3. Zienswijzennota ELWM DEF
Tekst van het document
verwijzen we naar de beantwoording bij 5.2.
tot aanpassing van het
verondersteld- niet in dat de uitgangspunten van de Verkla-
bestemmingsplan of de
ring van Roermond niet meer gerespecteerd hoeven te
omgevingsvergunningen.
worden. In de aangehaalde zinsnede staat nergens dat deze niet meer hoeven te worden toegepast. En die uitgangspunten zijn dat, indien en voor zover al wordt geconstateerd dat
25
een realisatie van de onderhavige plannen op landbouwgrond noodzakelijk is, er nog moet worden gekeken naar gecombineerd gebruik van de gronden ten gunste van zowel de landbouw- als de beoogde nieuwe functie en dat indien en voor zover dat niet mogelijk is maatregelen worden getroffen om de landbouw te compenseren en de mogelijkheid wordt geboden om het beheer van compensatiegronden voor de natuur door de landbouw te laten plaatsvinden. 5.6
Voor wat het gecombineerd grondgebruik ten gunste van de
Binnen het Energielandgoed willen we graag ruimte bieden voor
De zienswijze leidt niet
landbouw en de nieuwe gewenste functie betreft, heeft
agrarisch medegebruik in combinatie met zonnepanelen. De
tot aanpassing van het
indiener in de inspraakreactie de zorg uitgesproken dat dit
stikstofdepositie die de aanleg en het gebruik van het Energie-
bestemmingsplan of de
met dit plan (toen nog voorontwerp nu ontwerp) onvoldoen-
landgoed veroorzaakt op Natura 2000-gebieden, zorgt ervoor
omgevingsvergunningen.
de mogelijk wordt gemaakt.
dat voor agrarisch medegebruik (dat ook stikstofdepositie veroorzaakt) geen onbeperkte mogelijkheden zijn. We maken in
Dit ziet indiener bevestigd in de Nota inspraak en overleg
het vast te stellen bestemmingsplan agrarisch medegebruik,
waarin wordt aangegeven dat agrarisch medegebruik slechts
beweiding en bemesting daarom onder voorwaarden mogelijk
zeer beperkt mogelijk zal zijn in het plan en dat het klopt dat
met een omgevingsvergunning.
exacte oppervlaktes hiervoor niet bekend zijn. Aangegeven wordt dat pas bij het uitwerken van het inrichtingsplan zal
Wij kunnen eventuele prijsverhogingen van landbouwgronden
worden bekeken in hoeverre er gebruik zal worden gemaakt
niet volledig uitsluiten. In die zin volgen wij de indiener. Echter
van de mogelijkheid van agrarisch medegebruik en in welke
het effect van de realisatie van het Energielandgoed zal zeer
vorm.
beperkt zijn. Er is ook behoefte aan ruimte voor rivieren, natuurontwikkeling, woningbouwprojecten, de ontwikkeling van
Dit is volgens indiener echter de omgekeerde volgorde. Uit
bedrijventerreinen enzovoort. Voor al deze ontwikkelingen wordt
de Verklaring van Roermond volgt dat dit eerst behoort te
vaak gekeken naar landbouwgronden. Dit kan prijsverhoging
worden onderzocht alvorens een ontwikkeling ten koste van
veroorzaken. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de
landbouwgrond mogelijk te maken. Nog afgezien daarvan
landbouwsector sterk is geglobaliseerd. Dit geldt eens te meer
vindt indiener het niet passend om bij een plan dat een sterk
voor de bedrijven die actief zijn in het plangebied. Een oneven-
negatief effect heeft op de landbouw (hetgeen blijkt uit
redige marktverstoring is ons inziens niet aannemelijk.
paragraaf 17.9 van het MER (Tabel 17.7.1 .) en in de Nota inspraak en overleg ook wordt erkend) deze mogelijkheden niet reeds tevoren te bekijken. Dit speelt des te meer gezien
26
de sterk negatieve gevolgen die het plan heeft voor de landbouwgronden in de regio (o.a. opdrijving van koop- en pachtprijzen van landbouwgrond, intensivering van grondgebruik en verlies aan mestplaatsingsruimte). Op deze manier worden verantwoordelijkheden niet genomen en op de lange baan geschoven. 5.7
5.8
De door het ontwerp-bestemmingsplan veroorzaakte
We verwijzen voor de beantwoording van deze zienswijze naar
De zienswijze leidt niet
intensivering van grondgebruik is nu juist in strijd met het (in
de beantwoording van zienswijze 5.2. Het toekomstige grondge-
tot aanpassing van het
de Nota inspraak en overleg aangehaalde) ontwerp- POVI.
bruik sluit aan op de ambities van de ontwerp-omgevingsvisie
bestemmingsplan of de
van de provincie Limburg.
omgevingsvergunningen.
Indiener is van mening dat ten onrechte niet wordt toege-
Binnen het Energielandgoed willen we graag ruimte bieden voor
De zienswijze leidt niet
zegd dat het bekijken van de mogelijkheden voor meervou-
agrarisch medegebruik in combinatie met zonnepanelen. De
tot aanpassing van het
dig ruimtegebruik met de landbouw gebeurt in (tijdig)
stikstofdepositie die de aanleg en het gebruik van het Energie-
bestemmingsplan of de
overleg met de LLTB-regio Noord-Limburg. De agrariërs in de
landgoed veroorzaakt op Natura 2000-gebieden, zorgt ervoor
omgevingsvergunningen.
regio Noord-Limburg worden niet gehoord. Met de belangen
dat voor agrarisch medegebruik (dat ook stikstofdepositie
van de landbouw wordt op deze manier ten onrechte
veroorzaakt) geen onbeperkte mogelijkheden zijn. We maken in
volstrekt ontoereikend rekening gehouden.
het vast te stellen bestemmingsplan agrarisch medegebruik, beweiding en bemesting daarom onder voorwaarden mogelijk met een omgevingsvergunning. We zijn zeker bereid om te overleggen welke innovatieve mogelijkheden er zijn in de innovatiezone.
5.9
Indiener geeft aan dat het onvoldoende duidelijk is hoe
Het is inderdaad zo dat er geen landbouwcompensatie zal
De zienswijze leidt niet
compensatie van de landbouw zal plaatsvinden. Sterker nog
plaatsvinden.
tot aanpassing van het
uit de beantwoording van de inspraakreactie leidt indiener af
bestemmingsplan of de
dat er geen landbouwcompensatie zal plaatsvinden.
omgevingsvergunningen.
5.10
Indiener heeft in de inspraakreactie aangegeven, dat in
Ondanks dat indiener aangeeft dat het onjuist is dat we aange-
De zienswijze leidt niet
paragraaf 17.9.6. van het MER weliswaar is aangegeven er
ven dat er geen additionele mitigerende maatregelen mogelijk
tot aanpassing van het
geen additionele mitigerende maatregelen mogelijk zijn,
zijn, komt indiener niet met eventuele mogelijkheden die er wel
bestemmingsplan of de
maar dat dit naar mening van indiener niet juist is. Indiener
zouden zijn. Wij zien de ruimte voor nieuwe agrarische gebieden
omgevingsvergunningen.
heeft gewezen op de mogelijkheid van additionele mitigatie
buiten het plangebied niet. We zijn wel bereid om te overleggen
buiten het plangebied. Tevens is de gemeente Bergen
welke innovatieve mogelijkheden er zijn in de innovatiezone.
opgeroepen om samen met indiener te onderzoeken op welke wijze mitigatie mogelijk is binnen en buiten het plangebied. Hierop wordt in de Nota inspraak en overleg gereageerd met de stelling: "Wij zien geen ruimte voor nieuwe agrarische gebieden in de gemeente. Wij gaan graag in gesprek als de indiener daarvoor wel mogelijkheden ziet." Hiermee wordt miskend dat additionele mitigatie behalve in aanwijzing van vervangende agrarische gebieden ook (en vooral) in andere vorm kan plaatsvinden. Dit is ten onrechte totaal niet onderzocht en in kaart gebracht en kennelijk zelfs naar aanleiding van de inspraakreactie niet overwogen. 5.11
Op het verzoek van indiener om mogelijkheden te bieden om
Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen voor het
De zienswijze leidt niet
het beheer van compensatiegronden voor de natuur door de
Energielandgoed regelen niet hoe het beheer in de toekomstige
tot aanpassing van het
landbouw te laten plaatsvinden wordt in de Nota inspraak en
situatie vorm moet krijgen en dit is daarom in dit kader niet
bestemmingsplan of de
overleg niet ingegaan. Dit terwijl het wel het minste is wat
relevant. Het beheer wordt in een later stadium geregeld.
omgevingsvergunningen.
