CConstaterende datBeemster
Koppel je AI →
Document · PDF

RES NHZ 1.0.pdf

Raadscommissie 19 mei 2021, gemeente BeemsterBij agendapunt: 8: Voorstel tot het vaststellen van de Regionale Energie Strategie Noord-Holland Zuid 1.0.33.832 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

RES 1.0

Advies jongeren:

“We gaan het later nodig hebben” Het bod van 2,7 TWh is volgens de jongeren realistisch als je het afzet tegen de beschikbare oppervlakte in de regio. Als je het bod afzet tegen het aantal inwoners, dan zou het ambitieuzer mogen. Als duurzame opwek binnen de omgeving past, moet het er komen. Dit kan ook door bijvoorbeeld opwek te verplichten bij nieuwe ontwikkelingen. Overigens kan het bod van 2,7 TWh als minimum gezien worden en niet als einddoel. Want: “We gaan het later nodig hebben.”

Noord-Holland Zuid

16

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

17

Bij de vervolgstappen wordt deze werkwijze voortgezet. Onder de deelnemers aan het proces leeft de overtuiging dat samenwerking, zorgvuldige participatie en lokaal eigendom cruciaal zijn voor het realiseren van de doelen.

Sys te e

it ite t n

Afwegingskader

ui

k

p ha d t s c ij k M a a u u rl b est

p ra e lij k ag & vla k

br

Op weg naar de RES 1.0 is bottom-up opgehaald waar betrokkenen in de regio ruimte zien voor zon/wind. De zoekgebieden op de kaart zijn daarmee de uitkomst van een uitgebreid participatieproces.

Er kan een groter maatschappelijk (en bestuurlijk) draagvlak ontstaan als lokaal wordt meegeprofiteerd. De behoefte aan goede

ntie cië effi m

2.2 Maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak

Kw a

van energie voor de eigen bedrijfsprocessen of andere opgaven, beschikbaar te stellen voor lokale initiatieven.

R ui

m

g te

e

Lokaal eigendom, stimulerend beleid voor lokale initiatieven Lokaal eigendom in energieprojecten draagt bij aan een eerlijke verdeling van de lusten en de lasten van de energietransitie. In NoordHolland Zuid zetten overheden en partijen zich in om per project te streven naar minimaal 50 procent lokaal eigendom. Daarnaast streven overheden ernaar hun grond en (de daken van hun) vastgoed die niet (volledig) ingezet hoeven te worden voor de opwekking

RES 1.0

Aan de slag met lokaal eigendom met behulp van een leidraad Om de overheden in hun aanpak te inspireren en ondersteunen, heeft de Participatie Coalitie Noord-Holland de Leidraad Lokaal Eigendom opgesteld. Deze leidraad licht onder andere toe op welke wijze overheden lokaal eigendom kunnen borgen in beleidskaders. Daarnaast zijn voorbeelden van instrumenten opgenomen om tot uitvoering van lokale initiatieven te komen. Ook gaat de leidraad in op rollen die gemeenten, waterschappen en provincies hierbij kunnen innemen. Bijvoorbeeld faciliteren, stimuleren of meer proactief door te ondernemen. Tot slot beschrijft de leidraad verschillende manieren om lokale initiatieven te stimuleren en staan er verwijzingen in naar praktische voorbeelden en documenten. De leidraad kan worden gebruikt om tot een plan van aanpak te komen (per overheid, regio, gemeente, gebied of project).

 Lokaal eigendom gaat over financieel eigendom en zeggenschap over het project en over de besteding van baten. Dit kan via verschillende vormen van financiële participatie worden gerealiseerd. In de leidraad wordt dit nader toegelicht.

Noord-Holland Zuid

18

De Participatie Coalitie NoordHolland is een samenwerkingsverband tussen de Vereniging van Energie Coöperaties en Initiatieven in Noord-Holland, de Natuur en Milieufederatie Noord-Holland en Energie Samen.

voorbeelden en een leidraad voor overheden is groot. Daarom is er door de Participatie Coalitie Noord-Holland een menukaart opgesteld als wegwijzer voor gemeenten. De menukaart geeft op hoofdlijnen de belangrijkste mogelijkheden om aan de slag te gaan met lokaal eigendom. In de bijbehorende Leidraad Lokaal eigendom in de praktijk zijn deze verder uitgewerkt en aangevuld met praktische voorbeelden. In de leidraad wordt enerzijds de beleidsmatige kant belicht: hoe kan lokaal eigendom worden geborgd in beleidskaders? Welke keuzes heeft een overheid en binnen welke kaders kunnen deze keuzes worden gemaakt? Anderzijds wordt uitgewerkt waarop een lokale overheid nog meer kan inzetten om lokaal eigendom te stimuleren.

Participatie bij planvorming Op projectniveau is de gemeente samen met de initiatiefnemer verantwoordelijk voor zorgvuldige participatie. Hierbij gaat het om samen met betrokkenen en inwoners te komen tot een ontwerp en ruimtelijke inpassing. De gemeente bepaalt in haar beleid hoe participatie bij planvorming in de gemeente wordt ingevuld. Participatie is een belangrijke pijler onder de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op

1 januari 2022 van kracht wordt. Onder de nieuwe Omgevingswet bepalen overheden zelf hoe ze hun participatiebeleid vormgeven. De participatieladder helpt bij de invulling van de participatie op projectniveau. De participatieladder onderscheidt van laag naar hoog de volgende treden: informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en zelf laten organiseren. Bij de hoogste trede nemen inwoners (of ondernemers) zelf het initiatief, de gemeente haakt aan en faciliteert het inwonersinitiatief.

De samenwerking op de schaal van NoordHolland Zuid heeft haar waarde bewezen. Er is de wens om deze samenwerking voort te zetten, ook samen met de regio NoordHolland Noord. In het vervolgproces is de samenwerking met de netwerkbedrijven, energiecoöperaties, natuurorganisaties, het bedrijfsleven, agrariërs en onderwijsinstellingen van groot belang. De regionale samenwerkingsafspraken die nodig zijn voor de uitwerking en uitvoering van de RES worden uitgewerkt in een regionaal uitvoeringsprogramma, dat naar verwachting eind 2021 gereed is.

Samenwerking in de regio De uitwerking van, en besluitvorming over zoekgebieden krijgen een plek binnen de uitvoeringsinstrumenten voor omgevingsbeleid. Gemeenten en provincie zijn hiervoor aan zet. Zij zorgen daarbij steeds voor regionale afstemming en bijsturing. De deelregio’s doen dat ieder op eigen wijze. In hoofdstuk 5 t/m 10 geven de regio’s Amstelland, Amsterdam, Gooi en Vechtstreek, Haarlemmermeer, IJmond & Zuid-Kennemerland en Zaanstreek/Waterland aan welke afwegingen en keuzes zij maken. Daarnaast ziet de provincie een rol om de samenhang tussen de deelregio’s, de RESregio’s, het IJsselmeergebied, het Groene Hart en de aangrenzende provincies te bewaken.

RES 1.0

Het doel van de samenwerking is om als betrokken overheden in samenspraak met inwoners en belanghebbenden tot afgewogen en gedragen keuzes te komen voor de energie- en warmtestrategie.

Noord-Holland Zuid

19

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

20

Ook moet rekening worden gehouden met voldoende ruimte voor de energieinfrastructuur.

Kw a

Afwegingskader

ui

k

p ha d t s c ij k M a a u u rl b est

p ra e lij k ag & vla k

br

Het inpassen van de opwek van hernieuwbare energie is bij uitstek een ruimtelijke opgave. Windturbines en zonnepanelen zijn zichtbaar en vragen om zorgvuldige inpassing in het landschap, aandacht voor ruimtelijke samenhang, een gedegen ruimtelijk ontwerp en koppeling met andere (ruimtelijke) opgaven.

Sys te e

it ite t n

ntie cië effi m

2.3 Ruimtelijke afwegingen

Voor de ruimtelijke samenhang is het van belang dat de (boven)regionale samenwerking en afstemming ook na vaststelling van de RES 1.0 worden voortgezet. De provincie heeft in de bovenregionale clusters van zoekgebieden een regierol. Ook voor de overige zoekgebieden is het zaak dat de ruimtelijke samenhang wordt bewaakt. Naast de energietransitie is er de komende jaren een grote opgave voor woningbouw en natuurontwikkeling. Na de vaststelling van de RES 1.0 blijft de regio hieraan in het netwerk van samenwerkende overheden en belangenorganisaties aandacht besteden.

