CConstaterende datBergen (L)
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Zienswijzennota ELWM DEF

Gemeenteraad 9 februari 2021, gemeente Bergen (L)Bij agendapunt: Voorstel tot vaststelling bestemmingsplan en MER en vervolg Energielandgoed Wells Meer;36.055 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

bestemmingsplan of de

•

Zo is de externe veiligheid bijvoorbeeld niet geborgd.

werpbestemmingsplan is geregeld dat binnen 250 meter

omgevingsvergunningen.

Immers geenszins zijn verplichtingen terug te vinden die

van de as van een windturbine geen gebouwen voor (be-

zien op de aanwezigheid van een ijsdetectiesysteem.

perkt) kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. In

Evenmin kent noch het ontwerpbestemmingsplan, noch

het vast te stellen bestemmingsplan zal dit voor beperkt

het ontwerpbesluit voldoende waarborgen voor een vol-

kwetsbare objecten worden aangepast, zodat deze conform

doende landschappelijke inpassing van het energiepro-

regelgeving alleen binnen de rotordiameter van de windtur-

ject, met name daar waar het de zonnepanelen betreft.

bine niet toegestaan zijn. Daarnaast is in het bestemmings-

Het perceel van cliënt ligt straks ingeklemd tussen 264

plan geregeld dat binnen de breedte van de windturbine

ha aan zonnevelden en hiervoor is een goede zorgvuldi-

geen wegen mogen worden gerealiseerd.

Indiener geeft aan dat het ontwerpplan op belangrijke

•

ge en deugdelijke landschappelijke inpassing vereist. •

Deze ontbreekt vooralsnog.

De woning van indiener ligt op ca 460 meter van de

Indiener zegt het te moeten doen met een kaartje in

dichtstbijzijnde windturbine. Op deze afstand is ijsval op de

bijlage 3 bij het ontwerpplan met daarop in rood aange-

woning niet mogelijk. De afstand tot het perceel is ca 250 meter. Ook hier is geen ijsval te verwachten

geven waar eiken worden ingeplant. Het is volstrekt onduidelijk of hiermee lichtreflectie van de zonnepanelen

•

De woning van indiener ligt binnen het Zonnepark. Dit is

wordt uitgesloten. De planregels missen onvoldoende

een gebied met een lage intensiteit aan zonnevelden

waarborgen.

(maximaal bebouwingspercentage van 25%). De exacte invulling van het Zonnepark is nog niet bekend. Wij zijn in

het kader van het inrichtingsplan voor Energielandgoed Wells Meer al met indiener in gesprek over de inpassing van de woning. Hiervoor zijn ook al ontwerptekeningen ge-

50

maakt. Deze bespreken we graag nog met indiener. In het bestemmingsplan ‘Energielandgoed Wells Meer’ wordt hiervoor geen voorwaardelijke verplichting opgenomen. •

Het kaartje in bijlage 3 waar naar verwezen wordt is nog een landschappelijk inpassingsplan overgenomen uit het Bestemmingsplan Buitengebied 2018. Dit staat los van de aanpassingen die we nog met indiener willen bespreken.

•

We verwijzen hiervoor naar de beantwoording van vraag 7.19.

7.22

Indiener stelt dat hinder door slagschaduw onvoldoende voor

Zie ook de reactie bij 7.16 ten aanzien van de afweging tot het

De zienswijze leidt niet

het perceel en woning is meegenomen in de belangenafwe-

VKM.

tot aanpassing van het

ging en onderbouwing van de besluiten; specifiek het

bestemmingsplan of de

ontwerpplan en de ontwerpvergunning voor de windturbines:

De gemeente volgt de redenering van indiener niet. In het geval

•

Indiener meent dat een zorgvuldige belangenafweging

wordt voldaan aan het activiteitenbesluit ten aanzien van

en deugdelijke onderbouwing ontbreekt voor wat betreft

slagschaduw door windturbine, kan gesteld worden dat er

een aanvaard woon- en leefklimaat na realisatie van dit

sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het

energieproject. Zoals meermaals al is aangegeven is het

MER is, naast de normen uit het Activiteitenbesluit ten aanzien

MER onvolledig. De reden is dat het gekozen voor-

van geluid en slagschaduw, ook onderzoek uitgevoerd naar

keursmodel en de daarin gekozen inrichting zeer sterk

effecten op de (leef)omgeving onder deze normen. Hiermee is

afwijkt van de onderzochte modellen in het MER, en

sprake van een zorgvuldige afweging voorafgaand aan het

hierdoor de keuze voor het voorkeursmodel niet navolg-

besluit. Er zijn geen andere installaties of inrichtingen, anders

baar is.

dan windturbines, aanwezig die slagschaduwhinder kunnen

Ten aanzien van het onderwerp slagschaduw is een

veroorzaken.

•

onderzoek uitgevoerd waarbij wordt beoordeeld of aan de normstelling van het Activiteitenbesluit wordt vol-

Uit het aangehaalde onderzoek blijkt dat binnen de vergunde

daan. Omdat er sprake is van een bestemmingsplan

bandbreedte voldaan kan worden aan het activiteitenbesluit.

moet worden beoordeeld of met de vastgestelde mate

Door de plicht om voorafgaand aan de bouw een melding te

van slagschaduw sprake is van een aanvaardbaar woon-

doen, waaruit blijkt dat de te realiseren turbine ook voldoet aan

en leefklimaat en dus van goede ruimtelijke ordening.

het activiteitenbesluit, is naleving voldoende geborgd.

omgevingsvergunningen.

Dit staat los van de toets aan de normstelling van het Activiteitenbesluit. In het verlengde hiervan ontbreekt 51

verder een nadere toets van de slagschaduw die het windturbinepark heeft op de omliggende grond naast de woning. •

Verder blijkt dat in de omgevingsvergunning voor de oprichting van de windturbines slechts een rapportageverplichting is opgenomen. Hiermee biedt het besluit onvoldoende waarborg tegen alle hinder ten gevolge van slagschaduw, ook buiten de situaties die artikel 3.12 Activiteitenregeling regelt.

•

Indiener wil vooraf duidelijkheid dat aan de norm van artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer wordt voldaan en sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

•

Op dit punt verwijst indiener ook nogmaals naar het arrest van het Europese Hof van 25 juni 2020 (HvJEU 25 juni 2020, ECLI:EU:C:2020:503). De uitspraak werpt vragen op of het Activiteitenbesluit zomaar zonder verdere toetsing als toetsingskader kan blijven gelden.

7.23

Naar het oordeel van indiener is de financieel-economische

We verwijzen naar de financieel economische onderbouwing in

De zienswijze leidt niet

uitvoerbaarheid van het project onvoldoende onderbouwd,

het masterplan.

tot aanpassing van het

onder andere omdat geen planschadeanalyse is gemaakt.

bestemmingsplan of de De gemeente Bergen heeft in kwartaal 3 en kwartaal 4 van 2020

Artikel 3.1.6. lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke orde-

een uitgebreide marktconsultatie uit laten voeren bij financiers

ning bepaalt dat de toelichting inzichten over de uitvoerbaar-

en technische toeleveranciers. Op basis van de uitkomsten van

heid van een bestemmingsplan moet bevatten. Noch uit het

deze marktconsultaties is de bestaande business case waar in

besluit, noch uit de onderliggen stukken blijkt dat rekening is

het masterplan naar verwezen wordt aangescherpt. Hierbij is

gehouden met waardevermindering, terwijl die wel degelijk

ook informatie meegenomen m.b.t. de hoogte van de SDE++ en

te verwachten is. Er is geen risicoanalyse opgesteld zodat

een aantal andere parameters van recente publicaties van het

niet kan worden nagegaan in hoeverre er sprake is van een

Planbureau voor de Leefomgeving. De aangescherpte business

haalbaar van het project.

case laat zien dat de ontwikkeling van het energielandgoed nog

omgevingsvergunningen.

steeds goed financieel/ economisch te onderbouwen is. Een risicoanalyse heeft tot doel te inventariseren hoe hoog 52

eventuele planschadeclaims zouden zijn, en daarmee of de

We hebben voor het project een planschade risicoanalyse

voorgenomen plannen financieel haalbaar zijn. De uitvoer-

opgesteld. Deze risicoanalyse geeft inzicht in welke mate bij

baarheid projecten zal onderbouwd moeten worden, evenals

welke objecten planschade wordt verwacht als gevolg van de

de wijze waarop de waardevermindering een rol heeft

bestemmingsplanherziening. Dit geeft ons voldoende inzicht om

gespeeld in de belangenafweging.

te kunnen concluderen dat planschade de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg zal staan.