Recentelijk heeft indiener vernomen dat de gemeenteraad
In de raadsvergadering van 10 november 2020 is hierover
De zienswijze leidt niet
een motie heeft aangenomen om onderzoek te doen naar de
inderdaad een motie aangenomen. Het betreft de “Motie
tot aanpassing van het
de gemeente Bergen kan doen om de plaatselijke agrariërs uit de eigen gemeente (diegenen die de rekening betalen voor het onderhavige plan) nog enigszins te compenseren voor een aanzienlijk verlies aan landbouwareaal in het plangebied en de hiervoor reeds omschreven negatieve gevolgen voor de landbouwgronden in de regio. 5.12
27
28
oprichting van een eigen "sociaal werkbedrijf terreinbeheer"
onderzoeksociaal werkbedrijf terreinbeheer”.
bestemmingsplan of de
ook voor het natuurbeheerlbeheer van het Energielandschap
In de motie wordt het college opgeroepen:
omgevingsvergunningen.
Wells Meer. Het is indiener niet bekend of de mogelijkheden
1.
Onderzoek te doen naar de oprichting van een eigen
van natuurbeheer door de agrariërs uit het gebied hierin
'sociaal werkbedrijf terreinbeheer' met als doelstellingen een
meegenomen worden.
klimaatbestendig terreinbeheer en maximale participatie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt ter ondersteuning van de activiteiten van de eigen buitendienst; 2.
De gemeenteraad over de voortgang en resultaten van dit onderzoek te informeren.
Deze motie richt zich specifiek op mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en niet op agrariërs uit het gebied. 5.13
In de inspraakreactie heeft indiener aangegeven dat het
In de omgevingsvisie staat inderdaad dat op de overgang tussen
De zienswijze leidt niet
(toen nog voor)ontwerp- bestemmingsplan in strijd is met de
het Nationaal Park en het ontginningenlandschap de inzet vooral
tot aanpassing van het
Omgevingsvisie van de gemeente Bergen. In hoofdstuk 3
is gericht op het ontwikkelen van een agrarisch landschap met
bestemmingsplan of de
van de Omgevingsvisie is vermeld: "Op de overgang tussen
kwaliteiten. Echter in de paragraaf die gaat over duurzaamheid
omgevingsvergunningen.
het Nationaal Park en het ontginningenlandschap is de inzet
wordt aangegeven dat met name het oostelijk deel van de
vooral gericht op het ontwikkelen van een agrarisch land-
gemeente, ten oosten van Nationaal Park De Maasduinen
schap met kwaliteiten."
geschikt is voor grootschalige energiewinning. Voor deze specifieke locatie (Wells Meer) zetten we dus niet in op de
In de Nota inspraak en overleg wordt aangegeven dat de
ontwikkeling van een agrarisch landschap met kwaliteiten, maar
ontwikkeling van natte natuur langs de grens van het
op de ontwikkeling van het Energielandgoed. Bovendien is de
nationaal park hiermee niet in strijd is met en goed aansluit
locatie Wells Meer uit de Omgevingsvisie gelaten. Onze Omge-
op de huidige natuurfuncties van de aangrenzende Maasdui-
vingsvisie staat dit plan dus niet in de weg.
nen. Hiermee is indiener het niet eens. Het ontwikkelen van natte natuur is iets volstrekt anders dan het ontwikkelen van een agrarisch landschap met kwaliteiten. Het kan toch niet zo zijn dat de gemeente Bergen een Omgevingsvisie opstelt en zich hierdoor niet gebonden voelt? Wat is dan nog de waarde van de Omgevingsvisie als de agrariërs binnen de gemeente Bergen niet kunnen vertrouwen op hetgeen in de Omge-
vingsvisie is opgenomen? Natte natuur leidt bovendien voorts tot een vernatting van
29
de aangrenzende landbouwgebieden met agrarisch productieverlies tot gevolg. Ook in dit verband vindt indiener het verder vreemd dat in de Nota inspraak en overleg zelfs niet wordt ingegaan op het verzoek van indiener om mogelijkheden te bieden om het beheer van compensatiegronden voor de natuur door de landbouw te laten plaatsvinden. Zoals in de (in de Nota inspraak en overleg aangehaalde) ontwerp-POVI is aangegeven kan bijvoorbeeld met agrarisch natuurbeheer, natuurinclusieve landbouw en biologische landbouw worden bijgedragen aan biodiversiteitsdoelstellingen en aan landschappelijke kwaliteit. 5.14
Verder is indiener er in de inspraakreactie reeds op ingegaan
We verwijzen voor de beantwoording van deze zienswijze naar
De zienswijze leidt niet
dat het grootschalig verlies van landbouwgrond als gevolg
de reactie bij 5.6.
tot aanpassing van het
van het plan ook verdere ernstige effecten heeft op de
bestemmingsplan of de
landbouw in het gebied. Deze bestaan uit onder meer
omgevingsvergunningen.
opdrijving van koop- en pachtprijzen van landbouwgrond, intensivering van grondgebruik en verlies aan mestplaatsingsruimte. Hierop wordt in de Nota inspraak en overleg niet ingegaan. Naar mening van indiener blijkt ook hieruit een onevenwichtige ontwikkeling en belangenafweging 5.15
Indiener verzoekt de gemeenteraad om deze zienswijze in
Zoals beschreven in de beantwoording van de verschillende
De zienswijze leidt niet
uw overweging en de daaropvolgende besluitvormingsproce-
onderdelen van de zienswijze, heeft deze niet geleid tot aanpas-
tot aanpassing van het
dure te betrekken en in het kader van het ontwerp- bestem-
singen in het bestemmingsplan.
bestemmingsplan of de
mingsplan zodanige aanpassingen aan te brengen dat wordt tegemoetgekomen aan hetgeen in deze zienswijze naar voren wordt gebracht.
omgevingsvergunningen.
6
Indiener 6
6.1
Indiener bedankt voor het informeren over het ontwerp
30
Deze reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.
De zienswijze leidt niet
bestemmingsplan “Energielandgoed Wells Meer”. Met
tot aanpassing van het
betrekking tot het voorontwerp zijn geen nieuwe veranderin-
bestemmingsplan of de
gen opgenomen die invloed hebben op het stadsgebied van
omgevingsvergunningen.
Goch. Daarom maakt de indiener op basis van de voorliggende documenten geen bezwaar tegen het ontwerpsbestemmingsplan en de ontwerp-vergunningen voor het “Energielandgoed Wells Meer”. 7
Indiener 7
7.1
Indiener is van mening dat sprake is van vooringenomen-
Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze
De zienswijze leidt niet
heid, dan wel in ieder geval de schijn van vooringenomen-
verwijzen naar de thematische beantwoording in hoofdstuk 3
tot aanpassing van het
heid. Uit de toelichting in combinatie met het masterplan
van deze nota met betrekking tot meeropbrengst Energieland-
bestemmingsplan of de
Energielandgoed Wells Meer is af te leiden dat de gronden
goed.
omgevingsvergunningen.
worden aangekocht door de gemeente. Betreffende gronden zijn nu (deels) in eigendom van de provincie. Echter tegelij-
De aankoop van de gronden van de provincie is noodzakelijk om
kertijd blijkt ook uit het ontwerpplan, de MER en het advies
de ontwikkeling van het Energielandgoed mogelijk te maken.
hierop van de commissie MER, dat de doelstelling van 0,87
De gronden die we als gemeente zelf in eigendom hebben
PJ per jaar aan grootschalige duurzame energieopwekking
binnen het Wells Meer zijn hiervoor onvoldoende.
ruim gehaald wordt met alleen zon. Onduidelijk is waarom de ontwerpbesluiten een aanzienlijk hogere elektriciteitsproductie dan deze doelstelling mogelijk maken. Er kan ook gekozen worden voor een oplossing met een elektriciteitsproductie die voldoet aan de duurzaamheidsdoelstelling, maar veel minder nadelige milieugevolgen heeft. Met andere woorden: vanuit ruimtelijke ordeningsoogpunt en de duurzaamheidsdoelstelling die er ligt, is een energieproject van de thans gekozen omvang niet nodig. Het verbaast indiener dan ook dat toch wordt gekozen om 'groen licht' te geven voor een energieproject met de omvang die uit de ontwerpbesluiten is af te leiden.
