CConstaterende datBergen (L)
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I GWWRP Bergen ontwerp 3010 213044 (1)

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente Bergen (L)Bij agendapunt: Voorstel tot vaststellen gemeentelijk wegen, water en rioleringsprogramma 2026-2031 (GWWRP);23.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Pagina 21 van 101

Risicoaansprakelijkheid De wegbeheerder is risicoaansprakelijk, indien er schade is als gevolg van een gebrek aan de openbare weg. Dit geldt ook als de wegbeheerder niet op de hoogte is van een gebrek. Schuldaansprakelijkheid Als er schade ontstaat dat niet komt door een defect aan de weg, maar bijvoorbeeld door de aanwezigheid van losse voorwerpen, is de risicoaansprakelijkheid niet van toepassing. Hierbij geldt dat de wegbeheerder niet aansprakelijk is als die niet op de hoogte was van de aanwezigheid van losse voorwerpen op de weg. Om claims zo veel mogelijk te beperken is het van belang om te beschikken over een goed functionerend inspectie-, onderhouds- en klachtenregistratieproces. Bermen

De berm is de strook grond langs de weg die in eerste instantie is bedoeld als uitwijkmogelijkheid voor het verkeer. De berm is wettelijk gezien een onderdeel van de weg. We onderhouden de bermen frequent voor de veiligheid van de weggebruiker. Daarbij houden we rekening met de andere functies die bermen hebben, zoals een waterafvoerende functie en kan de berm een functie hebben als parkeergelegenheid. Vergrijzing en mobiliteit

In de Omgevingsvisie en Visie openbare ruimte is vergrijzing als belangrijke ontwikkeling genoemd. Dit heeft invloed op de mobiliteitswensen van onze inwoners en daarmee op de inrichting van de wegen. Woningen, winkel-, openbaar vervoer- en andere voorzieningen moeten goed bereikbaar zijn voor ouderen. Toegankelijkheid en bruikbaarheid van de openbare ruimte voor alle doelgroepen is daarom een belangrijk aandachtspunt. Daarom hebben we aandacht voor: 1. Veilige trottoirs en wandel- en fietspaden (aantal oneffenheden beperken); 2. Toegankelijke trottoirs (op- en afritjes, voldoende breedte); 3. Rustplekken (voldoende in aantal, op strategische plekken en bruikbaar voor ouderen).

5.4 Beperken (geluids-)overlast op omwonenden en milieu Het doel van de omgevingswet is om een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede (leef)omgevingskwaliteit te bereiken en in stand te houden. Daarnaast moet de fysieke leefomgeving doelmatig beheerd, gebruikt en ontwikkeld worden om de maatschappelijke behoeften te vervullen. Het is daarbij belangrijk dat integrale afwegingen worden gemaakt om tot verantwoorde keuzes te komen voor het inrichten van de leefomgeving. Beheerbewust ontwerpen

Bij beheerbewust ontwerpen toetsen we de materialen en het ontwerp van de wegen niet alleen aan de functionele eisen, maar ook op de langetermijneffecten op zowel de infrastructuur en omgeving, en de beheerstrategie. Dit draagt bij aan de duurzaamheid van het ontwerp. We ontwerpen ze dat het ontstaan van schades zoveel mogelijk wordt voorkomen, door te kiezen voor duurzame materialen die bestand zijn tegen de belasting van de weg. Ook innovatieve technieken kunnen hierbij bijdragen aan een proactieve onderhoudsstrategie, waardoor schade vroegtijdig wordt geconstateerd en verholpen, met als doel grootschalige kostbare onderhoudsmaatregelen te voorkomen. Daarnaast wordt er bij het bepalen van de onderhoudsstrategie rekening mee gehouden dat overlast door onderhoudswerkzaamheden zoveel mogelijk beperkt wordt. Dit kan bijvoorbeeld door het plannen van werkzaamheden op momenten dat de impact op het verkeer en de leefomgeving het kleinst is, of door het toepassen van efficiënte reparatietechnieken die bijdragen aan het

Pagina 22 van 101

minimaliseren van de verkeershinder. Uiteraard is de keuze hiervan sterk afhankelijk van het gebruik van de weg: hebben we te maken met een belangrijke verkeersader of met een woonstraat? Geluids- en trillingsoverlast

Bij de keuze van materialen moet ook aandacht worden besteed aan eventuele geluids- en trillingsoverlast voor de omgeving. Het zoveel mogelijk voorkomen van geluids- en trillingsoverlast zorgt voor een duurzame en leefbare infrastructuur, waarbij de balans tussen efficiënte wegen en een aangename leefomgeving wordt behouden. Hierbij kan gedacht worden aan het toepassen van geluidsreducerende deklagen oftewel stil asfalt. Dit is speciaal ontwikkeld – met een open structuur - om de leefbaarheid dicht bij wegen te verbeteren door het geluid dat door de banden wordt geproduceerd te absorberen. De toepassing van geluidsreducerende deklagen moet wel zorgvuldig worden overwogen, want er zijn ook nadelen. Door de open structuur kunnen ze een kortere levensduur hebben, omdat ze sneller kunnen slijten door het verkeer, met name bij het remmen, accelereren en sturen. Daarnaast kunnen ze problemen geven bij slechte weersomstandigheden zoals zware regenval of vorst. De open structuur vraagt ook om regelmatig onderhoud ter voorkoming van verstopping met vuil en zand. Een ander nadeel is dat als een geluidsreducerende deklaag is toegepast en moet worden vervangen de nieuwe deklaag maximaal 2 dB(A) minder geluidsreducerend mag zijn dan de oorspronkelijke geluidsreducerende deklaag.

Dus als de oude deklaag een reductie had van bijvoorbeeld 4 dB(A), dan moet de nieuwe deklaag minimaal 2 dB(A) of meer reductie hebben. Wanneer over een aantal jaar deze deklaag ook weer vervangen wordt, moet nog steeds worden gekeken naar de reductie van de oorspronkelijke geluidsreducerende deklaag (in dit voorbeeld dus weer 4 dB(A). In de praktijk betekent dit dat wanneer éénmaal een geluidsreducerende deklaag is toegepast, het niet meer mogelijk is om een normale deklaag terug aan te brengen. Op enkele wegen in het buitengebied heeft de gemeente, in het kader van een pilot met subsidie, geluidsreducerende deklagen aangebracht. Bij vervanging van het asfalt zal daar dus weer een geluidsreducerende deklaag moeten worden terug aangebracht. Binnen de bebouwde kom in de 30 km/u zones wil de gemeente de aanwezige asfaltverharding vervangen door elementenverharding. Het is van belang om hierbij rekening te houden met geluidshinder. Klinkers geven doorgaans meer geluidsoverlast dan asfalt, de ruwe textuur en de voegen tussen de klinkers veroorzaken meer bandengeluid. Als geluidhinder geen probleem is, wordt de overweging om asfalt te vervangen door klinkers gebaseerd op aspecten als kosten, onderhoud, duurzaamheid en esthetiek.

Ondergrond en fundering van wegen dienen voldoende stabiliteit te bieden en bestand te zijn tegen mechanische belasting en vibraties zodat er geen trillingsoverlast ontstaat. Trillingen in de verharding kunnen in de eerste plaats schade aan de weg tot gevolg hebben, zoals scheuren of het loslaten van materialen. Dit kan leiden tot een afname van het comfort en de veiligheid wanneer er onregelmatigheden in het wegoppervlak ontstaan. Maar trillingen kunnen ook overlast geven voor de nabije omgeving tot bijvoorbeeld structurele schade aan gebouwen. Per project en locatie wegen we de voor- en nadelen van de verschillende typen verharding af. In deze afweging nemen we onder andere mogelijke geluids- en trillingoverlast, ondergrond, wegtype en omgevingskenmerken mee.

Pagina 23 van 101

Impact op het milieu

Om de impact op het milieu te verkleinen. Kiezen we voor materialen die herbruikbaar of recyclebaar zijn. Op het moment dat we oude verhardingen afvoeren doen we dit volgens de geldende regelgeving. Teerhoudend asfalt is een voorbeeld van materiaal waar regels gelden voor afvoer en verwerking. Het is sinds 1995 niet meer toegestaan om teerhoudende bindmiddelen te gebruiken in asfaltconstructies. Indien er bij werkzaamheden teerhoudend asfalt vrijkomt, dient dit te worden afgevoerd en verwerkt door een gecertificeerd bedrijf. CROW publicatie 210 beschrijft hoe teerhoudend asfalt verwijderd en verwerkt moet worden, zodat hergebruik mogelijk is. We kiezen ervoor om een beperkt aantal standaard asfaltmengsels toe te passen in de wegverhardingen. Dit heeft verschillende voordelen als het gaat om duurzaamheid. Een belangrijk voordeel is dat opgebroken asfalt gemakkelijker kan worden hergebruikt in nieuwe mengsels. Door zoveel mogelijk asfalt te recyclen, vermindert de behoefte aan nieuw materiaal en verkleint de impact op het milieu door minder grondstoffen te gebruiken en minder afval te genereren. Bovendien bevordert het standaardiseren van mengsels efficiëntie in productie en in onderhoud. Er zijn echter ook nadelen. Standaard mengsels voldoen mogelijk niet altijd aan specifieke vereisten voor verschillende soorten wegen en verkeersbelasting.

