CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Woudse Erven I_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 21 april 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Woudse Erven.21.547 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

"Woudse Erven I" (vastgesteld)

Woudse Erven I

Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Uit toelichting paragraaf 4.2.1.2 blijkt dat het plangebied niet in het GNN of de GO ligt. Een nadere toetsing is derhalve niet aan de orde.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven en daarna het gemeentelijk beleid. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord.

Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.

Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.

Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte.

"Woudse Erven I" (vastgesteld)

25

Woudse Erven I

Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.

Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. De dichtstbij gelegen risicobron bevindt zich op een afstand van circa 380 m en betreft een propaantank. Voor deze inrichting geldt een risicoafstand (PR 10-6) van 50 m. Er bevinden zich verder geen gevaarlijke transportroutes, buisleidingen of risicovolle inrichtingen in de nabijheid van het plangebied. Gesteld wordt dat externe veiligheid hier geen relevant milieuaspect is. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.

De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009".

Beoordeling plangebied Binnen het plangebied is een nieuwe weg beoogd en er worden nieuwe woningen gerealiseerd. De gevels van de nieuwe woningen binnen het plangebied ondervinden een geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. Ook zullen enkele bestaande woningen een geluidsbelasting ondervinden ten gevolge van de nieuwe weg. Daarom is er door SPA WNP ingenieurs (23 oktober 2019, zie Bijlage 7) een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek worden navolgend beschreven. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de nieuwe Burg. van Diepeningenlaan op alle bestaande woningen maximaal 47 dB bedraagt. Dit is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB conform de Wet geluidhinder. Daarnaast is de geluidbelasting op de nieuwe woningen maximaal: 53 dB ten gevolge van de nieuwe ontsluitingsweg Burg. van Diepeningenlaan. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar lager dan de maximale ontheffing van 58 dB (nieuwe weg/nieuwe woningen); 26

"Woudse Erven I" (vastgesteld)

Woudse Erven I 40 dB ten gevolge van de Lunterseweg. Dit ligt ruim lager dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder; 46 dB ten gevolge van de Nederwoudseweg (30 km-weg). Dit is lager dan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder, zoals deze geldt voor gezoneerde wegen. Op basis hiervan wordt gesteld dat de geluidbelasting ten gevolge van deze 30 km-weg aanvaardbaar is. Alleen ten gevolge van de Burg. van Diepeningenlaan, kan de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeurswaarde van 48 dB. Deze voorkeurswaarde wordt bij het appartementengebouw en bij 2 grondgebonden woningen overschreden. Gezien de situatie en de berekende waarden zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om de geluidbelasting bij de nieuwe eerstelijns woningen te reduceren tot maximaal 48 dB. Om deze woningen te kunnen realiseren, moet de gemeente Barneveld hogere waarden, ten gevolge van het wegverkeerslawaai op de Burg. van Diepeningenlaan, vaststellen en vastleggen in het kadaster. De grondgebonden woningen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte. Hiermee wordt voldaan aan de inspanningsverplichtingen uit het geluidbeleid van de gemeente. Het appartementengebouw kan zodanig ingedeeld en ontworpen worden, dat ieder appartement een geluidluwe gevel en buitenruimte heeft.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Onderhavig plangebied maakt onderdeel uit van 'Zoekgebieden woningbouw in de gemeente, te weten Veller en De Burgt', waarvoor een hogere waarde voor de geurbelasting van een veehouderij is vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Beoordeling plangebied In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee varkenshouderijen welke mogelijk geurhinder kunnen veroorzaken. Deze bedrijven zijn gevestigd aan de Nederwoudseweg 66 en Nederwoudseweg 70-72. De afstand van het plangebied tot het agrarische bouwvlak van deze bedrijven bedraagt ongeveer 80 m. Het plangebied maakt in de 'Structuurvisie Kernen Barneveld 2022' onderdeel uit van 'zoekgebied wonen', waarvoor de gemeente een hogere waarde voor de geurbelasting van een veehouderij heeft vastgesteld. In dit gebied is de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij vastgesteld op 8 ou/m³. Omgevingsdienst De Vallei heeft aangegeven dat tot voor kort op Nederwoudseweg 70 dieren vergund waren met een geuremissie van 12.953 ou. Sinds oktober 2019 is er een nieuw vergunde situatie waarbij een belangrijk deel van de dieren op een luchtwasser zijn vergund. Dit omdat de varkens per 1-1-2020 aan het Besluit emissiearme huisvesting dienen te voldoen. De huidige geuremissie is bepaald op 7.750 ou. "Woudse Erven I" (vastgesteld)

27

Woudse Erven I

De omgevingsdienst heeft een geurberekening gemaakt met het programma V-Stacks vergunning, waarbij gerekend is via de zgn. omgekeerde werking (zie Bijlage 14 en Bijlage 15). Alle geur op de hoek van de nabijgelegen stal (stal 4) is hierbij berekend als worst-case situatie. Hieruit blijkt dat ruimschoots kan worden voldaan aan de gestelde norm van 8.0 ou/m³. Daarmee wordt voldaan aan normstelling van de gemeentelijke Verordening geurhinder en veehouderij. Verder kan worden opgemerkt dat er voor het gebied waar de twee bedrijven zich bevinden plannen zijn voor ontwikkeling van woningbouw in de nabije toekomst . Daarmee komen beide varkensbedrijven op termijn te vervallen. Gesteld kan worden dat de bedrijven geen belemmering vormen voor onderhavig plan.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwik keling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Het Bro regelt thans dat 'de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling.

Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'. Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ladder verder te worden doorlopen. Indien dit niet het geval is, dan is de ladder niet verder van toepassing dan wel kan niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking worden voldaan. 1. 2. 3. 4. 5.

Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

Hieronder de antwoorden op bovenstaande vragen: 1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' d.d. 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie is aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van 131 woningen mogelijk. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen. 2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de eerder genoemde 'overzichtsuitspraak' blijkt dat van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling kan worden 28

"Woudse Erven I" (vastgesteld)

Woudse Erven I gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling blijkt dat er sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het plangebied 'Woudse Erven I' kent thans in hoofdzaak een agrarische bestemming. Gronden met deze bestemming zijn met name bedoeld voor bedrijven met een agrarische bedrijfsvoering. Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van 131 woningen mogelijk. Op basis van het bestemmingsplan 'De Burgt - Veller e.o.' is het niet mogelijk om binnen het onderhavige plangebied een samenhangend nieuw woongebied te ontwikkelen. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologische beslag op de ruimte plaats. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen. 3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat, indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om de kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in strijd met art.

3.1.6, tweede lid van het Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar één of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten.

Kwantitatieve behoefte Uit jurisprudentie blijkt dat de behoefte aan woningen kan worden onderbouwd met gebruikmaking van regionale woningbouwafspraken. Regionale bouwafspraken zijn vastgelegd in de regionale notitie 'advies toedeling woningbehoefte regio Foodvalley' (okt. 2017, tabel 2). Deze is als zodanig overgenomen in het uitvoeringsplan Regionale Woonagenda 2.0, regio Foodvalley (jan. 2018). De kwantitatieve opgave voor de periode 2017-2027 op circa 17.000 woningen geraamd, waarvan minimaal 3.500 woningen voor gemeente Barneveld. Op basis van jaarlijkse huishoudensprognoses worden deze cijfers geactualiseerd. Voor de gemeente Barneveld is er in de periode 2020-2030 een minimale toename van ruim 2.850 huishoudens te verwachten. Maar ook in de periode daarna zal Barneveld nog verder groeien. De nieuwe provinciale PRIMOS prognoses van 2019 geven een doorkijk van de bevolkings- en huishoudensontwikkeling tot 2049. Ten aanzien van de bevolkingsontwikkeling is er sprake van een lichte positieve afwijking. Zo wordt het inwonertal in 2025 circa 1.000 personen hoger geraamd dan op basis van de oudere prognose en telt Barneveld in dat jaar ruim 62.600 inwoners. Rond 2040 wordt een inwonertal van 70.000 verondersteld. In de jaren daarna gaat het groeitempo eruit en wordt het inwonertal in 2049 rond 72.000 personen verwacht.

Gelet op het regionale woningbouwprogramma, het gemeentelijk woningbouwprogramma, zie toelichting, kan worden gesteld dat het onderhavige planvoornemen past binnen de kwantitatieve behoefte aan woningen in gemeente Barneveld.

Kwalitatieve behoefte Onderzoeksbureau RIGO heeft in 2019 op basis van het WoON2018 onderzoek een woningbehoefteonderzoek in opdracht van gemeente Barneveld uitgevoerd. Behalve genoemde kwantitatieve ontwikkelingen is ook op de kwalitatieve behoefte ingegaan. Dit heeft geresulteerd in de kwalitatieve behoefte die blijkt uit de volgende 2 tabellen:

"Woudse Erven I" (vastgesteld)

29

Woudse Erven I

Tabel 1. Woningbehoefte naar eigendom en type in 2019, 2030 en 2040 en ontwikkeling t.o.v. 2019 (bron: Woningmarktsimulatie RIGO)

Tabel 2. Woningbehoefte naar eigendom en prijsklasse in 2019, 2030 en 2040 en ontwikkeling t.o.v. 2019 (bron: Woningmarktsimulatie RIGO)

Het voorgenomen plan voorziet in de ontwikkeling van in totaal 131 woningen. Waarbij van het volgende programma wordt uitgegaan: type woning

aantal woningen

koop, huis, vrijstaand

6

koop, huis, twee-onder-een-kap

14

koop, huis, tussen/hoek

82

huur, appartement, sociale huur

22

huur, huis, sociale huur

7

totaal

131

30

"Woudse Erven I" (vastgesteld)

Woudse Erven I Tabel 3. Programma beoogde ontwikkeling

Doordat het voorgenomen plan bestaat uit een gevarieerd programma wordt ingespeeld op de woningbehoefte binnen de gemeente Barneveld. Het planvoornemen past daarmee tevens binnen de kwalitatieve behoefte aan woningen in Barneveld. 4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de wetstekst en de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat indien de 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' buiten 'bestaand stedelijk gebied' is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ex artikel 1.1.1 van het Bro verstaat onder 'bestaand stedelijk gebied': bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het voorgaande bestemmingsplan maakt slechts een beperkt stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, infrastructuur en groen mogelijk. Het gaat echter in belangrijke mate om agrarische bedrijfsvoering. Gelet daarop is het onderhavige plangebied voornamelijk gelegen buiten het 'bestaand stedelijk gebied' van de kern Barneveld. 5.

Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? De realisatie van 131 woningen door middel van inbreiding binnen de kern Barneveld ligt niet voor de hand. De kern Barneveld is relatief 'jong' en kent veel naoorlogse woningbouw. De grootste aantallen zijn vanaf de jaren zeventig gerealiseerd. Derhalve kent Barneveld weinig herstructurering en weinig (beschikbare) functieveranderingslocaties binnen de kern. Er is ook geen leegstand van bestaand vastgoed. Woudse Erven I speelt een belangrijke rol in het invullen van de kwantitatieve opgave die er ligt, naast de kwalitatieve overwegingen (behoefte). Er is zeer beperkt sprake van inbreidingslocaties zoals de ontwikkeling van De Enk (voormalige schoollocatie); hier worden in 2020 24 woningen opgeleverd. Dergelijke aantallen verhouden zich niet tot genoemde behoefte aan woning binnen de gemeente Barneveld. Gezien de beperkte inbreidingscapaciteit die de kern Barneveld (meer) heeft (relatief weinig leegstand en weinig functieveranderingslocaties) is woningbouw op een uitleglocatie noodzakelijk. De kern Barneveld kan derhalve enkel worden uitgebreid buiten bestaand stedelijk gebied. Onderhavige locatie wordt daarbij als geschikt aangemerkt, aangezien het aansluit op een bestaande buurt in Barneveld en de nabijheid van bestaande voorzieningen als sportvelden, basis- en voortgezet onderwijs.

De locatie ligt op fietsafstand van het centrum en van het NS-station. Bovendien is het plangebied als zoekzone voor wonen opgenomen in de vastgestelde Structuurvisie Kernen Barneveld 2022, zie toelichting. Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.8

Leidingen

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. "Woudse Erven I" (vastgesteld)

31

Woudse Erven I

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld. In dit geval is er geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit behoeft derhalve niet plaats te vinden. In relatie tot een goede ruimtelijke ordening zijn in navolgende tabel de achtergrondconcentraties (2017) van de componenten stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10), fijne fractie fijnstof (PM2,5) en elementair koolstof ter plaatse van het plangebied in opgenomen. Deze concentraties zijn bepaald met behulp Atlas Leefomgeving Stof

Jaar 2017

Grenswaarde

NO2

18,0

40

PM10

20,8

40

PM2,5

11,6

25

Uit de gegevens in de tabel blijkt dat de huidig berekende achtergrondconcentraties aan de luchtkwaliteit ruim lager zijn de grenswaarden. De luchtkwaliteit ter plaatse staat de beoogde ontwikkeling toe. Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan/wijzigingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. (Bij PAB) Voor een omgevingsvergunning die met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o van de Wabo mogelijk gemaakt kan worden, kan slechts een besluit-m.e.r.-plicht gelden, en geen plan-m.e.r.-plicht. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening.

Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden. Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan/wijzigingsplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan

32

"Woudse Erven I" (vastgesteld)

Woudse Erven I hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan/wijzigingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan/wijzigingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan/wijzigingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan/wijzigingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan/wijzigingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn.

Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is de activiteit niet m.e.r.-plichtig want de activiteit komt weliswaar voor op de lijst in onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage, maar de omvang van de activiteit ligt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D 11.2 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) en het onderhavige plan is geen project dat vanwege aard, omvang of ligging een aanzienlijk milieueffect zal hebben. Er kan daarmee volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; b. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Bij besluiten ten aanzien van waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt is artikel 7.19 van de Wet milieubeheer van toepassing. Met name lid 3, waarin wordt verwezen naar de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn, is hierbij relevant. Deze selectiecriteria zijn: 1. kenmerken van het project; 2.

plaats van het project; 3. kenmerken van de potentiële effecten. De plaats en kenmerken van het project worden in toelichting hoofdstuk 2 en 3 beschreven. De effecten van de ontwikkeling zullen met name betrekking hebben op ecologische aspecten en parkeer en verkeersaspecten. Mogelijke effecten op flora en fauna zijn nader onderbouwd in toelichting paragraaf 5.3. Om de effecten op flora en fauna zoveel mogelijk te beperken zal het advies dat genoemd is in het ecologisch onderzoek worden opgevolgd. Uit de berekening van de stikstofdepositie in aanlegfase en gebruiksfase blijkt dat er geen negatieve effecten zullen zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Potentiële effecten voor parkeren worden opgevangen door binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen te realiseren. Naar verwachting zullen de effecten voor verkeer geen problemen veroorzaken. De toename aan verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling kunnen worden opgevangen door de bestaande ontsluitingswegen en de beoogde weg aan de oostzijde van het plangebied. Bovendien maakt de ontwikkeling onderdeel uit van de (grote) woningbouwontwikkeling De Burgt in Barneveld zuid. Met de woningbouwontwikkeling ten noorden van het plangebied is reeds rekening gehouden met toekomstige woningbouw in het betreffende plangebied.

