TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I Motivering
Tekst van het document
Stroeërweg 16-18 Voor de locatie Stroeërweg 16-18 is een historisch vooronderzoek uitgevoerd (Bijlage 1), aangevuld met een quickscan bodemonderzoek. Het historisch vooronderzoek richt zich op de gebruiksgeschiedenis van de locatie en mogelijke bodembedreigende activiteiten. De locatie is in het verleden in agrarisch gebruik geweest, met ondergeschikte bebouwing en erfverhardingen. Er zijn geen concrete aanwijzingen voor ernstige bodemverontreiniging uit het verleden. De quickscan omvat veldinspecties en bodemmonsters die zijn geanalyseerd op de aanwezigheid van zware metalen, minerale olie, PCB’s, PAK’s en asbest. Uit de analyses blijkt dat de bodemkwaliteit grotendeels binnen de normen blijft. Er zijn enkele lichte verhogingen van zware metalen en minerale olie aangetroffen, maar deze liggen ruim onder de interventiewaarden. Op het terrein is een locatie geïdentificeerd met een verhoogde concentratie asbestvezels, vermoedelijk afkomstig uit voormalige bebouwing en erfverharding. Voor deze locatie wordt een gerichte saneringsmaatregel aanbevolen voorafgaand aan de realisatie van de nieuwe bestemming. In het grondwater is een verhoogde concentratie barium waargenomen, hetgeen mogelijk een natuurlijke oorsprong heeft. Verdere monitoring wordt aanbevolen bij grondwateronttrekkingen of bouwactiviteiten die diepe bodemverstoring met zich meebrengen.
Wesselseweg 41 Het uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek (Bijlage 2) is correct uitgevoerd en geeft een globaal/voldoende beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het plangebied valt binnen de contour van de onderzoekslocatie. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de zintuiglijk schone boven- en ondergrond geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters zijn aangetoond. Het grondwater, in de nabijheid van de ten tijde van het bodemonderzoek huidige situering van de verplaatsbare dubbelwandige brandstoftank, bevat licht verhoogde concentraties aan barium en benzeen. Zintuigelijk is op het maaiveld en in de opgegraven/opgeboorde grond geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In de samengestelde mengmonsters, voor analyse op asbest, ter plaatse van de twee onderzochte druppelzones is maximaal 3,4 mg/kg d.s. aan gewogen asbest gemeten welke de saneringsnorm/hergebruiksnorm van 100 mg/kg d.s. niet overschrijdt. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek of -sanering en zijn voldoende voor de voorgenomen bestemmings-/functiewijziging van de locatie. Ondanks dat het verkennend bodem- en asbestonderzoek is uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen 28
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit. Bij de voorgenomen herontwikkeling en de daarbij behorende sloop- en grondroerende werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging. Aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. naar/van de locatie dient te voldoen aan de algemene rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
5.3
Cultuurhistorie
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie hiervan is het behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met in begrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Bij cultureel erfgoed kan het ook gaan om monumenten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van de fysieke leefomgeving wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.
5.3.1 5.3.1.1
Archeologie Archeologie hoge verwachting
Stroeërweg 16-18 Voor het perceel Stroeërweg 16-18 geldt grotendeels een hoge archeologische verwachting. Dit betekent dat de kans op archeologische vondsten aanzienlijk is, vooral gezien de lange geschiedenis van agrarisch gebruik en de nabijheid van oude nederzettingen en wegen. De gemeentelijke archeoloog heeft vastgesteld dat alle voorgenomen sloopwerkzaamheden binnen deze zone vallen. De vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek bedragen hier 250 m² en 30 cm diepte. Dit is verwerkt in het omgevingsplan middels de functieaanduiding "Waarde – archeologie 3". Omdat er geen nieuwbouw plaatsvindt, is er geen verplicht archeologisch onderzoek nodig. Wel geldt de wettelijke meldingsplicht: indien er tijdens werkzaamheden vondsten zoals aardewerk, vuursteen, houtskool of donkere verkleuringen in de bodem worden aangetroffen, dient dit te worden gemeld conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Archeologsiche verwachtingenkaart Stroeërweg 16-18 Wesselseweg 41 Voor het perceel geldt volgens de archeologische verwachtingenkaart grotendeels een hoge, en voor een klein deel een lage archeologische verwachting. Alle voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden zullen plaatsvinden in de zone met een hoge verwachting. Daarbij horen de volgende vrijstellingsgrenzen: 250 m2, en 30 cm onder maaiveld. Dit is in het vigerende bestemmingsplan verwerkt d.m.v. de dubbelbestemming (Waarde – archeologie 3). De nieuw te bouwen woningen en bijgebouwen zullen voor het grootste deel gebouwd worden op de locatie van de huidige stal. Uit de tekening van de stal is af te leiden dat de bodem daaronder tot een diepte van tenminste 1 m -mv is verstoord. De archeologische verwachtingskaart geeft aan dat op de locatie een enkeerdgrond aanwezig is, met een plaggendek van meer dan 50 cm dik. De kans dat onder de huidige agrarische gebouwen nog archeologische resten aanwezig zijn is aanwezig.