In dat kader wijst indiener ook op een uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden van 18 juli 2003 (ECLI:NL:GHLEE:2003:A10841) waarbij de vermindering van de WOZ-waarde aan de orde kwam. Het betrof daarbij een situatie waarbij een Windpark op 2 tot 2,5 kilometer afstand van de woning was gelegen en waarbij 30% aan, waardevermindering werd aangenomen. Gelet op die uitspraak moet u er dus rekening mee houden dat er een aanzienlijke afname zal zijn van inkomsten uit de WOZ-opbrengsten omdat bij diverse panden de WOZ-waarde met 30% moet worden afgewaardeerd. Daarbij komt dat deze woningen ook recht zullen hebben op een planschadevergoeding zodat dit plan om twee redenen al aanzienlijk financiële gevolgen voor de gemeente Bergen zal hebben. 7.24

Indiener stelt dat beide ontwerp-omgevingsvergunningen

Het Energielandgoed Wells Meer is geen tijdelijke ontwikkeling,

De zienswijze leidt niet

zonder wijziging de rechtsmatigheidstoets niet kunnen

derhalve is geen ontmantelingsverplichting noodzakelijk vanuit

tot aanpassing van het

doorstaan. In de vergunningen is geen ontmantelingsver-

bestuursrechtelijk oogpunt. Wel acht de gemeente het wenselijk

bestemmingsplan of de

plichting opgenomen. Bij beëindiging van de exploitatie van

dat na de afschrijvingstermijn de installaties worden verwijderd.

omgevingsvergunningen.

het energielandgoed zal indiener dus nu in het ongewisse

Hiervoor zal de gemeente zorg dragen en dit in privaatrechtelij-

blijven dat het energielandgoed wordt ontmanteld en de

ke sfeer borgen.

gronden in de oorspronkelijke toestand worden hersteld. 7.25

Indiener stelt dat er geen omgevingsvergunning kan worden verleend. Indiener stelt dat er slechts een rapportagever-

Zie beantwoording 7.22

De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het

plichting is opgenomen ten aanzien van slagschaduw.

bestemmingsplan of de

Hiermee wordt onvoldoende waarborg geboden tegen hinder

omgevingsvergunningen. 53

ten gevolge van slagschaduw. Indiener wil vooraf duidelijkheid dat aan de norm van artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer wordt voldaan en sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 7.26

Indiener vreest voor wateroverlast op zijn perceel. Uit de

Deze zienswijze wordt door het waterschap beantwoord in het

De zienswijze leidt niet

watervergunning blijkt dat de grondwaterpeilen stijgen door

kader van de watervergunning.

tot aanpassing van het

het dempen van primaire watergangen. In het bijzonder

bestemmingsplan of de

heeft indiener deze vrees, omdat één van de primaire

omgevingsvergunningen.

watergangen die wordt gedempt, grenst aan het perceel van indiener. Indiener stelt dat door de demping van de watergang achter zijn perceel sprake zal zijn van wateroverlast op zijn perceel, immers indiener krijgt te maken met peilverhoging. U stelt dat er geen invloed is op omliggende gebieden, maar indiener betwijfelt dit ten zeerste. De grondwaterstandverhoging zal naar inziens van indiener dus wel degelijk invloed hebben op omliggende gebieden. Een zorgvuldig en deugdelijk onderzoek naar de uitstralingseffecten heeft indiener niet aangetroffen in het ontwerpbesluit, noch in de bijbehorende andere stukken bij de ontwerpvergunning. Indiener kan dan ook niet anders concluderen dat er geen zorgvuldig, deugdelijk en gedetailleerd onderzoek is verricht naar de gevolgen van de demping van de watergangen voor het perceel van cliënt. Ongewijzigde vaststelling van de watervergunning zal derhalve de rechtmatigheidstoets niet kunnen doorstaan. 7.27

Indiener stelt dat het MER gebrekkig is in de onderbouwing.

Zie reactie bij 7.16.

De zienswijze leidt niet

In het bijzonder gaat het om de keuzes van modellen en het

tot aanpassing van het

voorkeursmodel. Voor wat betreft de modellen stelt indiener

bestemmingsplan of de

dat onvoldoende aandacht is besteed aan alternatieven,

omgevingsvergunningen.

immers zoals reeds opgemerkt kan ook gekozen worden voor 54

de aanleg van alleen zonnevelden. Verder mist de keuze voor het voorkeursmodel onderbouwing. Waarom gekozen is voor dit voorkeursmodel is voor cliënt niet goed te volgen. Deze visie wordt ook gedeeld door de commissie MER, immers aangegeven wordt dat de onderbouwing van de wijze waarop de drie modellen tot het voorkeursmodel hebben geleid en tot de varianten daarbinnen, nu niet navolgbaar is. 8

Indiener 8

8.1

Indiener is eerst na 13 oktober 2020 bekend geworden met

Op 7 oktober 2020 hebben we overeenkomstig artikel 3.8 en

De zienswijze leidt niet

de ontwerpbesluiten. Uit de kennisgeving in het Gemeente-

3.31 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de

tot aanpassing van het

blad kan worden opgemaakt (en dat volgt ook uit de

Algemene wet bestuursrecht in de Staatscourant bekend

bestemmingsplan of de

bekendmaking op de website van de gemeente Bergen) dat

gemaakt dat het ontwerp bestemmingsplan Energielandgoed

omgevingsvergunningen.

pas per 13 oktober 2020 een kennisgeving in het gemeente-

Wells Meer met bijbehorende stukken ter inzage ligt met de

blad heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat indiener (en

ontwerp-omgevingsvergunning (activiteiten bouw en milieu)

een ieder) niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van het ter

voor het oprichten van vier windturbines, de ontwerp omge-

inzage gaan van de plannen en besluiten per 8 oktober 2020.

vingsvergunning voor de bouw van ongeveer 180 hectare

Daarmee is gehandeld in strijd met artikel 3:31 derde lid

zonnevelden en de ontwerp watervergunning. Hierbij is vermeld

onder a Wro jo artikel 3:12 Awb:

dat het gaat om een gecoördineerde procedure.

Dat bekent ook dat de stukken niet voor een periode van zes

In het twee wekelijks huis-aan-huisblad Maasduinen Courant

weken ter inzage hebben gelegen. Een dergelijke fundamen-

van 15 oktober 2020 hebben wij kennisgegeven van het feit dat

teel procedureel gebrek noopt tot hernieuwde ter inzageleg-

het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerpvergunningen op 7

ging, met een nieuwe zienswijzetermijn van zes weken.

oktober 2020 zijn gepubliceerd en dat de stukken van donderdag 8 oktober tot en met woensdag 18 november 2020 ter inzage liggen. De kennisgeving van ter inzagelegging is dus geplaatst in de papieren Maasduinen Courant geplaatst nadat de termijn van ter inzagelegging en het naar voren brengen van zienswijze was

aangevangen. De stelling van indiener dat wij gehandeld hebben in strijd met artikel 3.31 derde lid onder a van de Wet ruimtelijke ordening juncto artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen we niet volgen. In verschillende uitspraken (ECLI:NL:RVS:2012:BX4676, ECLI:NL:RVS:2018:379) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat een kennisgeving via het internet een geschikte wijze van kennisgeving als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb zijn. Ingevolge artikel 2:14, tweede lid, en artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, gelezen in onderlinge samenhang, dient van een ontwerpbesluit echter op ten minste één niet-elektronische, geschikte wijze als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, kennis te worden gegeven, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. De kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan in de Staatscourant van 7 oktober 2020 heeft de in artikel 3:12 van de Awb bedoelde inhoud. Gelet hierop heeft de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpplan en de ontwerpvergunningen op de wettelijk voorgeschreven wijze plaatsgevonden. De kennisgeving in de papieren Maasduinen Courant van 15 oktober 2020 was wettelijk niet verplicht en bedoeld als extra service. Een eventueel gebrek in de kennisgeving heeft de indiener niet in een nadelige positie gebracht.

