragraaf 2.2.1).
Van de potentiele locaties binnen de gemeente Bergen voor de grootschalige opwekking van duurzame energie, blijkt Wells Meer het meest geschikt te zijn gezien de impact op energieopbrengst, ruimtegebruik, leefomgeving en landschap. Het plangebied ligt bovendien niet in een gebied waar de plaatsing van windturbines op basis van de verordening is uitgesloten (Nationaal Landschap Zuid-Limburg, Natura 2000 - gebieden en het winterbed). Regionaal watersysteem
Uitsnede kaart 9 regionaal watersysteem van het POL 2014 met de globale aanduiding van het plangebied (rode lijn), bron: polviewer.nl
33
De opgave is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico’s op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. De provincie streeft naar ontwikkeling, herstel en behoud van de kwaliteit van de natuurbeken en natte natuurgebieden binnen het provinciaal natuurnetwerk. De beekdalen vervullen in de aanpak een cruciale functie als strategische waterberging, welke niet aangetast mag worden. De functie strategische waterberging betekent dat de ruimte voor natuurlijke inundaties in beekdalen in stand moet blijven en de infiltratiecapaciteit van de bodem niet verder afneemt. In het plangebied liggen een zone natuurbeek en het bijbehorende beekdal (de Molenbeek). Daarnaast liggen er twee beken met een algemene ecologische functie. De bescherming van de beekdalen ten behoeve van de functie strategische waterberging is in de Omgevingsverordening geregeld doordat deze gebieden zijn aangewezen als goud- en zilvergroene natuurzones en de bronsgroene landschapszones. In paragraaf 3.2.2 wordt hier verder op ingegaan. Vrijetijdseconomie Limburg kent een groot aanbod aan recreatieve voorzieningen, maar het is een voortdurende opgave om de voorzieningen af te stemmen op de veranderende vraag van de consument en nieuwe doelgroepen aan te trekken.
Er is een noodzaak tot verbetering van aanbod, toegankelijkheid en beleving van cultuurhistorie, slechtweervoorzieningen, nieuwe leisure concepten, attracties, evenementen, overnachtingsmogelijkheden, horeca en fiets- en wandelroutes. Primair ligt de verantwoordelijkheid voor het realiseren van toekomstbestendige voorzieningen bij de betreffende ondernemers. De onderlinge afhankelijkheid van de voorzieningen en hun bijdrage aan de gezamenlijke regionale uitstraling en aantrekkelijkheid betekent ook dat er een opgave ligt voor de Limburgse overheden om hierin regionaal de onderlinge samenwerking op te zoeken. In de Omgevingsverordening heeft de provincie regels opgenomen ten aanzien van de vrijetijdseconomie. In paragraaf 3.2.2 wordt hier verder op ingegaan. Dynamisch voorraadbeheer Limburg heeft van veel functies genoeg of zelfs te veel, zoals woningen, werklocaties (bedrijventerreinen, kantoren, agrarische productielocaties), winkels en vrijetijdsparken. Er is daarbij ook sprake van een mismatch tussen kwalitatief aanbod en behoefte. Er is geen behoefte aan meer van hetzelfde, er is juist behoefte aan andere kwaliteit. Waar de behoefte aan kwantitatieve groei is weggevallen, is stilstand geen optie. Blijvende vernieuwing en innovatie mag niet in gevaar komen. Dynamiek is nodig om de omslag naar gewenste kwaliteit te maken.
Door het creëren van schaarste krijgt de markt prikkels om de benodigde kwaliteit te realiseren. Met ruimte voor maatwerk om in te spelen op ontwikkelingen in de markt (zoals trends om functies meer te combineren) en innovatief en maatschappelijk verantwoord ondernemerschap te belonen.
34
Dit wil de provincie bereiken door dynamisch voorraadbeheer, waarbij gemeenten en Provincie op regionaal niveau afspraken maken over gezamenlijke ambities en opgaven, gezamenlijke principes en werkwijze, voor sommige onderwerpen ook voor gezamenlijke programmering, soms zelfs voor gezamenlijk beheren van de voorraad. De belangrijke marktpartijen en stakeholders worden hierbij betrokken. De werkwijze voor dynamisch voorraadbeheer wordt onder andere toegepast bij kantoren en bedrijventerreinen. In de volgende paragraaf wordt hier verder op ingegaan. Kantoren en bedrijventerreinen Limburg heeft voldoende kantoren. Wel is een kwaliteitsslag gewenst. De provincie wil sterke kantoorlocaties in een aantrekkelijke omgeving met een kwalitatief hoogstaande voorraad die aantrekkelijk is voor bedrijven en organisaties. Naast verbeteren van de kwaliteit van de bestaande voorraad dient er ook gezorgd te worden voor een optimale benutting van die voorraad. De vastgoedeigenaren, bij voorkeur via samenwerking, zijn hiervoor primair verantwoordelijk Limburg heeft voldoende kantoren. Wel is een kwaliteitsslag gewenst. Centraal staat dynamisch voorraadbeheer per regio: Noord-, Midden- resp. Zuid-Limburg. Limburg heeft ruim voldoende bedrijventerreinen. Groei lijkt nu vooral nog te zitten in de logistieke sector en wellicht ook in de biobased economy, chemie en automotive.
De kwalitatieve opgave is des te belangrijker. De centrale opgave is dan ook: een groei in kwaliteit zonder dat de kwantiteit toeneemt, daarbij meer schaarste creërend, met ruimte voor maatwerk. Kortom: het nieuwe groeien. Centraal in de aanpak staat dynamisch voorraadbeheer per regio: Noord-, Midden- resp. Zuid-Limburg. Dit principe krijgt vorm en inhoud in regionale bedrijventerreinenvisies. In de Omgevingsverordening heeft de provincie regels opgenomen ten aanzien van de realisatie van kantoren en bedrijventerreinen. In paragraaf 3.2.2 wordt hier verder op ingegaan. 3.2.2
Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg 2014 bevat de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL 2014 juridische binding te geven. Specifiek voor de doorwerking van het ruimtelijk beleid is in de verordening een hoofdstuk Ruimte opgenomen. Dit hoofdstuk bevat uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Zij moeten deze regels in acht nemen bij het vaststellen van bestemmingsplannen, beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. In het hoofdstuk Ruimte is voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. Met name gaat het dan om de regels voor de ecologische hoofdstructuur, die zijn ondergebracht in het onderdeel Goudgroene natuurzone. In de verordening is onder andere bepaald dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in beginsel een plaats moeten krijgen binnen het bestaande stedelijk gebied
35
(overeenkomstig de Ladder voor duurzame verstedelijking). Herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen krijgt hierbij bijzondere aandacht. In de Omgevingsverordening is een motiveringsplicht opgenomen die gemeenten vraagt om in de toelichting op nieuwe bestemmingsplannen (voor onderdelen van de bronsgroene landschapszone) aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in het betreffende gebied wordt omgegaan. Toetsing Het voorliggende plangebied is deels aangewezen als ‘bronsgroene landschapszone', ‘goudgroene natuurzone’ en ‘zilvergroene natuurzone’. Daarnaast is de Molenbeek aangeduid als natuurbeek met een ‘zone Natuurbeek’. Daar omheen ligt het beekdal, dat ook is aangeduid. Bronsgroene landschapszone In artikel 2.7.2 van de verordening is opgenomen dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone een beschrijving bevat van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten van de bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf.
