Toelichting
Tekst van het document
Verbrede mogelijkheden (gemeentelijke keuze) In het geactualiseerde beleid is evenals in de voorgaande beleidsdocumenten een 'gereedschapskist' aan verbrede mogelijkheden voor de inzet van inzetbare sloopmeters opgenomen. Gemeenten hebben de keuzemogelijkheid uit deze regionaal afgestemde 'gereedschapskist' die onderdelen te kiezen die hen 24
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 passen. Dit in aanvulling op de hoofdopzet van het beleid. De met de actualisering toegevoegde mogelijkheden geven meer ruimte voor nieuwe (maatwerk) ontwikkelingen. Een toegevoegde mogelijkheid is functieverandering van een woning naar een woongebouw, voor onder meer mogelijk toekomstige mantelzorgsituaties of meergeneratiewoningen. Daarnaast is een maatwerkmogelijkheid toegevoegd om in nog niet uitgewerkte situaties oplossingen te bewerkstelligen die in overeenstemming zijn met de lijn en de systematiek van dit beleid. Doorwerking in het plangebied Deze partiële herziening vormt een pilot van het beschreven beleid, zoals in hoofdstuk 3 van de toelichting is beschreven.
4.4.2
Landschapsontwikkelingsplan
In regionaal verband is in 2005 een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld, namelijk het Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei. Het belangrijkste doel van het LOP is het stimuleren van initiatieven voor landschaps- en natuurontwikkeling door particulieren, instanties en de gemeente. Hierbij staat het behouden, versterken en verbeteren van de landschappelijke identiteit en de groenblauwe structuur voorop. Het LOP dient er voor om bouwstenen te bieden voor ontwikkelingen in het buitengebied en deze actief te geleiden. Het LOP vormt de basis voor een actief landschapsbeleid. Enkele onderdelen van de visie zijn per landschapstype nader uitgewerkt: de erfinrichting en kleine landschapselementen; de spelregels voor nieuwe landgoederen; de inrichting van de beken; het soortenbeleid. Doorwerking in plangebied Door de initiatiefnemers zijn inrichtingsplannen, waar ook beeldkwaliteit onderdeel van uitmaakt, ingediend. Om de te verkleinen bouwvlakken en het te afwaarderen bouwvlak vindt landschappelijke inpassing plaats met streekeigen beplanting. De voorstellen hiertoe zijn akkoord bevonden door de gemeentelijke landschapsadviseur.
4.4.3
Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe
Op 4 december 2020 is het Regionaal Adaptatie Plan Vallei en Veluwe (RAP) ondertekend door de Manifestregio. In de regio werken 28 gemeenten, waterschap Vallei en Veluwe, provincies Utrecht en Gelderland, Vitens, Veiligheidsregio's en Rijkswaterstaat samen op het gebied van klimaatadaptatie. Met het RAP geeft de regio invulling aan de landelijke opgave voor overheden om vanaf eind 2020 klimaatadaptief te werken om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Deze opgave komt voort uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Het klimaat verandert namelijk snel en merkbaar. Klimaatadaptatie is omgaan met het nieuwe klimaat met extremer weer: heftige buien of juist lange periodes van hitte en droogte. De omgeving waarin we leven, werken en ontspannen, maar ook de manier van leven moeten we daarop aanpassen. In het RAP zijn de regionale aandachtsgebieden voor de komende jaren bepaald, aanvullend op wat elke partij zelf moet of kan doen. Vooraf zijn voor het hele gebied de kwetsbaarheden van wateroverlast, droogte en hitte in kaart gebracht in een klimaateffectatlas. Tevens zijn risicodialogen met elkaar gevoerd over de gevolgen van klimaatverandering en de opgaven voor de regio.
Het RAP is een strategische agenda rondom 4 thema's: Prettig wonen en werken, Aangenaam recreëren, Basisfuncties (elektriciteit, hoofdwegennet, verpleeghuizen, etc.) veilig stellen en Natuurlijk bodem- en watersysteem. Per thema zijn (hoofd)ambities, speerpunten en maatregelen geformuleerd. Het thema prettig wonen ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingerichte stedelijke omgeving. Speerpunten zijn Ketenafspraken klimaatbestendig bouwen, Ontwikkelafspraken met woningcoöperaties, Instrumentenmix voor bestaand stedelijk gebied, Stimuleringsregeling klimaatbestendige maatregelen en Hitteplan. Het thema Aangenaam recreëren ambieert een klimaatbestendige, veilige en gezond ingericht recreatief buitengebied. Het speerpunt is Groen-blauwe recreatie. "Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
25
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 Het thema Basisfuncties ambieert een veilig en robuust ontworpen nutsvoorzieningen en infrastructuur. Speerpunten zijn Natuurbranden preventieplan, Overstromingsbestendige gebieden en gebouwen, (Hoofd)verdeelstations beoordelen en Doorgaande wegen klimaatrobuust. Het thema Natuurlijk bodem- en watersysteem ambieert een klimaatbestendig, robuust en veerkrachtig natuurlijk bodem- en watersysteembeheer. Speerpunten zijn Loofbomen advies, Waterbeschikbaarheidsstrategie, Duurzaam grondwatersysteem en Verkenning regio Vallei en Veluwe – 2120. In Werkplannen wordt concreet aangegeven hoe de ambities in het RAP voor telkens een periode van 2 jaar worden uitgewerkt. De opgaven worden regionaal verdeeld en er worden verbindingen gelegd. Van belang is dat ook inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden betrokken. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van het aspect water zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).
4.5
Waterschap
4.5.1
Blauwe Omgevingsvisie 2050
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (hierna: BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).
4.5.2
Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027Waterschap Vallei en Veluwe
Het Blauw Omgevingsprogramma (hierna: BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. 26
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).