In principe kiezen we voor de beperkte standaardset, maar maken telkens de afweging tussen milieuwinst en mogelijke beperkingen in prestaties. Bij het maken van deze beslissingen houden we dus rekening met zowel duurzaamheid als de functionele eisen van de verhardingsconstructies. We gebruiken bij voorkeur natuurlijke materialen om bermen in het buitengebied aan te vullen. Materialen zoals grind, houtsnippers en compost verminderen de impact op het milieu. Daarnaast zijn houtsnippers en compost biologisch afbreekbaar en stimuleren de biodiversiteit door een leefgebied te bieden voor planten en dieren. Voordelen zijn onder andere een verbeterde waterafvoer, vermindering van het wegspoelen van de berm en een betere inpassing in het landschap. Daarnaast zijn deze materialen vaak lokaal beschikbaar, wat transportemissies vermindert. Natuurlijke materialen brengen ook nadelen met zich mee. Ze kunnen duurder zijn dan bijvoorbeeld betonsteen of plastic en hebben soms een kortere levensduur, en kunnen meer onderhoud vragen. Daarnaast is het aanbrengen hiervan vaak arbeidsintensief. We wegen in de keuze van materialen telkens de (op korte termijn mogelijk) hogere kosten en arbeidsintensiviteit tegen de (langere termijn) winsten als verbeterde biodiversiteit en kleinere ecologische voetafdruk.

5.5 Voorbereiden op het veranderende klimaat Het klimaat verandert en dit heeft ook invloed op de wegen in Bergen. In onze werkzaamheden kunnen we bijdragen aan het beperken van uitstoot om verdere klimaatverandering tegen te gaan en zorgen dat we voorbereid zijn op de gevolgen van klimaatverandering. Beperken van uitstoot

In de Green Deal zijn ambities opgenomen voor duurzame planvorming, aanleg en beheer. In projecten houden we rekening met: •

het beperken van energiegebruik en waar mogelijk gebruik te maken van duurzame energie (wind en zon) in plaats van fossiele brandstoffen. Zo wordt er meer en meer elektrisch gereedschap en vervoer gebruikt. Ook worden de vervoersbewegingen zoveel mogelijk beperkt, door met het juiste materieel en materiaal op pad te gaan.

Pagina 24 van 101

• •

•

het verminderen van de CO2-uitstoot, bijvoorbeeld door toepassing van lage temperatuur asfalt in met name onderlagen en tussenlagen. het verminderen van grondstoffengebruik, door zoveel mogelijk hergebruik van materialen en het verlengen van de levensduur van materialen. Voorbeelden zijn: hergebruik van asfalt, toepassen van betongranulaat in funderingen en betonartikelen. het vervangen van grondstoffen door meer duurzame materialen. Bijvoorbeeld door toepassing van gebakken straatstenen in plaats van betonstraatstenen.

Voorbereiden op de gevolgen van klimaatverandering

De gemeente Bergen wil haar openbare ruimte toekomstbestendig maken door te anticiperen op klimaatverandering. De ambities voor het beperken van wateroverlast en schade door extreme neerslag is verder uitgewerkt in het beleid van water en riolering (hoofdstuk 9). Om deze ambitie te realiseren is ruimte nodig voor bovengrondse waterberging en -afvoer te creëren, door bijvoorbeeld het toepassen van infiltratiesystemen, wadi’s en waterdoorlatende bestrating. Bij herinrichting of vervanging van de openbare ruimte is het waterbergend vermogen van een gebied belangrijk. Een ander gevolg van klimaatverandering is het vaker voorkomen van hoge temperaturen. Dit heeft ook gevolgen voor de wegverhardingen. Bij betonverhardingen kan hitte leiden tot het omhoog komen van de betonplaten (betonopdruk) of het scheuren van het beton. De voegen tussen de betonplaten zorgen ervoor dat het beton kan uitzetten bij warmte en kan krimpen als het weer kouder wordt. Deze voegen moeten goed onderhouden worden, zodat ze niet dicht raken door vuil of begroeiing. Wanneer dit niet gebeurt, hebben de betonplaten niet voldoende ruimte om uit te zetten en kunnen ze bij een hittegolf omhoog komen. Vergroening

Vergroening is één van de maatregelen die kunnen bijdragen aan het klimaatbestendig maken van de leefomgeving en daarmee het tegengaan van wateroverlast en hitte. Een mogelijkheid is het vervangen van onnodige verharding door groen. Dit biedt verschillende voordelen, zoals verbetering van de luchtkwaliteit, verhoogde biodiversiteit, en een aantrekkelijkere leefomgeving.

6

Wegen: areaalbeschrijving

Dit hoofdstuk beschrijft de omvangen opbouw van het huidige wegenareaal. Ook geven we inzicht in de kwaliteit van het areaal.

6.1 Omvang en opbouw areaal De gemeente Bergen heeft 1.322.800 m2 verhardingen in beheer. Hiervan is 886.900 m2 asfaltverharding, 393.100 m2 elementenverharding en 42.800 m2 betonverharding (voornamelijk fietspaden). Naast deze verhardingen is ook nog 758.600 m2 half- of onverhard (voornamelijk voetpaden, rijbanen en uitritten) aanwezig. Het bestaande areaal is ingedeeld per wegtype zoals deze zijn gedefinieerd in de CROW wegbeheersystematiek: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Hoofdweg Zwaar belaste weg Gemiddeld belaste weg Licht belaste weg Weg in woongebied Weg in verblijfsgebied Fietspad

Pagina 25 van 101

Wegtypen 1 en 2 heeft de gemeente niet in beheer. In onderstaande figuren is het areaal verhardingen per wegtype en verhardingstype weergegeven, waarbij onderscheid is gemaakt in de ligging ‘binnen de bebouwde kom’ en ‘buiten de bebouwde kom’.

Figuur 4 Verdeling areaal per wegtype en verhardingstype binnen de bebouwde kom

Figuur 5 Verdeling areaal per wegtype en verhardingstype buiten de bebouwde kom

In onderstaande tabel is het oppervlak van het wegareaal, per verhardingstype en wegtype weergegeven. Tabel 7 Verdeling areaal per wegtype, verhardingstype en ligging (m2)

Binnen de bebouwde kom

Buiten de bebouwde kom

Wegtype 3

Asfalt 59.100

Elementen 9.700

Beton 0

Asfalt 118.000

Elementen 300

Beton 0

4

4.500

2.600

0

458.200

6.700

0

5

179.500

200.000

700

11.300

31.000

1.200

6

3.000

120.900

0

900

18.600

100

7

16.900

2.200

200

35.500

1.100

40.600

Totaal

263.000

335.400

900

623.900

57.700

41.900

De totale lengte aan hoofdrijbanen in asfalt binnen de bebouwde kom is ongeveer 44 km. De lengte van de hoofdrijbanen in elementen binnen de bebouwde kom is ongeveer 28 km.

Pagina 26 van 101

De totale lengte aan hoofdrijbanen in asfalt buiten de bebouwde kom is ongeveer 145 km. De lengte van de hoofdrijbanen in elementen buiten de bebouwde kom is ongeveer 2 km. In figuur 6 is de opbouw van het areaal binnen de bebouwde kom per aanlegperiode weergegeven. Van het grootste deel van de verhardingen in het buitengebied is het aanlegjaar onbekend.

Figuur 6 Aanlegperiode areaal per verhardingstype binnen de bebouwde kom

Uit figuur 6 blijkt dat een groot deel van de verhardingen is aangelegd in de periode voor 1990, waarvan het grootste deel zelfs voor 1970. Die verhardingen zijn dus minstens 55 jaar oud en hebben voor een deel hun theoretische levensduur bereikt. Deze verhardingen komen dus voor vervanging in aanmerking. De totale oppervlakte van deze verhardingen bedraagt 214.900 m2. In de komende vijf jaar zal ook een deel van de verhardingen die zijn aangelegd in de periode tussen 1970 en 1980, voor vervanging in aanmerking komen. De totale oppervlakte van deze verhardingen bedraagt 71.700 m2. Na 2030 volgt weer een iets groter deel verhardingen die hun theoretische levensduur hebben bereikt, namelijk de verhardingen die zijn aangelegd in de periode 1980-1989. De totale oppervlakte van deze verhardingen bedraagt 83.400 m2.