In het landschapskader Limburg is voor de bronsgroene landschapszone in het plangebied aangegeven dat het een dekzandrug betreft, met langs de noordzijde een beekdal (van de Molenbeek). Rondom is bos aanwezig, waardoor het een besloten landschap is. De gebieden in de bronsgroene landschapszone hebben in het voorliggende plan de bestemming ‘Natuur’ gekregen. Het voornemen is om hier natuur te ontwikkelen. Binnen de bestemming ‘Natuur’ kunnen alleen werken of werkzaamheden worden uitgevoerd als hierdoor geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige waarde van het gebied. Op deze wijze is gewaarborgd dat rekening moet worden gehouden met de in plangebied voorkomende kernkwaliteiten.
Zone natuurbeek In artikel 2.9.2 van de verordening is geregeld dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Zone natuurbeek een beschrijving bevat van de wijze waarop: − rekening is gehouden met de toekomstige inrichting van de zone, gericht op de realisatie van de wezenlijke kenmerken en waarden daarvan; − nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten die afbreuk kunnen doen aan de realisatie van de wezenlijke kenmerken en waarden van de Zone natuurbeek of die de omvang van schade als gevolg van meanderen, inundaties of waterpeilen worden tegengegaan. De wezenlijke kenmerken en waarden van de Zone natuurbeek zijn in de verordening als volgt gedefinieerd: “het beschermen, behouden en verder ontwikkelen van de
36
ecologische doelen, de daarvoor benodigde waterkwaliteit en ruimte voor natuurlijke hydromorfologische processen als meanderen en inundaties en het realiseren van de benodigde zo natuurlijk mogelijke waterpeilen in de natuurbeek en de aangrenzende Zone natuurbeek.”
Uitsnede kaart met Zone Natuurbeek uit de Omgevingsverodening Limburg 2014, met de globale aanduiding van het plangebied (rode lijn), bron: polviewer.nl
In bovenstaande afbeelding is de ligging van de Zone Natuurbeek weergegeven. De zone ligt rondom de Molenbeek. Ten zuiden van de Molenbeek wordt in het voorliggende plan de ontwikkeling van natuur mogelijk gemaakt. Er worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die afbreuk kunnen doen aan de realisatie van de wezenlijke kenmerken en waarden van de deze zone. In samenwerking met het waterschap zal een inrichtingsplan worden gemaakt, waarin rekening zal worden gehouden met de wezenlijke kenmerken en waarden hiervan. Dit is in het voorliggende plan gewaarborgd binnen de bestemming ‘Natuur’ welke ter plaatse van de Zone Natuurbeek is opgenomen. Binnen de bestemming ‘Natuur’ kunnen alleen werken of werkzaamheden worden uitgevoerd als hierdoor geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige waarde van het gebied. Ten noorden van de Molenbeek wordt ter plaatse van de Zone Natuurbeek met het voorliggende plan ook een zonnepark mogelijk gemaakt. Dit zijn gronden die extensief zijn ingericht met zonnepanelen. Het bebouwingspercentage bedraagt hier niet meer dan 25%. Hierbinnen is voldoende ruimte voor de realisatie van wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurbeek.
In het hiervoor beschreven inrichtingsplan dat onder andere in samenwerking met het waterschap wordt gemaakt zal hier rekening mee worden gehouden. Daarnaast is ter bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurbeek in het voorliggende plan een dubbelbestemming opgenomen ter plaatse van de Zone Natuurbeek.
37
Zilvergroene natuurzone In artikel 2.13.2 van de verordening is opgenomen dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Zilvergroene natuurzone een beschrijving bevat van: a de waarde van het plangebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen de Goudgroene natuurzone met het oog op de impact voor de habitattypen in de Natura 2000-gebieden; b de waarde van het plangebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van de Goudgroene natuurzone; c de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder a en b en op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van bedoelde waarden. Daarnaast stelt de verordening dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Zilvergroene natuurzone, tevens een beschrijving bevat van: a de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten; b de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan; en c hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. In het plangebied zijn meerdere gebieden aanwezig de zijn aangemerkt als ‘Zilvergroene natuurzone. Voor het voorliggende plan is een compensatieplan8 opgesteld, welke als bijlage bij de toelichting en de regels is gevoegd.
In het compensatieplan zijn in hoofdstuk 4 en 5 de op basis van de verordening vereiste beschrijvingen en toelichting opgenomen. Hiermee wordt voldaan aan de regels uit de verordening. Goudgroene natuurzone In artikel 2.6.2 van de verordening is opgenomen dat een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Dit is in het voorliggende plan gewaarborgd binnen de bestemming ‘Natuur’, welke overal ter plaatse van de Goudgroene natuurzone is opgenomen. Binnen de bestemming ‘Natuur’ kunnen alleen werken of werkzaamheden worden uitgevoerd als hierdoor geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige waarde van het gebied. Een uitzondering hierop vormt een kleine zone in de zuidwesthoek van het plangebied (zie volgende afbeelding). Hier komen zonnepanelen in een kleine strook van de goudgroene natuurzone te liggen. Hiermee vindt een aantasting plaats van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied en wordt niet voldaan aan het bepaalde in artikel 2.6.2. van de ruimtelijke verordening.
8
Compensatieplan Energielandgoed Wells Meer, Pondera, 4 maart 2021 38
Ligging goudgroene natuurzone (groene vlakken) in omgeving plangebied, met aanduiding locatie waar de bestemming ‘Energielandgoed’ in de goudgroene natuurzone ligt (rode cirkel)
In artikel 2.6.5. van de verordening is het volgende opgenomen: “Het verbod van artikel 2.6.2 is niet van toepassing op een individuele, kleinschalige ingreep die leidt tot een verbetering van de Goudgroene natuurzone in het desbetreffende gebied.” Toepassing hiervan is alleen mogelijk indien uit het ruimtelijk plan blijkt dat: a de voorgestelde ingreep slechts leidt tot een beperkte aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van de Goudgroene natuurzone in het desbetreffende gebied; b de voorgestelde ingreep leidt tot een kwalitatieve versterking van de Goudgroene natuurzone; c de oppervlakte natuur van de Goudgroene natuurzone ten minste gelijk blijft, en d de kwaliteitswinst niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van de Goudgroene natuurzone. Met het voorliggende plan wordt een kleinschalige ingreep mogelijk gemaakt. Er is een compensatieplan9 opgesteld, waaruit blijkt dat de optredende aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van de Goudgroene natuurzone in het betreffende gebied beperkt is. Daarnaast is hierin onderbouwd dat de ingreep leidt tot een versterking van de Goudgroene natuurzone en dat de oppervlakte natuur ten minste gelijk blijft. De kwaliteitswinst zal tot slot niet worden gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van de Goudgroene natuurzone.
