Bijlage 1 - Ontwerp BP Ceresweg 15A-17 - Toelichting - regels - verbeelding
Tekst van het document
5.2 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van
Ontwerp
24
risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het beleid is vastgelegd in diverse AMvB’s, Ministeriële Regelingen en circulaires. Daarin zijn risiconormen en/of veiligheidsafstanden opgenomen die relevant zijn voor externe veiligheid bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit. De belangrijkste zijn: − Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) − Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) − Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Conform de risicokaart van de provincie Limburg bevinden zich in de wijde omtrek van het plangebied geen objecten met een verhoogd risico ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen beperking voor onderhavig planvoornemen.
5.3 Water 5.3.1 Beleidsaspecten In deze paragraaf zal ingegaan worden op de relevante beleidsdocumenten ten aanzien van het milieuaspect water. Daarbij zal ingegaan worden op het beleid van het Waterschap Limburg en het beleid van de gemeente Bergen. Waterschap beleid: Waterschap Limburg Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Keur van het Waterschap Limburg. Met het waterbeheerprogramma legt het Waterschap Limburg vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Een van de relevante speerpunten uit het waterbeheerprogramma is ‘elke druppel vasthouden en pas afvoeren als het moet’. In de keur staan regels over wat er wel en niet mag in en rondom het water in Limburg. Daarmee wordt getracht om dijken, sloten, waterstanden en grondwaterstanden te beschermen. Op basis van het relevante beleid van het Waterschap Limburg geldt bij nieuwbouwplannen een minimum vereiste bergingscapaciteit van 100 mm per m2 nieuwe bebouwing en verharding. Gemeentelijk beleid: gemeente Bergen Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag.
In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020-2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke verordening ‘Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022’. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van
Ontwerp
25
belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen. Voor onderhavig planvoornemen is voor wat betreft het aspect water het gestelde in Hoofdstuk 3, afdeling 2 van belang. In afdeling 2 zijn namelijk de regels uiteengezet ten aanzien van afvoer van hemelwater en grondwater. In de navolgende paragrafen zal gemotiveerd worden dat aan deze bepalingen voldaan wordt. 5.3.2 Huidige situatie Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak De bebouwing binnen het plangebied bestaat thans uit de volgende bebouwing: - Bedrijfswoning Ceresweg 15A; - Bedrijfswoning Ceresweg 17; - Ligboxenstal groot circa 1.665 m2 - Ligboxenstal klein circa 250 m2 - Kalverenstal circa 180 m2 - Loods circa 375 m2 - Paardenstal circa 215 m2 - Sleufsilo’s en mestsilo circa 3.500 m2 Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of andere beschermingszone dan wel reserveringsgebied. Huidige verwerking van hemelwater Het hemelwater is momenteel ter hoogte van het maaiveld afgekoppeld en loopt aldaar uit op omliggende, in eigendom zijnde, gronden. Aldaar kan het hemelwater in de huidige situatie infiltreren.
Het hemelwater wordt niet geloosd op een gemeentelijk riool (niet aanwezig) en ook in geen geval afgewenteld op de omgeving. Huidige verwerking van afvalwater en waterkwaliteit Het afvalwater van beide bestaande bedrijfswoningen wordt geloosd op separate IBA’s (voor elke woning 1). Het afvalwater van het bedrijf wordt momenteel opgevangen in de mestkelder. Aanwezig oppervlaktewater Binnen het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater. Ten noordwesten van het plangebied, aan de overzijde van de Ceresweg, is de Lackbar Cereslossing gelegen. Deze lossing is aangemerkt als primaire watergang. Het planvoornemen heeft geen nadelige gevolgen voor deze watergang. Grondwaterstanden en maaiveldhoogte Grondwaterstand Ter plaatse van het plangebied geldt overwegend grondwatertrap IIb, dit komt overeen met een redelijk hoog grondwaterregime, waarbij de gemiddeld hoogste grondwaterstand op 25-40 cm onder maaiveld is gelegen en de gemiddeld laagste grondwaterstand zich tussen de 50-80 cm beneden maaiveld bevindt.
Ontwerp
26
Maaiveldhoogte De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De gemiddelde maaiveldhoogte bedraagt ongeveer 16,7 m +NAP. De bodem in het plangebied bestaat uit veldpodzol- en gooreerdgronden, bestaande uit grof zand. 5.3.3 Toekomstige situatie en waterbergingsopgave Beschrijving plan Onderhavig planvoornemen behelst het gewijzigd voortzetten van een agrarische bedrijfsbestemming. Per locatie zal hieronder uiteengezet worden hoe omgegaan wordt met opvang van hemelwater. Op de locatie Ceresweg 15A blijft de aanwezige bedrijfswoning behouden. Ook blijft de reeds aanwezige akkerbouwloods behouden. Deze wordt met circa 30 meter verlengd. De akkerbouwloods krijgt daarmee een oppervlakte van circa 14 x 70 = 980 m2. De woning met garage heeft een oppervlakte van circa 180 m2. De totale oppervlakte aan bebouwing komt dan uit op circa 1.200 m 2. De erfverharding is/wordt aangelegd onder afschot. Het hemelwater dat valt op erfverharding loopt automatisch uit op omliggende in eigendom zijnde gronden en kan aldaar direct infiltreren. Op de locatie Ceresweg 17 blijft de aanwezige bedrijfswoning ook behouden. Alle overige bedrijfsgebouwen en bijbehorende voorzieningen worden gesloopt waarna vervangende nieuwbouw plaats zal vinden. De loods met paardenboxen zal circa 20 x 40 = 800 m 2 groot worden en de rijhal circa 35 x 55 = 1.925 m2.
