bij Toelichting na zienswijze Heereweg 128 Schoorl.pdf
Tekst van het document
.
n
53
5.1
Externe veilighei
Externe Veiligheid gaat over de risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van (grote hoeveelheden) gevaarlijke stoffen in hun omgeving Een belangrijk besluit met betrekking tot externe veiligheid is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Het doel van dit besluit is om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, vanwege risicovolle bedrijven, tot een aanvaardbaar minimum te beperken Ook het vervoeren van gevaarlijke stoffen brengt risico’s met zich mee. Bij een ongeval kunnen deze gevaarlijke stoffen vrijkomen waardoor er een brand of explosie ontstaat of een gifwolk vrijkomt. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) regelt de ruimtelijke ordening rondom de transportroutes van gevaarlijke stoffen. Hier worden afstanden bepaald tussen transportroutes en gebouwen of woningen Ten slotte kunnen gevaarlijke stoffen ook via ondergrondse buisleidingen worden vervoerd. Regels ten aanzien hiervan zijn vastgesteld in het Besluit externe veiligheid Buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). De regels gelden voor de exploitant van buisleidingen en voor het bevoegd gezag Via de risicokaart, zie afbeelding V, kunnen de risico’s in de buurt van het plangebied worden getraceerd.
De risicokaart geeft een beeld van risicovolleen risicogevoelige situaties die in de provincie Noord-Holland bekend zijn. Het betreft risico’s van onder andere de aanwezigheid en transportroutes van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen, overstromingsgevaar, luchtvaartongevallen, tunnelongevallen, locaties met omvangrijke publiekfunctie en natuurbrand.
Afbeelding V : risicokaart (bron : www.risicokaart.nl)
Betekenis voor het planvoorneme Uit beoordeling van de risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen invloedsgebieden van risicovolle activiteiten of transportroutes/ buisleidingen. Geconcludeerd kan worden dat het onderdeel externe veiligheid het plan voor de bestemmingswijziging niet in de weg staat
.
.
n
.
.
d
.
0
54
5.1
Bedrijven en milieuzonerin
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Zonering, afstand houden, is een belangrijk middel om te voorkomen dat er hinder ontstaat. Ook zorgt dit ervoor dat de bestaande bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is de Handreiking bedrijven en milieuzonering van de VNG (Vereniging Nederlandse Gemeenten). De VNG biedt een verantwoorde inpassing van milieubelastende activiteiten, zoals bedrijven, in de fysieke omgeving of van gevoelige functies, zoals woningen, nabij bedrijven. Voor een breed scala van milieubelastende activiteiten gelden voor de vier ruimtelijke relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en gevaar) richtafstanden. Deze zijn in een richtafstandenlijst opgenomen. De doelen van milieuzonering zijn - het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies - het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen Betekenis voor het planvoorneme Het plan betreft een perceel aan een dorpslint waar een stedelijke functie (horecabestemming) wordt gewijzigd naar een woonfunctie. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen milieubelastende functies die van invloed zijn.
Zodoende kan geconcludeerd worden dat bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de realisatie van voorgenoemd plan
.
;
g
n
:
.
1
55
5.1
Spuitzonering
Bij een ruimtelijke ontwikkeling of beoogde functiewijziging rekening moet worden gehouden met het eventuele invloedsgebied van gewasbeschermingsmiddelen en biociden die (kunnen) worden toegepast op de naastgelegen percelen. Deze middelen kunnen een nadelig effect hebben de gezondheid van de bewoners. De leefbaarheid ter plaatse van voorliggend nieuwe woonerf met tuinen kan beïnvloed worden door de drift van gewasbeschermingsmiddelen en biociden binnen een zogenaamde spuitzonering. Omdat het plangebied wordt omringd door percelen met een agrarische bestemming moet inzichtelijk worden genaakt in hoeverre ter plaatse van een gevoelige verblijfsfunctie of bestemming sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast moet worden onderbouwd in hoeverre omringende agrarische bedrijvigheid belemmerd kan worden door toevoeging van een gevoelige bestemming of functie. Deze onderbouwing wordt hieronder uiteengezet. In de beoordeling moet worden uitgegaan van de maximale planologische invulling voor wat betreft de toegestane teelt Onderbouwin De bestemming van omliggende agrarische gronden betreft 'AgrarischLandschapsontwikkeling (A-LO)’. De op de plankaart voor AgrarischLandschapsontwikkeling (A-LO) aangewezen gronden zijn bestemd voor a. het uitoefenen van een agrarisch bedrijf b. kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen c.
bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals (ontsluitings)wegen, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water ten behoeve van wateraanvoer en -afvoer, waterberging en sierwater In de jurisprudentie met betrekking tot ruimtelijke ordening is de lijn ontwikkeld dat indien een afstand van 50 meter wordt aangehouden tussen een gevoelige functie/bestemming en een agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, men er van uit mag gaan dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat Een bouwvlak voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf met agrarische bedrijvigheid is in de directe en indirecte omgeving van het plangebied niet aanwezig.
Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de afstand van 50 meter tussen een gevoelige functie/bestemming en een agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt Het oprichten van een agrarisch bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, is dan ook uitgesloten Ook wordt onder regel 9 van eerder genoemde bestemming (speci eke gebruiksregels) beschreven dat het niet is toegestaan gronden te gebruiken of te laten gebruiken voor de teelt van ruwvoeder (niet zijnde gras) Tevens rust op de omliggende agrarische gronden een dubbelbestemming : Archeologisch waardevol gebied (regime III). De planregels van aangehaalde dubbelbestemming beschrijft onder regel 5 lid e een verbodsbepaling voor het aanleggen of rooien van bos of boomgaard. Daarnaast geldt ook een aanlegvergunningstelsel voor het planten van bomen
:
fi
;
.
.
.
.
;
;
.
.
g
2
56
Enkel het telen van gewassen is op deze gronden is mogelijk. Ten aanzien van onkruidbestrijding bij gewassen wordt direct op de bodem gespoten waardoor geen sprake is van verwaaiing van de bestrijdingsmiddelen. Doordat de gronden met de bestemming ‘Agrarisch-Landschapsontwikkeling (A-LO)’ al omringd zijn door de aanwezigheid van gevoelige functies, zoals sportvelden en woningbouw, is er geen sprake van een signi cante verslechtering van de gebruiksmogelijkheden van de percelen landbouwgrond met de bestemming ‘Agrarisch-Landschapsontwikkeling (A-LO)’ Er is met voorliggende ontwikkeling dan ook geen sprake van een signi cante verslechtering van de gebruiksmogelijkheden van de percelen landbouwgrond met de bestemming ‘Agrarisch-Landschapsontwikkeling (A-LO)’.
Betekenis voor het planvoorneme Concluderend kan worden gesteld dat ter plaatse van de beoogde woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden geborgd omdat enerzijds ruimschoots wordt voldaan aan de afstand van 50 meter tussen een gevoelige functie/bestemming en een agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, en anderzijds het bestemmingsplan en de omliggende gevoelige functies de mogelijkheden voor het eventueel oprichten van een agrarische bedrijf met agrarische bedrijvigheid uitsluit Voor wat betreft het bestemmingsplan komt het erop neer dat op de aangrenzende agrarische gronden uitsluitend grondgebonden veehouderij is toegestaan. Fruitbomen- en ruwvoederteelt is niet toegestaan. Daarnaast geldt er een aanlegvergunningstelsel voor het planten van bomen of opgaande struiken. Er is daar dus alleen open grasland toegestaan Het aspect spuitzonering vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
fi
.
fi
.
n
.
57
Duurzaamhei
De gemeente Bergen (NH.) wil het gebruik van duurzame energie stimuleren. Dit wil de gemeente bereiken door samen te werken met inwoners, ondernemers en organisaties. De gemeente Bergen (NH.) is onderdeel van de BUCH-gemeenten. De BUCH-gemeenten (Bergen, Uitgeeft, Castricum en Heiloo) hebben gezamenlijke ambities voor duurzaamheid en klimaat vastgelegd in het ambitiedocument Programma Klimaat 2021-2025 (versie 3 augustus 20202) De BUCH gemeenten werken aan het klimaat vanuit de visie: Samen met inwoners, ondernemers, publiek/private instellingen en regionale partners realiseren we de (inter)nationale duurzaamheidsopdrachten zoals omschreven in het Klimaatakkoord, waaronder het terugbrengen van CO2-uitstoot en het toewerken naar een Circulaire Economie in 2050. Tevens is in 2050 de gebouwde omgeving klimaatbestendig ingericht. De gemeente Bergen (NH.) neemt de regie waar nodig, werkt zoveel mogelijk vanuit de lokale kleur en geeft zelf het goede voorbeeld. Er zijn keuzes nodig om de planeet leefbaar te houden voor toekomstige generaties. Inwoners en ondernemers hebben daarin ook een grote eigen verantwoordelijkheid Bij de uitvoering van het programma Klimaat vindt de gemeente Bergen (NH.) vijf uitgangspunten belangrijk. Deze uitgangspunten vormen onze manier van werken om de klimaatopgaven waar te maken Draagvlak creëren voor het probleem en de oplossing.