R

t ui m

eg

e

Ruimtelijke samenhang in de RES Bij ruimtelijke samenhang gaat het om het maken van ontwerpkeuzes op (boven) regionaal niveau, rekening houdend met de lokale omstandigheden en andere ruimtelijke aspecten. Relevante vragen daarbij zijn hoe individuele RES-zoekgebieden zich tot elkaar verhouden en hoe de verhouding tussen een enkel (of meerdere) zoekgebied(en) en haar omgeving is.

RES 1.0

Het maken van ruimtelijke afwegingen en keuzes Om gemeenten ook na de RES 1.0 te ondersteunen bij het maken van ruimtelijke keuzes, zijn in aanloop naar de RES 1.0 twee thematafels georganiseerd: Ruimtelijke samenhang en Ruimtelijke ontwikkelprincipes zonne- en windenergie. De thematafels hadden als doel om dilemma’s op te lossen, kansen te benutten en inspiratie op te doen om de Regionale Energiestrategie te verrijken. De uitkomsten worden door gemeenten ingezet bij het verder concretiseren van de zoekgebieden en de borging in omgevingsbeleid en -vergunningen.

 ‘Thematafels’ is een verzamelnaam voor bijeenkomsten die zijn georganiseerd in aanloop naar de RES 1.0 om een aantal specifieke thema’s uit te diepen, zie ook de website van de energieregio NHZ voor een nadere uitleg.

 Zie ook het katern Thematafels.

Noord-Holland Zuid

21

Ontwerpstudies en gebiedsgerichte aanpak Tijdens de thematafel Ruimtelijke samenhang is een inventarisatie gemaakt van (RES-)regiooverstijgende structuren zoals snelwegen of (clusters van) zoekgebieden, die gebaat zouden zijn bij een gebiedsgerichte aanpak. Dit zijn gebieden of structuren met een (deel)regio-overstijgend karakter en waar meerdere (clusters van) zoekgebieden zijn. Voor een aantal van deze gebieden zijn in de aanloop naar de RES 1.0 ontwerpstudies gedaan, met als doel het belang van de ruimtelijke samenhang en ruimtelijke kwaliteit mee te nemen in de verdere concretisering en integrale planvorming van deze zoekgebieden. Voor Noord-Holland Zuid zijn in samenwerking met NoordHolland Noord onder andere ontwerpstudies voor de zoekgebieden langs de A7 en de A9 gedaan. Het kader Gebiedsaanpak A9zone bevat een beknopte uitwerking van de ontwerpstudie. Een uitgebreide rapportage van de ontwerpstudies vindt u in het katern thematafels.

Handreiking voor onderzoeken zoekgebieden en initiatieven Naast een aantal ontwerpstudies is in de afgelopen periode een handreiking opgesteld getiteld Handreiking zoekgebieden Zon en Wind in relatie tot landschap, natuur en leefbaarheid. Deze handreiking is het eindproduct van de thematafel Ruimtelijke ontwikkelprincipes zonne- en windenergie. De handreiking geeft gemeenten en initiatiefnemers van energieprojecten een kapstok voor het verder onderzoeken en uitwerken van zoekgebieden voor zonneen/of windenergie. Zij geeft inzicht in harde kaders vanuit wet- en regelgeving op het gebied van natuur, landschap, leefbaarheid en participatie (onder andere Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en veiligheidsnormen) ter toetsing van zoekgebieden en ruimtelijke principes die inspiratie bieden voor de inpassing. De handreiking wordt samen gebruikt met de RES-viewer, en geeft met behulp van een stroomschema aan welke afwegingen doorlopen worden en welke ruimtelijke principes hierbij van toepassing kunnen zijn.

“We zoeken naar gebieden waar veel opgaven samenkomen én naar gebieden die juist leeg kunnen blijven.” Taco Kuijers, ruimtelijk ontwerper (bron: website Energieregio NHZ)

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

22

Gebiedsaanpak A9-zone Opwekking van hernieuwbare energie langs of in de buurt van infrastructuur is een veel voorkomende keuze in de deelregio’s. Hiervoor bestaat echter geen generieke aanpak. Een one size fits all-aanpak doet geen recht aan de landschappelijke context van de infrastructuur. Het is dus van belang om rekening te houden met de karakteristieken van zowel het landschap als van de infrastructuur. De A9-zone van Haarlem tot Alkmaar doorsnijdt een groot deel van de provincie. In deze zone hebben verschillende gemeenten zoekgebieden ingetekend direct gekoppeld aan, of in de directe omgeving van de snelweg. In een ontwerptraject zijn de (on)mogelijkheden van duurzame energieopwekking langs de A9 verkend. Het katern Thematafels geeft een toelichting op het proces en de volledige uitwerking van het traject

Principes Door gebruik te maken van overkoepelende ruimtelijke principes bij de concretisering, kunnen de landschappelijke kwaliteiten worden behouden en/ of bevorderd. Wanneer de inpassing van zonne- en/of windenergie op een

Landschapsbenadering

Zichtrelaties

Snelweglandschap

consistente en eenduidige manier gebeurt, kunnen de identiteit en samenhang van de A9-zone worden versterkt. Uit de verschillende werksessies is een aantal kansrijke principes naar voren gekomen:

voor een aantal knooppunten, vanuit het principe van ‘clustering’ interessant zijn om ook naar de ruimte direct rond het knooppunt te kijken voor energieopweklocaties. Bij verzorgingsplaatsen zijn ook veel restruimtes te benutten en bestaat tevens de mogelijkheid om parkeren te overkappen met zonnepanelen.

2. Benutten van geluidsschermen en -wallen. Langs de A9 ligt een aantal geluidsschermen en -wallen. Deze zijn goed te combineren met het opwekken van zonne-energie. Op deze locaties kan eventueel ook de berm van de A9 worden benut.

1. Benutten van restruimtes: knooppunten en verzorgingsplaatsen. Op en rondom knooppunten zijn veel kleinere en grotere restruimtes te vinden die met zonne- en/of windenergie kunnen worden gecombineerd. Naast de ruimte binnen de knoop kan het

3. Multifunctionele stedelijke randen. Ook bij de stedelijke randen langs de A9 liggen kansen om zonne-energie in te passen, bijvoorbeeld gecombineerd met het verbeteren van natuur- of recreatiewaarden.

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

23

Van ruimtelijke samenhang naar inpassing en ruimtelijke kwaliteit Naast ruimtegebruik en samenhang op (boven)regionaal niveau, is ook de ruimtelijke kwaliteit op projectniveau van belang. Voor alle zoekgebieden geldt dat na de vaststelling van de RES 1.0 moet worden bekeken hoe een duurzame opwek zo optimaal mogelijk in de omgeving kan worden ingepast. Daarbij gaat het ook om het zuinig gebruik van ruimte door meervoudig ruimtegebruik, en combinaties van hernieuwbare opwek met andere opgaven zoals biodiversiteit, waterhuishouding, recreatie of natuurontwikkeling. Bij nieuwe ontwikkelingen van hernieuwbare energie wordt ernaar gestreefd dat: • Nieuwe projecten de landschappelijke waarde en natuurwaarde van het gebied verbeteren. • Maatregelen worden getroffen om negatieve effecten op natuur en omgeving te compenseren of te verminderen, bijvoorbeeld door middel van een gebiedsfonds.

Samenhang met omliggende RES-regio’s De energietransitie vraagt om een integrale benadering en om een passende weging van belangen. Dat is nog van groter belang in gebieden die qua ruimtelijke kwaliteit uniek en kwetsbaar zijn. Zonder passende afstemming kan dit tot onsamenhangende keuzes leiden. Dit geldt ook voor gebieden die RES-regiooverstijgend zijn, zoals het IJsselmeergebied en het Groene Hart. Als RES-regio’s hebben we een verantwoordelijkheid om keuzes die regiooverstijgende effecten kunnen hebben, af te stemmen met omliggende RES-regio’s. Deze afstemming is gericht op een goede kwaliteit van de leefomgeving en op het voorkomen van afwenteling. Zowel in provinciaal beleid als in rijksbeleid (de Nationale Omgevingsvisie) wordt het belang van dit soort gebieden benadrukt. Voor dit soort regio-overstijgende gebieden wordt in samenwerking met de relevante overheidspartijen zoals het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Rijkswaterstaat gewerkt aan gedeelde uitgangspunten voor hernieuwbare energieopwekking.

