Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting
Tekst van het document
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012 aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 5). Hieruit blijkt dat de genoemde soorten niet in het plangebied voorkomen. Het plan voldoet aan de Wet Natuurbescherming. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Indien er verlichting nodig is tijdens de werkzaamheden dan dient dit zo spaarzaam mogelijk te zijn, de verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn.
Indien er bewakingsverlichting op de projectlocatie noodzakelijk is dan mag deze verlichting enkel uit amberkleurig licht bestaan met een gebundelde straal naar beneden en zonder lichtuitstraling naar de omgeving. 5.3.1.3
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Er zijn vooralsnog geen plannen voor de kap van bomen. Wel zal er zorgvuldig omgegaan moeten worden met de te behouden bomen welke in het plangebied aanwezig zijn.
De sloopwerkzaamheden hebben mogelijk impact op de rood omcirkelde boom op welke is te zien op de foto. Uitgangpunt moet zijn om de boom duurzaam te behouden. Indien de boom moet worden gekapt, dan moet hier mogelijk een kapvergunning voor worden aangevraagd. Een kapvergunning is nodig indien de "Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
25
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012 boom op een hoogte van 1.30 meter en diameter heeft van ten minste 25 cm. Tijdens de bouw- en sloopwerkzaamheden moeten er voldoende maatregelen worden genomen om de bomen te beschermen zodat deze duurzaam in stand worden gehouden. De richtlijnen voor het werken rondom bomen (zie Bijlage 6) moeten worden nageleefd. 5.3.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones
Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO. Het plangebied grenst wel aan een GNN gebied. Dergelijk gebied heeft geen externe werking, maar bij uitvoering van sloop- en bouw werkzaamheden dient er wel rekening gehouden te worden met bijvoorbeeld lichtuitstraling. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor vaststelling van het bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet 26
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012 er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid' vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.
In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. Planspecifiek De nieuwe woningen zijn op grond van de Wet geluidhinder een geluidgevoelige bestemming. Er zijn echter geen relevante geluidbronnen aanwezig die een mogelijke belemmering vormen voor de realisatie van de woningen. Geluidbronnen als bedrijven, wegen en spoorwegen zijn op een dusdanige afstand gelegen dat hiervan geen overschrijding van voorkeursgrenswaarden zal plaatsvinden. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit plan.
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt.
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
27
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Om te beoordelen of veehouderijen in de omgeving niet onevenredig is hun belangen worden geschaad moet rekening worden gehouden met eventuele uitbreidingsmogelijkheden. Dit betekent dat voor geur getoetst moet worden vanaf de rand van het bouwvlak. In dit geval ligt het plangebied buiten de bebouwde kom. Volgens de geurverordening geldt een voorgrondnorm van 14,0 ouE/m3. De te realiseren woningen zijn geurgevoelige objecten. Vaste afstanden Volgens de Wet geurhinder en veehouderij dient bij nieuwe woningen die opgericht worden een afstand van 50 meter in het buitengebied te worden aangehouden ten opzichte van veehouderijen. Om rekening te houden met eventuele ontwikkelingsmogelijkheden moet daarom 50 meter afstand aangehouden worden tussen de rand van het bouwvlak van het geurgevoelige object en de veehouderij. Daarnaast dient altijd 25 meter afstand aangehouden te worden tussen de gevel van de dichtstbijzijnde stal en de gevel van de woning. De rand van het bouwvlak van de veehouderij op de Veenburgerweg 5 ligt op ongeveer 110 meter afstand van de gewenste woonbestemming. Geurbelasting (voorgrondbelasting) De te realiseren woningen betreffen ruimte- voor ruimte woningen.
