CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69_Motivering

Gemeenteraad 22 april 2026, gemeente BarneveldBij agendapunt: Wijziging TAM omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69 Kootwijkerbroek20.629 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Duurzaamheid In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestres (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water). In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde. In het omgevingsplan zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal. Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de omgevingsvisie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, zie paragraaf 4.6.1. Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden.

Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen.

De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Het plangebied bevindt zich niet in de invloedssfeer van geitenhouderij(en). Conclusie Het aspect duurzaamheid en gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.5

Ecologie

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. 24

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.5.1 5.5.1.1

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied

De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. Het Bkl en ook het Bal bepalen vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere natuurgebieden en landschappen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet en 2.44 lid 5 Omgevingswet). Op 24 maart 2000 is De Veluwe aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Daarmee is De Veluwe aangewezen als Natura 2000-gebied (besluit van 11 juni 2014, bekendgemaakt 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om de soortenrijkom (biodiversiteit) in natuur in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. In het aanwijzingsbesluit zijn de grenzen en de instandhoudingsdoelstellingen opgenomen. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. Gezien de afstand van ongeveer 4,5 km tot het Natura 2000-gebied zijn interne effecten op voorhand uit te sluiten.

Externe effecten op Natura 2000-gebied (met uitzondering van vermesting en verzuring door stikstofdepositie) worden niet verwacht omdat er een agrarisch bedrijf is gestopt en de oppervlakte van gronden die in agrarisch gebruik zijn, afnemen en als natuur gebruikt gaan worden.

Stikstof Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een (stikstofgevoelig) Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Natura 2000-gebieden van de provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland). Het gaat hierbij dan om de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie (Bijlage 2). Uit onderzoek is gebleken dat in de aanleg- en gebruiksfase (van het totale landgoed) geen netto depositieresultaten plaatsvindt boven de 0,00 mol N/ha/jaar. Conclusie van het de uitgevoerde berekeningen is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de aanvraag.

(artikel 16.53c Omgevingswet, artikel 8.74b Bkl / artikel 17a.2 Omgevingsregeling (dit artikel is tijdelijk in de plaats van artikel 8.74e Bkl) voor meer informatie over de beoordelingsregels omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit). Zie ook: Beoordelingsregels omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl)

5.5.1.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuur categorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) In de Omgevingsverordening (art 5.5 lid 1) staat dat nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Voor de Groene ontwikkelingszone "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

25

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69 geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art 5.20, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening). Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO.

Afbeelding: kaart 5 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Voor de GNN/GO geldt geen externe werking. Het plangebied ligt niet in GNN of GO, dus negatieve effecten op GNN/GO zijn op voorhand uit te sluiten.

5.5.2

Soortenbescherming

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor: 1. vogels (Vogelrichtlijn); 2. strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; 3. en andere (nationale) soorten / overige soorten. De volgende soorten zijn door de provincie vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspritsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos. In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (en eieren) van soorten (onder 1, 2 en 3 hierboven genoemd) opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rusten verblijfplaatsen ook beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield worden. Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en zij negatieve effecten van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden ondervinden, is een quickscan / natuurtoets uitgevoerd. De uitgevoerde quickscan (Bijlage 3) is door de ecoloopg akkoord bevonden.

Een advies is dat er voldaan moet worden aan de voorwaarden dat er buiten het broedseizoen van de steenuil gesloopt wordt

26

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

5.5.3

Houtopstanden

Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan. De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland). Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Een meld- en herplantplicht is daarom niet aan de orde, Met dit plan wordt juist meer groen aangeplant.

5.5.4

Algemene en specifieke zorgplichten

Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden). Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald), artikel 11.6 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.

Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.

Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

27

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand. Zorgplicht Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna. Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen.

Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt. Vleermuizen Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouwof bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt. Conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

5.6

Geluid

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Binnen het plan worden bedrijfswoningen (woongebouw met twee woningen) mogelijk gemaakt. Vanwege dat dit een bedrijfswoning betreft wordt dit niet aangemerkt als een geluidgevoelig gebouw. Het projectgebied ligt niet binnen een aandachtsgebied van geluid. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt in binnen en buiten de bebouwde kom. Het onderscheid is nu bronsoort te weten: gemeentewegen, provinciale wegen, rijkswegen, spoorwegen en geluidgezoneerde industrieterreinen. Er is een onderzoek gedaan naar de effecten op de omgeving naar aanleiding van de gewijzigde functie naar niet - agrarische bedrijvigheid. Uit het onderzoek blijkt dat wordt gesteld dat er in de onderzochte situatie sprake is van een evenwichtige toedeling van de functie aan deze locatie.

Bij de omliggende woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van de activiteiten die plaatsvinden bij Waaijenberg Eikenhout B.V.. Het rapport (Bijlage 4) is beoordeeld door de geluidsdeskundige van de Omgevingsdienst de Vallei en is akkoord bevonden. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering. 28

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

5.7

Geur

Bij de voorbereiding van een aanpassing van de functies in het omgevingsplan, toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de bruidsschat en het Bkl zijn vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen.

De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Er worden minder gebouwen als geurgevoelig beschouwd wanneer de definitie uit het Bkl wordt gehanteerd, in plaats van de definitie uit de Wgv en de bruidsschat. De gemeente kan echter wel, met toepassing van het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl, aanvullende categorieën geurgevoelige gebouwen aanwijzen in een omgevingsplan. Deze aanwijzing moet plaatsvinden in het uiteindelijke omgevingsplan van de gemeente. Op dit moment is dit nieuwe omgevingsplan er nog niet. Daarom is nog niet bepaald op welke geurgevoelige gebouwen aan de geurnormen getoetst moet worden. Het is niet wenselijk om enkel de definitie uit het Bkl aan te houden en minder gebouwen te beschermen dan voorheen, wanneer dergelijke gebouwen bij het vaststellen van het omgevingsplan mogelijk wel weer aan de geurnormen moeten voldoen. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv. Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Beoordeling veehouderijen Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 18 oktober 2008, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Vaste afstanden In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven gelegen, waaronder enkele intensieve veehouderijen. De nieuwe bedrijfswoning wordt gezien als geurgevoelig object volgens de Wgv.

Het betreft een woning bij een voormalige veehouderij (gestopt na 19 maart 2000) Volgens de Wet geurhinder en veehouderij dient een afstand van 50 meter in het buitengebied te worden aangehouden ten opzichte van agrarische bedrijven. Daarnaast dient 25 meter afstand aangehouden te worden tussen de gevel van de dichtstbijzijnde stal en de gevel van de woning. Alle omliggende bedrijven liggen op meer dan 80 meter afstand van de beoogde bedrijfswoning. Aan de vereiste afstanden wordt voldaan. Geurbelasting (voorgrondbelasting) "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

29

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

Op de Kapweg 6 en Wencopperweg 57 worden dieren gehouden met een geuremissiefactor. De geurbelasting op een woning behorende bij een voormalige veehouderij (gestopt na 19 maart 2000) hoeft echter niet berekend te worden. Daarom hoeft niet getoetst te worden aan de voorgrondbelasting van geur. Ontwikkelingsmogelijkheden agrarische bedrijven Daarnaast moet beoordeeld worden of bedrijven in de omgeving niet onevenredig is hun belangen worden geschaad. Hierbij moet rekening worden gehouden met eventuele uitbreidingsmogelijkheden. Dit betekent dat voor geur getoetst moet worden vanaf de rand van het bouwvlak. De afstand tussen het bouwvlak van de Wencopperweg 69 en het bouwvlak van de Kapweg 6 bedraagt 80 meter. Het bouwvlak van de Wencopperweg 57 ligt op 210 meter afstand. De afstanden zijn groter dan de vereiste 50 meter. De geurbelasting hoeft niet berekend te worden omdat het een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf betreft. De woning komt op voldoende afstand van omliggende agrarische bedrijven te liggen. De ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven worden niet beperkt door het voorgenomen plan.