De uitvoering van deze visie is in het voorliggende plan gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting.
9
Compensatieplan Energielandgoed Wells Meer, Pondera, 4 maart 2021 39
Nieuwe stedelijke ontwikkeling In het algemeen regelt de Omgevingsverordening dat bij ruimtelijke plannen die voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met regels van het Rijk ten aanzien van de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie daarvoor paragraaf 3.1.3). De provincie stelt de extra eis dat gekeken moet worden of deze plannen mogelijk zijn in de vorm van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen. Aangezien in het plangebied geen leegstaande monumentale of beeldbepalende gebouwen aanwezig zijn, is dit hier niet mogelijk. Artikel 2.4.4 Kantoren In artikel 2.4.4. van de verordening is opgenomen dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor kantoren aan de bestaande voorraad kantoren alsmede aan de bestaande planvoorraad kantoren anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.3 van het POL2014, de regionale visie Kantoren Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg. De toelichting bij het ruimtelijke plan moet een verantwoording bevatten van de wijze waarop aan bovenstaande invulling is gegeven.
Daarnaast moet de toelichting een beschrijving bevatten van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband. In de actualisatie van de bestuursafspraken POL2014 (2017) voor de regio NoordLimburg is opgenomen dat de vastgestelde ‘regionale visie Kantoren Noord-Limburg’ de formele basis vormt voor de regionale samenwerking op het gebied van kantoren. De gemeenten verplichten zich om de in het ‘actieprogramma kantoren’ opgenomen regionale en lokale acties conform planning uit te voeren. Met het voorliggende plan wordt de realisatie van kleinschalige energie gerelateerde bedrijvigheid mogelijk gemaakt. In paragraaf 3.3.2 is het voorliggende plan getoetst aan de visie Kantoren Noord-Limburg en geconcludeerd wordt dat deze niet van toepassing is. Artikel 2.4.5 Bedrijventerreinen In artikel 2.4.5.
van de verordening is opgenomen dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 5.2 van het POL2014, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg. De toelichting bij het ruimtelijke plan moet een verantwoording bevatten van de wijze waarop aan bovenstaande invulling is gegeven. Daarnaast moet de toelichting een beschrijving bevatten van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.
40
In de 1e actualisatie van de bestuursafspraken POL2014 (2017) voor de regio NoordLimburg is opgenomen dat de vastgestelde ‘regionale visie Bedrijventerreinen NoordLimburg’ de formele basis vormt voor de regionale samenwerking op het gebied van bedrijventerreinen. De gemeenten verplichten zich om de in de ‘uitvoeringsparagraaf bedrijventerreinen’ opgenomen regionale en lokale acties conform planning uit te voeren. Met het voorliggende plan wordt de realisatie van kleinschalige energie gerelateerde bedrijvigheid mogelijk gemaakt. In paragraaf 3.3.1 is het voorliggende plan getoetst aan de visie bedrijventerreinen Noord-Limburg. Artikel 2.4.6 Vrijetijdseconomie In artikel 2.4.6. van de verordening is opgenomen dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in paragraaf 6.4 van het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg, zoals verwoord in de bij deze paragraaf behorende bijlage 1. De toelichting bij het ruimtelijke plan moet een verantwoording bevatten van de wijze waarop aan bovenstaande invulling is gegeven.
Daarnaast moet de toelichting een beschrijving bevatten van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en indien aan de orde de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband. Met betrekking tot dagrecreatie zijn in de 1e actualisatie van de bestuursafspraken POL2014 (2017) de volgende afspraken gemaakt: − Samen met de sector een aanpak opstellen om het dagrecreatieve aanbod in de regio te versterken. Hierbij kan het leefstijlenmodel een hulpmiddel zijn. − De gemeenten informeren elkaar over grote, bovenregionale evenementen en verwijzen zo nodig naar elkaars evenemententerreinen. − De regio maakt afspraken over regionale afstemming rondom nieuwe dagrecreatieve voorzieningen. − We werken aan betere afstemming tussen overheid, onderwijs en bedrijfsleven met als doel om te komen tot instrumentarium dat leidt tot de gewenste professionalisering van de dagrecreatie voorzieningen. Door de regio is het Actieprogramma Vrijetijdseconomie Noord-Limburg 2018 - 2025 opgesteld, waarin de regionale ambities met betrekking tot de vrijetijdseconomie verder zijn uitgewerkt. De kern van de opgave voor de vrijetijdseconomie is om de focus te leggen op familierecreatie dat op het niveau van de 21e eeuw wordt ingevuld.
In het actieprogramma zijn hiervoor 5 actielijnen opgenomen: vitale verblijfsrecreatie, vitale dagrecreatie, vrijetijdslandschappen, cross-overs en regiomarketing. Voor dagrecreatie is het doel dat de regio een grotere dagrecreatieve aantrekkingskracht krijgt. Daarnaast wil de regio met de actielijn cross-overs de vrijetijdseconomie verankeren in de regio door verbindingen met andere sectoren te versterken.
41
Met het voorliggende plan wordt een bezoekerscentrum mogelijk gemaakt. Dit sluit aan bij de wens van de regio om het dagrecreatieve aanbod verder te versterken en zo de aantrekkelijkheid van de regio te vergroten. Daarnaast sluit het aan op de actielijn cross-overs, doordat de verbinding wordt gemaakt met het Energielandgoed. Het plan is hierdoor in overeenstemming met de principes uit de bestuursafspraken. 3.2.3
Conclusie provinciaal beleid Het voorliggende plan voldoet aan het provinciaal beleid en draagt bij aan de ambities die hierin zijn opgenomen.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Visie bedrijventerreinen Noord Limburg (POL-Uitwerking werklocaties) Samenwerking tussen gemeenten in de regio is de sleutel tot een effectievere bedrijventerreinen aanpak. Belangrijk in de samenwerking is dat er nog steeds een lokale rol en verantwoordelijkheid aanwezig is en opgepakt wordt maar er ook regionaal wordt gehandeld en gedacht. Alle gemeenten willen ondernemers een goede omgeving bieden om te ondernemen en zo werkgelegenheid verschaffen aan hun inwoners. Daarvoor is het echter niet nodig om buurgemeenten te beconcurreren voor nieuwe bedrijvigheid. Het lukt juist eerder om nieuwe bedrijvigheid aan te trekken als de regio zich als een geheel presenteert. In het POL2014 wordt door de provincie Limburg ingezet op het invoeren van dynamisch voorraadbeheer. Centraal in het dynamisch voorraadbeheer staan drie type interventies: 1. Herstructurering: Werken aan de kwaliteit van de bestaande bedrijventerreinvoorraad (en aanpak leegstand). Koppelingen van herstructurering van bestaande terreinen met de uitrol van nieuwe terreinen; 2. Sturing op kwaliteit en kwantiteit: Schrappen en transformeren van (harde) plannen die niet de beoogde toevoeging van kwaliteit opleveren; 3. Nieuwe ontwikkeling: Onder voorwaarden ruimte bieden voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad.