30
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Archeologsiche verwachtingenkaart Wesselseweg 41 5.3.2
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad van Barneveld heeft op 25 april 2018 de 'Cultuurlandschappelijke Waardenkaart' vastgesteld als toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Volgens deze kaart bevindt het plangebied zich in een gebied met een middelhoge landschappelijke waarde. Binnen de systematiek van de Omgevingswet wordt gewerkt met functietoedeling. Voor dit gebied geldt de functie 'wonen met landschappelijke inpassing', waarbij de bestaande ruimtelijke kwaliteiten behouden of versterkt moeten worden.
Stroeërweg 16-18 Het plangebied ligt volgens de cultuurhistorische waardenkaart in een vochtige kampontginning (waarde 1). Het betreft lage cultuurhistorische waarden waarmee geen rekening hoeft te worden gehouden binnen de huidige planaanvragen.
Wesselseweg 41 Dit plangebied ligt volgens de cultuurhistorische waardenkaart in een jonge vochtige landbouwontginning (waarde 1). Het betreft lage cultuurhistorische waarden waarmee geen rekening hoeft te worden gehouden binnen de huidige planaanvragen.
Conclusie Het aspect cultuurlandschappelijke waarden vormt geen belemmering voor dit plan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
5.3.3
Monumenten
In artikel 5.130 van het Bkl staat waar de regels met betrekking tot behoud van cultureel erfgoed over moeten gaan. Hierin is onder andere opgenomen dat (de omgeving van) monumenten beschermd moet worden door regels in het omgevingsplan. Op het perceel of in de directe omgeving zijn volgens geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig. Conclusie Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor dit plan.
5.4
Duurzaamheid en gezondheid
Duurzaamheid In de Omgevingswet worden de aspecten duurzaamheid en natuur specifiek benoemd. De oorzaak hiervan is de klimaatveranderingen en de verslechterde staat van de natuur. Vanwege deze veranderingen zijn aanpassingen van de fysieke leefomgeving nodig. Denk hierbij aan maatregelen tegen wateroverlast (meer waterbergingsmogelijkheden), hittestres (meer groen en bomen), waterveiligheid (dijken) en droogte (beter en langer vasthouden van water). In de omgevingsvisie kan de gemeente omgevingswaarden met betrekking tot duurzaamheid vaststellen en doorvertalen in het omgevingsplan. Bij de vaststelling moet de gemeente dan onderbouwen welke taken en bevoegdheden zij gaat inzetten om te gaan voldoen aan de opgenomen omgevingswaarde. In het omgevingsplan zijn in artikel 22.52 energiebetreffende maatregelen opgenomen. Dit geldt voor milieubelastende activiteiten. In lid 4 van dit artikel is bepaald dat dit artikel van toepassing is. Echter is dit artikel per 1 december 2023 komen te vervallen en overgegaan naar het Bal. Verder zijn er vooralsnog geen specifieke omgevingswaarden vastgesteld met betrekking tot duurzaamheid in de omgevingsvisie van de gemeente Barneveld. Wel is het gemeentelijk energiebeleid van toepassing, zie paragraaf 4.6.2. Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden.
Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen.
De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen.
32
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Doorwerking in plangebieden Stroeërweg 16-18 Het plan voorziet niet in het realiseren van een nieuwe hindergevoelige functie.
Wesselseweg 41 Het plangebied bevindt zich in de invloedssfeer van de geitenhouderij aan de Barnseweg 140 in Barneveld. De afstand bedraagt 1500 meter. De nieuwe woningen komen dus niet in het hoogste risicogebied. Wel ligt het plangebied in het gebied waarvoor een licht verhoogde risico op longontsteking geldt. Desondanks is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd in het plangebied. Uit jurisprudentie blijkt dat het gemeentebestuur in de afweging van belangen het zwaarwegende, maatschappelijke belang van de urgente woonbehoefte mag laten prevaleren. Het is zeer belangrijk dat er voldoende woningen worden gebouwd (hier dan nog iets noemen over het aantrekkelijk houden van het buitengebied als er sprake is van functieverandering/verloedering voorkomen/sloop voormalige agrarische bedrijfsbebouwing bevorderen). In gemeente Barneveld is de agrarische sector groot. Het is nu eenmaal een veedicht gebied. Het is dan ook onmogelijk om bij woningbouw overal de strengste voorzorgsrichtlijnen in acht te nemen. Anders zou de woningbouwproductie sterk afnemen. Naar ons oordeel is het verantwoord en aanvaardbaar om de bouw van twee wonignen mogelijk te maken nu de geitenhouderij zich bevinden op een grotere afstand dan 500 meter.