De woning met garage heeft een oppervlakte van circa 150 m2. De totale oppervlakte aan bebouwing komt dan uit op circa 2.900 m2. De erfverharding is/wordt aangelegd onder afschot. Het hemelwater dat valt op erfverharding loopt automatisch uit op omliggende in eigendom zijnde gronden en kan aldaar direct infiltreren. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal voor beide locaties de exacte oppervlakte aan bebouwing aangegeven worden. Het kan namelijk zijn dat de afmetingen van de uiteindelijke nieuwbouw afwijken van de maten die hiervoor genoemd zijn. Op dat moment zal dan ook de exacte dimensionering van de infiltratievoorziening uitgewerkt worden. Ontwerp nieuw watersysteem Hemelwater Voor beide locaties zal hieronder uiteengezet worden hoe het nieuwe watersysteem eruit komt te zien. Ceresweg 15A Conform normen van het waterschap dient een bui van 100 mm opgevangen te kunnen worden. Daarmee dient de inhoud van de infiltratievoorziening voor de locatie minimaal 120 m 3 te bedragen. De infiltratievoorziening zal aangelegd worden in de vorm van een infiltratiesloot. De locatie en dimensionering daarvan is weergegeven in het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting. Initiatiefnemer zal zorg dragen voor voldoende opvangcapaciteit. In geen geval zal hemelwater afgewenteld worden op de omgeving.
Ceresweg 17 Conform normen van het waterschap dient een bui van 100 mm opgevangen te kunnen worden. Daarmee dient de inhoud van de infiltratievoorziening minimaal 290 m 3 te bedragen. De infiltratievoorziening zal aangelegd worden in de vorm van een infiltratiepoel. De locatie en dimensionering daarvan is weergegeven in het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in
Ontwerp
27
bijlage 1 van deze toelichting. Initiatiefnemer zal zorg dragen voor voldoende opvangcapaciteit. In geen geval zal hemelwater afgewenteld worden op de omgeving. Afvalwater De IBA’s van beide woningen blijven in de beoogde situatie het loospunt voor het huishoudelijk afvalwater. In de beoogde situatie zal per bedrijf, indien noodzakelijk, een nieuwe opvangput gerealiseerd worden voor het spoel- en afvalwater van de paarden(stallen). Dit spoel- en afvalwater zal in het uitrijdseizoen uitgereden worden over de eigen landbouwpercelen. Grondwater Met onderhavig planvoornemen worden in beginsel geen extra bebouwingsmogelijkheden gecreëerd doordat de oppervlakte van het bouwvlak per saldo gelijk blijft. Het hemelwater dat valt op de daken van de aanwezige bebouwing wordt zowel in de huidige situatie als ook in de beoogde situatie ter plaatse geïnfiltreerd. Daarmee zijn geen (significante) gevolgen voor het grondwater te verwachten. Waterkwaliteit en beheer Bij de nieuwbouw zal er verder rekening mee gehouden worden dat geen gebruik gemaakt wordt van uitlogende materialen. 5.3.4 Conclusie Voor het plan is vanuit waterhuishoudkundig oogpunt sprake van een aanvaardbare ontwikkeling.
5.4 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming. Ook op kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg blijkt dat ter plaatse geen sprake is van aanwezigheid van (ondergrondse) leidingen.
5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.5.1 Flora en fauna Onderhavig planvoornemen behelst het gewijzigd voortzetten van een agrarische bedrijfsbestemming, waarbij de 2 aanwezige bedrijfswoningen en een akkerbouwloods behouden blijven. Alle overige thans aanwezige bedrijfsgebouwen en bijbehorende voorzieningen worden daarbij gesloopt. De oppervlakte van het bouwvlak wordt beperkt van vorm veranderd, maar blijft per saldo wel gelijk. De gronden ter plaatse van het toe te voegen bouwvlak zijn nu in gebruik als tuin bij de woning en erf. De te slopen bedrijfsgebouwen bestaan in hoofdzaak uit rundveeopstallen en daarbij inpandig gerealiseerde opslagruimte. De te slopen voorzieningen betreffen overwegend erfverharding en
Ontwerp
28
sleufsilo’s. Door het intensieve gebruik van de bedrijfsgebouwen en voorzieningen valt het niet te verwachten dat zich ter plaatse beschermde flora en fauna bevinden. De rundveeopstallen zijn bovendien allemaal (sterk) natuurlijk geventileerd met open nok, open front en/of via openingen in de gevels. Daarmee vormen de bedrijfsgebouwen in beginsel geen geschikte verblijfsruimte voor beschermde diersoorten. De voorgenomen functiewijziging heeft dan ook geen nadelige gevolgen voor beschermde dier- en/of plantensoorten. Evengoed wordt geadviseerd om het slopen van de gebouwen en voorzieningen dusdanig uit te voeren dat eventuele aanwezige fauna kans heeft zich naar elders te verplaatsen. Dit kan door onder andere gefaseerd deuren en ramen, dakbedekking, stenen ommanteling en dergelijke weg te halen, alvorens alles te verwijderen. Initiatiefnemer zal dit advies in acht nemen. 5.5.2 Natura 2000 Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura 2000-gebied Maasduinen, ligt aan de zuidzijde van het plangebied op circa 300 meter afstand van het plangebied. Om de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten dalen, zijn en worden veel maatregelen getroffen. Eén van deze maatregelen is de ‘Regeling provinciale aankoop veehouderijen nabij natuurgebieden’. De met de Regeling beoogde stikstofreductie draagt bij aan het verlagen van de ‘stikstofdeken’ over Nederland.