RES 1.0

Advies jongeren:

“Creatief naar een nieuw normaal” We moeten niet in het verleden blijven hangen, maar een balans zoeken tussen ‘polderen’ en het halen van de klimaatdoelstellingen. De inpassing van duurzame energie kan creatiever om draagvlak te vergroten, zonder dat hierbij de doelgerichtheid uit het oog moet worden verloren. Jongeren kijken vooral naar meervoudig ruimtegebruik en het combineren van functies. Voor de inpassing van zonne-energie in het landschap moet op een planmatige manier gewerkt worden aan versterken van de biodiversiteit. Daarnaast moet er ruimte zijn voor innovatieve manieren van inpassing, zoals drijvende zonnevelden. Om de inpasbaarheid van windenergie te vergroten moet zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van locaties waar al sprake is van geluidshinder en ‘horizonvervuiling’. Je moet duurzame opwek overal tegenkomen. Ook op onverwachte plekken en in verrassende vormen.

Noord-Holland Zuid

24

Aansluiting bij het Groene Hart

Het advies bevat vijf hoofdpunten, die gebruikt kunnen worden in het concretiseringsproces van de zoekgebieden:

Het Groene Hart ligt deels in de RESregio Noord-Holland Zuid en neemt een uitzonderlijke positie in. Het is een internationaal uniek gebied, bestaande uit veel verschillende landschappen met bijzondere kwaliteiten. Het Groene Hart strekt zich uit over twee landsdelen, drie provincies en zeven RES-regio’s. De aanwezigheid van deze groene ruimte is belangrijk voor de leefbaarheid en het vestigingsklimaat van de gehele Randstad. Zowel in het provinciale beleid als in het rijksbeleid wordt het belang van dit gebied benadrukt. Het Groene Hart beslaat een deel van het zuidelijke deel van het RES NHZ-gebied: Aetsveldsepolder, Haarlemmermeer en Gooi en Vechtstreek.

1. Kijk over grenzen (zie het Groene Hart als een geheel). 2. Respecteer de verscheidenheid; investeer in ruimtelijke kwaliteit. 3. Verbind de energie-opgave aan andere grote opgaven en kom zo tot integrale gebiedsperspectieven. 4. Een goed georganiseerd energienetwerk helpt heldere ruimtelijke ontwikkeling – en omgekeerd. 5. Op naar het vervolg: gebruik de keuzeruimte in de zoekgebieden. Gebruikmakend van de RES-documenten is een poging gedaan zoekgebieden te vinden in de vorm van een serie van testbeelden en afwegingsprincipes. De testbeelden zijn bedoeld om grip te krijgen op de opgave op bovenregionale schaal, en om te laten zien dat een samenhangend beeld kán ontstaan en er dus iets te kiezen valt.

Het Bestuurlijk Platform Groene Hart heeft de drie PARK’s (Provinciaal Adviseurs Ruimtelijke Kwaliteit) gevraagd aan te geven hoe de zoekgebieden zich verhouden tot de kwaliteiten van het gebied en waar kansen liggen om de verschillende RES-plannen op elkaar af te stemmen, zodat deze elkaar versterken.

Dit advies geeft aanleiding om voor het verder concretiseren en uitwerken van de zoekgebieden de samenwerking met de andere omliggende energieregio’s en het Groene Hart vast te houden.

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

25

Energietransitie en het IJsselmeer Het IJsselmeer is in veel opzichten een waardevol gebied waarin veel maatschappelijke belangen samenkomen. Diverse RES-regio’s overlappen het IJsselmeergebied. Het Bestuurlijk Platform IJsselmeergebied (BPIJ) vormt in feite het bestuurlijke overlegorgaan voor het hele gebied. Het BPIJ heeft in een brief aan de RES-regio’s een aantal aanbevelingen gedaan. Deze aanbevelingen hebben de RES-regio's ter harte genomen. Zo is er structureel overleg en afstemming tussen de RES-regio's ontstaan en is het thema energietransitie door prominenter op de bestuurlijke agenda van het IJsselmeergebied gekomen. Tegelijkertijd is het belang van integrale afweging tussen de verschillende maatschappelijke opgaven en belangen verder toegenomen, evenals het benutten van koppelkansen.

Relevante thema’s De gebiedsagenda IJsselmeergebied heeft een samenhangend geheel van ambities, principes en een toekomstperspectief neergelegd. De claims op het IJsselmeergebied nemen toe vanuit de verschillende gebruiksfuncties en ontwikkelingen: • Duurzame energieopwekking: vanuit de verschillende RES’en wordt naar het IJsselmeergebied gekeken voor de opwek van

duurzame energie (met name zon). Dit betreft in de RES 1.0 zowel Noord-Holland Noord (combinatie van natuurontwikkeling en zonneenergie in het project Wieringerhoek) als NoordHolland Zuid (zoekgebieden van Amsterdam in het IJmeer). In de toekomst kunnen er vanuit de RES-trajecten (richting de RES 2.0) nieuwe energieprojecten in het IJsselmeergebied worden geïnitieerd of geschrapt. • Klimaatadaptatie: zoetwatervoorziening en waterveiligheid. De noodzakelijke maatregelen voor de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening hebben direct en indirect gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden en voor de ruimtelijke kwaliteit van het IJsselmeergebied (Deltaprogramma). • Natuur- en waterkwaliteit: met de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) projecten wordt toegewerkt naar een ecologisch gezond en toekomstbestendig watersysteem. De natuurmaatregelen raken soms recreatie en toerisme, scheepvaart, visserij, zoetwatervoorziening en de landschappelijke kwaliteiten. • Visserij: het streven is een duurzame visserij die in balans is met de productiviteit van het ecosysteem. Op termijn is het wenselijk duidelijkheid te creëren over het toekomstige areaal dat beschikbaar is voor de visserijsector. • Zandwinning: naar verwachting neemt in de toekomst de vraag naar zandwinning in het IJsselmeergebied toe. Beoogd wordt zandwinning optimaal te laten bijdragen aan de ruimtelijke

RES 1.0

kwaliteit van het gebied en de realisatie van diverse doelen in het IJsselmeergebied, zoals natuur en medegebruik. • Overige opgaven: verstedelijking (grootschalig Oostflank MRA/Amsterdam Bay Area, kleinschalig elders, krimp), scheepvaart (vaargeulen), recreatie en toerisme. Deze belangen kunnen elkaar ook in de weg zitten. Dit geeft een spanningsveld. Alle functies en ontwikkelingen volledig faciliteren en tegelijkertijd het door de Agenda IJsselmeergebied neergezette toekomstperspectief realiseren, is in de praktijk niet mogelijk (niet alles kan overal).

Benutten koppelkansen Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid om zorgvuldig met het IJsselmeer om te gaan. De opgave voor het IJsselmeergebied is om de energietransitie, klimaatverandering, ruimtelijke opgaven, economische ontwikkelingen en veranderende maatschappelijke wensen te verbinden. Het toekomstperspectief zoals geschetst in de Agenda IJsselmeergebied 2050 en de Energieverkenning IJsselmeergebied (2019) zijn hiervoor de leidraad. De RES’en gaan primair over het opwekken van duurzame energie, maar ook in RES-kader staat het belang centraal van de integrale afweging en het benutten van koppelkansen die in ecologisch, ruimtelijk en/of economisch opzicht meerwaarde kunnen opleveren.

Noord-Holland Zuid

26

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

27

Kw a

capaciteit in 2030 zal worden bereikt. Dit betekent een grote opgave, met veel nieuwe stations en uitbreidingen de komende jaren. Afstemming en samenwerking met de netbeheerder zijn essentieel om dit te realiseren.

Afwegingskader p ha d t s c ij k M a a u u rl b est

ui

k

Wat is een netimpactanalyse?

p ra e lij k ag & vla k

br

In Noord-Holland Zuid ligt een robuust netwerk van energieinfrastructuur, dat op dit moment echter niet meer in alle gebieden aan de huidige energievraag kan voldoen. Er is op de meeste stations wel netcapaciteit beschikbaar voor de opwekking van duurzame energie, maar het verbruik van elektriciteit stijgt de komende jaren fors in de sterk stedelijke regio die Noord-Holland Zuid is. Daardoor raakt de vraagkant steeds meer overbelast.

