Bijlage 1 - Ontwerp BP Ceresweg 15A-17 - Toelichting - regels - verbeelding
Tekst van het document
Ontwerp
13
1.105 voorgevelrooilijn de denkbeeldige lijn die getrokken kan worden langs de voorgevel van het hoofdgebouw. 1.106 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, en inlaten. 1.107 wonen het bewonen van een woning door niet meer dan één afzonderlijk huishouden 1.108 woning een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. 1.109 woonunit een geprefabriceerd, demontabel en/of relatief eenvoudig te verwijderen gebouw, bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht (met de basisvoorzieningen) ten dienste van woonverblijf. 1.110 woonwagen een voor bewoning bestemd gebouw, dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.
Ontwerp
14
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand tot de zijdelingse bouw perceelgrens tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is. 2.2 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 bouwhoogte van een windmolen • horizontale as-turbine: de som van de mastlengte (=ashoogte) en de ‘straal’ (=diameter x 0,5) van de rotor. • verticale as-turbine: de som van de mastlengte (=ashoogte) en de rotorhoogte. Ashoogte: de hoogte gemeten vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein. 2.4 dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.5 goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.6 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.7 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren). 2.8 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend. 2.9 oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.10 ondergeschikte bouwdelen bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, regenpijpen, stoeptreden, luifels, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 0,5 m bedraagt.
Ontwerp
15
2. BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 Algemeen De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. reële agrarische bedrijven met bijbehorende voorzieningen, waarbij geldt dat: 1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – gebruiksgerichte paardenhouderij' een gebruiksgerichte paardenhouderij is toegestaan; b. agrarisch grondgebruik; c. beweiden van grasland; d. een boerderijwinkel tot een oppervlak van maximaal 30 m2; e. bedrijfswoningen met bijbehorend erf en tuin; f. aan-huis-verbonden beroepen met de daarbij behorende voorzieningen; g. aan-huis-verbonden bedrijven uit milieucategorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, met de daarbij behorende voorzieningen; h. ondergeschikte horeca uit categorie 1 tot een oppervlak van maximaal 30 m², alsmede een terras tot een oppervlak van maximaal 30 m2; i. landschappelijke inpassing en instandhouding voor zover sprake is van een van de locaties zoals genoemd in artikel 6.2 en overeenkomstig de/het in dat artikel genoemde inpassingsplan(nen); j. extensief (dag)recreatief medegebruik; k. groenvoorzieningen en water; l. paden en wegen; m.
waterhuishoudkundige voorzieningen; 3.1.2 Erf Ter plaatse van de aanduiding 'erf' zijn de in lid 3.1.1 bedoelde gronden tevens bestemd voor bedrijfsactiviteiten van de (agrarische) bedrijven en nevenactiviteiten die zijn toegelaten binnen het bouwvlak waaraan de aanduiding 'erf' grenst, waaronder in ieder geval wordt verstaan opslag ten dienste van die bedrijven en nevenactiviteiten. 3.2 Bouwregels Ten aanzien van de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. 3.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen ten dienste van agrarische bedrijven gelden de volgende regels: a. gebouwen en overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; b. de voorgevels van gebouwen moeten in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd; c. de goothoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 6,5 m; d. de bouwhoogte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 13 m; e. gebouwen moeten worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15;
Ontwerp
16
3.2.2 Bedrijfswoning Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a. per bouwvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan; b. een bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; c. de voorgevel van de bedrijfswoning moet in of evenwijdig aan de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd; d. in geval van herbouw dient het aantal woningen gelijk te blijven en dient de bedrijfswoning op de bestaande locatie terug gebouwd te worden. e. de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 6,5 m; f. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 10 m; g. een bedrijfswoning moet worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15; h. de inhoud van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 800 m3, tenzij de inhoud van de bestaande bedrijfswoning reeds groter is in welk geval de bestaande inhoud als maximum geldt; i. in afwijking van het bepaalde onder j geldt de inhoudslimiet van 800 m3 niet voor langgevelboerderijen en voor cultuurhistorisch en/ of architectonisch waardevolle bebouwing die qua bouwmassa één geheel vormt met het hoofdgebouw, met dien verstande dat deze bedrijfsruimten bij de woning mogen worden getrokken, waarbij het aantal woningen gelijk dient te blijven.