Initiatiefnemer is deelnemer aan de Regeling en draagt op die manier dus bij aan het verlagen van de ‘stikstofdeken’ en het behalen van de stikstofreductiedoelen. Onderhavig bestemmingsplan borgt dat het uitgesloten is dat zich in de toekomst nog veehouderijactiviteiten op deze locatie kunnen plaatsvinden. Daarmee is dus per definitie geen sprake van nadelige effecten voor Natura 2000-gebieden. Als dat wel het geval was, is deelname aan de Regeling namelijk niet mogelijk. Het planvoornemen zal dus leiden tot een significante vermindering van stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Het planvoornemen is dan ook niet vergunningplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming.
5.6 Archeologie 5.6.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. De wet beoogt het culturele erfgoed (en vooral het archeologische erfgoed) te beschermen. Onder archeologisch erfgoed wordt verstaan: alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden. De uitgangspunten van deze wet zijn: ▪ Archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is. ▪ Vroeg in de ruimtelijke ordening al rekening houden met archeologie. Initiatiefnemers moeten bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond gaan verstoren. De invoering
Ontwerp
29
hiervan wordt geregeld via bestemmingsplannen, de mer-plichtige activiteiten en ontgrondingen. Bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is aangegeven dat gemeentes verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. Dit betekent dat de gemeente bevoegd gezag is. Als gevolg van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening toetst de provincie Limburg niet langer archeologische rapporten en programma's van eisen. De provincie beperkt zich tot zaken die van provinciaal belang zijn (waaronder de aanwijzing van archeologische attentiegebieden). De gemeente Bergen heeft op 13 november 2012 de ‘Nota Archeologiebeleid Bergen’ vastgesteld. Op basis van inventarisaties is een archeologisch en cultuurhistorisch verwachtingsmodel opgesteld.
Afbeelding 8. Uitsnede archeologische beleidskaart.
Op basis van de archeologische beleidskaart is het plangebied gelegen in categorie 5. Op basis daarvan geldt ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ voor het plangebied. Daarmee is geborgd dat eventuele archeologische waarden voldoende beschermd worden. In het voorgaande bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’ zoals vastgesteld op 12 november 2019 was deze archeologische verwachtingswaarde niet toegekend aan het plangebied. In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018, 1e herziening’ is de dubbelbestemming wel weer aangebracht. Het is onduidelijk waarom deze dubbelbestemming opnieuw aangebracht is. Op 11 september 2013 zijn boringen gedaan op de gronden van initiatiefnemer. Aanleiding daarvoor wat de mogelijkheid die het archeologiebeleid van de gemeente Bergen biedt aan grondeigenaren om aan te tonen dat de archeologische verwachting die volgens de archeologische beleidskaart op hun perce(e)l(en) rust niet meer van toepassing is vanwege bodemverstorende activiteiten die in het verleden hebben plaatsgevonden.
Ontwerp
30
Op basis van het onderzoek is toen geconcludeerd dat landschappelijk gezien er geen reden is om de archeologische verwachtingswaarde aan te nemen. Deze aanname is destijds onderbouwd door de boringen. Gezien de combinatie van de bij het booronderzoek geconstateerde lage landschappelijke ligging met bijbehorende natte bodemomstandigheden en de bodemverstoring kan de archeologische verwachting voor deze locatie dan ook naar beneden worden bijgesteld tot laag. Aan de hand van deze resultaten heeft de gemeente destijds teruggekoppeld dat bij een eventuele actualisatie van de archeologische beleidskaart deze informatie zou worden meegenomen en dat de locatie de gele kleur zou krijgen. De gele kleur staat voor categorie 6, met een bijbehorende lage verwachtingswaarde en zonder onderzoeksplicht. Aangezien in het verleden reeds is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden meer te verwachten zijn is in het huidige bestemmingsplan de archeologische dubbelbestemming weer van de verbeelding verwijderd zodat deze weer overeenkomt met het oorspronkelijke bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’. Daarmee is er voor wat betreft archeologie ook geen sprake meer van een onderzoeksplicht. Het aspect archeologie vormt dan ook geen beperking voor onderhavig planvoornemen. 5.6.2 Cultuurhistorie Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in Werking getreden.
Als gevolg van de MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.6.1, lid 2). Wat eerst alleen voor archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan en het daarbij behorende besluit is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Onderhavig planvoornemen behelst het gewijzigd voortzetten van een agrarische bedrijfsbestemming. De te slopen bebouwing en bijbehorende voorzieningen betreffen geen cultuurhistorische gebouwen. Daarmee gaan dan ook geen cultuurhistorische waarden verloren en is het plan niet in strijd met de opgave uit de beleidsnota erfgoed 2017-2025. Ook in de directe omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden gelegen die middels onderhavig planvoornemen onevenredig aangetast zouden kunnen worden. Het aspect cultuurhistorie vormt dan ook geen beperking voor onderhavig planvoornemen.