Onderhavige zienswijze van 17 november 2020 is binnen de gestelde termijn door ons ontvangen. Voorts wijzen wij erop dat wij indiener o.a. via info@laarakker.nl op 8 oktober 2020 geïnformeerd hebben over de ter inzage legging. Dat anderen door een eventueel gebrek in de kennisgeving zijn benadeeld is niet gebleken. Er zijn na afloop van gestelde termijn voor het naar voren brengen van zienswijze geen zienswijzen door ons ontvangen. Een toets of

55

sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding is derhalve niet aan de orde. 56 8.2

Indiener heeft moeten constateren dat er geen kennisgeving

Deze zienswijze wordt door het waterschap beantwoord in het

De zienswijze leidt niet

is gedaan van het ontwerpbesluit leggerwijziging. Daarmee is

kader van de watervergunning.

tot aanpassing van het

aan ieder elke vorm van inspraak of rechtsbescherming

bestemmingsplan of de

tegen dit besluit ontnomen, nu tegen een leggeraanwijzi-

omgevingsvergunningen.

gingsbesluit geen beroep open staat. Dit is ook een fundamenteel procedureel gebrek dat noopt tot hernieuwde terinzagelegging 8.3

In de ontwerpomgevingsvergunning zon en de ontwerpom-

Indiener is correct in de stelling dat de activiteit bouwen niet los

De zienswijze leidt niet

gevingsvergunning wind wordt uitgegaan van de onjuiste

gezien kan worden van aanleg. Er is in onderhavig geval echter

tot aanpassing van het

rechtsopvatting dat een omgevingsvergunning voor het

geen vergunning nodig voor het beroeren van de gronden

bestemmingsplan of de

uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van

(activiteit aanleg). Ten aanzien van beide omgevingsvergunnin-

omgevingsvergunningen.

werkzaamheden, niet onlosmakelijk verbonden is met de

gen is het totaal beroerd oppervlak te gering voor de verplich-

aangevraagde activteiten (o.a. bouwen). Dat is namelijk wel

ting tot aanvraag van de een omgevingsvergunning voor de

het geval, de zonnevelden en windturbines kunnen immers

activiteit aanleg.

niet gerealiseerd worden zonder de grond te roeren (vgl. ABRvS 3 oktober 2012 ECLI: NL: RvS: 2012: 8x8977). 8.4

De ontwerp-omgevingsvergunning zon miskent daarnaast

De omvang van de ingreep van de windturbines overschrijdt niet

De zienswijze leidt tot

dat op grond van artikel 10.4 van de planregels een aanleg-

de daartoe behorende drempelwaarde van 2.500m2. Ten

aanpassing van de

vergunningenstelsel vigeert en dat hetgeen wordt gesteld

aanzien van de omgevingsvergunning voor zon, is er sprake van

omgevingsvergunning

over het gemeentelijk archeologiebeleid daar geen afbreuk

een zeer geringe grondberoering, waardoor (excl wind) minder

voor de windturbines.

aan kan doen. Sterker, hetgeen in het ontwerpbesluit wordt

grond dan 1% van het projectgebied wordt beroerd.

overwogen over het gemeentelijke archeologiebeleid staat volledig haaks op hetgeen hierover in het archeologisch

Indiener is correct dat in de aanvraag voor de windturbines een

onderzoek wordt opgemerkt: Als gevolg van de geplande

foutieve argumentatie is opgenomen, echter is de conclusie niet

bodemingrepen bestaat een gerede kans dat eventueel

afwijkend: er is geen onderzoeksplicht. Derhalve is hier in de

aanwezige archeologische waarden verstoord of vernietigd

ontwerp-vergunning geen melding van gemaakt.

worden. Volgens het gemeentelijk archeologisch beleid (zie paragraaf 2.3.3) dient in het plangebied bij bodemingrepen

Door aanpassing van de verbeelding van het ontwerpbestem-

dieper dan 40 cm en groter dan 250 m2een archeologisch

mingsplan aan de meest recente informatie uit het ‘archeolo-

onderzoek te worden uitgevoerd.”

gisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek juni 2020’ van BAAC, valt één van de vier windturbines binnen de archeologische

Het ontwerp-omgevingsvergunning wind vermeldt inhoudelijk

dubbelbestemming ‘Archeologische waarde middelhoog’. Dat

niets over het aanlegvergunningenstelsel, terwijl de noord-

betekent dat de noordoostelijke windturbine aan deze dubbelbe-

oostelijke windturbine geprojecteerd is in een gebied waar

stemming getoetst moet worden. Deze toetsing heeft bij het

een dergelijk stelsel vigeert.

opstellen van de ontwerp-omgevingsvergunning niet plaatsgevonden. Belangen van de indiener van zienswijze worden hierdoor echter niet geschaad, aangezien, zoals aangegeven de oppervlakte van 2500 m² niet overschreden wordt. Onderzoek kan achterwege blijven, de aanvraag past in de regels van de archeologische dubbelbestemming. Het is dan ook niet nodig, in tegenstelling tot de aanvraag voor de zonnevelden, gebruik te maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.

Het voorgaande betekent dat de aanvrager in de gelegenheid had moeten worden gesteld om de aanvraag aan te vullen met de aanlegactiviteit. Dit is ten onrechte niet gebeurd en zal alsnog moeten gebeuren, waarna de voorbereidingsprocedure opnieuw moet worden gestart. De in de vergunningen opgenomen overwegingen over de gecoördineerde voorbereiding maakt dat niet anders (zie hieronder). De aanlegactiviteit blijft immers onlosmakelijk verbonden.

“de vergunning op grond van de WnbPM, alsmede eventuele overige nog niet aangevraagde vergunningplichtige activiteiten die tot deze aanvraag behoren, zoals het 'uitvoeren van een werk' en het 'aanleggen van een weg' niet in deze gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking worden betrokken;”

57

Miskend is bovendien dat de omgevingsvergunningen voor 58

werken en werkzaamheden die op grond van artikel 20.1 (cultuurhistorische waarden) en artikel 20.2 (landschappelijke waarden) van de planregels nodig zijn aanhaken bij de gevraagde vergunningen. Daar reppen de aanvragen en ontwerpbesluiten ten onrechte met geen woord over. 8.5

Indiener constateert dat een beoordeling of er Wnb toe-

De gemeente is van mening dat er in beginsel geen Wnb-

De zienswijze leidt tot

stemming nodig is niet lijkt te hebben plaatsgevonden. De

vergunningaanvraag nodig is, omdat uit de natuurtoets en

aanpassing van de regels

aanvrager heeft de verantwoordelijkheid om voor alle

aanvullende resultaten van het veldonderzoek blijkt dat signifi-

en toelichting van het

onlosmakelijke activiteiten binnen een project een aanvraag

cant negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgeslo-

bestemmingsplan.

om omgevingsvergunning in te dienen (artikel 2.7 lid 1

ten. Ten aanzien van de uitstoot van stikstof, is er sprake van

Wabo; hier de gemeente Bergen). Het bevoegd gezag (hier:

saldering welke wordt veroorzaakt door een direct projecteffect.

het college van de gemeente Bergen) moet voor de omge-

Immers, zodra de zonnevelden worden aangelegd, vindt er een

vingsvergunningverlening controleren of dat ook is gebeurd.

aanzienlijke afname plaats van de bemesting zoals toegepast in

Blijkens stukken die ten grondslag zijn gelegd aan het

het huidige gebruik. Dit is conform artikel 5 lid 9 van de

bestemmingsplan, namelijk de Aerius berekeningen, moest

beleidsregels van de Provincie Limburg. Voor de volledigheid

worden geconcludeerd dat in dit geval een Wnb-vergunning

wordt echter alsnog een vergunningaanvraag ingediend, waarin

(gebiedsbescherming) nodig is. Er vindt immers op zich zelf

verzocht wordt instemming te geven op toepassing van eerder

beschouwd in zowel de aanleg- als de gebruiksfase stikstof-

genoemde beleidsregel.

depositie plaats die groter is dan 0,00 mollhaljr. De summiere plantoelichting op dit punt lijkt daarom aan te willen sturen op intern salderen (doch bevat geen planregeling op dit punt), maar dit laat onverlet dat er een Wnb-vergunning (gebiedsbescherming) moet worden verkregen ('aanhakende toestemming' artikel 2.2aa jo artikel 2.1 lid 1 onderdeel i van de Wabo). Dit is ten onrechte niet gebeurd en zal alsnog moeten gebeuren, waarna de voorbereidingsprocedure opnieuw moet worden gestart en waarbij ook een verklaring van geen bedenkingen van de provincie moet worden verkregen.

