CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan

Besluitvormende raadsvergadering 8 maart 2021, gemeente BeeselBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Krommenhoek 3a Reuver19.777 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

plan:

het bestemmingsplan 'Krommenhoek 3a' van de gemeente Beesel met idenficatienummer NL.IMRO.0889.BPKromhoek3a-ON01 van de gemeente Beesel. 1.2

bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

verbeelding:

de verbeelding van het bestemmingsplan 'Krommenhoek 3a', bestaande uit de verbeelding NL.IMRO.0889.BPKromhoek3a-ON01. 1.3

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4

aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5

aanvullende kwaliteitsverbetering:

verbetering van ruimtelijke kwaliteit ter compensatie van ontwikkelingen, al dan niet via een kwaliteitsbijdrage aan een gemeentelijk kwaliteitsfonds, met dien verstande dat: a. deze fysiek ruimtelijk van aard is en ten goede komt aan de verbetering van de kwaliteit van het buitengebied; b. het gaat om additionele verbeteringen. Zaken waarvoor al middelen zijn gereserveerd komen daarvoor niet in aanmerking; c. deze in plaats en tijd een verband heeft met de ingreep / ontwikkeling; d. deze kwantificeerbaar is. 1.6

achtererfgebied:

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,00 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. 1.7

agrarische waarden:

de waarden die rechtstreeks verband houden met de mogelijkheden voor de uitoefening van een doelmatige agrarische bodem-, en/of bedrijfsexploitatie.

4

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

1.8

archeologisch deskundige:

een deskundige op het gebied van de archeologie en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. 1.9

archeologisch onderzoek:

onderzoek verricht door een gecertificeerde dienst, bedrijf of instelling. Dit bedrijf moet beschikken over over een opgravingsvergunning ex artikel 9.6 van de Erfgoedwet, of voor de betreffende werkzaamheden een vergunning hebben van de minister van OCW). Het onderzoek moet zijn uitgevoerd overeenkomstig de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). Het bevoegd gezag moet het programma van eisen voorafgaand aan het onderzoek goedkeuren. 1.10

archeologisch onderzoeksgebied:

gebied met een daaraan toegekende archeologische waarde. Dit kan zijn een lage, middelhoge of hoge archeologische (verwachtings-)waarde. Deze waarde is toegekend op grond van de kennis en wetenschap van de in dat gebied verwachte overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. 1.11

archeologische verwachtingswaarde:

de aan een gebied toegekende verwachtingswaarde in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten (resten uit het verleden). 1.12

archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (menselijke sporen en of vondsten uit het verleden). 1.13

archeologisch waardevol gebied:

gebied met een daaraan toegekende archeologische waarde in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied, gedane vondsten en/of voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. 1.14

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde. 1.15

bebouwingspercentage:

een in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd. 1.16

bedrijf:

a. een niet-industrieel bedrijf of inrichting gericht op het verlenen van diensten of producten aan particulieren of bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van andere landbouwkundige methoden en derhalve door de aard van de activiteiten nauw verbonden is met het buitengebied. De activiteiten hebben betrekking op bewerking, verwerking, opslag, overslag, vervoer of verhandeling van agrarische producten voor derden, zoals:

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

5

1. dierenklinieken; 2. groencomposteringsbedrijven; 3. hoveniersbedrijven; 4. proefbedrijven; 5. agrarisch loonbedrijf; 6. bijenhouderij; b. een niet-industrieel bedrijf of inrichting, gericht op het verlenen van diensten of producten aan particulieren of bedrijven, dat door de aard van de activiteiten niet verbonden is met het buitengebied en in de regel vooral voorkomt op bedrijventerreinen of in de bebouwde kom; een en ander met uitzondering van beroepen aan huis en daaronder niet begrepen en niet zijnde een seksinrichting of een daaraan gerelateerde activiteit. 1.17

bedrijf aan huis:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot de beroepsmatige activiteiten, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat op kleine schaal in een woning of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, welke zijn opgenomen in bijlage 'Tabel bedrijfsactiviteiten'. 1.18

bedrijfsmatig:

deelnemen aan het economisch verkeer al dan niet met winstoogmerk, en activiteiten die hiermee naar aard, omvang en regelmaat zijn gelijk te stellen. 1.19

beeldkwaliteit:

de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde met betrekking tot de bouwkundige vormgeving en ruimtelijke en functionele aspecten. 1.20

beroep aan huis:

een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, welke zijn opgenomen in bijlage 'Tabel bedrijfsactiviteiten'. 1.21

bestaand:

situatie ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. 1.22

bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak. 1.23

bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

6

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

1.24

bevoegd gezag:

bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 1.25

bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak zoals overkappingen en carports. 1.26

bodemingreep:

werken of werkzaamheden die een bodemverstorende werking kunnen hebben op het aanwezige (archeologisch) bodemarchief. 1.27

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel en/of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.28

bouwgrens:

de grens van een bouwvlak. 1.29

bouwlaag:

een boven peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op (nagenoeg) gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen binnenwerks, met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van de kelder en de zolder. 1.30

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de bij dit plan behorende regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.31

bouwperceelsgrens:

de grens van een bouwperceel. 1.32

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten en waarbinnen verhardingen en waterbassins kunnen worden gerealiseerd. Indien twee of meer bouwvlakken middels de aanduiding 'relatie' op de verbeelding aan elkaar zijn gekoppeld gelden deze bouwvlakken gezamenlijk als één bouwvlak.

