CConstaterende datBeemster
Koppel je AI →
Document · PDF

RES NHZ 1.0.pdf

Raadscommissie 19 mei 2021, gemeente BeemsterBij agendapunt: 8: Voorstel tot het vaststellen van de Regionale Energie Strategie Noord-Holland Zuid 1.0.33.832 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

RES 1.0

Deze bronnen worden onder de werkagenda bij dit onderdeel nader toegelicht. Het leidende principe voor gemeenten ten aanzien van het benutten van restwarmte uit industrie is ‘beter benut dan onbenut’. Een onderliggende veronderstelling (te toetsen in de tijd) is dat de energie-intensieve industrie in de regio altijd zal blijven zorgen voor benutbare restwarmte. Werkagenda • Actie: gemeenten willen met bestuursplatform Noordzeekanaalgebied (NZKG) in gesprek. • Toelichting: met het bestuursplatform NZKG wordt het gesprek aangegaan om een concreet bod en de voorwaarden (zoals leveringszekerheid) voor het benutten van restwarmte op te nemen in de CES en de gemeenten daarover gedurende de totstandkoming van de CES te informeren. Zo kunnen gemeenten in de vaststelling en uitwerking van de TVW’s en de voorbereiding van de RSW 2.0 anticiperen op de reële potentie van het benutten van de restwarmte uit de industrie.

Noord-Holland Zuid

47

Potentiële (rest) warmtebronnen in de regio Noord-Holland Zuid Het merendeel van deze bronnen heeft vooral lokale potentie. De (rest) warmtebronnen zijn gecategoriseerd naar drie temperatuurniveaus, te weten: hoge temperatuur, middentemperatuur en lage temperatuur. Bij de grote industrie en biowarmteinstallaties zullen hoge temperaturen vrijkomen, datacenters leveren juist een lage temperatuur aan restwarmte.

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

48

Specifieke bovengemeentelijke warmtebron: AEB Amsterdam/Warmtenet Amsterdam West Noord Bij Afval Energie Bedrijf Amsterdam (AEB) ontstaat restwarmte als bijproduct van de verbranding van afval. Het AEB is een van de bronnen die de basislast van het warmtenet Amsterdam West Noord levert. De capaciteit voor het leveren van warmte van het AEB wordt nog niet volledig benut en de onbenutte capaciteit kan van betekenis zijn voor de deelregio’s Amsterdam, Haarlemmermeer en Zaanstreek/Waterland. Het AEB is daarom een specifieke bovengemeentelijke warmtebron. Vanwege de hoge temperatuur is deze bron bij uitstek geschikt voor bestaande bouw. Realisatie van de bovengemeentelijke potentie krijgt vorm via de uitbreiding van het bestaande warmtenet. Het streven is om de emissies van CO2 sterk te reduceren met de beoogde start van CO2-afvang in 2026. Gemeenten vinden het verduurzamingsperspectief van deze bron op lange termijn langs twee lijnen belangrijk: steeds betere benutting van herbruikbare afvalfracties en ontwikkeling van nieuwe duurzame warmtebronnen.

Werkagenda • Actie: warmtenet Amsterdam West Noord biedt mogelijk potentie voor TVW Haarlemmermeer en Zaanstad. • Toelichting: mocht uit de TVW’s van Haarlemmermeer en Zaanstad blijken dat er, naast lokale warmtebronnen, ook gekeken moet worden naar bovengemeentelijke warmtebronnen, dan zou het warmtenet Amsterdam West Noord hiervoor een optie kunnen zijn. Met name voor de gemeenten Amsterdam, Haarlemmermeer en Zaanstad kan het om die reden nuttig zijn om met het AEB in gesprek te gaan over de verduurzamingsstrategie en de gevolgen daarvan voor de warmteleveringspotentie. Bij het gesprek over het gebruik van de warmte is de betaalbaarheid van de businesscase en de snelheid waarmee een warmteproject uitgevoerd kan worden belangrijker dan de gemeentegrens. Specifieke bovengemeentelijke warmtebron: Diemercentrale/Warmtenet Amsterdam Zuidoost/Almere De gasgestookte elektriciteitscentrale van de Diemercentrale produceert ook warmte. De capaciteit van de Diemercentrale wordt nog niet volledig benut en de nog onbenutte warmte kan van betekenis zijn voor de

RES 1.0

De basislast warmte van het warmtenet Amsterdam West Noord wordt geleverd door het Afval Energie Bedrijf in Amsterdam West. Het betreft een Afval Verbrandings Installatie (AVI). Daarnaast levert het AEB hernieuwbare warmte van twee biomassa-installaties (BEN en BEC). Naast het AEB levert ook Orgaworld warmte, zij maakt met behulp van vergisting biogas en maakt hiermee warmte en elektriciteit in een WKK. Daarnaast voedt de Hemwegcentrale ook warmte in (uit aardgas). De warmte wordt door middel van een primair leidingnet getransporteerd naar de verschillende warmtegebieden. De warmte wordt geleverd aan Amsterdam NieuwWest, industriegebied Westpoort, woonwijk Houthavens en via een transportleiding onder het Noordzeekanaal aan Amsterdam-Noord.

De basislastwarmte bestaat uit restwarmte van twee warmtekrachtcentrales op de productielocatie te Diemen. De warmte wordt door middel van een primair leidingnet getransporteerd naar de verschillende warmtegebieden in Amsterdam Zuidoost en Almere. Voor back-up en pieklevering zijn op verschillende locaties in het net gasgestookte hulpwarmtecentrales geplaatst.

Noord-Holland Zuid

49

Kijk hier voor alle datacenterlocaties

deelregio’s Amsterdam, Amstelland en Gooi en Vechtstreek (en buiten deze RES-regio ook Almere). De Diemercentrale is daarom een specifieke bovengemeentelijke warmtebron. De restwarmte van de Diemercentrale wordt niet door iedereen als duurzaam gezien vanwege de fossiele bron die de centrale voedt, maar ook voor deze restwarmtebron geldt: ‘beter benut dan onbenut’. De Diemercentrale kan worden gezien als een transitiebron die de aanleg van warmtenetten mogelijk maakt en waarbij in de toekomst duurzame bronnen aangesloten kunnen worden. Vanwege de hoge temperatuur is deze bron bij uitstek geschikt voor bestaande bouw. Realisatie van de bovengemeentelijke potentie krijgt vorm via de uitbreiding van het bestaande warmtenet. Werkagenda • Actie: de Diemercentrale biedt mogelijk potentie voor Amsterdam, Almere, Diemen en Ouder-Amstel. • Toelichting: de gemeenten Amsterdam, Almere, Diemen, Ouder-Amstel en Amstelveen gaan met Eneco en Vattenfall in gesprek over de warmteleveringspotentie en de transitiestrategie naar duurzame bronnen. Bij het gesprek over het gebruik

van die warmte is de haalbaarheid van de businesscase en de snelheid waarmee een warmteproject uitgevoerd kan worden belangrijker dan de gemeentegrens.

Restwarmte uit datacenters Wat is restwarmte en is het beschikbaar? Restwarmte uit datacenters is warmte die overblijft bij (industriële) processen. In met name de deelregio’s Amsterdam, Haarlemmermeer en Amstelland zijn datacenters een kansrijke en mogelijke bovengemeentelijke warmtebron. De locaties van datacenters voor restwarmte staan in de afbeelding op pagina 45. Op lagere temperatuur (rond de 40°C) kunnen datacenters (op lokale schaal) nieuwbouw uitstekend verwarmen. Bij lagere temperaturen restwarmte is opwaardering middels industriële warmtepompen nodig. Deze opwaardering vraagt om elektriciteit en wordt daarom idealiter gerealiseerd nabij een onderstation met beschikbare capaciteit. De ontwikkeling van een datacenter als warmtebron vraagt om een goede samenwerking tussen ontwikkelaar, warmtebedrijf en het datacenter.

RES 1.0

Restwarmte uit datacenters in Noord-Holland Zuid De realistische en economische potentie van deze bronnen is in de praktijk kleiner dan de theoretische potentie, maar in de regio Noord-Holland Zuid zijn praktijkvoorbeelden te vinden. Zo wordt gewerkt aan de warmtelevering van een datacenter in de Haarlemmermeer aan een woonwijk in Haarlem, en is er in Aalsmeer een datacenter aangesloten op een Integraal Kind Centrum (brede school), bedrijven, een zwembad en sportcentrum. Meer technische informatie over restwarmte uit datacenters vindt u in bijlage 3.

