CConstaterende datBergen (NH)
Koppel je AI →
Document · PDF

bij 4 15-06-2021 nota van zienswijzen.pdf

Commissie Bestemmingsplannen 15 juni 2021, gemeente Bergen (NH)Bij agendapunt: 4: Voorstel betreft het vaststellen van het bestemmingsplan Harmonielocatie Bergen53.999 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Op basis van de adviezen van deze adviseurs maakt het College van B&W een afweging om tot vergunning te komen. Op deze wijze kan goede inpassing en bijhorende ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd worden binnen een democratisch vastgesteld kader. Dit biedt ook de initiatiefnemer een duidelijk kader en procedure, waarin een planvoorstel gestalte redelijkerwijs kan krijgen. Het planvoorstel “de 7 Dorpelingen” heeft gestalte gekregen binnen de vastgestelde kaders van de structuurvisie, contourenkaart en het Beeldkwaliteitskader. In het Beeldkwaliteitskader worden de uitgangspunten en criteria gegeven voor de uitwerking van het bouwplan. Deze zien onder andere toe op de vormgeving, aantal bouwlagen en het realiseren van kappen en gaat verder dan kleur- en materiaalgebruik. Het plan voldoet aan de gestelde kaders en doelstellingen. Beeldkwaliteitsplan Om de gewenste ruimtelijke kwaliteit en beeldkwaliteit van het plan te waarborgen, wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit is een uitwerking van het vastgestelde Beeldkwaliteitskader Mooi Bergen 2.0. Hiermee wordt nog meer ingezoomd op de belangrijke gewenste ruimtelijke kwaliteit (blz. 12 van de Toelichting) Dat is de reden niet. De reden is dat het plan niet voldoet aan het beeldkwaliteitskader.

Het Beeldkwaliteitskader maakt onderdeel uit van de Regels van het bestemmingsplan "De 7 Dorpelingen" dat nog moet worden vastgesteld, maar dat kennelijk nu al niet meer toereikend is. En dus wordt de komst van een Beeldkwaliteitsplan aangekondigd, wat later alsnog wordt gekoppeld aan dit bestemmingsplan. Hoe is dit in vredesnaam mogelijk bij een postzegelbestemmingsplan dat van meet af aan beoogt het bouwplan "De 7 Dorpelingen" te faciliteren. Dat heeft met een zorgvuldig voorbereid bestemmingsplan niets van doen.

28

Als aangegeven in de inspraakreactie krijgt het Q-team een rol toebedeeld die ongewenst is in ons democratisch systeem. Het Q-team zou een adviserende rol hebben, maar zo staat het niet in het Beeldkwaliteitskader. Daar staat namelijk dat het Q-team kan afwijken van de criteria uit het Beeldkwaliteitskader. Dit kunnen ook nog eens alle criteria betreffen, waarmee een zorgvuldige inpassing dus geenszins geborgd is. Dit blijkt overigens alleen al uit het feit dat het Q-team heeft gevraagd om een doorkruising van de contouren, hetgeen vervolgens ook in de plannen is verwerkt. De wet voorziet - anders dan een welstandscommissie- niet in het bestaan van een adviesorgaan als het Q-team. Dit orgaan dient derhalve te worden ontbonden. De gemeente dient er in elk geval geen rol aan toe te bedelen. Het beeldkwaliteitskader is opgesteld als richtlijn voor ruimtelijke kwaliteit voor de planvorming binnen de structuurvisie Mooi Bergen 2.0.. In het beeldkwaliteitsplan “de 7 Dorpelingen” zijn voor deze projectlocatie specifieke ruimtelijke voorwaarden beschreven naast de reeds geldende bepalingen in het beeldkwaliteitskader en de vigerende welstandsnota. De specifieke ruimtelijke kwaliteit voor deze locatie wordt hiermee gewaarborgd en dus aangescherpt.

Hierbij is met name aandacht besteed aan aspecten van ruimtelijke kwaliteit van de plint met winkelbestemming versus de openbare ruimte vanuit de reacties op het planvoorstel in de gemeenteraad. De formele toetsing is gedelegeerd aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. Ook dit is een advies als onderdeel van de toetsing van de omgevingsvergunning, waarvoor hetzelfde geldt als voor het Q-team, maar wat wel een juridische status heeft. Het college en of de gemeenteraad kan gemotiveerd afwijken van het advies van het Q-team. Ruimtelijk beleid Provinciaal beleid De provincie Noord Holland heeft in haar beleidsdoelen geformuleerd prioriteit te willen geven aan hoofdwinkelgebieden. Zoals uit de Toelichting blijkt, is het centrum van Bergen door de provincie NIET aangemerkt als hoofdwinkelgebied. De provincie geeft verder hoge prioriteit aan het voorkomen van leegstand en het geven van ruimte aan kwaliteit en detailhandel dat bijdraagt aan aantrekkelijke binnensteden. De beoogde relocatie en vergroting van de harddiscounter Aldi in het centrum van Bergen draagt hier geenszins aan bij; in tegendeel: - De Aldi heeft een sterk verkeer aanzuigende werking (we verwijzen naar het rapport van Strabo november 2016 Over combinatiebezoek en verkeersgeneratie van de relocatie van de Aldi Centrum Bergen) Een discounter als Aldi is meestal de tweede of derde supermarkt voor Aldi.

Consumenten komen daar inderdaad vaak met de auto om groot in te kopen en Aldi is hier uiteraard bekend mee. Daarom stelt Aldi voor nieuwe vestigingen hoge eisen aan de bereikbaarheid. In het plan in Bergen worden voldoende parkeerplaatsen in de parkeergarage gerealiseerd en wordt het verkeer passend ontsloten. - De omliggende winkels profiteren 30% minder dan het rapport van DtnP als basis voor de structuurvisie Mooi Bergen 2.0 wil doen geloven, (zie Strabo rapport november 2016 "Over combinatiebezoek en verkeersgeneratie van de relocatie van de Aldi Centrum Bergen") In hoeverre de omliggende winkels precies gaan profiteren van de komst van een Aldi blijft een inschatting. Bureau RMC weet dat veel bezoekers van Aldi nog een andere supermarkt of speciaalzaken bezoeken omdat een discounter meestal de tweede of derde supermarkt is. Uit onderzoek blijkt daarnaast dat Aldi met zijn beperkte assortiment, nauwelijks concurrerend is voor onderscheidende specialisten: slechts 15% van de supermarktklanten bezoekt hiervoor een harddiscounter. Voor dagelijkse aankopen kunnen consumenten die inkopen bij Aldi doen ook een bezoek brengen aan de naastgelegen Deen, een van de andere supermarkten in het centrum en speciaalzaken met dagelijks aanbod.

Maar een bezoek aan Aldi kan ook worden gecombineerd met aankopen van frequent benodigde non-food producten bij bijvoorbeeld bloemenzaken, textielsupers, stomerij, apotheek en winkels als Marskramer en Hema. Maar combinatiebezoeken kunnen ook indirect plaatsvinden. Wanneer bezoekers door het sterkere supermarktaanbod vaker naar het centrum van Bergen komen, raken ze tevens bekender met het (recreatieve) aanbod. Ze weten welke winkels er te vinden zijn en kunnen dit in de toekomst combineren met een bezoek aan Aldi. Hier ligt ook een kans voor het centrum van Bergen om hier optimaal op in te spelen. Zeker gezien de regionale trekkracht van een nieuwe Aldi is het belangrijk om deze bezoekers langer aan je te binden en vaker te laten terugkomen. 29

