Toelichting
Tekst van het document
Conclusie Het aspect GNN en GO vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
41
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
5.4
Externe veiligheid
Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord.
Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.
Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is dan ook geen relevant milieuaspect.
Conclusie 42
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wgh gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.
In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist.
Beoordeling Bijschoterweg 16 De te vervangen woning op het perceel Bijschoterweg 16 is op grond van de Wgh aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom moet de geluidbelasting vanwege het wegverkeer worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wgh in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009". Het adviesbureau SPAWNP heeft een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (nr. 2200677.r01) van 1 november 2022 uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 11 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat sprake is van vervangende nieuwbouw en dat de geluidbelasting vanwege de Rijksweg A1 groter is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het voldoet echter aan de grenswaarde van 58 dB voor vervangende nieuwbouw. Uit het rapport blijkt verder dat maatregelen om de geluidbelasting te beperken op bezwaren stuiten van financiële, stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Er is wel sprake van een geluidluwe gevel en buitenruimte. Vanuit het geluidbeleid kan dan ook over worden gegaan op het verlenen van een hogere waarde van 58 dB voor de A1. Een gevelwering onderzoek moet nog wel uitwijzen of voldaan kan worden aan de binnenwaarde van 33 dB. Dit onderzoek kan in een later stadium worden uitgevoerd en heeft geen invloed op de bestemmingsplanprocedure.
Beoordeling Ravenweg 15 Er is sprake van gemengd gebied aangezien hier een lint van bebouwing met overwegend agrarische bedrijvigheid en andere bedrijvigheid aanwezig is. Mogelijke knelpunten voor geluid voor de woning op het perceel Ravenweg 15 zijn dan de agrarische bedrijven op de percelen Stroeërweg 52a en 52-52b. Het eerstgenoemde perceel betreft een kalverhouderij waarvoor een richtafstand voor geluid in gemengd gebied 10 meter geldt. Aan deze afstand kan worden voldaan. Een onderzoek naar industrielawaai vanwege het kalverenbedrijf aan de Stroeërweg 52a is dan ook niet noodzakelijk. Op 52-52b is een gemengd agrarisch bedrijf aanwezig. Op het bedrijf wordt zowel rundvee als pluimvee gehouden. Vanwege pluimvee bedraagt de richtafstand voor geluid in gemengd gebied 30 meter. Aan deze afstand kan niet worden voldaan. Dit bedrijf vormt mogelijk een knelpunt op gebied van geluid. Voor het bedrijf is een vergunning van kracht. In deze vergunning staan geluidvoorschriften waarbij voor dit bedrijf geldt dat de geluidbelasting vanwege het bedrijf op de dichtstbijzijnde geluidgevoelige bestemmingen niet "Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
43
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 mee mag bedragen dan 40 dB(A) etmaalwaarde. Deze 40 dB(A) etmaalwaarde is daarmee van kracht op Ravenweg 15. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ook dit bedrijf op gebied van geluid geen knelpunt vormt voor de woning Ravenweg 15. Een goed woon- en leefklimaat op gebied van geluid is geborgd. Overige geluidbronnen zijn niet relevant.
Beoordeling Stoutenburgerweg 23 en Van Amerongenweg 3 Er worden hier geen nieuwe gevoelige bestemmingen gerealiseerd en er is sprake van een afname van emissies door het beëindigen van activiteiten. Een akoestisch onderzoeken is daarom niet aan de orde.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit plan, mits voor het perceel Bijschoterweg 16 een besluit hogere waarde genomen wordt. Deze procedure zal separaat aan deze bestemmingsplanprocedure plaatsvinden.
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.
Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
Beoordeling Bijschoterweg 16 Er is een vergunning voor het houden van koeien, jongvee, vleeskalveren, struisvogel ouderdieren en paarden. Met de beoogde functieverandering naar zelfstandige woonbestemmingen is en wordt bebouwing gesloopt en worden dieren niet meer bedrijfsmatig gehouden. Voor deze wijzigingen is een melding Activiteitenbesluit milieubeheer vereist. Er liggen geen andere bedrijven of woningen in de omgeving die een belemmering vormen voor deze plannen of door deze plannen belemmerd worden. De milieusituatie zal erop vooruitgaan wanneer hier geen dieren bedrijfsmatig worden gehouden. Conclusie Vanuit milieu is het advies positief. Het levert milieuwinst op als dieren niet meer bedrijfsmatig worden gehouden.
Beoordeling Ravenweg 15 44
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 Het verzoek is erop gericht om een woonbestemming toe te kennen. Er wordt een gevoelige functie toegekend aan een gebied wat binnen de 50 meter contouren van twee omringende veehouderijen komt te liggen (Stroeërweg 52 en Stroeërweg 52a). Hierdoor kan geen goed woon- en leefklimaat ter plaatse worden gegarandeerd. Uit de geurberekening blijkt dat de geurbelasting op de gevel van de Ravenweg 15 is berekend vanuit de 931 kalveren die overblijven op de Stroeërweg 52A. De geurbelasting komt uit op 17,1 ouE/m3. Daarmee is sprake van een Slecht woon-en leefklimaat:
Tabel: Referentiewaarden In dit gebied is sprake van een voorgrondnorm van 20,0 ouE/m3, wat als woon- en leefklimaat aanvaardbaar wordt gevonden. Het nieuw te realiseren bijgebouw zou niet geurgevoelig zijn als het inderdaad hoofdzakelijk voor opslag wordt gebruikt en er geen mensen gedurende de dag verblijven/werken. De geurbelasting is daarom hier niet op berekend. De ontwikkelingsmogelijkheden van het perceel Stroeërweg 52a worden belemmerd. Dit omdat de woning op de Ravenweg 15 na splitsing gezien wordt als woning bij een voormalige veehouderij. Hiervoor gelden afstandseisen vanuit de geurwetgeving; 25 meter gevel stal tot gevel woning en 50 meter tussen emissiepunten van stallen en gevel woning. Daar wordt niet aan voldaan. Het dichtstbijzijnde emissiepunt ligt op 35 meter van de woning. Volgens de Wgv artikel 3 lid 3 kan het bedrijf op de Stroeërweg 52a dan niet zonder meer uitbreiden. Dit is echter een bekende consequentie van deelname aan de pilot. Het resterende agrarische bedrijf wordt ook planologisch beperkt met het toekennen van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - gedeeltelijke functieverandering'. De uitbreiding van de resterende agrarische activiteiten zijn niet meer mogelijk en een maximum oppervlakte aan bedrijfsbebouwing is opgenomen.
Aanvullend hierop wordt vanwege het bedrijf op het perceel Stroeërweg 52 de aanduiding 'milieuzone geurzone' op het westelijke deel van de woonbestemming van het perceel Ravenweg 15 opgenomen. Deze geurzone van 50 meter wordt gemeten vanaf de grens van agrarische bouwvlak van nr. 52 in oostelijke richting. Hierdoor mogen op die gronden geen geurgevoelige objecten worden opgericht. Conclusie De nieuwe gevoelige functie komt op een te korte afstand van omliggende veehouderijen te liggen. Er kan geen goed woon-en leefklimaat worden gegarandeerd en de Stroeërweg 52 wordt belemmerd in zijn ontwikkelingsmogelijkheden. Echter, met de genoemde geurzone kunnen geen geurgevoelige activiteiten uitgevoerd worden binnen deze zone.