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

7

1.33

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.34

bouwwerk geen gebouw zijnde:

een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel is (en niet bedoeld voor permanent menselijk verblijf). 1.35

carport:

een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een overkapping met tenminste een dak en niet, of aan maximaal twee zijden van wanden voorzien, inclusief bestaande wanden. 1.36

cultuurhistorische waarde:

de waarde die aan een natuurobject, gebouw, bouwwerk of gebied is toegekend en wordt gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat natuurobject, gebouw, bouwwerk of gebied. Hieronder is ook begrepen de archeologische waarde. 1.37

dak:

een gesloten bovenbeëindiging van een bouwwerk c.q. gebouw. 1.38

dakhelling:

de hoek gemeten tussen het dakvlak en het horizontale vlak. 1.39

duurzaam:

bestendig c.q. lang meegaand. 1.40

erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en voor zover het bestemmingsplan die inrichting niet verbiedt. 1.41

erfafscheiding:

afscheiding welke op een grens tussen twee erven is geplaatst. 1.42

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

8

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

1.43

geluidgevoelig object:

gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige gebouwen of terreinen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit Geluidhinder. 1.44

historisch-geografische waarde:

de waarde die aan een natuurobject, gebouw, bouwwerk of gebied is toegekend en wordt gekenmerkt door de ontstaanswijze en bijzondere plekken van cultuurlandschappen, zoals polders en kavelstructuren. 1.45

hobbymatig:

het uitoefenen van activiteiten door particulieren en zonder winstoogmerk. Factoren die een rol spelen bij de vraag of de omvang van de activiteit vergelijkbaar is met een bedrijfsmatige activiteit danwel of sprake is van een hobbymatige activiteit zijn: - continuïteit van de activiteit (hoelang duurt de activiteit); - winstoogmerk van de activiteit (verhouding tussen kosten en opbrengsten); - hinder die de activiteit veroorzaakt; - omvang van de activiteit (hoeveel dieren en van welk soort); - huisvesting (zijn er speciale voorzieningen getroffen); - commerciële doeleinden (worden er bijvoorbeeld advertenties gezet); - gebruik / de aanwending van dieren (voor hobby of eigen gebruik); - perceelsgrootte; - omgeving waar de dieren worden gehouden (in landelijk of stedelijk gebied). 1.46

hoofdgebouw:

een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. Indien het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, wordt die woning tevens als hoofdgebouw aangemerkt. 1.47

huishouden:

een of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren. 1.48

inrichting:

een op grond van de Wet milieubeheer als volgt gedefinieerd begrip: 'elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht'. 1.49

inwoning:

wonen in een deel van een gebouw, waarbij niet beschikt kan worden over een eigen keuken of toilet, maar waar van deze voorzieningen gebruik kan worden gemaakt in de in hetzelfde gebouw of op hetzelfde perceel aanwezige woning.

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

9

1.50

kelder:

een ruimte in een gebouw welke geheel of in overwegende mate ondergronds gelegen is. 1.51

kwaliteitscommissie:

een onafhankelijke commissie die burgemeester en wethouders adviseert over de kwalitatieve aspecten van ‘rode’ ontwikkelingen’ en over te leveren kwaliteitsverbeteringen, een en ander in het kader van het gemeentelijk kwaliteitsmenu in de structuurvisie. 1.52

landschappelijke waarde:

een waarde die aan een gebied is toegekend op grond van de bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object in de zin van aantrekkelijkheid, herkenbaarheid, identiteit en diversiteit bestaande uit abiotische, geologische, bodemkundige, biologische elementen en cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden afzonderlijk of in onderlinge samenhang die in dat gebied voorkomen. 1.53

maaiveld:

hoogte waarop het omliggende terrein aansluit op het bouwwerk. 1.54

mestverwerking:

toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen. Voorbeelden hiervan zijn scheiding, bezinking, toevoeging van additieven, vergisting, beluchting, droging, compostering, indamping, vergassing en verbranding, met uitzondering van de bouw van een voorziening voor het opwekken van duurzame energie door middel van biomassavergisting. 1.55

natuurwaarde:

een waarde die aan een gebied is toegekend in verband met de aanwezige biotopen, bijzondere flora en fauna, ecologische samenhang en structuren van dat gebied. 1.56

nutsvoorziening:

een voorziening voor een op het openbare net aangesloten voorziening van algemeen nut, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer; alsmede containers voor glas, kleding, afval, plastic etc. 1.57

nieuwvestiging:

nieuw op te richten inrichting op een locatie waar eerder geen bebouwing bestond of waar bebouwing aanwezig was met een andere functie dan die van de nieuwe inrichting. 1.58

omgevingsvergunning:

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

10

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

1.59

ondergeschikt:

een functie die qua omvang en uitstraling ten dienste staat van een op dezelfde plaats voorkomende (hoofd)functie. 1.60

ondergronds bouwen:

bouwen onder peil. 1.61

opslag:

het bewaren van goederen op gronden en/of in gebouwen, totdat ze verder bewerkt of verwerkt worden, danwel ter plaatse worden gebruikt in het kader van de reguliere bedrijfsvoering. Onder opslag valt niet het be- of verwerken van goederen, danwel reparatie- en/of onderhoudswerkzaamheden aan die goederen. 1.62

overkapping:

een bijbehorend bouwwerk, geen gebouw zijnde dat is omsloten door maximaal één wand en is voorzien van een gesloten dak. 1.63

overtollige bebouwing:

de oppervlakte en/of inhoud van bebouwing waarmee de maximaal volgens de regels toegestane oppervlakte en/of inhoud bebouwing wordt overschreden. 1.64

paardrijbak:

een onoverdekte, als zodanig herkenbare ruimte, al dan niet omsloten, bedoeld voor het trainen, rijden en berijden van paarden en pony's. 1.65

peil:

a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. voor de molen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - molen': het hoogste punt van de molenbelt. d. voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte maaiveld ter plaatse van de bouw; e. voor bouwwerken in het talud van de dijk: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de van de dijk afgekeerde zijde van het bouwwerk; f. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil; g. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.66

perceelsafscheiding:

afscheiding welke op een grens tussen twee percelen, niet zijnde erven, is geplaatst.

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

11

1.67

planperiode:

de periode gedurende welke dit bestemmingsplan geldt. 1.68

prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.69

risicovolle inrichting:

een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (BRZO'99) of het Vuurwerkbesluit. 1.70

schuilgelegenheid, -voorziening:

een gebouw waarvan dieren gebruik moeten kunnen maken in geval van weidegang met als doel bescherming tegen weersomstandigheden gedurende het gehele jaar. Opslag van voer en/of materialen en stalling van materieel is niet toegestaan. 1.71

seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden, waaronder: a. b. c. d. e. f. g. h.

bordeel; erotische-massagesalon; parenclub; prostitutiebedrijf; seksautomatenhal; seksbioscoop; sekssauna; sekstheater.

1.72

selectiebesluit:

een besluit van het bevoegd gezag tot het al dan niet behouden van eventueel aanwezige archeologische waarden. Aan een slectiebesluit kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden. Het bevoegd gezag neemt een selectiebesluit op basis van een selectieadvies dat een rapport van een archeologisch onderzoek geeft. Dit besluit kan positief of negatief zijn. a. Bij een positief selectiebesluit zijn er drie mogelijkheden: 1. Behoud in situ: fysieke bescherming en ruimtelijke inpassing van archeologische waarden. De archeologische waarden blijven in de bodem bewaard. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door het treffen van technische maatregelen, zoals het ophogen van het maaiveld of door het toepassen van archeologievriendelijke bouwmethoden; 2. Opgraven: indien behoud in situ niet mogelijk is, kan ervoor worden gekozen om het plangebied te laten opgraven; 3. Begeleiden: er kan ook voor worden gekozen om bijv. de verstoring van de bodem (graafwerkzaamheden e.d.) te laten begeleiden door gekwalificeerde een archeoloog; b. Negatief selectiebesluit. Het besluit om na archeologisch onderzoek het plangebied vrij te geven, omdat geen vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht.

12

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

1.73

structuurvisie:

de Structuurvisie Beesel, vastgesteld door de raad van de gemeente Beesel op 13 oktober 2011 en vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0889.SVBeesel-vg01. 1.74

verwevingsgebied:

een gebied dat is gericht op de verweving van landbouw, wonen en natuur. In een verwevingsgebied is overname van intensieve veehouderij mogelijk en is uitbreiding van intensieve veehouderij mogelijk mits de ruimtelijke kwaliteit of de functies van het gebied zich daartegen niet verzetten. 1.75

voorerfgebied:

erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied. 1.76

voorgevel:

gevel aan de voorzijde van een gebouw die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd. 1.77

voorgevelrooilijn:

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van het hoofdgebouw tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen. 1.78

voorzieningen van algemeen nut:

voorzieningen en constructies ten behoeve van de op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, riolering, kabels en leidingen, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.79

vrijstaand bijgebouw

een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een van het hoofdgebouw en aangebouwde bijbehorende bouwwerken vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.80

waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals: a. b. c. d. e.

duikers; stuwen; infiltratievoorzieningen; gemalen; inlaten.

1.81

weg:

een voor het openbaar rij- of ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeerplaatsen.

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

13

1.82

woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

14

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1

de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2

de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3

de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane-grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Ondergrondse bouwwerken tellen derhalve niet mee bij het bepalen van de inhoud van een bouwwerk. 2.4

de bouwhoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, als bedoeld in artikel 7.2. 2.5

de lengte, breedte en hoogte van een bouwwerk:

buitenwerks, dit is de afstand gemeten tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren. 2.6

de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.7

de oppervlakte van een bodemingreep:

het gebied (zone) waarbinnen bodemingrepen plaatsvinden die een verstorende werking kunnen hebben op het (archeologisch) bodemarchief. 2.8

de afstand tot de bouwperceelsgrens

tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.9

de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:

vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van een bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

15

16

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Tuin

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, erven, water(voorzieningen), verhardingen en parkeerplaatsen. 3.2

Bouwregels

3.2.1

Bijbehorende bouwwerken in de vorm van bijgebouwen

Op de voor 'Tuin' aangewezen gronden mogen geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. 3.2.2