-

Door de vergroting van de Aldi en Albert Hein, worden er meer m dagelijkse benodigdheden toegevoegd dan de grootte van alle huidige winkels voor dagelijkse benodigdheden in Bergen bij elkaar. Dit gaat absoluut ten koste van de speciaalzaken die het winkelgebied van centrum Bergen kenmerken en juist aantrekkelijk maken. Nut en noodzaak voor meer m dagelijkse boodschappen is trouwens niet aangetoond. In het supermarktenonderzoek van Bureau RMC is ingegaan op het aantal vierkante meters WVO dat het dagelijks aanbod in de vorm van supermarkten bedraagt in het centrum van Bergen. In de huidige situatie is dit een oppervlakte van 2.669 m2. In dit bestemmingsplan wordt enkel voorzien in de relocatie van de Aldi. Het WVO van de Aldi is gemaximaliseerd tot 850 m2. In vergelijking met het huidige WVO van de Aldi, circa 395 m2 wordt er met de uitbreiding van de Aldi maximaal 455 m2 dagelijks aanbod toegevoegd. 2

2

Bureau RMC komt in het supermarktenonderzoek tevens tot de conclusie dat de vestiging van de Aldi op de Harmonielocatie het centrum van Bergen zal versterken en toekomstbestendiger maakt. Tot slot is in de Ladder voor duurzame verstedelijking de actuele regionale behoefte aangetoond van de Aldi. - Het plan is ten onrechte niet voorgelegd aan de Regionale Adviescommissie Noord-Holland Noord. In de detailhandelsvisie Regio Alkmaar is immers bepaald dat er voor alle winkelontwikkelingen groter dan 1.500 m WVO regionaal afgestemd moeten worden. Het bestemmingsplan "De 7 Dorpelingen" voorziet, anders dan dat de gemeente stelt, ruimschoots in die mogelijkheid. Er is immers ook detailhandel mogelijk op de verdiepingen van het plan "De 7 Dorpelingen" en er is uitbreiding voorzien met 431 m WVO van Albert Heijn (blz. 3 Supermarktonderzoek RMC) In de regels van het bestemmingsplan wordt opgenomen dat één supermarkt mogelijk is met een maximaal winkelvloeroppervlak van 850 m2. Het is niet de bedoeling dat bedrijfsmatige activiteiten op de verdiepingen plaats vinden. Om dit te waarborgen wordt een toevoeging opgenomen dat de bedrijfsmatige activiteiten uitsluitend in de eerste bouwlaag plaats mogen vinden. Er vindt een aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan plaats. Het WVO aan winkelontwikkeling blijft daardoor onder de grens van 1.500 m 2.

De voorgenomen uitbreiding van de Albert Heijn zit niet in dit plan, waardoor deze vierkante meters niet hoeven worden meegenomen. Het plan behoeft dus ook niet regionaal te worden afgestemd. - De toetsing aan de Provinciale Ruimtelijke Verordening is onvolledig. Zo is er niet getoetst aan artikel 5a, waarin staat dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze in overeenstemming moet zijn met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. Het bestemmingsplan noemt dit artikel wel, maar geeft vervolgens niet aan of er een schriftelijke afspraak is (hetgeen overigens iets anders dan een toets aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking). Er is getoetst aan artikel 5a van de PRV. Artikel 5a sluit aan op de wettelijk verplichte toepassing van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking, zoals vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze versie van de PRV zijn eerdere regels over het aantonen nut en noodzaak (Laddertrede 1) en het benutten van binnenstedelijke mogelijkheden van de betreffende marktregio (Laddertrede 2) uit de PRV gehaald, omdat het al bij wet is geregeld in artikel 3.1.6 lid 2a en 2b van het Bro. 2

2

Door het uit de PRV halen van regels die samenvallen met de Ladderregels in de Bro komt het accent in de PRV te liggen op datgene wat niet in de wet is vastgelegd. Dat zijn de regionale afspraken. Al eerder zijn in de PRV voor woningbouw regionale afspraken in de Regionale Actie Programma’s (RAP’s) verplicht gesteld en zijn voor detailhandel regionale visies verplicht. Omdat het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) via de Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) al regels stelt over 1) aantonen nut en noodzaak en 2) onderzoeken van binnenstedelijke mogelijkheden, zijn deze regels niet meer in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) opgenomen. Daarmee komt de regionale afstemming in de PRV centraal te staan als het gaat om nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Regionale afstemming is niet in het Bro via de Ladder geregeld en blijft daarom in de PRV gehandhaafd. In paragraaf 3.4 van de toelichting heeft de toets aan de Ladder plaatsgevonden. - Er is ook niet getoetst aan de artikelen 8a en 33 van de Verordening. artikel 8a: meerlaagse veiligheid, artikel 33: energie en duurzaam bouwen Artikel 8a PRV gaat over meerlaagse veiligheid. De projectlocatie betreft een bestaande kern waar geen risico bestaat op overstromingen.

De provincie noemt in de toelichting ook nog eens dat het moet gaan om Vitale infrastructuur, kwetsbare objecten, woonwijken en bedrijventerreinen en dat sprake moet zijn van een slimme 30

locatie keuze. Op de locatie midden in de kern staat al honderden jaren bebouwing. Derhalve bestaat geen risico op overstroming. De beantwoording hiervan zal tevens opgenomen worden in de toelichting. Wat duurzaamheid betreft (artikel 33) dient het bouwplan te voldoen aan het Bouwbesluit. De planvorming dateert van vóór de vaststelling van het Duurzaamheidsbeleid door de Gemeenteraad. Schrama BV streeft er desalniettemin naar het project zodanig uit te voeren dat het energieverbruik lager wordt dan momenteel gangbaar is en sluit daarmee aan op de door minister Blok geïntroduceerde term Bijna Energie Neutrale Gebouwen (beng). Om te bepalen hoe dit zo efficiënt mogelijk gerealiseerd kan worden zal er bij de uitwerking van het plan een gespecialiseerd adviesbureau betrokken worden. In de toelichting is reeds een paragraaf opgenomen over duurzaamheid. Desalniettemin zal de toets aan artikel 33 PRV specifiek in de toelichting opgenomen. Derhalve vindt een aanpassing in de toelichting plaats. - Normaal gesproken voert Aldi een eigen locatieonderzoek uit. Of dat in dit geval ook is gebeurd is onbekend; in ieder geval is een dergelijk rapport niet openbaar gemaakt. De relocatie en uitbreiding van de Aldiformule op deze plek lijkt enkel ingegeven door de belangen van Aldi en het financieel vlottrekken van een 'vastgelopen' ontwikkeling binnen het project Mooi Bergen in 2014.

- Door Aldi zelf is in 2009 aangegeven zich het liefst aan de rand van het dorp te willen vestigen (zie het gespreksverslag van de informatiebijeenkomst uitgangspunten Structuurvisie Bergen Centrum van 15 april 2009) - Het centrum van Bergen is een recreatief winkelgebied; gericht op ontspanning en vermaak. Het winkelaanbod richt zich op niet-dagelijkse artikelen (zie hiervoor de Regionale detailhandelsvisie regio Alkmaar 2025 RMC en de Quickscan op de structuurvisie Mooi Bergen 2.0 uit 2014/2015 door Nel de Jager) Het centrum van Bergen is in de regionale detailhandelsvisie als recreatief winkelgebied opgenomen in de detailhandelsstructuur. De plaats Bergen heeft buiten het centrum echter geen winkelgebied voor dagelijkse boodschappen of een solitaire supermarkt. Dit zorgt ervoor dat het centrum naast een recreatieve functie ook een sterke boodschappen functie moet hebben. - Uit onderzoek, uitgevoerd door het RMC t.b.v. de Regionale Detailhandelsvisie regio Alkmaar in 2016 naar het functioneren van de verschillende winkelgebieden in de regio, blijkt dat het centrum van Bergen reeds 100% functioneert en daarmee het beste scoort binnen de regio (zie de afbeelding op blz 37 van de Regionale Detailhandelsvisie regio Alkmaar 2025). In de regionale detailhandelsvisie is te zien dat het centrum van Bergen alle indicatoren heeft om kansrijk te zijn.