8.6

Uit alle aan de besluiten ten grondslag liggende stukken (o.a.

Voor de besluitvorming is zowel een plan- als een projectMER

De zienswijze leidt niet

het milieueffectrapport, het ontwerpbestemmingsplan en de

opgesteld. In het MER is, naast de normen uit het activiteitenbe-

tot aanpassing van het

ontwerpomgevingsvergunning wind) blijkt dat is getoetst aan

sluit ten aanzien van geluid en slagschaduw, ook onderzoek

bestemmingsplan of de

de normen zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit.

uitgevoerd naar effecten op de (leef)omgeving onder deze

omgevingsvergunningen.

Middels een dergelijke toetsing is vervolgens geconcludeerd

normen. Hiermee is sprake van een zorgvuldige afweging

dat aan de verplichting om de normen na te leven kan

voorafgaand aan het besluit.

worden voldaan (overigens ten onrechte; zie hierna). Ook het oordeel dat sprake is van 'een goede ruimtelijke ordening' is terug te voeren op de in het Activiteitenbesluit opgenomen normen (geluid, slagschaduw, externe veiligheid). Naar aanleiding van het arrest van het Europees Hof van 25 juni 2020 (ECLI:EU:C:2020:503) moet worden geconcludeerd dat de normen van het Activiteitenbesluit een plan of programma zijn die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en kaderstellend zijn voor toekomstige vergunningen voor projecten opgenomen in de bijlagen bij de m.e.r.richtlijn. Om die reden moeten de mogelijke aanzienlijke milieueffecten van de uitvoering van het plan alsmede van redelijke alternatieven, die rekening houden met het doel en de geografische werkingssfeer van het plan, worden bepaald, beschreven en beoordeeld. Uit voornoemd arrest van het Europees Hof volgt dat het algemene karakter van een besluit als het Activiteitenbesluit daar niet aan af doet. Er moet dus een plan-MER komen voor deze algemene regels. En die is er (nog) niet. Tot die tijd kan de planontwikkeling van het energielandgoed volgens indiener niet worden voortgezet, te meer niet gelet op de onaanvaardbaarheid van die normen, wat thans ook onderwerp is van (landelijk) inhoudelijk debat.

Indiener stelt zich aldus op het standpunt dat (toepassing van) de normen uit het Activiteitenbesluit (in dit geval) rechtens geen stand kan houden. Toepassing van

59

de normen leidt tot meer (rnilieu)belasting, hinder en (gezondheids)risico’s dan hetgeen (Europeesrechtelijk) 60

aanvaardbaar is. De normen uit het Activiteitenbesluit zijn 'gedateerd' en hebben niet de wetenschappelijke basis die nodig is om de hiervoor bedoelde milieubelasting, hinder en gezondheidsrisico's vanwege de windturbines in beeld te hebben, laat staan te voorkomen (bijvoorbeeld: door het RIVM is vastgesteld dat de Nederlandse dosis-responsrelatie voor windturbinegeluid en hinder bij de huidige geluidnormen een percentage ernstig gehinderden van maximaal negen procent voorspelt). Indien u ondanks deze wetenschap de plannen toch doorzet, dan handelt u onrechtmatig. Hoe dan ook zal gelet op deze rechtsontwikkeling aanvullend onderzoek gedaan moeten worden naar de aanvaardbaarheid van de normen in dit specifieke geval. Indiener wordt over uitkomsten daarvan dan ook graag geïnformeerd en wordt ook graag in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Dit alles klemt te meer nu het hier om een zeer kwetsbaar gebied gaat. Een landelijk gebied, in de directe nabijheid van een Natura2000 gebied met binnen de projectlocatie/het plangebied en in de directe omgeving daarvan diverse woningen gelegen. De voorgenomen plaatsing van de windturbines valt bovendien buiten het voorkeursgebied van de Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2014. 8.7

Indiener stelt voorop dat op geen enkele wijze uit de

Aan de locatiekeuze van het energielandgoed ligt een zorgvuldi-

De zienswijze leidt niet

besluiten en onderliggende stukken volgt dat de gemeente

ge afweging ten grondslag. In de Beleidsnota Windenergie

tot aanpassing van het

Bergen zich het (bedrijfs)belang van indiener heeft aange-

hebben wij onderzocht wat geschikte locaties binnen onze

bestemmingsplan of de

trokken. De thans nog agrarisch bestemde gronden in het

gemeente zijn voor het energielandgoed. Hieruit zijn drie

omgevingsvergunningen.

plangebied worden door indiener gepacht en staan ten

geschikte locaties voor grootschalige opwekking van duurzame

dienste aan de onderneming van indiener. Zonder enige

energie naar voren gekomen. Vervolgens zijn deze locaties in

belangenafweging of onderbouwing van de mogelijkheden

het MER van de Structuurvisie Wells Meer beoordeeld en is

tot cq wijzen van tegemoetkoming moeten vanwege de

gebleken dat de keuze gezien de impact op energieopbrengst,

duurzaamheidsambitie van de gemeente Bergen alle

ruimtegebruik, leefomgeving en landschap valt op het Wells

belangen van indiener wijken. Een dergelijke planvoorberei-

Meer. In deze afweging is ook meegenomen dat agrarische

ding is evident is strijd met artikel 3:2 Awb (zorgvuldige

gronden in de toekomstige situatie niet meer als zodanig

voorbereiding), 3:4 Awb (belangenafweging) en 3:46 Awb

gebruikt kunnen worden. Het belang van indiener is ook in deze

(deugdelijke motivering). Bovendien is sprake van strijd met

afweging meegenomen.

61

artikel 3.1 Wro (een goede ruimtelijke ordening). 8.8

Indiener heeft de volgende opmerkingen ten aanzien van de

Ad 1:

De zienswijze leidt tot

economische uitvoerbaarheid van het plan:

De gemeente Bergen heeft in kwartaal 3 en kwartaal 4 van 2020

aanpassing van de

1.

De gemeenteraad van Bergen heeft slechts budget

een uitgebreide marktconsultatie uit laten voeren bij financiers

toelichting van het

beschikbaar gesteld voor het opstellen van het bestem-

en technische toeleveranciers. Op basis van de uitkomsten van

bestemmingsplan.

mingsplan en het aanvragen van de benodigde vergun-

deze marktconsultaties is de bestaande business case waar in

ningen. Voor het overige is de financiële uitvoerbaarheid

het masterplan naar verwezen wordt aangescherpt. Hierbij is

niet verzekerd. De onderbouwing van de (economische)

ook informatie meegenomen m.b.t. de hoogte van de SDE++ en

uitvoerbaarheid 'drijft' slechts op een 'globale fiscale

een aantal andere parameters van recente publicaties van het

doorrekening' die in het kader van (de subsidiekansen

Planbureau voor de Leefomgeving. De aangescherpte business

voor) het project in het 'Masterplan Energielandgoed

case laat zien dat de ontwikkeling van het energielandgoed nog

Wells Meer is uitgevoerd, maar een dergelijke verken-

steeds goed financieel/ economisch te onderbouwen is.

ning is geen onderbouwing van de economische en fi2.

3. 4.

nanciële uitvoerbaarheid.

Ad 2:

Er wordt geen enkel inzicht gegeven in de (financiële)

Wij zijn bij vaststelling van het bestemmingsplan eigenaar van

waarborgen die er zijn in verband met het niet langer

de gronden. We zullen u persoonlijk benaderen over het vervolg.

kunnen gebruiken van de landbouwgronden door indie-

Dit is niet relevant in het kader van het bestemmingsplan of de

ner vanwege het energielandgoed;

omgevingsvergunningen.