Erkers

Uitbouwen zoals een erker bij het hoofdgebouw van de op de aangrenzende gronden gelegen woning mogen worden gebouwd, met dien verstande dat: a. de ligging vóór de voorgevel maximaal 1,5 m bedraagt; b. de ligging uit de voorste perceelsgrens minimaal 2 m bedraagt; c. de breedte niet groter is dan 2/3 van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw; d. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt. 3.2.3 Overkappingen (zoals carports) Overkappingen zoals een carport bij het hoofdgebouw van de op de aangrenzende gronden gelegen woning mogen worden gebouwd, met dien verstande dat: a. de ligging vóór het verlengde van de voorgevel maximaal 2 m bedraagt; b. de ligging uit de voorste perceelsgrens minimaal 2 m bedraagt; c. de bouwhoogte maximaal 3 m bedraagt; d. de overkapping vóór het verlengde van de voorgevel niet met enige wand wordt omsloten. 3.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt: 1. bij erf- en terreinafscheidingen: in voorerfgebied maximaal 1 meter met dien verstande dat bij een minimaal 90% open constructie de hoogte maximaal 1,80 meter mag bedragen; in achtererfgebied maximaal 2 meter; 2. bij overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 m; 3. bij vlaggenmasten maximaal 10 m; 3.3

Specifieke gebruiksregels

3.3.1

Voorwaardelijke verplichting

Het gebruiken en doen laten gebruiken van de gronden die zijn bestemd als 'Tuin' overeenkomstig deze bestemming, is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat uiterlijk binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan de (volledige) kwaliteitsbijdrage wordt betaald aan de gemeente en de landschappelijke inpassing wordt verwezenlijkt en daarna in stand worden gehouden conform bijlage 1 bij deze regels.

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

17

Artikel 4 4.1

Wonen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; met daaraan ondergeschikt: b. c. d. e. f.

groenvoorzieningen; tuinen en erven; paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen; boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen; paardrijbakken voor het hobbymatig houden van paarden en/of pony's;

4.2

Bouwregels

4.2.1

Algemeen

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 4.1 genoemde bestemming worden gebouwd: a. hoofdgebouwen in de vorm van woningen; b. bijbehorende bouwwerken; c. bouwwerken, geen gebouw zijnde. 4.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels: a. de woning, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouw zijnde en werken, geen bouwwerk zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'wonen' uitsluitend mag worden gebouwd ter plaatse van die aanduiding en dat vervangende nieuwbouw enof uitbreiding buiten die aanduiding niet is toegestaan; b. voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4.2.3 en 4.2.4. 4.2.3 Woning en bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van woningen en bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. per bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan, met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' woningen zijn toegestaan tot een maximum aantal zoals is aangeduid op de verbeelding; 2. voor de bepaling van het onder 1. genoemde maximum aantal middels de figuur 'relatie' met elkaar gekoppelde bouwvlakken samen worden beschouwd als één bouwvlak; b.

de voorgevel van de woning wordt gebouwd in de voorgevelrooilijn; c. de inhoud van de woning bedraagt maximaal 1.000 m³, met dien verstande dat bestaande woningen met een grotere inhoud dan 1.000 m³ gedurende de planperiode éénmalig met maximaal 10% mogen worden vergroot; d. de goot- en bouwhoogte van woning bedraagt respectievelijk maximaal 6 en 9 meter; e. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal de oppervlakte zoals aangegeven in onderstaande tabel, met dien verstande dat: 1. het perceel, voor maximaal 50% mag worden bebouwd; 2. onder perceel wordt verstaan het bestemmingsvlak volgens de bestemming 'Wonen' en het eventuele direct daaraan grenzende bestemmingsvlak volgens de bestemming 'Tuin', Oppervlakte perceel: Oppervlakte bijbehorende bouwwerken: tot en met 500 m² 70 m²

18

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

tot en met 600 m² 75 m² tot en met 700 m² 80 m² tot en met 800 m² 85 m² tot en met 900 m² 90 m² tot en met 1.000 m² 95 m² tot en met 1.100 m² 100 m² tot en met 1.200 m² 105 m² tot en met 1.300 m² 110 m² tot en met 1.400 m² 115 m² tot en met 1.500 m² 120 m² meer dan 1.500 m² 125 m² f. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter; g. bijbehorende bouwwerken worden in het achtererfgebied gebouwd; 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 2 meter, met uitzondering van: 1. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1 meter bedraagt, danwel maximaal 1,80 meter, mits deze voor 90% open zijn; 2. erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, waarvan de bouwhoogte maximaal 2 meter bedraagt; 3. omheiningen rond een paardrijbak in de vorm van een open afscheiding, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,50 meter bedraagt; 4. lichtmasten rond een paardrijbak, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter bedraagt; b. per woning is een niet-overdekt zwembad toegestaan binnen het bouwvlak, mits de afstand van het zwembad vanaf de voorgevel van de woning maximaal 40 meter bedraagt. c.

er is maximaal één paardrijbak toegestaan met een maximale oppervlakte van 20 x 40 meter. 4.3

Afwijken van de bouwregels

4.3.1

Sloop- bonusregeling

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 4.2.3 voor het bouwen van een grotere oppervlakte bijbehorende bouwwerken, mits overtollige bebouwing wordt gesloopt, met dien verstande dat: a. de te slopen bebouwing op hetzelfde perceel ligt als het perceel waarop de bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd; b. de te slopen bebouwing legaal aanwezig is; c. maximaal 50% van de te slopen bebouwing mag worden teruggebouwd; d. de maximaal volgens de tabel in artikel 4.2.3 toegestane oppervlakte voor bijbehorende bouwwerken met maximaal 50% mag worden overschreden. 4.4

Specifieke gebruiksregels

4.4.1

Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. b. c. d. e.

kamerverhuur; mantelzorg; kamperen; woningsplitsing; bedrijfsmatige opslag;

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

19

f. g. h. i. j. k.

detailhandel; evenementen; seksinrichtingen; permanente bewoning van gebouwen, geen woning zijnde; opslag van goederen en materialen buiten het bouwvlak; buitenopslag voor de voorgevelrooilijn.