4.6
Gemeente
4.6.1
Structuurvisie Buitengebied Barneveld
De Structuurvisie Buitengebied Barneveld (hierna: SBB) is op 21 september 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. De SBB bouwt voort op keuzes die gemaakt zijn in de Strategische visie en de Nota van Uitgangspunten voor het buitengebied. De SBB voor het buitengebied is ruimte bieden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten landschap, natuur, woon- en leefmilieu. Er doen zich belangrijke ontwikkelingen voor die bepalend zijn voor de toekomst van het buitengebied. De landbouw heeft niet stil gestaan en past zich aan, aan nieuwe ontwikkelingen. De doorgaande ontwikkeling in de agrarische sector heeft onder andere tot gevolg dat er steeds minder maar wel grotere agrarische bedrijven zijn gekomen en nog zullen komen. Een gevolg hiervan is vrijkomende agrarische erven door functieverandering naar wonen of werken. Ook is steeds vaker sprake van verbreding en verduurzaming. Tevens wordt geconstateerd dat recreatiebedrijven moderniseren en de kwaliteit verhogen. Deze ontwikkelingen zijn van grote invloed op de omgevingskwaliteiten natuur, landschap, cultuurhistorie en woon- en leefomgeving. Met de SBB wordt ruimte geboden voor economische ontwikkeling in samenhang met behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteiten.
Dat gaat de gemeente doen door initiatieven mede te beoordelen op de mate waarin ze bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld effecten op landschap (beeldkwaliteit), woon- en leefmilieu, verkeer en natuur. De gemeente wil diverse ontwikkelingen faciliteren. Wat betreft de landbouw gaat dat om zowel schaalvergroting als verbreding en innovatie. Die verbreding verdient mogelijkheden om enerzijds extra inkomsten te bieden aan agrarische ondernemers en anderzijds om duurzame en innovatieve ontwikkelingen ruimte te geven. Verbreding is bovendien interessant voor de beleidsopgave om recreatieve mogelijkheden in het hele buitengebied te benutten en te stimuleren. Innovatie verdient kansen omdat daarmee kan worden gewerkt aan de versterking van de positie van de Regio Foodvalley, aan ondernemingszin en aan klimaatadaptatie. De schaalvergroting en de innovatieve ontwikkelingen moeten echter wel passen in het landschap van de gemeente Barneveld. Die voorwaarde geldt ook voor de locaties waar de agrarische bedrijven juist stoppen en gebruik maken van het beleid voor functieverandering waarmee woningen of (kleine) bedrijven worden gerealiseerd. Het spreekt vanzelf dat ook recreatieve functies moeten bijdragen aan een fraai en herkenbaar landschap. Een landschappelijk fraai buitengebied met goed ingepaste ontwikkelingen.
Een buitengebied dat zo wordt ingericht dat het een aangename plek is om er te werken en te recreëren. Dat vergt een goed klimaat om passende werk- en recreatiefuncties daadwerkelijk te kunnen behouden en ontwikkelen. Het buitengebied als een prettige omgeving om te verblijven geeft ook een meerwaarde voor de talrijke woningen die in het buitengebied aanwezig zijn en is van groot belang als positieve vestigingsfactor voor de (toekomstige) bewoners van de negen woonkernen. Die meerwaarde wil de gemeente graag verder versterken door het ontwikkelen van de relaties tussen de dorpen en het buitengebied. Daarom wil de gemeente initiatieven op het gebied van bijvoorbeeld de lokale voedselvoorziening en het beleven van veehouderij (kijk- en doemogelijkheden) en natuur (rust zoeken en onderhoud) faciliteren. De hiervoor genoemde aanpak geldt voor het hele buitengebied. Daarnaast is een onderscheid gemaakt in deelgebieden, met beleidsaccenten op grond van landschappelijke kenmerken en zones op grond van een specifieke functie. Zie hiervoor de afbeelding 'Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld'. De deelgebieden zijn: Agrarisch bedrijvenlandschap. Agrarisch bekenlandschap. "Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
27
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 Agrarisch slagenlandschap. Veluws natuurgebied met agrarische enclaves.
Afbeelding: Visie ruimtelijke kwaliteit Barneveld + legenda
Per deelgebied wordt de ontwikkelingsrichting beschreven. Het kwaliteitsbeeld vormt het ruimtelijk 28
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 toetsingskader. Het stelt eisen die richtinggevend zijn voor ruimtelijke ontwikkeling. Deze (minimum)eisen zijn kaderstellend voor het (bestemmings)plan. De vier percelen liggen in de volgende deelgebieden: Bijschoterweg 16: Agrarisch bekenlandschap Ravenweg 15: Agrarisch bedrijvenlandschap Stoutenburgerweg 23: Agrarisch bekenlandschap Van Amerongenweg 3: Agrarisch bekenlandschap 4.6.1.1
Agrarisch bedrijvenlandschap
Intensieve landbouw is de belangrijkste gebruiksvorm van dit deelgebied. Het beleid is gericht op herstructurering en passende schaalvergroting, waarbij productieruimte beschikbaar komt voor de toekomstgerichte bedrijven die in staat zijn om te groeien en daarin te investeren. Karakteristiek Het deelgebied wordt gekarakteriseerd door afwisselend kleinschalig landschap met diverse cultuurhistorische landschapstypes (kampenlandschap, heideontginningslandschap et cetera). Deze verschillende landschapstypen zijn op veel plekken niet langer direct herkenbaar. De agrarische bedrijven zijn op de voorgrond aanwezig in dit gebied. Sommige delen van het gebied zijn dichter dan andere delen door kleinschalige landschapselementen als houtsingels en door erfbeplanting. Daarbij vormen lanen en beken belangrijke landschappelijke elementen. De lanen zijn echter niet altijd consequent doorgezet en daardoor worden routes niet geaccentueerd. De beken vallen in de kleinschaligheid van het landschap nauwelijks op. In het groeiseizoen draagt de maïsteelt bij aan het kleinschalige karakter van het gebied. Gebruik Intensieve landbouw is de belangrijkste gebruiksvorm van dit deelgebied. Het beleid is gericht op herstructurering en passende schaalvergroting, waarbij productieruimte beschikbaar komt voor bedrijven die in staat zijn om te investeren.