3.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels: a. de oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen, mag niet meer bedragen dan 125 m2; b. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag, aanvullend op de oppervlakte zoals bepaald onder a, niet meer bedragen dan 30 m2; c. bijbehorende bouwwerken mogen niet voor de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning worden opgericht; d. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m; e. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m; f. bijbehorende bouwwerken, niet zijnde overkappingen, moeten worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15. 3.2.4 Veldschuren etc. Voor het bouwen van veldschuren, melkstallen, veegeleidingen en schuilgelegenheden ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering buiten het bouwvlak gelden de volgende regels: a. de oppervlakte van de bouwwerken mag niet meer bedragen dan 50 m2 per agrarisch bedrijf; b. de afstand van de bouwwerken tot de gronden met de bestemming 'Verkeer' dient ten minste 25 m te bedragen in geval van provinciale wegen; c. de goothoogte van de bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m; d. de bouwhoogte van de bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m; e.
de bouwwerken worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15. 3.2.5 Silo's en platen a. Voor het bouwen van silo's en platen gelden de volgende regels: 1. mestsilo's, voersilo's, sleufsilo's en watersilo's, alsmede mest- en voerplaten zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; 2. de goothoogte van een mestsilo mag niet meer bedragen dan 5 m; 3. de doorsnee van een mestsilo mag niet meer bedragen dan 27 m; 4. de bouwhoogte van een voedersilo mag niet meer bedragen dan 12 m; 5. de bouwhoogte van een sleufsilo mag niet meer bedragen dan 4 m.
Ontwerp
17
b. In afwijking van het vorenstaande zijn bestaande (mengvoer- maar ook overige) silo's en andere bouwwerken, niet zijnde teeltondersteunende voorzieningen, toegestaan indien die legaal zijn gerealiseerd. 3.2.6 Overige bouwwerken Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels: a. bouwwerken ten behoeve van de bewerking en/of verwerking van mest afkomstig van derden is niet toegestaan; b. teeltondersteunende voorzieningen en overkappingen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; c. binnen het bouwvlak en de aanduiding 'erf' mag de bouwhoogte van erfafscheidingen: 1. voor de voorgevelrooilijn niet meer bedragen dan 1 m; 2. achter de voorgevelrooilijn niet meer bedragen dan 2 m; d. buiten het bouwvlak en de aanduiding 'erf' mogen erfafscheidingen of hekwerken worden opgericht waarbij geldt dat: 1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,5 m; 2. de erfafscheidingen of hekwerken dienen te bestaan uit een open constructie. e. de bouwhoogte van andere overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 m. 3.3 Nadere eisen aan omgevingsvergunning Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. tegenprestaties gericht op verbetering van de gebiedskwaliteit; b. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing; c. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen; d.
voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing; e. de aard, situering en oppervlakte van verhardingen. 3.4 Afwijken van de bouwregels 3.4.1 Aanduiding 'erf' Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de aanduiding 'erf' bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2 ten behoeve van het bouwen van bedrijfsgebouwen, silo's en platen en overige bouwwerken buiten het bouwvlak, onder de voorwaarden dat: a. de situering van de bedrijfsgebouwen, silo's en platen en overige bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'erf' noodzakelijk is voor een doelmatige inrichting van het perceel ten behoeve van de bedrijfsvoering; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied; c. sprake is van een goede landschappelijke inpassing; d. geen dierenverblijven worden gebouwd, uitgezonderd uitbreidingen van bestaande dierenverblijven, voor zover die niet worden gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren maar voor daartoe behorende voorzieningen zoals luchtwassers. e. de bouwregels zoals genoemd in lid 3.2 voor het overige van toepassing zijn; f.
sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling; 3.5 Specifieke gebruiksregels 3.5.1 Teeltondersteunende voorzieningen Teeltondersteunende voorzieningen die geen bouwwerken zijn, zijn binnen en buiten het bouwvlak toegestaan.
Ontwerp
18
3.5.2 Paardenbakken Paardenbakken zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. 3.5.3 Veehouderijen a. Het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven als zijnde een veehouderij ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – veehouderij’ is uitgesloten met uitzondering van: 1. Het houden van paarden binnen een gebruiksgerichte paardenhouderij; 2. Het hobbymatig houden van dieren; b. De ammoniakemissie afkomstig van het houden van dieren, voor zover toegestaan op basis van het bepaalde onder a, mag niet hoger zijn dan de ammoniakemissie zoals bepaald in onderstaande tabel voor de betreffende bedrijfslocatie met vermelde diercategorieën en dieraantallen. RAVAantal NH3 Totaal Bedrijfslocatie Omschrijving code dieren emissie/dier kg NH3 Volwassen paarden 3 jaar en Ceresweg 15A K1.100 20 5,0 100,0 ouder Volwassen paarden 3 jaar en Ceresweg 17 K1.100 25 5,0 125,0 ouder 3.5.4 Aan-huis-verbonden-bedrijf De oppervlakte van aan-huis-verbonden bedrijven mag niet meer bedragen dan 60 m2 en dient qua aard en uitstraling ondergeschikt te zijn aan het agrarische bedrijf.