Conclusie Het aspect duurzaamheid en gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan.
5.5
Ecologie
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.5.1 5.5.1.1
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied
Gebiedsbescherming 5.5.1.1 Natura 2000-gebied De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bepalen welke activiteiten toegestaan zijn binnen een Natura 2000-gebied en welke beperkingen gelden ter bescherming van de instandhoudingsdoelen. Daarnaast worden in artikel 2.44, lid 2 en lid 5 Omgevingswet ook bijzondere natuurgebieden en landschappen aangewezen en beschermd. Natura 2000-gebied De Veluwe is op 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Op basis daarvan is De Veluwe officieel aangewezen als Natura 2000-gebied in het aanwijzingsbesluit van 11 juni 2014 (bekendgemaakt op 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, gericht op het behoud en herstel van biodiversiteit. De instandhoudingsdoelstellingen voor De Veluwe zijn vastgelegd in het aanwijzingsbesluit, waarin onder andere de grenzen van het gebied en de beschermde habitats en soorten zijn beschreven.
Stroeërweg 16-18 Het plangebied ligt niet in een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Natura "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I 2000-gebieden van de provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland). Het gaat hierbij dan om de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie (Bijlage 7). Uit onderzoek is gebleken dat in de aanleg- en gebruiksfase (van het totale landgoed) geen netto depositieresultaten plaatsvindt boven de 0,00 mol N/ha/jaar. Conclusie van het rapport is dat er geen effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Wesselseweg 41 Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Natura 2000-gebieden van de provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland). Het gaat hierbij dan om de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. Voor zowel de bouwfase (tijdens de bouw, sloop en aanleg) als voor de gebruiksfase zijn de stikstofemissies beoordeeld. Er zijn voor de locatie AERIUS-berekeningen uitgevoerd van de aangevraagde situatie (Bijlage 8 ). Uit onderzoek is gebleken dat in de aanleg- en gebruiksfase (van het totale landgoed) geen netto depositieresultaten plaatsvindt boven de 0,02 mol N/ha/jaar (tijdens de aanlegfase). Conclusie van het rapport is dat er tijdens de aanlegfase een beperkt effect is met betrekking tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Tijdens de gebruiksfase is er geen depositie boven de 0,00 mol N/ha/jaar. Voor de locatie is op 27 maart 2013 door gedeputeerde staten een verklaring van geen bedenkingen verleend voor het uitbreiden van de varkenshouderij op dit adres. De afgegeven verklaring correspondeert echter niet met de huidige voorgenomen ontwikkeling. Er is een vergelijkingsberekening AERIUS uitgevoerd van de aangevraagde situatie ten opzichte van de vergunde situatie. Hieruit blijkt dat de depositie op de meest nabijgelegen gebieden daalt ten opzichte van de vergunde situatie.
Er is duidelijk geen sprake van een toename van stikstofdepositie. Daarnaast is een het een deelnemer aan de Lbv-plus regeling toegestaan 15% van de stikstofrechten te gebruiken voor een nieuwe activiteit. Daar blijft de ontwikkeling ruim onder. Het plan heeft dus geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen, zodat er geen passende beoordeling nodig is. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de aanvraag.
5.5.1.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone
Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuur categorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) In de Omgevingsverordening (art 5.5 lid 1) staat dat nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders natuurnetwerk als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Voor de Groene ontwikkelingszone geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen, genoemd in bijlage Kernkwaliteiten Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone, per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art 5.20, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening).
De plangebiden liggen niet in het GNN of de GO. Voor de GNN/GO geldt geen externe werking, dus negatieve effecten op GNN/GO zijn op voorhand uit te sluiten.
34
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
5.5.2
Soortenbescherming
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten: Vogels, beschermd onder de Vogelrichtlijn. Strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a), dan wel soorten opgenomen in bijlage II van het Verdrag van Bern of bijlage I van het Verdrag van Bonn. Overige (nationale) beschermde soorten. De volgende soorten zijn door de provincie Gelderland vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis en vos. (Controleer in de meest recente Omgevingsverordening of deze lijst nog actueel is). In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (inclusief eieren) van beschermde soorten opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rust- en verblijfplaatsen beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield. Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en of zij negatieve effecten ondervinden van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden, is een quickscan/natuurtoets uitgevoerd.
Stroeërweg 16-18 De quickscan (Bijlage 3) beoordeelt gebieds-, soortenbescherming en houtopstanden volgens de Omgevingswet en het provinciaal natuurbeschermingsbeleid. Er worden geen beschermde soorten verwacht die het plan belemmeren. De specifieke zorgplicht blijft van toepassing. De conclusies worden onderschreven.