Sys te e

it ite t n

ntie cië effi m

2.4 Energieinfrastructuur

R ui

mt

e

ge

Uit de netimpactanalyse (bijlage 4) blijkt dat op 5 van de 57 stations een knelpunt ontstaat door duurzame opwek. Daar zijn uitbreidingen nodig om duurzame opwek aan te sluiten. Verder verwacht de netbeheerder in de regio Noord-Holland Zuid een zeer sterke groei in de energievraag. Het gevolg van deze toekomstige groei aan de vraagkant heeft als resultaat dat op 41 stations de maximale

RES 1.0

Een robuuste energie-infrastructuur is randvoorwaardelijk voor het realiseren van de ambities in de RES en het Klimaatakkoord. De netbeheerder bekijkt in hoeverre de ambitie voor duurzame opwek past bij de huidige energie-infrastructuur en doet aanbevelingen voor manieren waarop de ambitie van de regio voor 2030 daarop aangesloten kan worden. In deze paragraaf staan de belangrijkste uitgangspunten, stand van zaken en bevindingen van de netimpactanalyse van de netbeheerder voor Energieregio Noord-Holland Zuid (zie bijlage 4 Netimpactanalyse voor de hele analyse).

Noord-Holland Zuid

28

Ontwerpprincipes om het bestaande elektriciteitsnet zo slim en efficiënt mogelijk gebruiken De transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame energie betekent dat het elektriciteitsnetwerk moet worden verzwaard en uitgebreid. Dat is een gigantische operatie met een grote maatschappelijke impact. Een operatie die bovendien veel tijd, geld en mankracht kost. Het is onmogelijk om alle aanpassingen tegelijkertijd te doen. Om de doelstellingen voor 2030 te kunnen halen, is het belangrijk om zo efficiënt mogelijk te werk te gaan. Door het bestaande elektriciteitsnet slim te gebruiken, zijn er minder uitbreidingen en nieuwe transformatorstations nodig. Dit scheelt tijd, hectares aan schaarse ruimte en miljoenen aan (maatschappelijke) kosten die we anders terugzien op onze energierekening. Zo blijft de energietransitie haalbaar, betaalbaar en toekomstbestendig.

“Naast uitbreiding moet we kijken naar slimme oplossingen, zoals zonnevelden en windparken combineren. Als de zon hard schijnt, waait het meestal niet hard en andersom. Jocelyn Schaap, strategisch omgevingsmanager Liander (bron: website Energieregio NHZ)

RES 1.0

Om tot een efficiënte energietransitie te komen, gelden de volgende vijf ontwerpprincipes voor de energieinfrastructuur: 1. Benut de bestaande energie-infrastructuur optimaal. Sluit nieuwe projecten voor het opwekken van energie aan op plekken waar nu ruimte op het net is. 2.  Combineer opwek en verbruik. Plaats projecten voor het opwekken van energie in de buurt van plekken waar veel energie nodig is. Zo minimaliseren we het energietransport over lange afstanden. 3.  Zorg voor een constante productie van energie. Combineer zon en wind in een 50/50-vermogensverdeling, omdat zon en wind verschillende opwekpieken hebben. 4.  Cluster projecten voor duurzame opwek. Zet in op grootschalige projecten. Het is makkelijker om eenmalig aanpassingen te doen in een groot gebied, dan meerdere aanpassingen in kleinere gebieden. 5. Gebruik slimme technische oplossingen: cable pooling (zon- en wind combineren op één aansluiting), curtailment (beperken van de opwekpiek), redundantie loslaten (door gebruik te maken van de reservecapaciteit op stations).

Noord-Holland Zuid

29

Combineren van zon en wind Vanuit het oogpunt van systeemefficiëntie is het slim om de vraag zo dicht mogelijk bij het aanbod te realiseren. Ook zorgt een goede verdeling van zon en wind voor een efficiëntie benutting van het elektriciteitsnetwerk. Wind en zon kennen beiden een ander profiel. Omdat het elektriciteitsnet op vermogenspieken wordt aangelegd, is het terugleverprofiel van belang. Opwek via zon en wind komt zelden tegelijkertijd voor (zeer geringe momenten per jaar). De opwek van zon en wind sluiten dus goed op elkaar aan. De combinatie leidt daarmee tot lagere maatschappelijke kosten dan wanneer er alleen ingezet wordt op wind of zon, want door de combinatie hoeft de netbeheerder het elektriciteitsnet op minder plekken te verzwaren.

Wat is de huidige situatie van het elektriciteitsnet? In Noord-Holland Zuid groeit de vraag naar energie sterk: vanuit datacenters, elektrisch vervoer, industrie en de gebouwde omgeving. Bovendien worden in een deel van NoordHolland Zuid veel nieuwe woningen gebouwd. Het elektriciteitsnet raakt hierdoor op steeds meer plekken vol. Ook wordt veel zonne-energie opgewekt, zowel groot- als kleinschalig, waardoor er soms knelpunten in dit elektriciteitsnet ontstaan. Op dit moment is er in Noord-Holland Zuid niet overal voldoende ruimte op het elektriciteitsnet (zie afbeelding Beschikbare capaciteit op de volgende pagina). Dat geldt voor de vraag naar en op enkele locaties voor het terugleveren van elektriciteit. Wanneer er geen transportcapaciteit beschikbaar is voor het afnemen van stroom, betekent dit dat niet alle aanvragen hiervoor kunnen worden gerealiseerd. Hetzelfde geldt voor het terugleveren van stroom. De netbeheerders werken daarom hard aan het versterken van de energie-infrastructuur. Maar het tempo waarin nu zonneweides en zonnepanelen worden gerealiseerd, kan de netbeheerder niet bijhouden.

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

30

Beschikbare capaciteit op 18 februari 2021 Beschikbare capaciteit terugleveren

Beschikbare capaciteit afnemen

Geen transportcapaciteit beschikbaar Zeer beperkt transportcapaciteit beschikbaar

Beperkt transportcapaciteit beschikbaar Transportcapaciteit beschikbaar

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

31

Centrale energieproductie

Centrale energieproductie Een veranderend energiesysteem Van eenrichtingsverkeer (van grote elektriciteitscentrales naar gebruikers) naar tweerichtingsverkeer, waarbij op verschillende netvlakken duurzame energie wordt ingevoed. Het elektriciteitsnet is hier nog onvoldoende op aangepast, waardoor knelpunten ontstaan. Zo kan het voorkomen dat de kabel in de straat onvoldoende capaciteit heeft voor teruglevering door zon op dak terwijl een windpark in dezelfde gemeente wel kan worden aangesloten omdat er beschikbare capaciteit op het station is.

Landelijke netbeheerder Regionale netbeheerder

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

32

In 2019 is in opdracht van onder andere de provincie Noord-Holland en Liander een systeemstudie uitgevoerd. Deze studie had als doel een beeld te geven van de (energie) ontwikkelingen in de toekomst (voor 2020, 2030 en 2050) en de impact hiervan op de noodzakelijke infrastructuur. Een van de voornaamste conclusies is dat er twee tot vier keer zoveel capaciteit nodig is op het elektriciteitsnetwerk. En dat er naast elektriciteit ook duurzame gassen en warmte als energiedragers nodig zijn. Dit betekent dat er voor de netwerkbeheerders de komende jaren een grote opgave ligt voor de uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk. Daarnaast zijn in 2019 door Liander verdiepende scenariostudies uitgevoerd om een beeld te krijgen van de belasting van de elektra-infrastructuur. De studies zijn gemaakt in samenwerking met de meeste gemeenten uit de regio Noord-Holland Zuid. De belangrijkste conclusie van deze studies is dat binnen tien jaar het grootste gedeelte van de 57 stations in het elektriciteitsnet in de regio overbelast raken. Het gaat vooral om knelpunten in de afname van elektriciteit vanwege de snel toenemende vraag naar meer energie in de regio. De RES 1.0 heeft vooral impact op de teruglevering van energie op het net.

Om de energietransitie te faciliteren en aan de toenemende vraag naar capaciteit te kunnen voldoen, is het noodzakelijk om het elektriciteitsnet uit te breiden. De komende jaren moeten enkele nieuwe onderstations worden gebouwd, onder andere in Haarlem, Oostzaan, Weesp en nabij Schiphol.

