CConstaterende datBeesel
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerpbestemmingsplan

Besluitvormende raadsvergadering 8 maart 2021, gemeente BeeselBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Krommenhoek 3a Reuver19.777 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan ‘Krommenhoek 3a’ Gemeente Beesel Ontwerp

Bestemmingsplan ‘Krommenhoek 3a’ Gemeente Beesel Ontwerp

Rapportnummer:

P01573

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.0889.BPKromhoek3a-ON01

Datum:

9 juli 2020

Projectteam BRO:

Mevr. SD, MSc & dhr. LN, MSc

Concept:

11 oktober 2019

Ontwerp:

9 juli 2020

Vaststelling: Bron foto kaft:

BRO

BRO Vestiging Tegelen Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

Inhoudsopgave

1.INLEIDING

pagina

6

1.1Aanleiding

6

1.2Plangebied

6

1.3Vigerende bestemmingsplannen

7

1.4Leeswijzer

8

2.PLANBESCHRIJVING

8

2.1Bestaande situatie

9

2.2Toekomstige situatie

10

3.BELEIDSKADER

12

3.1Rijksbeleid

12

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Beesel

12 12 12 13 13 14 15 15

4.OMGEVINGSASPECTEN

16

4.1Verkeer en parkeren

16

4.2Geluid

16

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek

16 17 17 18 18 18

4.3.3 Conclusie 4.4Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6Ecologie 4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7Bodem 4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8Water 4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9Archeologie 4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10Cultuurhistorie 4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie

18 19 19 19 20 20 20 21 21 21 21 22 23 24 24 24 24 24 24 25 25 26 26 26 27 27 27 27 27

4.11M.e.r.-beoordeling

27

4.12Kabels en leidingen

28

5.JURIDISCHE PLANOPZET

29

5.1Algemeen

29

5.2Toelichting op de verbeelding

29

5.3Toelichting op de regels 5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels

6.UITVOERBAARHEID

29 29 30 31 31

33

6.1Economische uitvoerbaarheid

33

6.2Maatschappelijke uitvoerbaarheid

33

6.2.1 6.2.2 6.2.3

Procedure Vooroverleg en inspraak Zienswijzen

33 34 34

SEPARATE BIJLAGEN  BRO, Landschappelijk inpassingsplan, projectnummer P01573, d.d. 9 juli 2020.  BRO, Quickscan flora en fauna ‘Krommenhoek 3A’ te Reuver, projectnummer.: P01573, d.d. 4 juni 2019.  Aerus Milieu, Vooronderzoek conform NEN 5725 Krommenhoek 3A te Reuver, projectnummer.: AM19240, d.d. 27 juni 2019.

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens op het perceel nabij zijn woning (adres Krommenhoek 3a te Reuver) een paardenstal te realiseren voor het hobbymatig houden van maximaal 4 paarden. Daarnaast wil initiatiefnemer tevens het woonerf ter plaatse verruimen. Het perceel waarop de ontwikkeling plaatsvindt, staat kadastraal bekend als Beesel, sectie K, nummer 392. De bovenstaande ontwikkelingen zijn echter niet rechtstreeks mogelijk op basis van de volgende vigerende bestemmingsplannen:  ‘Buitengebied Beesel’, vastgesteld door de gemeenteraad van Beesel op 24 juni 2013;  ‘Veegplan Buitengebied gemeente Beesel’, vastgesteld door de gemeenteraad van Beesel op 25 september 2017;  ‘Paraplubestemmingsplan Hoogzitten Buitengebied Beesel’, vastgesteld door de gemeenteraad van Bessel op 29 januari 2019. De gemeente Beesel heeft op 29 januari 2019 middels de beoordeling van een principeverzoek laten weten onder voorwaarden mee te werken aan het initiatief. Hierbij heeft de gemeente aangedragen dat het initiatief gerealiseerd kan worden middels een bestemmingsplanwijziging (postzegelplan). Middels het voorliggend bestemmingsplan wordt daarom de beoogde realisatie van paardenstal en de verruiming van het woonerf juridisch-planologisch geregeld. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Deze toelichting vergezelt het plan.