Dit betekent niet dat de winkels en het winkelgebied al toekomstbestendig zijn en stil kunnen zitten. Zeker omdat Bergen een relatief lage koopkrachtbinding heeft in vergelijking met andere gemeenten met een even groot dagelijks aanbod. Minder bestedingen in het centrum van Bergen vergroot de kans op leegstand. Dit komt de aantrekkelijkheid van het centrum niet ten goede. Kansen om het centrum van Bergen nog aantrekkelijker te maken binnen de regio moeten aangegrepen worden omdat de detailhandel in rap tempo verandert. Een uitbreiding van Aldi geeft het centrum een sterke positie qua dagelijks aanbod door versterking van de diversiteit van de supermarkten. Het biedt de consument een completer aanbod. - Het alternatieve plan 'In Harmonie' van Stichting Mooier Bergen sluit wel aan bij de beleidsdoelen van de provincie, de regionale detailhandelsvisie Regio Alkmaar 2025 en gemeentelijk beleid (zie bidbook In Harmonie hoofdstuk 2). Voor wat betreft het proces om te komen tot het Raadsbesluit van 15 december 2016 wordt verwezen naar het daaraan ten grondslag liggende Raadsvoorstel en alle door het College opgestelde memo’s. Kortom, nut en noodzaak van de grotere discount supermarkt is niet aangetoond. De marktruimte wordt weliswaar berekend in een supermarktenonderzoek, maar hier wordt niet ingegaan op de regionale context.

Een volwaardig DPO (Distributie Planologisch Onderzoek), wat zeer gebruikelijk en noodzakelijk is bij de vestiging van supermarkten of de uitbreiding ervan, ontbreekt. Blijkens jurisprudentie moet worden aangetoond dat de komst van de supermarkt niet leidt tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau en daarnaast dient de behoefte dus te worden aangetoond. Dit kan door de behoefte af te wegen tegen het bestaande aanbod. Bij detailhandel betekent dit dat wordt gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van winkelleegstand. Inzichtelijk moet zijn gemaakt dat het bestemmingsplan geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie in de betrokken regio zal leiden. Er moet dus rekening gehouden worden met het regionale aanbod en er moet een koopstromenonderzoek gedaan worden. 31

Er wordt volstaan met het supermarktenonderzoek van Bureau RMC d.d. 13 oktober 2016, hierin is tevens ingegaan op de regionale context. In de marktruimteberekening wordt de behoefte afgewogen tegen het bestaande (en uitgebreide) aanbod. Tevens is de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Een DPO en een koopstromenonderzoek zijn niet noodzakelijk. Gemeentelijk beleid Wonen Het ontwerp bestemmingsplan biedt geen enkele juridische zekerheid over de duurzame realisatie van de sociale huurwoningen. Niet op korte termijn, en zeker niet op lange termijn. Evenmin sluit de woningbouwontwikkeling voldoende aan op de verschillende doelstellingen uit Woonvisie 2015-2020, immers: a) er is nog geen anterieure overeenkomst gesloten, noch is zeker of en wanneer deze door de ontwikkelaar wordt getekend. Ook een concept is niet toegevoegd. b) het ontwerp exploitatieplan, dat daarom tegelijk met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage had moeten worden gelegd, ontbreekt. Hieruit volgt dat er in dat geval een ondertekende anterieure overeenkomst had moeten zijn, met daarin opgenomen diverse dwingende afspraken en voorwaarden met betrekking tot de realisatie en afname (door Kennemer Wonen) en de langdurige verhuur (via SVNK) van de sociale huurwoningen. Evenals afspraken over levensloopbestendigheid, en duurzaamheidsaspecten zoals Nul-op-de-meter (NOM)/ Beng-indicatoren bij nieuwbouw, etc.

Voordat het bestemmingsplan in de raad wordt behandeld is de Anterieure Overeenkomst tussen Schrama BV en de gemeente Bergen ondertekend. Omdat er een anterieure overeenkomst is gesloten is een (ontwerp)exploitatieplan niet nodig. Voorts ontbreekt in de Bestemmingsregels bij Artikel 1 "Begrippen" wat moet worden verstaan onder: sociale huurwoning; - vrije sector (huur)woningen; - verwijzing naar de Woonvisie; - woningbouwcategorieën gemeente Bergen; - levensloopbestendig; - duurzaamheid; - Nul-op-de-meter (NOM); - BENG-eisen. Bovenstaande begrippen hoeven niet gedefinieerd te worden in de regels behorende bij het bestemmingsplan. Het begrip sociale huurwoning is wel opgenomen in het bestemmingsplan. Dit is aangepast. In de Bestemmingsregels bij Artikel 3 Gemengd-1 -in deze bestemming wordt het overgrote deel van de woningen gerealiseerd- ontbreekt de verplichting tot het realiseren van sociale huurwoningen volledig. In de Bestemmingsregels bij Artikel 6 Wonen-1 wordt hier slechts marginaal op ingegaan door de volgende zinsnede: "wonen, met dien verstande dat minimaal 40 Zo van de te realiseren woningen in de sociale huursector". Dit kan niet als Regel worden aangemerkt, mede door het ontbreken van het begrip: "sociale huurwoning" in Artikel 1 "Begrippen". o

Dit is een enorme slordigheidsfout die kenmerkend is voor het proces in zijn geheel. Kwaliteit is ondergeschikt aan de onverantwoordelijke haast om het Bestemmingsplan ter inzage te leggen. Artikel 6.1 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan wordt aangepast. In artikel 13 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te waarborgen dat er in het gehele plangebied minimaal 40% van het totaal aantal te realiseren woningen in de sociale huursector wordt gerealiseerd. Dit is aangepast in de regels van het ontwerpbestemmingsplan. De onderverdeling naar categorie 1 en 2 en de duur daarvan is uitgewerkt in de Anterieure Overeenkomst tussen de gemeente Bergen en Schrama BV. Paragraaf 3.3.4. Lokale Woonvisie 2015-2020 van de Toelichting geeft een uitleg over afspraken in de recent vastgestelde Woonvisie. Hierbij wordt NIET ingegaan op - het aantal huurwoningen dat in categorie 1 gerealiseerd gaat worden; - het aantal huurwoningen dat in categorie 2 gerealiseerd gaat worden; 32

-

het aantal huurwoningen dat in categorie 3 gerealiseerd gaat op gemeentegrond. In de woonvisie 2015-2020 is het volgende vastgesteld:

"Wij stellen voor de verdeling in woningbouwcategorieën aan te passen naar minimaal 20% in categorie 1, minimaal 20% in categorie 2 en maximaal 6096 in categorie 3 en 4 bij koopwoningen. Hierbij willen we een onderbouwing zien van de verdeling over de woningbouwcategorieën. Bij huurwoningen stellen wij een verdeling van 40% categorie 1 en 2 en 60% categorie 3 en 4 voor, waarbij per situatie bekeken wordt hoeveel woningen in categorie 1 en 2 gerealiseerd worden". "Sociale huurwoningen blijven langdurig beschikbaar voor de doelgroep van beleid". "Bij grond in handen van projectontwikkelaars is het uitgangspunt sociale huur, tenzij de betreffende projectontwikkelaar kan aantonen dat het economisch niet uitvoerbaar is. In het geval van gemeentelijk grondbezit wordt sowieso bij categorie 1 en 2, maar ook categorie 3 ingezet op huurwoningen". "Sociale koopwoningen zijn moeilijk sociaal te houden. Uit onderzoek en signalen uit de samenleving blijkt dat vrije sectorhuurwoningen wellicht een optie zijn in plaats van een (sociale) koopwoning. Het aanbod is beperkt en de vraag is groot, zeker naar vrije sectorhuurwoningen in de prijsklasse van circa €700,- tot circa €1000,- (categorie 3 huurwoningen)".