In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, water en ecologie in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 5. De toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria heeft uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven.

Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming "Woudse Erven I" (vastgesteld)

33

Woudse Erven I Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie toelichting) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale Staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen.In dit kader zijn voor dit plan de volgende bedrijven en aspect van belang: adres/inrichting

SBI-2008

milieucategorie (richtafstand)

werkelijke afstand

Nederwoudseweg 66, bouwbedrijf

251, 331

3.1 (50 m)

150 m

Nederwoudseweg 66, varkenshouderij

0146

4.1 (200 m)

150 m

Nederwoudseweg 70-72varkenshouderij

0146

4.1 (200 m)

105 m

Nederwoudseweg 66,groothandel ijzer- en metaalwaren

4674

2 (30 m)

80 m

Nederwoudseweg 23 c, sporthal

931

3.1 (50 m)

280 m

Nederwoudseweg 23, basisschool

852, 8531

2 (30 m)

300 m

Saparua 48, basisschool 852, 8531

2 (30 m)

30 m

Uit de gegevens in voorgaande tabel blijkt dat aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan met uitzondering van de varkenshouderijen. Voor deze bedrijven wordt er niet aan de richtafstand voor het aspect geur voldaan. Dit is nader toegelicht in toelichting paragraaf.Veiligheidszone ActiviteitenbesluitBinnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Het voorliggende initiatief voldoet aan de voorgeschreven afstand.ConclusieVanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

34

"Woudse Erven I" (vastgesteld)

Woudse Erven I

5.12

Natuur en landschap

Het onderhavig perceel betreft voormalige agrarisch percelen. Een deel van de agrarische opstallen in het plangebied worden verwijderd. De woonboerderij aan de Nederwoudseweg 80 met enkele opstallen blijft behouden. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast door het plangebied te voorzien van groenblauwruimtes waardoor het plangebied wordt opgesplitst in zes clusters. Daarnaast wordt er aan de oostelijke zijde van het plangebied een brede groenblauwstrook voorzien met een brede sloot. De bestaande sloten aan zowel de noord- als zuidzijde van het plangebied blijven behouden.

5.13

Veiligheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren in het kader van het inrichtingsplan en de benodigde omgevingsvergunningen.

Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.14

Verkeer en parkeren

Verkeer Het plangebied zal zowel aan de oostelijke als aan de westelijke zijde ontsloten worden. In het plangebied worden enkele wegen aangelegd ten behoeve van de nieuwe woningen. Alle wegen in het plangebied worden 30 km/uur en de vormgeving en inrichting wordt daarop afgestemd. Zo komen er op de centrale weg door het plangebied enkele verkeerplateau’s. Tevens wordt er een weg aangelegd waarmee het plangebied aan kan sluiten op het gebied ten zuiden van het plangebied waar ook woningbouwplannen liggen voor de toekomst. Daarnaast wordt er aan de oostzijde van het plangebied een nieuwe ontsluitingsweg aangelegd (Burg. van Diepeningenlaan, een 50 km/uur weg), waarmee het plangebied wordt ontsloten. Deze weg sluit in het noorden aan op de reeds bestaande Burg. van Diepeningenlaan. Bij de verdere ontwikkeling van De Burgt zal de Burg. van Diepeningenlaan worden doorgetrokken naar de Burg. Labreelaan. "Woudse Erven I" (vastgesteld)

35

Woudse Erven I

De woningen aan de Nederwoudseweg worden ontsloten vanaf die weg, waarbij de weg in het zuidwesten van het plangebied overgaat in een langzaam verkeer verbinding. De huidige aantakking van de Nederwoudseweg op de hoofdontsluitingsweg in het noordoosten wijzigt tevens in een fiets- en voetgangersoversteek ter plaatse van de bestaande hoeve op nummer 80, waarbij het autoverkeer voorrang heeft ten opzichte van het voet- en fietsverkeer. Voor motorvoertuigen wordt het plangebied ontsloten via de beoogde wegen binnen het plangebied en de nieuw te realiseren Burg. van Diepeningenlaan. Daarnaast zal de beoogde ontwikkeling voorzien in een uitgebreid stelsel aan voetpaden, waarmee verbinding wordt gelegd met omliggende woonwijken. In navolgende tabel is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling opgenomen volgens de gegevens van de CROW publicatie 381 'toekomstbestendig parkeren'. Hierbij is uitgegaan van een 'matig stedelijk' gebied in 'rest bebouwde kom'. type woning

verkeersgeneratie (gem)

aantal woningen

totale verkeersgeneratie

koop, huis, vrijstaand

8,2

6

49,2

koop, huis, twee-onder-een-kap

7,8

14

21,8

koop, huis, tussen/hoek

7,1

82

582,2

huur, appartement, midden/ goedkoop (incl. sociale huur)