4.4.2

Voorwaardelijke verplichting

Het gebruiken en doen laten gebruiken van de gronden die zijn bestemd als 'Wonen' overeenkomstig deze bestemming, is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat uiterlijk binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan de (volledige) kwaliteitsbijdrage wordt betaald aan de gemeente en de landschappelijke inpassing wordt verwezenlijkt en daarna in stand worden gehouden conform bijlage 1 bij deze regels. 4.5

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing en aan de inrichting van het bestemmingsvlak: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek; d. ter waarborging van een goede landschappelijke inpassing.

20

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

Artikel 5 5.1

Waarde - Archeologie

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen zijn bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. 5.2

Bouwregels

a. Op of in de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden mogen ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn, tenzij het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en alleen de bestaande fundering wordt benut en geen grondwerk wordt verricht dieper dan 0,40 meter onder maaiveld; b. Ter plaatse van de aanduiding 'middelhoge archeologische verwachtingswaarde' zijn bodemingrepen dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld uitsluitend toegestaan: 1. indien het te verstoren gebied kleiner is dan 1.000 m² en 2. niet ligt binnen een straal van 50 meter van AMK-terreinen of van een terrein met hoge of zeer hoge waarde en/of van vindplaatsen zoals aangegeven in Archis; 3. het bevoegd gezag de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek; 5.3

Nadere eisen

a. Het bevoegd gezag kan binnen de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden nadere eisen stellen die betrekking kunnen hebben op de situering en uitvoering van bouwwerken en werkzaamheden, de inrichting en het gebruik van gronden. Het bevoegd gezag baseert nadere eisen op de resultaten van voorafgaand archeologisch onderzoek; b. De nadere eisen zijn erop gericht om de archeologische waarden zoveel mogelijk in situ te behouden of zo weinig mogelijk aan te tasten; c. Nadere eisen kunnen inhouden, dat de bodemverstorende werkzaamheden moeten worden uitgevoerd onder begeleiding van een (senior) archeoloog. Nadere eisen kunnen ook inhouden dat amateurarcheologen de mogelijkheid moet worden geboden tijdens de bodemverstorende werkzaamheden waarnemingen te doen. 5.4

Afwijken van de bouwregels

a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.2, ten behoeve van de bouw van bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, danwel behouden kunnen worden door inpassing in het bouwplan; b. Aan een omgevingsvergunning als bedoeld onder a kunnen voorschriften worden verbonden tot: 1. het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn: alternatieven voor heiwerk; het niet bouwen van kelders; het aanbrengen van een beschermende bodemlaag; andere voorzieningen met het doel om archeologische waarden zo weinig mogelijk te schaden; 2. het doen van opgravingen door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK/SIKB) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie; Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

21

3. het begeleiden van de activiteiten of het doen van waarnemingen bij de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden; 4. het doen van waarnemingen door amateurarcheologen; c. De vergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport van archeologisch onderzoek heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; d. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld onder a., kan het schriftelijk advies inwinnen bij een archeologisch deskundige. Het advies heeft betrekking op de volgende vragen: 1. of door het verlenen van de vergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden; 2. welke voorwaarden in de omgevingsverguinning dienen te worden gesteld. 5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.5.1

Vergunningplicht

Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren: a. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), ophogen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; b. het verlagen van het waterpeil; c. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; d. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; e. het aanleggen van bos of bomgaard, of het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; g. het aanleggen van nieuwe ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur 5.5.2 Uitzondering Het bepaalde in artikel 5.5.1 is niet van toepassing: a. op werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 0,40 meter onder het bestaande maaiveld; b. op werkzaamheden in de bodem over een maximale oppervlakte van 30 m2; c.

indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad en het bevoegd gezag gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van het archeologisch onderzoek; d. indien het archeologisch erfgoed zodanig zal worden behandeld dat conservering in de bodem is gewaarborgd; e. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; f. indien objectief wordt aangetoond dat de bodem al zodanig is verstoord door in het verleden uitgevoerde werkzaaamheden dat geen sprake meer is van archeologische verwachtingswaarde. 5.5.3 Afwegingskader Een vergunning als bedoeld in artikel 5.5.1 wordt slechts verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de aanwezige archeologische waarden worden door de uitvoering niet onevenredig aangetast danwel

22

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

kunnen niet worden aangetast; b. alvorens te beslissen kunnen burgemeester en wethouders advies inwinnen van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de vergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld; c. ter plaatse van de aanduiding 'middelhoge archeologische verwachtingswaarde' zijn bodemingrepen dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld uitsluitend toegestaan: 1. indien het te verstoren gebied kleiner is dan 1.000 m² en 2. niet ligt binnen een straal van 50 meter van AMK-terreinen of van een terrein met hoge of zeer hoge waarde en/of van vindplaatsen zoals aangegeven in Archis; 3. het bevoegd gezag de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek; 5.6

Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door: a. op de verbeelding de bestemming 'Waarde - Archeologie' en de daarbij behorende aanduidingen zoals aangegeven in artikel 9.3 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is; b. op gronden alsnog de bestemming 'Waarde - Archeologie' en de in artikel 9.3 genoemde aanduiding te leggen, indien uit nader archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op de ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

23

Hoofdstuk 3 Artikel 6

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

24

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

Artikel 7

Algemene bouwregels

7.1

Ondergronds bouwen

7.1.1

Ondergrondse werken

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen. 7.1.2

Ondergrondse bouwwerken

Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens de in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, dan wel onder een bestaand hoofdgebouw/bijbehorend bouwwerk; b. het oppervlak van ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil; c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil; d. bij het berekenen van de blijkens de verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte en de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet in aanmerking genomen; e. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan indien door middel van onderzoek is aangetoond dat de uitvoering van het bouwwerk geen afbreuk doet aan archeologische waarden. 7.1.3 Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.1.2 onder c. voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een diepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarde dat: a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden. 7.2

Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen maximaal 1 meter bedraagt. 7.3

Parkeren

Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van de functie van gebouwen en gronden wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering welke is opgenomen in het 'Gemeentelijk Verkeersen Vervoersplan 2012-2015'. Indien dit plan en de normering ten aanzien van parkeren daarin gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient rekening te worden gehouden met deze wijziging.

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

25

7.4 Algemene regels over bestaande afstanden en andere maten en over bestaand gebruik 7.4.1

Maximale maatvoering

Indien afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan meer bedragen dan op grond van hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. 7.4.2

Minimale maatvoering

In die gevallen dat afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan minder bedragen dan op grond van hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden. 7.4.3

Heroprichting

In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in 7.4.1 en 7.4.2 uitsluitend van toepassing indien dit geschiedt op dezelfde plaats.

26

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

Artikel 8 8.1

Algemene gebruiksregels

Algemeen gebruiksverbod

a. Het is verboden de gronden en bouwwerken in dit bestemmingsplan te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en); b. Als strijdig gebruik als bedoeld onder a. wordt niet beschouwd het bestaand gebruik van grond en gebouwen voor activiteiten waarvoor volgens deze regels bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan, uitsluitend indien wordt voldaan aan de voorwaarden bij de betreffende afwijkingsbevoegdheid. 8.2

Strijdig gebruik

Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. een seksinrichting of een daarmee vergelijkbaar bedrijf; b. een coffeeshop, growshop, smartshop of een daarmee vergelijkbaar bedrijf; c. het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen en van wagens; d. als opslag-, stort-, lozing- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voorwerpen en materialen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden. 8.3

Beroep of bedrijf aan huis

Een beroep of bedrijf aan huis, als opgenomen in het 'Overzicht beroep of bedrijf aan huis' (bijlage 2) of hiermee naar aard en omvang gelijk te stellen beroepen en bedrijven, wordt geacht in overeenstemming te zijn met: a. de bestemming 'Wonen'; en is toegestaan, met dien verstande dat: 1. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft; 2. degene die gebruiker van de woning is tevens degene is die het beroep of bedrijf aan huis uitoefent; 3. maximaal 50 m² van de vloeroppervlakte van de bestaande bebouwing mag worden gebruikt voor beroep of bedrijf aan huis; 4. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu oplevert c.q. geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of de buurt; 5. het gebruik geen dusdanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft welke kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte; 6. detailhandel in de vorm van internetverkoop slechts is toegestaan indien: 7. er geen uitstalling ten verkoop plaatsvindt; 8. de te verkopen producten niet ter plaatse bezichtigd en afgehaald kunnen worden; 9. er geen reclame-uitingen op het perceel worden aangebracht; 10. er geen buitenopslag plaatsvindt; 11.

reclame-uitingen ten dienste van het beroep of bedrijf aan huis beperkt blijven tot het plaatsen van een bord met als maximale afmetingen 1 meter x 0,5 meter aan de voor- of zijgevel of in de voor- of zijtuin op een hoogte van maximaal 2 meter. Neon- of andere lichtreclame is in dit kader niet toegestaan.

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

27

Artikel 9

Algemene aanduidingsregels

9.1

beekdal

9.1.1

Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'beekdal' zijn de gronden tevens bestemd voor instandhouding van beekdalen. 9.2

kleinschalig agrarisch gebied

9.2.1

Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'kleinschalig agrarisch gebied' zijn de gronden tevens bestemd voor de instandhouding van het kleinschalig agrarisch gebied. 9.3

middelhoge archeologische verwachtingswaarde

9.3.1

Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'middelhoge archeologische verwachtingswaarde' zijn de gronden tevens bestemd voor gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.

28

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

Artikel 10 10.1

Algemene afwijkingsregels

Maatvoeringen / grenzen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. de bestemmingsregels en worden toegestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de omgevingsvergunning gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan; b. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en worden toegestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde wordt vergroot tot maximaal 10 meter. c. afmetingen in de planregels en op de verbeelding met een maximum van 10%. 10.2

Afwegingskader maatvoeringen / grenzen

Een in artikel 10.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. b. c. d. e.

de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing; de milieusituatie; de verkeersveiligheid; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; aanwezige en/of potentiële gebiedskwaliteiten.