In alle gevallen van nieuwe ontwikkeling van bedrijventerrein streeft de regio hoge duurzaamheidsdoelstellingen na. Nadrukkelijk wordt de koppeling gezocht naar het thema Energie. De nieuwe locaties kunnen bijdragen aan het terugdringen van energiegebruik en ingezet worden voor het produceren van energie. Energiebesparende maatregelen zoals bijvoorbeeld isolatie of energie opwekking via zonnecellen of windmolens moeten een onderdeel vormen van nieuwe planontwikkelingen. Nieuwe ontwikkelingen kunnen altijd alleen plaats vinden na saldering vanuit de bestaande bedrijventerrein voorraad (inclusief planvoorraad). De enige uitzondering hierop vormen hoge milieucategorie locaties en watergebonden bedrijvigheid. Voor het salderen wordt eerste gekeken naar mogelijkheden voor saldering binnen de eigen gemeente (eigen voorraad die onbenut is, plannen die niet tot uitvoering komen, ruimtewinst als gevolg van herstructurering, etc.).
42
Toetsing Met het voorliggende plan wordt een bedrijfsverzamelgebouw mogelijk gemaakt voor aan het Energielandgoed verbonden bedrijven die zijn gerelateerd aan de duurzame energiesectoren en noodzakelijker- of logischerwijs op het Energielandgoed gevestigd dienen te zijn. Op deze wijze is uitgesloten dat in het plangebied een bedrijventerrein ontstaat. Met het voorliggende plan wordt een bedrijfsverzamelgebouw mogelijk gemaakt voor aan het Energielandgoed verbonden bedrijven die zijn gerelateerd aan de duurzame energiesectoren en noodzakelijker- of logischerwijs op het Energielandgoed gevestigd dienen te zijn. Op deze wijze is uitgesloten dat in het plangebied een bedrijventerrein ontstaat. Er heeft specifiek en nadrukkelijk regionale afstemmingplaats gevonden over het bedrijfsverzamelgebouw. In het portefeuillehouder overleg van Ondernemen en Innoveren op 26 januari 2022 en het portefeuillehouderoverleg Landelijk gebied en Ruimte op 3 februari 2022 is dit afgestemd. Beide hebben op basis van de bijgevoegde adviesnotities ingestemd met het niet salderen van het bedrijfsverzamelgebouw. Zie bijlage 16 met adviesnotities en verslagen van beide overleggen. 3.3.2
Kantoren (POL-uitwerking werklocaties) Met betrekking tot nieuwe kantoorlocatie zijn in het regionale beleid de volgende opgaven geformuleerd: − Er is per saldo geen ruimte meer voor het toevoegen van m²’s. Iedere nieuwe m² wordt gecompenseerd door een oude meter (bestaand of hard plan) uit de markt te nemen. Alleen op specifieke locaties (de concentratiegebieden) zijn nieuwe plannen mogelijk. Ook hierbij mag per saldo de voorraad in de regio niet toenemen. Het accent in Noord-Limburg ligt dan ook op het faciliteren van dynamiek zonder een structurele toename van netto kantoorruimte. − De regio zet actief in om aanbod en planvoorraad op ‘verkeerde’ plekken te reduceren. Ruim 75% van zowel de totale voorraad als de planvoorraad is gelegen in de uitsluitingsgebieden. In lijn met het POL zijn dit niet de gebieden waar kantoren bij voorkeur gelegen zijn, laat staan nieuwe kantoren ontwikkeld worden. Als regio wordt dan ook actief ingezet om aanbod en planvoorraad op deze plekken te reduceren. Waarbij nadrukkelijk niet wordt ingezet op actieve verplaatsing van het bestaande aanbod, maar om: − het sturen van nieuwe plannen en ontwikkelingen naar de prioritaire gebieden in Venlo en Venray; − het saneren van bestaande voorraad en bestaande plannen op de verkeerde plekken.
Daarbij ligt het accent op leegstaande voorraad met geen of nog maar een beperkte economische levensduur en verborgen plancapaciteit, waar door middel van voorzienbaarheid op termijn kan worden gesaneerd. En op zachte plannen waarbij geen planschade geclaimd kan worden vanwege het ontbreken van de juridisch-planologische hardheid van de plannen. − het behouden van enige ruimte voor een invulling die past bij de karakteristiek van de lokale economie, het gevolg is van de langgerekte geografische vorm van de regio en specifiek de invulling van bestaande bijzondere panden. Daarbij dient altijd de Ladder voor Duurzame Verstedelijking doorlopen te worden.
43
Lokale verantwoordelijkheid: Gemeenten hebben een eigen verantwoordelijkheid en speelruimte om lokale initiatieven naar eigen inzicht aan te pakken. Het gaat hierbij om: − Nieuwbouw kleiner dan of uitbreiding van kantoorruimtes tot 500 m² vvo; − Nieuwbouw of uitbreiding van kantoorruimtes vanaf 500 m² vvo met een primair gemeentelijk verzorgingsgebied (>80% van de omzet) in de categorieën: − openbare dienstverleners: gemeentekantoor, politie e.d. − persoonlijke dienstverlening: kapper, nagelstudio, voetmassage e.d. − maatschappelijke dienstverlening: jeugdzorg, veiligheidshuis e.d. − medische dienstverlening: fysiotherapeut, huisarts, apotheek e.d. − educatieve dienstverlening: rijschool, studie-ondersteuning, scholenkoepel e.d.; − Nieuwbouw of uitbreiding van kantoren vanaf 500 m² vvo voor dienstverleners in de centra van uitsluitingsgebieden; − Hergebruik van bestaande panden in perspectiefvolle centrumgebieden als kantoorruimte, waar dit via een meervoudige bestemming reeds mogelijk is. Hierbij geldt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen saldo ‘nul’. Salderen tussen gemeenten wordt niet op voorhand uitgesloten, maar vergt regionale instemming.