Beoordeling woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld of sprake is van een goed woon-en leefklimaat. Voor het woon- en leefklimaat nabij een veehouderij de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting (vanwege een nabijgelegen bedrijf) als de achtergrondbelasting (vanwege alle bedrijven in de omgeving samen) kan een rol spelen. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij geldt voor een veehouderij voor dieren met geuremissiefactor een maximale waarde voor de geurbelasting op gevoelige objecten. Daarnaast heeft de gemeente Barneveld streefwaarden opgenomen voor de achtergrondbelasting. Toetsing Zowel de voor- als achtergrondbelasting kan bepalend zijn voor het woon-en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Als vuistregel geldt: de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde agrarische bedrijven is de achtergrondbelasting bepalend voor de hinder. Volgens een (verouderde) kaart van de achtergrondbelasting in de gemeente Barenveld is in dit gebied sprake van een achtergrondbelasting tussen de 14 en 20,0 ouE/m3.

Afbeeling: uitsnede kaart achtergrondbelasting (beoogde woning ligt in het rode gebiedm binnen de cirkel). Beoordeling In 2002 heeft de GGD een richtlijn Geurhinder opgesteld waarin een tabel is opgenomen met een beoordeling welke milieukwaliteit hoort bij een bepaald percentage geurgehinderden. Eerder al was in een ruim opgezet onderzoek door PRA Odour net onder 2000 respondenten bepaald welke percentage geurgehinderden te verwachten is bij een bepaalde geurbelasting. Deze twee gegevens samen leveren onderstaande tabel op.

30

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

Achtergrondbelasting geur

Mogelijke kans op geurhinder

Beoordeling leefklimaat

OuE/m³

%

1–3

<5

Zeer goed

4–8

5 – 10

Goed

9 – 13

10 - 15

Redelijk goed

14 - 20

15 – 20

Matig

21 – 28

20 – 25

Tamelijk slecht

29 – 38

25 – 30

Slecht

39 – 50

30 – 35

Zeer slecht

51 – 65

35 - 40

Extreem slecht

Tabel: relatie geurbelasting - geurhinder - leefklimaat Een achtergrondbelasting tussen de 14 en 20 OuE/m3. Uit de tabel volgt dat ter plaatse van de woning sprake kan zijn van een leefklimaat dat is te typeren als Matig. Dit wordt als aanvaardbaar beschouwd. De achtergrondbelasting van geur vormt geen belemmering voor dit plan. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde bedrijfswoning. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.8

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De ontwikkeling van de toevoeging van een woongebouw en een niet - agrarisch bedrijf valt niet onder 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

5.9

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69 Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

5.10

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Beoordeling De luchtkwaliteit zal door dit plan met name worden beïnvloed door de verkeersaantrekkende werking van het plan. De verkeersaantrekkende werking van dit plan is mijns inziens beperkt en zal een niet in betekende mate bijdrage aan de luchtkwaliteit leveren. Aangezien het bedrijf dus NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een onderzoek naar de emissie van het plan niet noodzakelijk.

Voor de vestiging van het woongebouw kan worden gesteld dat de heersende achtergrondconcentraties daar niet wijzen op een dreigende overschrijding van grenswaarden. Op lokaal niveau wordt dus ook verwacht dat er sprake is van een goed woon en leefklimaat. Een onderzoek luchtkwaliteit is hiervoor dus evenmin noodzakelijk

Beoordeling fijnstof (PM10) vanuit de veehouderij In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. De volgende grenswaarden gelden voor fijn stof: 40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie; 50 µg/m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 etmalen per kalenderjaar mag worden overschreden. Er is beoordeeld of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende agrarische bedrijven. Resultaten & beoordeling In de omgeving ligt een bedrijf met een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar), de Wencopperweg 57. Met het verspreidingsmodel ISL3a is berekend wat de bijdragen van dit bedrijf is op de totale concentratie fijn stof ter plaatse van de beoogde woning. Te beschermenn object

