bij Toelichting na zienswijze Heereweg 128 Schoorl.pdf
Tekst van het document
2 3
De woningbouwproductie moet omhoog, waarbij binnenstedelijk bouwen de voorkeur heeft. De afstemming binnen de regio gebeurt via op te stellen 'woonakkoorden' tussen provincie en gemeenten. Tot dat de woonakkoorden zijn gesloten wordt voor de behoefte uitgegaan van de provinciale woningbouwmonitoren en de RAP’s.
d
.
:
n
.
.
.
:
.
5
.
.
.
.
fl
4
26
4
1
8
7
6
5
4
3
2
1
3
2
1
4.3.
Betekenis voor het planvoorneme Het plan betreft een perceel aan een dorpslint waar een stedelijke functie (horecabestemming) wordt gewijzigd naar een woonfunctie, waarbij een bestaand (woon)gebouw wordt omgevormd naar 5 appartementen en 2 nieuwe bouwvlakken voor wonen in het plangebied wordt ingepast. Met deze ontwikkeling wordt bijgedragen aan het doel van de provincie en de speerpunten uit de Woonagenda om voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen te realiseren. Ook sluit het planvoornemen aan bij de ruimtelijke uitgangspunten waarbij ruimte wordt gegeven voor woningbouw uitgaande van zorgvuldig ruimtegebruik. De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de Woonagenda provincie NoordHolland 2020 - 2025
n
.
27
Regionaal belei
4.4.
Regionaal Actie Programma regio Alkmaar
Het Regionaal Actie Programma 2016 - 2020 (RAP) geeft de belangrijkste ambities en afspraken op het gebied van wonen weer in de regio Alkmaar (waaronder de gemeente Bergen), inclusief de acties hoe hier te komen. In het RAP zijn een aantal afspraken vastgelegd. Een van de afspraken is dat er gekozen wordt voor versterking van de woningmarktsegmenten waar een tekort van is. De vergrijzing en de huisvesting van (andere) zorgbehoevenden zijn belangrijke thema’s binnen de regio. De behoefte aan levensloopbestendige woningen is groot. Betekenis voor het planvoorneme Het planvoornemen betreft het toevoegen van 6 woningen, waarvan 4 in bestaande bebouwing en 2 als nieuw te bouwen woningen. In de RAP is af te lezen dat de gemeente Bergen moeite heeft te voorzien in de uitbreidingsbehoefte tot 2026. Het beoogde woonprogramma gaat onder meer uit van het toevoegen van woningen voor senioren die levensloopbestendig zijn. Een levensloopbestendige woning wordt doorgaans omschreven als een huis dat zo is aangepast of gebouwd, dat de bewoners er hun hele leven in kunnen wonen. Zelfs als er zorg nodig is of als de bewoners slecht ter been zijn. De nieuwe bouwvlakken voor 2 vrijstaande woningen zorgen tezamen met de seniorenwoningen voor een gevarieerd aanbod.
Vanuit de visie om meer woningen te creëren, de beoogde doelgroep en hergebruik van bestaande opstallen worden woningen toegevoegd die bijdragen aan de versterking van de woningmarktsegmenten. Er kan gesteld worden dat het plan past binnen de uitgangspunten van de woonvisie 4.4.
Woningbouwafspraken en programmering regio Alkmaa
De notitie 'Woningbouwafspraken en programmering regio Alkmaar’ vloeit voort uit de RAP. Deze notitie betreft een uitwerking van de ambities en opgaven, programmering- en woningbouwafspraken. Het doel van deze notitie is om de afspraken, op inhoud en proces, voor de komende jaren in de regio Alkmaar verder te concretiseren. Belangrijke onderbouwing voor de afspraken zijn de uitkomsten van het woningmarktonderzoek De regio Alkmaar staat voor een vitale en aantrekkelijke regionale woningmarkt voor eigen inwoners en als functioneel onderdeel van de Amsterdamse metropool, nu en in de toekomst. Daarbij wordt gewerkt naar een balans tussen vraag en aanbod op de woningmarkt op de korte en lange termijn. Om deze ambitie te realiseren zijn er een vijftal opgaven Om deze ambitie te realiseren zien we een vijftal opgaven Bouwtempo moet stevig omhoog om huidige druk op de markt het hoofd te biede Flexibiliteit cre ren in planvoorraa Inzet op diversiteit aan woonmilieu Voorkomen van verdringin Inspelen op lange termijn behoeft
r
:
:
.
s
e
d
n
g
.
d
ë
n
2
1
28
4
5
4
3
2
1
4.
Afspraak 1 Afspraak 2: Afspraak 3: Afspraak 4:
Afspraak 5: Afspraak 6: Afspraak 7: Afspraak 8: Afspraak 9:
we zetten in op een versnelling in realisatie van woningbou we zetten in op een woningaanbod dat aansluit bij de vraa we kiezen voor versterking van woningmarktsegmenten waar we tekort van hebbe we zetten in op een gezamenlijke aanpak voor de regionale behoefte, daarbij maken we onderscheid tussen projecten die zich richten op de regionale, lokale en bovenregionale behoefte De planvoorraad toetsen we continu aan de marktvraag en realitei we kiezen voor plannen die een ruimtelijke versterking van onze regio betekene we werken vanuit de bedoeling van de Ladder voor duurzame verstedelijkin we streven naar een duurzame voorraad in Regio Alkmaa we zitten als Regio Alkmaar dicht op de markt en monitoren de ontwikkelingen in nieuwbouw en bestaande voorraa
Betekenis voor het planvoorneme Voorliggend planvoornemen zet een horecabestemming en de daarbinnen geldende woningen(en) om naar een woonbestemming met burgerwoningen. De erfstructuur krijgt een kwaliteitsimpuls. Deze omzetting biedt de mogelijkheid om een extra woning te realiseren. Hiermee wordt aansluiting gezocht met de afspraak om de realisatie van woningbouw, waar dat kan, te versnellen. Het initiatief is niet in strijd met de RAP en de daaruit voortvloeiende woningbouwafspraken en programmering. Geconcludeerd mag worden dat het voorgenomen plan niet in strijd is met de woningbouwafspraken en programmering regio Alkmaar 4.4.