1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen aan de Krommenhoek 3a in Reuver (gemeente Beesel). Deze locatie is gelegen aan de oostzijde van het centrum van Reuver. De globale topografische ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

Figuur 1.1: Topografische ligging plangebied (rode pijl)

1.3 Vigerende bestemmingsplannen Binnen het plangebied zijn drie vigerende bestemmingsplannen van toepassing. Het gaat hierbij om de volgende bestemmingsplannen: 1. ‘Buitengebied Beesel’ (vastgesteld op 24 juni 2013); 2. ‘Veegplan Buitengebied gemeente Beesel’ (vastgesteld op 25 september 2017); 3. ‘Paraplubestemmingsplan Hoogzitten Buitengebied Beesel’ (vastgesteld op 29 januari 2019). Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Beesel’ ter plaatse van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Beesel’ (plangebied rood omlijnd)

Op basis van de drie bovenstaande vigerende bestemmingsplannen gelden voor het plangebied de volgende bestemmingen en aanduidingen:  Enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’  Enkelbestemming ‘Wonen’  Enkelbestemming ‘Tuin’  Dubbelbestemming: ‘Waarde – Archeologie’  Gebiedsaanduiding: ‘beekdal’  Gebiedsaanduiding: ‘middelhoge archeologische verwachtingswaarde’ De bestemmingen en aanduidingen uit bovenstaande vigerende bestemmingsplannen maken het niet rechtstreeks mogelijk een paardenstal te realiseren binnen het plangebied. De realisatie van de paardenstal is echter wel mogelijk, wanneer er een nieuw separaat bestemmingsplan wordt vastgesteld.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie Het plangebied ligt ten oosten van de kern van Reuver. In de huidige situatie bevindt zich binnen het plangebied een reeds bestaande woning met aan de noordzijde een garage van circa 45 m 2. Daarnaast bevindt zich binnen het noordelijke gedeelte van het plangebied een aantal bijgebouwen (tuinhuisjes). Het gebied ten noorden van de woning en garage bestaat momenteel uit gras met enkele bomen en struiken. Het plangebied grenst in oostelijke richting aan de Krommenhoek en in westelijke richting aan enkele agrarische percelen. Rondom het plangebied ligt in oostelijke richting de A73. Daarnaast bevinden zich ten zuidoosten en zuiden van het plangebied enkele woonpercelen. Ten noorden bevindt zich nog een bosschage.

Figuur 2.1: Uitsnede luchtfoto met de huidige situatie van het plangebied (rood omlijnd)

2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens nabij zijn woning een nieuwe paardenstal te realiseren. Deze ontwikkeling vindt plaats ten noorden van de reeds bestaande woning (en garage) op het perceel. De paardenstal heeft een bouwhoogte van 2,5 meter en een totale oppervlakte van 42 m 2. De paarden die gestald worden in de paardenstal zullen in de toekomst gebruik maken van de agrarische percelen (bestaande uit grasland) ten noordwesten van het plangebied.

Figuur 2.2: Gevelaanzichten paardenstal

Figuur 2.3: 3D-weergave paardenstal

Figuur 2.4: Plattegrond en dakaanzicht paardenstal

Om de realisatie van de paardenstal te bewerkstelligen is het noodzakelijk om het huidige woonerf te verruimen, zodat de paardenstal binnen de woonbestemming komt te liggen. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie het bestemmingsvlak ‘Tuin’ ook verruimd. Alle opstallen ten noorden van de reeds bestaande woning en garage worden in de toekomstige situatie gesloopt. Om de realisatie van de paardenstal en vergroting van het woonerf te bewerkstelligen wordt de locatie landschappelijke ingepast aan de hand van een landschappelijk inpassingsplan1. De realisatie van het landschappelijk inpassingsplan wordt gewaarborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. In het inpassingsplan is beschreven welke inpassingsmaatregelen gerealiseerd worden en hoe deze aangeplant en onderhouden dienen te worden. Voor meer informatie, alsook de tekeningen van de bestaande en toekomstige landschappelijke inrichting, wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan.