RD X Coörd. [m] RD Y Coörd. [m]

Woning

172 315

463 678

Concentratie [microgram/m3]

Overschrijding [dagen]

20.90

8.5

Tabel: resultaten fijn stof berekening Uit de berekening blijkt dat fijn stof concentratie ter plaatse van de woning voldoet aan de grenswaarden. Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies, gelet op de 32

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69 bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling Er wordt geen gevoelige functie toegevoegd, er is geen verdere toetsing noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.11

Milieueffectrapportage

Een milieueffectenrapportage (hierna: mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. In afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is de regelgeving rondom de mer opgenomen. In afdeling 16.4 van de Ow wordt onderscheid gemaakt in de plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit Bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: in kolom 1 staan de projecten opgesomd; in kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; in kolom 3 staan de gevallen waarin de project-beoordelingsplicht geldt; in kolom 4 staan besluiten waarvoor de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Er zijn drie sporen waarlangs de plan-mer aan de orde is: 1. een plan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een mer-(beoordelings)plichtige project genoemd in Bijlage V van het Ob (artikel 16.36, lid 1 Ow); 2. er is voor het plan/programma een passende beoordeling voor natuur nodig zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36, lid 2 Ow); 3. een plan of programma anders dan genoemd onder punt 1, heeft mogelijk toch aanzienlijke milieueffecten (artikel 16.36, lid 4 Ow).

Dit artikel is een vangnet voor activiteiten die niet genoemd zijn in Bijlage V van het Ob. Wanneer een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of een plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Bij een mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage III bij de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Ad 1 en 3: Bijlage V van het Omgevingsbesluit Wettelijk kader Voor de project-mer geldt dat als de activiteit voorkomt in kolom 1 en boven de drempelwaarden uitkomt in kolom 2, een mer-plicht geldt. Als de activiteit voorkomt in kolom 1 en betrekking heeft op een geval zoals omschreven in kolom 3, geldt een mer-beoordelingsplicht. In het geval van een beoordelingsplicht is de centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog een mer-plicht. Toetsing De activiteit wordt niet genoemd in Bijlage V van het Ob.

Hierdoor is geen sprake van een project-mer-(beoordelings)-plicht. De omvang van het project en de milieueffecten zijn dermate gering dat geen sprake is van een plan-mer-plicht op basis van artikel 16.36 lid 4 van het Ob. Ad 2: Passende beoordeling Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-mer-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling is hier "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69 niet aanwezig. Conclusie Voor deze ontwikkeling is geen milieueffectrapportage nodig.

5.12

Milieuzonering

Om milieubelasting bij gevoelige gebouwen door milieubelastende activiteiten te voorkomen is een goede afstemming onder de Omgevingswet noodzakelijk. Ten aanzien van milieubelastende activiteiten geldt als uitgangspunt dat toekomstige gevoelige gebouwen niet onevenredig worden belast op gebied van milieu (geur, geluid etc.) door milieubelastende activiteiten. Woningen zijn gevoelige gebouwen. Om dit te borgen zijn in hoofdstuk 3 van het Bal rijksregels voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering´ (2024) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gaat uit van zones met oplopende beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit, zónder een Lijst van activiteiten bij de regels. De systematiek gaat in hoofdzaak over milieuhinderlijke activiteiten op reguliere bedrijventerreinen en andere werkterreinen, maar de handreiking geeft ook aanbevelingen voor gebieden met functiemenging. Daarnaast biedt de handreiking een hulpmiddel bij het inschatten van de benodigde milieugebruiksruimte van een activiteit.