Andere bedrijven zullen stoppen met hun agrarische activiteiten. In het kader van het functieveranderingsbeleid worden, in gevallen van vrijkomende en leegstaande agrarische bebouwing, planologische mogelijkheden geboden voor functiewijziging naar niet-agrarische bedrijvigheid. Vanwege het primaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw, wordt in het landbouwontwikkelingsgebied (LOG) in beginsel geen medewerking verleend aan verzoeken om functiewijziging naar wonen. Voor al aanwezige niet-agrarische bedrijven is het uitgangspunt dat eventuele uitbreiding alleen onder strenge voorwaarden wordt toegestaan. Hervestiging op een bestaand of nieuw bedrijventerreinen in de gemeente Barneveld is wenselijk. Behoudens de hiervoor genoemde mogelijkheden van functieverandering van stoppende agrarische bedrijven, worden in dit agrarische productiegebied geen nieuwe woningen of niet-agrarische bedrijven toegelaten. Deze functies horen thuis in de kernen. Het streefbeeld voor dit landschap is gericht op vernieuwing. Bestaande waardevolle natuur- en landschappelijke waarden worden beschermd en zijn nevengeschikt aan de hoofdfunctie landbouw.
4.6.1.2
Agrarisch bekenlandschap
De functie landbouw in het gebied is richtinggevend naast het versterken van dagrecreatief medegebruik. Functieverandering naar wonen / niet-agrarische bedrijvigheid wordt vormgegeven in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling voor functiewijziging. Karakteristiek Het agrarisch bekenlandschap wordt gekarakteriseerd door een afwisseling van hogere ruggen met dichtere beplanting (onder andere lanen) en bebouwing en lagere open delen waar de beken lopen. Langs de beken is sprake van langere doorzichten. Delen van het gebied zijn zeer kleinschalig door kleinschalige landschapselementen en bosjes. In dit deelgebied zijn een aantal relatief gave relicten van het kampenlandschap. Gebruik In een groot deel van het gebied is de functie landbouw richtinggevend, ingepast in het streven naar behoud en versterking van de structuurbepalende natuur en landschapselementen in het gebied. In de "Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
29
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 natuurkerngebieden van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur is de landbouwfunctie niet richtinggevend. In die gebieden wordt gestreefd naar duurzame landbouw binnen de natuurdoelstellingen. In het gemeentelijk ruimtelijk beleid wil de gemeente rekening houden met passende schaalvergroting, waardoor enerzijds bedrijven kunnen groeien en anderzijds bedrijven hun agrarische activiteiten zullen beëindigen. Functieverandering naar wonen of niet-agrarische bedrijvigheid wordt vormgegeven in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling voor functiewijziging. In het agrarisch bekenlandschap wordt gestreefd naar een goede dagrecreatieve structuur. Voor versterking van die toeristisch-recreatieve functie van het gebied besteedt de gemeente aandacht aan mogelijkheden voor het realiseren en verbeteren van wandel-, fiets- en ruiterpaden. De gemeente is terughoudend ten aanzien van verblijfsrecreatie, uitgezonderd het stimuleren van recreatief medegebruik van agrarische gronden als onderdeel van het beleid met betrekking tot nevenactiviteiten en functieverandering.
Doorwerking in plangebied Voor drie percelen geldt dat het verkleinen van het agrarische bouwvlak, waarbij het agrarische bedrijf behouden blijft, de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, het verwijderen van bestrating en de aanplant van landschappelijke inpassing in overeenstemming is met de SBB. Ook de afwaardering van één agrarisch bouwvlak naar drie woonbestemmingen is hiermee in overeenstemming.
4.6.2
Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020'Klimaatactief!'
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte.
Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16).
4.6.3
Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het 30
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Doorwerking in plangebied Voorliggend bestemmingsplan ziet op het verkleinen van drie agrarische bouwvlakken, het afwaarderen van één bouwvlak naar drie woonbestemmingen en het toevoegen van landschappelijke inpassing om de resterende bouwvlakken en woningen. De sloop van bebouwing, het verwijderen van bestrating en de aanplant van landschappelijke inpassing heeft een positief effect op onder andere het laten infiltreren van regenwater op een grotere oppervlakte onbebouwde grond en geeft verkoeling op de omgeving. Er vinden geen nieuwe planologische ontwikkelingen plaats.
4.6.4
Overige gemeentelijke beleidsnota's en notities
Ruimte voor Mantelzorg In de notitie Ruimte voor mantelzorg (uit 2011) is het beleidskader voor woonruimte voor mantelzorg in het buitengebied nader uitgewerkt. De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten: 1. Bij een directe behoefte aan mantelzorg die naar redelijke verwachting niet zeer langdurig zal zijn, denkt de gemeente mee in een voor de concrete situatie geëigende oplossing. Dit gebeurt doorgaans op basis van een tijdelijke omgevingsvergunning. 2. De mogelijkheid van inwoning – in zuivere zin, dus in de vorm van onzelfstandige woonruimte – past binnen de regelgeving en is en blijft daarmee dus een optie. 3. Een tweede wooneenheid binnen de bouwmassa van een woning in het buitengebied wordt mogelijk gemaakt: a. indien deze aantoonbaar een functie zal hebben voor (toekomstige) mantelzorg; b. binnen de toegelaten inhoudsmaat van de woning, eventueel in samenhang met het vergroten van die inhoud van die woning volgens mogelijkheden die beleid en regelgeving daarvoor bieden of gaan bieden; c. indien deze een ondergeschikt karakter heeft (een vloeroppervlak van maximaal 35% van dat van de woning, maar niet meer dan 65 m2); d. mits daarvoor een oppervlakte van 300 m2 aan overtollig geworden opstallen wordt gesloopt die voldoet aan de criteria voor sloopmeters volgens het functieveranderingsbeleid.