Wat is de impact van de Regionale Energiestrategie 1.0? Liander heeft, in samenwerking met Stedin en TenneT, een analyse gemaakt van de impact van de RES 1.0 van Noord-Holland Zuid op het elektriciteitsnet. In onderstaande figuur is de netimpact gevisualiseerd voor de regio NoordHolland Zuid voor het jaar 2030 op de huidige bestaande elektriciteitsinfrastructuur. Het totale vermogen zon en wind uit het RES-bod bedraagt 2070 MW en de totale capaciteit van de onderstations bedraagt 2830 MW. Hieruit blijkt dat wanneer de duurzame projecten goed worden verdeeld, dit op stationsniveau past. Niet alles is evenredig verdeeld waardoor op vijf stations een knelpunt ontstaat door duurzame opwek (Uithoorn, Beverwijk, Uitgeest, Velsen en Edam).

RES 1.0

Verder wordt in de regio Noord-Holland Zuid een zeer sterke groei in energievraag verwacht. Deze is weergegeven in de rechter figuur. Het gevolg van deze toekomstige groei is dat op 41 stations in 2030 de maximale capaciteit zal worden bereikt (zie bijlage 4 Netimpactanalyse voor de hele analyse). De belangrijkste bevindingen uit de netimpactanalyse zijn: • Op 52 van de 57 stations in Noord-Holland Zuid is netcapaciteit beschikbaar voor het opwekken van duurzame energie. Bij vijf stations zijn extra uitbreidingen nodig om de duurzame opwek aan te kunnen sluiten. • In een aantal gebieden, zoals bijvoorbeeld rondom het Noordzeekanaal-gebied en rondom Amstelveen (zonneweides) kan nog systeemefficiëntie worden toegepast, zodat er minder ruimte en kosten nodig zijn om de projecten te realiseren. • Bij 41 stations zal de maximale capaciteit in 2030 worden bereikt door een sterke groei in de energievraag. • Ontwikkelingen in de vraag naar energie bepalen op de lange termijn grotendeels het toekomstige ontwerp van het netwerk. In de jaren tot en met 2030 zijn er 27 nieuwe stations en 29 verzwaringen van bestaande stations nodig.

Noord-Holland Zuid

33

Teruglevering 2030

Levering 2030

(Beperkt) capaciteit beschikbaar

16 stations

(Beperkt) capaciteit beschikbaar

16 stations

Maximale capaciteit bereikt

41 stations

Maximale capaciteit bereikt

41 stations

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

34

“Wind en zon zijn zo complementair, idealiter voeg je dat samen.” Deelnemer lokale bijeenkomst Amstelveen

De netwerkbeheerders voorzien de meeste benodigde uitbreidingen al in hun netplannen; de uitbreidingen en nieuwe transformatorstations die nodig zijn tot 2030 staan hierin en worden verkend of voorbereid. Nauwe samenwerking met de gemeenten en provincie bij het bouwen of uitbreiden van stations is cruciaal om de doelstellingen te halen. Het is belangrijk dat de gemeente meedenkt bij nieuwe locaties, bestemmingsplannen hierop aanpast, en de grond beschikbaar stelt. Ook het ontwerpen van de stations vereist gezamenlijke inspanning. Dit zijn de eerste stappen die met elkaar gezet moeten worden.

Wat gaat de energieregio doen? De omvangrijke investeringen in de infrastructuur van het elektriciteitsnet worden uiteindelijk door de inwoners en bedrijven betaald. Bovendien heeft infrastructuur zowel boven- als ondergronds een aanzienlijke ruimtelijke impact en kent de aanleg ervan lange doorlooptijden. Daarom zet de regio, naast de noodzakelijke uitbreidingen in het energienet, in op slim gebruik van het elektriciteitsnet. Op deze wijze zijn er minder kabels, uitbreidingen en nieuwe transformatorstations nodig, en draagt systeemefficiëntie bij aan een haalbare,

RES 1.0

betaalbare en toekomstbestendige RES. Dit betekent: 1. Er worden systeemefficiënte keuzes gemaakt. Dat scheelt tijd, geld en ruimte, zonder dat concessies in de ambitie nodig zijn. Bijvoorbeeld door het opwekpotentieel minimaal te verlagen in een aantal zoekgebieden, waardoor deze zoekgebieden wel binnen de huidig beschikbare transportcapaciteit vallen. Of door zon en wind te combineren op één aansluiting. Zo kan er meer opwek worden aangesloten op hetzelfde station dan met alleen zon. Op deze manier kan de ambitie gehaald worden zonder een groot aantal stations uit te breiden of nieuw te bouwen. De tijd- en ruimtewinst die hiermee worden behaald, helpen te versnellen op andere (opwek)locaties. 2. Het zon-op-dakpotentieel wordt gecoördineerd. Voor zon op dak is veel draagvlak, maar dit potentieel brengt enorme uitdagingen voor het elektriciteitsnet met zich mee. Begin eerst op daken die geclusterd liggen of waar een hoog constant verbruik van energie is. Dit zorgt voor minder kabels en minder transport van energie, doordat de opgewekte energie tegelijkertijd verbruikt wordt op deze locaties. Bedrijventerreinen zijn hiervoor, vanuit slim gebruik van het

Noord-Holland Zuid

35

elektriciteitsnet, in de regel een goed startpunt. 3. De energievraag rond mobiliteit, industrie en de gebouwde omgeving wordt scherper in kaart gebracht. Door dit te doen, kunnen er met meer zekerheid en concreetheid investeringen gedaan worden in het toekomstige netontwerp. 4. Zoekgebieden worden gezamenlijk verder geconcretiseerd in een regionaal uitvoeringsprogramma. Zo kan per zoekgebied worden vastgesteld wanneer de grootschalige opwek in het gebied kan worden aangesloten en wat de tijdslijnen daaraan vooraf zijn. Dit vergroot de haalbaarheid van de RES-doelstellingen.

2.5 Effecten Door de verschillende maatschappelijke en financiële effecten van energieprojecten in beeld te brengen, wordt het makkelijker om alternatieven of varianten te vergelijken. Het in beeld brengen van de effecten is geen doel op zich, maar kan helpen bij de verdere besluitvorming over de zoekgebieden. Effectbepaling tot de RES 1.0 In het traject tot de RES 1.0 heeft NoordHolland Zuid al op verschillende manieren aandacht besteed aan de effecten. Er is een onderzoek gedaan naar de effecten en de beoordeling van de effecten (directe economische effecten, indirecte economische

RES 1.0

effecten, kosten en exploitatie, effecten op natuur, landschap, ruimtegebruik en hinder en energieopwekking en -gebruik). Dit was een algemeen onderzoek, niet gericht op specifieke locaties. Vervolgens zijn de effecten op natuur, landschap, ruimtegebruik, kosten en opbrengsten van verschillende scenario’s in beeld gebracht. Dit hielp bij het vergelijken van de scenario’s en het komen tot de zoekgebieden. Daarnaast is in de conceptRES een beoordeling op hoofdlijnen van de effecten op natuur en landschap gemaakt op de schaal van de RES-regio. Voor de kosten en opbrengsten zijn in de concept-RES de aandachtspunten in beeld gebracht op het niveau van de RES-regio. Deze effectbeoordelingen sluiten aan bij het abstractieniveau van de conceptRES en de RES 1.0. Detailonderzoeken naar leefbaarheidseffecten zoals geluid, zicht, slagschaduw en ecologische veldonderzoeken, zijn nog geen onderdeel van de RES 1.0. Dergelijke onderzoeken zijn pas zinvol op lokale schaal, omdat deze afhangen van de precieze locatie en van de concrete scope van het project (zoals omvang, type windturbine, wijze van aanleg enz.). Deze onderzoeken zullen dan ook pas plaatsvinden in het kader van bijvoorbeeld het nader uitwerken van het zoekgebied, het opstellen

Het document van de expertsessies vindt u op de website van de energieregio.

Zie katern MER en milieueffecten.