"Vrije sector huurwoningen zijn interessant voor - tweeverdieners die net boven de inkomensgrens voor een categorie 2 sociale huurwoning uitkomen; - senioren, die door hun koopwoning af te stoten en te gaan huren, de opbrengst vrij kunnen besteden; - senioren, die in een grote sociale huurwoning wonen en vanwege een te hoog inkomen niet naar een andere, kleinere sociale huurwoning kunnen verhuizen. Deze senioren willen vaak wel een hogere, vrije sectorhuur betalen, maar er is vrijwel geen aanbod in de gemeente Bergen. De verwachting is dat het vergroten van het aanbod vrije sectorhuurwoningen zorgt voor het achterlaten van koopwoningen en sociale huurwoningen, die op hun beurt beschikbaar komen voor andere (jongere) inwoners van de gemeente Bergen. De gemeente Bergen is op zoek naar partijen die vrije sectorhuurwoningen, met name in prijsklasse van circa €700,- tot circa €1000,- (categorie 3 huurwoningen) willen realiseren in de gemeente Bergen. Grote beleggers hebben geen interesse in kleinschalige projecten boven het Noordzeekanaal. De gemeente Bergen zoekt en voert gesprekken met mogelijk geïnteresseerde partijen". Uit niets blijkt dat de gemeente deze gesprekken met de ontwikkelaar heeft gevoerd, noch dat de ontwikkelaar zelf heeft getracht zijn ontwikkeling aan te laten sluiten op bovengenoemde doelstellingen uit de Woonvisie 2015-2020.

NB: De Stichting Mooier Bergen (zonder winstoogmerk) is ten behoeve van haar alternatieve plan voor de Harmonielocatie ('In Harmonie") erin geslaagd projectontwikkeling 'Gedachtegoed' aan zich binden, die vrije sector huurwoningen in categorie 3 wilde realiseren op gemeentegrond; conform de afspraken uit de Woonvisie Bergen NH 2015-2020. Door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het realiseren van sociale woningbouw in de regels van het bestemmingsplan, wordt geborgd dat de doelstellingen zoals verwoord in de Woonvisie worden nageleefd. Schrama B.V. zal aan deze voorwaardelijke verplichting moeten voldoen. Ongeacht de categorie waarin de woningen zullen worden gerealiseerd, wordt voldaan aan de Woonvisie. In de Woonvisie is immers duidelijk gemaakt dat aan elke categorie (1, 2, 3 en 4) behoefte is. Artikel 6.1 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan wordt aangepast. In artikel 13 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te waarborgen dat er in het gehele plangebied minimaal 40% van het totaal aantal te realiseren woningen in de sociale huursector wordt gerealiseerd. Dit is aangepast in de regels van het ontwerpbestemmingsplan. De onderverdeling naar categorie 1 en 2 en de duur daarvan is uitgewerkt in de Anterieure Overeenkomst tussen de gemeente Bergen en Schrama BV.

In de Anterieure Overeenkomst tussen de gemeente Bergen en Schrama BV zijn bepalingen opgenomen waarmee geborgd is dat de sociale (huur)woningen de komende 20 jaar in de sociale sector blijven. 33

Duurzaamheid Door het ontbreken van de anterieure overeenkomst of een (concept) exploitatieplan waarin dwingende afspraken met de ontwikkelaar zijn vastgelegd en het ontbreken van regels met betrekking tot duurzaam bouwen, kan de ambitie voor een duurzame ontwikkeling slechts als 'streven' worden aangemerkt. Om in het ontwerpbestemmingsplan te spreken van een duurzaam à groen plan, is in dat licht ronduit lachwekkend. Te meer daar de huidige, overwegend onverharde en groene Harmonielocatie, volledig wordt bebouwd en aļ het groen verdwijnt. Grote delen van het woondek zouden worden afgewerkt als groendak. Een groendak is evenwel wat anders dan 'groen'. 'Groen' zijn struiken, bomen, planten, flora, etc. Bovendien is er in het bestemmingsplan, noch in het Beeldkwaliteitskader, een regel voor opgenomen. Het is dus niet afdwingbaar en kan dus ook niet gebruikt worden als argument dat hierdoor bijgedragen wordt aan duurzaamheid. Het is slechts een niet geborgde bewering. Bovendien ontbreekt een toetsing aan het gemeentelijk groenstructuurplan. Ook de stelling dat straks in het gehele centrum meer groen zal komen is een loze kreet, die nergens geborgd is. Conclusie: in de Toelichting wordt niet ingegaan op 1. het Duurzaamheidsambitie van de gemeente Bergen NH 2. de duurzaamheidsafspraken uit de Woonvisie 3.

Nul-op-de-meter (NOM) energieneutraal bouwen bij bouwplannen op gronden in het bezit van de gemeente De raad heeft op 29 september 2016 in de motie 'Nul-op-de-meter- woningen', het college de volgende opdracht gegeven: "Op toekomstige ontwikkelingen op gemeentegrond daar waar het geplande nieuwbouw betreft, van louter Nul-op-de-meter-woningen/gebouwen uit te gaan en dit mee te nemen bij de uitgifte, c.q. ontwikkeling van de locatie." De gemeente heeft dit later bekrachtigd in de nota van beantwoording Duurzaamheidsbeleid 2017-2020 "....Bij de uitwerking van het gekozen plan zal duurzaamheid een belangrijke rol spelen, net als bij andere ontwikkelingen het geval is. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van landelijke en gemeentelijke subsidies om "nul op de meter" te stimuleren, ruimte in de grondexploitatie en realisatie zal moeten voldoen aan de duurzaamheidambitie zoals in de beleidsnota is opgenomen. Alle plannen worden getoetst aan de duurzaamheidsambitie van de gemeente Bergen..." De door de raad vastgestelde duurzaamheidnormen bij nieuwbouw zijn NIET in de regels opgenomen. Ook hier geldt dat er geen enkele zekerheid geboden wordt dat de boogde ontwikkeling volgens de BENG norm gerealiseerd wordt. Niet zolang de anterieure overeenkomst of het ontwerp-exploitatieplan niet is bekendgemaakt, dan wel door de ontwikkelaar ondertekend is.

Wat duurzaamheid betreft dienen het bouwplan te voldoen aan het Bouwbesluit. De planvorming dateert van vóór de vaststelling van het Duurzaamheidsbeleid door de Gemeenteraad. Schrama BV streeft er desalniettemin naar het project zodanig uit te voeren dat het energieverbruik lager wordt dan momenteel gangbaar is en sluit daarmee aan op de door minister Blok geïntroduceerde term Bijna Energie Neutrale Gebouwen (beng). Om te bepalen hoe dit zo efficiënt mogelijk gerealiseerd kan worden zal er bij de uitwerking van het plan een gespecialiseerd adviesbureau betrokken worden. In het ontwerp is groen een belangrijk thema, grote delen van het woondek zijn daarin afgewerkt als groendak. Het is ook mogelijk om de achterzijde van het magazijn en de bergingen te laten begroeien, dit zal in overleg met de bewoners gaan. Ook hiervoor zal bij de uitwerking een gespecialiseerd adviesbureau betrokken worden. Dat bureau zal ook een advies uitbrengen over de mogelijkheden van groen op de plekken zoals voorgesteld in de moties. Ladder voor duurzame verstedelijking Woningen Voor de woningen is wel getoetst aan beleid, maar aan verouderd beleid. Het regionale actie programma (RAP) waarnaar verwezen wordt, is verouderd. Daar komt bij, dat er voldoende plannen in de regio zijn om aan de 34

behoefte te kunnen voldoen. Ook op dit punt is het bestemmingsplan derhalve onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het regionale actie programma (RAP) is inderdaad geactualiseerd. De toelichting zal hierop aangepast worden. De conclusies blijven echter onverminderd van toepassing op dit project. Supermarkt Bij de supermarkt gaat het om een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Zo'n nieuwe ontwikkeling moet worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals vermeld in art. 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Volgens dit artikel moet de Toelichting bij een bestemmingsplan van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, voldoen aan de volgende voorwaarden: a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte; b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; c.

indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. De toetsing van het bestemmingplan 'De 7 Dorpelingen' aan de Ladder voor duurzame verstedelijking staat vermeld in paragraaf 3.4 van de Toelichting. Bij deze toetsing kunnen de volgende opmerkingen worden gemaakt: ad. a (trede 1). De vraag of het plan voorziet in een (regionale) behoefte wordt in de Toelichting niet beantwoord. De tekst bevat uitsluitend een beschrijving van het vestigingsbeleid van Aldi en aan welke voorwaarden de locatie van een supermarkt van Aldi moet voldoen. Of er op deze plaats behoefte is aan een supermarkt wordt niet duidelijk. Hooguit blijkt uit een onderzoek van het bureau RMC dat er voor de gewenste uitbereiding van Aldi in 2025 voldoende marktruimte bestaat. Dit is wellicht interessant als investeringsinformatie, maar volstrekt onvoldoende voor een planologische beslissing. In de Toelichting gaat het niet over de behoefte van de regio aan een supermarkt, maar over de behoefte van een supermarkt (Aldi) aan een regio (afzetmarkt).

