CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69_Motivering

Gemeenteraad 22 april 2026, gemeente BarneveldBij agendapunt: Wijziging TAM omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69 Kootwijkerbroek20.629 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat het woon- en leefklimaat (geur, geluid, stof en dergelijke) niet verslechtert en dat wordt voldaan aan de geldende milieuregels. Ook moet rekening worden gehouden met de aanwezige landschapswaarden.

6.2.1.5

Voormalige bedrijfswoning

De aanduiding 'specifieke vorm van wonen- voormalige bedrijfswoning' die is toegekend aan een woning die eerder functioneel verbonden was met het nabijgelegen bedrijf. Deze voormalige bedrijfswoning is niet meer in gebruik als bedrijfswoning. Voor deze woning zijn de waarden in het omgevingsplan voor geluid, geur en trillingen vanuit de activiteiten van het voormalige verbonden bedrijf niet van toepassing. In dit geval is de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalige bedrijfswoning' hier toegepast omdat een deel van het eigen (agrarische) bedrijf blijft bestaan.

6.2.1.6

Zonnepanelen

Op basis van nationale wetgeving is het mogelijk om zonnepanelen op daken te plaatsen. In het buitengebied van de gemeente Barneveld wil de gemeente ook het plaatsen van zonnepanelen op maaiveld in (beperkte vorm) mogelijk maken. Dit wordt gedaan om een mogelijkheid te bieden voor situaties waarin het plaatsen zonnepanelen op het dak niet gewenst is. Hierbij kan gedacht worden aan monumentale gebouwen en/of gebouwen met een rieten dak. Het voorliggende plan biedt mogelijkheden om met voorwaarden bij recht zonnepanelen te realiseren. Daarnaast bevat het plan een mogelijkheden voor het bouwen van zonnepanelen op onbebouwde agrarische grond aansluitend aan een functievlak voor bijvoorbeeld de functie 'Wonen'. Hierbij worden eisen gesteld aan zowel de plaats van de zonnepanelen als de landschappelijke inpassing van deze zonnepanelen. Bij agrarische bedrijven geldt dat het plan flexibiliteitsbepalingen bevat waarmee de vorm en/of de grootte van de functie kan worden aangepast, die ook kan worden gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen. Wat betreft de bouwregels worden zonnepanelen beschouwd als overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Dit betekent onder andere dat zonnepanelen buiten een bouwvlak maximaal 1,5 meter hoog mogen zijn.

44

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

6.2.1.7

Recreatief medegebruik

Niet alle dagrecreatieve activiteiten vinden plaats op een vaste locatie. Wandelen, fietsen, skeeleren en paardrijden kan in het gehele plangebied. In de functies ('agrarische bedrijven', 'paardenhouderij' en 'natuur in buitengebied') is het extensieve recreatieve medegebruik bij recht toegestaan. Deze activiteiten zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving. Activiteiten als boerengolf, paintball en gemotoriseerde sporten (zoals quads, crossmotoren en dergelijke) zijn niet toegestaan om zo de verstoring in de genoemde (natuur)gebieden beperkt te houden.

6.2.1.8

Normaal beheer, onderhoud en gebruik

Voor werken en werkzaamheden die bij het normale onderhoud, gebruik en beheer behoren, is geen omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) nodig. Onder normaal beheer, onderhoud en gebruik wordt verstaan beheer, onderhoud en gebruik die gelet op de toegekende functie, regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer, een goed onderhoud en een goed gebruik van de gronden en van de gebouwen die tot de betreffende functies behoren. Bij de functie agrarische bedrijven zijn dat bijvoorbeeld werkzaamheden die inherent zijn aan de productie op basis van de huidige cultuur/productiewijze van het bedrijf (veehouderij, akkerbouw, et cetera). Het betreffen werkzaamheden die als onderdeel van de bedrijfsvoering met regelmaat (periodiek, bijvoorbeeld jaarlijks) worden uitgevoerd. Echter, voor werkzaamheden op het agrarisch bouwvlak (of een ander bebouwd perceel, zoals bij een woning of een bedrijf) geldt voor sommige werken of werkzaamheden wel het vereiste van een omgevingsvergunning. Het gaat dan vooral om ingrepen die de archeologische waarden kunnen verstoren of die een grote landschappelijke impact kunnen hebben, zoals het aanleggen van aarden wallen. Het is wel van belang dat andere regelingen zich niet verzetten tegen een ingreep, zoals bijvoorbeeld een beheersovereenkomst.

Ook moeten soms ontheffingen op basis van de regels met betrekking tot natuur en natuuractiviteiten (BKL en Bal) worden verleend. Dit soort wettelijke verplichtingen zijn altijd van toepassing, onafhankelijk van de regeling in dit plan.