Regionale spelregels bij nieuw aanbod zijn: − Voor nieuw aanbod (anders dan reeds als harde planvoorraad bekend) voor de vervangings- of uitbreidingsbehoefte of nieuwvestigers wordt de Ladder voor Duurzame Verstedelijking gevolgd. In Noord-Limburg wordt daar de gebiedsindeling van concentratie-, balans- en uitsluitingsgebieden aan gekoppeld. − Voor nieuwvestigers komen alleen de concentratie- en balansgebieden in aanmerking, met de bijbehorende beperkingen voor balansgebieden. − Voor nieuwe plannen -uitbreiding of nieuw- buiten de harde planvoorraad geldt een compensatieverplichting, deze kan met een opschortende voorwaarde in het bestemmingsplan worden afgedwongen. − Nieuwbouw en uitbreidingen zijn energieneutraal, tenzij de uitbreiding dermate kleinschalig is dat geen nieuwe installaties nodig zijn. Toetsing Met het voorliggende plan wordt een bedrijfsverzamelgebouw mogelijk gemaakt voor aan het Energielandgoed verbonden bedrijven die zijn gerelateerd aan de duurzame energiesectoren en noodzakelijker- of logischerwijs op het Energielandgoed gevestigd dienen te zijn. Op deze wijze is uitgesloten dat in het plangebied een kantorenpark ontstaat, waardoor het regionale beleid voor kantoren niet van toepassing is. 3.3.3
(Concept) Regionale Energie Strategie (RES) Noord- en Midden Limburg In 2019 heeft Nederland in het Klimaatakkoord afgesproken dat de CO2 -uitstoot in 2030 de helft lager moet zijn dan in 1990. En in 2050 zelfs 95% lager. Nederland is opgeknipt in dertig RES-regio’s, die ieder een Regionale Energie Strategie (RES) opstellen. In de RES staat welke bijdrage een regio gaat leveren aan het behalen van de doelstellingen uit het klimaatakkoord. De gemeente Bergen vormt samen met 14 andere gemeentes, de Provincie Limburg, Waterschap Limburg en Enexis de RES-regio Noord- en Midden Limburg.
44
Op 1 juni 2020 heeft de RES-regio het voorlopige concept RES ingediend bij het Rijk. Op 1 oktober 2020 zal ook de bestuurlijk vastgestelde concept RES worden ingediend. Vervolgens zal voor juli 2021 het concept worden uitgewerkt tot de RES 1.0 Voor 2030 heeft de regio de volgende doelen: − Door energie te besparen en energie kleinschalig duurzaam op te wekken minimaal 25% minder CO2 uitstoten dan in 2015; − Met grootschalige duurzame zon- en windprojecten 1.200 gigawattuur (GWh) duurzame energie opwekken; − Minimaal 50% lokaal eigendom bij grootschalige zon- en windprojecten. Door 1200 GWh duurzaam op te wekken met grootschalige projecten levert de regio een eerlijke bijdrage aan de landelijke opgave van 35 TWh (35.000 GWh). De regio wil dit realiseren door middel van verschillende projecten, welke in onderstaand schema zijn opgenomen.
Toetsing Het voorliggende plan ziet op de realisatie van ‘Energielandgoed Wells Meer’. Het project Energielandgoed Wells Meer is in het RES opgenomen en benodigd om in 2030 de doelstelling van 1200 Gwh grootschalig duurzaam opgewekte energie te behalen. Het voorliggende plan draagt hierdoor bij aan het behalen van de ambities uit het RES. 3.3.4
Conclusie regionaal beleid Het voorliggende plan sluit aan op en draagt bij aan de ambities uit het regionaal beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Bergen 2030 Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad van Bergen de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. In de Omgevingsvisie wordt beschreven hoe de gemeente zich de komende jaren verder wil ontwikkelen en welke ruimtelijke keuzes daar bij horen.
45
De gemeente heeft hierin 10 hoofdkeuzes gemaakt: 1. De meest toekomstbestendige gemeente; 2. Bergen energie onafhankelijk in 2030; 3. Landschap en landbouw in balans; 4. Waterbeheer op maat; 5. Versterken natuurwaarden en biodiversiteit; 6. Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen; 7. Afstemming woningvoorraad op de vraag; 8. Voorzieningen bereikbaar houden; 9. Verder bouwen aan een gezonde leefomgeving; 10. Leefklimaat in dorpen verbeteren. In de volgende afbeelding is de Visiekaart 2030 weergegeven.
Visiekaart 2030 met legenda ter plaatse van het plangebied
46
Toetsing Uit de visiekaart volgt dat de Omgevingsvisie geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het projectgebied Energielandgoed Wells Meer. Wel is het voorliggende plan getoetst aan de verschillende ambities uit de Omgevingsvisie. Voor het plan zijn keuze 1, 2, 3, 5, en 6 relevant. Keuze 1: De meest toekomstbestendige gemeente Door nadrukkelijk de koppeling te leggen tussen de aanwezige groene kwaliteiten en de kansen op het gebied van duurzaamheid wil de gemeente Bergen zich nog meer dan voorheen profileren als ‘toekomstbestendige gemeente’. De lat wordt daarbij hoog gelegd. De ‘meest toekomstbestendige gemeente van Nederland’ vormt het hart van Nationaal Park De Maasduinen, biedt een aantrekkelijke omgevingskwaliteit voor wonen, werken en recreëren en voorziet in de eigen energiebehoefte. Daar horen dorpen bij die alle ruimte krijgen om hun eigen identiteit te behouden en te versterken. (Nieuwe) ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het realiseren van een aantrekkelijke omgevingskwaliteit via ruimtelijke kwaliteitsverbetering en landschappelijke inpassing. De huidige energiebehoefte van de gemeente Bergen is 1,74 PJ. Met de realisatie van Energielandgoed Wells Meer wordt met de opwekking van 1,053 PJ voorzien in een groot deel van de toekomstige energiebehoefte van de gemeente Bergen.
Het plan draagt hiermee bij aan de ambitie van de gemeente Bergen om de meest toekomstbestendige gemeente te worden. Keuze 2: Bergen energie onafhankelijk in 2030 Bergen wil energie onafhankelijk zijn in 2030 en zet daarmee fors hoger in dan de landelijke doelstelling van 2050. Een sterke inzet op duurzaamheid is niet alleen noodzakelijk, maar vormt ook een kans om Bergen op de kaart te zetten. Grootschalige energiewinning wordt daarom in Bergen geconcentreerd, waarbij alle inzet gericht blijft op het ontwikkelen van een integraal en hoogwaardig Energielandgoed Wells Meer. Dat betekent dat er voorlopig geen ruimte is voor het op commerciële basis opwekken van duurzame energie in andere delen van de gemeente, behoudens op (bedrijfs)daken. Met het voorliggende plan wordt de realisatie van Energielandgoed Wells Meer mogelijk gemaakt, waarmee wordt bijgedragen aan de ambitie van de gemeente om in 2030 energie onafhankelijk te zijn. Keuze 3: Landschap en landbouw in balans De gemeente Bergen blijft inzetten op het herkenbaar houden en versterken van de verschillende landschapstypen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet daarom altijd rekening worden gehouden met cultuurhistorie, archeologie en de maat en schaal van het landschap.
Landschapsversterking betekent met name een opgave voor het Maasdal (in combinatie met natuurinclusieve landbouw) en in de randen van Nationaal Park De Maasduinen. Op de overgang tussen het Nationaal Park en het ontginningenlandschap is de inzet vooral gericht op het ontwikkelen van een ‘agrarisch landschap met kwaliteiten’.