3,6

22

79,2

huur huis, sociale huur

4,9

7

34,3

131

766,7

totaal

Verwacht wordt dat de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling gemiddeld circa 767 verkeersbewegingen per etmaal zal zijn. Met de nieuwe ontsluitingsweg, de beoogde wegen binnen het plangebied en de bestaande ontsluitingswegen zal er voldoende capaciteit zijn om de extra verkeersbewegingen van de beoogde ontwikkeling op te nemen. Bovendien zullen er met de beoogde ontwikkeling ten zuiden van het plangebied nog meer mogelijkheden komen voor de afwikkeling van het verkeer. In het ontwerp is tevens rekening gehouden met goede doorstroommogelijkheden. Door de mogelijkheid te creëren om op verschillende plekken in het plangebied rond te rijden worden opstoppingen voorkomen. Parkeren De gemeente Barneveld heeft voor haar gebied de Nota Parkeernormen opgesteld (2020), als actualisering van de nota uit 2015. Met de Parapluherziening Parkeernormen (7 maart 2018) is de nieuwe Nota Parkeernormen opgenomen in het vigerende bestemmingsplan 'De Burgt - Veller e.o.' In de nota is ook weergegeven hoe de parkeervoorzieningen bij woningen moeten worden berekend. In de navolgende tabel zijn de parkeernormen opgenomen. type woning

aantal woningen

parkeernorm

norm bewoners

norm bezoekers

pp bewoners

pp bezoekers

koop vrijstaand

6

2,3

2

0,3

12

1,8

koop twee 14 onder één kap

2,2

1,9

0,3

26,6

4,2

koop tussen/hoek

2,0

1,7

0,3

139,4

24,6

36

82

"Woudse Erven I" (vastgesteld)

Woudse Erven I

Huur huis sociale huur

29

totaal

131

1,7

1,4

0,3

40,6

6,7

218,6

39,3

Voor het aantal benodigde parkeerplaatsen is rekening gehouden aanwezigheidspercentages van bewoners en bezoekers. Volgens de aanwezigheidspercentages van de Nota Parkeernormen zijn er op een werkdag in de avond de meeste parkeerplaatsen nodig: 90% bewoners, 80% bezoekers. Op dat moment zijn er in totaal ((218,6*0,9) + (39,3*0,8 =)) 228 parkeerplaatsen nodig. In het plangebied zijn de volgende parkeermogelijkheden opgenomen, waarbij de in de Nota Parkeernormen genoemde voorwaarden voor de wijze van berekenen zijn gehanteerd: 1. 2. 3. 4.

Parkeervakken: 191 openbare parkeerplaatsen; 16 x ruimte voor 2 parkeerplaatsen: 32 parkeerplaatsen 9 x garage met lange oprit (ten minste 10 m, geldt als 2 parkeerplaats): 18 parkeerplaatsen; 13 x garage met korte oprit (geldt als 1 parkeerplaats): 13 parkeerplaatsen.

Op deze wijze zijn er binnen het plangebied (191+32+18+13=) 254 parkeerplaatsen beoogd. Er wordt daarmee voorzien in ruim voldoende parkeerplaatsen voor de beoogde ontwikkeling. Dit maakt het bovendien mogelijk om op enkele parkeerterreinen een groene invulling aan enkele parkeervakken te geven, uit een oogpunt van duurzaamheid, beeldkwaliteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Tevens zullen de parkeerplaatsen in halfverharding worden uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

5.15

Water

Voor de beoogde ontwikkeling is het 'Waterhuishouding en rioleringsplan Woudse Erven (fase 1)' opgesteld door Sweco (14 oktober 2019, zie Bijlage 8). Deze plannen zijn met Waterschap Vallei en Veluwe afgestemd. De resultaten worden navolgend beschreven. Gebiedsinventarisatie Maaiveldhoogte Het plangebied helt van (noord)oost naar (zuid)west. Aan de oostzijde liggen de maaiveld-hoogtes rond de NAP +9,20 m en aan de westzijde rond NAP +8,50 m. De hoogtes van de verkeersplateau's in de Nederwoudseweg ten noorden van het plangebied variëren van NAP +9,85 m tot 9,91 m. Bodemopbouw De bodemtextuur in het plangebied bestaat uit zand, matig fijn tot zeer grof zand, met een relatief goede doorlatendheid. Deze deklaag behoort tot de Formatie van Boxtel en bestaat uit kleiig of zandig veen. Geconcludeerd wordt dat infiltratie van hemelwater in het plangebied goed mogelijk is. Wel wordt geadviseerd om aanvullend de doorlatendheid van de bodem te bepalen op locaties van toekomstige wadi’s. Grondwater Een ander aandachtspunt is de grondwaterstand die op een aantal locaties dicht onder het maaiveld ligt. Om te voldoen aan de voorgeschreven ontwateringsdiepte is ophoging van het plangebied noodzakelijk. Oppervlaktewater Het plangebied is voor een groot deel omgeven door een C-watergang.