In dit kader zijn voor dit plan de volgende bedrijven en aspecten van belang: Kapweg 6: 160 m Wencopperweg 57: 260 m Wencopperweg 65: 150 m Wencopperweg 51A: 340 m Vuilstort: > 750 m Harselaar: > 750 m Voor wat betreft industriële milieuzonering worden geen belemmeringen voorzien. Bij een bedrijf met een maximale milieucategorie 3.2 geldt een richtafstand van 100 meter. Gebruikelijk is om categorie 2 berijven te vestigen op dergelijke locaties. De bijbehornede rinchtadstand is 50 meter. Aan beide richtafstanden kan ruimschoots worden voldaan. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan. 5.12.1 Spuitzonering In het Bal wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar mensen kunnen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat.

Uit de wet volgt niet hoeveel afstand er aangehouden moet worden tussen een agrarische activiteit waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast en gevoelige functies. Vanuit jurisprudentie geldt dat als vuistregel een afstand van 50 meter moet worden aangehouden. Er kan worden afgeweken van deze afstand met een locatiespecifiek onderzoek. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in het toevoegen van gevoelige functies binnen een afstand van 50 meter tot een erceel bedoeld voor agrarisch gebruik. Het nieuwe woongebouw staat op een afstand groter dan 50 meter van de agrarische functie. Verder is het nieuw te bouwen bedrijfsgebouw alleen bedoeld voor opslag van hout. conclusie Het aspect spuitonering vormt geen belemmering voor dit plan.

34

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

5.13

Natuur en landschap

Met deze functieverandering wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de landchappelijke inrichting. Voor het vasthouden van water worden een wadi en poelen aangelegd op het perceel. Bij extreme neerslag kan de wadi overstromen via de afvoer naar De Grote Beek. Hiervoor worden watergangen aangelegd in overleg met het Waterschap. De aanwezige groenstroken worden opgenomen in de versterkig van de kavelgrensbeplanting en toe te voegen nieuwe natuur.

Afbeelding 5.13.2: bestaande en nieuwe situatie

De gebouwen en beplanting vormen een samenhangend ensemble, één erf met bebouwingsstructuur. Nieuwe bebouwing is ingepast binnen de karakteristieke stedenbouwkundige opzet van het erf. Het erf is aan alle zijden voorzien van een passende erfbeplanting met een onderscheid tussen de voor- en achterkant van het erf. Met de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met de kernkwaliteiten (zie paragraaf 4.3.1.2). (Bijlage 6 uitwerking inrichtings- en inpassingsplan)

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

Afbeelding: 5.13.1: landschappelijke inrichting

De huidige agrarische bedrijfsfunctie komt te vervallen en wordt ingevuld met landschappelijk waardevol groen en mender in de beek. Conclusie Het aspect 'Natuur en landschap' vormt geen belemmering voor het plan.

5.14

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de nieuwe en uit te breiden functie de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. 5.14.1 Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines.

Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 36

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69 4.2.14 Bbl. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR) Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit. Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen.

Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld.

In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. 5.14.2 Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. 5.14.3 Veiligheidszone - Bal Binnen de grenzen van het plan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.15

Ontplofbare oorlogsresten

Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat de locatie niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop het plangebied is te zien.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

Afbeelding 5.15.1: Uitsnede OO-belastingkaart Conclusie Het aspect 'Ontplofbare Oorlogsresten' vormt geen belemmering voor het plan.

5.16

Trilling

Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Er is geen sprake van een plan dat een activiteit mogelijk maakt dat trillingen veroorzaakt. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.

5.17

Verkeer

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast moeten er voldoende parkeerplaatsen voor de functie van de beoogde ontwikkeling aanwezig zijn. De locatie wordt via de vestaande in- en uitritten ontsloten. Op het perceel is voldoende ruimte aanvwezig om voor parkeren op eigen terrein te kunnen voldoen aan de norm voor wonen per woning afgerond naar boven 3 parkeerplekken, voor de bedrijfsruimte 1,1 of 2,4 parkeerplek per 100 m2 (afhankelijk van het type bedrijf) en voor de loods 1,1 parkeerplek per 100 m2. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor dit plan.

5.18

Weging van het waterbelang

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. Bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.