47
Met het voorliggende plan wordt een energielandgoed mogelijk gemaakt. Het Energielandgoed wordt gerealiseerd in het ontginningengebied. Bij het vormgeven van de ruimtelijke hoofdstructuur voor het landgoed, is rekening gehouden met de landschappelijke kenmerken van het omliggende gebied. Gekozen is voor een robuuste en heldere ruimtelijke structuur, passend bij de grote maat en schaal van het gebied. Op de overgang tussen het Nationaal Park en het ontginningsgebied wordt de ontwikkeling van natuur mogelijk gemaakt. Op deze wijze wordt een bijdrage geleverd aan de ambitie om de verschillende landschapstypen herkenbaar te houden. Keuze 5: Versterken natuurwaarden en biodiversiteit Nationaal Park de Maasduinen heeft te maken met verdroging als gevolg van grondwateronttrekking, grind- en zandwinning in het verleden en klimaatverandering. De inzet blijft gericht op het behoud van de aanwezige natuurwaarden, onder andere door het terugdringen van grondwateronttrekking voor andere doeleinden dan de drinkwatervoorziening en het terugdringen van vermesting. Dit kan onder andere worden bereikt door het tegengaan van verdroging door het vernatten van de ontginningen. Dit is eventueel te combineren met een energielandschap en de teelt van biomassa. Het voorliggende plan maakt de realisatie van een energielandgoed mogelijk.
Onderdeel van het plan is de ontwikkeling van een natuurzone rondom de Molenbeek op de grens met het nationaal park. Daarnaast wordt in het plangebied ingezet op de realisatie van een robuust watersysteem, waarbij meer water wordt vastgehouden. Op deze wijze wordt het huidige ontginningen gebied vernat en een bijdrage geleverd aan het versterken van de natuurwaarden in de Nationaal Park de Maasduinen. Het plan levert hiermee een bijdrage aan het versterken van natuurwaarden en biodiversiteit. Keuze 6: Kwaliteitsslag en zonering recreatievoorzieningen; Met de Maas en Nationaal Park De Maasduinen heeft Bergen een prachtige recreatieve basis, die verder kan worden uitgebouwd. Het economisch belang voor de gemeente is groot. Kwaliteit vormt het uitgangspunt. Eventuele ‘rode recreatieve ontwikkelingen’ vinden altijd plaats buiten Nationaal Park De Maasduinen en Natura2000. Binnen deze context zet de gemeente op recreatief gebied onder andere in op het toevoegen van kleinschalige recreatieve voorzieningen, met meerwaarde voor het landschap en de economie. Met het voorliggende plan wordt de realisatie van een bezoekerscentrum mogelijk gemaakt. Het bezoekerscentrum wordt gerealiseerd buiten het Nationaal Park en Natura 2000. De voorziening is kleinschalig en zal bijdragen aan de beleving van het nieuwe landschap dat op deze locatie met het Energielandgoed wordt mogelijk gemaakt.
De realisatie van het bezoekerscentrum draagt hiermee bij aan de ambitie van de gemeente voor een kwaliteitsslag en zonering bij recreatievoorzieningen. 3.4.2
Energievisie Gemeente Bergen De gemeente Bergen heeft de ambitie om in 2040 energieonafhankelijk te zijn. In de energievisie is uitgewerkt hoe de gemeente deze ambitie wil realiseren. De huidige energiebehoefte binnen de gemeente ligt jaarlijks rond de 1,74 PetaJoule (PJ). Om energieonafhankelijk te worden moet tegelijkertijd energie worden bespaard en energie duurzaam worden opgewekt. De inzet is er op gericht om de energievraag in 2030
48
met zo’n 20% te laten afnemen. De resterende 80% energiebehoefte zal duurzaam worden opgewekt: 50% grootschalig en 30% kleinschalig. Toetsing Met het voorliggende plan wordt de realisatie van Energielandgoed Wells Meer mogelijk gemaakt. Met dit energielandgoed wordt de opwekking van 1,053 PJ duurzame energie mogelijk gemaakt, oftewel 60% van de huidige energiebehoefte. Hiermee wordt invulling gegeven aan de ambitie van de gemeente om in 2040 minimaal 50% van de energiebehoefte duurzaam en grootschalig op te wekken. 3.4.3
Beleidsnotitie energie uit zon en wind De beleidsnotitie energie uit zon en wind is een uitwerking bij de Omgevingsvisie Bergen 2030. In de notitie is het beleid op het gebied van zonne- en windenergie voor de komende jaren vastgelegd. Gemeente Bergen wil energieonafhankelijk worden en wil daarom zoveel mogelijk kansen bieden voor het duurzaam opwekken van energie. Wat waar wel en niet kan, wordt bepaald door het onderliggende landschap. Hierin zijn belangrijke keuzes gemaakt: − In de hele gemeente is ruimte voor het toepassen van zonne-energie voor eigen gebruik op daken en overkappingen. Daarnaast bestaat er een afwijkingsbevoegdheid. Op basis daarvan is in landelijke gebieden in bepaalde gevallen het plaatsen van zonnepanelen en kleinschalig plaatsen van windturbines toegestaan binnen het eigen erf, tuin of bouwvlak en voor eigen gebruik. Hiervoor gelden inpassingseisen. − Voor commerciële toepassing van zonne-energie en het grootschalig plaatsen van windturbines is Energielandgoed Wells Meer aangewezen. Hier is nadrukkelijk gekozen voor concentratie. Deze concentratie heeft tot doel de invloed van grootschalige energiewinning op het landschap zo veel mogelijk te beperken en de benodigde investeringen zo efficiënt mogelijk te benutten. Toetsing Met het voorliggende plan wordt de realisatie van Energielandgoed Wells Meer mogelijk gemaakt.
Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de keuze uit beleidsnotitie om Energielandgoed Wells Meer aan te wijzen als locatie voor grootschalig plaatsen van windturbines en de commerciële toepassing van zonne-energie.
3.4.4
Structuurvisie Energielandgoed Wells Meer Met het vaststellen van de ‘Structuurvisie Energielandgoed Wells Meer’ door de gemeenteraad op 18 december 2018 heeft er een eerste ruimtelijke verankering van het Energielandgoed plaatsgevonden. In de structuurvisie wordt ingegaan op de ruimtelijke opbouw van de gemeente en de visie voor het gebied Wells Meer. De structuurvisie geeft bovendien, mede op basis van het bijbehorende milieueffectrapport (m.e.r.), randvoorwaarden en spelregels mee voor de verdere uitwerking van het Energielandgoed. Onderwerpen die daarbij aan bod komen zijn: geluid, slagschaduw, invloed op het landschap, cultuurhistorie en archeologie, externe veiligheid, natuur, ruimtegebruik, water en bodem.
49
Toetsing In het Masterplan Wells Meer is rekening gehouden met de randvoorwaarden en spelregels uit de structuurvisie. Het inrichtingsplan en programma welke het voorliggende plan mogelijk maakt zijn hierdoor in lijn met de structuurvisie Energielandgoed Wells Meer. 3.4.5
Landschapsplan gemeente Bergen Om bij te kunnen dragen aan landschapsbehoud- en versterking, heeft de gemeente Bergen een landschapsplan opgesteld. In dit landschapsplan is een inventarisatie van landschapselementen en cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen opgenomen. Daarnaast bevat het rapport een leidraad voor de landschappelijke inpassing van nieuwe ontwikkelingen. Het behoud en de bescherming van de (cultuurhistorisch waardevolle) landschapselementen is geborgd in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’. In het landschapsplan zijn alle cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen in de gemeente Bergen weergegeven in twee kaarten. Deze kaarten zijn ook opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’ (Kaart Cultuurhistorische waarden en Kaart Landschappelijke waarden). In de volgende afbeelding is een uitsnede van de kaart Cultuurhistorische waarden opgenomen. Hierop is te zien dat in het plangebied een houtsingel, twee bomenrijen, twee solitaire bomen en een boomgroep van 100 jaar of ouder voorkomen. Daarnaast liggen er twee cultuurhistorisch waardevolle houtwallen en een bosje in het plangebied.