Beoordeling Stoutenburgerweg 23 Er is in 1999 een revisievergunning verleend voor het houden van varkens en rundvee. Eind 2020 heeft het bedrijf echter al gemeld dat er geen varkens meer worden gehouden. Uit de tekeningen van de oude milieuvergunning uit 1999 blijkt dat ook de Stoutenburgerweg 46 tot de inrichting behoort. Dit perceel heeft echter een woonbestemming. Hier mogen dus al geen dieren meer bedrijfsmatig worden gehouden. Daarnaast zijn twee bedrijfswoningen aanwezig aan de oostkant van de Stoutenburgerweg, nrs. 23 en 21-01. In de voorgenomen situatie wordt de varkenstak beëindigd en gaat het bedrijf verder met de rundveetak. Er
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
45
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 vinden geen activiteiten meer plaats aan de westkant bij de Stoutenburgerweg 46. Aangezien de dieren geheel of nagenoeg geheel in gebouwen worden gehouden en er geen melkrundvee wordt gehouden is er nog steeds sprake van een intensieve veehouderij en geen grondgebonden veehouderij. Voor de te houden dieren (jongvee en vleesrundvee) gelden zowel afstandseisen als geuremissiefactoren. Het bouwvlak van het bedrijf ligt in de huidige situatie niet op de gewenste 50 meter afstand van de Stoutenburgerweg 46. Het gaat hier echter om een al bestaande situatie en alleen het woonhuis ligt binnen de 50 meter afstand. De stallen liggen op voldoende afstand en de geurbelasting is beperkt in de nieuwe situatie. Conclusie Vanuit milieu is het advies positief, levert vooral milieuwinst op als er enkel rundvee wordt gehouden.
Beoordeling Van Amerongenweg 3 Er is een in 2012 een revisievergunning verleend voor het houden van legkippen in de ronddeelstal, leghennen in de twee andere pluimveestallen, vleesvarkens en schapen. Door het slopen van stallen worden de emissies allemaal lager en daarmee ook de belasting op omliggende woningen. Aangezien de woningen op van Amerongenweg 5,7 en 9 bij een andere veehouderij horen gelden hier alleen afstandseisen. Het stoppen van een deel van het bedrijf levert daarmee vooral milieuvoordelen op. Conclusie Vanuit milieu gezien is het een positieve ontwikkeling.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Bro is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro).
Beoordeling Het verkleinen van agrarische bouwvlakken en de afwaardering van één bouwvlak naar drie woonbestemmingen valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist.
Conclusie Het aspect ladder voor duurzame ontwikkeling vormt geen belemmering voor dit plan.
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.
46
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes geeft geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer (hierna: Wm) zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wm en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Er komt geen woning of ander geurgevoelig object bij dus de ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht.
Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wm maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wnb gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.
Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en "Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
47
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is het bestemmingsplan niet via dit spoor m.e.r.-plichtig want de activiteit (het verkleinen van agrarische bouwvlakken) komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage.
Daarnaast heeft toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wm juncto artikel 2.8, eerste lid Wnb). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wnb is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig.
Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wm). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale Staten hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).
Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Per saldo wijzigt het aantal aanwezige woningen niet. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde 48
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Dit plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Er wordt voldaan aan de voorgeschreven afstand van 4 meter die geldt voor beperkt kwetsbare objecten.
Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er vooralsnog geen belemmeringen voor het plan.
5.11.1 Spuitzonering Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat. Per 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit milieubeheer gewijzigd. Op grond van dat artikel is het verplicht om bij open teelten te spuiten met een driftreductie van 75%, óók als het perceel niet is gelegen aan een watergang. Vanaf de inwerkingtreding kan en dient bij de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen hiermee rekening te worden gehouden. Een driftreductie van 75% is immers relevant voor de in beginsel aan te houden afstand tot gevoelige objecten. Over het algemeen wordt aangenomen dat de spuitzones vanwege de voorgeschreven driftreductie van 75% kleiner zijn dan de gangbare 50 m die in beginsel werd gehanteerd voor de beschreven wijziging van het Activiteitenbesluit.
Conclusie Per saldo wijzigt het aantal aanwezige woningen niet en daarom hoeft geen verdere toetsing plaats te vinden.