Energy hub Aalsmeer

Werkagenda • Actie: de betreffende overheden gaan gezamenlijk beleid uitwerken voor gebruik van restwarmte van datacenters. • Toelichting: de gemeenten Amsterdam, Amstelveen, Aalsmeer, Almere, Haarlem en Haarlemmermeer werken aan een (gemeenschappelijk) beleid ten aanzien van de vestiging en het gebruik van restwarmte uit datacenters. Dit beleid is in Haarlemmermeer vastgesteld. Ook in de brede context van de MRA wordt gewerkt aan een MRA-strategie voor datacenters. Dat kan een opmaat zijn voor een gelijk speelveld in de regio voor de benutting

Noord-Holland Zuid

50

van restwarmte uit datacenters. Omdat deze warmtebron relatief nieuw is en de reële potentie nog onvoldoende in beeld, kan veel geleerd worden uit de lokale beleidsontwikkeling en de dialoog die nu plaatsvindt met de markt in bijvoorbeeld Amsterdam en Haarlemmermeer.

Aquathermie

Dit wordt veroorzaakt door de benodigde inzet van warmtepompen om de warmte naar het juiste temperatuurniveau te brengen.

Wat is aquathermie en is het beschikbaar? Aquathermie gaat over het gebruik van warmte uit water. Dat kan oppervlaktewater zijn, zoals kanalen, rivieren en meren, maar ook warmte uit drinkwater of afvalwater uit het riool. Aquathermiebronnen hebben een lage brontemperatuur, ongeveer 20⁰C in de zomer. Deze bronnen worden veelal gecombineerd met seizoensopslag van warmte en koude (WKO) in de bodem. Hierdoor kan de zomerse warmte in de winter benut worden. Het voordeel van aquathermie is dat er ook koude geleverd wordt. Voor warmtelevering verhogen warmtepompen de brontemperatuur naar gebruikstemperatuur. Om onnodig warmteverlies te voorkomen kan dat het best zo dicht mogelijk bij de woning gebeuren. Afhankelijk van de mate van isolatie van de afnemer, dient de bronwarmte opgewaardeerd te worden naar 45⁰C (voor goed geïsoleerde woningen) of naar 70⁰C

(voor matig geïsoleerde woningen). Meer technische informatie over aquathermie vindt u in bijlage 3. Het onttrekken van warmte verlaagt de watertemperatuur. Eerste resultaten van onderzoek van Waternet laten zien dat deze effecten bij thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) op grotere wateren (bijvoorbeeld de Amstel) verwaarloosbaar zijn indien de in- en uitlaatpunten meer dan enkele honderden meters uit elkaar liggen. In het geval dat warmte onttrokken wordt uit leidingen, zoals de WRK-leidingen, is meer interferentie te verwachten. Ook hier wordt door Waternet onderzoek naar gedaan. Het is mogelijk om de lage temperaturen van aquathermie met een industriële warmtepomp naar een hogere temperatuur op te waarderen. Dit kan het best zo dicht mogelijk bij de eindgebruiker plaatsvinden om warmteverlies zo veel mogelijk te voorkomen. De impact van deze opwaardering op het elektranet zal groot zijn en vraagt dus om tijdige afstemming en samenwerking met de netbeheerder. Gemeenten willen hiervoor in gesprek met waterbeheerders, zeker op die plekken waar schaarste wordt voorzien.

RES 1.0

“De waterschappen zitten zelf ook in transitie. Vroeger ging het alleen om droge voeten en schoon water. Intussen zitten we bovenop de ontwikkeling van aquathermie”. Thea Fierens, bestuurder Hoogheemraadschap Rijnland (bron: website Energieregio NHZ)

Noord-Holland Zuid

51

 Adviezen Commissie MER, 17 september 2020

Aquathermie in Noord-Holland Zuid Aquathermie heeft theoretisch een hoge potentie in waterrijk Noord-Holland Zuid . Maar om de reële potentie te bepalen is nader onderzoek nodig. Daarbij is ook aandacht nodig voor de ecologische impact (positief en negatief) van het onttrekken van warmte uit water. Waterschappen en gemeenten hechten veel waarde aan het voorkomen van negatieve ecologische effecten en de CO2emissiereductie bij de inzet van aquathermie. Werkagenda • Actie: overheden willen gezamenlijk de potentie van aquathermie (laten) onderzoeken. • Toelichting: waterschappen, provincie en gemeenten nemen gezamenlijk het initiatief om het reële en economische potentieel van (bovengemeentelijke) aquathermie te onderzoeken, met name TEO. De waterschappen hebben samen met Stowa, het kenniscentrum voor de waterschappen, inzicht gegeven in het technisch potentieel van het watersysteem. Het economisch potentieel is sterk afhankelijk van lokale factoren en zal per project verschillen.

Specifieke bovengemeentelijke warmtebron: WRK-leidingen De grootschalige Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland-leidingen (WRK-leidingen) zijn proces- en drinkwaterleidingen. Deze vorm van aquathermie is alleen beschikbaar in de deelregio’s waar de leidingen lopen en is daarom een specifieke bovengemeentelijke warmtebron. De WRK-leidingen zijn in beperkte mate warmtebronnen, maar vooral interessant als mogelijke transporteurs van warmte: warmte kan via deze leidingen worden getransporteerd. Over de benutbaarheid van deze mogelijkheid is nog veel onduidelijk. De benutbaarheid van de leidingen wordt bepaald door de ecologische impact van het gebruik van de warmte (de injectietemperatuur in de waterwingebieden mag geen negatieve ecologische effecten hebben) en de fysieke beperkingen van de leidingen. Ook kan de afstand tussen vastgoed en de WRK-leiding een knelpunt opleveren voor de businesscase indien deze te groot is. Net als bij andere vormen van aquathermie zal de impact op het elektriciteitsnet bij gebruik van warmte uit de WRK-leidingen groot zijn door de benodigde inzet van warmtepompen om de warmte naar het juiste temperatuurniveau te brengen.

RES 1.0

De gemeente Heemstede, Waternet en de WRK hebben een intentieverklaring getekend voor het benutten van de WRK-leidingen. Werkagenda • Actie: gemeenten vragen WRK-directie werkconferentie voor te bereiden. • Toelichting: gemeenten vragen de WRKdirectie, met als deelnemers Waternet en PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland (PWN), als de beheerders van de WRKleidingen in de regio Noord-Holland Zuid, om een werkconferentie voor te bereiden. Hierbij worden alle gemeenten langs de WRK-leidingen uitgenodigd. In die conferentie worden de randvoorwaarden voor het gebruik van de WRK-leidingen aangegeven en worden gemeenten uitgenodigd om initiatieven in te brengen. Bij het gesprek over het gebruik van de benutbare ruimte in de WRK-leidingen zullen ook spelregels opgesteld moeten worden over het gelijke speelveld, de betaalbaarheid van de businesscase en de snelheid van de uitvoering.

Noord-Holland Zuid

52

De omgevingswarmtebronnen zoals aquathermie en geothermie in de regio Noord-Holland Zuid

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

53

Hernieuwbaar gas Wat is hernieuwbaar gas en is het beschikbaar? Hernieuwbaar gas wordt onderverdeeld in de categorieën groen gas en waterstofgas. Waterstofgas kan op verschillende manieren worden geproduceerd. Deze gassen hebben een belangrijke rol in het energiesysteem omdat ze goed opgeslagen en over een lange afstand getransporteerd kunnen worden en een hoge energiedichtheid hebben. Deze gassen zijn echter schaars. Het is dan ook belangrijk om deze gassen daar in te zetten waar zij de meeste (toegevoegde) waarde hebben.