5.7 Verkeer en parkeren Het initiatief heeft geen verkeerskundige consequenties en zal naar verwachting enkel leiden tot een daling van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied door het beëindigen van de melkrundveehouderijactiviteiten. De bestaande woningen zijn goed bereikbaar vanaf en gelegen aan de Ceresweg. Voor beide locaties geldt dat op eigen terrein ruimschoots voldoende ruimte aanwezig is voor het parkeren van auto’s.
Ontwerp
31
5.8 Milieueffectrapportage 5.8.1 Algemeen Het besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een algemene maatregel van bestuur. Het Besluit m.e.r. is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Het besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D: A. Onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden; B. Onderdeel B is reeds vervallen; C. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is; D. Onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. beoordeling verplicht is. In onderdeel D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt; er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. In kolom 2 ‘gevallen’ staan drempelwaarden waar in kolom 1 benoemde activiteiten aan moeten voldoen. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D 14) is de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren opgenomen. Ten aanzien van paarden ligt de drempelwaarde bij 100 stuks.
Het voorgenomen initiatief ziet toe op het houden van 45 paarden en is daarmee niet rechtstreeks m.e.r-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit Lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het Besluit m.e.r. dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Om te bepalen of al dan niet een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld dient te worden kan men een aanmeldnotitie opstellen om vooraf een besluit te nemen over de noodzaak voor het opstellen en procedureel doorlopen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
In de aanmeldnotitie dient ten minste ingegaan te worden op de volgende selectiecriteria: 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van de potentiële gevolgen. Deze criteria zullen in de navolgende paragraaf beoordeeld worden.
Ontwerp
32
5.8.2 Beoordeling Kenmerken van het project Het aantal te houden dieren ten opzichte van de bestaande milieutoestemming (250 melk- en kalfkoeien, 216 stuks vrouwelijk jongvee en 5 paarden) neemt aanzienlijk af tot een totaal van 45 paarden K1.100. De omvang van het project ten aanzien van de bestaande situatie en de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. rechtvaardigen geen vormvrije m.e.r.-beoordeling. Plaats van het project Het plangebied is gelegen aan de Ceresweg te Bergen. De Ceresweg is gelegen in het buitengebied van Bergen in een overwegend sterk agrarisch gericht gebied. Het plangebied is niet gelegen in een Natura2000-gebied of een verbindingszone binnen het Nederlands Natuurnetwerk. De locatie is reeds al voor geruime tijd in gebruik en bebouwd ten behoeve van een agrarische bedrijfsvoering. De plaats van het project rechtvaardigt geen vormvrije m.e.r.-beoordeling. Kenmerken van de potentiële gevolgen Het project ziet toe op een afname ten opzichte van de bestaande milieutoestemming (250 melk- en kalfkoeien, 216 stuks vrouwelijk jongvee en 5 paarden) tot een totaal van 45 paarden K1.100. Te verwachten effecten hangen samen met veranderingen ten aanzien van zowel voor- als ook achtergrondbelasting van geur, fijnstof, stikstofdepositie op Natura2000 gebieden, verkeer/geluid, gezondheid en waterhuishouding.
Al deze aspecten zijn in hoofdstuk 5 van onderhavig bestemmingsplan behandeld. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering kunnen opleveren voor onderhavig initiatief. Conclusie De beoogde ontwikkeling op onderhavige locatie is niet m.e.r-beoordelingsplichtig.
Ontwerp
33
6. JURIDISCHE ASPECTEN Het bestemmingsplan “Ceresweg 15A-17” is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP2012 alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
6.1 Toelichting op de verbeelding De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemmingen voor de gronden gelden. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Voor de gronden kunnen meerdere tekens gelden, dit betreffen aanduidingen of dubbelbestemmingen. Als een aanduiding of dubbelbestemming is opgenomen zijn daarvoor in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, in dit geval uitsluitend voor de locatie Ceresweg 15A-17 te Bergen. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. Op de analoge verbeelding wordt door middel van een bouwvlak en aanduidingen specifieke informatie weergegeven. Het plangebied is volledig bestemd als ‘Agrarisch’ waarbij 2 bouwvlakken zijn getekend met daaromheen de functieaanduiding ‘erf’. Beide bouwvlakken, en de omliggende functieaanduiding ‘erf’, zijn zo vormgegeven dat alle beoogde gebouwen inclusief omliggende verhardingen en voorzieningen binnen het bouwvlak zijn gelegen. Daarnaast is ter plaatse van beide bouwvlakken de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – gebruiksgerichte paardenhouderij’ opgenomen waardoor het toegestaan is ter plaatse tevens een gebruiksgerichte paardenhouderij te exploiteren.
Tot slot geldt voor het gehele plangebied de gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone’.
6.2 Toelichting op de planregels De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels. De Inleidende regels (hoofdstuk 1) bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In de Begrippen (artikel 1) wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als gebruikte begrippen niet in deze lijst voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het dagelijks taalgebruik. In het artikel over de "Wijze van meten" (artikel 2) worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de doeleindenomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Indien er sprake zou kunnen zijn van conflicterende belangen, is er een nadere detaillering van de doeleinden opgenomen waarin wordt vermeld welke doeleinden prevaleren. Vervolgens wordt in de bebouwingsregeling aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige
Ontwerp
34
bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is in een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht. In de Algemene regels (hoofdstuk 3) zijn onder andere opgenomen de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, de algemene afwijkingsregels en de algemene wijzigingsregels. In de Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen.