50
Uitsnede Kaart Cultuurhistorische Waarden bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’
51
Toetsing Voor het plangebied ligt er een ambitieuze opgave voor het realiseren van duurzame energie in een mix van zonne-energie en windenergie. Het betreft een grootschalig gebied met veel open ruimte waar echter voor het realiseren van de doelen qua energieopbrengst ook een grootschalige ingreep nodig is. Het landschap gaat flink veranderen, er wordt als het ware een nieuwe ontginningslaag aan het bestaande landschap toegevoegd. Met name voor de plaatsing van windmolens zijn er de nodige beperkingen, waardoor een groot deel van de energieopwekking met zonnepanelen moet gebeuren. Voor een efficiënte invulling met zonnepanelen is gekozen om de ontsluitings- en kavelstructuur van het gebied aan te passen zodat er veel puur zuid en puur oost-west opstellingen gemaakt kunnen worden, zonder al te veel overhoeken en ruimteverlies aan de randen. Ook voor de ruimtelijke beleving is dit beter omdat zo rommelige rafelranden worden voorkomen. In de zonerings-afweging is gekozen om in te zetten op een extensief ‘zonnepark’ in het centrale gebied met relatief weinig zonnepanelen rondom de voormalige eendenkooi en in een strook richting bezoekerscentrum en de beekzone. Op die manier is er ook voldoende ruimte voor substantiële natuurontwikkeling en goed functionerende ecologische verbindingen door het gebied.
Waardevolle landschapselementen, zoals de bossen langs de randen, de voormalige eendenkooi in het centrale middengebied, de laan van de Kevelaarsdijk en enkele houtsingels zijn binnen de nieuwe verkaveling opgenomen. Op twee plekken is ervoor gekozen om landschapselementen te verwijderen. Het gaat om een houtwal en een houtsingel van 100 jaar of ouder (zie onderstaande afbeelding). Het handhaven van deze elementen zou een te grote onderbreking van de verkaveling betekenen en onder andere door schaduwwerking veel verlies aan opstelruimte voor zonnepanelen.. Dit zou tot gevolg hebben dat elders in het landgoed een intensivering aan zonnepanelen nodig zou zijn, waar nu ruimte is voor natuurontwikkeling.
Uitsnede Kaart Cultuurhistorische Waarden bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’ met aanduiding te verwijderen landschapselementen (aangegeven met rode cirkels)
52
In het gebied is daarnaast veel ruimte voor aanplant van nieuw bos en nieuwe singelstructuren. Enerzijds om de aanhechting op het bestaande landschap langs de randen te verbeteren, anderzijds om een te grootschalige monotoon zonneveld te voorkomen. Aan de noordzijde van het plangebied tussen de Veenweg en de Duitse grens wordt een houtwal verwijdert (lengte circa 190 m) en aan de zuidwestkant bij de beek/crossbaan (singels/houtwallen: circa 570 m, bos: circa 16.360 m2). Het verwijderen van deze beplanting wordt ruimschoots gecompenseerd door aanplant van nieuwe singels en nieuw bos. De nieuwe aanplant over het gehele projectgebied (bos: circa 133.100 m2, singels/houtwallen: circa 4360 m) is vele malen groter als de te verwijderen beplanting. In het voorliggende plan worden de (cultuurhistorisch waardevolle) landschapselementen die voorkomen op de kaarten uit het Landschapsplan en behouden blijven beschermd middels een regeling in artikel 20. 3.4.6
Conclusie gemeentelijk beleid Het voorliggende plan sluit aan op en draagt bij aan de ambities van het gemeentelijk beleid zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Bergen 2030, de beleidsnotitie energie uit zon en wind, de Energievisie Bergen, de structuurvisie energielandgoed Wells Meer en het Landschapsplan gemeente Bergen.
53
4
Milieu- en omgevingsaspecten
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1
Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan.
4.1.2
Milieueffectrapportage De gemeente Bergen heeft, gezien de aard en schaal van het project, ervoor gekozen te anticiperen op een mogelijk besluit van het bevoegd gezag om een gecombineerde m.e.r.-procedure te gaan volgen. Een beoordeling door het bevoegd gezag of inderdaad een plan- en project-m.e.r. noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen kan daarom achterwege blijven. In het kader van de Structuurvisie Energielandgoed Wells Meer is een plan-MER opgesteld, op basis waarvan onder andere de locatiekeuze voor het Energielandgoed is gemaakt (zie paragraaf 2.2.1). Voor Energielandgoed Wells Meer is een MER10 opgesteld waarin drie alternatieven en een voorkeursmodel met enkele varianten beoordeeld zijn. − Het voornemen betreft het programma voor Energielandgoed Wells Meer, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Bergen. Deze bandbreedte is gaandeweg de ontwerpfase nader ingevuld. Mede op basis van aanvullende (technische) haalbaarheidsstudies en (landschappelijke) ontwerpsessies is inhoud gegeven aan deze bandbreedte door het opstellen van drie ontwerpmodellen. De drie ontwerpmodellen zijn de drie alternatieven die onderzocht zijn: productiegericht, ingepast en innovatief.
− In het voorkeursmodel komen verschillende onderdelen van de drie onderzoeksmodellen (Productiegericht, Ingepast en Innovatief) terug in een combinatie van verschillende ruimtelijke concepten.