Wesselseweg 41 De quickscan (Bijlage 4) beoordeelt gebieds-, soortenbescherming en houtopstanden volgens de Omgevingswet en het provinciaal natuurbeschermingsbeleid. Er zijn geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Voor enkele algemene soorten is het opvolgen van de zorgplicht vereist. De conclusies worden onderschreven.
5.5.3
Houtopstanden
Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan. De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland). Conclusie Op de planlocaties worden geen bomen gekapt, zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Een meld- en herplantplicht is daarom niet aan de orde.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
5.5.4
Algemene en specifieke zorgplichten
Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden). Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald), artikel 11.6 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.
Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.
Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand. 36
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Zorgplicht Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna. Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen. Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt. Vleermuizen Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouwof bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn. Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt.
5.5.5
Conclusie
Op basis van de zorgplichten zoals vastgelegd in de Omgevingswet en het Bal, is het noodzakelijk dat bij alle activiteiten die mogelijk invloed hebben op natuurwaarden voorafgaand onderzoek plaatsvindt. Indien negatieve effecten te verwachten zijn, moeten passende maatregelen worden genomen. Tijdens en na de uitvoering moet worden gemonitord of deze maatregelen effectief zijn. De borging van deze zorgplichten kan plaatsvinden via de regels van een omgevingsplan. Hierbij kan worden vastgelegd welke natuurwaarden specifiek beschermd moeten worden en welke maatregelen verplicht zijn bij activiteiten die mogelijk nadelige effecten hebben. Vanuit het aspect natuur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie, mits de zorgplichten correct worden nageleefd en geborgd. Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5.6
Geluid
Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
Stroeërweg 16-18 Binnen het plan worden geen geluidgevoelige gebouwen mogelijk gemaakt. Dus hier is geen nader onderzoek voor noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Wesselseweg 41 Binnen het plan worden woningen mogelijk gemaakt. Dit zijn geluidgevoelige gebouwen. Het projectgebied ligt binnen een aandachtsgebied van geluid. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt in binnen en buiten de bebouwde kom. Het onderscheid is nu bronsoort te weten: gemeentewegen, provinciale wegen, rijkswegen, spoorwegen en geluidgezoneerde industrieterreinen. Om aan te tonen dat er voor geluid voldaan wordt aan de evenredige toedeling van functies is een geluidsrapport opgesteld (Bijlage 5) "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Voor de provinciale weg N800 zijn nog geen geluidproductieplafonds (GPP’s) vastgesteld, dit betekent dat hiervoor nog getoetst moet worden onder de Wet geluidhinder. Uit het onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Voor de zuidelijke woning dient daarom een hogere grenswaarde te worden afgegeven van 51 dB. Op grond van het hogere waarden beleid is dit mogelijk. Er zijn geen maatregelen mogelijk die niet stuiten op bezwaren van hetzij financiele/stedenbouwkundige/landschappelijke/doelmatige aard. De woning is wel voorzien van een geluidluwe gevel en buitenruimte. Daarom is het afgeven van de hogere waarde mogelijk. De binnenwaarde is geborgd daar de gevelbelasting maximaal 53 dB bedraagt en dus bij de minimale verplichte gevelwering van 20 dB de binnenwaarde van 33 dB niet overschrijdt. Onderzoek gevelwering is daarom niet noodzakelijk. Het aspect geluid vormt onder voorwaarden geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Voor de woning aan de zuidzijde van het plangebied Wesselseweg 41 wordt een hogere grenswaarde van 51 dB vastgesteld. Dit is noodzakelijk omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden en er geen doelmatige, stedenbouwkundig of landschappelijk aanvaardbare mitigerende maatregelen beschikbaar zijn.De woning wordt voorzien van een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte, hetgeen op de verbeelding is vastgelegd.
De maximale gevelbelasting van 53 dB blijft binnen de normen, waardoor bij toepassing van een minimale gevelwering van 20 dB een toelaatbare binnenwaarde van maximaal 33 dB wordt gewaarborgd. Een afzonderlijk gevelweringsonderzoek is daarom niet vereist. Bij de vergunningaanvraag voor de woning dient een definitief geluidsonderzoek conform de Omgevingswet te worden overgelegd. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering.
5.7
Geur
Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de bruidsschat en het Bkl zijn vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen.