Of de regio behoefte heeft aan een relocatie van een supermarkt blijkt nergens uit. De conclusie in de Toelichting, dat er op deze plaats sprake zou zijn van 'een actuele behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling', is dan ook nergens op gebaseerd. In het supermarktenonderzoek van Bureau RMC d.d. 13 oktober 2016 wordt in de marktruimteberekening de behoefte afgewogen tegen het bestaande (en uitgebreide) aanbod. Gezien het vestigingsbeleid van Aldi is het vrijwel zeker dat de Aldi in haar huidige vorm niet in Bergen blijft, waardoor leegstand ontstaat op de huidige locatie en de relatief lage koopkrachtbinding met het centrum verder achteruit gaat. ad. b (trede 2). Met bovenstaande constatering stopt eigenlijk de toetsing. Maar zoals gezegd, trekt men in de Toelichting de omgekeerde conclusie. En dus wordt in de Toelichting ook de tweede vraag van de ladder (trede 2) aan de orde gesteld; te weten de vraag in hoeverre binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de veronderstelde behoefte kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Als antwoord op deze vraag wordt in de Toelichting volstaan met de constatering dat hier sprake is van een locatie in bestaand stedelijk gebied van Bergen.

En samen met het antwoord op de eerste vraag over de veronderstelde behoefte zou daarmee de voorgenomen ontwikkeling, in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking, voldoende zijn gemotiveerd. Dit is een volstrekt onvoldoende onderbouwing. Net als bij de eerste trede geeft ook hier de Toelichting geen antwoord op de gestelde vraag. In het supermarktenonderzoek van Bureau RMC d.d. 13 oktober 2016 wordt eerder onderzoek naar de uitbreiding van de Aldi op de huidige locatie in Bergen toegelicht. Dit is niet mogelijk gebleken.

35

Wat bij een positief antwoord op trede 1 had moeten gebeuren was een onderzoek naar de mogelijkheid of op de betreffende locatie tegemoet kan worden gekomen aan de door Aldi genoemde vestigingsvoorwaarden, te weten : - een winkel van 1.345 m2 BVO - een prima bereikbaarheid per auto en een ruime parkeergelegenheid Uit een toetsing van deze vestigingsvoorwaarden aan de locatie zou dan duidelijk zijn geworden: - dat de schaal van de gevraagde voorziening zich niet verhoudt met de uitgangspunten die voor de invulling van deze omgeving in de Visie zijn gehanteerd; - dat de voorziening autoverkeer naar een plek wordt geleid die primair is bedoeld als verblijfsgebied voor de voetganger. ad. c (trede 3). Met de conclusie dat op de Harmonielocatie niet 'in de veronderstelde behoefte kan worden voorzien', zou er vervolgens alle aanleiding zijn geweest voor een nader onderzoek naar alternatieve locaties als bedoeld is trede 3. Echter dit alles is achterwege gelaten. De conclusie dat de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking voldoende is gemotiveerd, is op NIETS gebaseerd. Het is een absoluut niet onderbouwde en bovendien volkomen onjuiste conclusie. De conclusie moet zijn dat -bij een juiste toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking- het plan voor de supermarkt op deze locatie, planologisch niet te verantwoorden is.

Van de overige detailhandel, die het bestemmingsplan ook mogelijk maakt, alsmede andere functies, waaronder dienstverlening, ontbreekt zelfs iedere poging om de behoefte aan te tonen. Dit terwijl dit ook een 'stedelijke ontwikkeling' is en dus eveneens getoetst dient te worden aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor zowel de functie wonen als voor de functie supermarkt op de correcte wijze doorlopen. Daarnaast zal de toelichting geactualiseerd worden naar aanleiding van de wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking d.d. 1 juli 2017. Omgevings- en milieuaspecten Verkeer- en parkeeraspecten De komst van een volwaardige discounter leidt tot extra autobewegingen, hetgeen in strijd is met de beleidsdoelstellingen voor het centrum. Dit is overigens ook al aangegeven in de inspraakreactie, doch de gemeente reageert hierop door te stellen dat uit verkeersonderzoek blijkt dat de toename niet tot bereikbaarheidsproblemen leidt. Dat is niet het punt. Het punt is dat het plan leidt tot een verkeerstoename, hetgeen zich niet verhoudt tot de beleidswens. De 'dominante aanwezigheid van de auto. Deze hangt samen met de bovenlokale functie en het doorgaande verkeer' wordt in de Omgevingsvisie immers als knelpunt gezien (letterlijk citaat).

Het is inherent aan de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen dat er een toename van (auto)verkeer zal ontstaan. Op basis van de functie van met name de Dreef en het Plein, als onderdeel van de doorgaande route richting Bergen Binnen en Bergen aan Zee, is dit ook niet tegen te gaan. Het is daarbij van belang dat deze toename het functioneren van het centrum en haar omgeving niet onevenredig schaadt. Dit betekent dat een juiste inrichting van de omgeving en locatie van de diverse (verkeers)functies aan de orde is. Bij de inrichting is een belangrijke doelstelling dat de huidige dominante aanwezigheid van het autoverkeer vermindert en het langzame verkeer (o.a. winkelbezoekers) een prominente plaats krijgt binnen de openbare ruimte. Daarom wordt het zogenaamde ‘gedeelde ruimte’ als uitgangspunt genomen bij de inrichting. Hierbij is het ontwerp van de openbare ruimte benaderd vanuit het langzaam verkeer, de auto is te gast in het gebied. hiermee wordt de automobilist ‘gestuurd’ op aangepast gedrag (lagere snelheid, attentieverhogend). Wij zijn daarom van mening dat het plan niet strijdig is met onze beleidswens op gebied van verkeer. De aannames voor wat betreft de verkeerstoename, als ook de geluidrapporten (wegverkeer en industrielawaai), gaan uit van een bepaald programma, namelijk het bouwplan "De 7 Dorpelingen". In het bestemmingsplan wordt echter veel meer mogelijk gemaakt.

Het plan kan daarom veel meer verkeer genereren bij een maximale invulling van het bestemmingsplan. De onderzoeken en het bestemmingsplan zijn niet of niet voldoende op elkaar afgestemd en zodoende is het plan ook op dit punt in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. 36

Voor wat betreft de verkeerstoename wordt niet onderbouwd hoe men aan de getallen komt. De VNGpublicatie waarnaar verwezen wordt, kent geen normen maar richtlijnen met een bepaalde bandbreedte. Er is zowel een minimum als een maximum opgenomen en dit verschilt al naar gelang de mate van verstedelijking in de gemeente. Niet is onderbouwd van welke criteria is uitgegaan en of het minimum, het gemiddelde, of het maximum is genomen en waarom. Bij het inschatten van de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkelingen is inderdaad niet van alle mogelijke ontwikkelingen volgens dit bestemmingsplan uitgegaan. De berekeningen volgens het verkeers- en parkeeronderzoek Bergen-centrum dat Rho in 2015 heeft gehouden is als uitgangspunt genomen. Daarbij is de komst van een supermarkt van 1.500 m2 bvo als basis genomen voor de berekening (max. verkeersgeneratie afgerond 1.200 mvt/etmaal). De conclusie uit het onderzoek is dat op het Plein een forse verkeersintensiteit voor gemengd verkeer zal ontstaan (ca. 7.300 mvt./etmaal) en dat bij het ontwerp van het Plein hier rekening mee dient te worden gehouden. Op basis van het programma van het plan is m.b.v. de maximale kencijfers van de verkeersgeneratie volgens de CROW een berekening gemaakt en volgens deze berekening is de verkeersgeneratie vergelijkbaar aan (zelfs iets lager dan) die volgens de berekening van Rho.