6.2.1.9

Mestplaten en spuitzones

Door het realiseren van een mestplaat of door het aanplanten van gewassen kan iemand proberen een plan voor dorpsuitbreiding of het realiseren van een geur- of hindergevoelige functie te frustreren. Mestplaten Het opslaan van agrarische meststoffen (zoals bij een mestplaat) vindt op ten minste 100 m afstand tot een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom is gelegen plaats. Bij een kortere afstand zal moeten worden aangetoond een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd voor geur- of hindergevoelige functies. Spuitzone gewassen Er zijn geen wettelijke bepalingen voor minimaal aan te houden afstanden tussen de gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van een ruimtelijke ontwikkeling moet een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats vinden, het milieubelang niet uitgezonderd. De aan te houden afstand tussen de gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen gevoelige objecten dient zodanig gekozen te zijn dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse aanwezig zal zijn. Een planologische keuze die zit op een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruik, wordt in het algemeen niet onredelijk geacht.

Dit brengt echter met zich dat de raad een kortere afstand in een bepaalde situatie toereikend kan achten om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Voor zowel mestplaten als spuitzones geldt dat in de nabijheid van beoogde uitbreidingsgebieden dergelijke zaken niet bij recht mogelijk zijn. Anderzijds gaat het om zaken die in het kader van de regulier bedrijfsvoering van agrarische bedrijven een legitieme plek hebben. Voor het overgrote deel van het buitengebied is er geen belang om dergelijke zaken

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

45

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69 vergunningsafhankelijk te maken. Dit geldt ook voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen als gras en maïs. Dergelijke gewassen zijn gemakkelijk vervangbaar of de teelt ervan duurt kort. Dan is er in veel mindere mate sprake van een conflict met de belangen van dorpsuitbreiding. Een mogelijk conflict speelt vooral bij houtachtige gewassen, die min of meer structureel op een locatie aanwezig zijn. De regeling wordt daarom beperkt tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ten behoeve van houtachtige gewassen, waaronder begrepen struiken en heesters. In het plan is een kernrandzone opgenomen. Dit betreft een zone rondom bestaande woonkernen en bedrijventerreinen van 250 meter, en ook zoekzones voor stedelijke ontwikkelingen. Er zijn specifieke regels opgenomen voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in die zone. Door dit begrip op te rekken kunnen alle gebieden worden afgedekt waar risicogevende ontwikkelingen zich kunnen voordoen. In de regels zijn begrippen opgenomen voor agrarische bedrijfsstoffen en gewasbeschermingsmiddel en is het begrip kernrandzone aangepast. Bij de functie 'agrarische bedrijven' en 'paardenhouderij' is een verbod voor gebruik opgenomen dat het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen in de kernrandzone niet is toegestaan.

Er is ook een artikel opgenomen die het onder bepaalde voorwaarden wel mogelijk maakt.

6.2.2

Functie groen in buitengebied

Verspreid over de gemeente komen groensingels voor. Een deel hiervan is waardevol (oude houtwallen) of is op basis van een ruimtelijke procedure aangelegd. De functie 'groen in kernen/ groen in buitengebied' is opgenomen ten behoeve van de instandhouding van de groensingels en nieuwe groensingels. Nieuwe groensingels zijn ter versterking van de landschappelijke waarde en hebben een afschermende functie. Groensingels zijn vaak waardevol voor de natuur omdat ze leefgebied en schuilgelegenheid bieden voor vogels en andere dieren. Binnen de functie zijn toegestaan opgaande beplanting met de daarbij behorende bouwwerken (geen gebouwen en overkappingen zijnde), werken, paden en waterhuishoudkundige voorzieningen. Om werken of werkzaamheden uit te kunnen voeren, kan een vergunning vereist zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om ingrepen als het vergraven van terreinen, het verbreden of verharden van paden of ingrepen die leiden tot een wijziging in de waterhuishouding of waterstand. Normaal onderhoud en de aanleg van nieuw groen valt niet onder de vergunningplicht.

6.2.3

Functie natuur in buitengebied

Er is bij dit plan gekozen voor een systematiek waarin alle natuur- en bosgebieden onder een functie samenkomen. Hieronder vallen alle bos, heide, en overige natuurterreinen evenals vennetjes en stuifzanden. Houtproductie maakt ook onderdeel uit van deze functie. Houtproductie vormt namelijk een onderdeel van het beheer van bosgebieden. Voordeel van een dergelijke regeling is dat het flexibiliteit biedt voor de beheerder van het natuurgebied. Een eventuele herinrichting (bijvoorbeeld van bos naar heide) is hiermee mogelijk zonder een wijziging van het plan. Omdat in deze gebieden in de praktijk niet veel verandert, is deze regeling prima te gebruiken. Bovendien worden de natuurwaarden ook al beschermd door wet- en regelgeving voor natuur. Natuurgebiedsplannen geven een belangrijk kader voor de gewenste soorten natuur. Ingezet wordt op behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuur(wetenschappelijke)waarde en de landschappelijke waarde. De bebouwingsmogelijkheden binnen deze functie zijn daarom minimaal. Om werken of werkzaamheden in de natuurgebieden uit te kunnen voeren, kan een vergunning vereist zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om ingrepen als het vergraven van terreinen, het aanleggen van nieuwe paden en geluidswallen of ingrepen die leiden tot een wijziging in de waterhuishouding of waterstand. Normaal onderhoud van natuurterreinen valt niet onder de vergunningplicht.