De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Er worden minder gebouwen als geurgevoelig beschouwd wanneer de definitie uit het Bkl wordt gehanteerd, in plaats van de definitie uit de Wgv en de bruidsschat. De gemeente kan echter wel, met toepassing van het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl, aanvullende categorieën geurgevoelige gebouwen aanwijzen in een omgevingsplan. Deze aanwijzing moet plaatsvinden in het uiteindelijke omgevingsplan van de gemeente. Op dit moment is dit nieuwe omgevingsplan er nog niet. Daarom is nog niet bepaald op welke geurgevoelige gebouwen aan de geurnormen getoetst moet worden. Het is niet wenselijk om enkel de definitie uit het Bkl aan te houden en minder gebouwen te beschermen dan voorheen, wanneer dergelijke gebouwen bij het vaststellen van het omgevingsplan mogelijk wel weer aan de geurnormen moeten voldoen. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in 38
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv. Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
Stroeërweg 16-18 In de omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijen gelegen: Stroeërweg 18 - paardenhouderij Grote Buntweg 8 - pluimvee en rundveehouderij Grote Buntweg 1-3 - pluimvee en rundveehouderij Beoordeling woon- en leefklimaat Voor het woon- en leefklimaat nabij een of meerdere veehouderij(en) is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting, vanwege een nabijgelegen veehouderij, als de achtergrondbelasting, vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen, kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In dit geval is er geen veehouderij op korte afstand gelegen die met name bepalend is voor de geurbelasting; er liggen meerdere veehouderijen in de omgeving. De achtergrondbelasting is naar verwachting bepalend voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. De achtergrondbelasting is berekend op de hoekpunten van de beoogde woonbestemming. Voor de berekening is gebruik gemaakt van het programma V-stacks gebied (V-2020) met de vergunde stalgegevens van de veehouderijen in de omgeving. De achtergrondbelasting ligt tussen de 16 en 18 ouE/m3.
Beoordeling In 2002 heeft de GGD een richtlijn Geurhinder opgesteld waarin een tabel is opgenomen met een beoordeling welke milieukwaliteit hoort bij een bepaald percentage geurgehinderden. Eerder al was in een ruim opgezet onderzoek door PRA Odournet onder 2000 respondenten bepaald welke percentage geurgehinderden te verwachten is bij een bepaalde geurbelasting. Deze twee gegevens samen leveren de volgende tabel op:
Tabel: relatie geurbelasting – geurhinder - leefklimaat Achtergrondbelasting geur
Mogelijke kans op geurhinder
Beoordeling leefklimaat
OuE/m³
%
1–3
<5
Zeer goed
4–8
5 – 10
Goed
9 – 13
10 - 15
Redelijk goed
14 - 20
15 – 20
Matig
21 – 28
20 – 25
Tamelijk slecht
29 – 38
25 – 30
Slecht
39 – 50
30 – 35
Zeer slecht
51 – 65
35 - 40
Extreem slecht
Uit de tabel volgt dat in het plangebied sprake kan zijn van een leefklimaat dat is te typeren als Matig. Dit "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
39
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I is aanvaardbaar voor het buitengebied in de gemeente Barneveld.
Paardenhouderij Stroeërweg 18 Naast de woonbestemming is een paardenhouderij aanwezig op de Stroeërweg 18. Volgens de geurregels uit het omgevingsplan geldt een afstand van 50 meter tot aan dierenverblijven en mestoplagen. De paardenstal ligt op ongeveer 30 meter afstand van de woning. Er is daardoor niet zonder meer sprake van een aanvaardbaar woon-en leefklimaat. Omdat het om een bestaande situatie gaat en er geen nieuwe geurgevoelige objecten bijkomen gaat kan er toch medewerking worden verleend. Conclusie Er is geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Beoordeling belemmeringen ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen Vanuit de geurregels in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan geldt een afstand van 50 meter tussen dierenverblijven en mestopslagen van een veehouderij en omliggende geurgevoelige objecten. Ook geldt ter plaatse een norm voor de voorgrondbelasting van 20,0 OuE/m3. De afstand tussen de veehouderij aan de Groten Buntweg 1-3 en het plangebied bedraagt 70 meter. De Grote Buntweg 8 ligt op meer dan 100 meter afstand. Dit is gemeten vanaf de grens van het bouwvlak. Aan de vereiste afstand wordt voldaan. De paardenhouderij aan de Stroeërweg 18 ligt op ongeveer 30 meter afstand van de woning. Daarmee wordt niet voldaan aan de vereiste afstand. De bestaande woning maakte echter deel uit van een voormalige veehouderij, waardoor het beschermingsniveau ten opzichte van geurhinder niet wijzigt. Om die reden belemmert deze woning de paardenhouderij niet.Nieuwe geurgevoelige objecten in de toekomst kunnen de bedrijfsvoering van de paardenhouderij echter wél beperken. Daarom is medewerking aan dit plan alleen mogelijk onder de voorwaarde dat geen nieuwe geurgevoelige objecten binnen een afstand van 50 meter van de grens van de paardenhouderij aan de Stroeërweg 18 worden toegestaan, zolang deze locatie nog de bestemming Agrarisch heeft.