Daarom is de berekening van Rho als uitgangspunt genomen voor de stelling dat het nieuwe verkeer kan worden verwerkt. Het is onwaarschijnlijk dat er voldoende parkeerplaatsen in de garage kunnen worden gerealiseerd. Doordat de ontwikkelaar geen eigenaar is van het perceel Plein 36, kan onder dat perceel geen parkeergarage worden gerealiseerd. Het klopt dat er onder het pand Plein 36 geen bebouwing of parkeergarage kan worden gerealiseerd. De aansluiting wordt nu aan de voorzijde gemaakt, onder de hellingbaan door, in plaats van aan de zijde van Plein 36. Verder wordt op blz. 29 van de Toelichting de parkeeropgave onjuist berekend. Het aantal vervallen parkeerplaatsen op het maaiveld is ten onrechte gesteld op 7. Het zijn er echter 24, namelijk 8 op de ventweg voor het huidige Harmoniegebouw; 10 ten westen van de voormalige Brandweerkazerne en 6 in het Alexanderlaantje. Bij elkaar levert alleen dit al een TEKORT (6) op ten opzichte van de ca. 88 parkeerplaatsen die kennelijk in het Bestemmingsplan worden voorzien. Daarbij is een uiterst lage parkeernorm gehanteerd (3,3 parkeerplaatsen per 100m ) voor de discount supermarkt. Blijkens hun website rekent Aldi zelf met een eigen parkeernorm van 9 parkeerplaatsen per 100m . Ook het aantal parkeerplaatsen (12) op het onlangs aangelegde parkeerterrein ten noorden van het pand Plein 36, is niet meegenomen.

Artikel 1.14 van de Bestemmingsplanregels bepaalt immers dat het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van het plan, bepalend is. Daarmee komt het tekort op 18 parkeerplaatsen! Uitgangspunt van de parkeerbalans is het parkeeronderzoek dat in juni 2015 is gehouden. De zogenaamde nulmeting. Conclusie van het onderzoek is dat er voldoende parkeercapaciteit is in het centrumgebied. Het advies is om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen er voor te zorgen dat er naar rato aan parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Bij het plan “De 7 Dorpelingen” is het de bedoeling dat er huidige parkeerplaatsen komen te vervallen, welke moeten worden gecompenseerd Het gaat daarbij om 7 parkeerplaatsen die thans langs de ventweg zijn gelegen. De parkeerplaatsen bij de voormalige brandweer, de parkeerplaatsen op het tijdelijke parkeerterrein van Schrama aan het Plein en de parkeerplaatsen ter hoogte van het Alexanderlaantje bestonden ten tijde van de nulmeting niet. Deze zijn na die tijd gerealiseerd en waren niet ingegeven door ruimtelijke ontwikkelingen. Feitelijk zijn de parkeerders op één van deze parkeerplaatsen niet zozeer nieuwe parkeerders, maar is er sprake van een verschuiving t.o.v. de situatie ten tijde van het genoemde parkeeronderzoek. Qua parkeerbalans hoeven deze parkeerplaatsen daarom niet te worden gecompenseerd.

Voor de bepaling van het aantal parkeerders dat de Aldi genereert, is inderdaad uitgegaan van een parkeernorm van 3,3 parkeerplaatsen per 100 m. Deze norm is gebaseerd op de parkeerkencijfers die CROW voor deze functie hanteert. De Aldi valt daarbij onder de categorie ‘discountsupermarkt’. Daarbij is uitgegaan van het gemiddelde van de parkeerkencijfers en er mag dus worden verondersteld dat deze niet uiterst laag is. Het bestemmingsplan maakt echter ook realisatie van een fullservice supermarkt in het middelhoog en hoog prijsniveau. Hiervoor geldt een hogere parkeernorm van 3,6 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Bij de planvorming moet aan deze eis worden voldaan. Om dit te borgen is in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van parkeren opgenomen. 2

2

37

In het plangebied is geen ruimte ingeruimd voor fietsparkeren, waardoor de ontwikkelaar niet voldoet aan de parkeeropgave voor fietsparkeerplaatsen. Het fietsparkeren vindt plaats in de openbare ruimte. Binnen een straal van ongeveer 30 meter zijn er voor de Aldi ruim 68 plekken beschikbaar (dit is exclusief dubbelgebruik van fietsen voor bezoekers van de Deen), terwijl op de huidige locatie van de Aldi nauwelijks voorzieningen zijn voor fietsers. De ontsluiting van de parkeergarage in het "straatje zonder naam" ter hoogte van de Bibliotheek levert gevaar op voor de het vele fietsverkeer in dat straatje. Het profiel van dit straatje wordt 5m breder gemaakt dan het momenteel is. Het grootste gedeelte hiervan komt ten goede aan een brede stoep aan de kant van de nieuwe bebouwing, doordat de rijbaan min of meer op de huidige plek blijft liggen. Maar ook de rijbaan wordt verbreed naar een maat die past bij de verwachte verkeersintensiteit van fietsers en auto’s. Voordat een uitrijdende auto de rijbaan opdraait kan deze halt houden in de stoep-zone. Vanaf deze positie heeft de bestuurder goed overzicht over de mede weggebruikers, zonder de fietsers te hinderen. (zie profieltekening waar oude en nieuwe situatie getoond worden).

De getrokken conclusie op blz 32 van de Toelichting is dan ook onjuist: Er wordt NIET ruimschoots voorzien in de parkeerbehoefte, er is namelijk tekort; de locatie is NIET passend ontsloten en de bestaande wegenstructuur kan de toename in verkeer NIET gemakkelijk opvangen. Het aspect verkeer en parkeren vormt dus wel degelijk een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Uitgangspunt van de parkeerbalans is het parkeeronderzoek dat in juni 2015 is gehouden. De zogenaamde nulmeting. Conclusie van het onderzoek is dat er voldoende parkeercapaciteit is in het centrumgebied. Het advies is om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen er voor te zorgen dat er naar rato aan parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Bij het plan “De 7 Dorpelingen” is het de bedoeling dat er huidige parkeerplaatsen komen te vervallen, welke moeten worden gecompenseerd Het gaat daarbij om 7 parkeerplaatsen die thans langs de ventweg zijn gelegen. De parkeerplaatsen bij de voormalige brandweer, de parkeerplaatsen op het tijdelijke parkeerterrein van Schrama aan het Plein en de parkeerplaatsen ter hoogte van het Alexanderlaantje bestonden ten tijde van de nulmeting niet. Deze zijn na die tijd gerealiseerd en waren niet ingegeven door ruimtelijke ontwikkelingen. Feitelijk zijn de parkeerders op één van deze parkeerplaatsen niet zozeer nieuwe parkeerders, maar is er sprake van een verschuiving t.o.v.

de situatie ten tijde van het genoemde parkeeronderzoek. Qua parkeerbalans hoeven deze parkeerplaatsen daarom niet te worden gecompenseerd. Voor de bepaling van het aantal parkeerders dat de Aldi genereert, is inderdaad uitgegaan van een parkeernorm van 3,3 parkeerplaatsen per 100 m. Deze norm is gebaseerd op de parkeerkencijfers die CROW voor deze functie hanteert. De Aldi valt daarbij onder de categorie ‘discountsupermarkt’. Daarbij is uitgegaan van het gemiddelde van de parkeerkencijfers en er mag dus worden verondersteld dat deze niet uiterst laag is. Het bestemmingsplan maakt echter ook realisatie van een fullservice supermarkt in het middelhoog en hoog prijsniveau. Hiervoor geldt een hogere parkeernorm van 3,6 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Bij de planvorming moet aan deze eis worden voldaan. Om dit te borgen is in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van parkeren opgenomen. Water In principe is de gemeente grondwaterbeheerder voor het ondiepe grondwater binnen de bebouwde kom en het hoogheemraadschap is dat voor het ondiepe grondwater buiten de bebouwde kom. De provincie is grondwaterbeheerder voor het diepe grondwater. Volgens het hoogheemraadschap HHNK zijn er nog aandachtspunten.