1

BRO, Landschappelijk inpassingsplan, projectnummer P01573, d.d. 9 juli 2020.

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een hobbymatige paardenstal (inclusief uitbreiding van het woonerf), hetgeen een lokale ontwikkeling betreft. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.

De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk (NNN), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. De beoogde ontwikkeling heeft geen nationaal belang en is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De Ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De Ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of

zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.2 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (Artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Dit plan voorziet in de realisatie van een hobbymatige paardenstal (inclusief uitbreiding van het woonerf). In navolgen van artikel 1.1.1 Bro betreft de beoogde ontwikkeling (gezien de omvang en aard) geen stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op onderhavig plan.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 Op 12 december is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema’s benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

Figuur 3.1 Uitsnede POL2014-kaart 'Zonering Limburg' ( plangebied blauw omlijnd) 2

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het gedeelte van het plangebied, waarop de realisatie van de paardenstal plaats vindt in de zone ‘buitengebied’. Het buitengebied omvat alle gronden in het landelijk gebied die niet behoren tot de goudgroene en zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing. Het beleid is gericht op:  Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw;  Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw;  Kwaliteit en functioneren ondergrond. Daarnaast ligt het noordelijke gedeelte (bestemming ‘Tuin’) van het plangebied binnen de zone ‘zilvergroene natuurzone’. De zilvergroene natuurzone omvat landbouwgebieden met grote kansen voor natuurontwikkeling en natuurbeheertaken. Binnen de zilvergroene natuurzone wordt tevens ingezet op behoud en ontwikkeling van cultuurhistorische waarden als onderdeel van de landschappelijke waarden. Conform de Omgevingsverordening Limburg 2014 moet een ruimtelijke plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Zilvergroene natuurzone een beschrijving bevatten van de volgende aspecten. 1.

de waarde van het plangebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen de Goudgroene natuurzone met het oog op de impact voor de habitattypen in de Natura 2000-gebieden; 2. de waarde van het plangebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van de Goudgroene natuurzone; 3. de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder 1 en 2 en op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van bedoelde waarden; 4. de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten; 5. de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan; en 6. hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten van de Zilvergroene natuurzone zijn: het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Onderhavig planvoornemen zorgt voor een versterking van de kernkwaliteiten van de Zilvergroene natuurzone. Er wordt voorzien in de aanplant van nieuwe bomen en groene hagen binnen het plangebied die het groene karakter van de natuurzone versterken. Ten opzichte van de huidige situatie (voornamelijk grasland) ontstaat zo een betere ecologische verbinding richting de ‘Goudgroene natuurzone’ ten noorden van het plangebied. Er zijn daarnaast geen cultuurhistorisch waardevolle aardkundige elementen aanwezig binnen het plangebied.

Afweging De voorgenomen realisatie van de paardenstal is passend binnen de zone ‘buitengebied’ en ‘zilvergroene natuurzone’ volgens het POL2014. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven.

Afweging Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan er hiermee geen belemmeringen.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Beesel Op 12 september 2011 heeft de gemeenteraad van Beesel de ‘Structuurvisie Beesel’ vastgesteld. De structuurvisie Beesel geeft een strategische en duurzame ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het hele grondgebied van de gemeente met een horizon van 20 jaar. De gemeente geeft hierin niet alleen aan wat ontwikkeld gaat worden, maar ook hoe dit ontwikkeld gaat worden. De structuurvisie vormt het toetsingskader voor de beoordeling van nieuwe plannen en initiatieven. Afweging De structuurvisie gaat niet specifiek in op hobbymatige paardenstallen. De structuurvisie geeft wel aan dat ‘agrarische paardenhouderijbedrijven’ in principe overal in het landelijke gebied op bouwkavels kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast gaat de structuurvisie ook in op publieksgerichte paardenhouderijen deze zijn vooral mogelijk binnen kernrandzones en mogelijke uitbreidingslocaties voor dagen verblijfsrecreatie, mits dit geen hinder oplevert aan andere functies in de omgeving. (In het algemeen geldt: of een locatie geschikt is, hangt af van de beslotenheid van de omgeving, de verkeersontsluiting en de nabijheid van potentiële bezoekers.) Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van een paardenstal voor hobbymatig gebruik in het buitengebied aan de rand van de kern van Reuver.