Indiener kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de belangrijkste beweegreden voor de gemeente wellicht de 31
mogelijkheid is voor de aankoop van gronden. Immers door 'groen licht' te geven aan dit energieinitiatief krijgt de gemeente nu de kans om de gronden te verwerven die nu nog in eigendom zijn van de provincie. Gezien het feit dat de aankoop niet nodig blijkt te zijn vanuit de duurzaamheidsdoelstelling wordt cliënt gesterkt in deze gedachtegang. Hierbij wellicht ten overvloede nog het volgende. In het masterplan wordt aangegeven dat de gemeente andere doelstellingen wil realiseren en zo een kwaliteitsimpuls wil geven aan het gebied, en dat het initiatief schaalvoordelen biedt? Dit wordt echter verder niet toegelicht. 7.2
Indiener stelt dat de besluiten in strijd zijn met het EVRM en
Inspraak
De zienswijze leidt niet
het Verdrag van Aarhus:
Deze zienswijze verrast ons. Al vanaf eind 2017 werken wij met
tot aanpassing van het
•
De besluiten zijn in strijd met artikel 6 EVRM. Op de
omwonenden, experts en andere geïnteresseerden samen aan
bestemmingsplan of de
onderhavige besluitvorming is de Crisis- en herstelwet
de realisatie van het Energielandgoed. In elke ontwikkelfase
omgevingsvergunningen.
van toepassing. De zeer korte periode voor het indienen
hebben wij nagedacht hoe wij inwoners en vooral de omwonen-
van zienswijzen en uiteindelijk beroep, gelet op de Cri-
den het beste bij het project kunnen betrekken. De wettelijke
sis- en herstelwet, draagt er zorg voor dat burgers en
inspraak momenten zijn georganiseerd maar veel belangrijker is
bedrijven, waaronder cliënt, zich onvoldoende kunnen
dat wij buiten wettelijk veel hebben opgehaald in de samenle-
verdedigen tegen de voorgenomen plannen.De verplich-
ving. Er zijn vele verschillende bijeenkomsten georganiseerd om
ting voor omwonenden om binnen zeer kort tijdsbestek
ideeën en informatie op te halen, inwoners te informeren,
te reageren op de plannen en onderzoeken, past niet in
vragen te beantwoorden en invulling te geven aan de wettelijke
de grondgedachte van de Algemene wet bestuursrecht
inspraak- en raadpleegmomenten. In het begin van het project
om zonder deskundige te procederen. Dit voorgaande
is een meedenkgroep opgericht die bestond uit inwoners die
klemt te meer, nu uiteindelijk de Afdeling bestuursrecht-
mee wilden denken over de invulling van het Energielandgoed.
spraakvan de Raad van State niet alleen formele aspec-
Bij het concreter worden van het Energielandgoed zijn direct
ten van de besluitvorming toetst, maar ook de materiële
omwonenden bezocht voor een-op-een gesprekken door leden
aspecten. Indiener is hierdoor in een nadeliger positie
van het projectteam. Het Energielandgoed Wellsmeer is van en
gekomen, hetgeen strijd oplevert met de Europese
voor Bergen.
grondbeginselen vastgelegd in het EVRM.
Eén van de voorkeursmodellen omvatte een lijnopstelling in
• 32
De voorgenomen besluiten zijn in strijd met het Verdrag
oost-westrichting van vier windturbines. Reacties van omwonen-
van Aarhus, omdat geen sprake is van vroegtijdige in-
den van de Wezerweg leerde dat zij de afstand van de meest
spraak als alle opties nog open zijn. Op het moment dat
westelijk geprojecteerde turbine tot hun woningen te kort
de ontwerpbesluiten ter inzage worden gelegd, zoals in
vonden. Als gevolg van deze reacties is deze lijnopstelling niet
dit geval, zijn de kaarten al geschud en kan niet meer
toegelaten in het bestemmingsplan. Door de keuze voor een
worden gesproken over vroegtijdige inspraak waarbij
carré opstelling is de afstand van de woningen nabij de Wezer-
alle opties nog open zijn. Uit de uitspraak van de Blan-
weg, waaronder de woning van indiener, tot de dichtstbij
kenburgverbinding (ABRvS 18 juli 2018,
toegelaten windturbines vergroot ten opzichte van het lijnopstel-
ECLI:NL:RVS:2018:2454, r.o.11.4) kan worden afgeleid
ling model.
dat er voldoende inspraak moet worden geboden voor-
Indiener is vanaf november 2017 als direct omwonende per-
dat een ontwerpbesluit ter inzage komt. Deze insteek
soonlijk op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen rond het
wordt ook in de literatuur aangehangen.
Energielandgoed. Er heeft twee keer een bezoek aan huis plaats gevonden en er zijn meerdere uitnodigingen en informatieve
De bedoeling van het Verdrag van Aarhus is dat belang-
brieven per brief verstuurd. Ook heeft er een gesprek plaats
hebbenden niet voor een voldongen feit worden ge-
gevonden over de landschappelijke inpassing van de woning en
plaatst op het moment dat er een ontwerp-besluit ter
de wensen die die de indiener daarover heeft.
inzage ligt. Dit is nu wel de situatie die zich hier voordoet, zodat moet worden vastgesteld dat het voornemen
Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
niet voldoet aan het Verdrag van Aarhus.
Artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) luidt: "Bij het
Indiener beseft zich dat niet elke reactie tot aanpassing
vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij
van een plan kan leiden, maar de wijze waarop nu invul-
het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde
ling wordt gegeven aan de vereiste inspraak, getuigt
vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare
niet van het voldoen aan hetgeen in het Verdrag van
behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door
Aarhus is gesteld. Omdat de windturbines 250 meter
een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is
hoog worden (tiphoogte) en cliënt binnen een straal van
ingesteld."
10 keer de tiphoogte als een belanghebbende moet
Het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het
worden beschouwd, had contact op moeten worden ge-
EVRM omvat onder meer het recht op gelijke proceskansen
nomen met iedereen die binnen een straal van 2500
(equality of arms). De kern van het beginsel van gelijke proces-
meter van de windturbines gronden heeft en/of woon-
kansen is erin gelegen dat tussen partijen evenwicht moet
achtig is en/of een bedrijf exploiteert. Ook gezien het
bestaan met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal
feit dat indiener daarbij komt te wonen tussen een veld
aan te dragen.
van zonnevelden van 264 hectare in combinatie met vier
windturbines klemt het nog meer om actief met indiener
Het is juist dat in de onderhavige procedure de bepalingen uit
rond de tafel te gaan over het initiatief. Dat is echter tot
de Crisis- en herstelwet (ChW) van toepassing zijn. Dit betekent
op heden niet gedaan.
onder meer dat op grond van artikel 1.6a van de Chw na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 28 mei 1985, Ashingdane tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1985:0528JUD000822578) volgt dat in artikel 6 van het EVRM niet een absoluut recht op toegang tot de rechter is neergelegd. Aan de verdragsstaten komt een zekere beoordelingsvrijheid toe tot het stellen van regels die zekere beperkingen inhouden, mits daardoor het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt aangetast, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan. In haar uitspraak van 17 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4217 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen, dat artikel 1.6a van de Chw het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aantast. Daarnaast volgt uit deze uitspraak dat het doel van deze bepaling is om vertragingen in de beroepsprocedures zo veel mogelijk te voorkomen en het voor de rechter mogelijk te maken om binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen, een rechtmatig doel is.