6.2 Huidige kwaliteit wegenareaal De huidige kwaliteit van de verharding bepaalt het onderhoud dat de komende periode moet worden uitgevoerd. Allereerst wordt het kwaliteitsbeeld bepaald door toetsing van de resultaten uit de globale visuele inspectie aan de richtlijnen die door het CROW zijn opgesteld. Dit gebeurt voor alle schades, die bij de inspectie zijn beoordeeld. De maatgevende schade bepaalt in welk planjaar het onderdeel in onderhoud moet worden genomen. In 2023 is het volledige wegenareaal van de gemeente Bergen visueel geïnspecteerd. De hieruit volgende technische kwaliteit is omgezet naar de vijf kwaliteitsbeoordelingen A+ (zeer hoog), A (hoog), B (basis), C (laag) en D (zeer laag) die in de Kwaliteitscatalogus Openbare Ruimte zijn

Pagina 27 van 101

gedefinieerd (zie ook Tabel 2 1). Hierin wordt kwaliteitsniveau C beschouwd als het minimale niveau voor verantwoord wegbeheer. Kwaliteitsniveau D wordt gezien als achterstallig onderhoud. Binnen de bebouwde kom

Kwaliteitsbeoordeling per verhardingstype In tabel 8 en figuur 7 is de kwaliteitsbeoordeling per verhardingstype weergegeven van de verhardingen binnen de bebouwde kom. Tabel 8 Kwaliteitsbeoordeling per verhardingstype binnen de bebouwde kom

Kwaliteit

Asfalt

Elementen

Beton

Totaal

D (Zeer laag)

17%

13%

35%

15%

C (Laag)

1%

2%

5%

2%

B (basis)

25%

7%

0%

15%

A (Hoog)

43%

40%

30%

40%

A+ (Zeer hoog)

14%

38%

30%

28%

Figuur 7 Kwaliteitsbeoordeling per verhardingstype binnen de bebouwde kom. Een kanttekening hierbij is dat het areaal van de betonverhardingen binnen de bebouwde kom erg klein is (900 m 2), wat een vertekend beeld oplevert in de grafiek.

Zoals beschreven in hoofdstuk 5, streven we naar beeldkwaliteit B (op basis van de CROW beeldkwaliteitssystematiek). Om aan dit kwaliteitsbeeld te voldoen mag 10% van het areaal afwijken van de gestelde norm, waarbij achterstallig onderhoud zoveel mogelijk moet worden voorkomen. In andere woorden de huidige kwaliteitsbeoordeling is gelijk aan het kwaliteitsniveau dat 90% van het betreffende areaal behaalt. Dit betekent dat het gemiddelde kwaliteitsniveau van zowel de asfaltverhardingen als de elementenverhardingen en de betonverhardingen ‘D’ (Zeer laag) is. Dit wordt in figuur 6 weergegeven door de zwarte horizontale lijn. Dit is lager dan het ambitieniveau waar de gemeente Bergen naar streeft, namelijk kwaliteitsniveau ‘B’ (Basis).

Pagina 28 van 101

Kwaliteitsbeoordeling per aanlegperiode In figuur 8 is de kwaliteitsbeoordeling binnen de bebouwde kom weergegeven per aanlegperiode.

Figuur 8 Kwaliteitsbeoordeling per aanlegperiode binnen de bebouwde kom

Uit figuur 8 blijkt dat hoe hoger de ouderdom van de verhardingen is, hoe lager de kwaliteit. De gemiddelde kwaliteitsbeoordeling is voor bijna iedere periode ‘D’ (Zeer laag). Alleen de periode 1990-1999 zit net op een ‘C’ (Laag), en de verhardingen die na 2020 zijn aangelegd hebben gemiddeld een kwaliteitsbeoordeling van ‘B’ (Basis). Huidige kwaliteit wegenareaal buitengebied

Kwaliteitsbeoordeling per verhardingstype In tabel 9 en figuur 9 is de kwaliteitsbeoordeling per verhardingstype weergegeven van de verhardingen buiten de bebouwde kom. Tabel 9 Kwaliteitsbeoordeling per verhardingstype buiten de bebouwde kom

Kwaliteit

Asfalt

Elementen

Beton

Totaal

D (Zeer laag)

9%

13%

1%

9%

C (Laag)

1%

5%

0%

1%

B (basis)

21%

6%

0%

19%

A (Hoog)

43%

25%

16%

40%

A+ (Zeer hoog)

26%

51%

83%

31%

Pagina 29 van 101

Figuur 9 Kwaliteitsbeoordeling per verhardingstype buiten de bebouwde kom Het gemiddelde kwaliteitsniveau van de asfaltverhardingen buiten de bebouwde kom is ‘B’ (Basis), maar ligt wel op de grens met ‘C’ (Laag). Het kwaliteitsniveau van de elementenverhardingen buiten de bebouwde kom is ‘D’ (Zeer laag) en van de betonverhardingen ‘A’ (Hoog) is. Het gemiddelde kwaliteitsniveau van het totale areaal buiten de bebouwde kom is ‘B’ (Basis) maar op de grens met ‘C’ (Laag) en is daarmee nog net gelijk aan het ambitieniveau waar de gemeente Bergen naar streeft.

We kunnen dus concluderen dat het gemiddelde kwaliteitsniveau binnen de bebouwde kom lager is dan het gemiddelde kwaliteitsniveau buiten de bebouwde kom. Kwaliteit totale wegenareaal

In tabel 10 en figuur 10 is de kwaliteitsbeoordeling per verhardingstype weergegeven van het totale areaal verhardingen, oftewel binnen en buiten de bebouwde kom gecombineerd. Tabel 10 Kwaliteitsbeoordeling per verhardingstype totaal areaal

Kwaliteit

Asfalt

Elementen

Beton

Totaal

D (Zeer laag)

11%

13%

1%

11%

C (Laag)

1%

3%

0%

2%

B (basis)

22%

7%

0%

17%

A (Hoog)

44%

37%

16%

41%

A+ (Zeer hoog)

22%

40%

83%

29%

Pagina 30 van 101

Figuur 10 Kwaliteitsbeoordeling per verhardingstype totaal areaal

Het gemiddelde kwaliteitsniveau van het totale areaal asfaltverhardingen en de elementenverhardingen is ‘D’ (Zeer laag). Het kwaliteitsniveau van de betonverhardingen is ‘A’ (Hoog) is. Het gemiddelde kwaliteitsniveau van het totale areaal is ‘D’ (Zeer laag) en is dus lager dan het ambitieniveau waar de gemeente Bergen naar streeft (Basis).

6.3 Kwaliteitsvergelijking 2019-2024 Om een beeld te krijgen van de ontwikkeling van de kwaliteit van het wegennet in de afgelopen periode, zijn de kwaliteitsbeoordelingen van de schouw uit 2019 vergeleken met kwaliteitsbeoordeling van de schouw in 2023.

Figuur 11 Kwaliteitsverloop per verhardingstype

Pagina 31 van 101

Uit figuur 11 blijkt dat de gemiddelde kwaliteit van de asfaltverhardingen ten opzichte van 2019 iets beter is geworden. Dit was ‘D’ (Zeer laag) en is het nog steeds, maar het percentage asfaltverhardingen met kwaliteitsbeoordeling ‘D’ was in 2019 iets hoger, namelijk 12%. Ook het percentage met kwaliteitsbeoordeling ‘C’ (Laag) was in 2019 iets hoger (2%). Wel moet worden opgemerkt dat het aandeel asfaltverhardingen met kwaliteitsbeoordeling ‘B’ (Basis) is gestegen met 12%, en dat de percentages ‘A’ (Hoog) en ‘A+’ (Zeer hoog) zijn afgenomen. Dus ondanks dat de gemiddelde kwaliteit vrijwel gelijk is gebleven, is er wel een afname in de kwaliteit zichtbaar. De kwaliteit van de elementenverhardingen is in zijn geheel achteruit gegaan ten opzichte van 2019. Het gemiddelde kwaliteitsniveau was in 2019 nog net ‘A’. Dat is nu afgenomen tot niveau ‘D’. Ook de percentages ‘C’ en ‘B’ zijn toegenomen met respectievelijk 2% en 6%, dit ten koste van het aandeel elementenverhardingen met kwaliteitsbeoordeling ‘A’ en ‘A+’.