De watergang aan de noordzijde buigt af in zuidelijke richting en vormt ook de westelijke grens van de wijk. Op het punt waar de westelijke en zuidelijke watergang bij elkaar komen, krijgt de watergang een B-status. Deze watergangen zorgen voor de ontwatering van de Woudse Erven en de directe omgeving. Het water wordt voornamelijk afgevoerd naar een zijtak van de Modderbeek; met ‘zijtak’ wordt de watergang bedoeld die ten zuiden van de Burgt ligt. Het waterpeil in deze watergang is ongeveer NAP +7,00 m. De watergangen hebben een diepte die varieert van 0,5 m tot 1,0 m en staan een groot deel van het jaar droog. Randvoorwaarden toekomstige situatie "Woudse Erven I" (vastgesteld)

37

Woudse Erven I

Verhard oppervlak en waterberging De benodigde waterberging hangt af van het verhard oppervlak in het plangebied. In overleg met de gemeente is de particuliere verharding vastgesteld op 50% (dit is overigens het verhard oppervlak exclusief woningen en schuren). Voor de parkeervakken wordt halfverharding toegepast. De afspraak tussen de gemeente en het waterschap is dat bij toepassing van open verhardingstypen geen watercompensatie nodig is. Dit om het gebruik van open verhardingstypen te stimuleren. De parkeervakken beslaan een oppervlak van 2.428 m². De onderstaande tabel toont een overzicht van de verharding in de toekomstige situatie.

Het uitgangspunt dat de gemeente bij grootschalige nieuwbouwplannen hanteert, is dat de huidige situatie volledig onverhard is. De toename van het verhard oppervlak binnen het plangebied als gevolg van de ontwikkeling, bedraagt circa 3,0 ha. Na intern overleg bij de gemeente is besloten om niet meer de oude normen van 34 mm en 40 cm peilstijging te hanteren, maar de huidige normen van het waterschap. Deze normen zijn gebaseerd op een T=100 neerslaggebeurtenis, oftewel 87 mm in 24 uur. De afvoernorm voor stedelijk gebied bedraagt 1,5 l/s/ha (13 mm/dag) onder normale omstandigheden. Bij een T=100 neerslaggebeurtenis hanteert het waterschap tweemaal de geldende afvoernorm (26 mm/dag). Dit houdt in dat, na aftrek van een verliesterm van 1 mm, een compensatie van 60 mm nodig is. De bergingsopgave voor de Woudse Erven komt daarmee neer op 1.831 m³. De gemeente geeft aan een peilstijging tot maximaal 20 cm onder maaiveld te willen hanteren bij het dimensioneren van de waterbergingsvoorzieningen. De gemeente voert het beleid dat bij nieuwbouw een waterbergings- en infiltratievoorziening op particulier terrein wordt aangelegd. Deze voorzieningen hebben een minimaal volume van één kuub, maar bewoners kunnen ervoor kiezen om een grotere berging aan te leggen. Daarnaast is het wettelijk verplicht een bladvang in de regenpijp te plaatsen. In de praktijk blijkt dit niet overal te gebeuren.

Daarom wordt geadviseerd erop toe te zien dat regenpijpen worden voorzien van een bladvang.Bij zware belasting van het stelsel biedt een bladvang de mogelijkheid regenwater te laten uittreden. Door een grindkoffer rondom deze regenpijpen te plaatsen, heeft het water aanvullend de mogelijkheid te infiltreren en niet tot overlast te leiden. Aandachtspunten zijn: 1. De realisatie van de infiltratievoorziening is onderdeel van de bouw van de woning (door de perceeleigenaar) en niet van het bouw- en woonrijp maken van de openbare ruimte. 2. De perceeleigenaren zijn verantwoordelijk voor het goed blijven functioneren van de voorziening. De perceeleigenaar kan er daarom voor kiezen een zandvang/inspectieput te plaatsen, zodat de waterberging altijd toegankelijk blijft. 3. De in bijlage 5 voorgeschreven dimensies vereisen een minimale diepte van voortuinen van 2,5 m. Gevolg van dit voorschrift is dat bouwblokken met een kleinere diepte meer naar het midden van de kavel verplaatst moeten worden.In het stedenbouwkundig ontwerp zijn 109 woningen en een appartementencomplex met 22 appartementen voorzien. Bij een bergingsvolume van één kuub per woning, mag 109 m³ in mindering worden gebracht op de bergingsopgave; de restopgave komt daarmee neer op 1.722 m³. Achterpaden Voor de achterpaden heeft gemeente Barneveld een aantal uitgangspunten opgesteld.