In haar uitspraak van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2672, heeft de Afdeling bovenstaande bevestigd en geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de beperkte termijn voor het aanvoeren van beroepsgronden zoals opgenomen in artikel 1.6a van de Chw zich niet verdraagt met artikel 6 van het EVRM.
33
Wij zien geen aanleiding voor het oordeel dat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijze over het ontwerpbe34
stemmingsplan van zes weken, zoals neergelegd in artikel 3:16 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Hierbij merken wij op dat gedurende deze termijn de mogelijkheid openstaat om een pro forma zienswijze naar voren te brengen. Indiener 12 heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling van een schending van artikel 6 van het EVRM geen sprake.
Verdrag van Aarhus Anders dan de Europese Unie en haar lidstaten zijn de gemeente Bergen en haar bestuursorganen geen partij bij het Verdrag van Aarhus. Vaste jurisprudentie van de Afdeling leert dat van rechtstreekse werking van de bepalingen van een richtlijn enkel sprake kan zijn in gevallen van incorrecte implementatie of indien de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk is verzekerd. Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB 2003 L 156/17), strekt mede tot uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Aarhus. Richtlijn 2003/35/EG voorziet onder meer met betrekking tot artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus in een wijziging van Richtlijn 85/337/EG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 1985 L 175),
nadien vervangen door Richtlijn 2011/92/EU (codificatie) van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012 L 26; hierna: de MER-richtlijn). In dit kader is aan artikel 6 van de MER-richtlijn een vierde lid toegevoegd dat bepaalt dat het betrokken publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de in artikel 2, tweede lid, van de richtlijn bedoelde milieubesluitvormingsprocedures dient te krijgen en daartoe het recht heeft, wanneer alle opties open zijn, opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s) voordat het besluit over de vergunningaanvraag wordt genomen. De artikelen 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, vijfde lid, van het Besluit milieueffectrapportage, en de artikelen 7.11 en 7.32 van de Wet milieubeheer, in samenhang met de artikelen 3.8 en 3.35, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht strekken mede ter uitvoering van artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn. Deze bepalingen brengen met zich dat een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerpplan met inbegrip van het MER.
In haar uitspraak van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2672 heeft de Afdeling geoordeeld dat inspraak over het ontwerpbesluit vroegtijdige inspraak is op een moment dat alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Gelet hierop is artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn in zoverre correct geïmplementeerd. In hetgeen reclamant naar voren brengt geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de volledige toepassing van de richtlijn in zoverre niet daadwerkelijk is verzekerd. Gelet hierop is van rechtstreekse werking van artikel 6, vierde lid, van de MER-
35
richtlijn geen sprake. Ten overvloede merken wij op dat voorafgaand aan het ont-
36
werpbestemmingsplan een voorontwerpbestemmingsplan is opgesteld en ter inzage is gelegd. Iedereen is uitgenodigd om op het voorontwerpbestemmingsplan te reageren. Uit het voorgaande volgt dat met de inspraakprocedure over het ontwerpplan, de overige ontwerpbesluiten en het daarbij behorende MER is voldaan aan het vereiste uit artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn. Met deze procedure is dan ook een inspraakmogelijkheid geboden op een vroeg genoeg moment, in overeenstemming met artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn. De zienswijze kan niet worden gevolgd. 7.3
Indiener is van mening dat, indien de gemeenteraad
In het MER is toegelicht dat ten aanzien van laagfrequent geluid
De zienswijze leidt tot
definitief de besluiten vaststelt zonder wijziging, deze
de huidige norm zoals vastgesteld in het Activiteitenbesluit
aanpassing van de
besluiten de toets van rechtmatigheid niet kunnen doorstaan.
milieubeheer voldoende bescherming biedt. Ook wordt in bijlage
toelichting van het
Er is immers geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat
5 (gezondheid) nader ingegaan op de huidige stand der kennis
bestemmingsplan.
gegarandeerd:
omtrent gezondheidseffecten van windturbinegeluid. De
•
Bij een planologische afweging moet u nagaan of er
gemeente deelt de visie niet dat er geen sprake is van een
sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is
aanvaardbaar woon- en leefklimaat en hiermee een goede
niet relevant of aan de geldende (milieu)eisen wordt
ruimtelijke ordening.
voldaan maar dient ook te worden nagegaan of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook
In het MER is bovendien aan de hand van de methode Miedema
indien aan geldende (milieu)eisen wordt voldaan, kan
geoordeeld dat met betrekking tot geluid sprake is van een
toch de conclusie worden getrokken dat geen aanvaard-
aanvaardbaar leefklimaat. Dit zal in de toelichting van het
baar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.
bestemmingsplan worden aangevuld.
Hetzelfde geldt als op dit moment nog onvoldoende dui-
•
delijkheid bestaat over de effecten van deze windturbi-
Ook ten aanzien van alle andere aspecten die bij de onderbou-
nes, bijvoorbeeld met betrekking tot laagfrequent en
wing van dit plan zijn betrokken concluderen we dat sprake is
infrasoon geluid.
van een goede ruimtelijke ordening.
Als gemeenteraad hebt u een grote mate van beleids-
en beoordelingsvrijheid. Om een gedegen en afgewogen besluit te kunnen nemen, dient u zich ervan te verge37
wissen dat na het oprichten het energielandgoed een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Indien er teveel onzekerheid bestaat over deze garantie, dan moet u afzien van het nemen van een besluit waarmee het energielandgoed als initiatief planologisch mogelijk wordt gemaakt. Dit geldt uiteraard ook voor de noodzakelijke vergunningen die met het initiatief zijn gemoeid. In deze zaak betreffen dit diverse omgevingsvergunningen -te weten voor het windpark en zonnepark- en een watervergunning. 7.4
Indiener stelt dat de nut en noodzaakt ontbreekt. Zoals reeds
Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze
De zienswijze leidt niet
aangegeven blijkt dat de doelstelling van 0,87 PJ perjaar aan
verwijzen we naar de thematische beantwoording in hoofdstuk 3
tot aanpassing van het
grootschalige duurzame energieopwekking ruim gehaald kan
van deze nota.
bestemmingsplan of de
worden met gebruikmaking van alleen zon. Vanuit ruimtelijke
omgevingsvergunningen.
ordeningsoogpunt en de duurzaamheidsdoelstelling die er ligt, is een energieproject van de thans gekozen omvang niet nodig. In het bijzonder betreft dit de mogelijkheid voor de plaatsing van windturbines. Het energieproject levert een onevenredige impact op voor het woon- en leefklimaat van indiener. 7.5
7.6
Indiener stelt dat het alternatieven onderzoek gebrekkig is.
Eén van de doelstellingen voor het Energielandgoed Wells Meer
De zienswijze leidt niet
Er zijn geen passende alternatieven onderzocht die aanslui-
is het opwekken van duurzame energie met behulp van verschil-
tot aanpassing van het
ten op de duurzaamheidsdoelstelling. Dit terwijl die er
lende bronnen. Doordat andere technieken niet als voldoende
bestemmingsplan of de
simpelweg wel zijn. Zo had kunnen worden gekozen voor de
haalbaar zijn geacht, is uiteindelijk gekozen voor wind- en
omgevingsvergunningen.
aanleg van alleen zonnevelden. Een alternatief dat in
zonne-energie. We verwijzen hiervoor ook naar de thematische
mindere mate inbreuk maakt op het woon- en leefklimaat
beantwoording in hoofdstuk 3 van deze nota met betrekking tot
van indiener.
de meeropbrengst van het energielandgoed.