Vergunningen zullen in ieder geval worden getoetst aan de natuurwaarden omdat een groot deel van de natuurgebieden in het Natura 2000-gebied 'Veluwe' of de voormalige Ecologische Hoofdstructuur ligt. Een ecologisch onderzoek zal onderdeel uit moeten maken van de aanvraag om vergunning.

46

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

6.2.4

Functie water in het buitengebied

In het plangebied komt water vooral voor in de vorm van beken. Alleen als het water een belangrijk element vormt in zijn omgeving dan wel van groot belang is voor de waterhuishouding, dan is de functie 'water in kernen/ in het buitengebied' toegekend. Dit zijn de primaire watergangen. Hierin zijn ook de onderhoudsstroken van 1,5 meter vanaf bovenzijde talud aan weerszijden van de watergang meegenomen. De waterlopen hebben naast hun waterhuishoudkundige functie (bergen, afvoeren, vasthouden) ook een landschappelijke en natuurlijke waarde. Deze functies zijn meebestemd in de planomschrijving. Voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding zijn toegestaan, denk aan stuwen, duikers, vistrappen en bruggen. Extensief recreatief medegebruik van het water is toegestaan. Het gaat dan om activiteiten als kanovaren, vissen en hengelsport. Voor deze activiteiten mogen bouwwerken als steigers worden gebouwd. Wel dient rekening te worden gehouden met de regels uit de Keur van het waterschap. Het storten van slib in een waterpartij of waterloop is niet toegestaan in verband met de mogelijke aanwezige vervuiling in het slib. De secundaire watergangen en overige waterlopen hebben eenzelfde functie als de hoofdfunctie in dat gebied. Dit betreft onder andere waterpartijen in natuurgebieden.

6.2.5

Dubbelfuncties en dubbelfunctie gebiedswaarden

In het plangebied liggen een aantal gasleidingen, rioolleidingen en een hoogspanningsverbinding. Deze leidingen lopen door andere functies heen. Deze leidingen zijn daarom bestemd door middel van de dubbelfuncties 'Leiding - Gas', 'Leiding - Hoogspanning' en 'Leiding - Riool'. Doel van de functies is om de leidingen in het plan op een goede manier te regelen, onder andere om deze te beschermen.

6.2.5.1

Functie archeologische monumenten in het buitegenbied

In alle gebieden die (nog) niet zijn vrijgegeven na archeologisch onderzoek of waar is besloten tot behoud in situ is een functieaanduiding voor archeologie toegepast. Specifieke regels hiervoor zijn toegepast op specifieke locaties. Hieronder vallen 6 soorten regels; regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een lage verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 10.000 m2). regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 2.000 m2). regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een hoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 250 m2). regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in historische kernen en historische boerenerven (bij een oppervlakte van meer dan 100 m2). regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, voor niet zichtbare terreinen met archeologische waarde. regels voor zichtbare terreinen met archeologische waarde bij elke bouwdiepte.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

47

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

Hoofdstuk 7

Financiële uitvoerbaarheid

Onder de Omgevingswet zijn er voor het publiekrechtelijke kostenverhaal twee systemen: het kostenverhaal met en het kostenverhaal zonder tijdsvak. De plannen hebben een duidelijk eindbeeld, een fasering en een einddatum. Daardoor is goed mogelijk om de kosten en opbrengsten van de gebiedsontwikkeling vooraf te berekenen. Het systeem van het kostenverhaal zonder tijdsvak is bestemd voor organische gebiedsontwikkeling. Dus voor plannen zonder een duidelijk eindbeeld, zonder fasering en zonder einddatum. Het gaat om plannen met globale functieaanduidingen die op verschillende manieren worden uitgewerkt. Dat maakt het moeilijk om de kosten en opbrengsten van de gebiedsontwikkeling vooraf te berekenen. Bij het vaststellen van het omgevingsplan is dan geen gedetailleerde raming van de kosten en opbrengsten vereist, maar een kostenplafond. Bij dit kostenverhaal worden de kosten en bijdragen pas bij de aanvraag geconcretiseerd. De gemeente mag een kostenverhaal met tijdvak toepassen. Dit kan bij het vaststellen van een projectbesluit, een omgevingsplan of de afgifte van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevinpsplanactiviteit. Het toepassen van het kostenverhaal zonder tijdvak kan alleen in het gemeentelijke omgevingsplan. De initiatiefnemer zal voor eigen rekening en risico de activiteit ten uitvoer brengen. Het gaat in dit geval om een concreet plan met tijdvak.