De ontwikkeling voorziet in het uitbreiden van een woonerf, hetgeen te kwalificeren is als een gebiedseigen ontwikkeling die passend is binnen de omgeving. De uitbreiding van het bouwvlak is beperkt en sluit aan bij het bestaande bouwvlak. Daarnaast worden bestaande (oude) bouwwerken verwijderd. Tevens vindt er een kwaliteitsverbetering plaats (middels een Landschappelijk inpassingsplan). De ontwikkeling past zodoende binnen de Structuurvisie Beesel.

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren Verkeer De realisatie van de paardenstal zorgt niet voor een toename van het aantal verkeersbewegingen, omdat het deze enkel worden gebruikt door de initiatiefnemer. Daarnaast zorgt de verruiming van het woonerf niet voor het ontstaan nieuwe functies. De ontwikkeling heeft zodoende geen belemmerend effect op de verkeersdoorstroming of verkeersveiligheid rondom het plangebied. Parkeren Wat betreft parkeren is het uitgangspunt van het gemeentelijk verkeers- en vervoersplan dat het parkeren bij iedere ruimtelijke ontwikkeling zoveel mogelijk op eigen terrein plaatsvindt. Voor de bepaling van de parkeerbehoefte dient te worden aangesloten bij de parkeernormen van het CROW. In de CROW-publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ zijn geen parkeerkencijfers opgenomen voor een hobbymatige paardenstal. Daarnaast worden de paardenstal enkel gebruikt door de initiatiefnemer, waardoor er geen toename plaatsvindt ten opzichte van de huidige parkeerbehoefte binnen het plangebied. Conclusie Vanuit het oogpunt van verkeer en parkeren bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten.

Tabel Breedte geluidszones langs wegen Stedelijk gebied Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.

Tabel Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffings-

Artikel

waarde Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

4.2.2 Onderzoek De realisatie van een paardenstal betreft conform de Wet geluidhinder (artikel 1) en het Besluit geluidhinder (artikel 1.2) geen geluidsgevoelige functie. Daarnaast wordt er binnen de uitbreiding van het woonerf geen nieuwe woning of andersoortig geluidsgevoelig object voorzien. Een onderzoek naar weg-, railverkeers- of industrielawaai is dan ook niet aan de orde. 4.2.3 Conclusie Het aspect ‘akoestiek’ zorgt niet voor belemmeringen.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3) (3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling). 4.3.2 Onderzoek Onderhavige ontwikkeling voorziet enkel in de realisatie van een paardenstal en uitbreiding van het woonerf, waarbij geen sprake is van een toename van het aantal verkeersbewegingen. De ontwikkeling draagt daarom niet in betekenende mate bij aan de concentratie van luchtverontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek is daarom ook niet noodzakelijk. Achtergrondwaarden Gezien de uitbreiding van het woonerf (woon-bestemming) wordt volledigheidshalve wel bekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving (2018) bedraagt de concentratie PM10 ter plaatse tussen de 18 en 20 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen 10 en 12 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 15 en 20 µg/m³.

In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen. Daarnaast zal door voortschrijdende voertuigtechnologie de luchtkwaliteit in de toekomst naar verwachting alleen maar verder verbeteren. 4.3.3 Conclusie Het project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtkwaliteit.

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van een hobbymatige paardenstal. Deze functie is niet opgenomen binnen de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Er is wel een functie ‘paardenfokkerij’ opgenomen.