Indiener stelt dat de gekozen inrichtingsvariant onevenredige
In het MER zijn meerdere opstellingen voor windenergie
De zienswijze leidt niet
38
nadelen met zich meebrengt voor hem. Het perceel wordt
onderzocht. Uit de drie onderzoeksmodellen is gebleken dat
tot aanpassing van het
strak omsloten door velden met zonnepanelen en een
zowel ten aanzien van geluidhinder als ten aanzien van ecologie
bestemmingsplan of de
windturbine wordt op circa 250 meter van het landgoed en
de plaatsing van windenergie in het midden van het plangebied
omgevingsvergunningen.
circa 400 meter van de woonbestemming van indiener
geringere negatieve effecten tot gevolg hebben. Op basis van
gesitueerd. Indiener zou graag zien dat de dichtstbijzijnde
deze input zijn de drie opstellingsvarianten ontworpen, waaruit
windturbine verdwijnt of anders wordt gesitueerd. Een
het grote cluster als voorkeur naar voren is gekomen, dat tevens
windturbine minder is een praktische oplossing, aangezien de
in het bestemmingsplan is opgenomen.
windturbines niet noodzakelijk zijn om de energiedoelstellingen te bereiken en heeft voorkeur van de indiener. Daarnaast zijn er volgens indiener ook mogelijkheden voor verplaatsing. In onderstaande afbeelding is de voor indiener meest logische oplossing weergegeven, maar er zijn uiteraard ook andere oplossingsvarianten mogelijk (lijnopstelling, draaien cluster). Belangrijk is dat de windturbines op grotere afstand van de woning van indiener komen te liggen dan nu het geval is.
Oplossingsmogelijkheid: verplaatsing windturbine naar rode ster 39 7.7
Indiener kan net als de commissie MER, niet volgen hoe
Voorafgaand aan de besluitvorming is de afweging ten aanzien
De zienswijze leidt niet
gekomen is tot het voorkeursmodel en de varianten daarbin-
van het voorkeursmodel aangevuld. Hierin wordt nader ingegaan
tot aanpassing van het
nen. Voor zover al wordt gekozen voor dit voorkeursmodel
op de overwegingen van de gemeente tijdens het afwegen van
bestemmingsplan of de
stelt indiener dat ook andere varianten binnen dit voor-
het voorkeursmodel ten aanzien van zonne-energie en de drie
omgevingsvergunningen.
keursmodel mogelijk zijn (waaronder de onder 7.6 genoem-
varianten ten aanzien van windenergie. Voor een uitgebreidere
de mogelijkheden). Als de ontwerpbesluiten zonder wijziging
beantwoording van deze vraag verwijzen naar onze reactie op
en nadere toelichting worden vastgesteld, missen de
het advies van de commissie MER.
besluiten een zorgvuldige belangenafweging en deugdelijke onderbouwing. 7.8
Indiener stelt vast dat het energieproject leidt tot horizon-
Voor de beantwoording van deze zienswijze verwijzen we naar
De zienswijze leidt niet
vervuiling. Uiteraard is dat altijd het geval bij het plaatsen
onze beantwoording bij zienswijze 7.5 en de thematische
tot aanpassing van het
windturbines, maar het plaatsen van deze turbines kan
beantwoording in hoofdstuk 3 van deze nota met betrekking tot
bestemmingsplan of de
achterwege blijven als voor andere alternatieve energiebron-
de meeropbrengsten van het energielandgoed.
omgevingsvergunningen.
In de MER is voor de gekozen modellen uitvoerig onderzoek
Er is zowel voor de onderzoeksmodellen als voor het voorkeurs-
De zienswijze leidt niet
verricht naar de schaalniveaus. Echter indiener kan zich op
model inclusief de drie varianten, onderzoek verricht naar de
tot aanpassing van het
basis van de gekozen variant nu geen beeld vormen hoe het
effecten op landschap. De effecten van de zonnevelden, -parken
bestemmingsplan of de
aspect horizonvervuiling nu moet worden beoordeeld.
en de windturbines op het landschap zijn hiermee voldoende
omgevingsvergunningen.
Immers de nu gekozen situering in de ontwerpbesluitvorming
inzichtelijk om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen ten
nen wordt gekozen. Concreet valt te denken aan zonneparken in reeds bebouwd gebied of zonnepanelen op gebouwen. Uit de MER is af te leiden dat op zichzelf ook met het aanleggen van zonnevelden kan worden volstaan. In het kader van een zorgvuldige belangenafweging en deugdelijke onderbouwing in het kader van een goede ruimtelijke ordening is het voor indiener onbegrijpelijk waarom het initiatief zich bijvoorbeeld niet heeft beperkt tot zonnevelden. 7.9
wijkt hiervoor teveel af van de modellen waarnaar onderzoek
aanzien van het bestemmingsplan en bijbehorende vergunnin-
is verricht.
gen.
Het ontwerpplan is volgens indiener in strijd met de zon-
We verwijzen voor de beantwoording van deze vraag naar de
De zienswijze leidt niet
neladder die voortkomt uit de bijbehorende uitvoeringsagen-
thematische beantwoording in hoofdstuk 3 van deze nota met
tot aanpassing van het
da bij de Nationale Omgevingsvisie. De zonneladder zet in op
betrekking tot de zonneladder.
bestemmingsplan of de
40 7.10
het 'beperken van de benutting van landbouwgrond en
omgevingsvergunningen.
natuur voor de energieopwekking' en benoemd de volgorde waarin de zonnepanelen gerealiseerd moeten worden. 7.11
Indiener stelt dat er sprake is van strijd met de Provinciale
In paragraaf 3.2.1. van de toelichting van het bestemmingsplan
De zienswijze leidt niet
verordening. Er is onvoldoende onderbouwing voor wat
is onderbouwd waarom met het plan is afgeweken van het
tot aanpassing van het
betreft de locaties van de windturbines. In de provinciale
beleid uit het provinciaal omgevingsplan om windturbines zoveel
bestemmingsplan of de
verordening wordt uitgegaan van twee strategieën voor de
mogelijk in voorkeursgebieden te realisaren. Voor de locatiekeu-
omgevingsvergunningen.
windopstellingen. In de plaatsingsvisie valt te lezen dat
ze van het Energielandgoed is een zorgvuldige afweging
nieuwe ontwikkelingen met name plaatsvinden in de
gemaakt, waaruit blijkt dat het Wells Meer het meest geschikt is.
voorkeursgebieden. Eveneens is aangegeven dat bij de
Met uitzondering van uitsluitingsgebieden voor windturbines is
planning of de bouw van turbines vooraf afspraken worden
het beleid met betrekking tot windturbines niet verwerkt in een
vastgelegd over de sloop van de turbines.
regeling in de Provinciale verordening. Het plangebied ligt niet binnen een uitsluitingsgebied en het plan is derhalve niet in
De projectlocatie is gesitueerd buiten de aangewezen
strijd met de Provinciale verordening. Bovendien is het plan
voorkeursgebieden. Gelezen de toelichting en de MER valt
voorgelegd aan de provincie Limburg en hebben zij geen
niet in te zien waarom in redelijkheid tot het besluit kan
bezwaren geuit tegen de realisatie van windturbines op deze
worden gekomen om windturbines te realiseren buiten deze
locatie.
voorkeurslocaties. Hier speelt mede mee dat (zoals meermaals al is aangegeven) de windturbines ook niet noodzakelijk zijn. 7.12
Indiener stelt dat er sprake is van strijd met de provinciale
Zoals indiener stelt gaat dit beleid van de provincie over
De zienswijze leidt niet
Omgevingsvisie. Hieruit blijkt dat bij de land- en tuinbouw
alternatieve energiebronnen bij agrarische bedrijven. Hier is in
tot aanpassing van het
wordt ingezet op de ondersteuning van alternatieve energie-
het Energielandgoed geen sprake van en dit beleid is dan ook
bestemmingsplan of de
bronnen bij bedrijfsprocessen. Het beoogde plan is in deze
niet relevant voor het Energielandgoed en het bestemmingsplan.
omgevingsvergunningen.