Regionale woonvisie Regio Alkmaar 2013 - 202
De regionale woonvisie legt kaders vast voor de lokale woonvisies van de gemeenten en geeft richting voor afspraken met marktpartijen. Daarbij wordt voldoende ruimte overgelaten om op de lokale behoefte in te spelen. De woonvisie geeft richting en zorgt ervoor dat gemeenten van elkaar weten wat ze doen en waar ze elkaar kunnen aanvullen en versterken. Hiermee wordt voorkomen dat onderlinge concurrentie ontstaat en kansen in de regio onbenut blijven. Kansen die de regio samen met marktpartijen moet zien te benutten De regio Alkmaar werkt intensief samen maar er is geen bestuurlijk orgaan dat besluiten kan nemen over het woningbouwprogramma of het woonbeleid in de regio. Dit betekent wel dat de gemeenten en (woning)marktpartijen samen afspraken maken over ieders bijdrage en rol op het terrein van wonen. Het podium van die afspraken is het PORA Wonen (Portefeuillehouderoverleg Regio Alkmaar) waarin naast de 8 gemeenten ook de corporaties en huurdersbelangen vertegenwoordigd zijn. De regionale woonvisie wordt vastgesteld door de 8 gemeenteraden. De regionale gemeenten zijn daarmee verantwoordelijk voor het regionaal woonbeleid
.
:
.
w
g
r
d
0
.
n
.
n
n
g
t
:
29
3
In de regio Alkmaar wordt niet begonnen op nul. In het RAP hebben de gemeenten in de regio Alkmaar al een aantal afspraken gemaakt. Deze notie gaat uit van een actualisatie en verdere concretisering van de bestaande woningafspraken. Inmiddels is er sprake van voortschrijdend inzicht, wat leidt tot enkele actualisaties van de afspraken. Dit leidt tot de volgende afspraken
In de regio zijn er volgens de Woonvisie getalsmatig nu geen grote knelpunten maar op termijn kan er schaarste komen in de goedkope voorraad en krijgt de regio met vergrijzing te maken. Wel is er nu sprake van een beperkte doorstroming in zowel koop als huur. Naast een kwantitatieve balans is er een verdelingsvraagstuk. Om de markt zijn werk te laten doen en ook in de toekomst de aantallen woningen in balans te houden met de behoefte zal in de Regio Alkmaar slim moeten worden omgegaan met de huidige voorraad, verstandig moeten worden toegevoegd en ‘vinger aan de pols’ ten aanzien van de betaalbaarheid Betekenis voor het planvoorneme Het voorgenomen plan past binnen de uitgangspunten van de regionale Woonvisie Regio Alkmaar. Het plan bestaat uit het ruimtelijk inpassen van enkele woningen op een aantrekkelijke locatie. Totaal worden 6 woningen toegevoegd, waarvan 4 in bestaande een bestaand (woon)gebouw en 2 nieuwe in de vorm van bouwvlakken voor vrijstaande woningen. Het aandeel sociaal is 40%. Bij besluit van de gemeenteraad van Bergen (NH.) is de sociale koopgrens naar 325.000 euro verhoogd. Om aan te haken bij dat besluit worden in voorgenomen plan 2 sociale koopwoningen van maximaal 325.000 euro gerealiseerd. Het planvoornemen draagt hiermee bij aan een doorstroming welke in de woonvisie nog als beperkt wordt aangeduid
.
n
.
30
4.
Gemeentelijk belei
4.5.
Woonvisie 2015 - 202
Begin 2016 is de lokale woonvisie 'Wonen in de gemeente Bergen 2015-2020' vastgesteld. De gemeente schetst hierin de gewenste ontwikkeling van het wonen tot 2020. Uitgangspunt in de woonvisie is dat er voldoende sociale en betaalbare woningen zijn en dat die woningen sociaal en betaalbaar blijven. Van de nieuwe woningen die worden gebouwd moet 40% betaalbaar (sociaal) zijn De gemeente Bergen streeft naar een kwalitatief goed en gedifferentieerd woningaanbod dat aansluit op de vraag van haar huidige en toekomstige inwoners. Het streven is dat verschillende doelgroepen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en een wooncarrière kunnen maken binnen de gemeente. Hierbij zijn de demogra sche ontwikkelingen een gegeven. De gemeente heeft voor de periode tot 2020 de onderstaande beleidsdoelen geformuleerd - Het zorgen voor een kwalitatief goed woningaanbod (geschiktheid, kwaliteit en duurzaamheid); - Het realiseren van een gedifferentieerd woningaanbod; - Het vergroten van de betaalbaarheid; - Het huisvesten van de huidige en toekomstige inwoners (doelgroepen); - Flexibiliteit en maatwerk. Aan de beleidsdoelen is een uitvoeringsprogramma gekoppeld. De gemeente Bergen richt zich bij het zorgen voor een kwalitatief goed woningaanbod op geschiktheid, kwaliteit en duurzaamheid.
Voor het realiseren van een gedifferentieerd woningaanbod (in huur en koop, in verschillende prijsklassen, in woningen, woningtypen, woonvormen, in wonen en zorg, combinatie wonen en werken, woonconcepten) wordt naar de bestaande woningvoorraad en naar nieuwbouw gekeken. Echter, nieuwbouw vormt slechts een kleine toevoeging aan de al bestaande woningvoorraad. Dit maakt dat oplossingen vooral in de bestaande woningvoorraad gezocht moeten worden. Het streven van de gemeente Bergen is om zoveel mogelijk woningen levensloopgeschikt te maken, zowel in de bestaande voorraad als in de nieuwbouw. Bij nieuwbouw hanteert de gemeente Bergen (NH.) de ladder voor duurzame verstedelijking, met andere woorden eerst herstructureren, dan inbreiden en tenslotte uitbreiden. Verder wil de gemeente Bergen (NH.) bouwen voor de eigen inwoners en voor de regio, de verdeling in woningbouwcategorieën aanpassen, de kansen in woonmilieus benutten en aan het Fonds sociale woningbouw nadere voorwaarden verbinden. De gemeente wil de kansen in de woonmilieus ‘dorps’, ‘landelijk bereikbaar’ en in mindere mate ‘centrum-dorps’ waaruit de gemeente Bergen bestaat, benutten. Dit zijn de woonmilieus waarnaar gevraagd wordt op korte (tot 2020) en lange termijn (2040). Bij exibiliteit onderzoekt de gemeente de mogelijkheden om meer ruimte te bieden in bestemmingsplannen en wet- en regelgeving.
De gemeente Bergen wil maatwerk bieden bij differentiatie in woningen, woningtypen, woonvormen, in wonen en zorg, de combinatie van wonen en werken, het inrichten van de woon- en leefomgeving en woonconcepten.
fi
0
d
:
1
fl
.