Een paardenfokkerij heeft echter een bedrijfsmatige insteek, welke over het algemeen ook aanzienlijk groter is als de beoogde paardenstal voor hobbymatig gebruik. Er gelden tevens geen wettelijke normen voor het hobbymatig houden van paarden. Gezien onderhavige ontwikkeling hobbymatig gebruik van de paardenstal voorziet, hetgeen aanzienlijk verschilt ten aanzien een bedrijfsmatige paardenfokkerij, blijft er ter plaatse van de omliggende woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat.

3

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

4.4.3 Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.5.2 Onderzoek Conform artikel 1 uit het Bevi betreft een paardenstal geen (beperkt)kwetsbaar object. Het is zodoende niet noodzakelijk het plan te toetsen aan het aspect externe veiligheid. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan vormt. Er vinden ook geen veranderingen plaats die significant zijn voor de omgeving. 4.5.3 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan er geen belemmeringen.

4.6 Ecologie 4.6.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijsteling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.6.2 Onderzoek In het kader van het aspect ecologie is er voor het plangebied een Quickscan flora en fauna4 uitgevoerd. Op basis van deze Quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Vogelschutzgebiet 'Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg' ”, bevindt zich op circa 2 kilometer afstand ten westen van het projectgebied over de grens in Duitsland. Het meest dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied is het “Swalmdal” op 6 kilometer afstand. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede ge-

4

BRO, Quickscan flora en fauna ‘Krommenhoek 3A’ te Reuver, projectnummer.: P01573, d.d. 4 juni 2019

zien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van een nieuwe particuliere paardenstal betreft waar reeds een paardenstal aanwezig is, is een toename aan stikstofuitstoot te niet verwachten. De ontwikkeling in combinatie met de afstand tot het Natura 2000-gebied is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten. Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 5 meter ten noordoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Een deel van het plangebied is gelegen binnen de zilvergroene natuurzone. In dit deel wordt de bestaande schuur gesloopt en blijft de rest van het plangebied behouden. De paardenstal wordt gebouwd buiten de zilvergroene natuurzone gebouwd. Hierdoor blijven de wezenlijke kenmerken en waarden van de zilvergroene natuurzone onaangetast.

Tot slot is er ook geen sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel vergunningaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het aspect houtopstanden is binnen onderhavig plangebied niet aan de orde. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen.  Ten aanzien van broedvogels dienen werkzaamheden aan broedgelegenheden buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Op basis van de Quickscan flora en fauna wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.

4.6.3 Conclusie Gezien de bovenstaande bevindingen bestaan er vanuit het aspect ‘ecologie’ geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Bodem 4.7.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.7.2 Onderzoek In het kader van dit plan is een bodemkundig vooronderzoek uitgevoerd5. Hieronder volgen de bevindingen uit dit onderzoek. Het volledige onderzoek is terug te vinden in de separate bijlage. Uit de verzamelde (historische) informatie binnen het onderzoek en de uitgevoerde veldinspectie is gebleken dat ter plaatse van het plangebied geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Er bestaat geen aanleiding te vermoeden dat ter plaatse sprake is van een bodemverontreiniging.

Gebaseerd op de verzamelde gegevens kan de onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (niet verdacht), met uitzondering van de bodem ter plaatse van het schuurtje met asbest golfplaten dakbedekking. De resultaten van het bodemkundig onderzoek in combinatie met de bodemkwaliteitskaart geven echter een voldoende beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied. De bodemkwaliteit ter plaatse vormt geen belemmering voor de voorgenomen realisatie van een paardenstal. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond op basis van de bodemkwaliteitskaart afgevoerd en toegepast worden binnen het gebied waarvoor de kaart is opgesteld. Ten aanzien van hergebruik van grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. 4.7.3 Conclusie Het aspect ‘bodem’ zorgt niet voor belemmeringen met betrekking tot de beoogde ontwikkeling.