Daarvoor gelden volgens de Wgv alleen vaste afstanden tot aan stallen van veehouderijen. Daarom hoeft niet getoetst te worden aan de voorgrondbelasting van geur. Als aan de vereiste afstanden wordt voldaan worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de dichtstbijzijnde veehouderij niet beperkt door het voorgenomen plan. Conclusie Er wordt voldaan aan de vereiste afstand. De ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen worden daarom niet beperkt door het voorgenomen plan. Beoordeling woon- en leefklimaat Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook beoordeeld of sprake is van een goed woon-en leefklimaat. Voor het woon- en leefklimaat nabij een veehouderij de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting (vanwege een nabijgelegen veehouderij) als de achtergrondbelasting (vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen) kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Toetsing In dit geval is met name de veehouderij op Veenburgerweg 5 bepalend voor de geurbelasting; er liggen geen andere veehouderijen in de directe omgeving. De voorgrondbelasting bedraagt naar verwachting meer dan de helft van de achtergrondbelasting.
Berekening voorgrondbelasting De voorgrondbelasting is berekend op de dichtstbijzijnde hoekpunt van het plangebied. Voor de berekening 28
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012 is gebruik gemaakt van het programma V-stacks vergunning (V-2020) met de vergunde stalgegevens van de dichtsbijgelegen veehouderij. Resultaten De berekende voorgrondbelasting van geur op het hoekpunt is 8,4 ouE/m3. Ter plaatse van de beoogde woningen, verder weg gelegen, zal de voorgrondbelasting lager zijn. Beoordeling In 2002 heeft de GGD een richtlijn Geurhinder opgesteld waarin een tabel is opgenomen met een beoordeling welke milieukwaliteit hoort bij een bepaald percentage geurgehinderden. Eerder al was in een ruim opgezet onderzoek door PRA Odournet onder 2000 respondenten bepaald welke percentage geurgehinderden te verwachten is bij een bepaalde geurbelasting. Deze twee gegevens samen leveren de volgende tabel op: Tabel: Referentiewaarden Voorgrondbelasting geur
Mogelijke kans op geurhinder
Beoordeling leefklimaat
ouE/m³
%
1
<5
Zeer goed
1,5 – 3,5
5 – 10
Goed
4 – 6,5
10 - 15
Redelijk goed
7 - 10
15 – 20
Matig
11 – 14
20 – 25
Tamelijk slecht
15 – 18tot 18 Ou/m³
25 – 30
Slecht
19 – 25
30 – 35
Zeer slecht
Het leefklimaat van de nieuwe woningen is te typeren als matig. Dit is acceptabel voor het buitengebied. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De achtergrondbelasting van geur vormt geen belemmering voor dit plan. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwik keling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De realisatie van twee woningen valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor dit plan. "Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
29
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie De aspecten leidingen en laagvliegroutes vormen geen belemmering voor dit plan.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied (realisatie van twee woningen) zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen (NIBM). Daarnaast is nog enige sprake van activiteiten met wat rijdend materieel van natuurmonumenten van en naar de opslag waar dit materieel zich bevindt. Dit aantal bewegingen kan eveneens als beperkt worden beschouwd en zal de NIBM grens niet overschrijden. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen op de luchtkwaliteit hoeven niet in beeld te worden gebracht. Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe woningen, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
In de omgeving liggen geen veehouderijen met een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar). Ook ligt het plangebied niet vlakbij een Rijksweg of Provinciale weg. Er is daarom geen berekening gemaakt van de luchtkwaliteit. De verwachting is dat aan de grenswaarden van de Wet Milieubeheer wordt voldaan Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden. 30
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk.
Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is het bestemmingsplan / de activiteit niet via dit spoor m.e.r.-plichtig want de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. De bouw van twee woningen valt niet onder het begrip stedelijke ontwikkeling als bedoeld in Bijlage D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie is gebleken dat niet iedere ontwikkeling van woningen valt onder het begrip stedelijke ontwikkeling. Kleinschalige woningbouwprojecten vallen niet onder dit begrip. Dat geldt ook voor de bouw van twee woningen. De conclusie is dat het plan om twee woningen te bouwen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). Conclusie: Er is geen milieueffectrapportage nodig.