aanpak niet passend, omdat nu primair wordt ingezet op
duurzame energiebronnen en het agrarisch gebruik ondergeschikt wordt gemaakt. Dit volgt ook uit de planregels, artikel 41
5. In de doeleindeomschrijving behorende bij de bestemming Energielandgoed (artikel 5) is aangegeven dat de gronden ook zijn bestemd voor 'agrarisch medegebruik'. 7.13
Indiener stelt dat de besluiten ook in strijd zijn met het
De besluiten zijn in lijn met, dan wel gemotiveerd in afwijking
De zienswijze leidt niet
gemeentelijk beleid, specifiek de Structuurvisie Energieland-
van de structuurvisie. Op hetgeen indiener stelt wordt specifiek
tot aanpassing van het
goed Wells Meer. In de structuurvisie is in paragraaf 4.2
in paragraaf 16.3.5 van het MER ingegaan.
bestemmingsplan of de
aangesloten bij de onderliggende MER. Daarin zijn rand-
omgevingsvergunningen.
voorwaarden opgenomen. Hiervan kan niet worden afgewe-
De in de structuurvisie aangehouden aandachtsgebieden zijn
ken, immers het gaat om randvoorwaarden. Bij het aspect
gebaseerd op aanwezige woonbestemmingen. In het bestem-
'slagschaduw' is duidelijk aangegeven dat de plaatsing van
mingsplan Energielandgoed Wells Meer wordt de woning aan
windturbines plaatsvindt aan de noordzijde van woningen.
Wellsmeer 1a geamoveerd. Daardoor verandert de begrenzing van de aandachtsgebieden.
Ook is in deze structuurvisie een visiekaart opgenomen. Daarin zijn aandachtsgebieden terug te vinden voor windtur-
De locatieafweging in het bestemmingsplan is zorgvuldig
bines. Gelet op de ligging van deze aandachtsgebieden en de
uitgevoerd en herleidbaar in het MER.
situering van de windturbines ten opzichte van het landgoed is de keuze voor de locaties van de windturbines onbegrijpelijk. Aandachtsgebieden zijn gebieden waarbinnen de situering van windturbines binnen vuistregelafstanden komt te liggen. Drie van de vierwindturbine liggen buiten of nagenoeg aan de rand van deze aandachtsgebieden. De vierde windturbine is ver binnen het aandachtsgebied gesitueerd. Deze laatste windturbine is ook de windturbine die het dichtst gelegen is bij het perceel van cliënt. Uiteraard snapt indiener dat het om 'aandachtslocaties' gaat en dit de situering van windturbines niet uitsluit. Echter mede gelet op het vorige punt en de visiekaart moet
worden geconcludeerd dat zonder wijziging van de plannen u niet in redelijkheid tot de situering van deze vierde windtur42
bine kan komen. Immers u moet wel rekening houden met de structuurvisie en de inhoud van deze visie in voldoende en zorgvuldige mate betrekken in uw belangenafweging en motivering. 7.14
In het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd, is getoetst
In het akoestisch onderzoek zijn gevels van omliggende
De zienswijze leidt tot
aan het Besluit regels voor inrichtingen milieubeheer
geluidgevoelige objecten als toetspunt opgenomen. Dit neemt
aanpassing van de
(Activiteitenbesluit). Het voldoen aan de normstelling van het
echter niet weg dat kaartbeelden, zoals bijlage 19 van het
toelichting van het
Activiteitenbesluit betekent niet automatisch dat een
akoestisch onderzoek, inzicht geven in de geluidsbelasting op de
bestemmingsplan.
aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Zo
omgeving, waartoe ook tuinen behoren. In de betreffende
wordt er in het kader van de beoordeling van het Activitei-
bijlage 19 is reeds rekening gehouden met cumulatief geluid van
tenbesluit via een omstreden rekenmodel beoordeeld of aan
windturbines. Naast deze informatie, is tevens met behulp van
de norm op de gevel van de woning wordt voldaan, terwijl
de methode Miedema berekend welke toekomstige geluidssitua-
bij de beoordeling van een aanvaardbaar woon- en leefkli-
tie er zal ontstaan bij de geluidgevoelige objecten. Dit gezamen-
maat een bredere beoordeling moet plaatsvinden. Zo zal ook
lijk maakt dat ten behoeve van de besluitvorming verder is
moeten worden aangetoond dat er niet alleen aan de gevel,
gekeken dan de wettelijke normen in het Activiteitenbesluit
maar ook in de tuin en in de woning, sprake is van een
voorschrijft. We zullen de onderbouwing in de toelichting
aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De Afdeling heeft al
hierover aanvullen.
vaker aangegeven dat het al dan niet voldaan aan de in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer gestelde eisen niet zonder meer betekent dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (ABRvS 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2137, r.o., 9.3). Er is geen onderzoek gedaan naar het geluidniveau in de tuin en woning. Op het perceel van indiener ligt een bestemming wonen, hetgeen bewoning mogelijk maakt in de brede zin. Met het geluidniveau op het perceel, specifiek in de tuin en de woning moet rekening worden gehouden. Daarbij komt dat in Nederland een norm is gesteld in de
vorm van 47 dB-Lden en 41 dB-Lnight. Dit zijn beide normen waarbij er sprake is van een jaargemiddelde waarbij er op 43
sommige dagen en in sommige nachten meer geluid geproduceerd mag worden indien op een andere dag of in een andere nacht het geluidsniveau weer lager ligt. Uit het onderzoek "Beoordeling van laagfrequent geluid van windturbines in Maastricht” van Henrik Mpiller, Steffen Pedersen, Jan Kloster Staunstrup en Christian Sejer Pedersen (Sectie akoestiek, Vakgroep ruimtelijke ontwikkeling en ordening, Universiteitvan Aalborg, Denemarken) van 10 april 2012 blijkt ook dat deze norm niet voldoet. Hieruit volgt dat met het voldoen aan de dB-Lden en db-Lnight, geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, omdat de normstelling op gemiddelden is gebaseerd. 7.15
Naast het "reguliere" geluid, is er bij windturbines ook sprake
In diverse uitspraken met betrekking tot windparken ( 4 mei
De zienswijze leidt niet
van laagfrequent geluid. Door de Staatssecretaris van
2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1228 (rijksinpassingsplan "Windpark
tot aanpassing van het
infrastructuur en milieu is op 31 maart 2014 een brief aan de
Wieringermeer") r.o 49.2; 20 december 2017,
bestemmingsplan of de
Tweede Kamer gestuurd over het laagfrequent geluid van
ECLI:NL:RVS:2017:3504 (bestemmingsplan "Buitengebied
omgevingsvergunningen.
windturbines. Daarin wordt geconcludeerd dat de huidige
Hardenberg, Windpark De Veenwieken") r.o. 25.2 en van 21
norm voor geluidhinder van windturbines (47 dB-Lden en 41
februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616 r.o. 120.4 in haar
dB-Lnight) voldoet om laagfrequent geluid te voorkomen.
uitspraak over het (natuurvergunning voor het windpark De
Deze conclusie wordt wellicht ingegeven door de politieke
Drentse Monden en Oostermoer), heeft de Afdeling bestuurs-
wens en doelstelling om energie uit alternatieve energie-
rechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat verweerders
bronnen te halen maar gaat volledig voorbij aan buitenlandse
in die zaken zich onder verwijzing naar de brief van de staatsse-
onderzoeken waaruit blijkt dat de huidige normstelling voor
cretaris, de literatuurstudie van LBP Sight en onderzoeken van
het reguliere geluid onvoldoende is om de hinder en schade
het RIVM in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen
door laagfrequent geluid te voorkomen. Dit blijkt ook uit
stellen dat zich geen onaanvaardbare hinder door laagfrequent
Deense onderzoeken waarnaar ook in het hiervoor aange-
geluid vanwege windturbines zal voordoen. De Afdeling heeft in
haalde rapport van de Deense wetenschappers wordt
de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Ooster-
verwezen.