4.8 Water 4.8.1 Toetsingskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke

5

Aerus Milieu, Vooronderzoek conform NEN 5725 Krommenhoek 3A te Reuver, projectnummer.: AM19240, d.d. 27 juni 2019

ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het beleid van de gemeente bij nieuwe ontwikkelingen is gericht op geheel afkoppelen. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de voorkeurstabel die is opgenomen in de brochure 'Regenwater schoon naar beek en bodem'. De maatgevende buien die het waterschap opstelt zijn hiervoor uitgangspunt. Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat 35 mm kwantiteitsberging wordt aangelegd voor een regenbui die gemiddeld eens in de 25 jaar voorkomt (T=25; 35 mm in 45 minuten). 4.8.2 Onderzoek Kenmerken van het watersysteem Grondwater en waterkwaliteit Het plangebied ligt niet binnen waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. De voorgenomen realisatie van de paardenstal oefent dan ook geen invloed uit op bestaand oppervlaktewater. Hemel- en afvalwater Er is geen sprake van afvalwater bij de realisatie van de paardenstal of uitbreiding van het woonerf.

De beoogde ontwikkeling voorziet wel in een geringe toename van het verhard oppervlak van circa 42 m2. Infiltratie van hemelwater dient op eigen terrein plaats te vinden op basis van de Waterwet. Als uitgangspunt geldt dat een bui van 100 mm in 24 uur geborgen moet kunnen worden op eigen terrein. Voor de paardenstal (oppervlakte 42 m 2) betekent dit dat een capaciteit van 4,2 m 3 benodigd is. Deze is te verwezenlijken door de goot van de stal te koppelen aan een serie infiltratiekratten (1 m 3 per stuk) welke langs de nieuw te bouwen stal komt te liggen. Overleg waterbeheerder Aangezien geen sprake is van een toename van de hoeveelheid oppervlakteverharding van meer dan 2.000 m², is vooroverleg met het Waterschap Limburg niet noodzakelijk. 4.8.3 Conclusie Bij de realisatie van de paardenstal en uitbreiding van het woonerf bestaan naar verwachting geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer. Er zijn dan ook geen negatieve consequenties te verwachten ten aanzien van de waterhuishouding.

4.9 Archeologie 4.9.1 Toetsingskader De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Limburg sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.9.2 Onderzoek Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ met de gebiedsaanduiding ‘overig – middelhoge archeologische verwachtingswaarde’. Voor deze middelhoge archeologische verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een diepte vanaf 40 cm beneden maaiveld en oppervlakte groter dan 1.000 m 2.

Voor het grondgebied van de gemeente Beesel is op 19 april 2010 een archeologische beleidsadvieskaart vastgesteld. Hierin is tevens zichtbaar dat het plangebied is gelegen binnen de zone archeologische verwachting ‘middelhoog’.

Figuur 4.2 Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Beesel (globale ligging plangebied blauwe pijl)

Gezien deze verwachtingswaarde is er binnen het plangebied de doelstelling de archeologische waarde in de bodem te behouden. Onderhavig plan voorziet niet in bodemingrepen die dieper reiken dan 40 cm beneden maaiveld. Het is zodoende niet noodzakelijk een archeologisch onderzoek uit te voeren binnen het plangebied. De potentiele archeologische waarden in de ondergrond worden dan ook in voldoende mate gewaarborgd. 4.9.3 Conclusie Vanuit het aspect ‘archeologie’ bestaan er geen belemmeringen.

4.10 Cultuurhistorie 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.10.2 Onderzoek In het plangebied bevinden zich geen monumenten of andere vanuit cultuurhistorisch oogpunt waardevolle objecten. Het plangebied ligt ook niet binnen een beschermd dorpsgezicht of ander vanuit cultuurhistorisch oogpunt waardevol gebied. Met de realisatie van de paardenstal en uitbreiding van het woonerf wordt dan ook geen negatieve invloed uitgeoefend op cultuurhistorische waarden. 4.10.3 Conclusie Vanuit het aspect ‘cultuurhistorie’ bestaan er geen belemmeringen.