Het HHNK heeft er bij de gemeente op aangedrongen een integraal geohydrologisch onderzoek te laten doen in het hele centrum van Bergen, waarbij de invloed van de beoogde kelders inzichtelijk gemaakt worden, ook met het oog op de omgeving. Er ontbreekt in ieder geval een geohydrologisch onderzoek voor het plangebied, zodat niet duidelijk is wat de gevolgen zijn van de parkeerkelder op de grondwaterstromen. De haalbaarheid van het bestemmingsplan is hierdoor niet aangetoond en het ontwerp bestemmingsplan had nooit zonder dit onderzoek ter inzage gelegd mogen worden. Er wordt anders een bouwplan mogelijk gemaakt waarbij het zicht op haalbaarheid, zowel in bouwkundige als in financiële zin, ontbreekt.

38

Dit klemt des te meer daar door het aanvankelijk ontbreken van een dergelijk onderzoek voor de locatie Parkhotel, er allerlei problemen zijn gerezen bij de realisatie van dat bouwproject ná vaststelling van dat bestemmingsplan. Overigens heeft het hoogheemraadschap HHNK ook nog de nodige opmerkingen gemaakt over duurzaamheid, gevolgen van klimaatverandering op de (versteende) omgeving en het gebrek aan groen (zie bijlage 3). In Paragraaf 4.2 van de Toelichting wordt gesteld dat er in zeer beperkte mate sprake is van een toename van de verharding. Dit is onjuist. Er is zeker WEL sprake van een flinke verhardingstoename in het plangebied. In het plangebied is het terrein ten zuiden en oosten van het huidige Harmoniegebouwtje onverhard. Het parkeerterrein ten westen van de voormalige brandweerkazerne bestaat uit waterdoorlatende bestrating en voor het overige is het -nu onbebouwde- plangebied bestraat met klinkers. De waterdoorlaatbaarheid van deze oppervlaktes is redelijk tot goed. Straks bestaat het hele gebied uit beton, zowel ondergronds als bovengronds. Daarvan is de doorlaatbaarheid nul. Bovendien bestaat de hele zuidgrens van het plangebied uit een doorlopende muur. Door het afschot van de Karel de Grotelaan naar de zuidgrens van het plangebied, zal regenwater zich bij hevige regenval tegen deze muur ophopen en raakt het zonder maatregelen opgesloten. Dat is onacceptabel.

Ook zou het Hoogheemraadschap om een bemalingsadvies moeten worden gevraagd. In het hele plangebied wordt een parkeergarage gerealiseerd. Zo'n ondergrondse constructie kan invloed hebben op de grondwaterstanden en grondwaterstroming. Gedurende de bouw van de parkeergarage zal er bronbemaling moeten worden toegepast ten behoeve van de bouwput. De onttrekking van grondwater zal waarschijnlijk meer dan 6 maanden gaan duren. Daarvoor is een bemalingsadvies en een onttrekkingsvergunning van het Hoogheemraadschap nodig. Er is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd door Wareco waarin duidelijk is gemaakt wat de gevolgen zijn van de parkeerkelder op de grondwaterstromen. In het onderzoek wordt de conclusie getrokken dat de verwachte stijging van de grondwaterstanden op openbaar terrein in alle scenario’s binnen de gestelde marges van de gemeente Bergen blijft. Het onderzoek werd uitgevoerd ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Hetgeen gesteld is in paragraaf 4.2 van de toelichting, namelijk dat er in zeer beperkte mate sprake is van een toename in verharding wordt nog steeds onderschreven. Hetgeen in deze zienswijze gesteld is ten aanzien van bronbemaling en een noodzakelijk bemalingsadvies van het Hoogheemraadschap is in een bestemmingsplanprocedure nog niet van toepassing. Dit komt pas aan de orde bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen.

Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de bouw van de parkeergarage waarschijnlijk niet over een periode van 6 maanden wordt uitgestreken, waardoor zowel een bemalingsadvies als een onttrekkingsvergunning van het Hoogheemraadschap derhalve niet noodzakelijk zijn. Al het aanwezige groen in het plangebied verdwijnt. Het plan draagt dus alles behalve bij aan 'een groener centrum'. In het ontwerp is groen een belangrijk thema, grote delen van het woondek zijn daarin afgewerkt als groendak. Het is ook mogelijk om de achterzijde van het magazijn en de bergingen te laten begroeien, dit zal in overleg met de bewoners gaan. Ook hiervoor zal bij de uitwerking een gespecialiseerd adviesbureau betrokken worden. Dat bureau zal ook een advies uitbrengen over de mogelijkheden van groen op de plekken zoals voorgesteld in de moties. Archeologie Het proefsleuvenonderzoek archeologie is ten tijde van de terinzagelegging kennelijk niet gereed en daarom niet toegevoegd aan het bestemmingsplan. Opnieuw lijkt de planning hier leidend te zijn, want een dergelijk onderzoek behoort toegevoegd te zijn aan het ontwerp bestemmingsplan. Een proefsleuvenonderzoek is een omvangrijk onderzoek met fysieke consequenties voor het plangebied. Het is niet duidelijk of het proefsleuvenonderzoek kan plaatsvinden zonder sloop van gebouwen of kap van bomen.

Zoals bij 'Ecologie' aangegeven, is sloop van de gebouwen evenwel nu niet mogelijk omdat er zich daar mogelijk 39

beschermde soorten kunnen bevinden. De gemeente zou bij sloop dan een economisch delict begaan. En gezien het bureau- en inventariserend onderzoek is de kans op archeologische vondsten groot. Er kunnen dus ook financiële consequenties zijn. Nu het onderzoek niet is afgerond, kan er geen conclusie worden getrokken over de financiële uitvoerbaarheid en is ook de haalbaarheid voor wat betreft archeologie niet aangetoond, terwijl dit reeds bij de ontwerpfase het geval dient te zijn. In het ontwerpbestemmingsplan is voor het gehele projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. Zodra in strijd wordt gehandeld met deze bestemming – bijvoorbeeld bij grondroerende werkzaamheden ten behoeve van de bouw van De 7 Dorpelingen – is een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag vereist. Deze omgevingsvergunning wordt in ieder geval verleend indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het proefsleuvenonderzoek zal dan ook worden uitgevoerd voorafgaand aan de bouw van De 7 Dorpelingen. Dit proefsleuvenonderzoek moet worden overhandigd bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Milieu Een verkennend bodemonderzoek is onvoldoende op een plaats waar enkele jaren geleden nog een garage was.

Hiervoor is historisch onderzoek is nodig om te bepalen welk type bodemonderzoek nodig is. Het onderzoek dat is uitgevoerd bestaat uit een bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek. Het bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek conform de NEN5725 (historisch onderzoek), verkennend onderzoek conform de NEN5740 en een nader onderzoek naar PAK. Op basis van het vooronderzoek is de onderzoeksstrategie bepaald. De waarden van de zware metalen, PCB en de PAK zijn nogal hoog en dit zijn gevaarlijke stoffen. Dat geldt voor de bovenste halve meter en voor de laag tussen 30 en 100 cm. De gemeten waarden geven, ingevolgde de Wet bodembescherming, geen humane, ecologische en/of verspreidingsrisico’s. Derhalve kunnen ze als ‘niet hoog’ worden beschouwd. Er is ook geen enkele aanleiding om te vermoeden dat stoffen in dusdanige concentraties aanwezig zijn, dat deze in potentie een risico zouden kunnen vormen. Er wordt verder gesproken over een gemiddelde interventiewaarde. Dat is een vreemde benadering. Bij dit soort stoffen behoor je niet uit te gaan van gemiddelde berekeningen. Als een punt te vies is, moet dat worden afgegraven, of moet er wat anders mee gedaan worden. Ook zonder overschrijding van de interventiewaarde, kan een sanering van de bodem noodzakelijk worden geacht. Denk hierbij aan bijvoorbeeld een ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’.