moer onder verwijzing naar het deskundigenbericht dat in die zaak is uitgebracht voorts overwogen dat niet is te verwachten
Kortom, ook in Denemarken werd door de wetgever gesteld
dat het laagfrequent geluid bij grotere windturbines een
44
dat met de normstelling voor het reguliere geluid ook de
substantieel groter aandeel zal krijgen.
nadelige gevolgen van laagfrequent geluid werden onder-
In hetgeen door indiener naar voren is gebracht zien wij geen
vangen.
aanleiding om bij onderhavig plan en vergunningen tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling. De verwijzing naar de
Uit onderzoeken bleek echter dat dit niet juist was en is een
uitspraak 23 augustus 2017,201607013/1
Deense norm ingevoerd. Door Pondera Consult is in het
(ECLI:NL:RVS:2017:2269) treft geen doel, aangezien in deze
geheel geen onderzoek verricht naar laagfrequent geluid.
uitspraken niet het geluid van windturbines aan de orde was
Zoals ook blijkt uit een recente uitspraak van de Afdeling
maar het laagfrequent geluid als gevolg van muziekevenemen-
Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS 23
ten.
augustus 2017,201607013/1, JM 121 met nt J.S. Haakmeester) in het kader van bestemmingsplanprocedure voor een
In bijlage 5 bij het MER is ingegaan op het onderzoek waar
evenemententerrein, moet duidelijk zijn wat het effect van
indiener naar verwijst. In deze bijlage is voldoende aandacht
laagfrequent is op de binnenwaarde van woningen.
besteed aan de gezondheidseffecten van windturbinegeluid. In paragraaf 4.6 van de toelichting van het bestemmingsplan
Omdat er geen onderzoek is gedaan naar laagfrequent
(gezondheid) wordt verwezen naar deze bijlage en bijbehorende
geluid, kan ook niet worden vastgesteld of een aanvaardbaar
conclusies.
woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Voor zover het standpunt van de gemeente is dat laagfrequent geluid verdisconteerd zit in de wettelijke norm, stelt indiener dat het feit dat aan deze norm is voldaan, nog niet per se sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarbij geldt dat de normen verouderd zijn, mede gezien het feit dat thans grote windturbines zoals de beoogde windturbines worden gerealiseerd. 7.16
Indiener vreest voor onevenredige aantasting van zijn woon-
De afweging op basis van de drie onderzoeksmodellen tot het
De zienswijze leidt tot
en leefklimaat. In het MER is aandacht besteed aan de
voorkeursmodel betreft niet een trechtering van worst-case
aanpassing van de
cumulatieve geluidsbelasting door de situering van het
effecten naar een uiteindelijk meestmilieuvriendelijk alternatief
toelichting van het
windturbines in combinatie met zonnevelden. Uit tabel 17.25
(MMA). De onderzoeksmodellen in het MER zijn gericht op het
bestemmingsplan.
is op te maken dat het klimaat voor indiener van goed naar
verkrijgen van informatie ten behoeve van de locatie van
slecht gaat. Zoals reeds meermaals opgemerkt, is voor een
windturbines in het plangebied (op niveau van zones), en de
voorkeursmodel gekozen dat sterk afwijkt van de onderzoch-
gewenste inrichting ten aanzien van zonnevelden. Vervolgens is
te drie modellen (zoals opgenomen in de MER). De opgeno-
op het niveau van projectMER locatiespecifiek onderzocht wat de
men geluidswaarden zijn dan ook niet representatief om een
effecten zijn van het voorkeursmodel inclusief de drie varianten
vergelijking te (kunnen) maken met het voorkeursmodel en
voor wind. Op basis van deze informatie kan een zorgvuldig
de daarbinnen gekozen situering van de windturbines en
besluit genomen worden over de realisatie van het Energieland-
zonnevelden.
goed Wells Meer.
In ieder geval blijkt dat bij het model 'innovatief uit wordt
Wij volgen indiener in zijn stelling dat de beoordeling of de te
gegaan van worst-case scenario bij 'innovatief' met de
verwachten geluidbelasting op de omgeving acceptabel is, niet
waarde Lnight van 39 dB en de waarde Lden van 45 dB. In
beperkt kan blijven tot de toetsing aan de geluidnormen van het
het gekozen voorkeursmodel gaan alle varianten binnen dit
Activiteitenbesluit milieubeheer. Juist activiteiten die in het
model boven deze geluidwaarden. Van de varianten binnen
Activiteitenbesluit milieubeheer buiten beschouwing blijven
het voorkeursmodel is nu gekozen voor een clustervariant
moeten vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening
'ruim', waarbij de Lnight 42 dB is en de Lden 49 dB is. Hoe
in het ruimtelijkspoor worden meegenomen. Relevante geluids-
gekomen is tot deze voorkeursvariant in het voorkeursmodel
bronnen hierbij zijn:
in relatie tot de drie modellen is vanuit optiek van cliënt
a) laden en lossen in de dagperiode (voor het maximaal
onbegrijpelijk. Het geluidsniveau waarmee cliënt te maken
geluidniveau);
krijgt overstijgt het aantal dB van de onderzochte drie
b) stemgeluid van bezoekers;
modellen.
c) indirecte hinder van verkeer van en naar de inrichting en;
Verder heeft voor de mogelijk gemaakte horeca-functie en
Ad a) en b) Relevante laad- en losactiviteiten zijn enkel te
boulevardfunctie (met daarbinnen een bedrijfsverzamelge-
verwachten in de Energieboulevard. Relevante emissie van
bouw en bezoekerscentrum), geen geluidsonderzoek
stemgeluid van bezoekers is enkel te verwachten nabij het
plaatsgevonden. Ook mede in het kader van een goed woon-
geprojecteerde bezoekerscentrum. Gelet op de afstanden tot
en leefklimaat moet hierbij ook het geluid worden betrokken
geluidgevoelige gebouwen is een bijdrage aan de geluidbelas-
buiten de kaders van het Activiteitenbesluit en Wet geluid-
ting ter plaatse van deze objecten die van invloed kan zijn op
hinder. Het feit dat voldaan wordt aan de regelgeving van
het woon- en leefklimaat niet te verwachten. Zoals onderbouwd
het Activiteitenbesluit of de Wet geluidhinder betekent nog
in paragraaf 4.4.2. van de toelichting van het bestemmingsplan
niet dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
wordt ruim voldaan aan de richtafstanden uit de publicatie bedrijven en milieuzonering. Hiermee wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Ad c) Het verkeer van en naar inrichtingen buiten die inrichtingen dat aan die inrichtingen kan worden toegerekend maakt deel uit van de totale verkeersaantrekkende werking van het energielandgoed. De geluidemissies zijn meegenomen in het
45
akoestisch onderzoek waarvan de rapportage is opgenomen in bijlage 7 van het milieueffectrapport. Aan de hand van de 46
methode Miedema is geoordeeld dat hier sprake is van een aanvaardbaar leefklimaat en hiermee een goede ruimtelijke ordening. Dit zal in de toelichting van het bestemmingsplan worden aangevuld.