4.11 M.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de Dlijst valt.

Conclusie Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van een paardenstal en uitbreiding van een woonerf. Deze activiteiten komen niet voor op lijst D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Een milieueffectrapport of m.e.r.-beoordeling is daarom niet nodig.

4.12 Kabels en leidingen In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij het initiatief belemmeren. Vanuit het aspect ‘kabels en leidingen’ bestaan er zodoende geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.

JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012) en het vigerende bestemmingsplan.

5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven, waaraan in de regels voorwaarden zijn verbonden. De opgenomen verklaring is niet juridisch bindend en is op de verbeelding opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding.

5.3 Toelichting op de regels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:  Hoofdstuk 1: Inleidende regels;  Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels;  Hoofdstuk 3: Algemene regels;  Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.

5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik.

De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming(en) nader toegelicht. Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, erven, water(voorzieningen), verhardingen en parkeerplaatsen. Op de voor 'Tuin' aangewezen gronden mogen geen vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. Het is wel toegestaan om op de voor ‘Tuin’ aangewezen gronden erkers en overkappingen (carports) te realiseren. Daarnaast mogen er op deze gronden erf- en terreinafscheiding gerealiseerd worden van maximaal 1,80 meter, overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde) van maximaal 2 meter en vlaggenmasten van maximaal 3 meter. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met daarin ondergeschikt groenvoorzieningen, tuinen en erven, paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen, boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen, paardrijbakken voor het hobbymatig houden van paarden en/of pony’s en paardenstallen voor het hobbymatig houden van paarden en/of pony's. Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de bovenstaande genoemde

functies hoofdgebouwen (in de vorm van woningen), bijbehorende bouwwerken en bouwwerken (geen gebouwen zijnde) gebouw worden. Waarde – Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen zijn bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Op of in de voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden mogen ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn, tenzij het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en alleen de bestaande fundering wordt benut en geen grondwerk wordt verricht dieper dan 0,40 meter onder maaiveld. 5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks-, aanduidings-, afwijkings-, wijzigingsregels en de overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn onder andere regels opgenomen ten aanzien van bestaande maten en parkeren.

Algemene gebruiksregels In deze bepaling is aangegeven wat onder strijdig gebruik van het bestemmingsplan wordt verstaan. Algemene aanduidingsregels In deze bepaling is aangegeven welke algemene aanduidingsregels van toepassing zijn. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling is aan het bevoegd gezag de mogelijkheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen in de bestemmingen van onderhavig plan. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.

Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid In het voorliggende geval is geen sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor geen verplichting tot kostenverhaal geldt. Kosten voor de realisatie van de paardenstal zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer en daarmee in voldoende mate gewaarborgd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1

Procedure

Een bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er kort samengevat als volgt uit:  Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan;  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan belanghebbende instanties;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door het college van burgemeester en wethouders, binnen 12 weken na afloop van de termijn van terinzagelegging van het ontwerp;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan belanghebbende instanties: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is

ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2.2

Vooroverleg en inspraak

In het kader van het voorliggende bestemmingsplan wordt geen formele inspraakprocedure doorlopen. Het plan is in het kader van het wettelijk verplichte vooroverleg toegestuurd aan de belanghebbende instanties, te weten: de provincie Limburg. 6.2.3

Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder de mogelijkheid wordt geboden zienswijzen in te dienen.

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Tegelen www.bro.nl

Krommenhoek 3a

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 15

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

17

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5

Tuin Wonen Waarde - Archeologie

17 18 21

Hoofdstuk 3

Algemene regels

24

Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels

24 25 27 28 29 30 31

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

32

Artikel 13 Artikel 14

Overgangsrecht Slotregel

32 33

Bijlagen bij regels

35

Bijlage 1 Bijlage 2

36 54

2

Landschappelijk inpassingsplan Overzicht toegestane beroepen en bedrijven aan huis

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

Regels

Bestemmingsplan "Krommenhoek 3a" (ontwerp)

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beesel&id=167fde22-7dcb-4b32-831d-4933bab5a510