Noord-Holland Zuid

36

“Bedrijven moeten gehoord en gesteund worden in de participatie voor concrete projecten. Alleen dan kunnen we de economische kansen die de energietransitie biedt benutten.” Olof van der Gaag, directeur van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE) en lid van de stuurgroep RES Noord-Holland Zuid (bron: website Energieregio NHZ)

van het omgevingsplan of in het kader van de omgevingsvergunning. Ook naar de effecten op de netinfrastructuur zijn al onderzoeken gedaan. Liander heeft zowel voor de concept-RES als voor de RES 1.0 een netimpactanalyse uitgevoerd (bijlage 4). Daarnaast hebben de provincies Noord-Holland en Flevoland onderzoek laten uitvoeren naar de werkgelegenheidseffecten in Noord-Holland. In aanloop naar de RES 1.0 is een aantal zoekgebieden verder onderzocht. Daarbij zijn voor enkele zoekgebieden ‘nulmetingen natuur en landschap’ gedaan, ‘effectenmatrices’ en ‘ruimtelijke impactstudies’ natuur en landschap uitgevoerd. Waar relevant zijn de uitkomsten verwerkt in de gebiedspaspoorten, zie hiervoor de RES-viewer. In het kader op de volgende pagina staat wat de wijzigingen ten opzichte van de concept-RES betekenen voor de effecten op het gebied van natuur, landschap, kosten en opbrengsten.

RES 1.0

Effectbepaling na de RES 1.0 Met de verdere concretisering van de zoekgebieden in de komende jaren richting de RES 2.0 en verder en de borging in omgevingsbeleid, zullen de maatschappelijk en financiële effecten en de effecten op de energie-infrastructuur, voor zover mogelijk en nodig, verder in beeld worden gebracht. Gemeenten kunnen voor deze beleidsafwegingen gebruikmaken van verschillende afwegingsmethoden. Belangrijke vragen daarbij zijn hoe en wanneer belanghebbenden worden betrokken en welke effecten van belang zijn. Zo zet de effectenmatrix de effecten alleen op een rij, worden in een multicriteria-analyse effecten ten opzichte van elkaar gewogen (gescoord), geeft een businesscase inzicht in de financiële gegevens en leidt een maatschappelijke kosten-batenanalyse tot inzicht in maatschappelijk rendement. Om de besluitvorming zo zorgvuldig mogelijk te laten plaatsvinden, zullen gemeenten moeten bepalen of en zo ja, welke afwegingsmethode ze het best kunnen toepassen tijdens de verschillende momenten van besluitvorming.

Noord-Holland Zuid

37

Gezondheidsaspecten en de RES

Verschil tussen de concept-RES en de RES 1.0: wat valt op voor de effecten natuur en landschap, en kosten en opbrengsten? Natuur en landschap Op het schaalniveau van de regio is iets te zeggen over de gewijzigde effecten op natuur en landschap. Ten opzichte van de concept-RES zijn in Noord-Holland Zuid enkele zoeklocaties voor wind- en zonne-energie afgevallen, zoals de Aetsveldsepolder, de Bloemendalerpolder, de Diemer Vijfhoek en het Gooimeer. Het afvallen van de zoeklocatie Gooimeer voorkomt negatieve effecten van windturbines op natuur, zoals voor de hierdoorheen lopende migratieroutes van vogels en vleermuizen. Het afvallen van de zoeklocatie voor windenergie Aetsveldsepolder is om het open zicht te handhaven. Het afvallen van de windlocaties Bloemendalerpolder behoudt open zicht op polders en zichtlijnen.

Kosten en opbrengsten De kosten en opbrengsten zijn sterk afhankelijk van de locatie en exacte uitwerking. Op het schaalniveau van de regio is het nog niet mogelijk iets te zeggen over de gewijzigde effecten op de kosten. Uit de netimpactanalyse is af te leiden dat de combinatie van opwek van wind- en zonneenergie een gunstig effect heeft op de kosten voor energie-infrastructuur. Dit komt met name door het efficiënt gebruik van de beschikbare ruimte in het elektriciteitsnetwerk. In het algemeen zullen voor de zoekgebieden de kosten en opbrengsten richting de RES 2.0 en verder nog in beeld gebracht moeten worden. Zoekgebieden met relatief hoge kosten worden niet op voorhand uitgesloten, hoewel dit de uitvoerbaarheid zal verkleinen. De keuzes hierin moeten op basis van een brede belangenafweging worden gemaakt. De netbeheerder heeft in de netimpactanalyse aanbevelingen gedaan om kosten en tijd te besparen.

RES 1.0

De RES is de uitwerking van een deel van de in het nationaal Klimaatakkoord gemaakte afspraken met als doelstelling de uitstoot van broeikasgassen substantieel te verlagen. De energietransitie, het stap voor stap overgaan van fossiele brandstoffen naar duurzame opwek van energie, zorgt hiermee ook voor een schonere en duurzamere leefomgeving. Zo wordt met het vervangen van bijvoorbeeld kolencentrales niet alleen CO2-uitstoot gereduceerd, maar ook de hoeveelheid stikstofdioxine, zwaveloxide en kwik. Het middel mag niet erger zijn dan de kwaal. Het opwekken van duurzame energie met zonneweides en windturbines, het verwarmen en koelen van gebouwen door het gebruik van warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater, mogen ons niet voor nieuwe gezondheidsrisico’s stellen. Daarom is hier bij het opstellen van de RES rekening mee gehouden (zie ook het katern thematafels). Dit geldt in het bijzonder voor de hinder en geluidsoverlast van windturbines. De hoeveelheid geluid die een windturbine produceert is afhankelijk van de windsnelheid, het bouwjaar en de hoogte van de turbine. Nieuwe windturbines produceren minder

Noord-Holland Zuid

38

geluid. Hogere turbines draaien langzamer en maken daardoor minder geluid. In de wet staat dat het geluid van een windturbine gemiddeld per jaar niet meer dan 47 decibel mag zijn, gemeten op de gevel van een woonhuis. ’s Nachts mag dit niet meer dan gemiddeld 41 decibel zijn. Ter vergelijking: het geluidsniveau van een gesprek is 60 decibel, dat van een drukke verkeersweg op 100 meter afstand is 80 decibel en van een opstijgend vliegtuig op 200 meter hoogte 100 decibel (zie informatieblad van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland). Voordat een vergunning voor een windturbine kan worden afgegeven, is het verplicht een onderzoek uit te voeren naar de geluidscontouren. In een vergunning kunnen voorwaarden worden gesteld aan de mate van hinder en kunnen maatregelen opgenomen worden om de hinder binnen bepaalde normen te houden. Hierbij mag het bevoegd gezag zoals de gemeente of provincie strengere normen hanteren dan wettelijk vastgesteld.

Veel mensen maken zich hierbij zorgen over het zogeheten laagfrequent geluid (lage tonen) van windturbines. Bij het opstellen van de RES wordt steeds weer gebruikgemaakt van de meest actuele inzichten. Op dit moment zijn dit vooral de studies uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). In Nederland leven we met relatief veel inwoners op een beperkte oppervlakte en accepteren we een bepaalde mate van hinder. Dat geldt voor bijna alles wat in de openbare ruimte wordt gedaan. Denk bijvoorbeeld aan de bouw van wegen en het bijkomende lawaai van wegverkeer. Via milieuwetgeving zijn normen gesteld aan de hoeveelheid geluid die windturbines mogen veroorzaken. Hiervoor wordt voor windturbines gebruikgemaakt van de in de Activiteitenregeling milieubeheer beschreven reken- en meetvoorschriften.

RES 1.0

Advies jongeren:

De wortel en de stok De energietransitie moet zichtbaarder zijn: “We moeten er bij wijze van spreken constant tegenaan lopen.” Wil de RES enige kans van slagen hebben, dan is het van groot belang dat de kosten en baten van de energietransitie duidelijk zijn voor burgers, bedrijven en andere stakeholders. Bovendien moet het lonen om nu in te stappen. De overheid moet burgers subsidiëren naar financiële draagkracht om te voorkomen dat burgers met meer financiële middelen ook meer profiteren van de energietransitie.

Noord-Holland Zuid

39

3

Regionale Structuur Warmte RES 1.0

Noord-Holland Zuid

40

Wat is de RSW?

Dit hoofdstuk bevat de Regionale Structuur Warmte (RSW) van Noord-Holland Zuid.

De RSW gaat niet in op koude. Dit komt mogelijk wel in gemeentelijke TVW’s aan bod

Eerst wordt de RSW geïntroduceerd. Vervolgens komen de bovengemeentelijke warmtebronnen, de warmtevraag en mogelijke warmte-infrastructuur aan de orde (3.1 tot en met 3.3). Daarbij wordt aandacht besteed aan de onderwerpen die samen de werkagenda vormen. Ook wordt ingegaan op de regionale samenwerking, de werkagenda en de wijze waarop gemeenten afstemmen over een mogelijke verdeling van bovengemeentelijke warmtebronnen (3.4). Tot slot worden de specifieke situaties in de deelregio’s toegelicht (3.5 tot en met 3.8).