De achterpaden zijn in beheer en onderhoud van de toekomstige (vereniging van) eigenaren. De eigenaren dienen de afwatering van het achterpad te regelen. De inrichting van de achterpaden wordt in een overeenkomst met de ontwikkelaar geregeld. Het advies is om het hemelwater (dat op de achterpaden valt of via de achtertuinen daar komt), op te vangen in infiltratiekolken en de hoogteligging zodanig te kiezen, dat bij extremen een 38

"Woudse Erven I" (vastgesteld)

Woudse Erven I waterstroom richting de openbare weg kan plaatsvinden. De infiltratiekolken moeten worden gereinigd door de eigenaren. Een standaard infiltratiekolk is 1,50 m diep en heeft een diameter van 315 mm. Daaromheen komt een laag van minimaal 30 cm draineerzand. Het advies is om in de achterpaden minimaal twee à drie kolken te plaatsen. Toekomstig watersysteem Matenplan De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) vormt het uitgangspunt voor het opstellen van het matenplan. Uitgangspunt voor de ontwateringsdiepte voor woningen met kruipruimte, secundaire wegen en woonstraat is 0,70 m. Dit betekent dat het plangebied in ieder geval moet worden opgehoogd tot NAP +9,70 m. Om het plangebied te laten aansluiten op aangrenzende woonwijken is gekozen voor integrale ophoging. Bij een minimaal hoogteverschil van 0,30 m tussen weg- en vloerpeil, komt het vloerpeil van de woningen daarmee op tenminste NAP +10,00 m te liggen.

Omschrijving toekomstig watersysteem Het toekomstige watersysteem bestaat uit de volgende onderdelen: vier watergangen: één ten noorden, één ten zuiden en één ten westen van het plangebied en een centraal gelegen watergang (de ’centrale ader’); deze loopt parallel aan de noordelijke en zuidelijke watergang; één watergang/bergingsvoorziening aan de oostzijde van het plangebied; vijf wadi’s in de aanwezige groenstroken, die voorzien zijn van een overstort, elk naar één van de watergangen. Uitgangspunt in het ontwerp is bovengrondse verwerking van hemelwater. De wegen in het plangebied liggen daarom op ’één oor’. Het water van het hele dakoppervlak van de woningen watert af naar één van de wadi’s of watergangen. De afwatering van de achtertuinen gebeurt als volgt: woningen, die grenzen aan een watergang lozen hier rechtstreeks op; achtertuinen die grenzen aan een achterpad wateren hierop af. Vanaf daar stroomt het water oppervlakkig naar een wadi of watergang al dan niet via een parkeerkoffer; het water afkomstig van achtertuinen die niet grenzen aan een achterpad zal van particulier terrein naar openbaar terrein stromen. De vulling van waterbergingsvoorzieningen bestaat, naast directe vulling, uit indirecte vulling. Overtollig water afkomstig van drie wadi’s komt in de centrale ader terecht.

Daarnaast is het voorstel om in de definitieve situatie een waterbergende voorziening in de middenberm van de ontsluitingsweg aan te leggen; dit is de weg die het plangebied in het oosten doorkruist in noord-zuidrichting. Hierbij valt te denken aan Rockflow, infiltratiekratten of een grindkoffer. Een slokop kan overtollig water afvoeren naar de oostelijke watergang. Om het water naar de middenberm te leiden, is het voorstel om beide weghelften op één oor te leggen. Het totale oppervlak van de ontsluitingsweg is 3.123 m². Overigens wijst de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden erop dat de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) adviseert om bij de wadi's rekening te houden met de gezondheidsrisico’s van verontreinigd water na hevige regenbuien. Van belang is dat de wadi's goed blijven functioneren; dat het opgevangen water snel infiltreert en dat er geen (mogelijk verontreinigde) sedimentresten achter blijven bij het instroompunt. De speeltoestellen kunnen om die reden, naar de mening van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden, het beste buiten de wadi worden geplaatst. Bergings- en infiltratiecapaciteit De totale bergingsopgave in het plangebied komt neer op 1.831 m³. Dit is inclusief de berging op particulier terrein (109 m³) en op een groen dak op het appartementencomplex (7 m³).

De bergingsopgave wordt ingevuld door 320 m³ in de wadi's, 720 m³ in de oostelijke watergang, 142 m³ in de centrale ader, 345 m³ in de zuidelijke watergang 345 en een infiltratiecapaciteit van de wadi's van 261 m³. In totaal voorziet het voorgenomen plan in een bergings- en infiltratiecapaciteit van 1.904 m³. Hiermee wordt voldaan aan de bergingsopgave van 1.831 m³. Rioleringsplan Centraal in het plangebied is een scheiding in de afstroomrichting aangebracht, waardoor ongeveer de helft van de woningen in westelijke richting afvoert en de helft in oostelijke richting. Het westelijk deel van het stelsel sluit aan op het bestaande stelsel in de Eilandenboog. In de toekomst wordt onder de ontsluitingsweg een riolering aangelegd die aansluit op het stelsel in de "Woudse Erven I" (vastgesteld)