10.3

Bed en breakfast

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van de inrichting en het gebruik van (bedrijfs)woningen ten behoeve van bed en breakfast, met dien verstande dat: a. het gebouw waarin de bed en breakfast wordt gerealiseerd een bestaande woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken betreft; b. het gebruik ten behoeve van de bed en breakfast gekoppeld en ondergeschikt moet zijn aan de woonfunctie ter plaatse; c. er tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen in maximaal vier kamers bed en breakfast wordt geboden; d. de bed en breakfastvoorziening door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kan functioneren als een zelfstandige woning en niet beschikt over een kookvoorziening; e. de landschappelijke, cultuurhistorische, monumentale en/of architectonische waarden van de woning niet worden aangetast; f. de parkeerbalans in de directe omgeving van de woning niet nadelig wordt beïnvloed; g. geen onevenredig nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden en de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven; h. in de woning waarin de bed en breakfast wordt gerealiseerd geen detailhandel plaatsvindt; i. op of nabij de woning waarin de bed en breakfast wordt gerealiseerd geen reclame-uitingen, anders dan die welke zijn vrijgesteld in het gemeentelijk reclamebeleid, worden aangebracht.

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

29

Artikel 11 11.1

Algemene wijzigingsregels

Algemene wijziging

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van: a. overschrijding van bestemmingsgrenzen: 1. voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken of 2. voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein en 3. voor zover dit noodzakelijk is in het kader van de optimalisering van de bedrijfsvoering. Er mag geen sprake zijn van schaalvergroting met dien verstande dat het bestemmingsvlak met niet meer dan 10% wordt vergroot; b. overschrijding van bestemmingsgrenzen en toestaan dat het beloop van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; c. het aanpassen van opgenomen regels in de voorgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de inwerkingtreding van het ontwerpplan worden gewijzigd d. een en ander met dien verstande dat aangetoond wordt dat geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van: 1. de woonsituatie; 2. het straat- en bebouwingsbeeld; 3. de verkeersveiligheid; 4. de sociale veiligheid; 5.

de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing.

30

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

Artikel 12 12.1

Overige regels

Wetten/wettelijke regelingen

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 12.2

Prioriteit van dubbelbestemmingen

a. Waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming; b. Waar dubbelbestemmingen samenvallen gelden: 1. in de eerste plaats de regels van de bestemming 'Waarde - Archeologie';

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

31

Hoofdstuk 4 Artikel 13 13.1

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

a. Een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen 2 jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2

Overgangsrecht gebruik

a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a. te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 13.3

Hardheidsclausule

Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruiken in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan kan de gemeenteraad ten behoeve van die persoon of personen van dat overgangsrecht ontheffing verlenen.

32

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

Artikel 14

Slotregel

Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Krommenhoek 3a'.

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

33

34

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

Bijlagen bij regels

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

35

Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan

36

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

Landschappelijk inpassingsplan Krommenhoek 3a - Reuver

juli 2020

Landschappelijk inpassingsplan Krommenhoek 3a - Reuver

datum: juli 2020 projectnummer: P01573

Projectteam: RvO MSc BC BSc

Ontwerpatelier BRO Wij zien de Nederlandse leefruimte als een schaars collectief goed. Daarom vinden wij dat een ruimtelijke opgave nooit sec te benaderen is. Ons ontwerpatelier is ingericht met landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen, ecologen, architecten en planologen om integraal te werken. Anders dan de tekentafel- en de beeldgerichte ontwerpbureau’s richten

BRO Boxtel

wij ons daarbij op het social design door publieke en private

Boscheweg 107

belangen te verenigen waardoor grip en begrip ontstaat in het

5282 WV Boxtel

ontwikkelingsproces. Daarbij maken we visie’s en zoeken we

T +31 (0)411 850 400

naar het evenwicht van bestaand naar nieuw beleid.

E info@bro.nl

Inleiding Bij het toestaan van een ruimtelijke ontwikkeling is het van belang dat alle ruimtelijke waarden worden meegewogen. Een bouwplan kan immers afbreuk doen aan bestaande landschappelijke of cultuurhistorische waarden. Elke ontwikkeling dient bij te dragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid. In de landschappelijke inpassing wordt de omgeving bestudeerd en aan de hand daarvan ruimtelijke randvoorwaarden opgesteld voor de nieuwe ontwikkeling. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan kan de voorgestelde ontwikkeling op een natuurlijke en verzorgde wijze worden ingepast en aansluiten op de aanwezige landschapsstructuren.

Aanleiding en initiatief Initiatiefnemer is voornemens op het perceel nabij zijn woning (adres Krommenhoek 3a te Reuver) een paardenstal te realiseren voor maximaal 4 paarden. Daarnaast wil initiatiefnemer tevens het woonerf ter plaatse verruimen. Het perceel waarop de ontwikkeling plaatsvindt, staat kadastraal bekend als Beesel, sectie K, nummer 392. De gemeente Beesel heeft op 29 januari 2019 middels de beoordeling van een principeverzoek laten weten onder voorwaarden mee te werken aan het initiatief. Eén van de voorwaarden is dat op basis van het gemeentelijk kwaliteitsmenu een kwaliteitsbijdrage van € 160 per m2 betaald dient te worden voor de uitbreiding van de bestemming ‘Wonen’ (met bouwvlak). Verder dient de uitbreiding van de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ landschappelijk goed ingepast te worden in de omgeving.