3.6 Afwijken van de gebruiksregels 3.6.1 Woonunits Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het plaatsen van woonunits ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van buitenlandse werknemers binnen het bouwvlak onder de voorwaarden dat: a. er geen omgevingsvergunning voor het afwijken is verleend ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van buitenlandse werknemers in bestaande agrarische bebouwing zoals bedoeld in lid 3.6.2, tenzij is aangetoond dat de huisvesting van buitenlandse werknemers in woonunits tevens noodzakelijk is, waarbij dit medegebruik gedurende maximaal zes maanden is toegestaan; b. aangetoond wordt dat gebruik van bestaande agrarische bebouwing voor de tijdelijke huisvesting van buitenlandse werknemers niet mogelijk is; c. natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en belangen en het omliggende woon- en leefmilieu niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind; d. alleen woonunits geplaatst mogen worden en kampeermiddelen niet zijn toegestaan; e. de totale oppervlakte van de woonunits tezamen per agrarisch bedrijf maximaal 120 m2 bedraagt (inclusief sanitaire voorzieningen); f. het aantal te huisvesten werknemers maximaal 20 bedraagt; g. het aantal woonunits maximaal 5 bedraagt; h.
de onderlinge afstand tussen de woonunits minimaal 5 m bedraagt; i. de woonunits dienen binnen het bouwvlak geplaatst te worden; j. er alleen werknemers worden gehuisvest die bij het betreffende bedrijf werkzaam zijn; k. er zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing; l. parkeren op eigen terrein plaatsvindt.
Ontwerp
19
3.6.2 Tijdelijke huisvesting bestaande bebouwing Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het gebruik van bestaande agrarische bebouwing voor de tijdelijke huisvesting van buitenlandse werknemers, onder de voorwaarden dat: a. er geen omgevingsvergunning voor het afwijken is verleend ten behoeve van het plaatsen van woonunits ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van buitenlandse werknemers zoals bedoeld in lid 3.6.1, tenzij is aangetoond dat het gebruik van bestaande agrarische bebouwing voor de tijdelijke huisvesting van buitenlandse werknemers tevens noodzakelijk is, waarbij dit medegebruik gedurende maximaal zes maanden is toegestaan; b. natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en belangen en het omliggende woon- en leefmilieu niet onevenredig worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van bedoelde waarden niet wezenlijk worden verkleind; c. aangetoond moet worden dat de huisvesting noodzakelijk is ten behoeve van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; d. het aantal te huisvesten werknemers maximaal 20 bedraagt; e. er alleen werknemers worden gehuisvest die bij het betreffende bedrijf werkzaam zijn; f. parkeren op eigen terrein plaatsvindt.
3.6.3 Aan-huis-verbonden bedrijf en nevenactiviteiten Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1: a. ten behoeve van de uitoefening van aan-huis-verbonden bedrijven uit milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, dan wel een bedrijf dat gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is aan deze bedrijfsactiviteiten; b. ten behoeve van het uitoefenen van ondergeschikte nevenactiviteiten naast de agrarische bedrijfsfunctie, in de zin van een bed & breakfast of een plattelandswinkel; met dien verstande dat: 1. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van de gronden niet onevenredig worden aangetast; 2. een en ander uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is; 3. er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn; 4. het een nevenactiviteit betreft bij een functionerend agrarisch bedrijf; 5. geen beperking ontstaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen bedrijven en woningen; 6. de bedrijfsoppervlakte die voor alle nevenactiviteiten tezamen wordt benut, maximaal 30% van het totale bedrijfsoppervlak van de bedrijfsgebouwen bedraagt; 7. er geen sprake is van een grote verkeersaantrekkende werking; 8. er zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing; 9. parkeren op eigen terrein plaatsvindt; 10.