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
31
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Planspecifiek: De dichtstbijzijnde bedrijfsbestemming bevindt zich aan de Veenburgerweg 18 (milieucategorie 3.2, richtafstand 100 m). De daadwerkelijke afstand bedraagt ongeveer 200 m. Er bevinden zich geen andere bedrijven in de nabijheid van het plangebied. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden.
Dit plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Er wordt voldaan aan de voorgeschreven afstand van 4 meter die geldt voor beperkt kwetsbare objecten. Liander heeft op 17 oktober 2023 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
Voorliggend plan voorziet in een flinke afname van de hoeveelheid bebouwing en verharding. Er wordt daarnaast een zeer ruime landschappelijke inpassing gerealiseerd door het aanplanten van bomen, hagen en bosages, zoals aangegeven op het inpassingsplan in Bijlage 1 en Bijlage 2 van de regels van dit bestemmingsplan. Conclusie: Het aspect natuur en landschap vormt geen belemmering voor dit plan.
5.13
Ontplofbare oorlogsresten
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat planlocatie niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop het plangebied is te zien.
32
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding: uitsnede OO-belastingkaart Conclusie Het aspect ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor het plan.
5.14
Veiligheid en gezondheid
Veiligheid Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid' een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
5.15
Verkeer
Er is ruimschoots voldoende plek voor parkeergelegenheid op eigen terrein. Voor de ontsluiting van de twee nieuwe woningen wordt gebruik gemaakt van de bestaande inrit naar de Veenburgerweg. Conclusie: Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit plan.
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
33
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
5.16
Water
Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Huidige situatie Het Perceel van veenburgerweg 4 betreft een perceel met de functie wonen met agrarische nevenactiviteit. Hierop staat een woning en een tweetal schuren/bijgebouwen. Het perceel Veenburgerweg 12 en 12A te Zwartebroek betreft een agrarisch perceel met intensieve veehouderij. Op dit perceel staan twee woningen met meerdere bijgebouwen en schuren t.b.v. de veehouderij. Beide percelen zijn aangesloten op drukriolering. Daarnaast liggen er naast beide percelen enkele C-watergangen. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal er aan de Veenburgerweg 4 enkel de functie worden aangepast.
Op dit perceel zal de aanduiding 'agrarische nevenactiviteit' verwijderd worden van het perceel.Op het perceel van de Veenburgerweg 12/12A worden de agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt en op een paar bijgebouwen na die worden gebruikt ten behoeve van Natuurmonumenten voor opslag. Op het perceel veenburgerweg 12/12A worden twee woningen gerealiseerd inclusief bijgebouwen en verharding. Voor deze toename aan verhard oppervlak moet compenserende waterberging gerealiseerd worden op eigen terrein met een minimum van 30 mm per vierkante meter verharding. Gesloopte bebouwing mag niet in mindering worden gebracht. De berging zal plaats vinden middels een wadi van ongeveer 10 m3 per nieuwe woning. Een overstort hiervan zal plaatsvinden in de nabijgelegen C-watergangen. De nieuwe woningen kunnen worden aangesloten op het drukriool. Omdat het hier gaat om drukriolering is het niet toegestaan om hemelwater aan te sluiten op de riolering. Bij de realisatie van het plan wordt geadviseerd uit duurzaamheidsoogpunt geen uitlogende bouwmaterialen te gebruiken. De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap. Conclusie: Het aspect water vormt geen belemmering voor dit plan.
34
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECT EN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Deze regels zijn opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP). Dit is een landelijke norm die onderdeel uitmaakt van de 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is.
Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. De regels van hoofdstuk 2 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" worden niet herzien. De verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" is op de locatie gewijzigd zoals aangegeven in artikel 4.2.