Binnen een redelijke termijn van 1 jaar na het onherroepelijk worden van dit Omgevingsplan en de te verlenen omgevingsvergunning zal worden gestart met de werken en werkzaamheden.

7.1

Kostenverhaal

Onder de Omgevingswet (Ow) is kostenverhaal in beginsel verplicht bij (bouw)activiteiten die mogelijk worden op grond van een nieuw toegedeelde functie (artikel 13.11 Ow). Het is verboden een kostenverhaalsplichtige activiteit te verrichten voordat de te verhalen kosten zijn betaald (artikel 13.12 Ow), op straffe van bestuursrechtelijke handhaving. Er geldt tot die tijd dus een bouwverbod. Onder de Ow geldt kostenverhaal langs privaatrechtelijke weg, door een anterieure overeenkomst te sluiten met de initiatiefnemer, als uitgangspunt. Daarin kunnen ook afspraken worden opgenomen die zien op een betaalregeling. Als partijen er niet in slagen om afspraken te maken in een anterieure overeenkomst over het gemeentelijk kostenverhaal, zal de gemeente het kostenverhaal publiekrechtelijk moeten regelen. Dat doet zij door kostenverhaalregels toe te voegen aan een omgevingsplan of kostenverhaalvoorschriften op te nemen in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het verhalen van de kosten loopt dan via een kostenverhaalbeschikking. Zodra een initiatiefnemer aan de slag wil, vraagt deze bij de gemeente om die beschikking. Zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald, is het verboden om de bouwactiviteiten uit te voeren. Dit geldt voor zowel het privaat- als publiekrechtelijke kostenverhaal.

Voor dit initiatief worden de kosten voor het opstellen van het plan gedekt door het heffen van leges. Voor de mogelijke kosten van een tegemoetkoming in schade, zoals bedoeld in artikel 15.1, lid 1 Ow (nadeelcompensatie), is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een overeenkomst in de zin van artikel 13.13, lid 3 Ow. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden. Het opnemen van kostenverhaalregels in de omgevingsvergunning is daarom niet nodig.

48

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

Hoofdstuk 8

Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid

Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het omgevingsplan opgestart (artikel 16.30 Ow).

8.1

Participatie

Bij het opstellen van een (wijziging)omgevingsplan moet onder de Omgevingswet aangetoond worden hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij het plan zijn betrokken (artikel 10.2 Omgevingsbesluit). Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit, zodat vroegtijdig de knelpunten, belangen en verbeterpunten worden gesignaleerd. Participatie met bestuursorganen en ketenpartners Bij de voorbereiding van het plan is het in het kader van participatie voorgelegd aan: Waterschap Vallei en Veluwe Omgevingsdienst De Vallei (OddV) Veiligheids- en gezondheidsregio Gelderland-Midden (bijvoorbeeld onderdeel Brandweer Gelderland-Midden) Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Dit plan is gebaseerd op de Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten en voldoet daar ook aan. Het Waterschap Vallei & Veluwe is betrokken bij de watwerberging en het verleggen van de langsstromende Grote Beek om een natuurlijk karakter te versterken. Verder is aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 1500 m2 en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen. Hier is sprake van zo een geval.

Er kan worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding. Aangezien er geen sprake is van een provinciaal belang, heeft er geen participatie plaatsgevonden met de provincie. Participatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties De participatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties voor plannen binnen de gemeente Barneveld is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld en is in werking getreden. Het beleid onderscheidt drie sporen: Participatie bij ruimtelijke initiatieven; Participatie bij initiatieven van de overheid; Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.

Meeweten | informeren Meedenken | raadplegen Meewerken | adviseren Meebepalen | co-creatie "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

49

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69

In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven van het beleid relevant en trede 1. meeweten, informneren van de participatieladder. De initiatiefnemer heeft geen invulling gegeven aan formele participatie, wel heeft overleg met omwonenden plaatsgevonden. De reden dat er niet overeenkomstig het participatiebeleid is gehandeld vloeit voort uit dat het verzoek van april 2021 dateert. Destijds maakte participatie nog geen onderdeel uit van de procedure.

8.2

Zienswijzen

Het TAM-omgevingsplan heeft van 19 december 2025 tot en met 29 januari 2026 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn er geen reacties ingediend.

50

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22y Wencopperweg 69" (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=5746c962-9f44-49fa-ba5c-675dc592b0f5