38

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Bij de realisatie van het bedrijfsgebouw wordt uit duurzaamheidsoogpunt bij voorkeur geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt. In Wencopperweg is sprake van drukriolering. Het nieuwe bedrijfsgebouw en bestaande woongebouw met twee bijgebouwen worden op het drukriool aangesloten. Grondwater Om grondwateroverlast (in kruipruimte, kelder, etc.) te voorkomen, worddt rekening gehouden met de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). Het advies aan de initiatiefnemer is om een goed beeld te krijgen van de plaatselijke grondwaterstanden. Zo nodig kan het terrein worden opgehoogd. Het is niet toegestaan om structureel grondwater te onttrekken. Hemelwater Door de realisatie van dit plan is er sprake van een toenamen van 565 m2 aan verhard oppervlak (bebouwing en terrein) in vergelijking met de huidige situatie. Hierdoor treedt bij neerslag meer afstroming van hemelwater op. In feite is sprake van een nieuwe ontwikkeling door de toevoeging van een extra bedrijfsgebouw en twee bijgebouwen bij het woongebouw met twee wooneenheden.

Hierbij wordt waterberging gerealiseerd met een capaciteit van 30 mm maal de toename van het verhard oppervlak (dak en terrein). Waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van een wadi en poelen met een overloop naar de beek.

Afbeelding: poelen met overloop naar de beek.

Het hemelwater kan infiltreren op eigen terrein door van verhard oppervlak naar onverhard oppervlak af te stromen, zonder dat het water naar een riool of watergang afgevoerd wordt. Hiervoor hoeft geen waterberging te worden gerealiseerd. Bij voorkeur wordt de hoeveelheid verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

Afbeelding: ligging wadi voor infilttratie hemelwater

De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoer van het plan.

40

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

Hoofdstuk 6

Juridisch aspecten

6.1

Wijziging omgevingsplan

6.1.1

Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 6.1.2

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

41

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

6.1.3

Werkingsgebied

Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Wencopperweg 69 (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen (zie Artikel 1 en Meet- en rekenbepalingen). Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels (Artikel 3). Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen. De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de wencopperweg 69, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0025 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

42

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

6.2

Artikelsgewijze toelichting functies

6.2.1

Terugkerende thema's

6.2.1.1

Functieverandering

De verwachting is dat de komende jaren veel agrarische bedrijven zullen stoppen. Er komen veel stallen en andere bedrijfsgebouwen leeg te staan. De gemeente wil aan deze gebouwen een nieuwe passende functie kunnen geven. Hierbij kan worden gedacht aan nieuwe woningen, diverse vormen van bedrijvigheid, recreatieve of maatschappelijke functies en verbredingsmogelijkheden voor wonen en werken. Bij functieverandering naar werken is een onderscheid gemaakt voor 'gebiedspassende bedrijven' en 'gebiedsgebonden bedrijven'. Gebiedspassende bedrijven zijn kleinschalige bedrijven die op zich horen op een bedrijventerrein of binnen de bebouwde kom, maar die ruimtelijk verantwoord passen of in te passen zijn in de (delen van) het buitengebied. Gebiedsgebonden bedrijven zijn bedrijven die vanuit de aard van hun bedrijfsvoering in beginsel geplaatst kunnen worden in (bepaalde delen van) het buitengebied, dan wel die vanouds aan het buitengebied gerelateerd worden. Deze bedrijven hebben naar hun aard een zekere relatie met het buitengebied en/of vanuit de historie een plek gevonden in het buitengebied. Onder deze categorie schaart de regio ook agrarische verwante bedrijven (ook wel landelijke bedrijven genoemd). Een belangrijk doel bij functieverandering is dat er nieuwe ruimtelijke kwaliteiten worden gerealiseerd, waardoor ruimtelijke en maatschappelijke winst ontstaat.

Dit gebeurt door investeringen in de kwaliteit van het buitengebied. Die investeringen lopen via het Ontwikkelingsfonds Platteland en hebben betrekking op landbouw, natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, milieu en water, recreatie en sociaaleconomische revitalisering. De middelen uit dit fonds moeten aan meerdere doelen en thema’s worden besteed zodat een evenwichtig plattelandsontwikkelingsprogramma wordt opgebouwd en uitgevoerd.