10
Milieueffectrapport Energielandgoed Wells Meer, gemeente Bergen (L), Pondera, kenmerk: 719007, 2 februari 2021 54
Onderzoeksmodellen In de volgende afbeelding zijn de drie beoordeelde onderzoeksmodellen op hoofdlijnen beschreven. Productiegericht
Ingepast
Innovatief
Zo kosteneffectief en snel mogelijk realiseren van zo veel mogelijk duurzame energie met bewezen technieken en een minimaal ruimtebeslag
Accent op de landschappelijke inpassing van duurzame energie opwekking
innovatie, educatie en ‘exposure’. Het landgoed als (inter)nationaal boegbeeld van de energietransitie
Zon
Intensieve zonnevelden, geen meervoudig ruimtegebruik mogelijk. Oostwest opstelling
Zonne-energie in combinatie met extensief agrarisch gebruik en/of natuurbeheer. Zuidopstelling
Zonne-energie in combinatie met natuur, landbouw, waterberging, begrazing etc. Testvelden
Biomassa
Beperkte inzet van biomassateelt
Natte en droge biomassateelt i.c.m. natuurontwikkeling
Onderzoek naar vernieuwende vormen van biomassateelt
Wind
Minimaal 5 turbines, locatie te bepalen n.a.v. onderzoek luchtvaartveiligheid
Inzet op minimale impact op de beleving en interferentie met de Duitse turbines
Centraal cluster grote turbines markeert het energielandgoed
Ashoogte
150
150
160
Rotordiameter
150
150
170
Aantal windturbines
5 windturbines
3 windturbines
4 windturbines
Opstellingsvorm
Lijnopstelling langs de Veenweg
Lijnopstelling langs de zuidgrens plangebied
Blok of clusteropstelling
Accent
Energiemix
Matrix toelichting ontwerpmodellen Energielandgoed Wells Meer, bron: Milieueffectrapport Energielandgoed Wells Meer
De effectbeoordeling van de onderzoeksmodellen laat zien dat alle onderzoeksmodellen milieugevolgen hebben. Voor enkele milieuaspecten blijkt de beoordeling van de onderzoeksmodellen exact gelijk te zijn. Dit is het geval voor de aspecten Natuur en Veiligheid. Ten aanzien van het aspect ‘Elektriciteitsopbrengst’ scoort het model ‘Productiegericht’ beter dan de andere twee modellen. Maar wat betreft het aspect ‘Geluid’ scoort het model ‘Productiegericht’ negatiever, gezamenlijk met het model ‘Innovatief’. Op het aspect ‘Landschap’ scoren de modellen ‘Ingepast’ en ‘Innovatief’ het best. De verschillen tussen de onderzoeksmodellen zijn vooral ingegeven door de opstellingen, aantallen en afmetingen van de windturbines, de inrichting van de zonnevelden en het wel of niet toepassen van biomassa.
55
Voorkeursmodel In het voorkeursmodel komen verschillende onderdelen van de drie onderzoeksmodellen (Productiegericht, Ingepast en Innovatief) terug in een combinatie van verschillende ruimtelijke concepten. Zo worden er gebieden ingericht met een intensieve energieopwekking, maar is er ook ruimte gemaakt voor gebieden met een meer landschappelijk ingepaste opwekking en gecombineerd ruimtegebruik. In het voorkeursmodel is plaatsgemaakt voor een energieboulevard welke van oost naar west door het plangebied loopt en ruimte biedt aan innovatieve vormen van meervoudig ruimtegebruik en bedrijvigheid met o.a. een innovatie- en bezoekerscentrum. De energiemix bestaat uit vier windturbines (in een lijn- of clusteropstelling) en 264 hectare aan zonnevelden met variërende intensiteit en opstellingsvormen. De landschappelijke hoofdstructuur heeft veel weg van het model Productiegericht, waarbij de verkavelingsrichting van de meeste kavels pal op het zuiden georiënteerd is. Het plangebied voor het VKM is compacter geworden dan bij de onderzoeksmodellen is onderzocht. Uit de effectanalyse van het onderzoeksmodel Productiegericht, is onder andere gebleken dat met een geringer oppervlak ruim kan worden voldaan aan de doelstellingen én dat de effecten ten aanzien van ecologie met mogelijk mitigerende maatregelen, zeer acceptabel kunnen zijn.
Er is dan ook gekozen om het plangebied te concentreren op en rond het landgoed Wells Meer. Hierdoor maakt het zuidoostelijke deel van het plangebied van de onderzoeksmodellen geen onderdeel meer uit van het plangebied voor het VKM en daarmee van het bestemmingsplan. Een andere overweging bij deze keuze is het nu niet ruimtelijk mogelijk willen maken van de toepassing van biomassa, die in de onderzoeksmodellen in deze ’hoek’ van het plangebied was voorzien. In het VKM wordt in totaal voor 264 hectare ruimte gegeven aan zonnevelden. De oppervlakte wordt niet volgens dezelfde ontwerpprincipes ingericht. Om te kunnen voldoen aan de doelstellingen van de zonnevelden, zoals in voorgaande paragraaf beschreven, worden enkele specifieke inrichtingsprincipes meegegeven. Er zijn vier verschillende soorten zonnevelden: 1. Intensieve oost-west opstelling 2. Reguliere zuid-opstelling 3. Testvelden 4. Zonnepark Het VKM bevat een drietal varianten ten aanzien van wind. Het betreft één lijnopstelling en twee clusteropstellingen. De lijnvariant is opgenomen om de Energieboulevard landschappelijk te accentueren, en de hinder voor woningen aan de Veenweg te beperken. Daarnaast is een korte onderlinge afstand gehanteerd om de woningen aan de Wezerweg zo veel als mogelijk te ontzien.
Het compacte cluster is opgenomen vanuit het eerder aangegeven landschappelijk oogpunt, maar ook om de woningen aan de Wezerweg en de Veenweg maximaal te ontzien, door de lijnopstelling naar het oosten toe compacter te maken, en naar het zuiden toe uit te breiden. Hierdoor komen twee windturbines dichter bij de Maasduinen te staan. Naast dit compacte cluster is, omwille van de onderlinge afstand van de windturbines, ook een ruim cluster voor het VKM ontwikkeld. Met dit cluster wordt getracht recht te doen aan de landschappelijke effecten en de beperking van de hinder voor omliggende woningen aan de Wezerweg
56
en de Veenweg, met een verwachte geringe toename van de impact op Natuur, ten opzichte van de lijnopstelling en het compacte cluster.
Opstellingen voor windenergie in het Energielandgoed Wells Meer, bron: Milieueffectrapport Energielandgoed Wells Meer
Uit het MER blijkt dat het VKM, met toevoeging van mitigerende maatregelen, kan worden gerealiseerd in drie varianten ten aanzien van windenergie en verschillende zonnevelden. De effecten van deze activiteit zijn in het MER beschreven en samengevat. Onder andere deze informatie sterkt het te nemen besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en de mogelijke verlening van de vergunningen voor de realisatie van het Energielandgoed Wells Meer. 4.1.3
Doorwerking MER in het bestemmingsplan Het MER vormt daarmee concluderend aanleiding om de voorkeursvariant met het grote cluster voor windenergie te gebruiken als de basis voor dit bestemmingsplan. De in het MER genoemde mitigerende maatregelen worden bij de verdere planuitwerking betrokken.
4.1.4
Aanvulling MER Het MER is ter advies voorgelegd aan de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: ‘de Commissie’). Op 15 oktober 2020 heeft de Commissie een voorlopig advies uitgebracht. Dit advies luidt samengevat als volgt: “Het MER bevat veel waardevolle informatie en is gestoeld op goed onderzoek. Het rapport beschrijft helder en gestructureerd wat de milieugevolgen zijn van diverse energiemixen van wind, zon en biomassa. Het onderzoek naar effecten van geluid, slagschaduw en veiligheid is goed uitgevoerd. Voor het energielandgoed is een gedegen ruimtelijke visie opgesteld. Door een compacte energiemix is ook ruimte voor recreatie, natuur, landbouw en bedrijvigheid en een effectieve landschappelijke 57