geen buitenopslag en/of buitenstalling plaatsvindt; 11. voor bed & breakfast daarnaast de volgende voorwaarden gelden: ▪ er is geen sprake van zelfstandige ruimten/units met eigen keukenblok; ▪ er is een gemeenschappelijke ruimte beschikbaar voor het nuttigen van het ontbijt; ▪ degene die gebruik maakt van de hoofdbestemming, is ook degene die de bed & breakfast exploiteert; ▪ het aantal kamers bedraagt maximaal 3 en het aantal bedden binnen de voorziening bedraagt maximaal 6; ▪ de maximale oppervlakte van een kamer bedraagt 50 m2 ; ▪ de bed & breakfast mag worden opgericht in het hoofdgebouw of een bestaand bijbehorend bouwwerk. 12. de verkoopvloeroppervlakte van een plattelandswinkel niet meer mag bedragen dan 200 m2.
Ontwerp
20
3.6.4 Plattelandswoning Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het gebruik van de bestaande agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning, met dien verstande dat: a. het agrarisch bedrijf waartoe de woning behoorde, wordt voortgezet; b. aangetoond dient te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de woning. 3.6.5 Ondergeschikte horeca Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1.1 onder h ten behoeve van het vergroten van de oppervlakte voor ondergeschikte horeca uit categorie 1 of voor het toestaan van ondergeschikte horeca uit categorie 2, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het gebruik moet aanvaardbaar zijn vanuit stedenbouwkundig, landschappelijk, natuurlijk, milieuhygiënisch en cultuurhistorisch perspectief; b. er mag geen beperking ontstaan voor de ontwikkelingsmogelijkheden van nabij gelegen bedrijven en woningen; c. degene die gebruik maakt van de hoofdbestemming, is ook degene die de horeca uitoefent; d. er is geen sprake van een grote verkeersaantrekkende werking; e. parkeren vindt plaats op eigen terrein; f. de bedrijfsoppervlakte die voor horeca wordt benut, bedraagt maximaal 30% van het totale oppervlak aan gebouwen, tot een maximum van 50 m2; g.
het gebruik van de grond (anders dan voor bebouwing) ten behoeve van horeca bedraagt maximaal 30% van het totale oppervlak van het perceel, tot een maximum van 50 m2. 3.6.6 Bijzondere huisvesting Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van het gebruik van het hoofdgebouw, zijnde de bedrijfswoning, voor bijzondere huisvesting, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het aantal te huisvesten werknemers maximaal 10 bedraagt; b. parkeren op eigen terrein plaatsvindt. 3.7 Wijzigingsbevoegdheid 3.7.1 Bedrijf, Horeca of Recreatie Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'erf' wijzigen in de bestemming 'Bedrijf', 'Horeca' of 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' onder de voorwaarden dat: a. bij wijziging in de bestemming ‘Bedrijf' het bedrijfsactiviteiten betreft uit milieucategorie 1 of 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, dan wel een bedrijf dat gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is aan bedrijfsactiviteiten uit categorie 1 of 2; b.
bij wijziging in de bestemming ‘Horeca' het een restaurant of café betreft, niet zijnde een feestzaal, amusementshal, bingozaal, discotheek, dancing, erotisch getinte horeca of een vergelijkbaar bedrijf of instelling, waarbij geen overlast voor de omgeving wordt of kan worden veroorzaakt. Horeca-activiteiten dienen te worden gesitueerd in de hoofdbebouwing; c. de wijziging aanvaardbaar is vanuit stedenbouwkundig, landschappelijk, natuurlijk en cultuurhistorisch oogpunt; d. sprake is van een goede landschappelijke inpassing en van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering waarvoor geldt dat: 1. ten behoeve van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitsverbetering een inrichtingsplan wordt opgesteld waarmee burgemeester en wethouders instemmen;
Ontwerp
21
2. burgemeester en wethouders ten behoeve van de beoordeling van het inrichtingsplan advies kunnen inwinnen bij de Kwaliteitscommissie; e. de wijziging aanvaardbaar is vanuit milieuhygiënisch oogpunt; f. de wijziging niet leidt tot extra belemmeringen voor omliggende (agrarische) bedrijven; g. geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking; h. het parkeren op eigen terrein plaatsvindt; i. sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. 3.7.2 Wonen Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'erf' wijzigen in de bestemming 'Wonen', onder de voorwaarden dat: a. het aantal woningen niet toeneemt; b. voor iedere woning in het wijzigingsplan een afzonderlijk bestemmingsvlak wordt opgenomen; c. de wijziging aanvaardbaar is vanuit stedenbouwkundig, landschappelijk, natuurlijk en cultuurhistorisch oogpunt; d. sprake is van een goede landschappelijke inpassing en van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering waarvoor geldt dat: 1. ten behoeve van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitsverbetering een inrichtingsplan wordt opgesteld waarmee burgemeester en wethouders instemmen; 2. burgemeester en wethouders ten behoeve van de beoordeling van het inrichtingsplan advies kunnen inwinnen bij de Kwaliteitscommissie; e.