Figuur 12 Kwaliteitsverloop totaal areaal

Wanneer we de kwaliteit van het totale wegenareaal uit 2019 vergelijken met de huidige kwaliteit (zie figuur 12), kunnen we concluderen dat de gemiddelde kwaliteitsbeoordeling gelijk is gebleven, namelijk ‘D’ (Zeer laag). Wel is het aandeel verhardingen met kwaliteitsbeoordeling ‘B’ gestegen met 10%, ten koste van de verhardingen met kwaliteit ‘A’ en ‘A+’. Er is dus een afname in kwaliteit zichtbaar. Samengevat: de kwaliteit van zowel asfaltverhardingen en elementenverhardingen apart beschouwd, als de kwaliteit van het totale wegenareaal, is ten opzichte van 2019 afgenomen.

Pagina 32 van 101

7

Water en riolering: beleidskader

In dit hoofdstuk beschrijven we de beleidskaders in de waterketen. We geven aan hoe we de zorgtaken invullen, door onze ambitie en doelen uit te werken. Daarnaast geven we aan wat onze verplichtingen zijn richting onze inwoners en wat wij van onze inwoners verwachten.

7.1 Stedelijk afvalwater Op grond van de Omgevingswet artikel 2.16 lid 1-a3 zijn verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat vrijkomt bij de in de gemeente gelegen percelen. Stedelijk afvalwater is huishoudelijk afvalwater, of een mengsel van huishoudelijk afvalwater met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. Inzameling en transport huishoudelijk afvalwater

Met riolering zamelen we het stedelijk afvalwater in en transporteren het naar de RWZI Gennep en Venray. Hier wordt het water door het waterschap Limburg gezuiverd waarna het water teruggebracht wordt in het milieu. We streven ernaar om alle percelen aan te sluiten op de riolering, tenzij lokale zuivering doelmatiger is of wanneer de percelen een provinciale ontheffing hebben. In geval van nieuwbouw (in-of uitbreidingsplannen) sluiten we het afvalwater bij voorkeur aan op de gemeentelijke riolering en draagt de gemeente zorg voor de inzameling van het afvalwater. De afweging voor het maken van een aansluiting op het gemeentelijke stelsel maken we op basis van de afstand tot het huidige stelsel, kenmerken locatie en lozing en kosten: - afstand tot het huidige stelsel: bebouwing waarvan de afstand tussen de perceelgrens en het gemeentelijke rioolstelsel kleiner of gelijk is aan 40m sluiten we in principe aan. Voor bestaande bebouwing van voor 1 maart 1997 geldt de afstand van het lozingstoestel (toilet, douche of wasbak) tot de gemeentelijke riolering. Voor grotere lozingen gelden andere afstandscriteria, deze zijn opgenomen in de bruidsschat. - kenmerken locatie en lozing: de kwetsbaarheid van het gebied, toekomstige ontwikkelingen en omvang van de lozing worden in beeld gebracht - Kosten: we brengen de kosten van de aan te leggen aansluiting over de gehele levensduur in beeld.

In de verordening fysieke leefomgeving (in de toekomst het omgevingsplan) zijn hier regels voor opgenomen. De kosten van de aansluiting op de riolering of een alternatieve voorziening, zoals een IBA, zijn voor de lozer. Wanneer geen aansluiting op de gemeentelijke riolering wordt gemaakt, dient de lozer te voldoen aan de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De gemeente meet en monitort de werking van de IBA’s en neemt zo nodig gerichte maatregelen om de werking van de installaties te optimaliseren. Wanneer er kansen zijn voor het decentraal inzamelen en zuiveren van afvalwater, staan we ervoor open om dit te onderzoeken. Dit noemen we alternatieve sanitatie. De gemeente staat ook open voor initiatieven rondom nieuwe sanitatie, het hergebruiken van grondstoffen en energie uit afvalwater. Bestaande aansluitingen op de riolering worden in principe gehandhaafd. Indien deze aan vervanging toe zijn, worden dezelfde afwegingen gemaakt als hierboven genoemd. De vervangingskosten komen ten laste van de gemeente, aangezien voor de bestaande situatie rioolheffing betaald is. Indien vervanging/aanpassing nodig is door een wijziging in de lozing (bijvoorbeeld toename van de lozing), zijn de kosten voor vervanging wel volledig voor rekening van de lozer.

Pagina 33 van 101

Inzamelen en transport bedrijfsafvalwater onder voorwaarden(Indirecte Lozingen)

Bedrijfsafvalwater dat op de riolering wordt geloosd en niet direct op het oppervlaktewater of rioolwaterzuivering wordt een indirecte lozing genoemd. Deze indirecte lozing van bedrijven op de riolering kan gevolgen hebben voor de werking van de riolering, het zuiveringsproces en de kwaliteit van het gezuiverde afvalwater dat via de rioolwaterzuivering naar het oppervlaktewater gaat. De gemeente accepteert lozingen op de gemeentelijke riolering onder bepaalde voorwaarden: het ontvangende systeem moet geschikt zijn om het bedrijfsafvalwater te verwerken. Hierbij wordt gekeken naar de samenstelling en de hoeveelheid van het te lozen bedrijfsafvalwater. De gemeente maakt de afweging voor wel of geen aansluiting op de riolering. We handhaven in samenwerking met de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) de indirecte lozingen. Als de gemeente besluit de lozing niet toe te staan op de riolering, dan is de lozer verplicht om zelf een geschikte voorziening voor de afvoer van het afvalwater te realiseren. Beschermen grond- en oppervlaktewater en de bodem (Overstorten)

We voorkomen zoveel mogelijk contact tussen ongezuiverd afvalwater en het milieu, maar we kunnen dit niet helemaal voorkomen. De riolering heeft een maximale capaciteit om afvalwater te bergen en af te voeren. Bij hevige neerslag kan het voorkomen dat de capaciteit van het stelsel niet voldoende is, wanneer dat het geval is wordt rioolwater via overstorten in het oppervlaktewater geloosd. Dit voorkomt dat afvalwater op straat of in panden tot overlast zorgt, maar kan zorgen voor een slechtere kwaliteit van het oppervlaktewater. Daarom willen we dit zoveel mogelijk voorkomen. Om de druk op de riolering te verlichten zetten we in op de strategie voortkomend uit het SSW (afkoppelen en systeemmaatregelen) Uitgangspunten . Hierbij staat doelmatigheid voorop en wordt zoveel mogelijk ingezet op maatregelen en locaties waardoor bijgedragen wordt om aan de KRWdoelstellingen te voldoen. Hierbij richt de gemeente zich op de emissiereductie tot maximaal 1 × per 2 jaar van een schadelijke ecologische belasting op kwetsbare oppervlaktewateren in 2027 of maakt de gemeente hierover maatwerkafspraken, op basis van de ecologische belastbaarheid van het ontvangend oppervlaktewater, met het waterschap. Voor de overige wateren wil de gemeente voldoen aan de basisinspanning. Rioolvreemd water Rioolvreemd water is water dat niet in het riool thuis hoort.

Bijvoorbeeld hemelwater dat is aangesloten op een vuilwaterriool of andersom, grondwater dat door een lek in een rioolbuis binnen kan komen of oppervlaktewater dat via een overstort het riool in loopt. Al deze voorbeelden verslechteren de werking van het systeem, en willen de daarom voorkomen. Wanneer we op basis van klachten foutieve aansluitingen vermoeden, onderzoeken we deze. Het preventief opsporen van foutieve aansluitingen zonder dat daar aanwijzingen voor zijn, vinden we niet doelmatig.

7.2 Afvloeiend hemelwater Op grond van de Omgevingswet artikel 2.16 lid 1-a1 zijn gemeenten verplicht om zorg te dragen voor een doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater, maar alleen als degene die zich ervan wil ontdoen niet redelijkerwijs het water zelf kan verwerken op het eigen perceel, door het in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. Hemelwater omvat regen, sneeuw, hagel en andere vormen van neerslag. Afvloeiend hemelwater is water dat niet door de grond wordt opgenomen, maar in plaats daarvan over het oppervlak stroomt. Dit water stroomt via daken, straten, trottoirs en andere verharde oppervlakken naar riolen, sloten, rivieren en andere waterlichamen. We hebben als gemeente een inspanningsplicht voor het verwerken van afvloeiend hemelwater.