In het Nationaal Klimaatakkoord is afgesproken dat in de RES ook aandacht wordt besteed aan warmte voor de gebouwde omgeving. Het deel van de RES dat over warmte gaat, heet de Regionale Structuur Warmte (RSW). De RSW beschrijft hoe de warmtevraag in de gebouwde omgeving en het potentiële aanbod van warmtebronnen die relevant zijn voor meerdere gemeenten in de regio, mogelijk aan elkaar gekoppeld kunnen worden. Dit zijn de zogenoemde bovengemeentelijke warmtebronnen. Meer specifiek gaat de RSW over bovengemeentelijke samenwerking en kennisuitwisseling op het gebied van warmtebronnen, warmtevraag en warmteinfrastructuur met als doel te voorkomen dat een warmtebron dubbel wordt geclaimd of juist onbenut blijft.

Wanneer is een warmtebron een potentiële bovengemeentelijke warmtebron? Een warmtebron kan als bovengemeentelijk worden aangemerkt als de warmte over afstand getransporteerd kan worden. Over het algemeen wordt gesteld dat dit het geval is bij warmtebronnen met temperaturen boven de 70 ⁰C. Dit is bijvoorbeeld het geval bij geothermie en restwarmte uit de industrie.

RES 1.0

“Warmtetransitie is de meest complexe opgave – we moeten zo snel mogelijk beginnen.” Arie-Willem Bijl, warmteregisseur MRA Warmte- & Koudeprogramma (bron: website Energieregio NHZ)

Noord-Holland Zuid

41

De afstanden tussen bron en afnemer kunnen niet te groot zijn vanwege de warmteverliezen die optreden tijdens het transport. Daarnaast is mogelijk sprake van bovengemeentelijke potentie bij een bron met temperaturen tussen 40-70 ⁰C met overcapaciteit die lokaal niet benut kan worden. Bronnen met temperaturen onder de 40 ⁰C (zoals aquathermie en de buitenlucht), of bronnen die lokaal aanwezig zijn of lokaal kunnen worden gerealiseerd (zoals zonthermie of biowarmte), zijn minder geschikt voor regionaal transport. Toch wordt een aantal van deze bronnen (zoals aquathermie en restwarmte van datacenters) in de RSW 1.0 behandeld, omdat ze met de tijd wel bovengemeentelijk relevant kunnen worden. Naast het in kaart brengen van de warmtevraag, warmtebronnen en warmteinfrastructuur, gaat de RSW 1.0 in op de volgende twee onderdelen: Gespreksleidraad De gespreksleidraad geeft een overzicht van onderwerpen waarop gemeenten, waterschappen en provincie afstemming kunnen organiseren bij bovengemeentelijke

verdelingsvraagstukken in de warmtetransitie. Het doel hiervan is om gemeenten, waterschappen en provincie te helpen bij het maken van toekomstige afspraken over warmtebronnen. Door vroegtijdige afstemming op regionaal niveau kunnen partijen sturen op optimale benutting van een bovengemeentelijke warmtebron. De gespreksleidraad wordt in paragraaf 3.4 behandeld. Werkagenda Er is behoefte in de regio om op concrete onderwerpen stappen te zetten. Daarom hebben de deelregio’s gezamenlijk een werkagenda opgesteld om de regionale samenwerking te zoeken. De gemeenten hebben de regie, maar samenwerking tussen veel verschillende partijen is nodig om de complexe warmtetransitie te realiseren. De stappen in de werkagenda gaan in op samenwerking, kennisdeling, onderzoeken en studies op specifieke thema’s en op het gesprek met marktpartijen. Dit biedt een handelingsperspectief voor de gemeenten in de energieregio Noord-Holland Zuid op weg naar de RSW 2.0. De werkagenda wordt in paragraaf 3.4 verder toegelicht.

RES 1.0

RSW 1.0 is een tussenstap De RSW geeft een eerste inzicht in de warmte-vraag per gemeente, het warmteaanbod in de regio van bovengemeentelijke warmtebronnen en de (regionale) warmte-infrastructuur. Op het moment van schrijven (maart 2021) zijn onderzoeken naar beschikbaarheid en potentie van duurzame bronnen zoals geothermie of aquathermie, of de bijdrage van restwarmte vanuit de industrie, nog niet afgerond. Ook zitten veel gemeenten nog midden in het proces om tot een Transitievisie Warmte (TVW) te komen; in vier gemeenten is de TVW vastgesteld door de gemeenteraad emeenteraad: Amstelveen, Amsterdam, Edam-Volendam en Wormerland. (De status van, en de gemeentelijke visie op de TVW’s is opgenomen in bijlage 3.)

Noord-Holland Zuid

42

Relatie RES en wisselwerking met de TVW en WUP

Conform afspraken in het Klimaatakkoord.

De TVW’s worden binnen vijf jaar herijkt, de RSW zal tegelijk met de RES elke twee jaar herijkt worden. De volgende stap op regionaal niveau ligt in 2023 met de RES/RSW 2.0.

De RSW maakt geen keuze in welk type warmtevoorziening waar wordt toegepast, dat doen gemeenten in hun transitievisies warmte (TVW’s). De gemeenten stellen de TVW volgens planning uiterlijk eind 2021 vast. Daarna gaan gemeenten aan de slag met het opstellen van (wijk)uitvoeringsplannen (WUP’s). In de WUP ontwikkelen gemeenten, samen met de partijen en inwoners die een rol spelen in de warmteketen in die wijk, een aanpak voor de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving op wijkniveau. De RSW, TVW en WUP beïnvloeden elkaar, dit is de interactie die plaatsvindt tussen de lokale en regionale schaalniveaus. Hiernaast staat een schematische weergave van de interactie die plaatsvindt tussen de diverse schaalniveaus. Het katern RES-proces bevat een overzicht van de stakeholders die zijn betrokken in het proces om te komen tot de RSW 1.0.

Deze afbeelding toont de samenhang tussen de verschillende niveaus binnen de warmtetransitie

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

43

Draagvlak en participatie zijn een aandachtspunt Voorwaarde voor een succesvolle warmtetransitie zijn maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak en lokale participatie. Elke gemeente vult dit participatieproces op haar eigen manier in, om zo het draagvlak naar een aardgasvrije samenleving te kunnen vergroten en het gebruik van aardgas naar 2050 toe te kunnen uitfaseren. Besluitvorming RSW in de RES 1.0 De RSW wordt als onderdeel van de RES 1.0 vastgesteld door alle gemeenteraden, algemeen besturen van de waterschappen en Provinciale Staten. Met deze vaststelling leggen de betrokkenen voor het thema warmte vast over welke onderwerpen zij onderling het gesprek aangaan bij de verdeling van warmtebronnen met bovengemeentelijke potentie om gezamenlijk tot de meest optimale inzet te komen. Het inzicht dat daarmee ontstaat, helpt om zo optimaal mogelijk gebruik te maken van de warmtebronnen in de regio. Gedurende de gehele warmtetransitie kunnen inzichten steeds verder aangescherpt worden door het verder ontwikkelen van technieken, meer kennis en inzicht over warmtebronnen en verdere vorming van de warmtetransitie binnen gemeenten.

Warmtebronnen

3.1 Warmtebronnen Om te bepalen of er mogelijkheden liggen voor regionaal warmtetransport is inzicht nodig in de aanwezige warmtebronnen, het mogelijke overschot aan warmte in een gebied en de warmtevraag die bediend kan worden door het aanwezige warmteaanbod. In deze paragraaf worden de beschikbare bovengemeentelijke warmtebronnen beschreven. Onder elke (potentiële) bovengemeentelijke warmtebron wordt aangegeven hoe gemeenten in NoordHolland Zuid de samenwerking rond deze warmtebron de komende periode vormgeven. Dit zijn de onderdelen van de werkagenda.