5.12
Natuur en landschap
Op alle vier de percelen vindt landschappelijke inpassing plaats waarmee het resterende bouwvlak of de woningen ingepast worden. De inpassings- en beplantingsplannen en/of tekeningen zijn als bijlage 12 bij de toelichting en als bijlagen 1, 2 en 4 bij de regels opgenomen. Deze plannen en tekeningen zijn door de gemeentelijke landschapsadviseur akkoord bevonden. De aanplant en instandhouding wordt geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting per perceel zoals deze in artikel 7.1 van de regels van dit bestemmingsplan zijn opgenomen.
5.13
Ontplofbare oorlogsresten
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat percelen Bijschoterweg 16, Ravenweg 15 en Stoutenburgerweg 23 niet verdacht zijn van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop de drie percelen te zien zijn.
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
49
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding: Uitsnede OO-belastingkaart Bijschoterweg 16 (linksboven), Ravenweg 15 (rechtsboven) en Stoutenburgerweg 23 (onderaan)
Voor wat betreft het perceel van Amerongenweg 3 geldt het volgende. De onderstaande linkerafbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart. Volgens de risicokaart ligt de noordoosthoek van de locatie net binnen verdacht gebied, vanwege een krater (kleine rode cirkeltje). De krater is veroorzaakt door het bombarderen van de spoorlijn noord van de locatie. Eigenlijk ligt de krater al verder van de spoorlijn dan gebruikelijk (een behoorlijke afzwaaier). Ook blijken het twee kraters die dicht bijeen liggen. De afbeelding rechtsonder is een luchtfoto van 29 november 1944 waar het gebied op te zien is, waarbij in de gele cirkel twee kraters zichtbaar zijn. Binnen de blauwe cirkel ligt het agrarisch bedrijf en ten noorden hiervan is de spoorlijn zichtbaar. De kraters lijken qua inslag en vorm veel op elkaar wat erop duidt dat ze in één bombardement zijn veroorzaakt. Ze liggen dicht bij elkaar en er zal een eventuele derde bom (die niet is afgegaan) ook kort bij liggen. In dat geval is de risicocirkel te ruim genomen en valt het plangebied niet binnen de reële risicocirkel.
50
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
Afbeelding: Uitsnede OO-belastingkaart (links) en luchtfoto 1944 (rechts) Van Amerongenweg 3
Conclusie Er is geen aanvullend onderzoek naar explosieven uit de Tweede Wereldoorlog nodig. Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor het plan.
5.14
Veiligheid
Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen.
Conclusie Per saldo wijzigt het aantal aanwezige woningen niet. Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
51
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
5.15
Verkeer
Het gedeeltelijk beëindigen van agrarische bedrijven, het verplaatsen van een bestaande woning of het realiseren van een bijgebouw heeft geen invloed op de verkeersgeneratie en parkeervraag. Indien een bestaande uitweg veranderd wordt, dan wordt een standaard maximale breedte van 4 meter gehanteerd. Voor het veranderen van een uitweg moet een vergunning aangevraagd worden. Conclusie Vanuit het aspect verkeer zijn er geen belemmeringen.
5.16
Water
Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Huidige situatie De percelen Bijschoterweg 16, Ravenweg 15, Stoutenburgerweg 23 en Van Amerongenweg 3 vallen onder de pilot 'gedeeltelijke functieverandering percelen' waarbij een deel van het agrarisch bedrijf opgeheven wordt. De bestaande situatie van de percelen vormt zich door meerdere gebouwen, schuren en stallen. Daarbij zijn ook alle percelen aangesloten op drukriolering. Om de percelen zijn ook enkele A-, B- en C-watergangen gelegen. Toekomstige situatie In de toekomst zal een deel van deze bedrijven stoppen en zullen enkele gebouwen gesloopt worden.