3

W '

W '

W ' W '

W '

W '

W ' W '

W '

W '

W '

W '

W '

W '

W '

W '

V &

W '

W '

W ' W '

W '

W '

' W ' W

W '

W '

W '

W '

W '

V &

W '

W 'W '

W ' W '

W '

W '

W '

W ' V & W ' V & V &

V &

W '

W '

Begrenzing plangebied .

W ' W '

W ' W '

& W 'V

W ' W ' V & W '

V & V &V &

V &

W ' V &

W ' V &

W '

V &

V &

W '

W 'W '

& &V V &V

V &

T $

' W 'W

W '

W ' W '

V & W '

W ' W ' W '

W '

W '

W '

W ' W '

W '

W '

W ' ' W ' W ' W V &

V &

W ' V & V & W ' V & W ' W ' W ' W ' W ' V W ' & ' V & W ' W 'W V & V & V & W ' V V & V & V && W V & 'V & V & W ' V & ' W 'W W ' V & V & V & V & V & V & V & V & &landschapskader Uitsnede V noord- en midden Limburg (kwaliteitskaart landschap). V &

W '

W '

W ' W '

V & W '

Plangebied gelegen in ‘velden’ en ‘natte heideontginningen’.

V &

W '

V &

W ' V &

V &

W '

W ' W '

W ' V &

4

W ' W ' W '

W ' W '

V &

W ' V &

W ' W '

W '

' V &V &W

V &

' V &W

V & & V &V V &

W 'V & W '

W ' V &

V &

' W ' W V & V &

V & V & & V &V

V &

Gebiedsbeschrijving Het initiatief is volgens het landschapsontwikkelingsplan Beesel gelegen in het landschapstype Beekdalen: de beekdalen waren lange tijd onontgonnen terrein dat bestond uit veenmoeras en broekbos (els, wilg en populier). Vanaf de 16e eeuw werden veel beken gekanaliseerd om gebieden te ontwateren en gaandeweg werden veel beekdalen ontgonnen tot weideen hooiland. Vaak waren de ontginningen kleinschalig en werden de afzonderlijke kavelgrenzen beplant met rijen elzensingels of houtwallen, zodat op veel plekken een kleinschalig landschap ontstond. De echt natte en moerassige delen bleven (vaak tot op de dag van vandaag) broekbos (uit: landschapsontwikkelingsplan Beesel). In het landschapskader Noord- en Midden Limburg is de omgeving van het plangebied aangeduid als ‘velden’ en ‘natte heideontginningen’. Visueel-ruimtelijk wordt het landschapstype velden in het landschapskader omschreven als: Een typisch veld wordt gekenmerkt door een relatief grote maat van openheid zonder enige bebouwing welke in groot contrast staat met de kleinschaligere verdichte rand, waarin wel beplantingselementen en gebouwen staan. Het contrast in schaal en maat tussen dit open landschap en de omringende bebouwing en dorpen in de directe nabijheid maakt deze gebieden bijzonder waardevol.

De oude bebouwingslinten zijn kleinschaliger, kronkeliger en meer verdicht dan de jongere bebouwingslinten van de jonge ontginningslandschappen. Het belangrijkste visueel-ruimtelijke kenmerk van het landschapstype natte heideontginning is volgens het landschapskader de grote mate van openheid en het vaak ontbreken van bebouwing. Deze openheid heeft een bepaalde schoonheid in combinatie met het rechtlijnige karakter van de aanwezige beplanting, sloten en wegenpatroon.

Beschrijving plangebied Het plangebied ligt ten oosten van de kern van Reuver. In de huidige situatie bevindt zich binnen het plangebied een reeds bestaande woning met aan de noordzijde een garage van circa 45 m². Daarnaast bevindt zich binnen het noordelijke gedeelte van het plangebied een aantal bijgebouwen (tuinhuisjes). Het gebied ten noorden van de woning en garage bestaat momenteel uit gras met enkele bomen en struiken. Het plangebied grenst in

5

6

Bestaande bomen binnen het plangebied met onder meer een Tulpenboom.

Eén van de meerdere bijgebouwen op het terrein.

Zicht op de achtergelegen weides.

Bestaande rijbak en verschillende bijgebouwen.

oostelijke richting aan de Krommenhoek en in westelijke richting aan enkele agrarische percelen. Rondom het plangebied ligt in oostelijke richting de A73. Daarnaast bevinden zich ten zuidoosten en zuiden van het plangebied enkele woonpercelen. Ten noorden bevindt zich nog een bosschage. De belangrijkste groenelementen op het terrein zijn verschillende bomen waaronder een Tulpenboom en een Amerikaanse Esdoorn. Tevens wordt het terrein aan de oostzijde omringd door een haag die deels uit liguster bestaat en deels uit coniferen.

Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens nabij zijn woning een nieuwe paardenstal te realiseren. Deze ontwikkeling vindt plaats ten noorden van de reeds bestaande woning (en garage) op het perceel. De paardenstal heeft een bouwhoogte van 2,5 meter en een totale oppervlakte van 42 m2. De paarden die gestald worden in de paardenstal zullen in de toekomst gebruik maken van de agrarische percelen (bestaande uit grasland) ten noordwesten van het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=167fde22-7dcb-4b32-831d-4933bab5a510