De woning op de Stroeërweg 16 betreft een gevoelig object met een voormalige functionele binding met een dierenverblijf. Daarvoor gelden alleen vaste afstanden t.o.v. andere veehouderijen in de omgeving. Er hoeft niet getoetst te worden aan de voorgrondbelasting van geur. Als aan de vereiste afstanden wordt voldaan worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de dichtstbijzijnde veehouderij niet beperkt door het voorgenomen plan.
Wesselseweg 41 Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling woon- en leefklimaat Voor het woon- en leefklimaat nabij een of meerdere veehouderij(en) is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting, vanwege een nabijgelegen veehouderij, als de achtergrondbelasting, vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen, kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Er is een geuronderzoek bijgevoegd. Dit onderzoek is beoordeeld en akkoord bevonden. De achtergrondbelasting bedraagt maximaal 16,23 ouE/m³ . De voorgrondbelasting vanuit de veehouderij op de Wesselseweg 35 bedraagt maximaal 12,9 ouE/m³. De voorgrondbelasting is bepalend voor het woon- en leefklimaat ter plaatse.
40
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
In 2002 heeft de GGD een richtlijn Geurhinder opgesteld waarin een tabel is opgenomen met een beoordeling welke milieukwaliteit hoort bij een bepaald percentage geurgehinderden. Eerder al was in een ruim opgezet onderzoek door PRA Odournet onder 2000 respondenten bepaald welke percentage geurgehinderden te verwachten is bij een bepaalde geurbelasting. Deze twee gegevens samen leveren de volgende tabel op:
Tabel: Referentiewaarden Voorgrondbelasting geur
Mogelijke kans op geurhinder
Beoordeling leefklimaat
ouE/m³
%
1
<5
Zeer goed
1,5 – 3,5
5 – 10
Goed
4 – 6,5
10 - 15
Redelijk goed
7 - 10
15 – 20
Matig
11 – 14
20 – 25
Tamelijk slecht
15 – 18
25 – 30
Slecht
19 – 25
30 – 35
Zeer slecht
Bij een voorgrondbelasting van 12,9 ouE/m³ is sprake van een tamelijk slecht woon-en leefklimaat. Dat is aanvaardbaar voor het buitengebied van de gemeente Barneveld. Het plangebied ligt boven in een landbouwontwikkelingsgebied, waar een voorgrondnorm van 20,0 ouE/m³ is vastgesteld. Beoordeling belemmeringen ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen Vanuit de geurregels in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan geldt een afstand van 50 meter tussen een veehouderij en omliggende geurgevoelige objecten. Ook geldt ter plaatse een norm voor de voorgrondbelasting van 20,0 OuE/m3. De afstand tussen de veehouderij aan de Wesselseweg 35 en het plangebied bedraagt 40 meter. Dit is gemeten vanaf de grens van het bouwvlak tot aan de grens van de beoogde woonbestemming rondom de bestaande bedrijfswoning. De bestaande woning ligt wel op meer dan 50 meter afstand. De nieuwe woonbestemmingen komen op 110 meter afstand. Aan de vereiste afstand tot beoogde geurgevoelige objecten wordt voldaan. Omdat de huidige bedrijfswoning een woning met een voormalige binding met dierenverblijven wordt en de nieuwe woningen ruimte-voor-ruimte woningen, hoeft de geurbelasting niet berekend te worden vanuit een worst-case/ontwikkelingsscenario.
Als aan de vereiste afstanden wordt voldaan worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de dichtstbijzijnde veehouderij niet beperkt door het voorgenomen plan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
41
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Conclusie Het aspect geur vormt onder voorwaarden geen belemmering voor dit plan.
5.8
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De wet biedt de mogelijkheid om de laddertoets door te schuiven naar de fase van vergunningverlening. In de planfase kan een globaler onderzoek in dat geval volstaan.
De zorgvuldigheid vereist aan de wijziging van het omgevingsplan wél een (globaal) onderzoek ten grondslag te leggen, waaruit de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling blijkt (op grond van artikel 3:2 Awb). Een gedetailleerd ladderonderzoek hoeft niet al in de planfase, maar pas in de vergunningfase te worden uitgevoerd.
Stroeërweg 16-18 Bij dit plan worden geen nieuwe woningen gebouwd. Daarom is geen verdere toelichting vereist.
Wesselseweg 41 De ontwikkeling van 2 nieuwe woningen valt niet onder 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
5.9
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
42
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
5.10
Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Stroeërweg 16-18 Luchtkwaliteit (fijnstof vanuit veehouderijen) Het plangebied is gelegen in een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10) vanuit veehouderijen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor fijnstof. Er is getoetst of ter plaatse van de gevoelige functie aan de rijksomgevingswaarden kan worden voldaan. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende veehouderijen.