een bestemmingsvlak met de bestemming 'Wonen' voor ten hoogste 20% mag worden bebouwd met de woning en bijbehorende bouwwerken, tot een absoluut maximum van 1.000 m2, en met inachtneming van de volgende bepalingen: 1. voor een woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, geldt dat, ook als het percentage van 20% wordt overschreden, een inhoud van maximaal 800 m3 is toegestaan; 2. binnen het bestemmingsvlak is, ook als het percentage van 20% wordt overschreden, een oppervlakte van maximaal 400 m2 aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken toegestaan; 3. indien de bestaande bedrijfswoning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, een grotere inhoud heeft dan 800 m3, geldt deze inhoud in afwijking van het bepaalde onder 1 als de inhoud die maximaal is toegestaan; f. de wijziging aanvaardbaar is vanuit milieuhygiënisch oogpunt; g. de wijziging niet leidt tot extra belemmeringen voor omliggende (agrarische) bedrijven; h. sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. 3.7.3 Tuin Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming 'Agrarisch' binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'erf' wijzigen in de bestemming 'Tuin', onder de voorwaarden dat: a. er geen nieuwe bouwwerken worden opgericht; b. de wijziging aanvaardbaar is vanuit stedenbouwkundig, landschappelijk, natuurlijk en cultuurhistorisch oogpunt; c.
de wijziging aanvaardbaar is vanuit milieuhygiënisch oogpunt; d. de wijziging niet leidt tot extra belemmeringen voor omliggende (agrarische) bedrijven. 3.7.4 Vergroting of vormverandering bouwvlak Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen teneinde het bouwvlak uit te breiden of de vorm van het bouwvlak te veranderen, onder de voorwaarden dat: a. uitbreiding van een bouwvlak van een veehouderij niet is toegestaan; b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen ten aanzien van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
Ontwerp
22
c. d. e. f. g.
h.
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het gebied waarbinnen het bouwvlak wordt gesitueerd; de wijziging vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is; aangetoond wordt dat de vergroting noodzakelijk is voor de continuïteit of ontwikkeling van het agrarisch bedrijf; er zorggedragen wordt voor een goede landschappelijke inpassing; conform de LKM-uitwerking in de Structuurvisie + sprake is van: 1. een positieve ruimtelijke afweging en de levering van een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit middels inpassing en kwaliteitsverbetering; 2. vergroting of vormverandering die ingepast is op basis van een inrichtingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken; 3. kwaliteitsverbeterende maatregelen; sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
Ontwerp
23
3. ALGEMENE REGELS
Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Ontwerp
24
Artikel 5 Algemene bouwregels 5.1 Ondergrondse werken en werkzaamheden Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen. 5.2 Ondergrondse bouwwerken 5.2.1 Bouwregels Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; indien geen bouwvlak is opgenomen, dan zijn ondergrondse bouwwerken uitsluitend toegestaan onder het hoofdgebouw; b. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²; c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 meter onder peil, met dien verstande dat een voorziening ten behoeve van de waterhuishouding tot maximaal 6 meter onder peil gebouwd mag worden. 5.2.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in lid 5.2.1 onder c omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 6,5 meter onder peil onder de voorwaarden dat: a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden. 5.2.3 Zwembaden Op een bouwperceel is maximaal 1 niet-overdekt zwembad toegestaan onder de volgende voorwaarden: a.
het zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel of het verlengde daarvan en op een afstand van ten minste 3 meter van de zijdelingse en van de achterste perceelsgrens; b. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut; c. de oppervlakte van het zwembad mag maximaal 50 m² bedragen; d. de diepte van het zwembad bedraagt maximaal 3 meter onder peil. 5.3 Hydrologisch neutraal bouwen Het bebouwen van de gronden is slechts toegestaan indien dit geen negatieve hydrologische gevolgen heeft voor de omliggende gronden. De aanleg van een waterhuishoudkundige voorziening dient op eigen terrein plaats te vinden en in stand te worden gehouden.