Lokale initiatieven van inwoners en ondernemers te stimuleren Oog hebben voor de haalbaarheid en betaalbaarheid van de maatregelen die wij als gemeenten soms verplicht zijn om te nemen We zetten in op de versnellingsfase die nodig is om de doelstellingen op tijd te bereiken We kunnen alleen een duurzame leefomgeving creëren als we pijlers en opgaven op een logische manier met elkaar verbinden. Daarvoor is integrale samenwerking nodig, waarin de inbedding en borging van beleid in de Omgevingsvisie en -plannen essentieel is Klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwe Het Programma Klimaat 2021-2025 stimuleert dat alle nieuwbouw zo veel mogelijk klimaa bestendig en natuurinclusief moet worden gerealiseerd. Dat betekent dat het planvoornemen voorbereid moet zijn op droogte, hittestress en hevige regenbuien. Dit wordt bewerkstelligd door klimaatadaptatie mee te nemen voorliggende ruimtelijke ontwikkeling Geluidseisen Per 1 april 2021 zijn in het bouwbesluit nieuwe geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco’s die worden toegepast bij bestaande en nieuwe woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken op de perceelsgrens (bij de buren).
De bepalingsmethode van het geluidsniveau is vastgelegd in de aangepaste Regeling Bouwbesluit 2012 (nieuw artikel 3.11). Betekenis voor het planvoorneme Voor de nieuwbouw welke wordt omschreven in dit bestemmingsplan wordt gestreefd naar nul-op-de-meter woningen waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van zonne-energie. Waar bestaande bouw nog een gasaansluiting heeft, worden nieuw te bouwen woningen niet meer aangesloten op het gasnet maar gekozen voor geluidsarme warmte- of koude
.
.
.
:
n
.
.
n
.
.
d
t
58
3
5
4
3
2
1
5.1
opwekking. Bij alle overige vraagstukken omtrent duurzaamheid wordt gebruik gemaakt van het bij de gemeente Bergen (NH.) aangesloten onafhankelijk adviesbureau Duurzaam Bouwloket. Bij de inrichting van het plangebied is samengewerkt met de afdeling Stedenbouw en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) om er voor te zorgen dat de bebouwing optimaal in het groen land. De landschappelijke inpassing vertaalt zich in het ontwerp voor het maaiveld door op de kavel alleen de noodzakelijke verharding aan te brengen. Ook zijn de bebouwingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan beperkt waardoor veel groen kan worden toegepast. Hetgeen rainproof en klimaatadaptief is Met bovengenoemde aspecten omtrent duurzaamheid wordt voldaan aan zowel het Bouwbesluit als aan het gemeentelijke beleid voor wat betreft duurzaamheid en wordt er zoveel mogelijk natuurinclusief gebouwd
.
.
59
5.1
Vormvrije m.e.r.-beoordelin
De milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.) is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r. is gekoppeld aan een plan of besluit, in dit geval aan het bestemmingsplan Heereweg 128 Schoorl. De wettelijke eisen ten aanzien van m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. In de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C-activiteiten), activiteiten die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage Dactiviteiten) en activiteiten die wel zijn opgenomen in de D-lijst, maar in omvang kleiner zijn dan de opgenomen drempelwaarden. Voor deze laatste categorie geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling Het voorgenomen plan betreft een wijziging van een horecabestemming naar een woonbestemming. Wonen is dan wel een stedelijke functie, maar gezien de aard en omvang van het planvoornemen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het betreft hier een kleinschalige ontwikkeling, maar geen kleinschalige woningbouwontwikkeling Voorgenomen ontwikkeling kan worden bestempeld als niet m.e.r. beoordelingsplichting op basis van de activiteit genoemd in onderdeel 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer (categorie D.11.2).