Groen gas Wat is groen gas en is het beschikbaar? Groen gas is biogas dat is opgewaardeerd naar aardgaskwaliteit en daarom in het landelijk aardgasnet kan worden ingezet. Van groen gas wordt niet voldoende volume verwacht om in de verwachte warmtevraag te kunnen voorzien. De schaarste zal in de toekomst naar verwachting de inzet van groen gas steeds meer gaan sturen en beperken. De verwachting is dat groen gas voor de gebouwde omgeving alleen daar ingezet zal worden waar geen alternatieven mogelijk zijn (bijvoorbeeld in historische binnensteden met

weinig ruimte in de ondergrond en lastig te isoleren vastgoed). Om die reden is het aan te bevelen om in te zetten op alternatieve warmtebron(nen) ten opzichte van groen gas. Meer informatie over de productie van groen gas vindt u in bijlage 3. Gemeenten hechten aan een zo duurzaam mogelijke verwerking van biogrondstoffen. Groen gas uit vergisting van GFT, mest en slib is op dit moment een wenselijke warmtebron voor afnemers die geen alternatief hebben voor verwarming. Groen gas wordt verhandeld middels certificaten in een landelijke markt en de beschikbaarheid van certificaten is klein. Werkagenda • Actie: gemeenten willen de potentie van groen gas binnen de regio gezamenlijk (laten) onderzoeken. • Toelichting: naast de kansrijke startgebieden waar gemeenten willen beginnen met de warmtetransitie, wordt in de TVW’s ook duidelijk welke wijken (voorlopig) niet anders dan door (duurzaam) gas verwarmd kunnen worden. Gemeenten willen gezamenlijk onderzoeken wat verwacht kan worden van de productie van groen gas in de regio. Dit geeft inzicht in mogelijkheden voor het vergroten van de productie

RES 1.0

en of dit aansluit bij de regionale vraag naar hernieuwbaar gas die resteert. Een onderzoeksvraag daarbij kan zijn of groengascertificaten uit de landelijke markt regionaal gereserveerd en ingezet mogen worden. In het bijzonder onderzoeken gemeenten of zij de groengascertificaten van slibvergisting door waterschappen zouden willen verwerven ten behoeve van verwarming van de gebouwde omgeving.

Groene waterstof Wat is groene waterstof en is het beschikbaar? Groene waterstof is schaars omdat nog onvoldoende groene stroom beschikbaar is om groene waterstof te produceren en het elektrolyseproces (het productieproces van groene waterstof) is nog bijzonder kostbaar. Pas na 2030, wanneer er veel groene stroom beschikbaar is, kan deze in voldoende mate worden ingezet voor de productie van groene waterstof. Het toepassen van waterstof ten behoeve van het verwarmen of elektrificeren van woningen is inefficiënt. Het toepassen van groene waterstof in de gebouwde omgeving kan in de toekomst dan ook alleen een reële optie zijn in die gevallen waarbij er geen alternatief is of waar huizen alleen tegen zeer hoge kosten van het aardgas

Noord-Holland Zuid

54

af kunnen. Te denken valt aan historische binnensteden zonder warmtenetten en zonder warmtebronnen. Om deze beperkte toepassing wel te kunnen realiseren zijn er pilots nodig om waterstof hier in de toekomst veilig te kunnen inzetten. Om deze reden vinden er tot 2030 enkele pilotprojecten plaats. In Graft-De Rijp vindt momenteel een haalbaarheidsanalyse plaats en op Texel worden de mogelijkheden voor de inzet van waterstof onderzocht. Ook voor de periode na 2030 zal de schaarste sturend zijn voor de inzet van groene waterstof, met name in sectoren waar geen alternatief bestaat voor deze inzet. In de RSW wordt waterstof daarom verder niet behandeld. Meer informatie over waterstof is te vinden in bijlage 3 en het katern energieinfrastructuur.

Wat is verbranding van vaste biogrondstoffen en is het beschikbaar? Houtige biogrondstoffen zijn bijvoorbeeld houtpellets of afvalhout. Deze houtige biogrondstoffen kunnen worden verbrand voor de productie van warmte. Een belangrijke eigenschap van verbranding van houtige biogrondstoffen is dat er hoge temperaturen mee bereikt kunnen worden. Bovendien kan de grondstof goed opgeslagen worden. Hierdoor kan de bron het gehele jaar door beschikbaar zijn. Houtige reststromen voor verbranding zijn echter schaars, ook in de regio Noord-Holland Zuid. Daarnaast bestaan er landelijk en binnen de regio twijfels over de duurzaamheid van met name (buitenlandse) import van vaste houtige biogrondstoffen voor verbranding en werkt het kabinet aan het afbouwen van het gebruik hiervan. Conform het medio 2020 uitgebrachte SER-advies en de daarin opgenomen afwegingskaders In Purmerend en Amsterdam draaien installaties die gevoed worden met houtige reststromen en in Zaanstad staat de biomassacentrale van Bioforte, die 3,4 MWth warmte levert uit gecertificeerd snoeihout en twee gasgestookte hulpwarmtecentrales voor ongeveer 2200 woningen.

RES 1.0

Warmte uit verbranding van vaste biogrondstoffen Over aanvullende installaties voor de verbranding van met name geïmporteerde houtige biobrandstoffen is een overgrote meerderheid van de gemeenten van mening dat hier geen draagvlak voor is. Voor het gebruik van lokaal snoei- en resthout in bestaande installaties is daarentegen wel draagvlak. Er wordt geen potentieel gezien voor een grote biomassa-installatie met bovengemeentelijke capaciteit. Gemeenten maken uiteindelijk op lokaal niveau de beleidskeuzes. Door de lokale beleidskeuzes en het waarschijnlijk beperkte bovenregionale potentieel van deze warmtebron, worden voor vaste biogrondstoffen geen bovengemeentelijke afspraken gemaakt in de werkagenda. Omdat het vraagstuk rond biogrondstoffen wel leeft in de maatschappij, bevat onderstaand tekstkader een beknopte toelichting over verbranding van vaste biogrondstoffen.

Noord-Holland Zuid

55

3.2 Warmtevraag Naast warmtebronnen is inzicht nodig in het mogelijke overschot aan warmte in een gebied en de warmtevraag die bediend kan worden door het aanwezige warmteaanbod. In deze paragraaf wordt de warmtevraag beschreven. Warmtevraag gebouwde omgeving

 Zie ook bijlage 3

Voor de warmtevraag van de gebouwde omgeving (woningen en utiliteit) in de regio Noord-Holland Zuid wordt door de inzet van energiebesparende maatregelen tot 2030 een daling verwacht. Deze verwachting is gebaseerd op data van het Nationaal Programma RES (NP RES), en inschattingen vanuit de TVW’s.

Veel gemeenten in de regio bevinden zich nog midden in het proces om te komen tot een TVW waarin wordt beschreven welke voorkeursoplossing (all electric, hernieuwbaar gas, collectieve warmte) voor welke wijk wordt voorzien. Daarom is een inschatting gemaakt van de lokale warmtevraag die mogelijk geschikt is voor collectieve oplossingen door warmtevraagclusters in beeld te brengen. Dit zijn gebieden waar voldoende warmtevraag en dichtheid van vastgoed aanwezig zijn (zie ook onderstaand kader). Inzicht in de concentratie van de warmtevraag is van belang omdat investeringen in collectieve warmteoplossingen hoog zijn en de terugverdientijd relatief lang. Collectieve warmteoplossingen zullen daarom meestal daar gerealiseerd worden waar een geconcentreerde warmtevraag bestaat, om het risico van de investeringen af te kunnen dekken. Daarbij kan ook een combinatie tussen warmtevraag uit gebouwde omgeving en glastuinbouw ontstaan (bijvoorbeeld bij Greenport Aalsmeer).

RES 1.0

Warmtevraagclusters Warmtevraagclusters zijn gebieden waar mogelijk voldoende warmtevraag en dichtheid van vastgoed aanwezig zijn om een collectieve warmtevoorziening haalbaar te maken. Deze gebieden kenmerken zich door een geconcentreerde bebouwing. De hoogte en concentratie van de warmtevraag helpen om een voorlopig inzicht te krijgen in warmtevraagclusters waar met name kansen liggen voor de inzet van lokale warmtebronnen of waar ook naar inzet van een bovengemeentelijke warmtebron gekeken kan worden. Dit beeld zal steeds verder aangescherpt en aangepast worden met de inzichten vanuit de TVW's, eventuele lokale haalbaarheidsstudies en de wijkuitvoeringsplannen wanneer deze worden opgesteld.

 Het Nationaal Programma RES heeft voor alle gemeenten een inschatting gemaakt van de warmtevraag van woningen en dienstverlening voor 2017 en 2030. De warmtevraag van 2017 is gebaseerd op data uit de Klimaatmonitor. De warmtevraag voor verwarming en de bereiding van warm tapwater wordt uitgedrukt in Terajoule (TJ) per jaar

Noord-Holland Zuid

56

De concentratie van de warmtevraag in de regio Noord-Holland Zuid

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

57

Dit is de conclusie uit overleg met het regionale LTO-bestuur.