Ontwerp
25
Artikel 6 Algemene gebruiksregels 6.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een erotisch (getint) bedrijf of (straat)prostitutie; b. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens als coffeeshop; c. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte, tenzij dit op grond van de bestemming is toegestaan; d. het opslaan of bergen van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; e. het inpandig of in de openlucht opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; f. het inpandig of in de openlucht opslaan en/of opgeslagen houden van goederen behoudens voor zover inherent is aan het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; g. het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor tijdelijke of permanente bewoning, tenzij dit op grond van de bestemming is toegestaan. h.
het innemen van een ligplaats met een vaartuig, waarbij ter plaatse sprake is van horecaactiviteiten, of met een vaartuig dat gebruikt wordt ten behoeve van een seksinrichting of prostitutie. 6.2 Landschappelijke inpassing (voorwaardelijke bepaling) 6.2.1 Voorwaardelijke verplichting inpassing en/of sloop Voor de hierna genoemde locaties is het gebruik van de toegevoegde bouw- en/of gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan, zoals dat gold op de datum van het besluit over het inpassingsplan zoals opgenomen in de tabel landschappelijke inpassing bij deze regels, uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat sprake is van een landschappelijke inpassing en/of van sloop van bebouwing overeenkomstig het inpassingsplan zoals genoemd in de tabel landschappelijke inpassing bij deze regels, waarbij het volgende in acht moet worden genomen: a. De inpassing wordt gerealiseerd overeenkomstig het inpassingsplan en uiterlijk op de datum genoemd in de volgende tabel en wordt vervolgens in stand gehouden; b. De sloop vindt plaats overeenkomstig het inpassingsplan en uiterlijk op de datum genoemd in de volgende tabel.
Tabel landschappelijke inpassing: Locatie/adres Datum besluit Inpassingsplan en/of sloopverplichting inpassingsplan Ceresweg 13-09-2023 Sloop en/of inpassing dient te geschieden 15A-17 overeenkomstig het inpassingsplan, zoals bij deze regels gevoegd als bijlage 2
Ontwerp
Dient te zijn gerealiseerd op Uiterlijk 2 jaar na onherroepelijk worden bestemmingsplan
26
6.2.2 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen een inpassingsplan dat is opgenomen als bijlage bij deze planregels wijzigen en daarmee een alternatieve landschappelijke inpassing of een alternatieve sloopverplichting toestaan, mits de gewijzigde inpassing of sloopverplichting in ruimtelijk opzicht en/of qua omvang minimaal gelijkwaardig is aan de inpassing of sloopverplichting zoals opgenomen in het inpassingsplan in de bijlage 2 bij deze regels.
Ontwerp
27
Artikel 7 Algemene aanduidingsregels 7.1 Luchtvaartverkeerzone Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone' geldt dat die gronden - naast de vigerende bestemming(en) - tevens dienen voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte voor de luchtvaart, waarbij geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogen worden opgericht of herbouw mag plaatsvinden van bestaande geluidsgevoelige objecten. 7.2 Milieuzone – geurzone Ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone - geurzone’ is het verboden om een emissiepunt van een dierenverblijf te realiseren.
Ontwerp
28
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels 8.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van: a. de in de regels gegeven (inhouds)maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. de regels, en toestaan dat het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft tot een maximale afmeting van 3 m; c. de regels ten aanzien van de dakhelling van de kap van gebouwen, indien het stedenbouwkundig beeld zich hiervoor leent ten behoeve van een bijzonder gebouw; d. de regels ten aanzien van de (bouw)hoogte van overige bouwwerken, en toestaan dat de bouwhoogte van overige bouwwerken wordt vergroot: 1. ten behoeve van de bouw van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 65 m boven NAP, onder de voorwaarden dat: ▪ deze passen binnen het stedenbouwkundige en landschappelijke beeld ter plaatse; 2. ten behoeve van speelvoorzieningen, beeldende kunst en dergelijke tot maximaal 10 m; 3. ten behoeve van de bouw van andere overige bouwwerken tot 8 m; e.