Pagina 34 van 101

Verwerken hemelwater: een gedeelde verantwoordelijkheid

Het verwerken van hemelwater is een gedeelde verantwoordelijkheid. Particulieren hebben de verantwoordelijkheid om hemelwater in eerste instantie zelf op hun eigen terrein te verwerken. Wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk is, zamelen we afvloeiend hemelwater van particulier terrein en het overtollig hemelwater uit de openbare ruimte in. Het hoofddoel van het hemelwaterbeleid is om schoon hemelwater niet langer via de riolering af te voeren. We maken onderscheid tussen bestaand gebied in kernen, buitengebied en nieuwbouw. Bestaand gebied in kernen Bij vervanging van de riolering in de kernen, leggen we bij voorkeur een gescheiden stelsel aan. De gemeente Bergen wil daar waar het doelmatig is, voor zowel openbaar als particulier terrein, waterstromen scheiden bij de bron. Daarbij stimuleren we ook het afkoppelen van particulier terrein. Wanneer infiltreren op eigen perceel niet doelmatig is, leggen wij als gemeente een HWA-aansluiting tot de perceelgrens aan. Vervolgens kunnen bewoners vrijwillig de voorzijde aansluiten op het hemelwaterriool, voor een tegemoetkoming in de kosten kunnen zij aanspraak maken op de subsidieregeling. Buitengebied In het buitengebied ligt druk- of persriool, deze riolen zijn uitsluitend bedoeld voor de inzameling van afvalwater.

Het is niet toegestaan om hemelwater op dit riool aan te sluiten, de pompcapaciteiten en de afmetingen van de druk- en persleidingen zijn niet ontworpen om hemelwater af te voeren. Daarom wordt er verwacht van de eigenaren van de percelen om het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Dit is vastgelegd in het Omgevingsplan hoofdstuk 22a parapluregeling hemelwaterafvoer. Nieuwbouw De gemeente hanteert de volgende regels voor ontwikkelingen van particulieren, bedrijven en het openbaar gebied: - Afvalwater en hemelwater dient altijd gescheiden aangeboden te worden; - Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen gaat de initiatiefnemer altijd in overleg met gemeente en waterbeheerder(s), zodat de waterbelangen vroeg in het proces kunnen worden meegewogen, dit noemen we de weging van het waterbelang (voorheen watertoets); - Bij grootschalige nieuwbouw en uitbreidingsplannen moet een risicoanalyse opgesteld worden waarbij wordt aangegeven wat de risico’s zijn bij een extreme bui gelijk aan 70 mm per uur; - Nieuwe ontwikkelingen realiseren berging van minimaal 60 liter per m2 verhard oppervlak berging op eigen terrein waarbij een overloop op maaiveld richting straat of naar oppervlaktewater is toegestaan, mits geen verslechtering ten op zichtte van de huidige situatie ontstaat - De bouwpeilen dienen minimaal 0,3 m boven wegniveau te zijn zodat water niet vanuit de straat de woning kan

bereiken. - Ontwikkelingen moeten voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in de Kli-maatlat van de gemeente Bergen Volgen voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren

Voor zoveel mogelijk lokaal verwerken van hemelwater volgen we de voorkeursvolgorde: 1. Vasthouden: hemelwater infiltreren in de bodem 2. Bergen: hemelwater (tijdelijk) opslaan in voorzieningen 3. Afvoeren naar oppervlaktewater: hemelwater boven- of ondergronds afvoeren naar het dichtstbijzijnde oppervlaktewater 4. Afvoeren naar gemend rioleringsstelsel: hemelwater samen met afvalwater inzamelen en transporteren naar de zuivering

Pagina 35 van 101

Bij voorkeur wordt het hemelwater zoveel mogelijk opgevangen en geïnfiltreerd op de plek waar het valt. Zo voorkomen we belasting op omliggende gebieden en wentelen we niet af. Ook helpt het vasthouden van water om droogte tegen te gaan. Als het niet mogelijk is om al het regenwater vast te houden, wordt het water bij voorkeur geborgen in bovengrondse bergings- en infiltratievoorzieningen, zoals wadi's. Deze voorzieningen houden het regenwater vast en laten het geleidelijk infiltreren of voeren het vertraagt af. Het is niet altijd mogelijk om het water te infiltreren of vast te houden in de bodem, door bijvoorbeeld een (te) hoge grondwaterstand. Als het niet mogelijk is om al het water te infiltreren, dan voeren we het boven- of ondergronds af naar lokaal oppervlaktewater. Als dit ook niet mogelijk is dan kan het water via de gemengde riolering naar de RWZI worden afgevoerd. Volgen voorkeursvolgorde schoonhouden-scheiden-zuiveren

Voor het voorkomen van vervuiling van het grond- en oppervlaktewater volgen we de voorkeursvolgorde: 1. Schoonhouden: we voorkomen zoveel mogelijk dat schoon hemelwater in contact komt met vervuilde oppervlakken. 2. Scheiden: we voorkomen dat hemelwater in contact komt met vuile waterstromen en koppelen hemelwater af. 3. Zuiveren: vervuild hemelwater zuiveren we voordat we het terugbrengen in het milieu. Hemelwater is schoon, maar kan vervuild raken door afstroming over vervuilde oppervlakken. Bijvoorbeeld druk bereden wegen, marktpleinen en industrieterreinen zijn vaak vervuild. Bij de aanleg van een hemelwaterstelsel houden we rekening met de vervuilingsgraad van het oppervlak. Bij relatief schone oppervlakken zorgen we ervoor dat het hemelwater schoon blijft en lokaal wordt verwerkt. Het schone hemelwater houden we gescheiden van vuile waterstromen door het apart in te zamelen. In bestaande gebieden kopellen we waar mogelijk en doelmatig hemelwater van de gemengde riolering af. Vervuilde hemelwaterstromen zuiveren we voordat we deze terugbrengen in het milieu. We doen dit door middel van lokale zuivering, zoals bodempassages, of door het af te voeren naar de RWZI. Bij het scheiden van waterstromen is aandacht nodig om dit goed te doen. Wanneer vuilwater op een riool bedoelt voor hemelwater (of andersom) wordt aangesloten, noemen we dit een foutaansluiting.

Wanneer hemelwater foutief is aangesloten op het vuilwaterriool heeft dit als gevolg dat afvalwater verdund wordt waardoor het zuiveringsrendement lager is, wordt onnodig relatief schoon water afgevoerd naar de zuivering. Dit is nadelig is voor het zoveel mogelijk vast houden van water en onnodig energie kost, omdat meer water verpompt wordt. Wanneer vuilwater foutief is aangesloten op het hemelwaterriool komt dit in het oppervlaktewater terecht. Dit is nadelig voor de waterkwaliteit. Wanneer we aanwijzingen hebben dat waterstromen fout zijn aangesloten, pakken we dit aan. Voorbereiden op het veranderende klimaat

Door klimaatverandering neemt de hoeveelheid en de intensiteit van neerslag toe. We zien vaker hevige, korte buien met een hoge piek belasting. Deze extreme buien zorgen voor een grotere druk op de openbare ruimte, het rioolstelsel en het watersysteem en kunnen leiden tot hinder, overlast of schade. In tabel 11 hebben we toegelicht wat we verstaan onder hinder, overlast en schade.

Pagina 36 van 101

Tabel 11 hinder, overlast, schade

Gebeurtenis Omschrijving Hinder Kortdurend water-op-straat van geringe omvang, waarbij vervoer en transport nog mogelijk is (wegen blijven toegankelijk) en geen schade optreedt.

Overlast

Ernstige hinder (zoals verdund afvalwater op straat of stremming) en forse hoeveelheden hemelwater op straat.

Schade

Kort- of langdurend ‘water-op-straat’ van een dusdanige omvang dat er schade aan eigendommen optreedt en/of essentiële (gebruiks-)functies uitvallen.

Voorbeeld

Met de veranderende klimaatomstandigheden, zullen hinder en overlast vaker voorkomen. Dit accepteren we. Schade willen we zoveel mogelijk voorkomen. We bereiden ons voor om extreme neerslag zo goed mogelijk te verwerken. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de buien waar we ons rioolstelsel en de leefomgeving op voorbereiden. De huidige situatie is gedimensioneerd op het verwerken van een bui die eens in de twee jaar valt, door klimaatverandering verandert de intensiteit en herhalingstijd van de buien. Daarom streven we ernaar dat het riool- en watersysteem hierop aan te passen. De huidige situatie passen we aan wanneer we een reconstructie uitvoeren of wanneer in de praktijk wateroverlastknelpunten optreden. Tabel 12 ontwerp en toetsing van openbare ruimte en eigen percelen

Bestaande wijken

Openbare ruimte Ontwerp Geen water op straat bij bui 08 (19,8 mm in een uur) uit de kennisbank stedelijk water. Dit is een bui die 1x in de 2 jaar valt.