Ontwerp
35
7. UITVOERBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid De uitvoering van de functiewijziging en de kosten verbonden aan de realisering van dit initiatief zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Het initiatief betreft een gebruikswijziging zonder dat er sprake is van kostenverhaal of andere grondexploitatieaspecten. Er zijn ook geen kosten voor de aanleg van een inrit of het aansluiten op de riolering. De wijzigingen hebben dan ook geen gevolgen voor de gemeentelijke financiën. Planschade is geregeld in een tussen de gemeente Bergen en initiatiefnemer afgesloten overeenkomst. Hiermee wordt geborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Bergen komt, maar voor rekening van de initiatiefnemer.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft een omgevingsdialoog met de direct omwonenden gevoerd. Het verslag daarvan is ter kennisgeving aangeleverd bij de gemeente Bergen, maar maakt vanwege privacy redenen geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. 7.2.2 Zienswijzenprocedure Het ontwerpbestemmingsplan heeft van … tot en met … voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan wel/geen zienswijzen ingediend.
Ontwerp
36
8. PROCEDURE De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de
Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Ontwerp
37
9. BIJLAGEN
Ontwerp
38
PLANREGELS Ceresweg 15A-17 Ontwerp
NL.IMRO.0983.BP202302BRANDEMO80-ON01
Document:
Planregels “Ceresweg 15A-17”
IDN:
NL.IMRO.0893.BP23016CE15ABUI-ON01
Status:
Ontwerp
Ontwerp
1
INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE ................................................................................................................................. 2 1. INLEIDENDE REGELS ....................................................................................................................... 3 Artikel 1 Begrippen ............................................................................................................................... 3 Artikel 2 Wijze van meten .................................................................................................................. 15 2. BESTEMMINGSREGELS ................................................................................................................. 16 Artikel 3 Agrarisch .............................................................................................................................. 16 3. ALGEMENE REGELS ...................................................................................................................... 24 Artikel 4 Anti-dubbeltelbepaling ......................................................................................................... 24 Artikel 5 Algemene bouwregels .........................................................................................................
25 Artikel 6 Algemene gebruiksregels .................................................................................................... 26 Artikel 7 Algemene aanduidingsregels .............................................................................................. 28 Artikel 8 Algemene afwijkingsregels .................................................................................................. 29 Artikel 9 Algemene wijzigingsregels .................................................................................................. 30 Artikel 10 Algemene procedureregels ................................................................................................ 31 4. OVERGANGS- EN SLOTREGELS .................................................................................................. 32 Artikel 11 Overgangsrecht ................................................................................................................. 32 Artikel 12 Slotregel ............................................................................................................................. 33
BIJLAGE Bijlage 1: Staat van bedrijfsactiviteiten Bijlage 2: Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 3: Geschiktheidskaart zonne- en windenergie Bergen
Ontwerp
2
1. INLEIDENDE REGELS
Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 Plan: Het bestemmingsplan ‘Ceresweg 15A-17’ met NL.IMRO.0893.BP23016CE15ABUI-ON01 van de gemeente Bergen.
identificatienummer
1.2 Bestemmingsplan: De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 Aanduiding: Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 Aanduidingsgrens: De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aangebouwd bijbehorend bouwwerk een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een gebouw, dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.6 aan-huis-verbonden bedrijf het door de bewoner van de (bedrijfs)woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.
1.7 aan-huis-verbonden-beroep een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. 1.8 afhankelijke woonruimte een (aangebouwd) bijbehorend bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding gehuisvest is. 1.9 agrarisch bedrijf een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.
Ontwerp
3
gemengd agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf met activiteiten die door de aard functioneel aan het buitengebied gebonden zijn, of waarvan de activiteiten zijn gericht op het buitengebied, zoals een agrarisch technisch hulpbedrijf, gebruiksgerichte paardenhouderij en recreatieve activiteit. 1.10 ammoniakemissie van een dierenverblijf de ammoniakemissie van een dierenverblijf bepaald op basis van diercategorieën en dieraantallen, huisvestingssystemen, additionele technieken, emissiereducerende technieken en voer- en managementmaatregelen. 1.11 ammoniakemissie van een bedrijfslocatie de som van de ammoniakemissie van alle bij één inrichting behorende dierenverblijven. 1.12 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden). 1.13 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.14 bebouwingspercentage een op de verbeelding of in de regels aangeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwvlak of bouwperceel aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd door gebouwen en overkappingen. 1.15 bed & breakfast het bieden van recreatief nachtverblijf, kortdurend, in de vorm van logies met ontbijt, in het hoofdgebouw of in één van de bestaande bijbehorende bouwwerken.
1.16 bedrijf: elke onderneming of gedeelte van een onderneming, welke een organisatorisch zelfstandige eenheid vormt en als zodanig gericht is op de productie of de afzet van goederen of de verlening van diensten; organisatorisch zelfstandige eenheden als hier bedoeld, welke door of vanwege de overheid worden geleid, worden voor de toepassing van deze regels eveneens als bedrijf aangemerkt. 1.17 bedrijfsgebouw een gebouw dat dient voor de uitoefening van een of meer bedrijfsactiviteiten; 1.18 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bedrijfsvoering, in overeenstemming met de bestemming, noodzakelijk is. 1.19 bestaand a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan of mag worden gebouwd op grond van een bouwvergunning of omgevingsvergunning; b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
Ontwerp
4
1.20 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.21 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.22 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.23 bijbehorende voorziening zaken ter ondersteuning van een adequate bedrijfsvoering, zoals een mestbe- en verwerkingsinstallatie voor het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf, luchtwassers, wasplaatsen, weg- en waterbouwkundige voorzieningen danwel energievoorzieningen. 1.24 bijzondere huisvesting huisvesting in een woning zonder dat sprake is van een regulier huishouden, zoals kamerverhuur, huisvesting van seizoensarbeiders en bijzondere woonvormen voor mensen met sociale, lichamelijke of geestelijke beperkingen waarvoor de woningen beschikken over speciale voorzieningen danwel waarbij de bewoners professionele ondersteuning kunnen krijgen om zelfstandig te kunnen wonen. 1.25 boerderijwinkel een winkel bij een agrarisch bedrijf, waar eigen geproduceerde agrarische producten worden verkocht.