Deze activiteit wordt omschreven als : “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Wel mag worden aangenomen dat het planvoornemen valt onder een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Om die reden is een vorm vrije m.e.r.-beoordeling verplicht. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets of een activiteit zodanige gevolgen voor het milieu heeft dat de procedure van een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. De vormvrije m.e.r.beoordeling is bedoeld als waarborg dat in dergelijke gevallen de m.e.r.(beoordelingsplicht) niet over het hoofd wordt gezien. Het ten onrechte niet doorlopen van een m.e.r. doet immers geen recht aan de bedoeling van m.e.r. en is een risico in de procedure. Met betrekking tot de vormvrij m.e.r.-beoordeling is een aanmeldnotitie opgesteld welke is opgenomen in bijlage VIII van deze toelichting. De aanmeldnotitie beschrijft de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu en geeft een conclusie over de noodzaak tot een m.e.r.-procedure Betekenis voor het planvoorneme Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van omstandigheden die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Geconcludeerd kan worden dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is 5.1
Conclusie milieu- en omgevingsfactoren
Uit bovenstaande paragrafen kan worden geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaa voor de uitvoering van het planvoornemen in voorliggend bestemmingsplan
.
.
.
.
g
n
n
”
.
5
4
60
6.
Algemee
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionel ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de Verbeelding en de Regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking. In de toelichting wordt ingegaan op het doel van het bestemmingsplan, het relevante beleid, een beschrijving van het plangebied en de planontwikkeling, de relevante omgevingsaspecten (geluid, lucht, externe veiligheid, bodem, ora en fauna, water, archeologie, etc.) en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Ook bevat de toelichting een uitleg van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen - Toelichtin - Verbeeldin - Regel Bovenstaande onderdelen vormen de toetsingsgrond voor een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Wanneer de aanvraag past binnen het bestemmingsplan en voldoet aan de overige toetsingsgronden, kan de omgevingsvergunning direct worden verleend middels een reguliere procedure. 6.
Verbeelding en bestemmingsplanregel
De verbeelding geeft de bestemming(en) van de gronden aan. De verbeelding moet, net als de bestemmingsplanregels, voldoen aan de landelijke standaarden (SVBP). In deze standaarden zijn afspraken vastgelegd over standaardbestemmingen en de weergave van bestemmingen en aanduidingen (zoals kleurgebruik, lijnen/vlakken, etc.). Tevens worden met functieaanduidingen de gebruiksmogelijkheden nader gespeci ceerd. In de planregels staat per bestemming en aanduiding vastgelegd wat de beperkingen en mogelijkheden zijn van de gronden met de bestemming. De structuur van de regels van bestemmingsplannen moet voldoen aan de landelijke standaarden: SVBP (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen). Hierin is een standaardopzet voor de regels bepaald - Hoofdstuk 1 Inleidende regel - Hoofdstuk 2 Bestemmingsregel - Hoofdstuk 3 Algemene regel - Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregel
fi
:
:
s
fl
s
g
s
s
s
.
e
n
g
g
s
2
61
1
6
Juridische planbeschrijvin
Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en wijze van meten. In hoofdstuk 2 wordt aangegeven wat de speci eke invulling van de bestemmingen op de verbeelding voor dit plan precies inhouden. Er wordt aangegeven welke functies (doeleinden) zijn toegestaan. In dit speci eke bestemmingsplan zijn de enkelbestemmingen ‘Wonen’ (W-2), ‘Tuin’ (T), ’Groen’ (G) en ‘Verkeer’ (V) aanwezig. De bestemming ‘Wonen’ dient ter aanduiding voor het kunnen huisvesten van een afzonderlijk huishouden per bouwvlak, of meer woningen per bouwvlak als dat op de plankaart wordt aangegeven. De voor ‘Tuin’ aangewezen bestemming is opgenomen om de traditionele kenmerken van het erf en het belang van de openheid van de gronden te waarborgen. Voor het behouden, waarborgen en versterken van het groen wordt aan de rand van het plangebied de bestemming ‘Groen’ opgenomen met de functieaanduiding ‘speci eke vorm van groen - groensingel’. ‘Verkeer’ als is enkelbestemming gebruikt om het parkeren te waarborgen en het voor- als achtererf via de Heereweg te kunnen bereiken. Tevens dient de bestemming ‘Verkeer’ vrij te blijven van bebouwing om de zichtlijn naar het achterland te waarborgen. Met betrekking tot Archeologie is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ opgenomen om de archeologische waarde in het plangebied voor de toekomst te waarborgen.