Eigen perceel Toetsing Basisbeschermingsniveau: zo min mogelijk water op straat en geen overlast en schade bij een composietbui 2 (36,9 mm in 10 uur) uit de kennisbank stedelijk water. Dit is een bui die 1x in de 2 jaar valt.

Beschermingsniveau in extreme situaties: streven naar geen schade bij een bui van 70 mm in één uur. Reconstructie Nieuwbouw en Beschermingsniveau in extreme Nieuwe verharding en en nieuwbouw reconstructie dient situaties: een bui van 70 bouwwerken mogen alleen gedimensioneerd te mm/uur leidt niet tot schade. water lozen op openbare worden op 60mm hemelwatervoorziening als berging per m2 op eigen terrein een oppervlak. hemelwaterberging van minimaal 60 liter per m2 verhard oppervlak is aangelegd.

Pagina 37 van 101

Natuurlijke oplossingen voor verwerken van hemelwater

We volgen de adaptatiepiramide bij het klimaatbestendig maken van onze gemeente. Robuuste oplossingen passen binnen een breed fundament: een gezond natuurlijk systeem. Wanneer het natuurlijke systeem niet voldoende capaciteit heeft om schade te voorkomen treffen we technische maatregelen om het beschermingsniveau te behalen. Het kan voorkomen dat het harder regent dat waar we ons op hebben voorbereid. Daarom is het belangrijk dat inwoners, bedrijven en instellingen weten wat ze bij extreme gebeurtenissen kunnen doen. We versterken het bewustzijn en vergroten de zelfredzaamheid van onze inwoners.

Figuur 13 Adaptatiepiramide

We benutten het natuurlijke systeem door bovenstrooms maatregelen te treffen om benedenstrooms overlast en schade van afstromend water te voorkomen. We vervangen zoveel mogelijk niet-functionele verharding door groen. Groenvoorzieningen zetten we in als bergingsvoorziening voor afstromend hemelwater, door de groenvoorziening lager te plaatsen dan de weg en de banden eventueel te verlagen. Dit zijn voorbeelden van zogenoemd ‘laaghangend fruit’, ingrepen die weinig inspanning kosten, maar wel bijdragen aan verbetering . Technische maatregelen kunnen toegepast worden om ruimtegebruik te combineren. Zo passen we waterpasserbare verharding toe bij parkeervoorzieningen. Het realiseren van waterinfiltratie- en bergingen onder de weg en speeltuinen inzetten voor waterberging. Aandachtspunt hierbij is de kwaliteit van het water (geen afvalwater af laten stromen naar speeltuinen) en het water mag slechts gedurende een korte periode aanwezig zijn. We zorgen door middel van communicatie dat bewoners weten wat ze moeten doen als het harder regent dat waar we ons op hebben voorbereidt. Daarnaast stemmen we met professionele partners, zoals de veiligheidsregio en het waterschap, af hoe we handelen bij calamiteiten als gevolg van extreme weersomstandigheden.

Pagina 38 van 101

7.3 Grondwater Op grond van Omgevingswet artikel 2.16 lid 1-a2 is bepaald dat de gemeente de zorg heeft om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit doet de gemeente door maatregelen te treffen in het openbaar gemeentelijke gebied, voor zover deze doelmatig zijn en niet tot de zorg van de (grondwater)beheerder of de provincie behoort. Grondwater is al het water dat zich in de bodem bevindt. Grondwater wordt met name gevoed door hemelwater en vanuit het oppervlaktewater, het is een regionaal systeem. Bij langdurige droogte zakt het grondwater weg en in natte perioden stijgt het grondwater, er is dus altijd sprake van een bepaalde mate van fluctuatie in de grondwaterstand. In dit programma hebben we het over het ondiepe grondwater in stedelijk gebied. Streven naar een natuurlijk functionerend grondwatersysteem

Bij een initiatief wegen we het waterbelang. In een wijziging van het Omgevingsplan wordt de impact op de grondwatersituatie meegewogen. Het streven van de gemeente is om bij nieuwbouw ‘grondwaterneutraal’ te bouwen. Dit houdt in dat het grondwaterpeil niet beïnvloed mag worden en de ontwikkeling bestand is tegen de natuurlijk optredende grondwaterstanden. De gemeente staat geen bebouwing toe op plekken waar dit schade kan veroorzaken of het natuurlijke grondwatersysteem kan beperken. Daarnaast blijven we werken aan beter inzicht in het functioneren van het grondwatersysteem. Wanneer we binnen onze gemeente bebouwing uitbreiden, laten we ook grondwaterpeilbuizen plaatsen op passende locaties. Voorkomen van structurele grondwater over- en onderlast

Grondwater is lastig te beïnvloeden, maar het kan wel invloed hebben op functies in een gebied. In eerste instantie zijn particulieren zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om grondwater over of onderlast tegen te gaan. Mits, de overlast niet door onrechtmatig handelen of nalatigheid van anderen particulieren of de gemeente. Als gemeente zijn we niet verantwoordelijk voor het handhaven van het grondwaterpeil in bebouwd gebied. We vervullen een regierol. Wel hebben we de taak om structureel nadelige schade te voorkomen of beperkten. We definiëren structureel, nadelig en doelmatig als volgende: -

-

Structureel: structurele grondwateroverlast, is overlast die in een periode van een jaar, minimaal drie maanden aanhoudt en terugkerend van aard is en meerdere panden betreft; Nadelig: wanneer woningen economische schade of mensen fysieke schade ondervinden;

Doelmatig: doelmatige maatregelen zijn maatregelen die qua kosten in overeenstemming zijn met de effecten. Hierbij wordt een afweging gemaakt tussen kosten enerzijds en vermindering van de overlast (zowel de mate van overlast als het aantal personen of gebiedsgrootte met overlast) anderzijds.

We hebben een geautomatiseerd grondwatermeetnet ingericht met 24 peilbuizen, waarmee zij het grondwaterpeil volgt en inzicht heeft. In de gemeente zijn locaties bekend met grondwateroverlast in de vorm van een natte kruipruimte. Deze overlast is echter individueel, niet structureel en leidt niet tot schade.

Pagina 39 van 101

Naast de gemeente hebben particulieren, het Waterschap en de Provincie ook een wettelijke verantwoordelijkheid in het grondwaterbeheer: -

-

-

Particulieren: zij moeten op hun eigen terrein ervoor zorgen dat ze goede bouwkundige en waterhuishoudkundige voorzieningen hebben, omdat ze verantwoordelijk zijn voor de goede staat van hun eigendom. Waterschap: het waterschap is verantwoordelijk voor het peilbeheer, zodat er voldoende ontwatering is en water goed afgevoerd kan worden. Het waterschap verleent ook vergunningen voor kortdurende grondwateronttrekkingen in de ondiepere lagen van de bodem, zoals bij bouwprojecten. Provincie: de Provincie is verantwoordelijk voor het verlenen van vergunningen voor grootschalige en langdurige grondwateronttrekkingen in diepere bodemlagen, zoals bij drinkwateronttrekkingen en bodemenergiesystemen.

Bronnering bij nieuwe aanleg Bij een bronnering wordt tijdelijk grondwater aan de bodem onttrokken om de grondwaterstand te verlagen. Zo kunnen werkzaamheden, zoals de aanleg van bouwwerken en kabels en leidingen, droog worden uitgevoerd. Voor zowel het onttrekken van grondwater als het lozen van het opgepompte grondwater op oppervlaktewater geldt dat Waterschap Limburg hiervoor het bevoegd gezag is. Voor het toetsen van lozing van bronneringswater op de riolering geldt dat de gemeente hiervoor het bevoegd gezag is. Uitgangspunt is dat schoon bronneringswater niet op het vuilwaterriool wordt geloosd, maar terug wordt gebracht in de bodem of afgevoerd wordt naar oppervlaktewater. In de praktijk zal dit echter niet altijd mogelijk zijn. De voorkeursvolgorde is daarmee: 1. Retourbemaling 2. Afvoeren naar oppervlaktewater 3. Afvoer naar de riolering In paragraaf 22.3.8.1 van de bruidsschat zijn de regels ten aanzien van het lozen van grondwater bij sanering of ontwatering opgenomen. In de verordening fysieke leefomgeving zijn nadere regels voor het lozen en onttrekken van grondwater uitgewerkt.