1.26 boogkas een constructie van metaal of een ander materiaal met een hoogte van maximaal 4 m, dat met plastic of in gebruik daarmee overeenkomend materiaal is afgedekt ter vervroeging of verlenging van het teeltseizoen van tuinbouw- of fruitteeltproducten. Onder een boogkas wordt tevens een draagluchthal verstaan. 1.27 bos een grondoppervlakte waarvan bomen en houtachtige struiken de belangrijkste structuur uitmaken, waartoe een eigen flora en fauna behoort, en die verder als levensgemeenschap gekarakteriseerd wordt door bestendigheid, wederzijdse beïnvloeding en inwerking op de omgeving. 1.28 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.29 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.30 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke hoogte of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd en dat een oppervlakte beslaat van meer dan 50% van het grondvlak van het hoofdgebouw, met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder.
Ontwerp
5
1.31 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.32 bouwperceelsgrens een grens van een bouwperceel. 1.33 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.34 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.35 chalet een onderkomen met een lichte constructie welke niet vast op/in de grond gefundeerd is, in zijn geheel of enkele delen kan worden verplaatst en niet als stacaravan aangemerkt kan worden. 1.36 containervelden werk niet zijnde bouwwerk bestaande uit grond afgedekt met plastic, antiworteldoek en/of beton, eventueel in combinatie met andere materialen, ten behoeve van de teelt van gewassen. De gewassen worden op deze afdeklaag los van de ondergrond geteeld in potten.
1.37 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk en/of gebied of beplanting toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van gronden en gebouwen, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het wegenpatronen of de architectuur; onder cultuurhistorische waarden worden mede verstaan: a. de stedenbouwkundige waarden of waarden van de gebouwde (of: bebouwde) omgeving; b. de landschapswaarden, natuurlijke waarden, aardkundige waarden of historisch-geografische waarden. 1.38 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren aan personen, die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.39 dierenverblijf gebouw of overkapping waarbinnen of waaronder landbouwhuisdieren worden gehouden, inclusief daartoe behorende voorzieningen zoals luchtwassers. 1.40 energieopwekking voor eigen gebruik Het opwekken van duurzame energie teneinde (geheel of gedeeltelijk) te kunnen voorzien in het energieverbruik van de ter plaatse toegelaten gebruiksactiviteiten van het ter plaatste gevestigde huishouden c.q. bedrijf.
Ontwerp
6
1.41 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt. 1.42 erf- en terreinafscheiding met een open constructie (niet zijnde gaasnet hekwerk) een erf- of terreinafscheiding met een constructie die voor ten minste 80% open is, zoals palen met draad en hekwerken met planken waarbij voldoende ruimte tussen de planken vrij blijft. 1.43 extensief recreatief medegebruik recreatie met weinig dynamiek die nauwelijks druk uitoefent op de omgeving, zoals wandelen, vissen en fietsen, met de daarbij behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, bankjes, of een loopbrug. 1.44 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.45 gebruiksgerichte paardenhouderij het houden van paarden en pony´s ten behoeve van het gebruiken van deze dieren, zoals ten behoeve van pensionstallen, verhuurbedrijven, rijscholen en maneges. 1.46 geluidsgevoelig object gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit Geluidhinder.
1.47 gemeenschappelijke voorzieningen voorzieningen ten dienste van en ondergeschikt aan de verblijfsrecreatieve functie, zoals een ontvangstruimte, ruimte voor vermaak, sport- en speelvoorzieningen en/of sanitaire voorzieningen. 1.48 groenvoorziening ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen, bermen, erfbeplantingen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren. 1.49 herbouw het oprichten van bebouwing op een bouwperceel waar op het moment van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan bebouwing van dezelfde bestemming als de op te richten bebouwing aanwezig was. 1.50 hobbymatig houden van dieren het niet bedrijfsmatig houden van dieren in een vorm die niet is gericht op productie en dus ook niet op economisch gewin, maar die plaatsvindt voor educatieve of recreatieve doeleinden of uit liefhebberij. 1.51 hoofdgebouw een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
Ontwerp
7
1.52 horecabedrijf een bedrijf of paracommerciële instelling waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt. Bij horecabedrijven wordt gebruik gemaakt van een categorie indeling. Categorie 1 is de lichtste categorie (verstrekken kleine etenswaren), categorie 5 is de zwaarste categorie (hotel). De categorieënindeling ziet er als volgt uit: categorie 1: horeca activiteiten, die qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen of verbreding van agrarische bedrijfsvoering en waar naast overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren en alleen alcoholvrije drank worden verstrekt. categorie 2: een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden. Daaronder worden begrepen: cafetaria/snackbar, fastfood en broodjeszaken, lunchroom, konditorei, ijssalon/ijswinkel koffie en/of theeschenkerij, afhaalcentrum en eetwinkels. In hoofdzaak wordt hier alcoholvrije drank verstrekt. categorie 3: een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden, alsmede (in sommige gevallen) de gelegenheid biedt tot dansen.