Het is van belang dat de omvang van een warmtebron en de benodigde investering passen bij het aantal afnemers voor de betreffende warmtebron. Zo zal een geothermiebron meer afnemers nodig hebben dan een lokale warmtebron als aquathermie. In gebieden waar de warmtevraag lager ligt, zoals in de buitengebieden in de regio, zal gekeken moeten worden naar andere duurzame warmteoplossingen. Op deze plekken liggen individuele elektrische warmteoplossingen of warmteoplossingen die gebruikmaken van hernieuwbaar gas meer voor de hand. Kansen voor warmtenetten die gevoed kunnen worden door bovengemeentelijke warmtebronnen, zullen daarom vooral in de stedelijke gebieden liggen, of waar een hoge warmtevraagconcentratie mogelijk is door koppeling met een andere grote vrager, zoals de glastuinbouw.

Warmtevraag overige warmteclusters Naast de gebouwde omgeving spelen de volgende warmtevraagclusters ook een (beperkte) rol in Noord-Holland Zuid: • Landbouw: de warmtevraag van de landbouw is in de regio zeer beperkt. Voor zover relevant zal de benodigde warmte met lokale bronnen worden opgewekt. Er is daarom vooralsnog geen regionale afstemming nodig om de landbouw te voorzien van (duurzame) bovengemeentelijke warmte. •  Industrie: de industriële sector in de regio werkt aan zijn eigen energiestrategie (CES, Cluster Energie Strategie). Deze is nog in ontwikkeling en stuurt, volgens de trias energetica, eerst op besparing, de interne verduurzaming en het interne hergebruik van restwarmte.

RES 1.0

•

Glastuinbouw: de glastuinbouw is een zeer energie-intensieve sector met een enorme ambitie. Driekwart van het energieverbruik in de glastuinbouw bestaat uit warmte. Greenport Aalsmeer maakt een inventarisatie van de ambities en stemt deze af met gemeenten en bedrijven. Tot nu toe lag de aandacht bij de inventarisatie op het maken van een nulmeting. Volgend jaar verschuift de focus naar het opstellen van een toekomstvisie voor het gebied met het uiteindelijke doel om tot een gebiedsakkoord te komen waarbij er een duidelijke rol voor bedrijven ligt. De warmtevraag en het handelingsperspectief voor de glastuinbouw vindt u terug in paragraaf 3.5 (deelregio Amstelland, Amsterdam en Haarlemmermeer).

 De resultaten zijn verwerkt in de RSW.

Noord-Holland Zuid

58

3.3 Warmteinfrastructuur In de regio Noord-Holland Zuid zijn al enkele (bovengemeentelijke) warmtenetten aanwezig, bijvoorbeeld in de regio Amsterdam. Daarnaast zijn er lokale warmtenetten in Purmerend, Zaanstad en Zandvoort. Ook zijn er projecten in ontwikkeling rondom (de uitbreiding van) collectieve warmte. Elektriciteitsvraag voor verwarming Elektriciteit zal voor de verwarming van gebouwen een grotere rol gaan spelen in de toekomst. Bij lokale keuze voor aardgasvrije verwarmingsoplossingen (bijvoorbeeld individuele/collectieve warmtepompen) is

extra elektriciteit nodig. In het elektriciteitsdeel van de RES wordt ingegaan op de duurzame opwek van elektriciteit met zon en wind. In relatie tot de warmtevraag is het van belang te weten dat het moment van elektriciteitsopwekking bij windenergie het best past bij het jaarlijkse verloop van de warmtevraag.

elektriciteitsopwekking. Niet alleen de warmtetransitie in de gebouwde omgeving heeft impact op het elektriciteitsnet. Ook het elektrificeren van mobiliteit, de industrie en de glastuinbouw beïnvloeden het elektriciteitsnet. Dit alles vraagt om transport van elektriciteit (zie ook katern Energie-infrastructuur).

De verwachte toename van de elektriciteitsvraag op basis van de warmtetransitie is op dit moment lastig in te schatten. Deze hangt samen met de keuze in de technieken die zullen worden toegepast en de mate van isolatie van het te verwarmen object.

 De berekende verwachte elektriciteitsvraag voor

Werkagenda • Actie: overheden blijven in gesprek met netbeheerders over netcapaciteit in relatie tot warmtetransitie. • Toelichting: duurzame warmtebronnen zijn veelal van lage temperatuur. Om de warmte op te waarderen en/of de gebouwde omgeving all electric te kunnen verwarmen, is verzwaring van het elektriciteitsnet nodig. De komende jaren werkt de regio in RES-verband aan een strategie met de netbeheerders over de verzwaring van het net en realisatie daarvan. Deze strategie dient integraal te zijn, gericht op elektriciteitsvraag en

 Met uitzondering van restwarmte uit industrie, die-

RES 1.0

2030 houdt geen rekening met de warmtevraag die door elektriciteit wordt ingevuld (warmtepompen), aangezien momenteel onduidelijk is aan welk aandeel van de warmtevraag voldaan zal worden door deze warmtepompen. Indien een deel van deze warmtevraag door elektriciteit wordt ingevuld, zal dat moeten worden opgeteld bij de elektriciteitsvraag voor 2030; pagina 16 en 28 CE Delft Bijsluiter Verantwoording bronnen methoden, zal dat moeten worden opgeteld bij de elektriciteitsvraag voor 2030. Zie voor meer informatie de Analysekaarten NP RES – Verantwoording bronnen en methoden.

pe geothermie, groen gas en waterstof. Voor al deze bronnen geldt dat de potentie en beschikbaarheid nog onbekend zijn.

 Zie ook Warmte & Koude Programma MRA, Inspiratiepaper Groeistrategie (2020).

Noord-Holland Zuid

59

De bestaande warmtenetten in de regio Noord-Holland Zuid

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

60

Werkagenda

3.4 Regionale samenwerking Deze paragraaf beschrijft hoe de regio de regionale samenwerking vormgeeft. De samenwerking bestaat uit de werkagenda en de gespreksleidraad.

Er is op dit moment nog veel onduidelijk over warmtebronnen, warmtevraag en benodigde energie-infrastructuur. Onderzoeken naar de potentie van bovengemeentelijke warmtebronnen zijn nog niet afgerond en veel TVW’s moeten nog worden vastgesteld. Om toch voortgang te kunnen boeken spreekt de regio in de RSW af om gezamenlijk concrete stappen te zetten. Daarom heeft de regio een werkagenda opgesteld voor de regionale samenwerking waar, binnen RES-verband, aan gewerkt zal worden. De werkagenda gaat in op verdere samenwerking, kennisdeling, onderzoeken en studies op specifieke thema’s en op het gesprek met marktpartijen. Tot nu toe bevindt de warmtetransitie zich regionaal en lokaal nog overwegend in de fase van beleidsvorming (RES, RSW en TVW). De komende jaren zal het accent verschuiven naar uitvoering. Niet alle gemeenten zullen op alle onderwerpen gaan samenwerken. Deelregiogrenzen zullen daarbij worden losgelaten. Vooralsnog is uitgesproken dat gemeenten geen nieuwe organisatiestructuur vormen, maar de samenwerking binnen de al bestaande structuur van de RES behouden. In

RES 1.0

de komende periode zullen gemeenten, de provincie en de waterschappen bespreken hoe en via welke gremia hier op ingespeeld kan worden. Komende jaren wordt ook de relatie met andere RES-regio’s verder uitgewerkt en ingevuld. Dit gebeurt zodanig dat de RSW 2.0 naadloos aansluit op de naastgelegen regio’s (voor zover dat nu niet al het geval is) . In de RSW is voor een aantal onderwerpen beschreven hoe gemeenten regionaal willen samenwerken in de aanloop naar de RSW 2.0. Hiernaast wil de regio samenwerken op het gebied van kennisuitwisseling, ondersteuning en bij het realiseren van energiebesparing. Dit zijn warmtethema’s waarop regionale samenwerking van meerwaarde zal zijn. Zie kader op de volgende pagina voor een toelichting op deze onderwerpen.