5
31
De doelgroepen waarop de gemeente Bergen zich richt bij het huisvesten van huidige en toekomstige inwoners zijn senioren, starters, doelgroep van beleid, inwoners met een zorgvraag en verblijfsgerechtigden. Betekenis voor het planvoorneme Voorliggend planvoornemen sluit goed aan bij de woonvisie van de gemeente Bergen (NH.). Er wordt een gedifferentieerd woningaanbod gerealiseerd door zowel bestaande woningen te handhaven, appartementen te realiseren in de leegstaande bebouwing en 2 nieuwe bouwvlakken toe te voegen voor vrijstaand wonen. De appartementen worden voor senioren en levensloopbestendig uitgevoerd en dragen daarmee bij aan de ambitie om verschillende doelgroepen zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen laten wonen. Tevens zorgt voorgenomen ontwikkeling voor doorstroming binnen de gemeente. Ook wordt voldaan aan de sociale grens waarbij 40% betaalbaar (sociaal) moet zijn. Bij besluit van de gemeenteraad van Bergen (NH.) is de sociale koopgrens naar 325.000 euro verhoogd. Om aan te haken bij dat besluit worden in voorgenomen plan 2 sociale koopwoningen (40%) van maximaal 325.000 euro gerealiseerd. De sociale koopwoningen worden conform de Doelgroepenverordening in gebruik genomen. Het planvoornemen sluit aan bij de ruimte die de gemeente wil bieden aan particuliere initiatieven.
Voorliggend plan is een initiatief van particulieren waarbij de bestaande bestemming dient te worden gewijzigd 4.5.
Groenbeleidsplan Gemeente Bergen 2021 - 203
In het groenbeleidsplan houdt de gemeente Bergen (NH.) rekening met twee grote maatschappelijke vraagstukken namelijk klimaatverandering en biodiversiteit. De gemeente Bergen (NH.) ziet dat groen bijdraagt aan leefbaarheid en CO2 reductie. Daarnaast maakt de gemeente zich zorgen over de afname van biodiversiteit. De forse terugval van het aantal soorten bijen is daar een voorbeeld van. Het beleid is daarom gerangschikt in de onderstaande vijf pijlers Duurzaam bomenbeleid: dit houdt in dat bomen zodanig worden onderhouden dat ze gezond kunnen groeien en oud worden. Behouden en waarborgen van een groene gemeente: voldoende aandacht aan het behoud van het groen versterkt de identiteit en herkenbaarheid van de gemeente. Veel groen nodigt uit tot bewegen en zorgt voor een gezondere leefomgeving. Het groen heeft dus een positieve uitwerking op onze gezondheid. Groen heeft een positief effect op alles wat groeit en bloeit: dit wordt bevorderd door o.a. aangepast maaibeheer (o.a. later maaien van de grassen) en bloemrijke bijen- en vlinderlinten aan te brengen. Het vergroten van oppervlakte van het groen waardoor er nog meer pro jt ontstaat van de schaduwwerking van bomen en de bufferwerking en in ltratie van regenwater. Hiermee wordt ingespeeld op de effecten van de klimaatverandering.
.
1
n
fi
fi
:
32
2
5
4
3
2
1
De gemeente Bergen staat open voor particuliere initiatieven, collectief particulier opdrachtgeverschap, herbestemming van leegstaande of leegkomende gebouwen, woongroepen, initiatieven op het gebied van wonen en zorg. Deze initiatieven zullen waar mogelijk ondersteund en gefaciliteerd worden.
Betekenis voor het planvoorneme Het plangebied is een erf met bebouwing en beplanting die als een losse groene eenheid langs het lint is gepositioneerd. In de opbouw van het erf wordt op verschillende manieren het bestaande groen in tact gelaten en waar mogelijk kan nieuw groen worden toegevoegd. Ten behoud van het groen wordt de bestaande boomsingel ter waarborging in het bestemmingsplan als groenbestemming opgenomen. Parkeren wordt middels groene haagjes afgeschermd. Het integrale ontwerp voor de positionering van bebouwing laat voldoende ruimte over om nieuw groen toe te voegen. De gekozen beplanting is functioneel en inheems. De nieuwe inrichting van het plangebied zorgt voor meer groen en klimaatadaptatie en behoud en versterking van de waarden van het groen. Hiermee wordt aansluiting gevonden bij het Groenbeleidsplan van de gemeente Bergen (NH. 4.5.
Cultuurhistorische nota 2009 - 201
Cultureel erfgoed draagt bij aan de identiteit van de gemeente. Het is van belang voor de kwaliteit van de leefomgeving. Daarom wilt de gemeente het cultureel erfgoed behouden voor de toekomst In de beleidsnota Cultuurhistorie staan onder andere de volgende uitgangspunten - Naarmate de ontwikkelingslocatie een grotere cultuurhistorische waarde heeft, wordt de cultuurhistorie eerder in de besluitvorming betrokken - Bij ruimtelijke ingrepen wordt niet alleen onderzocht welke archeologische, maar ook welke andere cultuurhistorische waarden in het geding zijn - Cultuurhistorie betreft een zaak van de hele samenleving. Toegankelijkheid en ontsluiting van de cultuurhistorie is voor bewoners én bezoekers - Cultuurhistorie betreft het object in zijn omgeving, maar ook de omgeving als zodanig - De diverse kernen van Bergen hebben elk een eigen karakter of identiteit. De kernen staan niet los van het landschap maar zijn daarin opgenomen. Het landschap heeft ook een identiteit. Samen vormen deze componenten de identiteit van de gemeente Bergen Betekenis voor het planvoorneme In voorgenomen ontwikkeling is de stolp de cultuurhistorische drager. In de totstandkoming van de nieuwe (boeren)erfopzet is behoud van de stolp en haar structuur het uitgangspunt geweest. Behoud van de stolp is gewaarborgd in zowel de plankaart als de planregels.
De beeldkwaliteit van het integrale ontwerp is in samenspraak met de vakgroep Erfgoed tot stand gekomen en daarmee is de cultuurhistorie zoals beschreven in de nota 2009 - 2018 voldoende gewaarborgd.
;
;
;
.
8
.
n
n
)
:
;
3
33
4.5.
Nota Parkeernormen Bergen 202
Parkeernormen zijn in de gemeente Bergen (NH.) van kracht via het Paraplubestemmingsplan Parkeren. In dit bestemmingsplan wordt verwezen naar het vigerend beleid voor parkeernormen, de nota parkeernormen Bergen 2020 welke op 12 december 2020 in werking is getreden. Dit is ook conform het advies van het KpVV (Kennisplatform voor Verkeer en Vervoer) die ervoor pleit om voor het hele gemeentelijk grondgebied algemene parkeernormen te stellen in een beleidsnota. In bestemmingsplannen kan worden volstaan met een kwalitatieve normstelling als ‘voldoende parkeergelegenheid’ met een verwijzing naar de meest recente parkeernormen Betekenis voor het planvoorneme In paragraaf 5.6 is ingegaan op het aspect parkeren. In de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat er conform de parkeernota voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Op afbeelding III wordt middels een inrichtingstekening duidelijk waar op eigen terrein kan worden geparkeerd 4.5.