Daaronder worden begrepen: café, bar, grand-café, eetcafé, danscafé, pubs, juice- en healthbar en restaurant. categorie 4: een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het bieden van vermaak en ontspanning (niet zijnde een recreatieve voorziening) en/of het geven van gelegenheid tot dansbeoefening, al dan niet met levende muziek en al dan niet met de verstrekking van dranken en andere kleine etenswaren. Daaronder worden begrepen: discotheek / dancing, nachtcafé en een zalencentrum (met nachtvergunning). categorie 5: een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, al dan niet in combinatie met een restaurant. Daaronder worden begrepen: hotel, motel, pension en overige logiesvertrekken. 1.53 houtsingel cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol lijnvormig landschapselement bestaande uit inheemse boom- en struikbeplanting, waarvan bomen het hoofdbestanddeel vormen, al dan niet dienende ter eigendomsmarkering en/of perceelsscheiding. 1.54 houtwal cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol lijnvormig landschapselement bestaande uit een wallichaam van enkele meters breed voorzien van een inheemse boom- en struikbeplanting, waarvan bomen het hoofdbestanddeel vormen, al dan niet dienende ter eigendomsmarkering en/of perceelsscheiding.
1.55 huishouden persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen.
Ontwerp
8
1.56 hydrologisch neutrale ontwikkeling ontwikkeling waarbij maatregelen worden getroffen zodat deze geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding ten opzichte van de uitgangssituatie. Dit betekent in ieder geval dat in de nieuwe situatie geen hemelwater wordt afgevoerd, maar dat dit lokaal wordt geïnfiltreerd en/of gebruikt. 1.57 inrichting inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid van de Wet milieubeheer. 1.58 inpassingsplan een plan, bestaande uit één of meer kaartbeelden, indien nodig vergezeld van een toelichtende tekst, waarin de landschappelijke inpassing en, voor zover vereist, de ruimtelijke kwaliteitsverbetering zijn vastgelegd in relatie tot de nieuwe bouw- en/of gebruiksmogelijkheden. 1.59 kampeermiddel een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, een chalet of een trekkershut, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.60 kampeerterrein een terrein met daarbij behorende voorzieningen, ter beschikking gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf of voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen.
1.61 kas een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal en dienend tot kweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, bloemen, groenten, planten of bomen evenals in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegen milieubelastende stoffen. Schuurkassen en boogkassen hoger dan 4 m worden beschouwd als een kas. 1.62 kwaliteitscommissie De commissie (of diens opvolger) belast met de advisering van het bevoegd gezag over de landschappelijke inpassing van (bouw-)activiteiten en compensatie- maatregelen. Een en ander zoals vastgelegd in de Bouwverordening. 1.63 laanbeplanting een eenzijdige, tweezijdige en soms dubbele rijbeplanting van opgaande bomen langs een weg; bijna altijd uniform qua soort en leeftijd. 1.64 landbouwhuisdieren dieren die worden gehouden voor productiedoeleinden, bijvoorbeeld voor de productie van melk, vlees, wol, veren of eieren, of die worden gehouden in verband met het berijden ervan, en waarvoor in de Regeling ammoniak en veehouderij emissiefactoren zijn vastgesteld. 1.65 landschappelijke waarde de aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.
De volgende (landschaps)elementen maken hier in elk gevel deel van uit: houtsingels, houtwallen, laanbeplantingen, oude akkers en monumentale, beeldbepalende bomen.
Ontwerp
9
1.66 landschappelijke inpassing inpassing in het omringende landschap door bij de situering van bebouwing in te spelen op de landschappelijke kenmerken en/of door het gebruik van beplanting die past bij het landschapstype ter plaatse, om de bebouwing minder nadrukkelijk in het landschap te plaatsen. 1.67 mestsilo een bouwwerk dat is bestemd voor de opslag van dunne dierlijke meststoffen. 1.68 milieucategorie een aan een bedrijfsactiviteit toegekende categorie volgens de in de bijlage 1 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten. 1.69 milieuhygiënische uitvoerbaarheid overkoepelend begrip voor milieuaspecten zoals bodem, geluid, geurhinder, luchtkwaliteit en externe veiligheid aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden, zodat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse is geborgd. 1.70 natuurlijke waarden waarden in verband met de aanwezigheid van of potentiële mogelijkheden voor bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid, zeldzaamheid, natuurlijkheid, ongestoordheid en kenmerkend voor het gebied.
1.71 opslag het bewaren van goederen, waaronder agrarische producten, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel. 1.72 onderbouw een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 m boven straatpeil is gelegen. 1.73 ondergeschikte horeca horeca die als activiteit naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt is aan de volgens het bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie. 1.74 ondergronds bouwwerk een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 meter beneden peil. 1.75 ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die onder peil plaatsvinden. 1.76 onderkomens voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, chalets, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf.