Noord-Holland Zuid

61

Kennisuitwisseling Gemeenten in de regio hebben behoefte aan kennisuitwisseling. Om deze te faciliteren kan een lerend netwerk voor het delen van kennis en het uitwisselen van informatie op de volgende onderwerpen worden opgezet: • Kennisuitwisseling over de inzet van warmtebronnen zoals aquathermie, geothermie en hernieuwbare gassen. • Delen van plannen en aanvragen voor opsporingsvergunningen; • Delen van succesvolle praktijkvoorbeelden bij het creëren van draagvlak voor duurzame warmteoplossingen. • Opzetten van gezamenlijke pilots en het opdoen van kennis rond het ontwikkelen van businesscases. • Kennisdeling over drukte in de ondergrond en de ecologische impact bij de inzet van warmtebronnen. • Uitwisselen van kennis over het maken van afspraken met de markt of het opzetten van een gemeentelijk of regionaal warmtebedrijf. Daarbij is meer inzicht gewenst in de veranderende rol van gemeenten en de provincie in het kader van de Wet collectieve warmtevoorziening, waarvan de inwerkingtreding wordt voorzien in 2022. Ondersteuning De warmtetransitie vraagt veel van gemeenten op het gebied van kennis, tijd en

competenties. Vooral voor kleinere gemeenten kan het een uitdaging zijn hier invulling aan te geven. De provincie Noord-Holland beheert het warmtebronnenregister en denkt na over een ‘expertpool’ van mensen die de gemeenten daarbij kunnen ondersteunen. Op specifieke onderwerpen biedt het provinciale Servicepunt Duurzame Energie een ondersteunende rol, en kan het publiek-private netwerk binnen het Warmte & Koude Programma MRA benut worden. Daarnaast kunnen grotere gemeenten wellicht een nader te verkennen rol spelen in de ondersteuning van kleinere gemeenten. In de aanloop naar de RSW 2.0 is het van belang te investeren in het zodanig toerusten van (met name) kleine gemeenten, dat zij hun regierol in de warmtetransitie waar kunnen maken. Daarbij wordt ook naar financiële ondersteuning vanuit het Rijk gekeken. Voor de eerstvolgende periode, in de aanloop naar de RSW 2.0 (2023) is de belangrijkste opgave om de dan vastgestelde TVW’s in alle gemeenten te vertalen naar de bovengemeentelijk relevante onderwerpen. Besparing Gemeenten hebben uitgesproken graag informatie en ervaringen uit te wisselen over energiebesparing, het ontzorgen van inwoners hierin en het verstrekken van heldere informatie over dit onderwerp.

RES 1.0

Gespreksleidraad Een set van gespreksonderwerpen als aanzet tot een afwegingskader. De verwachting is dat voor bepaalde temperatuurniveaus lokaal schaarste zal optreden. Waar deze zal zijn en hoe dit ontwikkelt, is nog niet precies bekend. Wel is zeker dat dit vraagstuk gaat komen en dat daarbij een groot aantal belangen van verschillende partijen een rol spelen. Daarom willen betrokken gemeenten nu al met elkaar de kaders bepalen hoe het gesprek over de verdeling van mogelijk schaarse warmtebronnen gevoerd zal worden. Om dit goed te kunnen doen is inzicht in elkaars belangen, kansen en beperkingen een belangrijk uitgangspunt. Als onderdeel van de RSW hebben de betrokken gemeenten, waterschappen en provincie met elkaar gespreksonderwerpen bepaald om afstemming te organiseren over de toekomstige inzet van een bovengemeentelijke warmtebron. Deze gespreksonderwerpen zijn een eerste aanzet om in een volgende fase te komen tot een afwegingskader over de meest optimale inzet van een warmtebron.

Noord-Holland Zuid

62

Waarom een aanzet tot een afwegingskader? Door vroegtijdige afstemming op regionaal niveau kunnen partijen sturen op een zo optimaal mogelijke benutting van het potentieel bovengemeentelijke warmtebronnen. Dit is van belang om de maatschappelijke kosten van de warmtetransitie zo laag mogelijk te houden. Gedurende de gehele warmtetransitie kunnen inzichten steeds verder aangescherpt worden door het verder ontwikkelen van technieken, meer kennis en inzicht over warmtebronnen (onder andere in het warmtebronnenregister) en verdere vorming van de warmtetransitie en warmteprojecten binnen gemeenten. Vaak zijn het niet de gemeenten die warmteprojecten realiseren, maar wordt dit door marktpartijen gedaan, of wordt een samenwerkingsvorm gezocht.

Inhoud van de gespreksleidraad Alle benoemde belangen en aspecten zijn gecategoriseerd in een set van vier principes: betaalbaarheid, beschikbaarheid, duurzaamheid en uitvoerbaarheid. Het is een leidraad met gespreksonderwerpen die niet limitatief of voorschrijvend zijn. Ze dienen als toets voor het maken van een afweging bij het verdelingsvraagstuk. Gemeenten geven zelf en in onderling overleg invulling aan de gesprekken. Per bron kunnen gemeenten onderling verschillende belangen hechten aan bepaalde principes. De partijen bespreken samen welke van de onderwerpen uit de gespreksleidraad voor hen het belangrijkst zijn en waar zij bij benutting van een potentiële bovengemeentelijke warmtebron op willen sturen. Dat schept helderheid tussen de gemeenten onderling en tussen markt en overheid in de warmtetransitie. De volledige set van gespreksonderwerpen vindt u in het kader op de volgende pagina.

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

63

Set van gespreksonderwerpen Betaalbaarheid Gemeenten kiezen voor een kosteneffectieve inzet van warmtebronnen en sturen op de laagst maatschappelijke kosten. Dat betekent dat elk marktinitiatief wordt afgewogen tegen mogelijke alternatieven, om vast te stellen of er (door de marktpartij) gestuurd wordt op de laagst maatschappelijke kosten. Voor alle partijen moet een overstap naar een duurzamere warmtebron financieel aantrekkelijk zijn en er is in ieder geval aandacht voor de kosten voor inwoners. Een grote factor hierin is de afstand tussen bron en afzet. Bij elke warmtebron horen warmteleidingen en deze zijn kostbaar. Een grotere afstand tussen warmtebron en afzet zal daarom alleen haalbaar zijn bij een grote potentie van de warmtebron en een grote geconcentreerde warmtevraag (schaal). Daarbij spelen ook de (on)mogelijkheden ten aanzien van netimpact op elektriciteit en de kosten die daarbij horen een rol. Ook de match in temperatuurniveau tussen de bron en afzet heeft een effect op de betaalbaarheid. Het temperatuurniveau aan de kant van de warmtevraag is daarom leidend.

Duurzaamheid Bij de inzet van warmtebronnen volgen we het hoofddoel van het Klimaatakkoord en streven we naar warmtebronnen met een zo hoog mogelijke CO2-reductie. Dit hangt mede samen met de schaal waarvoor een bron ingezet kan worden. Hierbij wordt naar de gehele keten gekeken. Dus waar aanvullende elektriciteit nodig is om een bron met een lage temperatuur naar een hogere temperatuur op te werken, wordt ook de duurzaamheid van de elektriciteit meegewogen. Daarbij wordt een match gezocht in temperatuurniveau tussen afzet en bron. Een ander belangrijk aspect zijn milieueffecten van warmtebronnen. Er wordt gekeken naar de duurzaamheid van de alternatieven die er zijn en de mogelijke transitiebronnen die ingezet moeten worden om tot de definitieve warmtemiddelenmix te komen, wat het doel is bij een project. De Wet collectieve warmtevoorziening die in ontwikkeling is, zal duurzaamheidseisen stellen aan warmtenetten.

Beschikbaarheid Met het oog op financiële aantrekkelijkheid moet de afstand tussen warmtevraag en warmtebron zo klein mogelijk zijn. Alleen indien er schaarste is en er geen lokale alternatieven zijn, wordt gebruikgemaakt van een bovengemeentelijke warmtebron. Warmtebronnen moeten zorgen voor een langetermijnleveringszekerheid. Vanwege de mogelijke ontwikkeltermijn (tijd/tempo en realisme) is daarbij aandacht voor transitiebronnen

RES 1.0

die ingezet moeten worden tot de capaciteit van een bron (volledig) benut kan worden. Bij bestaande warmte-infrastructuur zal dit sneller kunnen gebeuren. Ook volume en schaalgrootte (dekking warmtevraag) die met een bovengemeentelijke bron gehaald kan worden, worden van belang geacht.