Wanneer op het perceel verharding wordt gerealiseerd (nieuwe schuur of gebouwen) dan moet dit gecompenseerd worden met waterberging. Gesloopte bebouwing mag hier niet van af worden getrokken. Dit moet met een minimale eis van 20 / 30 mm per vierkante meter verharding afhankelijk van het dorp. De uitstroom van de voorziening kan worden gelegd naar de aanliggende watergangen. Hemelwater mag niet worden aangesloten op de aanwezige riolering vanwege het feit dat hemelwater niet op drukriool mag worden aangesloten. Om de percelen zijn A-, B- en C-watergangen gelegen. Werkzaamheden hieraan (denk aan graven, dempen of aanleggen van uitstroom voorzieningen) moeten worden gecommuniceerd worden met het waterschap en indien nodig moet er een vergunning worden aangevraagd. Bij de realisatie van een woning en bijgebouwen mogen uit duurzaamheidsoogpunt bij voorkeur geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt worden.
Conclusie De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap. Het wateraspect vormt geen belemmering voor voorliggend bestemmingsplan.
52
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECTEN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Op de in dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemmingen 'Agrarisch', 'Groen' en 'Wonen' na, worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. De verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" wordt op de vier percelen gewijzigd in die zin dat de agrarische bouwvlakken worden verkleind, groenbestemmingen en een woonbestemming worden toegevoegd, net als verschillende aanduidingen waaronder voorwaardelijke verplichtingen. In artikel 5.2 van de regels wordt dit verder beschreven. Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Hieronder volgt een nadere uiteenzetting van enkele specifieke onderdelen van de partiële herziening.
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen. "Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
53
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
6.4.1
Schakelbepaling
In artikel 5 van de regels bij deze partiële herziening is een schakelbepaling opgenomen, waarin nader is aangegeven wat er in de regels en op de verbeelding verandert. Dit is ook in paragraaf 6.3 van de toelichting van dit plan toegelicht.
6.4.2
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soorten gebiedsaanduidingen zijn toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' 'milieuzone - geurzone' 6.4.2.1
Voorwaardelijke verplichting
Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In deze partiële herziening zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen die verband houden met de aanleg van landschappelijke inpassing, de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing met voorafgaande ecologische controle en het uitvoeren van asbest- en bodemonderzoek.
6.5
Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.
6.6
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom. 54
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
55
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Doordat er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Bro, behoeft er op grond van artikel 6.2.1a, onder b Bro in dit geval geen exploitatieplan vastgesteld te worden. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.
56
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 9 maart 2023 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.
8.1
Participatie
Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld. Het beleid onderscheidt drie sporen: 1. Participatie bij ruimtelijke initiatieven; 2. Participatie bij initiatieven van de overheid; 3. Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. Het beleid is in werking getreden op 1 januari 2023, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet (op 1 januari 2024). In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.
Meeweten | informeren Meedenken | raadplegen Meewerken | adviseren Meebepalen | co-creatie
De voorbereiding van voorliggend bestemmingsplan is gestart in januari 2022. Dit is vóór de vaststelling van het participatiebeleid. Vanzelfsprekend is in dit geval het toentertijd nog niet tot stand gekomen beleid dan ook niet toegepast. Er is al wel gehandeld in de geest van het nieuwe beleid. Met verschillende omwonenden en/of deeleigenaren/-bewoners van de gezamenlijke bouwvlakken is overleg geweest.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Deze pilot is in hoofdlijnen gebaseerd op het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016. In het kader hiervan is het verzoek meerdere keren besproken in de regionale werkgroep Coördinatiegroep VAB waarin akkoord is gegeven voor het doorlopen van deze pilot. Geconcludeerd kan worden dat er hier geen provinciale belangen in het geding zijn die om vooroverleg vragen. Verder is er geen sprake van provinciale belangen, zodat ook is afgezien van vooroverleg met de provincie "Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
57
Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012 Gelderland. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan derhalve worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.
8.3
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan.
8.4
Zienswijzen
Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn geen reacties ingediend.
58
"Pilot gedeeltelijke functieverandering, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)