Voor wat betreft de cultuurhistorische waarde is de aanwezige stolp, als cultuurhistorische drager van het plangebied, aangeduid met een ‘speci eke bouwaanduiding - stolp’. Hiermee worden de cultuurhistorische waarde in het plangebied gewaarborgd Verder wordt er aangegeven of er gebouwd mag worden en als dit het geval is tot welke bouwhoogte en met welke oppervlakte of bebouwingspercentage. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels die gelden voor alle bestemmingen uit het plan. Hierin zijn algemene gebruiksregels opgenomen. Afwijkingsregels die speci ek gelden voor een bepaalde bestemming worden onder het desbetreffende artikel in hoofdstuk 2 opgenomen. In het vierde hoofdstuk zijn de overgangs- en slotregels opgenomen. Dit hoofdstuk kenmerkt zich onder andere met bepalingen hoe om te gaan met het gebruik en het bouwen voor functies die aanwezig zijn welke niet in overeenstemming zijn met het plan. De slotbepaling geeft de naam (Heereweg 128 te Schoorl) en de datum van het bestemmingsplan aan 6.
Handhaafbaarhei
Een van de uitgangspunten bij de ontwikkeling van een bestemmingsplan is dat de in het plan opgenomen regels handhaafbaar dienen te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid verdient meer aandacht omdat het een voorwaarde is voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de in het plan opgenomen regels. Ten behoeve van een goede handhaving van de regels zijn de volgende factoren van belang - Voldoende kenbaarheid geven aan het plan - Voldoende draagvlak voor het beleid en de regelgeving in het plan - Inzichtelijke en realistische regeling - Handhavingsbeleid
;
fi
;
.
;
fi
d
.
.
:
fi
fi
fi
3
62
Financiële uitvoerbaarhei
In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de de nitie van bouwplan gegeven, waarbij het onderhavige plan als bouwplan kan worden aangemerkt. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van de plicht een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd. Voor onderhavig bestemmingsplan is een grondexploitatieplan niet aan de orde. De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de ontwikkelaar van het plan. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van planschade. Hiervoor wordt een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De nanciële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.
Participati
In aanloop naar de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan is het planvoornemen besproken met de direct omwonenden. Op 1 september 2022 zijn de initiatiefnemers met het plan naar de direct omwonenden aan zowel Voorweg 128 als Heereweg 126 gegaan. Het beeldkwaliteitsplan, welke reeds door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van Stichting Mooi-Holland (CRK) is goedgekeurd, behorende bij voorliggend planvoornemen is gepresenteerd aan de direct omwonenden van voorgenoemde adressen. Initiatiefnemers hebben hen geïnformeerd over de bestemmingsplanwijziging, de inhoud van het Beeldkwaliteitsplan en speci ek de te realiseren extra bebouwing. De directe omwonenden hebben positief gereageerd op de ruimtelijke ontwikkeling en de initiatiefnemers te kennen gegeven geen bezwaar te hebben. 8.
Vooroverle
Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De inspraakreacties tijdens dit vooroverleg zijn meegenomen in het ontwerp bestemmingsplan. 8.
Zienswijze en vaststellin
Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn twee zienswijzen ingediend. Deze zijn samengevat en beantwoord in een nota zienswijzen. Naar aanleiding van de zienswijzen is er maatvoering van de groensingel in de plankaart opgenomen en in de planregels omschreven. Tevens is er een voorwaardelijke verplichting voor behoud van de groensingel opgenomen in de plankaart en omschreven in de planregels Het bestemmingsplan wordt vervolgens vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraaks van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan
d
g
fi
g
e
fi
.
.
.
fi
3
2
1
63
8
7
Bijlage Bijlage I Bijlage II Bijlage I Bijlage Bijlage V Bijlage VI Bijlage VII
Beeldkwaliteitspla Watertoet Verkennend bodemonderzoe Verkennend onderzoek natuu Vervolgonderzoek inventarisatie beschermde soorte Stikstofberekenin Akoestisch onderzoe Aanmeldnotitie m.e.r. Locatie Heereweg 128, Schoor
l
n
r
k
k
g
n
s
n
I
I
I
I
V
V
I
64
I
9
Bijlage