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen. 6.4.1
Schakelbepaling
In Artikel 4 van de regels bij deze partiële herziening is een schakelbepaling opgenomen, waarin nader is aangegeven wat er op de verbeelding verandert. "Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
35
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
6.4.2
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soorten gebiedsaanduidingen zijn toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' 6.4.2.1
Voorwaardelijke verplichtingen
Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In artikel 6.1.1 van de regels van deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van het realiseren van de landschappelijke inpassing. In artikel 6.1.2 van de regels van deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de sloop van de voormalige agrarische bebouwing. In artikel 6.1.3 van de regels van deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van het saneren van de geconstateerde bodemverontreiniging.
6.5
Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.
6.6
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.
In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 36
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
37
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 7
ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Doordat er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Bro, behoeft er op grond van artikel 6.2.1a, onder b Bro in dit geval geen exploitatieplan vastgesteld te worden. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.
38
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 12 oktober 2023 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.
8.1
Participatie
Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld. Het beleid onderscheidt drie sporen: 1. Participatie bij ruimtelijke initiatieven; 2. Participatie bij initiatieven van de overheid; 3. Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. Het beleid is in werking getreden op 1 januari 2023, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet (op 1 januari 2024). In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.
Meeweten | informeren Meedenken | raadplegen Meewerken | adviseren Meebepalen | co-creatie
In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven van het beleid relevant. Bij spoor 1 is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de participatie. Zolang spoor 1 niet in werking is getreden, stimuleren we als gemeente participatie en veel initiatiefnemers passen participatie ook toe. Dat is in dit geval wel van toepassing. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat de naaste omwonenden zijn geïnformeerd over dit plan.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Verder is er geen sprake van provinciale belangen, zodat ook is afgezien van vooroverleg met de provincie Gelderland. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan derhalve worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van "Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
39
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012 de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.
8.3
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan. Voorliggend plan is een kleinschalig plan, waarbij geen sprake is van grote maatschappelijke of politieke belangen. Er heeft daardoor geen inspraak plaatsgevonden in de vorm van een voorontwerp bestemmingsplan.
8.4
Zienswijzen
Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend.
40
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlagen bij de toelichting
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
41
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlage 1 Lijst planwijzigingen Het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" (IMRO-idn. NL.IMRO.0203.1056-0004), welk bestemmingsplan is vastgesteld op 28 mei 2013 (en onherroepelijk geworden op 16 september 2015), is inmiddels gewijzigd door het college, herzien door de raad en gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. In eerste instantie is een tweetal uitspraken verwerkt: de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ABRvS 29 april 2015, zaaknummer 201307247/1/R2, 201305071/1/R2, 201305215/1/R2 en 201402967/1/R2; de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ABRvS 16 september 2015, zaaknummer 201307247/5/R2. Daarnaast is het intrekkingsbesluit "Wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" door het intrekken van enkele onderdelen" (IMRO-idn. NL.IMRO.0203.IB1056-0001), vastgesteld op 11 november 2014, verwerkt, waardoor enkele onderdelen (diverse locaties) van het moederplan "Buitengebied 2012" zijn ingetrokken. Daarnaast is het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" inmiddels vervangen door een aantal bestemmingsplannen (met op zichzelf staande bestemmingsplanregelingen, de zogenaamde postzegelplannen) en tevens een provinciaal inpassingsplan "Rondweg Voorthuizen N303" (met IMRO-idn. NL.IMRO.9925.IPN303Voorthuizen-VST1).