Resultaten & beoordeling In de omgeving ligt binnen een straal van 500 meter twee veehouderijen met een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar), aan de Grote Buntweg 1-3 en aan de Grote Buntweg 8. Met het verspreidingsmodel ISL3a is berekend wat de invloed hiervan is op de totale concentratie fijnstof op de omgeving. De resultaten van de berekening staan in onderstaande tabel. Resultaten fijn stof berekening
Conclusie Er wordt aan de grenswaarden voldaan. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is aanvaardbaar.
Wesselseweg 41 Het plangebied is gelegen in een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10) vanuit veehouderijen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor fijnstof. Er is getoetst of ter plaatse van de gevoelige functie aan de rijksomgevingswaarden kan worden voldaan. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende veehouderijen. Resultaten & beoordeling In de omgeving ligt binnen een straal van 500 meter de veehouderij op de Wesselweg 35 met een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar). In het aangeleverde rapport geur & fijnstof (Bijlage 6) is de totale concentratie fijn stof op de nieuwe woningen berekend. Hieruit blijkt dat de concentratie maximaal 24,9 ug/m3 is. Op maximaal 12 dagen wordt de 24-uurs gemiddelde concentratie overschreden. Conclusie Er wordt aan de grenswaarden voldaan. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is aanvaardbaar.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
43
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
5.11
Milieueffectrapportage
Een milieueffectenrapportage (hierna: mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving hierover is vastgelegd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob). De Omgevingswet maakt onderscheid tussen een plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en een project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Bijlage V van het Omgevingsbesluit bepaalt of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. De bijlage bevat een tabel met vier kolommen: Projecten die in aanmerking komen voor mer. Project-mer-plicht: gevallen waarin een volledige mer verplicht is. Project-mer-beoordelingsplicht: gevallen waarin een beoordeling nodig is. Besluiten waarbij mer-verplichtingen gelden (zoals vergunningverlening). Voor plan-mer zijn er drie sporen: 1. Het plan vormt een kader voor een mer-(beoordelings)plichtig project (artikel 16.36, lid 1 Ow). 2. Het plan vereist een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (artikel 16.36, lid 2 Ow). 3. Het plan heeft mogelijk aanzienlijke milieueffecten (vangnetbepaling, artikel 16.36, lid 4 Ow). Voor kleinschalige plannen op lokaal niveau of beperkte wijzigingen kan een plan-mer-beoordeling volstaan (artikel 16.36, lid 3 Ow).
Bij een mer-beoordeling bepaalt het bevoegd gezag of aanzienlijke milieugevolgen optreden, op basis van Bijlage III van de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Wanneer een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of een plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Bij een mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage III bij de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Voor de locatie Stroeërweg 16-18 volgt uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-mer-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling is hier niet aanwezig. Voor de locatie Wesselseweg 41 blijkt uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan een passende beoordeling nodig is. Het feit dat voor bovengenoemd perceel sprake is van een passende beoordeling leidt ook tot een m.e.r. beoordelingsplicht (uitzondering voor kleine gebieden op lokaal niveau, artikel 11.1, lid 3 Omgevingsbesluit).
Daarbij moet worden getoetst aan de criteria uit bijlage II smb-richtlijn: de kenmerken van het plan of programma en de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. Uit de m.e.r. beoordeling moet blijken of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op voorhand zijn uit te sluiten. Omdat de m.e.r. beoordelingsplicht in dit geval slechts ontstaat vanwege de (zeer) geringe mate van stikstofdepostie, die bovendien ruimschoots intern wordt gesaldeerd, wordt volstaan met een globale/generieke m.e.r.beoordeling: De locatie kenmerkt zich door de ligging in het landelijk gebied. waarbij op de locatie twee bedrijfswoningen nu als burgerwoningen zullen worden gebruikt. De omliggende akkers zullen net zoals in de huidige situatie gebruikt worden voor gras en incidenteel andere gewassen. Uit de beoordeling van de locatie volgt dat deze activiteiten de omgeving niet zwaar belasten, er is geen sprake van enige geluidproductie of verkeersgeneratie. Andere effecten op de omgeving zijn niet aan de orde. Daarnaast geven ook kenmerken van het gebied (zoals archeologische of ecologische waarden) geen aanleiding om belangrijke nadelige gevolgen te verwachten. De ontwikkelingen vinden niet plaats in gebieden met een verhoogd beschermingsniveau. Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen voor dit plan. 44
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
5.12
Milieuzonering
Om milieubelasting bij woningen door bedrijven te voorkomen, is een goede afstemming binnen de Omgevingswet noodzakelijk. Het uitgangspunt is dat toekomstige woningen niet onevenredig worden belast door nabijgelegen bedrijvigheid op het gebied van milieu, zoals geur, geluid en emissies. Omgekeerd mogen nieuwe woningen bedrijven niet beperken in hun bedrijfsvoering. Om dit te borgen, bevat hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) rijksregels voor milieubelastende activiteiten. Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Daarnaast heeft de gemeente regels opgenomen in het Omgevingsplan die betrekking hebben op milieubelastende activiteiten. De algemene zorgplicht (artikel 1.7) en het algemene verbod (artikel 1.7a) uit de Omgevingswet zijn te allen tijde van toepassing. De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' (2024) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) werkt met zones waarin de beschikbare milieugebruiksruimte per activiteit oploopt, zonder dat een vaste lijst van activiteiten wordt gehanteerd. Deze systematiek richt zich hoofdzakelijk op milieuhinderlijke activiteiten op reguliere bedrijventerreinen en andere werkgebieden, maar biedt ook richtlijnen voor functiemenging.