RES 1.0

De concept-RSW, opgenomen in de conceptRES, heeft laten zien dat er in de regio NoordHolland Zuid een grote verscheidenheid aan warmtebronnen aanwezig is. In de meeste gevallen zullen warmtebronnen zo lokaal mogelijk worden ingezet om – vanwege de afstand tot de bron – onnodig transport en hoge kosten te voorkomen. In sommige gevallen is echter meer vermogen beschikbaar dan nodig is in de gemeente, is de temperatuur niet geschikt voor de lokale warmtevraag, of ligt de bron nabij vastgoed in een andere gemeente. In deze gevallen kan het de meest optimale keuze zijn om de warmte naar één of meerdere nabijgelegen gemeenten te transporteren. Bij de beschrijving van de bovengemeentelijke warmtebronnen in de regio Noord-Holland Zuid, maakt de RSW onderscheid tussen potentieel generieke warmtebronnen en specifieke warmtebronnen. Generieke warmtebronnen zijn relevant voor grote delen van de regio Noord-Holland Zuid. Dit zijn de volgende – potentiële – bronnen: geothermie, restwarmte uit industrie, verbranding van vaste biogrondstoffen, restwarmte uit datacenters, aquathermie en hernieuwbaar gas (groen gas, waterstofgas).

Noord-Holland Zuid

44

 Dit wordt onderzocht vanuit de landelijke Seismische Campagne Aardwarmte Nederland (SCAN) van EBN/ TNO, met extra financiering vanuit de provincies Noord-Holland en Flevoland. Een deel van de activiteiten heeft plaatsgevonden in het najaar van 2020, het tweede en laatste deel is gepland voor april tot en met september 2021

Specifieke bovengemeentelijke warmtebronnen zijn bronnen die voor een aantal gemeenten of zelfs deelregio’s relevant zijn. Dit betreffen: Afval Energie Bedrijf (AEB), de Diemercentrale en de leidingen van de Watertransportmaatschappij RijnKennemerland (WRK-leidingen). De specifieke bovengemeentelijke warmtebronnen worden in tekstkaders nader toegelicht.

Geothermie Wat is geothermie en is het beschikbaar? Geothermie (aardwarmte) maakt gebruik van warmte uit de (diepe) ondergrond. Of warmte uit de diepe ondergrond winbaar is, is afhankelijk van de lokale eigenschappen van de aardlagen. Het is op dit moment in grote delen van de regio nog niet bekend of en zo ja, hoeveel warmte uit geothermie beschikbaar is in de regio Noord-Holland Zuid (zie ook het figuur hiernaast). Om dit vast te stellen wordt momenteel onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van geschikte aardlagen. De resultaten hiervan zijn naar verwachting eind 2021/begin 2022 bekend. Meer technische informatie over geothermie staat in bijlage 3.

De technische potentie van geothermie in de regio Noord-Holland Zuid In de regio zijn nog weinig data over de ondergrond beschikbaar. Met onderzoeken als SCAN wordt de potentie verder in kaart gebracht.

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

45

Adviezen Commissie MER, 17 september 2020

Om de geschiktheid van de ondergrond definitief vast te stellen zijn naast aanvullend onderzoek ook kostbare proefboringen vereist. Aan de hand van die onderzoeken is definitief vast te stellen welke bovengrondse locaties ook ondergronds geschikt zijn voor aardwarmte. Dit is van belang omdat een geothermiebron aan de oppervlakte relatief weinig ruimte vraagt, maar in de ondergrond wel een groot gebied beslaat dat zich kan uitstrekken over (onder) gemeentegrenzen. Daarnaast is niet ieder gebied geschikt of wettelijk toegankelijk voor proefboringen en winning van aardwarmte. Er moet aan zeer strenge eisen worden voldaan. Zo zijn bijvoorbeeld natuurgebieden of drinkwaterbeschermingsgebieden uitgesloten. Geothermie vraagt daarom al snel om bovengemeentelijke samenwerking. Daarnaast hechten de gemeenten in de regio aan veiligheid en zorgvuldig omgevingsmanagement.

De businesscase van een geothermieproject heeft zo’n 4.000 tot soms wel 8.000 woningequivalenten op een warmtenet nodig voordat het financieel haalbaar is. De financiële haalbaarheid van een geothermiebron is daardoor afhankelijk van een georganiseerde warmtevraag en de ontwikkeling en groeistrategie van het warmtenet. Een concentreerde warmtevraag in de nabijheid van een geschikte productielocatie biedt de beste uitgangspunten. Geothermie in Noord-Holland Zuid De regio kent een gerealiseerd geothermieproject bij Floricultura in Heemskerk dat al enige tijd warmte produceert. Deze warmte wordt ingezet in de glastuinbouw. In sommige gebieden is geothermie zelfs de enige mogelijke grootschalige, duurzame bron, bijvoorbeeld bij Greenport Aalsmeer. De provincies Noord-Holland en Flevoland zijn samen met de gemeenten Amsterdam en Haarlem, Energiebeheer Nederland (EBN) en zes marktpartijen (Vattenfall, Eneco, Engie, HVC, Shell en Eavor) een samenwerkingsovereenkomst aangegaan voor het benutten van geothermie in de regio. Ook andere gemeenten en warmtebedrijven kunnen zich bij deze lopende overeenkomst

RES 1.0

aansluiten. Met deze overeenkomst willen de partijen bijdragen aan de ontwikkeling van transparantie, vertrouwen en draagvlak voor aardwarmte in de MRA. In de regio Noord-Holland Zuid lopen aanvragen voor opsporingsvergunningen bij het ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Een opsporingsvergunning dient als een soort marktordening voor een bepaald gebied voor een bepaalde tijd. Zolang een (rechts)persoon een opsporingsvergunning is toegekend en zolang deze geldig is, kan alleen iemand anders opsporingsactiviteiten uitvoeren in het gebied waar de opsporingsvergunning voor geldt. D4 en Shell hebben een aanvraag ingediend voor een project in Zuid-Holland-Noord, waar ook een deel van de gemeente Haarlemmermeer binnen het opsporingsgebied valt. Ook is door HVC, Vattenfall en de gemeente Almere een opsporingsvergunning aangevraagd om een deel van het warmtenet Amsterdam Zuidoost/ Almere mee te verduurzamen. HVC heeft een opsporingsvergunning toegekend gekregen om de potentie in de IJmond-gemeenten in kaart te brengen. Voordat tot winning overgegaan kan worden zal onder andere ook een winningsvergunning toegekend moeten zijn.

Noord-Holland Zuid

46

Werkagenda • Actie: mogelijkheid tot aansluiten bij bestaande samenwerkingsovereenkomst. • Toelichting: gemeenten met een ambitie op het gebied van geothermie kunnen zich aansluiten bij de samenwerkingsovereenkomst. De provincie Noord-Holland faciliteert deze samenwerking en faciliteert kennisuitwisseling.

Restwarmte uit industrie Wat is restwarmte en is het beschikbaar? Restwarmte is warmte uit bedrijfs- en industrieprocessen die nu als afval naar de lucht of in het water wordt geloosd. Hoewel de oorsprong van die warmte op dit moment nog vaak uit fossiele verbranding komt, blijft het een restproduct dat nuttig kan worden ingezet. Een (gedeeltelijke) overstap naar het gebruik van duurzame bronnen zoals groene waterstof, (ultradiepe) geothermie, duurzame biomassa en elektrificatie, maakt de oorsprong van restwarmte steeds duurzamer. Naarmate de bron van de restwarmte verduurzaamt, wordt ook het gebruik van de restwarmte wenselijker.

Voordelen van restwarmte uit de industrie zijn dat de ruimtelijke impact ervan klein is en dat bij temperaturen boven de 70⁰C een negatieve impact op het elektriciteitsnetwerk wordt vermeden (omdat noodzaak tot elektrificatie van verwarming vermeden wordt). Restwarmte uit industrie in Noord-Holland Zuid De industriële sector in Noord-Holland Zuid onderzoekt met zijn Cluster Energie Strategie (CES) of (op lokale schaal) restwarmte beschikbaar gemaakt kan worden voor de gebouwde omgeving . De industrie stuurt volgens het principe van de trias energetica eerst op het besparen van energieverbruik, daarna op de efficiëntie van het eigen energieverbruik en ten slotte op intern hergebruik van de eigen restwarmte. Enkel de warmte die hierna nog over is, kan eventueel ingezet worden voor de gebouwde omgeving. Hierdoor kan niet bij voorbaat gerekend worden op een grote regionale impact op de warmtevoorziening. In de regio Noord-Holland Zuid zijn twee bronnen aanwezig die mogelijk een rol gaan spelen bij het vraagstuk over bovenregionale warmte. Dit zijn Afval Energie Bedrijf Amsterdam (AEB) en de Diemercentrale.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://beemsterraadsinformatie.purmerend.nl/api/v1/meetings/1358/documents/17687