Deze plannen zijn niet relevant, in die zin dat ze geen planologische gevolgen hebben, voor voorliggend plan. Verder is een aantal uiteenlopende wijzigingsplannen door het college - met toepassing van de binnen het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" opgenomen wijzigingsbevoegdheden - en partiële herzieningen door de raad vastgesteld en verwerkt. De wijzigingsplannen en een deel van de partiële herzieningen zijn op perceelsniveau doorgevoerd en hebben geen directe invloed op (op het gehele grondgebied van) voorliggend plan. De volgende partiële herzieningen zijn doorgevoerd, waarbij ook de regels van het moederplan c.q. het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" zijn gewijzigd en daarmee wel van invloed zijn op voorliggend plan: Naam partiële herziening
IMRO-identificatienummer
Datum vastgesteld
4e partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1268-0002
13-4-2016
Achterveldseweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1637-0002
20-4-2022
Apeldoornsestraat-Kieftveen, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1368-0002
14-12-2016
Bosbergerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1580-0002
3-2-2021
Dronkelaarseweg III, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1611-0002
26-5-2021
Elzenkamperweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1467-0002
4-7-2018
Essenerweg XVII, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1459-0002
8-2-2023
Esvelderweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1397-0002
30-1-2019
Esvelderweg-Vinkekampweg, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1484-0002
22-5-2019
Garderbroekerweg XXVII, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1726-0002
26-4-2023
Garderbroekerweg-Harskamperweg, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1371-0002
24-5-2017
Garderbroekerweg-Kapweg, partiële herziening Buitengebied NL.IMRO.0203.1692-0002 2012
8-2-2023
Grote Muntweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1414-0002
31-1-2018
Harremaatweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1366-0002
1-2-2017
Kapweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1623-0002
6-10-2021
42
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Kerkendelweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1440-0002
25-4-2018
Kerkweg III, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1510-0002
9-10-2019
Lange Zuiderweg V, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1475-0002
14-11-2018
Meentweg-Valkseweg, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1439-0002
7-3-2018
Overhorsterweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1485-0002
10-7-2019
Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie
NL.IMRO.0203.1515-0002
22-3-2023
Parapluherziening De Puurveense Molen
NL.IMRO.0203.1248-0002
30-9-2014
Parapluherziening Molenbiotopen
NL.IMRO.0203.1598-0002
21-4-2021
Parapluherziening functieveranderingsbeleid 2016 en woninginhoud
NL.IMRO.0203.1391-0002
5-7-2017
partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1241-0001
25-2-2014
Plaggenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1370-0002
1-2-2017
Plaggenweg IV, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1667-0002
31-5-2023
Sleedoornweg II, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1626-0002
6-10-2021
Tolnegenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1596-0002
18-3-2021
Tweede partiele herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1253-0003
8-7-2014
Vergroten inhoud woningen, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1376-0002
1-2-2017
Verzamelherziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1349-0002
8-11-2017
Vinkelaar II, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1421-0002
7-3-2018
Vrouwenweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1501-0002
10-7-2019
Welgelegenweg III, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1503-0002
10-7-2019
Zeumerseweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
NL.IMRO.0203.1529-0002
11-12-2019
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
43
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlage 2 T oelichting Natuurmonumenten
44
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlage 3 Stikstofberekening Veenburgerweg 12/12a Zwartebroek
"Veenburgerweg I, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
47
Toelichting stikstofberekening Veenbugerweg 12/12A Zwartebroek.
Geachte mevrouw, de heer,
Hierbij ontvangst u de resultaten van het onderzoek stikstofdepositie voor het perceel Veenburgerweg 12/12A te Zwartebroek.
De familie Top-Koster is voornemens het bedrijf te beëindigen en 2 extra woningen te realiseren. Het doel van dit onderzoek is het bepalen of de beoogde situatie leid tot een vergunningsplicht voor natura 2000 gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming.
Het perceel is gelegen op ca 9.400 meter van het natura 2000 gebied de Veluwe.
Ligging van het bedrijf tov de natura 2000 gebied. Het natura 2000 gebied arkemheen wordt niet meegenomen in de stikstofberekening in aerius. ( is niet gevoelig voor stikstof) In de bijlage bij deze toelichting is een Aerius berekening voor de bouw (aanlegfase) en de toekomstige gebruik hiervan opgenomen.