Voor het bestemmingsplan betekent dit dat ruimte moet worden geboden voor onderdeel 3. In het voorliggende bestemmingsplan is, gezien de bescheiden ruimtelijke effecten, onderdeel 3 mogelijk gemaakt door middel van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.
4.6.4.1
Saldering
Salderen van bouwvlakgroei, nieuwvestiging en omschakeling In de beleidsnotitie 'Kaders herzieningen bestemmingsplan Buitengebied 2012' heeft de gemeenteraad een aantal beleidskeuzes vastgelegd die een aanvulling vormen op de Structuurvisie Buitengebied en het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012'. Een deel van deze beleidskeuzes heeft betrekking op de groeimogelijkheden voor agrarische bedrijven. Het gaat hierbij om een herverdeling van de ruimte die nu reeds in het bestemmingsplan geboden wordt. Deze herverdeling wordt bereikt door de introductie van een salderingsregistratie. Deze salderingsregistratie is een gemeentelijke administratie waarin twee elementen worden geregistreerd: 1. hoeveel agrarische bedrijven in planologische zin verdwijnen (bijvoorbeeld door functieverandering), respectievelijk worden toegevoegd; 2. welke oppervlakte aan agrarisch bouwvlak verdwijnt; respectievelijk wordt toegevoegd. Saldering van het aantal agrarische bedrijven Op basis van het reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost kunnen wij als gemeente de nieuwvestiging van veehouderijen mogelijk maken in Landbouw Ontwikkelingsgebieden (verder kortweg LOG). Gezien de specifieke kenmerken van ons buitengebied is er in het vastgestelde bestemmingsplan voor gekozen om nieuwvestiging op nog onbebouwde locaties niet mogelijk te maken.
In plaats daarvan is "Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
31
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 de mogelijkheid opgenomen om in het LOG een woonbestemming te transformeren naar een agrarische bestemming. Feitelijk betekent dit dat het plan de nieuwvestiging van agrarische bedrijven onder voorwaarden mogelijk maakt. Onze verwachting is echter dat van deze mogelijkheid slechts zeer weinig gebruik zal worden gemaakt in de komende planperiode. Daar komt bij dat wij verwachten dat het aantal stoppende agrarische bedrijven het aantal nieuwvestigers vele malen zal overtreffen. Deze verwachtingen zijn gebaseerd op de ervaringen de afgelopen planperiode. Dit betekent dat er veel groeiruimte is geboden in het bestemmingsplan Buitengebied 2012 waarvan te verwachten is dat deze niet gebruikt zal worden in de komende planperiode. Deze omschakelings- mogelijkheid wordt dan ook ingeperkt door een salderingsregeling te introduceren in de betreffende wijzigingsbevoegdheden. In deze salderingsregeling wordt een koppeling aangebracht tussen het aantal stoppende agrarische bedrijven en de nieuwe bedrijven die ontstaan door omschakeling van wonen naar agrarisch. Het aantal nieuwe bedrijven dat met toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid wordt toegestaan bedraagt daarbij maximaal 50% van het aantal bedrijven dat stopt.
Op deze manier zal er per saldo binnen de planperiode altijd sprake zijn van een afname van het aantal agrarische bouwvlakken in het plangebied. Voor wat betreft de benodigde oppervlakte aan bouwvlak wordt gebruik gemaakt van het saldo van de hiervoor genoemde salderingsregistratie. Het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied 2012 maakt het ook mogelijk om een paardenhouderij te laten omschakelen naar een agrarisch bedrijf (wijzigingsbevoegdheid in artikel 4.7 lid 7 van het bestemmingsplan). Daarom zal de hiervoor genoemde salderingsregeling in het bestemmingsplan ook van toepassing worden op deze wijzigingsbevoegdheid. Salderen van de oppervlakte agrarisch bouwvlak Het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' maakt door middel van een wijzigingsbevoegdheid onder voorwaarden de vergroting van agrarische bouwvlakken mogelijk. Deze groeimogelijkheden zijn afgestemd op de twee reconstructieplannen Veluwe en Gelderse Vallei/Utrecht-Oost. Onze verwachting is dat de groeiruimte die in theorie geboden wordt door het vastgestelde plan niet in zijn geheel noodzakelijk is in de komende planperiode. Het is daarom beter deze groeiruimte in te kaderen. Dit wordt gedaan door een salderingssystematiek te introduceren waarbij er een koppeling wordt gelegd tussen de oppervlakte aan bouwvlakken die vrij komt door stoppers (b.v. via functieverandering) en de agrarische bedrijven die willen groeien.