Nota Omgevingskwaliteit 202
Op 25 mei 2023 heeft de gemeenteraad de nieuwe Nota Omgevingskwaliteit vastgesteld. Deze vervangt de Welstandsnota 2004 Met de aanstaande Omgevingswet wordt een nieuwe term ge ntroduceerd; ‘omgevingskwaliteit’. Net als een veilige en gezonde leefomgeving is ook het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit een maatschappelijke doelstelling van de Omgevingswet. Het is een plicht van ons allemaal om zorg te dragen voor een goede omgevingskwaliteit. Omgevingskwaliteit gaat over het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap Omgevingskwaliteit gaat over de identiteit en gebiedskwaliteiten van een plek en hoe wij dit ervaren, waarbij ook culturele en sociale factoren van invloed kunnen zijn. Deze nota richt zich op het publieke belang van de ruimtelijk visuele aspecten van cultureel erfgoed, landschap, stedenbouw en het uiterlijk van bouwwerken De gemeente wilt graag een waardevolle en aantrekkelijke omgeving creëren waar mensen graag willen wonen, ondernemers zich willen vestigen en bezoekers kunnen genieten. Wat van waarde is wilt de gemeente mooi houden en nieuwe ontwikkelingen moeten passen in de ‘couleur locale’ van de gemeente.
Het doel van deze nota is het behouden en stimuleren van een goede omgevingskwaliteit ten behoeve van de identiteit van een plek of gebied Betekenis voor het planvoorneme Elk gebied heeft zijn eigen gebruikers, functies, uitstraling en ontwikkeling en daarmee ook een eigen omgevingskwaliteit. De gemeente streeft dan ook naar gebiedsgerichte aanpak afgestemd op de kwaliteiten van het gebied Op basis van de ruimtelijke context is onderscheid gemaakt in de volgende verschillende gebiedstypen - (Historische) dorpskerne - Lintstructure - Woongebiede - Bedrijventerreine - Sport- en recreatieterreine - Buitengebie
.
.
.
ï
.
.
0
3
n
n
.
n
:
n
n
.
n
n
d
5
4
34
De indeling is vooral gebaseerd op de cultuurhistorische en de landschappelijke betekenis en de ruimtelijk-functionele eenheid van een gebied. Een gebiedstype omvat meerdere deelgebieden. Het onderscheid tussen de gebiedstypen - zoals tussen lintstructuren en de dorpskernen - is niet altijd eenvoudig aan te geven. Op de kaarten in de Nota Omgevingskwaliteit zijn de gebiedsindelingen aangegeven en wat de begrenzingen zijn Voorliggend planvoornemen valt onder lintstructuren met een bijzonder niveau. De lintbebouwing kenmerkt zich door n- en tweezijdig bebouwde wegen met voornamelijk woon- en centrumfuncties in de dorpen en agrarische en recreatieve functies in het buitengebied. De openbare ruimte bestaat uit een rijbaan die afhankelijk van de verkeersfunctie varieert in breedte Beeldkwaliteitsplan (BKP Voor voorliggend plan is in alle zorgvuldigheid een beeldkwaliteitsplan opgesteld. De beeldkwaliteit is zorgvuldig opgesteld in samenwerking met de vakgroepen Stedenbouw en Erfgoed van de gemeente Bergen (NH.) en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de Stichting Mooi-Holland (CRK) met als doel om de nieuwe woningen zorgvuldig in te passen in het plangebied waarbij rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten. Tevens zijn in het beeldkwaliteitsplan referenties voor de nieuwe bebouwing opgenomen.
In het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden getoetst aan het beeldkwaliteitsplan 4.
Conclusie beleidskade
Op basis van voorgaande paragrafen wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de beleidskaders op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau
.
.
.
.
é
é
r
)
6
35
5.
Algemee
Het bestemmingsplan is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging, waarbij ook alle milieuonderwerpen worden meegewogen. Welke milieuonderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in een zo vroeg mogelijk stadium in beeld worden gebracht. In de volgende paragrafen zijn de randvoorwaarden die voortvloeien uit de milieuaspecten speci ek voor dit plangebied beschreven 5.
Wate
Belei Europese Kaderrichtlijn Wate Met ingang van december 2000 is de “Europese Kaderrichtlijn Water” (KRW) van kracht. De Kaderrichtlijn moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. Met de komst van de Implementatiewet EG-Kaderrichtlijn Water, is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang Nationaal Water Programma 2022 - 202 In het Nationaal Water Programma 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Dit doen we voor de periode 2022 - 2027, maar we kijken ook verder vooruit. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP.
Dit ontwikkelen we samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal Watervisi In de Watervisie 2021 staan de ecologische doelen voor niet-natuurlijk oppervlaktewater. Deze doelen zijn afgestemd met de waterbeheerders. Ook staan in de Watervisie maatregelen om de kwaliteit van het grondwater in de bodem van Noord-Holland te verbeteren Waterplan HHN In het Waterplan HHNK presenteer het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier de koers voor de periode 2022-2027 en de opgaven waar zijzelf, en met anderen, aan werken. Met het waterbeheer zorgt het Hoogheemraadschap voor voldoende, gezond en schoon water om van te leven, er te werken en te recre ren, voor mens, dier en natuur
.
.
.
.
fi
7
.
n
r
ë
.
K
n
r
.
e
d
2
36
1
5
Milieu- en omgevingsaspecte
Keu De Keur van het hoogheemraadschap is een vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. In dit kader is het van belang te weten dat langs hoofd- en overige watergangen een zone ligt van respectievelijk 5 meter en 2 meter ter bescherming van het pro el en onderhoud. Ook langs waterkeringen ligt een (variabele) zone voor bescherming en onderhoud van de waterkeringen. Voor het realiseren van bouwwerken en het uitvoeren van werken binnen deze zone dient onthef ng van de Keur te worden aangevraag Watertoet Via de Digitale Watertoets is aan Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gevraagd een reactie te geven op het plan Heereweg 128 in het kader van de watertoets (zie bijlage II van deze toelichting). In dit advies staan de maatregelen die Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier adviseert om wateroverlast te voorkomen en het water in de sloten schoon te houden. Op basis van de plangegevens heeft het hoogheemraadschap een aantal opmerkingen. Daarnaast is er een aantal aspecten die zij graag in de uitwerking van het plan verwerkt willen zien. Verharding, compenserende maatregelen, waterkwaliteit en riolering/ Uit de watertoets blijkt dat er geen (of slechts in zeer beperkte mate die onder de norm van 800 m2 blijft) sprake is van een toename van de verharding.
Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Betekenis voor het planvoorneme Hemelwater en riolerin Het plangebied wordt zoveel als mogelijk waterneutraal ingericht. Het hemelwater wordt niet op de vuilwaterriolering aangesloten, maar er wordt conform de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap een gescheiden waterafvoersysteem gebruikt om overbelasting van het riool te voorkomen. Het afvoeren van hemelwater wordt geheel op eigen terrein opgelost omdat er geen gemeentelijk hemelwaterriool aanwezig is. Door een goed uitgedacht inrichtingsplan voor groen en (half)verharding (zie hiervoor het beeldkwaliteitsplan in bijlage I van deze toelichting) wordt het hemelwater middels regenwaterin ltratie in de grond en een eventuele overloop naar een aangrenzende greppel verwerkt.
Hiermee wordt wateroverlast en overstroming voorkomen Zowel het zuid-oostelijk als het noord-oostelijke gelegen nieuwe bouwvlak voor een woning worden op het verzamelriool aangesloten. Voor de bestaande woningen op 128b en 128c is al een verzamelriool aangelegd, welke bij de gemeentegrens is aangesloten op het hoofdriool. Een hemelwateraansluiting is niet op deze wijze aangelegd, maar wordt middels regenwaterin ltratie en a oop richting de aangrenzende greppel gescheiden van het vuilwaterriool.
fi
fi
fi
d
n
g
fi
.
s
r
fl
37
Er is binnen het plan geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI) Klimaatadaptatie in het plangebie Wateroverlast en overstromin Met de omgang van water en klimaatadaptatie heeft het plan veel positieve en klimaatadaptieve elementen. Voor het plangebied is een landschapsarchitect ingeschakeld om er voor te zorgen dat de bebouwing optimaal in het groen land en klimaatadaptatie ruim voldoende in het plan kan worden geïntegreerd. De landschappelijke inpassing vertaald zich in een ontwerp voor het maaiveld door verharding in het plangebied tot een minimum te reduceren en alleen de noodzakelijke verharding middels grastegels aan te brengen. De verharding van de inrit krijgt een landelijk karakter en is met olivijn split (een stollingsgesteente) of dolomiet (een kalkgesteente) zeer waterdoorlatend Het parkeren voor bewoners en verharding rondom de percelen wordt middels halfverharding en grastegels ingericht. Het voordeel hiervan is niet alleen de groene en landelijke uitstraling, maar bovenal ook de uitwerking op de waterhuishouding. Het hemelwater heeft zo voldoende ruimte om de grond in te sijpelen.
De locatie heeft met een toename van de woningen een oprit die veel gebruikt zal worden en deze vorm van halfverharding heeft voldoende draagkracht. Daarnaast is dit een mooie zachte overgang naar de groene percelen. Hitte en droogt Voor de beoogde nieuwbouw wordt gestreefd naar een nul-op-de-meter woningen waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van zonne-energie en niet wordt aangesloten op het gasnet. Tevens is de mogelijkheid voor het toepassen van groene daken in het beeldkwaliteitsplan gewaarborgd. Het aanleggen van groene daken, in combinatie met zonnepanelen, zorgt voor een vertraagde afvoer van water om wateroverlast te verminderen of voorkomen. Ook dragen groene daken bij aan een prettig binnenklimaat in het kader van hitte Het inrichtingsplan van het plangebied heeft een groen karakter. Het plangebied wordt omzoomd door een bestaande bomenrij welke middels een ‘Groensingel’ in de plankaart wordt gewaarborgd. Door het behouden van de groensingel, het aanplanten van nieuwe (lei)bomen en het toepassen van hagen als erfafscheiding wordt hittestress beperkt.
In de uitwerking van de veren nieuwbouw in het kader van de Wabo wordt gedacht aan verticaal groen aan de muren het appartementengebouw of de woningen en de toepassing van minder ramen op het westen/oosten of met buitenzonwering voor alle ramen op de oost-, zuid- en westgevels om ook hier hittestress te beperken Voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve effecten voor het waterhuishoudkundige systeem en het plan houdt in ruim voldoende mate rekening met de risico’s van klimaatverandering (wateroverlast, overstroming, hitte en droogte). Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen
.
.
.
d
g
.
e
.
38
5.
Bode
In het kader van goede ruimtelijke ordening dient in een ruimtelijk plan aandacht te worden besteed aan de bodemkwaliteit en de betekenis voor de haalbaarheid van het plan. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone gronden te worden gerealiseerd Om de bestemmingswijziging van horeca naar wonen en daarmee de realisatie van beoogde woningen mogelijk te maken, is binnen het plangebied door Vlam Bodem Advies B.V. een verkennend bodemonderzoek (zie bijlage III van deze toelichting) uitgevoerd conform NEN 5740 aan de Heereweg 128 te Schoorl. Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiëne kwaliteit van de bodem ter plaatse. Op basis van de onderzoeksresultaten is gebleken dat de hypothese verdacht dient te worden bevestigd. In de bovengrond is plaatselijk een licht verhoogd gehalte aan lood aangetoond. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetoond In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan molybdeen aangetoond. In de aangetroffen puinlaag is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetoond. Het aanwezige asfalt aan de zuidzijde van de locatie is niet PAK-houdend. De funderingslaag met puingranulaat is geanalyseerd op samenstelling en uitloging na een cascadeproef (L/S=10).
Hieruit is gebleken dat het puingranulaat indicatief is aan te merken als IBC bouwstof (kritische parameter is vanadium). Betekenis voor het planvoorneme Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk. Met dit onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen nieuwbouw
.
.
n
.
m
3
39
5.
Archeologi
De belangrijkste wettelijke basis voor het behoud van erfgoed is per 1 juli 2016 de Erfgoedwet. De kern van deze wet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaar Op grond van deze Erfgoedwet zijn alle gemeente verplicht aandacht te besteden aan de archeologie op haar grondgebied en dit te verwerken in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke kaders. Op basis van verschillende bureauonderzoeken van de Cultuurcompagnie (voorheen Stichting Steunpunt Cultureel Erfgoed Noord-Holland) is een algemene beleidskaart opgesteld voor de hele gemeente Bergen, waarin de verschillende archeologische verwachtingswaarden zijn weergegeven. De verschillende verwachtingswaarden zijn vertaald naar archeologische regimes, die in de gehele gemeente worden toegepast In voorliggend planvoornemen vindt een bestemmingsplanwijziging plaats, waarbij ook nieuwbouw zal worden gerealiseerd. In het moederplan SchoorlKernen en Buurtschappen heeft het plangebied een archeologische verwachting van Waarde 3 Omdat er nu een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld, is het van belang dat de archeologische verwachting getoetst wordt zodat een correct archeologisch regime wordt opgenomen in het bestemmingsplan en de bestemmingsplanregels.