Aanlegfase: De opdrachtgever heeft een schatting gemaakt van de benodigde machine/werktuigen en draaiuren. In de berekening is ervan uitgegaan dat de aanlegfase ½ jaar duurt. In de aanlegfase zal de realisatie van de woningen plaatsvinden. Daarnaast zijn de sloop en grondwerkzaamheden opgenomen. Er zal vervoer van personen plaatsvinden (o.a. timmermannen, metselaars, elektriciens) alsmede aanvoer van bouwmateriaal (o.a.spanten, stenen) en werktuigen (o.a. hijskranen, graafmachines). De rijroute van het verkeer is
opgenomen vanaf de projectlocatie tot waar het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Vervoersbewegingen Conform de Instructie gegevensinvoer voor de AERIUS Calculator 2021 dienen de emissies met betrekking tot wegvoertuigen uitgesplitst te worden in vier categorieën. Deze worden navolgend beschreven : I: Externe vervoersbewegingen / heen- en terugrit II: Manoeuvreren op terrein III: Stationair draaien wegvoertuig (Vrachtauto staat stil, motor draait) IV: Interne vervoersbewegingen Alle overige mobiele werktuigen welke op het terrein gebruikt worden voor werkzaamheden, vallen ook onder categorie IV: interne vervoersbewegingen. Ad 1 Externe vervoersbewegingen en manoeuvreren wegvoertuigen op terrein Ten aanzien van de externe vervoersbewegingen geldt dat één voertuig gelijk staat aan twee bewegingen, er is namelijk telkens een heenrit en een terugrit. In navolgende tabel zijn de externe vervoersbewegingen verband houdende met de realisatiefase weergegeven. Deze zijn uitgesplist naar type transport.
De externe vervoersbewegingen betreffen de volgende bewegingen: - afvoer sloopmateriaal : 70 vrachtwagens ( totaal 1500m3 sloopafval) - Aanvoer beton: 10 vrachtwagens - Aanvoer spanten/gordingen: 4 vrachtwagens - Aanvoer stenen: 8 vrachtwagens - Aanvoer overige bouwmaterialen: 14 vrachtwagens en - Afvoer materiaal: 10 vrachtwagens / tractoren met kiepers - Bouwkraan: 6 keer - Graafmachines: 10 keer - Vervoer van personen: 260 keer - inclusief woonrijp maken aanleg riolering, aanleg kabels en inrichting landschap Tabel externe vervoersbewegingen aanlegfase Type werktuig
Categorie
Vervoersbewegin gen aanlegfase per jaar
Personenvervoer/
Licht verkeer
520
bestelauto
4/dag/ (26 weken x5dag
Aan-afvoer materialen
Middelzwaar verkeer
132
Aan en afvoer materialen
Zwaar verkeer
132
Ad 2: Het manoeuvreren van de wegvoertuigen over het erf is ingevoerd met een lijnbron met 100% file over het erf. Ad 3 : stationair draaien van wegvoertuigen binnen inrichting Stationaire draaiuren van de wegvoertuigen op het erf treden enkel op tijdens het lossen van beton en het laden van de puin die afgevoerd wordt. Het gaat hierbij om 20 minuten per vrachtwagen/tractor.
Dit is als volgt ingevoerd: 26 uur zwaar verkeer x 0,90= 0,023 kg/jaar 26 uur x 79,0392=2,05 kg nox Ad 4: interne vervoersbewegingen incl overige mobiele werktuigen Interne vervoersbewegingen aanlegfase Type werktuig
Vermogen
Bouwjaar
Draaiuren Verbruik project
Ad blue
Hijskraan
180KW
2019
28
560
33
Graafmachine
120KW
2019
60
900
54
Betonpomp
150 kw
2019
20
400
24
Shovel
150 kw
2019
40
800
48
Verreiker
130 kw
2019
20
400
24
Hierbij is gebruik gemaakt van de AUB rekenmethode2 (AdBlue, Uren, Brandstof) van TNO. Sinds AERIUS versie 2021 is dit de voorgeschreven rekenmethode voor de berekening van emissies van mobiele werktuigen. Indien het diesel-/brandstofverbruik en AdBlue verbruik niet bekend is kan deze met behulp van de AUB rekenmethode worden bepaald op basis van het aantal draaiuren, het vermogen en het bouwjaar van het werktuig. Conform de AUB rekenmethode is voor STAGE IV en Vklasse werktuigen (met een vermogen tussen 56 en 560 kW) 6% AdBlue van het dieselverbruik aangehouden.