7.4 Oppervlaktewater Oppervlaktewater in de gemeente heeft een belangrijke functie voor het hemelwaterstelsel. Na een bui moet het regenwater van straten, pleinen en daken onder andere worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Dit helpt met het verminderen van wateroverlast in stedelijke gebieden. Daarnaast is het ook van belang dat het oppervlaktewater een goede kwaliteit heeft. Bijdragen aan het behalen van de KRW-doelen

De derde – en waarschijnlijk laatste – planperiode om deze KRW-doelen te realiseren loopt tot 2027. Met de ecologische toets, toetst het waterschap met gemeenten of overstorten voldoen aan de KRW-doelstelling. Met de ecologische toets wordt in beeld gebracht wat de impact van een overstort is op de ecologische toestand van de beek of rivier. Om aan de KRW-doelstellingen te voldoen, moeten de benodigde maatregelen uiterlijk in 2027 zijn uitgevoerd. We werken aan verbeteringen door hemelwater af te koppelen van het vuilwaterriool, waardoor het aantal overstortingen afneemt. Daarnaast beperken we de impact van overstortingen en verhelpen we foutaansluitingen van vuilwater op het hemelwaterriool zodra deze zijn geconstateerd.

Pagina 40 van 101

7.5 Drinkwater Op grond van de drinkwaterwet artikel 2 draagt de gemeente, samen met het Rijk, de provincie en waterschap, zorg voor een duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening. Hierbij wordt rekening gehouden met het grondwater-beschermingsgebied en drinkwaterwinningsgebied en de mogelijke restricties die hieruit voortkomen. Beschermen duurzame drinkwatervoorziening

Schoon en voldoende drinkwater is voor iedereen belangrijk. In Limburg is de kwaliteit van het drinkwater nauw verbonden met de grondwater- en bodemkwaliteit, maar ook met de kwaliteit van het Maaswater dat langs de gemeente Bergen stroomt. De kwaliteit van het water in de maas, het grondwater en de bodem zijn beïnvloedbaar door hoe wij de ondergrond en leefomgeving gebruiken en inrichten. Voor drinkwater is niet alleen de kwaliteit van de bodem en het water belangrijk, maar ook de kwantiteit. Dit staat soms onder druk door klimaatverandering en droogte. Daarom moet de openbare drinkwatervoorziening goed ingebed zijn in de ruimtelijke inrichting en gebiedsgebruik. Alle bestuursorganen hebben een zorgplicht voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening, dus ook wij als gemeente. Deze zorgplicht komt ook tot uiting de Omgevingswet (artikel 2.1). Er zijn verschillende factoren vanuit dit programma die de drinkwaterkwaliteit en -voorziening kunnen beïnvloeden: -

-

-

Afstromend regenwater: afstromend regenwater is niet altijd schoon genoeg. Daarom volgen we richtlijnen voor verantwoord afkoppelen, zoals de beslisbomen "Regenwater schoon naar beek en bodem" die nog geactualiseerd moeten worden. Droge perioden en drinkwatergebruik: tijdens periodes van grote watervraag, zoals bij warme vrije dagen, zetten we actief in op waterbesparing. We stimuleren inwoners en bedrijven om water te besparen, wat tevens helpt bij het bestrijden van droogte. In samenspraak met WML hebben wij in iedere kern nood drinkwatervoorzieningen beschikbaar. Voor als er in tijden van crisis geen drinkwater beschikbaar is.

Pagina 41 van 101

8

Water en riolering: areaalbeschrijving

In dit hoofdstuk beschrijven we de voorzieningen die we in eigendom hebben. Ook gaan we per waterstroom in op de staat van deze objecten en hoe het systeem functioneert.

8.1 Overzicht voorzieningen In Bergen hebben we de volgende voorzieningen in eigendom: Tabel 13 Overzicht van de voorzieningen in eigendom van de gemeente (d.d.07-07-2025)

Voorziening Vrijvervalriool - Vuilwaterriool - Hemelwaterriool - Gemengd riool Persleiding Drukleiding Luchtinblaasinstallaties Vrijvervalvuilwaterriool in buitengebied Drainage Gemalen Drukunits BBB’s IBA’s Externe overstorten Droge sloten Natte sloten

Aantal 96 6 14 76 12 43 15 28 0,5 19 157 6 132 20 36 35

Eenheid km km km km km km stuks km km stuks stuks stuks Stuks Stuks Km km

Bijna alle panden zijn aangesloten op de riolering of zijn voorzien van een individueel behandelingssysteem afvalwater (IBA). In het buitengebied bevinden zich nog een aantal panden die niet zijn aangesloten op de riolering. Het is nog onbekend hoeveel dit er zijn. In onderstaande grafiek is voor de vrijvervalriolering in beeld gebracht wat de verdeling per type per aanlegperiode is. Hierin is te zien dat het grootste deel van het vrijvervalrioolstelsel in de jaren ’60 en ’70 is aangelegd en dat vanaf de jaren ’90 gescheiden stelsels aangelegd zijn.

Figuur 14 type vrijvervalriolen per aanlegperiode

Pagina 42 van 101

8.2

Stedelijk afvalwater en hemelwater

Staat van de objecten

Vrijvervalriolen Het grootste deel van de vrijvervalriolen in Bergen is geïnspecteerd. Uit deze inspecties volgt de kwaliteit op het gebied van waterdichtheid, stabiliteit en afstroming, van zeer slecht tot zeer goed. Hieruit volgt het beeld in figuur 15. Wat hierin opvalt is dat de meeste riolen nog van zeer goede kwaliteit zijn. Dit komt overeen met de inschatting dat riolen gemiddeld 80 jaar mee gaan. De oudste riolen zijn nu 60 jaar oud, en de meeste riolen moeten dus nog minimaal 20 jaar mee. Op stabiliteit scoort een klein aandeel van de riolen zeer slecht, wat vraag om een ingreep de komende planperiode. Op basis van afstroming scoren alle riolen minimaal goed. De riolen in slechte en zeer slechte staat moeten op korte termijn herstelt of vervangen worden.

Kwaliteit riolering 100% 90% 80%

lengte (km)

70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% waterdichtheid zeer goed

stabliteit goed

matig

slecht

afstroming zeer slecht

Figuur 15 kwaliteit vrijvervalriolen

Gemalen en drukunits De gemalen en drukunits worden onderhouden door de buitendienst van de gemeente Bergen. Zij houden met periodieke inspecties de kwaliteit in de gaten en vervangen onderdelen wanneer nodig. De gemalen zijn in goede staat en functioneren naar behoren. IBA’s De IBA’s zijn in eigendom van de gemeente en worden beheerd en onderhouden door Waterschap Limburg (WL). De mechanische en elektrische installaties van alle IBA systemen zijn afgelopen jaren vervangen. Functioneren afval- en hemelwaterinzameling

Het Systeemoverzicht Stedelijk Water (SSW) is opgesteld om inzicht te krijgen in het hydraulisch en milieutechnische functioneren van het systeem.

Pagina 43 van 101

Hydraulisch functioneren Toetsingsbuien Het stelsel is getoetst op composietbui C2, dit is een bui van 36,9 mm in 10 uur. Deze bui is gebruikt om te beoordelen hoe het stedelijk water systeem functioneert bij zware regenval die eens in de twee jaar voorkomt. Daarnaast is het stelsel ook doorgerekend met een composietbui die eens in de 5 jaar voorkomt (45,9 mm in 10 uur), om meer inzicht te krijgen waar rioolwater uit kan treden. Daarnaast is de bestendigheid van de kernen op extreme neerslag getoetst met een blokbui van 70mm in één uur. Deze bui komt naar verwachting in 2050 eens per 100 jaar voor, en gebruiken we om te toetsen of onze gemeente voorbereid is op het veranderende klimaat. We vinden schade als gevolg van deze bui onacceptabel. Knelpunten Uit de toetsing van het rioolstelsel en de bestendigheid tegen extreme neerslag komen acht knelpuntlocaties naar voren: • Monseigneur Paredisstraat in Siebengewald • Boterdijk in Siebengewald • Rimpelt in Afferden • Pieter de Hooghstraat in Nieuw Bergen • Dassenstraat en Vossenlaan in Nieuw Bergen • Sterrenbos 72 in Well • Papenbeek in Well • Op de Kanijnskamp in Wellerlooi Deze knelpunten en de voorgestelde maatregelen om de knelpunten op te lossen zijn meegenomen in de opgave beschreven in hoofdstuk 11.