Er wordt geen enkel inzicht gegeven in de kosten van de (zeer omvangrijke) noodzakelijke natuurcompensatie;

Ad 3:

Er vindt in de plantoelichting geen beoordeling plaats

In de businesscase zijn de kosten voor de realisatie van natuur

van de exploitatieplanplicht, terwijl het ontwerpbestem-

in het Energielandgoed meegenomen.

mingsplan wel voorziet in bouwplannen in de zin van 5.

artikel 6.2.1 Bro (o.a. het bedrijfsverzamelgebouw);

Ad 4:

Voor zover indiener bekend zijn er nog geen bedrijven

Indiener constateert terecht dat in de toelichting van het

62

6.

bekend die de realisatie en exploitatie van het energie-

bestemmingsplan geen onderbouwing is opgenomen van de

landgoed op zich gaan nemen;

exploitatieplanplicht. Het vast te stellen bestemmingsplan zal

Voor de SDE++ aanvraag zal ook een haalbaarheidsstu-

hiermee worden aangevuld.

die moeten worden overgelegd. Nu de volledige investering in het energielandgoed voor zover indiener bekend

Er is geen exploitatieplan vastgesteld. Op grond van artikel 6.12

nog niet rond is, zal er mogelijk geen SDE++ worden

Wro kan de gemeenteraad besluiten geen exploitatieplan vast te

verleend, waardoor de economische haalbaarheid per

stellen, indien

definitie onder zware druk komt te staan.

a.

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is;

b.

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en

c.

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Het kosten verhaal is in dit geval anderszins verzekerd: De gemeente is eigenaar van de gronden. Het bouwrijp maken van de gronden is opgenomen in de investeringsbegroting van de aangescherpte businesscase en de gemeente is hiermee zelf verantwoordelijk voor het bouwrijp maken van de gronden. De exploitatieplanplicht heeft alleen betrekking op bouwplannen. Dit zijn in dit geval de realisatie van het bedrijfsverzamelgebouw en het bezoekerscentrum. Dit betreft maar een beperkt deel van het plangebied en een fasering voor de exploitatie van de gronden is hiervoor niet aan de orde. Het stellen van eisen en regels of een uitwerking van regels aan de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied is niet

noodzakelijk. De gemeente zal deze exploitatie en inrichting zelf verzorgen. 63 Ad 5: Het klopt dat er nog geen bedrijven bekend zijn die de realisatie en exploitatie van het energielandgoed op zich nemen. Ad 6: De verlening van een SDE++ beschikking is niet afhankelijk van beschikbaarheid van financiering. Het klopt dat er een haalbaarheidsstudie ingediend moet worden bij de SDE++ aanvraag. Die zal t.z.t. bij de voorbereiding van de SDE++ aanvraag ook gemaakt worden. 8.9

Volgens indiener is het ontwerpbestemmingsplan, althans de

In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat het

De zienswijze leidt tot

daarin opgenomen nieuwe stedelijke ontwikkelingen en de

moet gaan om bedrijven die verbonden zijn aan de duurzame

aanpassing van het

plantoelichting hieromtrent, evident in strijd met artikel 3.1.6

energiesector en die noodzakelijker- of logischerwijs op het

bestemmingsplan.

Bro.

energielandgoed gevestigd dienen te zijn. Wij verwachten dat

De in de plantoelichting opgenomen constatering dat er

deze locatie interessant is voor innovatieve bedrijven die een link

sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanwege

hebben met het Energielandgoed. Dit betekent dat zich hier

het bedrijfsverzamelgebouw en het bezoekerscentrum, is

geen bedrijven kunnen vestigen die geen verband houden met

juist. Er is echter wel sprake van een substantiële onder-

het Energielandgoed. Reguliere bedrijven die zich willen vestigen

schatting, nu de maximale oppervlakte van het bedrijfsver-

binnen onze gemeente kunnen terecht op De Flammert.

zamelgebouw weliswaar op 1.300 vierkante meter is gesteld (artikel 5.2.1 onder b ten eerste), maar vanwege de toege-

We hebben in het vast te stellen plan de toegestane omvang

stane bouwhoogte van 10 meter zeker het drievoudige

van het bedrijfsverzamelgebouw verder beperkt, door een

oppervlakte aan bedrijvigheid is toegestaan. Bovendien heeft

bebouwingspercentage van maximaal 25% op te nemen en een

de rechtspraak waarnaar verwezen wordt in de plantoelich-

bouwhoogte van 7,5 m. Daarnaast zijn uitsluitend bedrijven in

ting betrekking op enkel zonneparken en niet op energie-

milieucategorie 1 en 2 toegestaan (en bedrijven die daar mee

landgoederen met een bezoekerscentrum en een bedrijfsver-

gelijk te stellen zijn).

zamelgebouw (bedrijventerrein). In de plantoelichting is geen enkele poging gedaan om de behoefte te kwantificeren.

In de laddertoets is onderbouwd dat het energielandgoed een

Een objectieve beschrijving van de behoefte op basis van

(inter)nationaal verzorgingsgebied heeft. We gaan er vanuit met

64

actuele, concrete en cijfermatige gegevens, ontbreekt

de uitgebreide kwalitatieve laddertoets te kunnen volstaan,

geheel. Ook wordt niet duidelijk welk regionaal schaalniveau

aangezien het om een uniek concept gaat en daarom zonder

voor de toegelaten bedrijvigheid wordt gehanteerd bij de

cijfermatige onderbouwing kan worden geconstateerd dat er

laddertoetsing. Een omschrijving van een 'wensbeeld' of

sprake zal zijn van een behoefte.

'eindbeeld' heeft met een onderbouwing ex 3.1.6 tweede lid Bro niets van doen. Dat geldt ook voor de (selectieve) omschrijving van een 'uniek concept' dat 'past in trends en ontwikkelingen'. Regionaal overleg heeft niet plaatsgevonden. Niets staat eraan in de weg om een bedrijfsverzamelgebouw voor bedrijven die in de energie gerelateerde sector werkzaam zijn in bestaand stedelijk gebied op te vangen. Zeker gelet op de bestaande leegstandsproblematiek. De in de planregels aangebrachte 'begrenzing' van de toegelaten bedrijven in het bedrijfsverzamelgebouw is bovendien dusdanig ruim en rechtsonzeker geformuleerd (zie hieronder, met name het woord 'logischerwijs') dat het bedrijfsverzamelgebouw goed beschouwd niets anders is dan een economische drager voor dit energie initiatief buiten bestaand stedelijk gebied. Dat getuigt niet van zuinig ruimtegebruik en onnodige verstening. Juist dergelijke 'plannen' heeft de wetgever met artikel 3.1.6 tweede lid Bro willen tegen gaan. 8.10

De voorbereiding van de besluitvorming (en uiteindelijk de

Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen

De zienswijze leidt niet

locatiekeuze) geeft er voorts geen blijk van dat gewerkt is

naar de thematische beantwoording in hoofdstuk 3 van deze

tot aanpassing van het

langs de principes van 'de zonneladder' zoals verwoord in de

nota.

bestemmingsplan of de

moties Dik-Faber (een nationaal afwegingskader bij de inpassing van zonne-energie). Kort gezegd betekent dit het benutten van daken en onbenutte terreinen en het zoveel mogelijk ontzien van landbouw en natuur. Het tegenoverge-

omgevingsvergunningen.

stelde vindt op Wells Meer nu plaats. 8.11

Het plan is volgens indiener in strijd met het provinciale

Voor de beantwoording van dit onderdeel van deze zienswijze

De zienswijze leidt niet

beleid. Het overgrote deel van de gronden die indiener in

verwijzen we naar de thematische beantwoording in hoofdstuk 3

tot aanpassing van het

gebruik heeft zijn in het Provinciale Omgevingsplan Limburg

van deze nota met betrekking tot meervoudig ruimtegebruik.

bestemmingsplan of de

2014 (POL) aangewezen als 'Buitengebied'. Het Buitengebied is in het POL omschreven als alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter, met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven. Het ontwikkelingsaccent is onder meer: ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw. Op pagina 28 van het POL staat over het Buitengebied het volgende vermeld: “Buitengebied: Deze zone omvat een breed scala

aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden ontwikkelingsgebieden, intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing.” Anders dan in de plantoelichting wordt gesuggereerd, bevat het POL geen aanknopingspunt voor de stelling dat de realisatie van een energielandgoed een functie is die past binnen het brede scala aan functies die binnen het buitengebied aanwezig zijn. Het plan is derhalve in strijd met het provinciale beleid. Temeer geldt dit omdat in het POL ten aanzien van zonneparken staat vermeld (p.110) dat de provincie de ontwikkeling van business modellen en proefprojecten hiervoor ondersteunt, maar waarbij van belang wordt geacht dat bij deze vorm van energieopwekking primair ingezet wordt op multifunctioneel ruimtegebruik. Nu van multifunctioneel ruimtegebruik bij het energielandgoed geen sprake is, is het plan ook in dit opzicht in strijd met het POL.

omgevingsvergunningen.