de situering en de begrenzing van bouwpercelen dan wel bouwvlakken of bestemmingsvlakken, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen in verband met de ingekomen aanvragen nodig zijn ter uitvoering van een plan, mits de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, dan wel bouwvlak, met niet meer dan 10% zal worden gewijzigd. f. het gebruiken van bouwwerken en gronden, waarop krachtens de regels van dit bestemmingsplan niet mag worden gebouwd, ten behoeve van de realisering van voorzieningen voor duurzame-energieopwekking, zoals passieve, actieve en fotovoltaïsche zonne-energie en kleinschalige windmolens, waarbij geldt dat: 1. de energieopwekking voor eigen gebruik is; 2. de voorzieningen voor duurzame-energieopwekking worden opgericht binnen een zone van maximaal 100 m aansluitend aan een agrarisch bouwvlak danwel het bestemmingsvlak 'Bedrijf', 'Recreatie', 'Sport' of 'Wonen'; 3. de bouwhoogte van windmolens maximaal 15 m mag bedragen; 4. de bouwhoogte van overige voorzieningen voor duurzame-energieopwekking maximaal 5 m mag bedragen; 5. grondgebonden zonnepanelen uitsluitend zijn toestaan binnen de gebieden die zijn aangemerkt als zone 2 en 3 zoals opgenomen op de in bijlage 3 bij deze regels opgenomen 'Geschiktheidskaart zonne- en windenergie Bergen' danwel diens rechtsgeldige opvolger; 6.
windmolens dienen te worden uitgeschakeld bij een snelheid van < 6 m/s; 7. er geen onevenredige aantasting plaats mag vinden van de belangen van omwonenden; 8. er geen onevenredige aantasting plaats mag vinden van landschappelijke, natuurlijke en/ of cultuurhistorische waarden.
Ontwerp
29
Artikel 9 Algemene wijzigingsregels 9.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 2 m en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geeft. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 2 m en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot. c. het verwijderen van een aanduiding zoals genoemd in artikel 3 en/of artikel 7, indien het betreffende gebruik definitief is beëindigd danwel de betreffende bebouwing en/of waarden niet meer aanwezig zijn.
Ontwerp
30
Artikel 10 Algemene procedureregels 10.1 Procedureregels afwijken bij omgevingsvergunning Op de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor afwijken is de procedure als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing. 10.2 Procedureregels bij wijzigen Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging is de procedure als bedoeld in artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing. 10.3 Procedureregels bij het stellen van nadere eisen aan een omgevingsvergunning Op de voorbereiding van een besluit tot het stellen van nadere eisen is de volgende procedure van toepassing. a. het ontwerpbesluit, met bijbehorende stukken, ligt gedurende twee weken in het gemeentehuis ter inzage; b. van de ter inzage legging wordt tevoren in één of meer dag- of nieuws- of huis-aan-huisbladen kennisgegeven; c. de bekendmaking houdt mededeling in van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen in; d. gedurende de in lid a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij burgemeester en wethouders schriftelijk zienswijzen indienen omtrent het ontwerpbesluit tot het stellen van nadere eisen; e. indien tegen het voornemen zienswijzen zijn ingediend, wordt het besluit met redenen omkleed; f. Burgemeester en Wethouders maken aan hen, die zienswijzen naar voren hebben gebracht, de beslissing op die zienswijzen bekend.
Ontwerp
31
4. OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 11 Overgangsrecht 11.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 3. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10%. 4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Ontwerp
32
Artikel 12 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Ceresweg 15A-17”.
Ontwerp
33
LEGENDA Plangebied plangrens
Bestemmingen Enkelbestemmingen Agrarisch
A
(e)
15 a
242
Gebiedsaanduidingen 441
442
luchtvaartverkeerzone milieuzone - geurzone
Functieaanduidingen erf
(e)
360 17
(sa-gph)
(sa-gph)
specifieke vorm van agrarisch - gebruiksgerichte paardenhouderij
(-sa-vee)
specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - veehouderij
Bouwvlakken bouwvlak
A 361
verklaring (-sa-vee)
ondergrond
8
(e)
sw
eg
.
Ce
re
(sa-gph)
363
362
Bestemmingsplan "Ceresweg 15a-17" Gemeente Bergen (L) idn:
NL.IMRO.0893.BP23016CE15ABUI-ON01
datum:
10-11-2023
schaal:
1:1000
kaartblad:
1 van 1
formaat:
A3
status:
ontwerp
Digireg B.V. Schoolstraat 7 5961 EE Horst +31 77 - 208 60 12 info@digireg.nl
365
N
Pijnenburg
+31 77 - 3982921 www.pijnenburgadvies.nl