6.2.1.2

Mantelzorg

In het voorliggende plan is voor zowel woningen, als bedrijfswoningen een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee een tweede zelfstandige wooneenheid voor mantelzorg mogelijk wordt gemaakt. De afwijkingsmogelijkheid is gekoppeld aan onder andere een sloopeis. De voorwaarden staan beschreven in de activiteit bouwen, in stand houden en gebruik van bouwwerken (en gronden). Mantelzorg is niet toegestaan binnen 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning'. Ook wordt mantelzorg niet mogelijk gemaakt in woningen die een toegestane maximale inhoud hebben van 350 m3.

6.2.1.3

Aan huis verbonden beroepen of kleinschalig bedrijf, bed & breakfast

Binnen zowel woningen, kleine woningen, woongebouwen als bedrijfswoningen is onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast bij recht toegestaan. Bij de relevante functies staan de voorwaarden beschreven. Een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf is niet toegestaan binnen 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning'. Bed & breakfast is niet mogelijk binnen de 'functie recreatiewoning in het buitengebied' en 'functie wonen in een voormalige recreatiewoning', gelet op het kleinschalige oppervlak van de woning. De bewoner van de woning mag in de woning een aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf (bijvoorbeeld een praktijk- of kantoorruimte) en/of bed & breakfast uitoefenen. In totaal mag hiervoor worden gebruikt maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning, met een maximum van 60 m2. Bij een kleine woning geldt een maximum van 35 m2. De oppervlakte is beperkt om te garanderen dat deze functies ondergeschikt zijn en blijven aan de hoofdfunctie wonen. Om overlast en hinder te voorkomen zijn activiteiten waarvoor een melding of vergunning op basis van de milieuwetgeving vereist is, niet toegestaan. De gemeente wil met deze voorwaarden voorkomen dat er nieuwe bedrijven ontstaan in het buitengebied.

Via een afwijking van de gebruiksregels mag een aan huis verbonden beroep of bedrijf en bed & breakfast ook in een bijgebouw worden gerealiseerd.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

43

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

Ter voorkoming van het ontstaan van een zelfstandige wooneenheid wordt geen keukenblok toegestaan in een bed & breakfast. Een keukenblok wordt niet noodzakelijk geacht voor een bed & breakfast, omdat de verzorging van bed & breakfast zich beperkt tot logies en ontbijt. Ook wordt hiermee de kans op permanente bewoning tegengegaan.

6.2.1.4

Paardrijbakken

Bij de woning is een paardrijbak (onoverdekte rijbak) voor privé- en hobbymatig gebruik door de bewoners toegestaan. De afmeting van de paardrijbak bedraagt maximaal 20 bij 40 meter. De paardrijbak is toegestaan binnen de locatie waaraan de functie is toebedeeld en/of functiegebieden waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan. Een paardrijbak is onder voorwaarden ook toegestaan aansluitend aan het functiegebied waarin de woning zich bevindt. Een paardrijbak die aansluitend aan een functiegebied wordt gerealiseerd ligt in de functie 'agrarische bedrijven'. De voorwaarden die gelden voor een paardrijbak in de functie 'agrarische bedrijven' staan dan ook vermeld in de regels over het gebruik van grond als paardrijbak in het buitengebied. De paardrijbak moet achter de voorgevelrooilijn worden aangelegd. Om hinder naar buren te voorkomen of te beperken is de minimale afstand tussen de paardrijbak en een woning van een derde minimaal 50 meter. Via een afwijking van de bouwregels is het mogelijk de paardrijbak voor de voorgevelrooilijn te plaatsen. Voorwaarde is dat de belangen van gebruikers/eigenaars van aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad en dat er geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=5746c962-9f44-49fa-ba5c-675dc592b0f5