Milieutechnisch functioneren De impact van het gemeentelijke stelsel op de waterkwaliteit is inzichtelijk gemaakt met de ecologische toets van het waterschap. In deze toets wordt gerekend met de waterschapsbui T=2, dit is een bui van 18 mm in een uur. In deze toetsing wordt onderscheid gemaakt in de kwetsbaarheid van het water, hierop is een maximale overstortfrequentie gebaseerd: • niet-kwetsbaar water, maximale overstortfrequentie 6x per jaar • kwetsbaar water, maximale overstortfrequentie eens per 2 jaar • zeer kwetsbaar water, maximale overstortfrequentie eens per 5 jaar Hieruit volgen negen knelpunten. Om het aantal overstortingen te reduceren wordt meer berging gerealiseerd en verhard oppervlak afgekoppeld. Tabel 14 overstort knelpunten

Knelpunt overstort 2559 (A 19a) overstort 2561 (2033) overstort 2560 (2089) overstort 2563 (2525) overstort 2566 (B05) overstort 2568 (33405j)

Lozing op Eckeltsebeek zijktak van de Flieraylossing Leigraaf van de Plees Horsterbeek Bergerheidelossing Heukelomsebeek

Overstort 2565 (33862) overstort 2555 (4084) overstort 2554 (5044)

Bergerheidelossing Papenbeekse broeklossing Looisegraaf

Pagina 44 van 101

Af te koppelen verhard oppervlak 3,8 tot 5,1 ha 6,5 tot 6,8 ha 1,1 tot 1,3 ha 0,8 tot 1,3 ha 0,1 tot 0,2 ha Afkoppelen niet doelmatig, aanpassing in stelsel nodig 2,3 tot 3,0 ha 3,9 tot 4,9 ha 2,3 tot 2,8 ha

Klachten en meldingen

We krijgen af en toe klachten en meldingen over overstortingen. We zetten overal in de kernen in op afkoppelen, waardoor overstortingen op termijn minder vaak voor zullen komen.

8.3

Grondwater

Functioneren grondwatersysteem

Met peilbuizen meten we de grondwaterstand. De metingen worden automatisch doorgestuurd naar een beheersysteem, waar deze uitgelezen worden. Binnen de gemeente is de afgelopen jaren geen structurele grondwateroverlast opgetreden. In de zomer van 2021 hebben wij extreme hoge waterstanden van de Maas gehad. Het kwelwater wat hieruit voort kwam was in de grondwatermetingen terug te zien tot aan Siebengewald. In 2024 is in de winter en het voorjaar veel neerslag gevallen, deze uitzonderlijke situatie leidde ook tot hogere grondwaterstanden. Klachten en meldingen

Sinds de introductie van Reppido ‘BuitenBeter’ in 2021 zijn in totaal 170 meldingen ontvangen met betrekking tot rioleringsproblemen. Van deze meldingen hadden er 43 betrekking op wateroverlast, veroorzaakt door grondwater of hemelwater. Maar liefst 90% van deze klachten deed zich voor in de periode 2023–2024, tijdens extreme neerslagomstandigheden. In beide jaren was sprake van een aanzienlijk neerslagoverschot. 2023 ging de boeken in als het natste jaar ooit, met een landelijke gemiddelde neerslag van 1152 mm. Ook 2024 was uitzonderlijk nat, met 1055 mm neerslag—goed voor een derde plaats op de lijst van natste jaren ooit gemeten.

8.4

Oppervlaktewater

Functioneren van het oppervlaktewater

In het systeemoverzicht stedelijk water is ook gekeken of het ontvangende oppervlaktewater de hoeveelheid water die tijdens een neerslaggebeurtenis wordt afgevoerd aankan. In de huidige situatie zijn er geen knelpunten. Wanneer meer verhard oppervlak wordt afgekoppeld, en meer water lokaal wordt verwerkt of afgevoerd richting oppervlaktewater moet onderzocht worden of het oppervlaktewatersysteem dit aankan. Staat van het oppervlaktewater

Een groot deel van het oppervlaktewater binnen onze gemeente is in beheer van het waterschap. Vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water ligt er een opgave om de waterkwaliteit en ecologie in waterlopen te verbeteren. De KRW-watergangen in de gemeente voldoen nog niet aan de gestelde doelstellingen. De invloed van het gemeentelijke stelsel hierop is in beeld gebracht. Het verminderen van het aantal overstortingen op deze locaties heeft een positief effect op de waterkwaliteit. De gemeente heeft ook een aantal watergangen in beheer. Deze worden regelmatig gemaaid en gekorfd.

Pagina 45 van 101

8.5

Drinkwater

Drinkwaterwinningen en beschermingsgebieden

Het water uit de kranen in Bergen komt voor een groot deel uit eigen bodem. Tussen de kernen Nieuw Bergen en Well, in het natuurgebied Maasduinen ligt een waterwingebied met daaromheen een grondwaterbeschermingsgebied. In figuur 16 zijn deze gebieden aangegeven. De provincie werkt aan nieuwe begrenzing van de beschermde zones, besluitvorming vindt naar verwachting eind 2025 plaats. Uit nieuwe hydrologische inzichten blijkt dat de begrenzing beschermingsgebieden aangepast moet worden om in de toekomst schoon drinkwater te kunnen blijven winnen. De aanpassing van deze grenzen heeft gevolgen voor de ruimtelijke ordening. We werken samen met de provincie aan een aanpak, communicatie en monitoring. Figuur 16 drinkwaterbeschermingsgebied

Pagina 46 van 101

9

Uitvoering geven aan de gezamenlijke opgave

9.1 Duurzaam werken Wanneer we vanuit water en riolering en wegen integraal aan de slag gaan hebben we aandacht voor duurzaamheid. •

•

9.2

We werken zo veel mogelijk circulair. Dit betekent dat we materialen waar mogelijk hergebruiken of recyclen. Wanneer we nieuwe materialen toepassen hebben we aandacht voor de mogelijkheid tot hergebruik en recycling in de toekomst. We verbruiken zo min mogelijk energie, en als we energie gebruiken van hernieuwbare bronnen. Bijvoorbeeld voor het laten draaien van onze pompen en gemalen.

Een afgestemde opgave

Komen tot een integrale opgave

De integrale opgave van wegen, water en riolering is bepaald aan de hand van de staat van het huidige weg en riool areaal en het hydraulisch functioneren van de riolering. De overlap tussen het weg- en rioolareaal ligt voornamelijk binnen de komgrenzen. Voor de gemeente Bergen zijn er binnen de projectgebieden gedefinieerd om de aankomende zes jaar mee aan de slag te gaan. De scope van deze projectgebieden is gebaseerd op: • • • • •

De kwaliteit van de riolering (zie bijlage 2). De kwaliteit van de wegen (zie bijlage 2) De integrale vervangingsprioriteit die volgt uit het combineren van de kwaliteit van de riolering en de vervangingsprioriteit van de wegen De wateroverlastknelpunten volgend uit het systeemoverzicht stedelijk water Al geprogrammeerde en gewenste projecten

Op basis van de kwaliteit van de riolering en wegen is de integrale vervangingsprioriteit bepaald. Vervolgens zijn de wateroverlastopgave vanuit het SSW en de al geprogrammeerde en gewenste projecten vanuit de gemeente aan het overzicht toegevoegd. Daar waar zowel een opgave ligt vanuit water en riolering en wegen is een integraalproject geformuleerd. Wanneer alleen ingrepen nodig zijn voor water en riolering of alleen voor wegen wordt dit niet integraal opgepakt. Dit proberen we echter zo veel mogelijk te beperken.

Figuur 17 werkwijze selecteren integrale projecten

Pagina 47 van 101

We maken onderscheid tussen drie typen integrale projecten: • Reconstructie (de weg + vervangen riolering + afkoppelen): De weg en het riool worden vervangen. Daarnaast wordt her verhard oppervlak afgekoppeld (boven of ondergronds) • De weg + relinen + afkoppelen: De huidige riolering blijft liggen, de strengen van slechte kwaliteit worden gerelined. De weg wordt vervangen en het verhard oppervlak wordt afgekoppeld (boven- of ondergronds). • De weg + relinen: De weg wordt vervangen, de huidige riolering blijft liggen, de strengen van slechte kwaliteit worden gerelined. Op het moment dat we op de aangewezen locaties aan de slag gaan, bepalen we of er vanuit andere doelen nog meekoppelkansen zijn. Vanuit klimaatadaptatie kijken we bijvoorbeeld of er hittestress speelt en opgaven vanuit de energietransitie koppelen we. Bij de uitwerking van het project nemen we dit waar mogelijk mee. In de projecten geven we inwonerparticipatie een plek. We volgen daarbij het beleidskader participatie van de gemeente. De integrale opgave

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16224366/1