Hiervoor dient Archis geraadpleegd te worden, om te bekijken of en wat er in de directe omgeving van het plangebied aan archeologisch onderzoek is uitgevoerd en eventueel aan archeologische resten is gevonden. Gebleken is dat op een terrein direct ten oosten en op 200m in westelijke richting van het huidige plangebied enkele archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd. Deze onderzoeken geven aanleiding om het de nu geldende archeologische verwachting van Waarde 3 aan te passen naar Waarde 2 zodat de archeologische verwachtingen in het plangebied voor de toekomst wordt gewaarborgd Betekenis voor het planvoorneme Om de archeologie in het plangebied voor de toekomst te waarborgen is een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 opgenomen in de plankaart. Met dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ wordt in voldoende mate nader archeologisch onderzoek gewaarborgd in de planregels indien er sprake is van het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 35 cm of dat er een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt aangevraagd wanneer het bebouwingsoppervlakte meer dan 50 m2 bedraagt. Geconcludeerd kan worden dat voor archeologie met het opnemen van de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 2’ er geen belemmering bestaat voor de uitvoering voor voorliggend plan.
d
.
n
.
e
.
4
40
5.
Natuu
Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming (Wnb) of dat het plan gevolgen heeft voor nabij gelegen beschermde gebieden. Bij een bestemmingsplan procedure dient de uitvoerbaarheid van het plan getoetst te worden. Om dit te kunnen toetsen, dient ter voorbereiding een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd te worden. Het doel hiervan is om na te gaan of eventuele toestemmingen op grond van de Wet natuurbescherming of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk zijn. Het moet aannemelijk zijn dat vergunning of onthef ng van de bij of op grond van, op basis van de Wet natuurbescherming geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft ecologisch onderzoeksen adviesbureau Van der Goes en Groot in relatie tot de huidige natuurwetgeving een verkennend onderzoek natuur (zie bijlage IV van deze toelichting) uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek bestaat uit een bronnenstudie en een veldbezoek 5.5.
Verkennend onderzoek natuur
Uit de het verkennend onderzoek natuur is gebleken dat het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten am bieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een onthef ng is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. In het plangebied kunnen jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels voorkomen, namelijk die van Huismus. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze vogelsoort(en) noodzakelijk. Worden tijdens vervolgonderzoek volgens geldende richtlijnen dergelijke verblijfplaatsen gevonden, dan dient een onthef ngsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Sperwer, Buizerd, Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijk- baar of beter biotoop aanwezig is.
Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.
fi
fi
fi
fi
.
.
r
1
5
41
In het onderzoeksgebied kunnen beschermde am bieën en grondgebonden zoogdieren voorkomen die zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn of als ‘andere soort’. Het gaat om de Rugstreeppad en kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn, Wezel). Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is onderzoek naar voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of kennisdocumenten één of meer van deze soorten aangetroffen, dan dient een onthef ngsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘am bieënscherm’ In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de optimale onderzoeksperiode Tabel 2).
Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een onthef ngsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijk- baar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter tijdens de aanleg maar ook later niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht
.
.
fi
fi
fi
fi
42
5.5.
Vervolgonderzoek inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving
Het is mogelijk dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (huismus), kleine marterachtigen, rugstreeppad of vleermuizen verblijven in de te her in te richten bebouwing of te slopen bomen. Ook is het mogelijk dat deze soorten het plangebied gebruiken als onderdeel van hun leefgebied. De aanwezigheid van deze potentie werd aangegeven in het eerder uitgevoerde verkennend onderzoek natuur (zie bijlage V van deze toelichting) Om dit nader te onderzoeken is opdracht gegeven aan ecologisch onderzoeksen adviesbureau Van der Goes en Groot een inventarisatie uit te voeren naar deze soorten. Het onderzoek is uitgevoerd in de periode april tot en met september 2022 (zie bijlage V van deze toelichting) Tijdens de inventarisatie is een soort vleermuis aangetroffen (zie tabel I).
Tabel I : aangetroffen beschermde soorten met vastgestelde gebruiksfuncties in Heereweg 128 (in 2022)
.
.
2
43
Uit de het vervolgonderzoek inventarisatie beschermde soorten is gebleken dat - In het plangebied komen geen jaarrond beschermde verblijfplaats- en van vogels (huismus) voor. In het plangebied kunnen wél broedvogels met nietjaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaam- heden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een onthef ng is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen duurt ruwweg van half maart tot half juli. - Omdat kleine marterachtigen ontbreken in het plangebied en de omgeving daarvan, is geen negatief effect van de plannen op deze soorten mogelijk. - Er zijn geen Rugstreeppadden in het plangebied waargenomen. Er is geen negatief effect op deze soort - Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of dienen terreindelen waar gaat worden gegraven of zand wordt opgebracht te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘am bieënscherm’ - In het plangebied zijn verblijvende vleermuizen aangetroffen. Het gaat om de Gewone dwergvleermuis.
Indien werkzaamheden worden verricht aan gebouwen of gebouwdelen waarin verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een WABO-procedure of in het kader van een onthef ngsaanvraag Wnb. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen en een geldig belang uit de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn aanwezig is, wordt door de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgegeven (Wabo-procedure) of een onthef ng (onthef ngsaanvraag Wnb). - Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageer- gebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken - Voor overige aanwezige soorten geldt onverminderd de zorgplicht. Als gewerkt wordt conform de gestelde beperkingen en restricties in de eerder uitgevoerde ecologische quickscan, worden bij uitvoer van de plannen geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor beschermde soorten.
fi
.
.
fi
.
fi
fi
fi
:
44
5.5.
Gebiedsbescherming en overige natuurwetgevin
Bijzonder Provinciaal landscha Het plangebied maakt onderdeel uit van het Bijzonder Provinciaal landschap ‘Noord-Kennemerland’. Het plangebied is onder paragraaf 4.3.2 van deze Toelichting getoetst aan de kernkwaliteiten van het Bijzonder provinciaal Landschap. Er wordt door het planvoornemen geen landschappelijke kernkwaliteiten aangetast en of verstoring van habitat van weidevogels door het planvoornemen. Het plan zorgt voor herstel van de stolp en een versterking van de visuele samenhang binnen de stolpenstructuur en de relatie met het erf en het landschap. Natura 200 Het plangebied ligt op ongeveer 400 meter afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Schoorlse Duinen (zie afbeelding IV). Gezien de grote afstand, afscherming (bebouwing) en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De maximale projectbijdrage van de nieuwe gebruikssituatie (zonder saldering) is 0,01 mol/ha/jaar.
Bij interne saldering van het bestaande gebruik (0,01 mol/ ha/jaar) blijkt dat de huidige projectbijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Deze bijdragen worden als verwaarloosbaar beschouwd. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositie waarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van signi cante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen.
Afbeelding IV : afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Schoorlse Duinen
g
p
fi
0
3
45
5.5.