65

8.12 66

Indiener stelt dat het ontwerpbestemmingsplan in strijd is

De strook in het zuidwesten van het plangebied, behorend tot

De zienswijze leidt tot

met de provinciale verordening vanwege de aanleg van de

de Goudgroene natuurzone, wordt inderdaad aangetast door de

aanpassing van de regels

zonnevelden in de streng beschermde 'goudgroene natuur-

komst van het Energielandgoed. Hierover vindt nauw overleg

en de toelichting van het

zone' en 'zilvergroene natuurzone'. Met de vernietiging van

plaats met de Provincie Limburg. Uit dit overleg bleek dat de

bestemmingsplan.

de goudgroene zone en daarmee de aantasting van de

toepassing van de saldo-benadering niet de gewenste wijze is.

wezenlijke kenmerken en waarden, geldt op grond van

In overleg met de Provincie wordt uitvoering gegeven aan artikel

artikel 2.6.2 van de provinciale verordening het uitgangpunt

2.6.5 van de omgevingsverordening. Dit vanwege de zeer

dat de ingreep geen doorgang kan vinden. Ook van 2.6.3. uit

geringe aantasting van het gebied en de voorziene compensatie,

de provinciale verordening kan geen gebruik worden

inclusief beschikbare ruimte hiervoor aan de zuidzijde van het

gemaakt en daarom is volgens indiener uitgeweken naar de

plangebied.

saldo benadering (artikel 2.6.4 van de verordening) en is een gebiedsvisie opgesteld.

Het compensatieplan wordt als bijlage bij het definitieve plan opgenomen.

De notitie van Pondera bevat echter helemaal geen 'gebiedsvisie' (hoofdstuk 5 van de notitie iis 'gebiedsvisie' genoemd (1 pagina), maar heeft nauwelijks inhoud). Er wordt slechts gesproken over de aanleg van een 'verbrede houtwal'. Dat zegt niets over het per saldo verbeteren van de natuurwaarden. Bijvoorbeeld ten aanzien van het leefgebied van de das en andere geïnventariseerde natuurwaarden die met het vernietigen van de bestaande goudgroene zone, verloren gaan. De vereisten ten aanzien van de te nemen maatregelen ter verbetering van de natuurwaarden worden in de gebiedsvisie niet uitgewerkt. Noch de aard, omvang, locaties en tijdvak van realisatie van deze maatregelen. Noch de wijze waarop deze maatregelen feitelijk en planologisch duurzaam worden geborgd. De planregels verwijzen weliswaar naar de 'gebiedsvisie', maar de gebiedsvisie zelf heeft dus geen inhoud. Een voorwaardelijke verplichting regelt dus niets. De aanduiding 'overige zone - nationaal natuurnetwerk' voegt ook niets toe, omdat de gronden die deze dubbelbestemming hebben

gekregen nog geen nagestreefd natuurdoeltypen kennen dat is vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van 67

het Provinciaal Natuurbeheerplan. Daar komt bij dat op grond van de bestemming 'natuur' bestaand agrarisch gebruik blijft toegestaan, wat dus ook niets met natuurontwikkeling van doen heeft. Daar komt dan nog bij, als indiener het goed begrijpt, dat er voor wat betreft het verloren gaan van de Zilvergroene natuurzone geen saldobenadering wordt toegepast. Dat kan reeds vanwege het aanzienlijke areaalverlies geen stand houden. 8.13

Volgens indiener is het bestemmingsplan voorts in strijd met

Wij zijn het niet eens met de stelling van de indiener dat we een

De zienswijze leidt niet

artikel 2.4.4 (Kantoren) en artikel 2.4.5 (Bedrijventerrein).

fictieve koppeling hebben gemaakt van een omvangrijk kan-

tot aanpassing van het

De plantoelichting geeft weliswaar uitvoerig de juridische

toor/bedrijfsverzamelgebouw met een windturbine en zonne-

bestemmingsplan of de

kaders weer (en de beleidsmatige invulling daarvan), maar

veld. Het Energielandgoed is geen regulier bedrijventerrein zoals

omgevingsvergunningen.

de toetsing daaraan is vervolgens zeer beperkt.

De Flammert, maar een terrein specifiek bedoeld voor een bedrijfsverzamelgebouw uitsluitend ten behoeve van aan het

Indiener bestrijdt dat het regionale beleid voor kantoren en

Energielandgoed verbonden bedrijven. Dit is ook in artikel 5 van

bedrijventerreinen (en daarmee het bepaalde in de provincia-

de regels zo vastgelegd. Wij verwachten dat het Energieland-

le verordening) niet van toepassing is. De 'constructie' van

goed specifieke innovatieve bedrijven aantrekt die juist in

een fictieve koppeling van een omvangrijk kantoor/ bedrijfs-

combinatie met het Energielandgoed een plek zoeken. Bedrijven

verzamelgebouw met een windturbine en zonneveld, kan het

die geen verbinding hebben met het Energielandgoed kunnen op

toepassingsbereik van de verordening en het beleid niet

De Flammert terecht.

opeens beperken. Indien dat wel het geval zou zijn, dan zal in de nabije toekomst het landelijk gebied snel volstromen met kantoorgebouwen (met een zonneveld of windturbine daarnaast). 8.14

Het ontwerpbestemmingsplan is in strijd met het gemeente-

Voor de beantwoording van deze zienswijze verwijzen we naar

De zienswijze leidt niet

lijke beleid, waarin het uitgangspunt 'eerst lokaal kleinscha-

de thematische beantwoording in hoofdstuk 3 van deze nota

tot aanpassing van het

lig, daarna pas lokaal grootschalig' ...... Dit geldt te meer, nu

met betrekking tot de zonneladder en de meeropbrengsten van

bestemmingsplan of de

ook de commissie m.e.r. vaststelt dat er meer productiever-

het Energielandgoed.

omgevingsvergunningen.

mogen wordt gerealiseerd dan nodig. Het doel is energieneu68

traliteit en dat wordt nu overproductie. Reden te meer om te

Het is niet de insteek van het MER geweest om het meest

kiezen voor een kleinere schaalgrootte. Doordat er minder

milieuvriendelijke alternatief te ontwikkelen. Wel heeft het MER

productievermogen nodig is, zet dit ook de locatiekeuze

tot doel alle benodigde milieu informatie inzichtelijk weer te

onder druk. De voornaamste reden waarom voor Wellsmeer

geven, zodat het milieubelang een volwaardige rol speelt in de

is gekozen is namelijk de invulling van de benodigde

besluitvorming. Het MER heeft eerst op gebiedsniveau een

energieproductiebehoefte (Vgl. het advies van de Commissie

afweging gemaakt, om vervolgens tot een voorkeursmodel met

m.e.r., p. 4).

varianten voor wind te komen. De effecten hiervan zijn inzichtelijk gemaakt en er is voor het VKM met één van deze varianten

Gelet op het voorgaande citaat geldt in algemene zin dat het

voor wind gekozen.

MER onzorgvuldig en onnavolgbaar tot stand is gekomen. Er lijken doelredeneringen te zijn gehanteerd gericht op opbrengstmaximalisatie, waar het milieubelang steeds moet wijken. Derhalve kan dit MER niet aan de besluiten ten grondslag worden gelegd. 8.15

De in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen onderbou-

Zie ook de reactie op 8.5.

wing ten aanzien van het 'stikstofonderzoek' is ondeugdelijk.