Gebruiksfase: Bestaand Op het perceel is een vigerende natuurbeschermingsvergunning met zaaknummer 2012016614 voor het houden van 58 melkkoeien, 25 jongvee, en 990 biologische vleesvarkens. Dit geeft de volgende uitstoot: 58 melkkoe x 13= 754 kg nh3 25 jongvee x 4,4= 110 kg nh3 990 biologische vleesvarkens x 3= 2970 kg Totaal 3834 kg nh3 Verkeer: Licht verkeer: auto’s/bestelwagens, adviseurs, onderhoudsmonteurs e.d ca 4 per dag) Totaal 1460 totaal per jaar ½ = 730 van en naar west ½ =730 van en naar oost
Zwaar verkeer: Vrachtwagens voer brengen: 104/jaar Vrachtwagens brengen/halen /rundvee/varkens 100/jaar Vrachtwagens halen mest 200/jaar Vrachtwagens kadavers ophalen 26/jaar Vrachtwagens overig 20/jaar Totaal 450/jaar Manoeuvreren op het erf 1460 lichtverkeer 100% file over het erf 450 zwaar verkeer 100% file over het erf Interne vervoersbewegingen en laden lossen vrachtverkeer onder vollast Stikstofbronnen op de locatie tractor stage III A vermogen in KW 100 kw belasting, bouwjaar 2007 verbruik jaarbasis 1435 liter diesel stage III A vermogen in KW 100 kw belasting, bouwjaar 2015 verbruik jaarbasis 5000 liter diesel shofel < 50 kw 2011 verbruik jaarbasis 387 liter laden lossen vrachtverkeer onder vollast totaal 31 uur/jaar stationair draaiende voertuigen Totaal 225x 20 minuten per vracht= 4500 minuten = 75 uur X 79,03 gr nox /uur = 5,9 kg Nox 75 x 0,9= 0,0675 kg nh3 CV woonhuis bestaand : 4,3 kg nox Aanvraag: Licht transsport: Vervoersbewegingen 3 woningen x 8,6= 26 vervoersbewegingen per etmaal Middelzwaar: totaal 8 vervoersbewegingen per etmaal. zwaar verkeer = 50/jaar Het manoeuvreren van de wegvoertuigen over het erf is ingevoerd met een lijnbron met 100% file over het erf.
26 x lichtverkeer, 8 x middelzwaar/etmaal, 50/jaar zwaar CV woonhuis bestaand : 4,3 kg nox Sfeerverwarming 3 woningen 0,44 kg nox per woning/jaar Stikstofbronnen op de locatie tractor stage III A vermogen in KW 100 kw belasting, bouwjaar 2007 verbruik jaarbasis 1435 liter diesel stage III A vermogen in KW 100 kw belasting, bouwjaar 2015 verbruik jaarbasis 1000 liter diesel shofel < 50 kw 2011 verbruik jaarbasis 187 liter De berekening is als bijlage bijgevoegd. Er is ten opzichte van de vergunde situatie geen waarde hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ook is er een berekening gemaakt van enkel de beoogde situatie. Ook hier is er geen waarde hoger dan 0,00 mol/ha/j. Voor vragen en opmerkingen kunt u contact opnemen met ondergetekende.
Met vriendelijke groet, Midden Nederland Makelaars b.v. E.Top 0342-404610(rechtstreeks) 0342-420966
Bijlage : Aerius berekening verschilberekening Aerius berekening beoogde situatie gebruiksfase. Vigerende natuurbeschermingsvergunning