Hierbij wordt de oppervlakte aan bouwvlak die vrij komt door een stopper opgenomen in een salderingsregistratie. Een bedrijf dat gebruik wil maken van de wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van zijn bouwvlak kan vervolgens kosteloos gebruik maken van het saldo dat aanwezig is op de salderingsregistratie. Op deze manier zal de totale oppervlakte aan bouwvlak in het plangebied niet toenemen. De salderingsregistratie zorgt er daarbij voor dat de ruimte die beschikbaar komt (door stoppers) ook op de gewenste plek kan worden ingezet door groeiers. Op basis van de ervaringen de afgelopen jaren met ons functieveranderingsbeleid en de ervaring met de aantallen stoppende agrarische bedrijven, verwachten wij dat het saldo van de salderingsregistratie voldoende zal zijn om daar waar nodig het vergroten van bouwvlakken te faciliteren. Doorwerking in plangebied Onderstaand wordt per perceel de huidige, nieuwe en af te nemen oppervlakte aan agrarisch bouwvlak in m2 weergegeven: Perceel
Huidig
Nieuw
Afname
Bijschoterweg 16
Nader in te vullen.
0
Nader in te vullen.
Ravenweg 15
Nader in te vullen.
Nader in te vullen.
Nader in te vullen.
Stoutenburgerweg 23
14.288
9.966
4.322
Van Amerongenweg 3
Nader in te vullen.
Nader in te vullen.
Nader in te vullen.
32
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 5 5.1
RANDVOORWAARDEN
Bodem
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. In dit geval is sprake van verdachte locaties en daarom zijn onderzoeken uitgevoerd.
Beoordeling Bijschoterweg 16 Het adviesbureau Hunneman Milieu - Advies heeft op 26 oktober 2022 een Verkennend bodem- en asbestonderzoek (nr. 220942/am/sh) uitgevoerd. Dit onderzoek is destijds opgesteld met het oog op de gedeeltelijke functieverandering (fase 1). De gehele functieverandering die nu voorligt was destijds nog niet aan de orde, maar in onderstaande alinea wordt daar wel op ingegaan. Het onderzoek is als bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat in de zintuiglijk schone boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters zijn gemeten. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium en chroom aangetoond. Ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank en een voormalige bovengrondse gasolietank zijn zintuiglijk in de bodem geen kenmerken aangetroffen die duiden op een verontreiniging met minerale olie en/of vluchtige aromaten ter plaatse. In de bovengrond ter plaatse van de voormalige bovengrondse dieseltank is slechts een licht verhoogd gehalte aan minerale olie gemeten. Op het maaiveld en in de opgegraven/opgeboorde grond van de onderzoekslocatie is zintuiglijk geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen.
In de samengestelde (meng)monsters voor analyse op asbest, van de toplaag van de aanwezig druppelzones en de bovengrond van het overig terrein ter plaatse van het noordelijk deel van de onderzoekslocatie, is maximaal 2,8 mg/kg d.s. aan gewogen asbest aangetoond. De gemeten gehalten aan asbest overschrijden de saneringsnorm/hergebruiksnorm (100 mg/kg d.s.) niet. Zoals aangegeven ziet dit bestemmingsplan op de gehele functieverandering (fase 1 en 2) van het agrarische bedrijf. Gelet op het gebruik van het perceel Bijschoterweg 14 als plattelandswoning, waar geen agrarische bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, kan ingestemd worden dat voor dat perceel geen bodemonderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Wel moet de druppelzone die deels gelegen op dit perceel ligt betrokken worden in het verkennend bodem- en asbestonderzoek ter plaatse van het Bijschoterweg 16 (fase 2). Daarnaast is in de in 2022 uitgevoerde asbestinventarisatie geen rekening gehouden met de sloop van fase 2. Voor de sloop van deze (bedrijfs)gebouwen moet daarom vooraf ook een asbestinventarisatie uitgevoerd worden De verplichting hiertoe is geborgd met de voorwaardelijke verplichting zoals deze is opgenomen in artikel 7.1.2 van de regels van dit bestemmingsplan.
Beoordeling Ravenweg 15 Het adviesbureau Hunneman Milieu - Advies heeft op 23 maart 2023 een Verkennend bodem- en asbestonderzoek (nr. 221247_02/lvh/sh) uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat in de plaatselijk zwak (sporen) puinhoudende bovengrond geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters zijn gemeten. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn eveneens geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetoond. Het grondwater bevat een licht verhoogde concentratie aan chroom. Wel wordt opgemerkt dat de bovengrond direct onder de klinkerverharding ter plaatse van de asbestinspectiegaten/boringen 13 en 14, waarin een zwakke bijmenging aan puingranulaat is aangetroffen, met uitzondering van asbest niet op de overige milieuhygiënische parameters is onderzocht. Op het maaiveld van de onderzoekslocatie en in de "Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
33
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 opgegraven/opgeboorde grond is zintuiglijk geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In de samengestelde mengmonsters voor analyse op asbest, ter plaatse van de aanwezige druppelzones en het overig terrein, is maximaal 8,6 mg/kg d.s. aan gewogen asbest gemeten. De gemeten gehalten aan asbest overschrijden de saneringsnorm/hergebruiksnorm (100 mg/kg d.s.) niet. De onderzoeksresultaten geven verder geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek of -sanering en zijn voldoende voor de voorgenomen bestemmingsplan-/functiewijziging.
Beoordeling Stoutenburgerweg 23 Het adviesbureau PJ Milieu BV heeft op 28 maart 2023 een Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek (nr. 22060902A) uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat in het mengmonster van de bovengrond waarin zintuiglijk een zwakke (sporen) bijmenging aan baksteen en kolen is aangetroffen licht verhoogde gehalten aan lood, zink, minerale olie en PCB zijn gemeten. In het samengestelde mengmonster van de ondergrond direct onder de aangebrachte (stabilisatie)laag van gebroken puin is een licht verhoogd gehalte aan zink is aangetoond. Het grondwater bevat geen verhoogde concentraties aan de onderzochte parameters. Ter aanvulling op de aangebrachte (stabilisatie) laag van gebroken puin wordt het volgende opgemerkt. Door de opdrachtgever is aangegeven dat dit de putten van de varkensstal betreft. De stallen zijn tot 2013 in gebruik geweest. Na beëindiging zijn de putten volgestort met puin. Het puin is afkomstig van de wanden in de schuren en is gebroken door R. Koolos. Hiervan zijn geen certificaten en/of facturen aanwezig. Op verzoek van de opdrachtgever is het gebroken puin niet nader onderzocht op de aanwezigheid van asbest.