7.17
Indiener verwijst verder naar de uitspraak van het Europese
Wij kunnen deze zienswijze niet volgen. Ten behoeve van de
De zienswijze leidt niet
Hof van Justitie van 25 juni 2020, ECLI:EU:C:2020:503, naar
voorbereiding van het bestemmingsplan en de omgevingsver-
tot aanpassing van het
aanleiding van prejudiciële vragen in een Belgische kwestie.
gunning milieu voor de windturbines is een milieueffectrapport
bestemmingsplan of de
Kort en goed volgt uit deze uitspraak dat onder artikel 2,
opgesteld. In het MER is, naast de normen uit het Activiteiten-
omgevingsvergunningen.
onder a), van richtlijn 2001/42/EG van het Europees
besluit ten aanzien van geluid en slagschaduw, ook onderzoek
Parlement en de Raad van 27 juni 2001, de term 'plannen en
uitgevoerd naar effecten op de (leef)omgeving onder deze
programma's' breed moet worden uitgelegd. Zo werd het
normen. Hiermee is sprake van een zorgvuldige afweging
besluit en de omzendbrief in deze zaak beide beschouwd als
voorafgaand aan het besluit.
een plan en programma in de zin van de richtlijn. Over het algemene karakter van het besluit en de omzendbrief werd geoordeeld dat hoewel uit de bewoordingen van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001142 volgt dat het begrip 'plannen en programma's' betrekking kan hebben op normatieve handelingen die bij wet of besluit zijn vastgesteld, deze richtlijn juist geen bijzondere bepalingen vereist voor beleid of algemene regelingen die een afbakening ten opzichte van plannen en programma's zijn. Tevens werd geoordeeld dat voor het besluit en de omzendbrief een milieueffectbeoordeling moest plaatsvinden, omdat beide vallen onder artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001142. Het Activiteitenbesluit is een algemene regeling die verschillende bepalingen bevat over de bouw en exploitatie van
windturbines, waaronder maatregelen inzake slagschaduw, veiligheid en geluidsnormen. Het Activiteitenbesluit laat zich 47
daarmee goed vergelijken met het besluit en de omzendbrief die centraal stonden in de voornoemde Belgische zaak. Tevens volgt uit de uitspraak dat een plan of programma ook m.e.r.-plichtig kan zijn zonder dat sprake is van een relatie met de uitvoering van concrete projecten. Een standpunt dat de Afdeling eerder heeft ingenomen, maar gelet op deze Europese uitspraak onjuist is. Indiener wil hiermee aangegeven dat het Activiteitenbesluit dus absoluut niet zonder meer als toetsingskader kan dienen voor de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Tevens geldt dat vanwege het ontbreken van een milieuffectenbeoordeling, ook geen ontwerpvergunningen kunnen worden afgegeven voor de bouw en oprichting van een windturbinepark en/of de bouw van zonnevelden. 7.18
Indiener stelt dat de onderbouwing voor het aspect trillings-
In Nederland is onder andere in de Eemshaven gemeten aan
De zienswijze leidt niet
hinder een deugdelijke onderbouwing ontbeert. Met een
bestaande grote windturbines (Fugro, 2016), om de trillingen die
tot aanpassing van het
korte verwijzing naar een eerdere brief, gestuurd door de
optreden tijdens de exploitatie bij verschillende windsnelheden
bestemmingsplan of de
Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, zeven jaar
in beeld te brengen. Uit dit onderzoek blijkt dat op een afstand
omgevingsvergunningen.
geleden, wordt het volgende geciteerd:
van 15 meter van de windturbine de trillingen als gevolg van de
"de bewering in enkele literatuurbronnen dat ook overdracht
windturbine niet boven het niveau van de achtergrond trillingen
door de grond plaats vindt is ongegrond, hetgeen blijkt uit
uitkomen. Nu is de huidige activiteit in het Wells Meer niet één
nauwkeurige metingen van trillingsniveaus in de bodem
op één vergelijkbaar met de Eemshaven, wel is de afstand van
rondom windturbines".
woningen tot de windturbines vele malen groter dan enkele tientallen meters, waardoor er geen sprake is van een meetbaar
Met deze onderbouwing moet indiener het doen. In het
effect. De verwijzing naar de brief van de Staatsecretaris van
kader van een zorgvuldige toetsing aan het woon- en
Infrastructuur en Milieu is derhalve nog altijd relevant en
leefklimaat mag cliënt op zijn minst een locatiespecifieke
voldoende.
onderbouwing verwachten op het gebied van trillingshinder. Immers, het draaien van de wieken veroorzaakt trillingen in 48
de mast van de windturbine, die vervolgens via de fundering worden doorgegeven aan de bodem. Een specifieke aanduiding op welke manier het opvangen van trillingen van de mast in de fundatie plaatsvindt, onderbouwd door berekeningen, is op zijn plaats. Zonder een (nadere) onderbouwing kan niet worden gesteld dat er geen sprake zal zijn van trillingen. 7.19
Indiener vreest voor hinder door lichtreflectie bij een
Bijlage 3 is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan
De zienswijze leidt tot
ongewijzigde vaststelling van de ontwerpbesluiten. Noch uit
‘Buitengebied 2018’. Het betreft de voorwaardelijke verplichting
aanpassing van de
de toelichting, noch in de MER is aandacht besteed aan de
voor het realiseren en instandhouden van een landschappelijk
toelichting van het
overlast die door lichtreflectie kan worden ervaren. Er is
inpassingsplan voor de Wezerweg 16a. Dit hebben we echter in
bestemmingsplan.
geen inzicht verschaft door middel van een lichtreflectieon-
de toelichting van het bestemmingsplan niet toegelicht, wat we
derzoek. Op dit punt ontbeert het ontwerpplan, alsmede de
in het vast te stellen plan zullen aanvullen.
vergunning voor de zonnevelden een zorgvuldige belangenafweging en deugdelijke onderbouwing.
In het bestemmingsplan ‘Energielandgoed Wells Meer’ is in paragraaf 4.6 een onderbouwing met betrekking tot het aspect
Indiener geeft aan het te moeten doen met een kaartje in
gezondheid opgenomen. Hierin is onder andere lichtreflectie van
bijlage 3 bij het ontwerpplan met daarop in rood aangegeven
zonnepanelen meegenomen, waarbij wordt verwezen naar
waar eiken worden ingeplant. Het is volstrekt onduidelijk of
bijlage 5 van het MER. Geconcludeerd wordt dat er geen reden
hiermee lichtreflectie van de zonnepanelen wordt uitgeslo-
is om aan te nemen dat er negatieve gezondheidseffecten
ten. Er heeft onvoldoende onderzoek plaatsgevonden voor
optreden.
wat betreft het aspect lichtreflectie. 7.20
Indiener stelt dat de planregels onduidelijk zijn:
Wij geven graag een toelichting bij de planregels:
De zienswijze leidt niet
•
•
In artikel 1.61 is het begrip ‘ondergeschikte horeca’
tot aanpassing van het
baan is gegeven voor horeca. Weliswaar is in artikel
gedefinieerd: horeca die als activiteit naar oppervlakte en
bestemmingsplan of de
5.1.1 opgenomen dat het moet gaan om ondergeschikte
ruimtelijke uitstraling ondergeschikt is aan de volgens het
omgevingsvergunningen.
horeca, echter het begrip 'horeca' is niet nader gedefini-
bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie. Dit betekent dat
eerd.
de ruimtelijke uitstraling nooit groter kan zijn dan de hoofd-
Verder staat in artikel 5.2.4. van het ontwerpbestem-
functie bezoekerscentrum en bedrijfsverzamelgebouw. In de
•
Het woon- en leefklimaat is niet gewaarborgd nu ruim
mingsplan de hoogtes van de zonnepanelen beschreven.
toelichting is in hoofdstuk 4.4 geconcludeerd dat deze beide
Nergens in de planregels staat de maximale hoogte van
functies geen aantasting veroorzaken voor het woon- en
de zonnepanelen met de functieaanduiding 'specifieke
leefklimaat. Dit zal ook opgaan voor de ondergeschikte ho-
vorm van bedrijven - zonnevelden' beschreven. Ook is
reca bij deze functies.
het bebouwingspercentage dat geldt voor de functie-
•
49
In artikel 5.2.4. is opgenomen dat de bouwhoogte van zonnepanelen niet meer mag bedragen dan 1,60 meter en
aanduiding zonnevelden onduidelijk.
het bebouwingspercentage niet meer dan 75% ten opzichte van het bestemmingsvlak. Hierop is geen uitzondering gemaakt voor zonnepanelen ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – zonnevelden’. Dit betekent dat hier geen andere bouwhoogtes, of –percentages gelden. 7.21
•
In artikel 5.3.1 zijn regels opgenomen die het aspect
De zienswijze leidt niet
aspecten voorwaardelijke verplichtingen mist om een goed
externe veiligheid in het plan borgen, voor zover dit niet
tot aanpassing van het
woon- en leeflimaat te borgen:
met andere wet- en regelgeving verzekerd is. In het ont-