Ontwerp
10
1.77 oude akkers agrarische gronden, tenminste sedert de middeleeuwen in gebruik als akker, zowel in combinatie als grote velden of als kleinere kampen; altijd gelegen op de drogere en van nature meest voedselrijke grond. 1.78 overkapping een overig bouwwerk omsloten door maximaal drie wanden waarvan maximaal één eigen wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport. 1.79 overig bouwwerk een bouwkundige constructie van enig omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.80 paardenbak een onoverdekt terrein, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen, al dan niet voorzien van een omheining, bedoeld voor het berijden, africhten en laten bewegen van paarden. 1.81 pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.82 paracommerciële instelling niet-commerciëeel ‘rechtspersoon’ zoals stichtingen of verenigingen die zich in de eerste plaats richten op het stimuleren van activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard. Horeca-activiteiten behoren dus niet tot hoofdactiviteiten. 1.83 peil a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de kruinstrook van die weg; b.
voor bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'peil': de hoogte ten opzichte van Normaal Amsterdams Peil (NAP) zoals aangegeven door middel van de aanduiding 'peil'; c. in andere gevallen en voor overige bouwwerken: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld; d. voor stacaravans: de bovenzijde beganegrondvloer. 1.84 permanente bewoning bewoning van een ruimte als hoofdverblijf. 1.85 pension een horecabedrijf dat geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, al dan niet in combinatie met een restaurant. 1.86 plattelandswinkel winkel waarin verkoop plaatsvindt van agrarische producten die ter plekke of in de directe omgeving van de plattelandswinkel vervaardigd of bewerkt worden. 1.87 plattelandswoning een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die door een derde bewoond mag worden en die niet wordt beschermd tegen de milieugevolgen van het (voorheen) bijbehorend agrarisch bedrijf; e.e.a. zoals bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo.
Ontwerp
11
1.88 reëel agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf dat nu of op redelijke termijn voldoende werk en inkomen kan opleveren voor één volwaardige arbeidskracht die in duurzaam hoofdberoep aan het bedrijf is verbonden. 1.89 ruimtelijke kwaliteitsverbetering verbetering van de kwaliteit van het buitengebied als tegenprestatie voor een ruimtelijke ontwikkeling, die verder gaat dan een landschappelijke inpassing van die ruimtelijke ontwikkeling, door het treffen van fysieke maatregelen die de stedenbouwkundige, landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en/of recreatieve waarden van het buitengebied versterken, waaronder de aanleg van natuur, de aanleg of het herstel van landschapselementen, de renovatie van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, de sloop van bebouwing en het verwijderen van verharding. 1.90 schuilgelegenheid een overdekte ruimte die aan maximaal drie zijden is omsloten door wanden, waarvan dieren gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang, met als doel bescherming tegen extreme weersomstandigheden in zowel zomer als winter uit oogpunt van dierenwelzijn. 1.91 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.92 stacaravan een zelfstandig verrijdbaar bouwwerk, bestaande uit een lichte constructie en uit lichte materialen met wielas, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf, die gedurende meerdere jaren op een kampeerterrein op dezelfde plaats blijft staan en als kampeermiddel valt aan te merken. 1.93 standplaats onder een standplaats wordt verstaan: vaste standplaats: een plaats die op een vaste dag in de week, vaste dagen in de week, of de gehele week zijn aangewezen voor het innemen gedurende het hele jaar. De frequentie van het aantal dagen in de week is ondergeschikt, maar kent wel een minimum van één volledige dag. incidentele standplaats: een plaats op een locatie die voor een vooraf bepaalde duur van maximaal 28 dagen per kalenderjaar op één of meerdere dagen, maximaal 6 aaneengesloten, in de week wordt ingenomen. 1.94 stedenbouwkundig beeld het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte.
Ontwerp
12
1.95 stedenbouwkundige waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met stedenbouwkundige elementen, zoals situering en infrastructuur, alsmede de ligging van bouwwerken in dat gebied (tot uitdrukking komend in de bouwmassa, hoogtematen, dakvorm en gevelopbouw). 1.96 teeltondersteunende voorzieningen voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen. Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeiteelttafels, afdekfolies, antiworteldoek, boomteelthekken, containervelden, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kas, schaduwhallen en vraatnetten. Onder teeltondersteunende voorzieningen worden geen kassen verstaan. 1.97 terras (horeca categorie 1) een ruimte in de open lucht, behorende bij de hoofdbestemming, waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding kleinere etenswaren en alcoholvrije drank wordt verstrekt. 1.98 terras (horeca categorie 2, 3 en 5) een buiten de besloten ruimte van een inrichting liggend deel van een horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.
1.99 tijdelijke teeltondersteunende voorziening teeltondersteunende voorzieningen welke zo lang als de teelt dit vereist aanwezig zijn, met een maximum van zes maanden per jaar. 1.100 trekkershut een houten blokhut die periodiek dient als recreatief nachtverblijf voor recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben. 1.101 tuin niet bebouwde grond, die is ingericht met planten zoals gras, bloemen, struiken en bomen en waarvan de volgende voorzieningen deel kunnen uitmaken: paden, verhardingen, vijvers, sloten en parkeervoorzieningen. 1.102 veehouderij een inrichting waarin de primaire productie van landbouwproducten plaatsvindt door het houden van landbouwhuisdieren. 1.103 verblijfsrecreatie recreatief verblijf, waarbij overnacht wordt in kampeermiddelen, recreatie- woningen en/of recreatieverblijven, door personen die elders hun hoofdverblijf hebben. 1.104 voorgevel a. de naar de weg gekeerde, en op de weg georiënteerde zijde van een gebouw; b. indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel: de naar de weg gekeerde gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. c. met dien verstande dat in afwijking van het voorgaande onder a en b, de gevel ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn', de betreffende gevel als voorgevel wordt aangemerkt.