Uitvoerbaarheid Kan een project ook echt uitgevoerd worden? De manier waarop partijen in de markt en overheid met elkaar omgaan, de governance, is bepalend voor het succes van de samenwerking. De rol van de gemeente moet helder zijn, maar de ambitie van de markt is misschien nog wel sturender. Als er geen ambitie van de markt is, komt er ook geen project. Concretere plannen en een verdere fase in besluitvorming verdienen voorrang indien een verdelingsvraagstuk rond de inzet van een bovengemeentelijke warmtebron speelt ten opzichte van nog onzekere plannen. Dan helpt het als er een bron met een eigenaar en ambitie en een bestaande infrastructuur of ruimte voor nieuwe warmte-infrastructuur zijn. Lagetemperatuurbronnen hebben een groter effect op het elektriciteitsnet omdat de warmte nog naar het juiste temperatuurniveau gebracht moet worden.

Noord-Holland Zuid

64

3.5 Amstelland, Amsterdam en Haarlemmermeer

 Zie bijlage 3

De belangrijkste bovengemeentelijke warmtebronnen voor de deelregio’s Amstelland (Aalsmeer, Amstelveen, Diemen, Ouder-Amstel en Uithoorn), Amsterdam en Haarlemmermeer komen uit industrie, datacenters en geothermie.

Deelregio’s Amstelland en Haarlemmermeer kenmerken zich door een aantal grote glastuinbouwarealen met een hoge energievraag. Amsterdam heeft een grootstedelijk karakter en havens met industrie. Haarlemmermeer vormt een belangrijke vestigingsplaats voor datacenters. In de regio zijn al bestaande grootschalige en bovengemeentelijke warmtenetten, en is er mede daarom een bestaande samenwerking tussen de deelregio’s.

Warmtevraag, warmtebronnen en warmte-infrastructuur Warmtevraag per gemeente Voor de meeste gemeenten in de deelregio’s Amstelland, Amsterdam en Haarlemmermeer wordt een daling in de warmtevraag richting 2030 verwacht. In Diemen wordt verwacht dat de warmtevraag nagenoeg gelijk zal blijven. Voor Ouder-Amstel wordt door een forse nieuwbouwopgave een flinke stijging in de warmtevraag van 2030 voorzien.

een optie voor de gebouwde omgeving. De glastuinbouw in de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen, Uithoorn en Haarlemmermeer heeft een huidige warmtevraag van respectievelijk: 324.530 GJ, 395.000 GJ, 1.584.470 GJ en 747.000 GJ. Greenport Aalsmeer verwacht voor alle gebieden een energiebesparing van de glastuinbouw van 21 procent in 2030 ten opzichte van 2015 uitgaande van het huidige oppervlakte kassen. In het glastuinbouwgebied De Kwakel-Kudelstaart, dat deels in de gemeente Uithoorn en deels in de gemeente Aalsmeer ligt, verwachten we ondanks de groei van 15 hectare dat de absolute warmtevraag zal dalen. Voor Aalsmeer geldt dat ondanks de groei van 15 ha de absolute warmtevraag in het gebied zal dalen. Ook in Amstelveen zal het absolute energieverbruik richting 2030 dalen doordat er geen groei van glastuinbouw voorzien is in de Noorder Legmeerpolder. Of het absolute energieverbruik in de gemeente Haarlemmermeer gaat dalen is de vraag, gezien de groeikansen van PrimA4a.

 Bron: schatting uit conceptgebiedsinventarisatie energie Greenport Aalsmeer.

Glastuinbouw Het combineren van de warmtevraag uit de glastuinbouw met de gebouwde omgeving is interessant, omdat het de mogelijkheid van grotere warmtevraagclusters creëert. Hierdoor wordt een bron als geothermie mogelijk ook

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

65

Potentiële bovengemeentelijke warmtebronnen In de regio bestaat een grote verscheidenheid aan (potentiële) warmtebronnen zoals geothermie, restwarmte uit datacenters en thermische energie uit oppervlaktewater. Het beschikbare vermogen, de temperatuur en de locatie bepalen waar deze warmtebronnen ingezet kunnen worden. In de meeste gevallen zal dat in de gemeente zijn waar de bron ligt, om onnodig transport en hoge kosten te voorkomen. De TVW beschrijft hoe deze lokale bronnen ingezet kunnen worden. In sommige gevallen is er lokaal meer vermogen beschikbaar dan er lokaal nodig is en kan de warmte naar één of meerdere nabijgelegen gemeenten getransporteerd worden. Bijvoorbeeld wanneer de temperatuur van een bron niet geschikt is voor de vraag vanuit het nabijgelegen vastgoed, wanneer de bron dichter bij vastgoed in een andere gemeente ligt, of wanneer er een zodanig tekort aan lokale bronnen is dat er grotere afstanden overbrugd moeten worden.

Naast de generieke warmtebronnen zoals geothermie, thermische warmte uit oppervlaktewater en groen gas, is er ook een aantal specifieke warmtebronnen per gemeente te identificeren. De WRKleidingen zijn een potentiële warmtebron én kunnen dienen als warmtetransportleidingen voor Aalsmeer, Amstelveen, Uithoorn Haarlemmermeer en Ouder-Amstel. Ook buiten deze regio zijn er gemeenten die warmte (en koude) kunnen onttrekken uit de WRK-leidingen. Deze regio kenmerkt zich daarnaast door de potentie om restwarmte van datacenters te benutten als warmtebron. Het datacentercluster aan de oostkant van Haarlemmermeer is een potentiële bron voor Haarlemmermeer, Aalsmeer, Uithoorn en buiten de deelregio voor Haarlem. Het datacentercluster in Amsterdam is een potentiële warmtebron voor Amsterdam, Diemen en Ouder-Amstel.

Ook de Diemercentrale is een bovengemeentelijke warmtebron voor Amsterdam, Amstelveen, Diemen en Ouder-Amstel. Zo blijkt uit de TVW van Amstelveen dat de nu bekende warmtebronnen onvoldoende warmte kunnen leveren om de hele stad te voorzien van warmtenetten. Mede hierdoor – en het al aanwezige warmtenet in Amstelveen – is de uitbreiding van het huidige warmtenet vanuit de Diemercentrale voor Amstelveen wenselijk als bovengemeentelijke warmtebron.

Ook relevant buiten de deelregio’s: Diemercentrale voor Almere.

AEB Amsterdam/Warmtenet Amsterdam West Noord is in deze deelregio mogelijk interessant als potentiële bovengemeentelijke warmtebron voor Zaanstad.

Buiten deze deelregio, wordt in Haarlem gewerkt aan de mogelijke benutting van een geothermiebron. Dit is mogelijk ook interessant voor Haarlemmermeer.

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

66

Bovengemeentelijke warmteinfrastructuur Momenteel is er een (samengesteld) bovenregionaal warmtenet aanwezig in de deelregio’s Amsterdam en Amstelland: het warmtenet Amsterdam Zuidoost/Almere levert warmte aan wijken in de gemeenten Amsterdam, Diemen, Amstelveen, OuderAmstel en Almere. Het warmtenet in Amstelveen is in eigendom van Eneco. Uitbreiding van dit bovenregionale warmtenet is mogelijk (TVW Amstelveen) en biedt kansen om lokale warmtebronnen zoals de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) in Amstelveen hierop aan te sluiten. Het warmtenet in het westen en noorden van Amsterdam wordt gevoed door AEB Amsterdam en kent nog een behoorlijke overcapaciteit. De twee grote warmtenetten in Amsterdam zijn of worden op korte termijn aan elkaar verbonden ten behoeve van de robuustheid van beide netten. Naast de bovengemeentelijke warmteinfrastructuur zijn er in de deelregio’s meerdere lokale warmtenetten aanwezig (in Amsterdam, Uithoorn, Aalsmeer, Haarlemmermeer en Amstelveen). Met de uitbreiding van deze lokale netten ontstaan naar de toekomst wellicht mogelijkheden voor koppelingen. Voorheen zijn er tussen

verschillende gemeenten verkenningen gedaan naar de benutting van warmtebronnen tussen gemeenten; er was sprake van een samenwerking op (bovengemeentelijke) warmtenetten. Deze samenwerking kent nog geen structurele vorm.