De zienswijze leidt tot aanpassing van de

Voor zover het voorliggende (ontwerp)bestemmingsplan

Er is, in tegenstelling tot wat indiener stelt strikt genomen geen

toelichting van het

afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of pro-

passende beoordeling nodig als in een voortoets significant

bestemmingsplan.

jecten significante gevolgen kan hebben voor nabijgelegen

negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Dit is gebeurd,

Natura 2000-gebieden (Maasduinen, Boschhuizerbergen en

zowel voor stikstof als voor andere mogelijke effecten op

andere gebieden), kan het uitsluitend worden vastgesteld als

Natura2000. Voor stikstof is de motivatie gebaseerd op interne

op grond van een passende beoordeling de zekerheid is

saldering met verdwijnende stikstofbronnen. Dit mag in een

verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van die

voortoets.

Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Daarbij moet worden bezien of met de realisatie en ingebruikname van het

De Commissie m.e.r. heeft ook niet gesteld, zoals indiener stelt,

energielandgoed ten tijde van de vaststelling van het plan

dat een passende beoordeling opgesteld moet worden. Commis-

ten opzichte van de feitelijk aanwezige, planologisch legale

sie m.e.r. heeft geadviseerd in een passende beoordeling te

situatie, een toename plaatsvindt van stikstofdepositie op

onderbouwen dat het plan per saldo niet zal leiden tot een

overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in de omliggen-

toename van stikstofdepositie maar daar een voetnoot aan

de Natura 2000-gebieden.

toegevoegd dat de passende beoordeling ook kan worden gelezen als oriëntatiefase habitattoets (voortoets) als kan

Hoewel op het eerste oog al duidelijk is dat dit een plan is

worden vastgesteld dat er geen kans bestaat op significante

dat significante effecten op omliggende Natura 2000-

gevolgen op Natura 2000-gebieden.

gebieden kan hebben (Natura 2000-gebied Maasduinen ligt op een steenworp afstand) ontbreekt een passende beoorde-

Echter is aanvullend op het ontwerpbesluit de natuurparagraaf

ling. Dit ook in weerwil van het advies van de Commissie

aangevuld, waarin tevens de resultaten van de in de natuurtoets

MER (p.5).

aangekondigde veldonderzoeken zijn verwerkt. Deze aanvulling, welke dezelfde informatie bevat als een passende beoordeling,

Er wordt enige onderbouwing gegeven. Aan de plantoelich-

leidt niet tot wijziging van de inzichten ten aanzien van de

ting zijn namelijk drie Aerius berekeningen gehecht, waar-

effecten op natura 2000-gebieden.

voor geldt dat deze berekeningen (anders dan te doen gebruikelijk in het kader van een transparante en zorgvuldige

Redenering van indiener kan niet worden gevolgd. Uit de

voorbereiding) niet van een leeswijzer/inputdocument of enig

Aeriusberekeningen blijkt dat het verdwijnen van de stikstof van

andere toelichting zijn voorzien.

bemesting saldeert met de toename van stikstof van de ontwikkeling en het gebruik van het Energielandschap. Dit is tevens

Het niet verstrekken van een toelichting op de Aerius-

het geval na berekeningen met de meest recente versie van

berekeningen is onaanvaardbaar, omdat de gevolgde

Aerius. In deze versie is met nieuwe data gerekend ten aanzien

redenering voor belanghebbenden navolgbaar moet zijn.

van emissies van voertuigen/machinerie. Ook is hierbij rekening

Voorts geldt dat het bevoegd gezag zich moet vergewissen

gehouden met het heersende verkeersbeeld eb de vervoersbe-

van de juistheid van hetgeen door deskundigen (hier: de

wegingen ten behoeve van de aanleg en gebruiksfase. De

door Pondera uitgevoerde Aerius-berekeningen) wordt

berekeningen zijn aan het definitieve besluit toegevoegd.

aangeleverd. Naar de huidige stand van zaken is sprake van een fundamenteel gebrek.

We zijn het eens met de indiener dat er een toelichting bij de Aerius berekeningen hoort. Deze zullen we toevoegen bij de

Uit de summiere plantoelichting over het stikstofonderzoek

nieuwe berekeningen op basis van de versie van Aerius van 15

zou mogelijk moeten worden afgeleid dat het standpunt is

oktober 2020.

dat vanwege het beëindigen van de bemesting van de landbouwgronden, bij wijze van salderen, geconcludeerd zou

De aanleg van wegen, kabels en dergelijke maken onderdeel uit

kunnen worden dat er geen toename van depositie plaats-

van de omvang van de werkzaamheden ten tijde van de aanleg.

vindt en dat om die reden is afgezien van het opstellen van een passende beoordeling.

Het aantal verkeersbewegingen in het verkeersonderzoek is geënt op de verkeersveiligheid in het gebied. Hieruit blijkt dat bij

Die conclusie kon/kan echter niet getrokken worden.

100.000 bewegingen er nog altijd sprake is van een veilige

Duidelijk is namelijk dat een passende beoordeling niet kan

situatie. De vergelijking met het bezoekerscentrum in Oisterwijk

worden gemist, omdat het verrekenen met het bemesten in

is niet als een representatieve vergelijking gehanteerd.

69

zowel de gebruik- als aanlegfase geen soelaas kan bieden. 70

Reeds op basis van de eigen invoergegevens moet ten

Het vastgestelde aantal verkeersbewegingen is als voldoende

aanzien van de aanlegfase worden vastgesteld dat de

geacht voor het uitoefenen van de bestemde functies. Dit mede

toename in depositie NOx vanwege de aanleg substantieel is

vanwege de beperking ten aanzien van bewegingen van

en daarvoor geen saldo beschikbaar is.

voertuigen met brandstofmotoren. Deze specifieke beperking geeft voldoende ruimte om essentieel geachte bewegingen te

De opmerking in de plantoelichting dat de aanleg en de exploitatie van het energielandgoed kan worden gesaldeerd tegen het saldo aan stikstofdepositie dat wordt gecreëerd door het stoppen van bemesting, is dus onjuist. Een vergelijkbare conclusie moet getrokken worden voor de gebruiksfase (bijlage 4 van de plantoelichting). Voorts geldt dat (ook zonder nadere toelichting) op onderdelen al volstrekt helder is dat een onrealistische Aeriusberekening is uitgevoerd. Er is steeds sprake van substantiele onderschattingen van deposities. Bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal verkeersbewegingen. In bijlage 10 van het MER is een verkeersonderzoek opgenomen. Daarin is de verkeersaantrekkende werking van alleen het bezoekerscentrum beschouwd en wordt de volgende vergelijking gegeven: “Ter vergelijking is het bezoekersaantal van

Natuurmonumentenbezoekerscentrum Groot Speijck in Oisterwijk benomen. Groot Speijck is een regionaal bekend bezoekerscentrum met horeca faciliteiten en een informatiecentrum. Jaarlijks komen hier circa 100.000 bezoekers. Uitgaande dat 75% van de bezoekers in het weekend komen, zijn dit circa 700 bezoekers per dag (104 weekenddagen per jaar).” Dat is exclusief bedrijfsverzamelgebouw. Omwille van het borgen van de stikstofdepositie (en de uitgangspunten van de berekeningen) is in de planregels echter geregeld dat het energielandgoed jaarlijks door

allen tijde toe te staan in de energieboulevard.

maximaal 15.000 auto’s met verbrandingsmotor bezocht mag worden (en dat een bus gelijk wordt gesteld aan 3 auto’s). . 71 Dat betekent dus dat er gemiddeld nog geen 41 auto's per dag naar het energielandgoed rijden (met een verbrandingsmotor). Dus naar het bezoekerscentrum (met ondersteunende horeca) én het bedrijfsverzamelgebouw. Dat is natuurlijk volstrekt niet realistisch en levensvatbaar, hetgeen eveneens betekent dat het bestemmingsplan ook op dit punt niet uitvoerbaar is. Dat het plan op dit punt geen stand kan houden, volgt verder uit de opmerking in de plantoelichting dat voor het bezoekerscentrum en het bedrijfsverzamelgebouw ongeveer 258 parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn. Bij een volledige bezetting, zou dat meer dan 130.000 verkeersbewegingen impliceren. Ook hieruit volgt dat artikel 5.3 van de planregels onuitvoerbaar is en de stikstofberekeningen opnieuw dienen te worden uitgevoerd (waarbij de meest actuele versie van de Aerius calculator moet worden gebruikt). Belangrijk is verder de constatering dat ten aanzien van het gehele machinepark (aanlegfase), maar ook de gebruiksfase, zeer emissiearm is gerekend (bouwjaar >2014, dat wil zeggen STAGE klasse IV en gasloos gebruik). Ten aanzien van de aanlegfase wordt er geen motivering gegeven waaruit volgt dat in dit geval met STAGE klasse IV gerekend mag worden.