Zorgplicht
Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht. Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren: - Ontzie groen en groenvoorzieningen zoveel als mogelijk tijdens de werkzaamheden en bij het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen. Gebruik zo klein mogelijke werkbreedtes en gebruik eventuele bouwwegen zowel voor aanvoer als afvoer. - Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten. - Het verwijderen van groen kan zoveel mogelijk beperkt worden of na de werkzaamheden kan nieuw groen aangeplant worden op dezelfde locaties als waar groen verwijderd wordt. Houdt bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen een zo smal mogelijke werkbreedte aan. - Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zoveel mogelijk van bestaande paden gebruik gemaakt worden, of kunnen nieuw gecreëerde paden herhaaldelijk worden gebruikt om insporing en potentiële verstoring te beperken. - Bij de bouwwerkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt. 5.5.
Aanbevelingen ter bevordering van natuu
Met behulp van enkele eenvoudige maatregelen kan de natuur in het plangebied versterkt worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Hiervoor worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan: - Het plaatsen van vleermuiskasten of geschikt maken of open houden van spouwmuren van nieuwbouw voor vleermuizen. - Plaatsen van voorzieningen voor Huismussen, Spreeuwen en Gierzwaluwen d.m.v. speciale dakpannen, vogelvides of inmetselstenen. - Het plaatsen van zogenaamde ‘insectenhotels’ aan de muren van de bebouwing, in tuinen of in bestaande of aan te planten groenstructuren. - Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals meidoorn, Wilde liguster, Klimop en Sleedoorn die insecten, vogels en vlinders kunnen aantrekken. Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, muizen en vleermuizen.
r
5
4
46
Betekenis voor het planvoorneme De aanwezige vaste verblijfplaats van Gewone dwergvleermuis zal door de sloop of de renovatie van de gebouwen binnen het plangebied, beschadigd en of vernield kunnen worden. Op basis van fotomateriaal en onderbouwing van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag blijkt dat er geen ingrepen in het zomerverblijf plaats zijn geweest behalve schilderwerkzaamheden en binnenin lichte stuc werkzaamheden. Er zijn in de omgeving meerdere vleermuiskasten opgehangen en er is niet ingegrepen in de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis Er dient een onthef ng in kader van soorten bij het bevoegd gezag provincie Noord-Holland te worden aangevraagd indien wel wordt ingegrepen door werkzaamheden van de gewone dwergvleermuis (zomer, paar of anderzijds) voorzien van een ‘activiteitenplan’ Op basis van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken worden bij de uitvoer van de plannen geen belangrijke negatieve effecten verwacht voor het aspect natuur. Het bestemmingsplan voldoet aan de Wet natuurbescherming
.
.
n
fi
.
47
5.
Stiksto
Het planvoornemen voorziet in het ombouwen van een voormalige groepsaccommodatie naar vijf appartementen voor permanente bewoning, het realiseren van twee vrijstaande nieuwbouwwoningen op voorheen onbebouwde grond en een nieuw te bouwen berging bij de meest zuidelijk te bouwen nieuwbouwwoning en het appartementencomplex. In het kader van bestemmingsplan is hiervoor een stikstofberekening vereist. Van der Goes en Groot heeft op 11 april 2024 een stikstofberekening voor deze ontwikkeling uitgevoerd (zie bijlage VI van deze toelichting) In het kader van het planologisch intern salderen is van belang dat op 25 november 2009 een bouwvergunning is verleend voor het geheel oprichten en gebruiken van een groepsaccommodatie voor (zwaar) lichamelijk- en meervoudig gehandicapten, op het perceel Heereweg 128 te SchoorI, kadastraal bekend SchoorI, sectie B, nummer 657. Deze groepsaccommodatie diende voor vakantiedoeleinden voor groepen. Het gebouw had een maximumcapaciteit van 25 mensen met de daarbij een grote centrale gaarkeuken om voor groepen te kunnen koken. Omdat bij deze bebouwing sprake was van een zekere uitstoot van stikstof wordt deze gerekend tot ‘bestaand gebruik’ en kan de jaarlijkse uitstoot hiervan worden afgetrokken van de nieuwe uitstoot.
Deze verrekening heet ‘saldering’ Uit de stikstofberekening is gebleken dat - De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van signi cante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. - Bij de berekening is expliciet toegewerkt naar een haalbare inzet van werktuigen in de aanlegfase. Indien hier van af wordt geweken zijn de mogelijke effecten op Natura2000 niet in te schatten. - De AERIUS-berekening ten tijde van het toetsingsmoment is bepalend. Het toetsingsmoment in AERIUS voor een bedrijfswijziging is het moment van realisatie van de bedrijfswijziging. Effecten van een latere wijziging in AERIUS hebben hier geen effect op. Voor bedrijven is het van belang om de AERIUSberekening te bewaren.
Betekenis voor het planvoorneme De AERIUS-berekeningen voor de aanleg en gebruiksfase met bijbehorende stikstofonderbouwing zijn in kader van het bestemmingplan (planologisch intern salderen) uitvoerbaar Aanlegfas Er zijn geen rekenresultaten middels planologisch intern salderen, hoger dan de grenswaarden van 0,00 mol/ha/j. Gebruiksfas De onderbouwing van de invoergegevens is akkoord bevonden. Er zijn geen rekenresultaten middels planologisch intern salderen hoger dan de grenswaarden van 0,00 mol/ha/j.
.
.
:
n
fi
.
f
e
e
6
48
AERIUS-gebruiksfase totaal plansituati De onderbouwing van de invoergegevens is akkoord bevonden. Er zijn geen rekenresultaten middels planologisch intern salderen hoger dan de grenswaarden van 0,00 mol/ha/j
e
.
49
5.
Verkeer en parkere
Het plangebied wordt zowel in de bestaande als in de nieuwe situatie via de huidige inrit aan de Heereweg ontsloten. Gezien de geringe omvang van het planvoornemen treedt er als gevolg van voorgenomen ontwikkeling een zeer beperkte wijziging op in de verkeersproductie van en naar het plangebied. Hierdoor zal de verkeersafhandeling geen nadelige effecten hebben op het omliggende wegennet Parkeren wordt volledig op eigen terrein opgelost. In de Nota Parkeernormen 2020 zijn normen opgenomen welke zijn gerelateerd aan locatie, functie en grootte van betreffende functie. Voorgenomen plan valt in de Nota Parkeernormen 2020 onder de noemer ‘rest bebouwde kom’. De functie in het plangebied is ‘Wonen’ en de woningen bestaan in de huidige en nieuwe situatie tezamen uit - 4 x een vrijstaande koopwoning met een parkeernorm (rest bebouwde kom) van 2,3 per woning - 1 x een koopappartement van < 80 m2 met een parkeernorm (rest bebouwde kom) van 1,6 per woning - 2 x een koopappartement van 80 m2 - 95 m2 met een parkeernorm (rest bebouwde kom) van 1,9 per woning - 2 x koopappartement van > 95 m2 met een parkeernorm (rest bebouwde kom) van 2,1 per woning Betekenis voor het planvoorneme Bovenstaande opsomming gaat uit van zowel te handhaven als nieuw te realiseren woningen en resulteert in een parkeerbalans van 18 parkeerplaatsen.