De aangebrachte (stabilisatie)laag van gebroken puin moet na de sloop van de aanwezige (op)stallen, en voorafgaand aan de herinrichting van het terrein alsnog worden onderzocht. Dit omdat van het gebroken puin geen kwaliteitsgegevens bekend zijn. Voor het herschikken, afvoeren etc. van de betreffende laag is dit echter wel van belang. Zintuiglijk is op het maaiveld en in de opgeboorde/opgegraven grond geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In het monster 201-2 van de toplaag ter plaatse van de aanwezige druppelzone overschrijdt de gewogen asbestconcentratie de saneringsnorm/hergebruiksnorm van 100 mg/kg d.s. Tevens wordt de grenswaarde voor onaanvaardbare risico's buiten ten aanzien van respirabele asbestvezels (10 mg/kg d.s.) net niet overschreden. Formeel gezien is ter plaatse van een afperkend onderzoek noodzakelijk. De asbestinspectiegaten zijn echter in de druppelzone gesitueerd. De gemeten asbestconcentraties worden zeer waarschijnlijk veroorzaakt door de erosie van de dakplaten. Omdat de betreffende schuur niet voorzien is van dakgoten en het maaiveld onverhard is, komt het regenwater derhalve direct op en in de bodem onder de dakrand terecht.
Een afperkend asbestonderzoek is dan ook niet noodzakelijk Met uitzondering van de aangetoonde sterke asbestverontreiniging ter plaatse van één van de aanwezige druppelzones en de aangebrachte (stabilisatie)laag van gebroken puin de geven de onderzoeksresultaten geen aanleiding voor het uitvoeren van een nader bodem-/asbestonderzoek of -sanering. De aangetoonde sterke asbestverontreiniging ter plaatse van aanwezige druppelzone moet onder milieukundige begeleiding, vooruitlopend op de voorgenomen sloop van de schuur, worden gesaneerd. Voorafgaand aan de bodemsanering moet een BUS-melding worden ingediend bij het bevoegd gezag, de provincie Gelderland.
Beoordeling Van Amerongenweg 3 Het adviesbureau Lycens heeft op 5 mei 2023 een Verkennend bodem- en nader asbestonderzoek (nr. 2022-0815) uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat in de zwak (sporen) tot plaatselijk sterk puin- en/of baksteenhoudende bovengrond geen verhoogde gehalten aan der onderzochte parameters zijn aangetoond. In de plaatselijk zwak (resten) puin-, plastic- en houtskoolhoudende ondergrond (boring 7) zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium, koper en zink gemeten. In het samengestelde mengmonster van de zintuiglijk schone ondergrond van het overig terrein zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters aangetoond. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het aantal geanalyseerde (meng)monster van de bovenen ondergrond op het NEN 5740 grondpakket minimaal is. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium gemeten. Op het maaiveld van de onderzoekslocatie en in de opgegraven/opgeboorde grond is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. In de samengestelde mengmonsters van de druppelzones van de meest zuidelijke schuur, voor analyse op asbest, is analytisch asbest aangetoond. De gewogen asbestconcentratie van de noordelijke druppelzone (750 mg/kg d.s.) overschrijdt ruim de saneringsnorm/hergebruiksnorm van 100 mg/kg d.s. Formeel gezien 34
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 is ter plaatse van een afperkend onderzoek noodzakelijk. De asbestinspectiegaten zijn echter in de druppelzone gesitueerd. De gemeten asbestconcentratie wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt door de erosie van de dakplaten. Omdat de schuur niet voorzien is van dakgoten en het maaiveld plaatselijk onverhard, komt het regenwater derhalve direct op en in de bodem onder de dakrand terecht. Een afperkend asbestonderzoek is dan ook niet noodzakelijk. In de overig samengestelde mengmonsters van een aanwezige druppelzone en de bovengrond van het overig terrein is analytisch geen asbest gemeten. Opgemerkt wordt dat het uitgevoerde verkennend asbestonderzoek ter plaatse van de aanwezige druppelzones als indicatief moet worden beschouwd. Dit omdat het verkennend asbestonderzoek ter plaatse niet is uitgevoerd conform de NEN 5707. Met uitzondering van de aangetoonde sterke asbestverontreiniging ter plaatse van de onderzochte noordelijke druppelzone van de meest zuidelijk schuur geven de onderzoeksresultaten geen aanleiding voor het uitvoeren van een nader bodem-/asbestonderzoek of -sanering. De sterke asbestverontreiniging ter plaatse van de betreffende druppelzone moet onder milieukundige begeleiding worden gesaneerd.
Voorafgaand aan de bodemsanering moet een BUS-melding worden ingediend bij het bevoegd gezag, de provincie Gelderland. Omdat het uitgevoerde verkennend asbestonderzoek ter plaatse van de aanwezige druppelzones als indicatief wordt beschouwd wordt geadviseerd om naast de noordelijke druppelzone ook gelijktijdig de zuidelijke druppelzone van de betreffende schuur te saneren. Dit omdat in de zuidelijke druppelzone ook analytisch asbest is gemeten. Op het noordelijk en oostelijk deel van de onderzoekslocatie is onder de asfaltverharding een funderingslaag bestaande uit puin-/mengranulaat aanwezig. Deze funderingslaag is niet onderzocht. Voor de eventuele afvoer van deze laag dient dit alsnog te gebeuren.