39

Woudse Erven I Burgemeester Labreelaan. Een gedeelte van de aanleg vindt plaats tijdens de realisatie van Woudse Erven fase 1. Uiteindelijk voert het oostelijk deel van Woudse Erven af via dit riool. Het appartementencomplex sluit aan op het gedeelte van het hoofdriool in de ontsluitingsweg dat wordt aangelegd tijdens de realisatie van Woudse Erven fase 1. De gemeente heeft de wens om de ontsluitingsweg op korte termijn te realiseren. Echter, als realisatie op korte termijn niet mogelijk, wordt het oostelijk deel tijdelijk aangesloten op het stelsel in de Nederwoudseweg. Om de afvoer in de tijdelijke situatie in dit stelsel te krijgen is een persleiding (Ø110 mm) met een pomp (capaciteit 12,6 m³/uur) nodig. Maatgevend voor de pompcapaciteit is de minimale transportsnelheid in de persleiding van 0,7 m/s. De locatie van het gemaal ligt net ten zuiden van het appartementencomplex in een groenstrook. De persleiding is gesitueerd in de middenberm van de ontsluitingsweg. Het stelsel is op meerdere locaties vermaasd; dit om problemen te voorkomen, wanneer één van de afvoerroutes verstopt raakt. Duurzaamheid Met het voorgenomen plan wordt getracht een duurzaam watersysteem te realiseren. Dit houdt in dat de waterhuishouding zichzelf, zonder teveel ingrepen en met het oog op een veranderend klimaat blijft functioneren.

Er wordt aan de volgende ingrepen gedacht: Verwilderde wadi's Eén van de ingrepen betreft het beplanten van groenvlakken en wadi’s. Vaak wordt voor wadi’s en groenstroken een inrichting gekozen met het karakter ‘(verlaagd) grasveld’. Een duurzamere optie is het beplanten van groenstroken en wadi’s met bijvoorbeeld kruiden en inheemse soorten; het laten verwilderen van de begroeiing. Het voordeel is dat de begroeiing water verbruikt en verdampt. Groene vlakken worden op warme dagen minder heet dan met klinkers en asfalt verharde oppervlakken. Daardoor heeft het een positief effect met het oog op hittestress. Groen parkeren Een andere ingreep is het toepassen van halfverharding op parkeerterreinen. Door voorziene verharde oppervlakken zoals de parkeerkoffers (deels) te voorzien van halfverharding, krijgt water de kans in de bodem te trekken. Dit ontziet de wadi’s en watergangen, waardoor het geheel robuuster wordt. Doordat het appartementencomplex wordt voorzien van een groen dak ontstaat er een bergingscapaciteit van 7 m³. Hiermee is het mogelijk te voorzien in een deel van totale bergingsopgave. Stimuleren van groen op particuliere terreinen en daken Voordat regenwater het openbaar terrein bereikt, is het op (particuliere) daken, achtertuinen en opritten gevallen. 60 tot 70% van de ruimte, waarvan afstroming van regenwater plaats vindt, is in handen van particulieren.

Eigenaren worden in Barneveld gehouden één kuub waterberging op eigen terrein aan te leggen. Dit zorgt al voor een vermindering van de opgave waarvoor de gemeente staat. Het scala aan mogelijkheden op particulier terrein is echter veel groter. Te denken valt aan groene daken (platte daken, maar ook mogelijk op hellende daken), regenwateropvang en gebruik door middel van regentonnen en het stimuleren van groene tuinen. In de overeenkomst met de projectontwikkelaar is het gebruik van een regenton vastgelegd. In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen in principe geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast. Er zijn voldoende milieuvriendelijke alternatieven die vergelijkbaar zijn wat betreft uitstraling, gebruiksgemak, levensduur en onderhoud. Indien vanwege zwaarwegende argumenten toch uitlogende materialen worden voorgesteld, is de voorwaarde dat ze jaarlijks gecoat worden om diffuse waterverontreinigingen te voorkomen. Conclusie De benodigde waterberging hangt af van het verhard oppervlak in het plangebied. In overleg met de gemeente is de particuliere verharding vastgesteld op 50% (dit is overigens het verhard oppervlak exclusief woningen en schuren). Voor de parkeervakken wordt halfverharding toegepast.

De afspraak tussen de gemeente en het waterschap is dat bij toepassing van open verhardingstypen geen watercompensatie nodig is. Dit om het gebruik van open verhardingstypen te stimuleren. De gemeente voert het beleid dat bij nieuwbouw een waterbergings- en infiltratievoorziening op particulier terrein wordt aangelegd. Deze voorzieningen hebben een minimaal volume van één kuub, maar bewoners kunnen ervoor kiezen om een 40

"Woudse Erven I" (vastgesteld)

Woudse Erven I grotere berging aan te leggen. Daarnaast wordt ook gedacht aan infiltratievoorzieningen in de voortuinen bij woningen. Voorts worden in de overeenkomst met de projectontwikkelaar regels opgenomen over de afwatering van achterpaden en het verplichte gebruik van een regenton.De watergangen aan de noord-, zuid- en westzijde van het plangebied wordt mogelijk gemaakt binnen de bestemming 'Groen'. Tevens zullen de beoogde wadi's binnen de bestemming 'Groen' mogelijk zijn. De watergang/bergingsvoorziening aan de oostzijde van plangebied zal specifiek als water worden bestemd. De afstemming over de voorliggende waterparagraaf heeft plaatsgevonden in het kader van het vooroverleg. Gesteld kan worden dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect 'water'.

"Woudse Erven I" (vastgesteld)

41

Woudse Erven I

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECT EN

Juridische aspecten

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=41bfc6cc-0c18-42c4-a399-53786cfa4ca6