Voor deze locatie is dit echter niet aan de orde. De mate van de verontreinigingen liggen ver beneden elk criterium van de Wet bodembescherming. Daarnaast is het ‘middelen’ voor het verkrijgen van een uitspraak omtrent de aan/afwezigheid van een geval van ernstige bodemverontreiniging, eveneens opgenomen in de Wet bodembescherming. De Wet spreekt tevens over het ‘stand-still’ principe wat inhoudt dat de bodem nimmer ernstiger verontreinigd mag raken. Omtrent de keerzijde, zijnde grondverbetering, staat ieder hierin vrij het initiatief te nemen. Verder wordt bij het indicatief bouwstoffenonderzoek gesteld, dat het onderzoeksprotocol niet voldoet. Dit is dus per definitie onvoldoende -want niet juist- onderzocht. De Wet bodembescherming is enkel voor ‘bodem’. Bouwstoffen vallen onder het Besluit bodemkwaliteit. Om de bouwstoffen in de huidige situatie te onderzoeken, zal met een mobiele kraan de locatie moeten worden opengebroken. Een methode die veelal niet wenselijk is in dit stadium. Het indicatief onderzoek geeft een verwachting waarmee een bestemming of afzetlocatie kan worden gezocht. Dit gezien voor deze handeling een formeel onderzoek niet perse noodzakelijk is. Bij een formeel onderzoek adviseren wij dit onderzoek uit te voeren vanuit depot.

40

Bij het verkennend asbest-in-de-grond onderzoek , is het onderzoek niet volgens de vereiste methode uitgevoerd. Dit is dus per definitie ook onvoldoende -want eveneens niet juist- onderzocht. Het verkennend asbest-in-grondonderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse Norm “Bodem, Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem en partijen grond” (NEN 5707:2015, van augustus 2016). Al met al is een verkennend onderzoek gedaan met beperkte onderzoekmethodes. Als er dan wat gevonden wordt, zou men mogen verwachten dat er nader onderzoek wordt gedaan volgens de vereiste methodes en juiste protocollen. Het uitgevoerde onderzoek is volgens de NEN normering uitgevoerd. De conclusie, dat "...op basis van onderhavig onderzoek worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voorzien ten aanzien van de voorgenomen nieuwbouwwerkzaamheden. Het uitvoeren van nader onderzoek naar de aard, omvang en herkomst van de huidig aangetoonde verontreinigingen wordt, ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk geacht...", kan dan ook NIET worden getrokken op basis van deze onderzoeken. In tegenstelling tot bovenstaande zin, kan gezien de juistheid van de gehanteerde protocollen en normering deze conclusie derhalve wel getrokken worden.

Lucht Voor wat betreft luchtkwaliteit is de conclusie dat het plan "niet in betekende mate" bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In de tabel met de worst case berekening op blz 38 van de Toelichting staat echter, dat 1,2 voor PM10 en N02 de bovengrens is. De gemeten waarde is 1,24. Dit is een overschrijding. Daarbij gaat het onderzoek uit van maar 1% zwaar vrachtverkeer. Dit is, gezien het feit dat er een supermarkt komt alsook andere detailhandel, veel te laag. Een getal van 3% is reëler, alhoewel nog steeds laag. Er wordt dus tamelijk creatief gerekend, evenals in ş 4.1 van de Toelichting, als het om de verkeersbewegingen gaat. Er wordt gerekend met een toename in het verkeer dat het dorp inkomt rijden van 700 mvt/etmaal, als je kijkt naar de toename op de Dreef. Dat verkeer verdeelt zich enigszins in het dorp over Plein en de inrit van de parkeergarage aan de verlengde Dreef. Niet meegenomen wordt de autonome toename van het verkeer in de komende vijfjaar. In het CROW rapport van december 2015 wordt deze voorspeld. Deze groei wordt voor 2020 op 9%gesteld, dat wil zeggen een autonome toename van ook nog eens ruim 630 mvt/etmaal. Als die meegenomen wordt, dan wordt de norm van 'niet in betekenende mate' wel overschreden. Bovendien wordt geen rekening gehouden met het verkeer van bromfietsen, die ook een behoorlijke bijdrage aan de vervuiling leveren.

Ook in het straatje zonder naam, naast de Bibliotheek, wordt met een toename van 1900 mvt/etmaal, de norm van 'niet in betekenende mate' overschreden. Alsdan draagt de ontwikkeling wel degelijk "in betekende mate" bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is ongewenst, daar Bergen bekend is om de schone lucht. Het is niet gewenst dat deze verslechtert; fijnstof en stikstof zijn bovendien schadelijk voor de gezondheid. In de Toelichting wordt niet ingegaan op de wijze waarop de lucht in de parkeergarage wordt ververst. Ook wordt niet duidelijk waar de stroom van afgevoerde uitlaatgassen wordt geloosd. Worden die gassen nog gezuiverd door bijvoorbeeld een koolstoffilter, om fijnstof en organische reststoffen te verwijderen? Gezien de ligging in het centrum ligt dat wel voor de hand. Fijnstof en de organische reststoffen uit de uitlaat van mvt's zijn tenslotte gevaarlijke stoffen, zeker ook van vrachtwagens. Voor de NIBM-tool geldt dat de grens voor PM10 is 1.2 en de grens voor NO2 is 12; de waarden uit de tabel kunnen niet opgeteld worden, aangezien het om andere stoffen gaat. De tabel laat zien dat de grenswaarde voor PM10 niet overschreden wordt, en datzelfde geldt voor NO2. Er is gerekend met 1%, wat neerkomt op 11 a 12 vrachtwagens per dag.

Voor enkel één supermarkt en wat flankerende detailhandel is dit aantal meer dan acceptabel, zeker gezien het feit dat voor de Aldi uitgegaan is van 5 vrachtwagens per dag. Aldi heeft aangegeven dat de bevoorrading en afvoer met 1 vrachtwagen per dag uitgevoerd gaat worden, zoals dat ook gebruikelijk is bij alle andere vestigingen van Aldi. 41

Daarnaast liggen de huidige achtergrondwaarden van zowel PM10 (18,02) als NO2 ( 13,12) ver onder de grenswaarde van 40. Inclusief de bijdrage door toedoen van dit plan, blijft er nog steeds sprake van een waarde die ver onder de grenswaarde van 40 ligt en is er nog steeds sprake van een goed woon en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. Geluid Voor geluid is de berekende waarde hoog, erg hoog. Dit wordt vervolgens weggewuifd door te stellen dat op het Plein een regime van 30knVh geldt en dat er daarom geen Hogere Waarde hoeft te worden vastgesteld- en er geen isolerende maatregelen nodig zijn. De gemeente heeft echter ook vanuit een goede ruimtelijke ordening aan te tonen dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat, hetgeen niet is gebeurd. De gemeente noemt de cumulatieve waarde van 63 dB in het kader van goede ruimtelijke ordening 'toelaatbaar', doch wanneer de gebruikelijke en algemeen geaccepteerde 'methode Miedema' gevolgd wordt, blijkt dat een geluidniveau tussen de 60-64 dB als 'tamelijk slecht' wordt beoordeeld. Zeker nu dit niet is bezien in combinatie met de geluidproductie-effecten van de supermarkt, wordt dit onderwerp te makkelijk terzijde geschoven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://www.raadbergen-nh.nl/api/v1/meetings/4562/documents/31866