Werkagenda Voor deze regio is er een aantal specifieke punten die de komende jaren op de werkagenda staan: • Glastuinbouw In de regio bevinden zich meerdere glastuinbouwclusters die een hoge energievraag hebben. Dit zorgt voor extra druk op de beschikbaarheid van (bovengemeentelijke) duurzame warmtebronnen. Aan de andere kant biedt dit ook kansen om bronnen zoals geothermie sneller aan te sluiten, wat voor de gebouwde omgeving de uitrol kan versnellen. Mogelijk zijn in dit kader geothermieprojecten uit de RES-regio Holland Rijnland interessant voor glastuinbouw in Amstelland. De komende jaren zal besproken moeten worden hoe de glastuinbouw overstapt op duurzame warmte en hoe dit in verhouding staat met de duurzame verwarming van de gebouwde omgeving.

RES 1.0

Om de glastuinbouw te voorzien van externe en duurzame warmte zullen ook andere randvoorwaarden gerealiseerd moet worden. Zo zal er externe CO2 en duurzame elektriciteit beschikbaar moeten komen voor de glastuinbouw. Het is dus belangrijk dat er CO2 beschikbaar komt, via bijvoorbeeld de OCAP-leidingen, en daarnaast voldoende netcapaciteit beschikbaar is om de komst van duurzame warmte mogelijk te maken. De aanleg van het OCAP-netwerk naar de Haarlemmermeer is sinds 2021 in uitvoering. Uitbreiding van het netwerk naar een aantal van de grote clusters in Uithoorn (en Nieuwkoop, buiten deze RES-regio) is in voorbereiding. De netcapaciteit zal moeten toenemen als tuinders overschakelen op externe warmte. De verduurzaming van de glastuinbouw in deze regio is hoofdzakelijk relevant voor de gemeenten Haarlemmermeer, Amstelveen, Aalsmeer en Uithoorn. In dit kader gaat Greenport Aalsmeer aan de slag met: - de gebiedsgerichte aanpak en gebiedsvisie voor de concentratiegebieden glastuinbouw (zoals Kudelstaart/De Kwakel); - ondernemerssupport (onder andere herstructurering, bedrijfsverplaatsing, modernisering en innovatie);

Noord-Holland Zuid

67

•

•

 Bijvoorbeeld het onderzoek naar warmtelevering vanaf Schiphol-Rijk naar Greenport in 2019/2020.

- het bij elkaar brengen van stakeholders (OCAP voor CO2-net, geothermie, netbeheerders en duurzame elektriciteitsopwekking). Warmtenet Amsterdam Zuidoost/Almere/ Diemercentrale Voor een aantal gemeenten is de aansluiting op de Diemercentrale of het warmtenet van Amsterdam Zuidoost/ Almere cruciaal voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving. In paragraaf 3.1.1 is de werkagenda voor de Diemercentrale beschreven. Restwarmte uit datacenters In Amsterdam, Aalsmeer en Haarlemmermeer (Schiphol-Rijk) zijn diverse (kleinschaligere) warmtenetten op basis van de restwarmte uit een datacenter in voorbereiding of operationeel. Een goed voorbeeld daarvan is het Energy Hub Aalsmeer. In de regio staan nog veel meer datacenters met een leveringspotentieel. Via beleidsontwikkeling van gemeenten aan de ene kant en onderzoeken naar concrete projecten aan de andere kant , wordt steeds verder toegewerkt naar meer benutting van deze warmtebron. In paragraaf 3.1.1 is de werkagenda voor warmte van datacenters beschreven.

•

WRK-leidingen Een aantal gemeenten in deze regio ziet kansen voor het benutten van de WRKleidingen voor het onttrekken van zowel warmte als koude. De WRK-leidingen zijn relevant voor meerdere gemeenten in de gehele regio Noord-Holland Zuid (en daarbuiten). Daarom is de werkagenda of het handelingsperspectief beschreven in paragraaf 3.1.1.

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

68

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

69

Warmtevraag, warmtebronnen en warmte-infrastructuur

3.6 Gooi en Vechtstreek De deelregio Gooi en Vechtstreek bestaat uit de gemeenten Blaricum, Gooise Meren, Hilversum, Huizen, Laren, Weesp en Wijdemeren. Uit het bronnenregister blijkt dat er op dit moment niet veel zicht is op bestaande specifieke bovengemeentelijke warmtebronnen in de regio. De gemeenten zullen voornamelijk lokale warmtebronnen benutten. Dit komt mede door de verspreide clusters van woningbouw. Uit de TVW’s zal blijken welke bronnen een bovengemeentelijke potentie hebben en regionale afstemming behoeven. Mogelijk komen er in de toekomst bovengemeentelijke bronnen bij die op dit moment nog niet in beeld zijn.

Warmtevraag per gemeente De gemeente Weesp ziet een grote opgave in de uitbreiding van woningbouw tegemoet en om die reden wordt een toename in de warmtevraag naar 2030 voorzien. In alle andere gemeenten zal de warmtevraag afnemen. Meer informatie hierover vindt u in bijlage 3.. Bovengemeentelijke warmtebronnen Alle gemeenten in deelregio Gooi en Vechtstreek hebben groen gas, geothermie en aquathermie in beeld als potentiële generieke bovengemeentelijke warmtebronnen voor de toekomst. De mate van zekerheid van de potentiële warmtebronnen varieert. Zo is het nog onbekend hoeveel groen gas beschikbaar komt in de regio en wordt momenteel onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van geothermie. De resultaten van de potentie van geothermie worden aan het einde van 2021 verwacht. De verwachting is dat over drie jaar duidelijk is of deze bron haalbaar is. Er is ook door een initiatief een onderzoek gestart naar de potentie van geothermie in de regio.

Bovengemeentelijke warmteinfrastructuur

Hilversum zijn wel drie kleine lokale warmtenetten aanwezig. Werkagenda Momenteel kan er nog niet veel worden vastgelegd over de inzet van aquathermie, groen gas en geothermie in deze regio. De werkagenda voor Noord-Holland Zuid beschrijft wat er de komende jaren besproken moet worden over deze bovengemeentelijke warmtebronnen. Naast de algemene werkagenda die voor de gehele regio is opgesteld, is er voor deze regio een specifiek punt dat de komende jaren besproken moet worden, namelijk: • Impact op het elektriciteitsnet. Het gebrek aan zicht op de inzet van bovengemeentelijke warmtebronnen vraagt lokale oplossingen. Met uitzondering van geothermie en groen gas – waarvan de potentie en beschikbaarheid nog onbekend zijn – zijn de lokale en bovengemeentelijke warmtebronnen veelal van lage temperatuur. Om de warmte op te waarderen en/of de gebouwde omgeving all electric te kunnen verwarmen is er verzwaring van het elektriciteitsnet nodig. De komende jaren moet er een strategie gemaakt worden met de netbeheerders over welke verzwaring nodig is en hoe deze gerealiseerd kan worden.

Momenteel is er geen bovenregionaal warmtenet aanwezig. In de gemeente RES 1.0

Noord-Holland Zuid

70

Warmtevraag, warmtebronnen en warmte-infrastructuur

3.7 IJmond & ZuidKennemerland De deelregio IJmond & ZuidKennemerland bestaat uit de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Heemskerk, Heemstede, Velsen en Zandvoort. De belangrijkste bovengemeentelijke warmtebronnen zijn naar verwachting industrie en geothermie. Het geothermische potentieel wordt momenteel onderzocht door SCAN.

Warmtevraag per gemeente Richting 2030 wordt er een afname in de warmtevraag in de deelregio IJmond & ZuidKennemerland voorzien .

Bovengemeentelijke warmtebronnen Alle gemeenten in de deelregio IJmond & Zuid-Kennemerland hebben geothermie en aquathermie in beeld als potentiële bovengemeentelijke warmtebron. Restwarmte uit lokale industrie is voor een aantal gemeenten ook een potentiële warmtebron. In de gemeente Haarlem wordt ingezet op geothermie als bron voor een nieuw te ontwikkelen warmtenet in Meerwijk. Geothermie vraagt om een gerealiseerde afzetmarkt voordat de hoge investeringen voor geothermie gedaan worden. De eerste uitdagingen bij geothermie liggen bij het organiseren van de warmtevraag en de inzet van een tijdelijke warmtebron. Voor Heemskerk, Velsen en Beverwijk is, naast geothermie, restwarmte uit industrie een potentiële bron. De industrie in dit gebied kijkt nog vooral naar interne verduurzaming en naar de milieueffecten op de omgeving.