Conclusie Ondanks dat de onderzoeken (deels) zijn uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit. Bij de voorgenomen herontwikkeling en de daarbij behorende sloop- en grondroerende werkzaamheden moet rekening worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging. Aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. naar/van de onderzoekslocatie moet voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Op basis van het voorgaande zijn ervan uit het aspect bodem geen bezwaren tegen de voorgenomen wijziging in het plangebied.
5.2
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. In het bestemmingsplan komen uiteenlopende dubbelbestemmingen voor om ruimtelijke kwaliteiten te borgen.
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
35
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
5.2.1
Archeologie
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Beoordeling Bijschoterweg 15 De bebouwing in de rode cirkel is inmiddels gesloopt zonder dat er nieuwbouw plaatsvindt. De bebouwing binnen de blauwe cirkel wordt op termijn gedeeltelijke gesloopt. Daarbij vindt ook geen nieuwbouw plaats. Binnen het groene kader wordt een te verplaatsen woning gerealiseerd. Het aandachtspunt is dat deze locatie in de zone middelhoge archeologische verwachting (groengeel/‘middel 2’). Omvang nieuwbouw zal ondergrens in archeologiebeleid van de gemeente (2018) – oftewel 2.000 m2 - niet overschrijden. Geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Afbeelding: Fragment archeologische waarden- en verwachtingenkaart
Beoordeling Ravenweg 15 De bebouwing in de linker rode cirkel wordt gesloopt en vervangen door een nieuw bijgebouw. De bebouwing in de rechter rode cirkel wordt gesloopt zonder dat er nieuwbouw plaatsvindt. Vanuit archeologie zijn er geen opmerkingen op deze ontwikkeling.
Afbeelding: Fragment archeologische waarden- en verwachtingenkaart
36
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
Beoordeling Stoutenburgerweg 23 De bebouwing in de rode cirkel wordt gesloopt zonder dat er nieuwbouw plaatsvindt. Binnen het groene kader vindt op de locatie van sleufsilo's wel nieuwbouw plaats. Het aandachtspunt is dat deze locatie in de zone hoge archeologische verwachting (rood/‘hoog 2’) ligt. Van belang in deze zone is of de funderingsdiepte van de toekomstige nieuwbouw dieper reikt dan de funderingsdiepte van de bestaande sleufsilo’s. De huidige dubbelbestemming blijft gelden en bij het vergunningtraject voor de toekomstige nieuwbouw, als de plannen uitgewerkt zijn, moet het aspect archeologie opnieuw beoordeeld worden. Waarschijnlijk is onderzoek niet noodzakelijk.
Afbeelding: Fragment archeologische waarden- en verwachtingenkaart
Beoordeling Van Amerongenweg 3 De bebouwing in de rode cirkel wordt gesloopt zonder dat er nieuwbouw plaatsvindt. Vanuit archeologie zijn er geen opmerkingen op deze ontwikkeling.
Afbeelding: Fragment archeologische waarden- en verwachtingenkaart
Meldingsplicht "Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
37
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht.
Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek vormt het aspect archeologie geen belemmering voor dit plan, waarbij rekening gehouden moet worden met de meldingsplicht.
5.2.2
Historischestedenbouwkundige waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied (alle vier de percelen) heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarden. Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. In het plangebied en omgeving zijn geen monumenten aanwezig.
Conclusie Dit bestemmingsplan is niet strijdig met historische stedenbouwkundige waarden.
5.2.3
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Alle vier de percelen liggen in een gebied zonder hoge of zeer hoge waardering.
Conclusie Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.
5.3
Ecologie
De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk (hierna: GNN) en de Gelderse Ontwikkelingszone (hierna: GO) van belang.
5.3.1 5.3.1.1
Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming
Hoofdstuk 2 van de Wnb regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wnb bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. De vier percelen liggen niet in (de nabijheid van) een Natura 2000-gebied. Beoordeling Bijschoterweg 16 38
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 Het adviesbureau De Slijpkruik heeft op 11 november 2022 een Ecologische quickscan (nr. 22STR04) uitgevoerd. Dit onderzoek is destijds opgesteld met het oog op de gedeeltelijke functieverandering (fase 1). De gehele functieverandering die nu voorligt was destijds nog niet aan de orde, maar in onderstaande alinea wordt daar wel op ingegaan. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de locatie buiten het GNN ligt en dat de activiteiten niet zullen leiden tot aantasting van de kernkwaliteiten of doelstellingen van het GNN. Een zogenaamde 'Nee, tenzij'-toets is daarom niet nodig. Daarnaast leidt de gedeeltelijke functieverandering gezien de aard van het project en de afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden niet tot effecten op doelstellingen of kernkwaliteiten van beschermde natuurgebieden (Natura 2000). Nadere toetsing naar effecten op aangewezen doelsoorten voor Natura 2000-gebieden zijn niet aan de orde. Vanwege de gehele functieverandering heeft adviesbureau Cozijnsen op 29 maart 2024 een Verkennend onderzoek naar beschermde flora en fauna (nr. 24FF047-02) uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen.