Dergelijk materiaal moet wel daadwerkelijk beschikbaar zijn, hetgeen zelden het geval is. Let wel, een andere (meer gebruikelijke) STAGE klasse (IIIB) levert al tot een factor 10 meer stikstofdepositie op. De in de Aerius-berekeningen opgenomen uitgangspunten,

waaronder ook de emissieloze/gasloze gebruiksfase, moeten vervolgens ook in de planregels worden geborgd. Zie 72

bijvoorbeeld ABRvS, 25 maart 2020, ECLI: NL:RVS:2020:880. Tot slot, voor de uit te voeren nieuwe Aerius berekeningen en toelichting daarop kan in ieder geval alvast gewezen worden op het volgende. Er is voor de aanlegfase gerekend tot de kruising van de Wezerweg en Veenweg, maar dit is geen doorgaande weg. Er moet gerekend worden tot de N271 (dit is in de MER wel op deze manier gedaan). Het vrachtverkeer voor het zonnepark en de windturbines lijkt enkel uit Duitsland te komen (?). En de emissies voor aanleg wegen, kabels, dempen watergang en het aanleggen van een nieuwe watergang, ontbreken vooralsnog. 8.16

Indiener heeft reeds aangegeven dat het leefgebied van de

Uit veldonderzoek is gebleken dat de Dassenburcht in het

De zienswijze leidt tot

das wordt verstoord. Daarvoor is geen ontheffing verleend.

zuidwesten van het plangebied actief gebruikt wordt. Dit inzicht

aanpassing van toelich-

Ook overigens is het plan voor wat betreft dit onderdeel zeer

heeft geleid tot een aanpassing van de plannen, waarin de

ting en regels van het

prematuur ter inzage gelegd.

burchten niet worden aangetast. Ten aanzien van de aanleg van

bestemmingsplan en de

de zonnepanelen en het verlies aan foerageergebied wordt een

omgevingsvergunning

ontheffing inclusief compensatie aangevraagd.

voor de zonnepanelen.

De aanvulling op het MER (waaronder het onderdeel natuur) is er nog niet. Dus kan ook niet worden nagegaan of het MER en de besluiten op elkaar aansluiten. De commissie MER heeft de ontwerpbesluiten bovendien niet beoordeeld. Het milieubelang is daarom onvoldoende en bovendien in een onjuiste volgorde bij de voorbereiding van de besluiten betrokken. Dit gebrek noopt tot een hernieuwde ter inzage legging van de documenten (met aanvulling MER en aanvullend toetsingsadvies). Naast dit procedurele gebrek, is naar de huidige stand van zaken ook inhoudelijk sprake van een gebrekkig besluit, nu het bestemmingsplan niet uitvoerbaar moet worden geacht.

Bijvoorbeeld ABRvS, 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015: 100: 8.17

In het akoestisch onderzoek dat aan het ontwerpbestem-

Het akoestisch onderzoek gaat in paragraaf 3.8 in op de

De zienswijze leidt tot

mingsplan ten grondslag ligt wordt geen rekening gehouden

cumulatieve effecten van de windturbines uit het VKM met de

aanpassing van de regels

met de invulling van de energieboulevard (bedrijfsverzamel-

windturbines uit Duitsland. In het MER wordt dit behandeld in

van het bestemmings-

gebouw). Nu voor deze bestemming ook geen milieucatego-

paragraaf 17.3 en maken derhalve onderdeel uit van de

plan.

rie is opgenomen, is onduidelijk waarmee gerekend moet

overwegingen voorafgaand aan de besluitvorming.

worden. In algemene zin is overigens nagelaten om de planologisch maximale mogelijkheden, inclusief de afwij-

In de beantwoording bij 8.9 hebben we aangegeven dat de

kingsmogelijkheden, te beschouwen.

milieucategorie bedrijven wordt beperkt tot categorie 1 en 2 (en daarmee gelijk te stellen bedrijven).

Er is in het uitgevoerde onderzoek geen rekening gehouden met windturbines welke gesitueerd zijn in Duitsland, op een

Voor de onderbouwing van de relevante geluidsbronnen voor

zeer beperkte afstand. Een goed woon- en leefklimaat kan

het akoestisch onderzoek verwijzen we naar de beantwoording

niet worden gegarandeerd. Onderzoek naar de cumulatieve

van zienswijze 7.16.

effecten is verplicht gesteld middels de ontwerpbeschikking wind in voorschrift 4.1.2.5, maar had reeds moeten zijn

Indiener stelt terecht dat de algemene afwijkingsmogelijkheid uit

uitgevoerd om een oordeel te kunnen geven over de

artikel 17.1 onder a (afwijken van 10% van maten, afmetingen

ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan.

en percentages in de regels) niet is meegenomen in de onderzoeken. Het bestemmingsplan zal hierop worden aange-

Voorts stelt indiener vast dat de woning aan Wellsmeer l a

past. Windturbines en zonnepanelen worden uitgesloten van

moet worden geamoveerd of betrokken bij het Energieland-

deze afwijkingsregel.

goed, maar wel positief is bestemd. Van een goede ruimtelijke

De woning aan Wellsmeer 1a is niet als woning bestemd, zowel

ordening is en kan geen sprake zijn.

op de verbeelding als in de regels. Ter plaatse van de huidige woning is in het bestemmingsplan de bestemming ‘Energielandgoed’ opgenomen. Zie tevens artikel 2.2.3.4 in de toelichting.

8.18

Met de risicocontouren van de inrichting van indiener is geen

Er is rekening gehouden met de risicocontouren van de windtur-

De zienswijze leidt tot

rekening gehouden in het onderzoek. Zo ligt de vergister van

bines en de aanwezige relevante inrichtingen, waaronder de

aanpassing van de

indiener op 180 meter afstand van een van de turbines.

vergister van indiener. Figuur 17.37 uit het MER laat zien dat de

verbeelding en regels van

Geen rekenschap is gegeven van de aanwezige bedrijfswo-

10-6 contour van de in het bestemmingsplan opgenomen

het bestemmingsplan.

ningen.

voorkeursmodel niet ligt over de locatie van de biovergisters. Tevens wordt in paragraaf 17.11.2 geconcludeerd dat er geen

73

kwetsbare objecten aanwezig zijn nabij de bestaande biovergistingsinstallaties. Verhoging van het risico van deze installatie 74

leidt niet tot een significant risicoverhoging voor de omgeving van de biovergistingsinstallaties. Wel dient de verbeelding van het plan aangepast te worden op basis van de zienswijze van indiener. De huidige verbeelding maakt het mogelijk om windturbines op een andere locatie, doch binnen de wiekoverslag van de maximale afmeting, te realiseren. Dit is niet in lijn met de onderzoeksopgave in het MER en wordt derhalve aangepast. 8.19

In het ontwerpbestemmingsplan is geen ruimte gereserveerd

In de watertoets is inderdaad benoemd dat 4.000 m3 extra

De zienswijze geeft

voor realisatie van extra waterberging, wat wel benodigd is

waterberging nodig is om de toename aan verhard oppervlak te

aanleiding de regels van

(4.000 m3). Hier is een voorwaardelijke verplichting op zijn

compenseren. In de watertoets is tevens benoemd dat in het

het bestemmingsplan aan

plaats.

plangebied voldoende ruimte is om dit te realiseren en deze

te passen.

benodigde berging mede zal worden gerealiseerd bij de ontwikkeling van de natte natuurzone. Een voorwaardelijke verplichting borgt inderdaad dat deze berging ook daadwerkelijk gerealiseerd wordt. In het definitieve bestemmingsplan wordt een dergelijke voorwaardelijke verplichting opgenomen. 8.20

Een voorwaardelijke verplichting in verband met radarversto-

Uit berekeningen van TNO blijkt dat er toelaatbare hinder op de

De zienswijze leidt niet

ring is niet op zijn plaats voor wat betreft de radarverstoring,

werking van de defensieradar optreedt door de realisatie van de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9609748/1