RES 1.0

Er is nog weinig informatie beschikbaar over de beschikbare restwarmte voor de gebouwde omgeving. De provincie NoordHolland heeft daarom opdracht gegeven aan Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) om dit potentieel nader te onderzoeken. Daarnaast inventariseert Omgevingsdienst IJmond waar bedrijven energie besparen en waar potentieel restwarmte uit zou kunnen ontstaan. In het verleden is veel onderzoek gedaan naar de potentie voor warmtelevering door Tata Steel aan de omliggende gemeenten. Dat project is stilgevallen omdat warmtelevering volgens het huidige ontwerp zou leiden tot meer stikstofdepositie naar natuurgebieden in de omgeving. Nieuwe inzichten over restwarmtelevering door Tata Steel worden verwacht in het kader van de CES. Aquathermie heeft, gezien de ligging aan de kust, theoretisch een hoge potentie in deelregio IJmond & Zuid-Kennemerland. Maar om de reële potentie te bepalen is nader onderzoek nodig. De WRK-leidingen zijn een potentiële bovengemeentelijke warmtebron voor Zandvoort, Bloemendaal, Heemstede en Velsen. Gemeenten zien gesprekspartners

Noord-Holland Zuid

71

in: Waternet, PWN, gemeenten langs WRKleidingen, warmtebronnen langs WRKleidingen en vragers van koude. Daarnaast kan restwarmte van datacenters in Haarlemmermeer ingezet worden als potentiële warmtebron in Haarlem. Er is in Haarlem één datacenter gevestigd. De restwarmte hiervan is momenteel te gering om ook naar andere gemeenten te transporteren.

Bovengemeentelijke warmteinfrastructuur Er bestaat op dit moment geen bovengemeentelijke warmte-infrastructuur in deelregio IJmond & Zuid-Kennemerland. Wel is er op een aantal plaatsen sprake van een lokaal warmtenet. Zandvoort heeft een klein warmtenet, met een WKK op aardgas. Ook in Zeewijk (IJmuiden) is een lokaal warmtenet aanwezig. In de gemeente Haarlem wordt gewerkt aan de voorbereidingen van een warmtenet in Meerwijk, waarvoor geothermie als bron wordt voorzien. In de IJmond-gemeenten wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor collectieve warmte uit de bestaande geothermiebron en een mogelijke tweede geothermiebron.

Werkagenda Voor deze regio zijn er een paar specifieke punten die de komende jaren besproken moeten worden: •  Restwarmte uit industrie In deze regio is de industrie aan het onderzoeken hoe energie zo optimaal mogelijk benut wordt (en restwarmte in de eigen processen kan worden hergebruikt). Hierdoor is op dit moment weinig zicht op het beschikbare vermogen voor de gebouwde omgeving. Een ander belangrijk punt van aandacht is de duurzameenergie-input van de industrie om de vrij te komen restwarmte verder te verduurzamen. •  Aquathermie Gemeenten willen in gesprek met alle kustgemeenten en Rijkswaterstaat om reële potentie uit zeewater nader te (laten) onderzoeken. •  WRK-leidingen Gemeenten hechten belang aan het benutten van de potentie van de WRKleidingen en vragen de directie van WRK randvoorwaarden mee te geven voor het gebruik van de leidingen.

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

72

3.8 Zaanstreek/ Waterland De deelregio Zaanstreek/ Waterland bestaat uit de gemeenten Beemster, EdamVolendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland, Wormerland en Zaanstad.

Het zuiden van de deelregio kenmerkt zich hoofdzakelijk door de aanwezigheid van industrie nabij Amsterdam en woonkernen op korte afstand. In het noorden daarentegen zijn de woonkernen meer verspreid, zonder de aanwezigheid van industrie. Hier is de openheid van het landschap kenmerkend en vinden vele weidevogels een thuis in de veeweidegebieden of in de polders.

Warmtevraag, warmtebronnen en warmte-infrastructuur Warmtevraag per gemeente Naar verwachting wordt alleen in de gemeente Zaanstad een stijging in de warmtevraag naar 2030 voorzien. In de andere gemeenten zal de warmtevraag gaan dalen .

Zaanstad mogelijk ingezet gaan worden als een bovengemeentelijke warmtebron. In de fase waar de gemeentelijke TVW’s nu naar kijken is er echter geen duidelijk beeld over de inzet van deze bronnen en wordt er vooral gekeken naar lokale warmtebronnen. Biowarmtecentrale De Purmer gaat ook warmte leveren aan bebouwing in de gemeente Beemster die nabij het bestaande warmtenet van Purmerend ligt. Het warmtenet van Purmerend kan mogelijk nog uitgebreid worden om meer warmte te leveren. In de toekomst zou het ook mogelijk zijn om het warmtenet uit te breiden naar Neck in Wormerland. Hier is een kleinschalig warmtenet gerealiseerd, welke momenteel een individuele warmtebron heeft.

Bovengemeentelijke warmtebronnen Alle gemeenten in de deelregio Zaanstreek/ Waterland hebben geothermie, aquathermie en groen gas in beeld als potentiële bovengemeentelijke warmtebronnen voor de toekomst. Voor de gemeenten Zaanstad, Oostzaan en Landsmeer kan op termijn aansluiten op het warmtenet van Amsterdam mogelijk nieuwe oplossingen in beeld brengen. Ten slotte kan de restwarmte uit industrie in

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

73

Bovengemeentelijke warmteinfrastructuur Driekwart van de gebouwde omgeving in Purmerend is aangesloten op het warmtenet van Stadsverwarming Purmerend. Er wordt gewerkt aan uitbreiding van dit warmtenet, onder andere naar enkele nieuwbouwprojecten in de gemeente Beemster. In de gemeente Zaanstad zijn meerdere lokale warmtenetten aanwezig. Werkagenda Voor de regio Zaanstreek/Waterland is er een aantal specifieke punten dat de komende jaren besproken moet worden: • Verduurzaming warmtenet Purmerend Stadsverwarming Purmerend zoekt, samen met de gemeente naar (aanvullende) duurzame warmtebronnen. Het zoeken naar deze warmtebronnen zal, indien aan de orde, in samenwerking zijn met buurgemeenten waar mogelijk (ook) alternatieve warmtebronnen ingezet kunnen worden (zoals geothermie). • AEB/Warmtenet Amsterdam Voor een aantal gemeenten (Zaanstad, Oostzaan en Landsmeer) is de aansluiting op het warmtenet van Amsterdam een optie om te overwegen voor de toekomstige verduurzaming van de gebouwde omgeving.

RES 1.0

Noord-Holland Zuid

74

4

Vervolgstappen na de RES 1.0 RES 1.0

Noord-Holland Zuid

75

Na vaststelling van de RES 1.0 werken gemeenten door om de zoekgebieden verder uit te werken, worden de uitkomsten van de RES 1.0 verwerkt in de uitvoeringsinstrumenten van het omgevingsbeleid en wordt een regionaal uitvoeringsprogramma opgesteld. De RES is een continu proces. Bekijk de tijdlijn van de RES tot aan 2030 en 2050 op de website van NP RES. Elke twee jaar doorlopen de betrokken overheden in de regio de RES opnieuw. Verloopt de uitvoering volgens planning, moet er worden bijgestuurd of moeten er nieuwe projecten worden opgenomen? Ook kunnen op deze manier nieuwe (technologische) ontwikkelingen worden meegenomen. Op basis van dit gezamenlijke proces wordt een nieuwe RES gemaakt (RES 2.0 en verder). In dit proces is opnieuw ruimte voor inwoners en belanghebbenden om hun stem te laten horen.

“Draagvlak creëer je niet, het ontstaat als je mensen eigendom en zeggenschap geeft. En daarin is nog veel werk te doen.” Aernoud Olde, lid van VEINH en van de stuurgroep RES Noord-Holland Zuid (bron: website Energieregio NHZ)

RES 1.0

Voortzetten van samenwerking De RES 1.0 is tot stand gekomen na een intensief samenwerkingstraject van overheden, netwerkbeheerders en maatschappelijke organisaties. Deze samenwerking wordt door alle partijen gewaardeerd en als waardevol beschouwd. Om de opgenomen ambities en afspraken in de RES verder te brengen is het van belang deze samenwerking te continueren. Naast samenwerking met lokale en regionale partijen, wordt ook de samenwerking met het Rijk verder gebracht. Dit gebeurt zowel via het Nationaal Programma RES als via het programma Opwekking van Energie op Rijksvastgoed (OER).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://beemsterraadsinformatie.purmerend.nl/api/v1/meetings/1358/documents/17687