Afgerond gaat het bestemmingsplan uit van deze 18 parkeerplaatsen. Er is voldoende ruimte in het plangebied om op eigen terrein aan de gestelde eisen in de Nota Parkeernormen 2020 te voldoen
.
;
n
n
.
;
.
;
:
7
50
5.
Geluid wegverkee
Geluidshinder kan leiden tot lichamelijke en/of psychische klachten. Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging zijn onder andere de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze wetten bieden onder andere geluidsgevoelige objecten bescherming tegen geluidhinder van bedrijven en bijbehorend verkeer op de openbare weg In het kader van de Wet geluidhinder dient ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling door middel van een akoestisch onderzoek de geluidsbelasting van het wegverkeerslawaai op de gevels van de ‘nieuw’ te realiseren woningen c.q. bouwvlakken inzichtelijk te worden gemaakt Door HGOadvies is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage VII van deze toelichting). Het doel van dit onderzoek is het toetsen of ter hoogte van de nieuwe woonbestemming als gevolg van het verkeerslawaai op de hieronder genoemde wegen wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder De relevante wegen betreffen in deze situatie de Heereweg, de Heereweg (afslag zuid), de Voorweg en de Smeerweg. De Heereweg, Heereweg (afslag zuid) en de Voorweg betreffen wegen met een 50 km/h regime (binnenstedelijk). De Smeerlaan heeft een snelheidsregime van 30 km/h. Gelet op de afstand tot het plangebied, de gedeeltelijke afscherming en de lage rijsnelheid is de Smeerlaan in dit onderzoek verder buiten beschouwing gelaten.
De 50 km/h wegen vallen onder het toetsingskader van de Wet geluidhinder. Voor het perceel bevindt zich een T-splitsing waarbij de Voorweg overgaat in de Heereweg (en andersom) Betekenis voor het planvoorneme Door middel van het akoestisch onderzoek zijn de maximale gevelbelastingen ten gevolge van bovengenoemde wegen vastgesteld. Gebleken is dat de geluidsbelasting wegverkeer van de Voorweg (N401) maatgevend is. Reden hiervoor is het feit dat de Heereweg stopt bij de T-splitsing en de bestaande woningen voor veel afscherming zorgen richting de daar achter gelegen nieuw te realiseren appartementen (westzijde kavel). Gelet hierop is de geluidsbelasting van de Voorweg tevens maatgevend voor de toetsing aan de Wet geluidhinder en het vaststellen van hogere grenswaarden De maximale waarde ingevolge de Wet geluidhinder voor nieuwbouw in binnenstedelijke situaties bedraagt 63 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting (incl. Art. 110 Wgh) bedraagt voor deze situatie 53 dB en is berekend op de zuidgevel van bouwvlak 2 op (h= 4,5 m), ten gevolge van het wegverkeer op de Voorweg. Gelet op de berekende maximale waarde wordt aan de maximale waarde voor nieuwbouw in binnenstedelijke situaties voldaan. Wel wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden.
Er dient op basis van de geluidsbelasting van de Voorweg een hogere grenswaarde bij raadsbesluit te worden vastgesteld Voor het onderzoek is ten behoeve van de ‘goede ruimtelijke ordening’ de gecumuleerde geluidsbelasting onderzocht ten gevolge van alle wegen tezamen. Gebleken is dat de landelijk gehanteerde plandrempel van 65 dB nergens wordt overschreden. Voor alle achterliggende informatie wordt verwezen naar het rapport van HGOadvies in bijlage VII
.
.
.
.
.
.
.
n
r
8
51
5.
Luchtkwalitei
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De belangrijkste is de Wet milieubeheer, en dan met name paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen kleine en grote projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Zo is een nieuwbouwproject met maximaal 1500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) per de nitie NIBM Verontreiniging is afkomstig van verschillende bronnen. Denk hierbij aan het gemotoriseerde verkeer, industriële en agrarische inrichtingen en achtergrondconcentraties van verontreinigende stoffen. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. De mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging moet worden meegenomen in de afweging of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en of het aanvaardbaar is om een bepaald project op een bepaalde plaats te realiseren. In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen moet bij nieuwbouwplannen het aspect luchtkwaliteit worden beschouwd (hoofdstuk 5.2 van de Wet milieubeheer). NIB De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate’ en wil zeggen dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Het gaat dan bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Er is dan geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig Dat kan omdat de effecten van NIBM-projecten zijn betrokken bij de berekening van de trendmatige ontwikkeling van de achtergrondconcentraties in Nederland. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) bevat voldoende verbetermaatregelen om deze effecten te compenseren. Leidt een project tot een toename voor NO2 en PM10 die lager is dan de NIBM grens. Dan is het toetsen van het project aan de grenswaarden niet nodig en kan het project zonder verdere maatregelen doorgaan. Wel moet het project voldoen aan het Besluit Gevoelige bestemmingen en er moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening
Het Besluit NIBM geeft de volgende voorwaarde Het project of de activiteit draagt maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties jnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het project is IBM als de toename voor één of beide stoffen hoger is Vanaf augustus 2009 geldt voor woningbouw een grens van minder of gelijk aan 1500 (netto) woningen bij minimaal één ontsluitingsweg. Uit de NIMB-tool blijkt dat het aantal woningen in dit plan ruim onder de gestelde norm van 1500 blijft. Dit betekent dat een toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit niet noodzakelijk is Overigens worden in het voorgenomen plan de bedrijfsmatige activiteiten be indigd waarbij er een afname van verkeersbewegingen zal plaatsvinden. De bijdrage aan extra verkeer is dus afnemend. Van een bijdrage van jnstof/ luchtkwaliteit door eventuele toename van verkeer is ‘niet in betekende’ mate. De verkeersbewegingen door de bedrijfsvoering vallen weg. Daarvoor in de plaat komt het autogebruik van de ter plaatse te realiseren woningen
.
fi
.
.
:
fi
fi
.
.
t
.
M
ë
9
52
Betekenis voor het planvoorneme Het plan zal niet voor overschrijdingen van de grenswaarden zorgen en niet in betekenende mate bijdragen aan de verontreiniging van de buitenlucht. Ook is het niet opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of het Regionaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit regio Noordvleugel (RSL-NV). Geconcludeerd kan worden dat de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, de bestemmingswijziging niet in de weg staat