Uit dit onderzoek blijkt dat directe effecten op aanwezige kwalificerende habitattypen, -richtlijnsoorten en broedvogels zijn uit te sluiten. De ontwikkeling wordt uitgevoerd op een reeds bestaand en bebouwd plangebied buiten Natura 2000 gebied. Ter plaatse zijn geen habitattypen, -richtlijnsoorten en broedvogels aanwezig en kunnen daar ook niet ontwikkelen. Tijdens de werkzaamheden is wellicht korte tijd sprake van bronbemaling, geluid en stof, maar negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Veluwe zijn uitgesloten. Ten aanzien van stikstof wordt de initiatiefnemer geadviseerd om in overleg te treden met bevoegd gezag om een AERIUS-berekening te laten opstellen voor de aanlegfase (sloopfase). Echter, vanwege intern salderen wordt geen effect door stikstof verwacht. Beoordeling Ravenweg 15 Het adviesbureau Cozijnsen heeft op 3 februari 2023 een Verkennend onderzoek naar beschermde flora en fauna (nr. 23VC019) uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 8 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat geen nadelige gevolgen voor wat betreft streng en strikt beschermde soorten of hun beschermde verblijfplaats (Wnb-soorten) zijn. Ten aanzien van stikstof wordt de initiatiefnemer geadviseerd om een AERIUS-berekening te laten opstellen voor de aanlegfase. Echter, vanwege intern salderen wordt geen effect door stikstof verwacht.
Beoordeling Stoutenburgerweg 23 Het adviesbureau Fauna Service heeft op 9 november een Quickscan Wnb (nr. FS20221109) uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat geen effecten op Natura 2000-gebieden te verwachten zijn. Ten aanzien van stikstof wordt vanwege intern salderen geen effect door stikstof verwacht. Beoordeling Van Amerongenweg 3 Natuurbank Overijssel heeft op 19 december 2022 een Quickscan natuurwaardenonderzoek (nr. 4991) uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied niet tot het GNN of Natura 2000-gebied behoort. Vanwege de ligging buiten het GNN hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN. De bescherming van het GNN kent geen externe werking kent. Een negatief effect op Natura 2000-gebied als gevolg van de emissie van stikstofoxiden kan op voorhand worden uitgesloten. Er is geen nader onderzoek vereist. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden eveneens uitgesloten. 5.3.1.2
Soortenbescherming
Hoofdstuk 3 van de Wnb beschermt bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Beoordeling Bijschoterweg 16 Uit de Ecologische quickscan van adviesbureau De Slijpkruik blijkt dat binnen het plangebied geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen zijn aangetroffen. De werkzaamheden leiden niet tot het "Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
39
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 overtreden van een verbodsbepaling vanuit de Wnb. Er is daarom geen nader onderzoek nodig naar gebouw- of boombewonende vleermuissoorten. Daarnaast kan het plangebied gebruikt worden als leefgebied door algemeen voorkomende soorten zoals bijvoorbeeld haas en egel. Voor deze soorten geldt echter een provinciale vrijstelling en daarom is geen nader onderzoek nodig. Verder is het voorkomen van jaarrond beschermde nesten binnen het plangebied uitgesloten. Vervolgonderzoek hiernaar is dan ook niet noodzakelijk. Uit het Verkennend onderzoek van adviesbureau Cozijnsen blijkt dat buiten de broedperiode van de huismus gesloopt moeten gaan worden om verstorende effecten door de werkzaamheden te voorkomen. Deze voorwaarde is met de voorwaardelijke verplichting uit artikel 7.1.3 van de regels van dit bestemmingsplan geborgd. Verder blijkt dat de verharde inrichting het daadwerkelijke plangebied tot een weinig geschikt functioneel leefgebied van beschermde dieren en tot een ongeschikte groeiplaats van beschermde planten maakt. Grondgebonden zoogdieren bezetten er geen vaste rust- en voortplantingsplaats, amfibieën geen (winter)rustplaats, er nestelen geen vogels in het plangebied en vleermuizen bezetten er geen vaste rustof voortplantingsplaats. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Beoordeling Ravenweg 15 Uit het Verkennend onderzoek van adviesbureau Cozijnsen blijkt dat de inrichting en het gevoerde beheer het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maken, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. De gedeeltelijke functieverandering heeft echter geen nadelige gevolgen voor wat betreft streng en strikt beschermde soorten of hun beschermde verblijfplaats (Wnb-soorten). Vanuit de omgevingsdienst wordt geadviseerd om bij de nieuwbouw van het bijgebouw rekening te houden met een natuurinclusief ontwerp en eventueel de plaatsing van nestkasten voor uilen en roofvogels. Beoordeling Stoutenburgerweg 23 Uit de Quickscan van adviesbureau Fauna Service blijkt dat de gedeeltelijke functieverandering bij geen van de onderzochte soorten ingreepverstorend is, mits rekening gehouden wordt met de algemene zorgplicht. Er is geen nader onderzoek of een Wnb-ontheffing noodzakelijk. Beoordeling Van Amerongenweg 3 Uit de Quickscan van adviesbureau Natuurbank Overijssel blijkt dat de inrichting en het gevoerde beheer het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten maken, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd. Deze nesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Indien bebouwing wordt gesloopt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën.
Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, moet een ontheffing aangevraagd of moet gewerkt worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende diersoorten tijdelijk af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 40
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
Vanuit de omgevingsdienst wordt geadviseerd om bij de nieuwbouw van het bijgebouw rekening te houden met een natuurinclusief ontwerp en eventueel de plaatsing van nestkasten voor uilen en roofvogels. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
5.3.1.3
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wnb heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.
Beoordeling Op geen van de vier percelen worden houtopstanden gekapt. Een herplantplicht is niet aan de orde.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de Wnb uitvoering van het voorliggende plan niet in de weg staat.
5.3.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones
Het perceel Stoutenburgerweg 23 ligt geheel binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Van het perceel Van Amerongenweg 3 ligt alleen het zuidelijke deel van het bouwvlak, waar geen wijziging plaatsvindt, binnen de EHS. De percelen Bijschoterweg 16 en Ravenweg 15 liggen hier geheel buiten. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact.
Beoordeling Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het GNN en de GO. Het perceel Stoutenburgerweg 23 en een klein deel van het perceel Van Amerongenweg 3 ligt in de GO. Voor de toetsing wordt verwezen naar 4.3.1.2.