De handreiking helpt bij het inschatten van de benodigde milieugebruiksruimte van een activiteit en biedt richtlijnen voor een goede ruimtelijke inpassing van bedrijvigheid.
Stroeërweg 16-18 De locatie Stroeërweg 16-18 betreft een functieverandering waarbij een bestaande bedrijfswoning wordt gewijzigd in een reguliere woning. Er worden geen nieuwe woningen toegevoegd die hinder kunnen ondervinden van of veroorzaken op de omliggende bedrijden. De bestaande woning wordt aangemerkt als voormalige bedrijfswoning omdat de paardenhouderij op korte afstand ligt. Hierdoor geldt dat de waarden in het omgevingsplan voor geluid, geur en trillingen vanuit de activiteiten van de voormalige verbonden veehouderij niet van toepassing zijn.
Wesselseweg 41 Op de locatie Wesselseweg 41 wordt de agrarische functie beëindigd en worden twee nieuwe woningen gerealiseerd. Daarmee verdwijnen milieubelastende activiteiten binnen het plangebied. De directe omgeving bestaat hoofdzakelijk uit agrarisch gebied en verspreid liggende erven. Er is beoordeeld of omliggende bedrijven of infrastructuur leiden tot relevante milieubelasting voor de nieuwe woningen. Op basis van de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' zijn geen bedrijven aanwezig binnen de indicatieve richtafstanden die aanleiding geven tot extra maatregelen.
Conclusie Vanuit milieuzonering zijn geen belemmeringen voor de locaties. Er zijn geen aanvullende maatregelen vereist.
5.12.1 Spuitzonering In het Bal wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat. Uit de wet volgt niet hoeveel afstand er aangehouden moet worden tussen een agrarische activiteit waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast en gevoelige functies. Vanuit jurisprudentie geldt dat als vuistregel "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
45
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I een afstand van 50 meter moet worden aangehouden.
Doorwerking plangebied Stroeërweg 16-18 Voor de bestaande woning gaat het in dit geval alleen om een afwaardering van een agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie, waarbij de bedrijfsbebouwing (grotendeels) verdwijnt. Het al aanwezige en te behouden woongedeelte van het perceel wijzigt feitelijk niet. Om die reden wordt hier op dit moment geen spuitvrije zone verplicht gesteld vanuit de gemeente. Mocht in de toekomst een nieuwe wijziging op het perceel gewenst zijn, zoals het intensiveren van de woonfunctie (bijvoorbeeld door woningsplitsing), het aanpassen van het woonfunctievlak of een functiewijziging, dan zal een zonering wel opgenomen moeten worden.
Wesselseweg 41 Voor de nieuwe woningen bij de Wesselseweg 41 wordt om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen, is een spuitzonering opgenomen.
Conclusie Het aspect spuitzonering vormt geen belemmering voor het plan.
5.13
Natuur en landschap
Stroeërweg 16-18 De geplande ontwikkeling is in lijn met de bestaande landschappelijke structuur en behoudt zoveel mogelijk de groene elementen. Er wordt rekening gehouden met de aanwezige bomenrijen en heggen, die bijdragen aan de visuele en ecologische kwaliteit van het gebied.De bestaande bomenrijen en de kleine bosstrook worden zoveel mogelijk behouden en geïntegreerd in de nieuwe functie.Waar mogelijk wordt de beplanting versterkt met inheemse soorten, passend bij de regionale landschapskenmerken.
Wesselseweg 41 De landschappelijke inpassing zorgt voor een groene uitstraling. Er worden soorten gebruikt die passend zijn in het landschap. Vanwege het verdwijnen van dierenstallen en het toevoegen van gebeidseigen landschapselementen wordt er geen afbreuk gedaan aan de kernkwaliteiten van het landschap.
Conclusie De plannen zijn in lijn met de landschappelijke kernkwaliteiten van het gebied. De bestaande groene structuren worden behouden of versterkt, waardoor de impact op het landschap en de ecologie beperkt blijft. Vanuit landschappelijke inpassing zijn geen belemmeringen voor de ontwikkelingen op beide locaties. Het aspect 'Natuur en landschap' vormt geen belemmering voor het plan.
5.14
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de nieuwe functies en woningen de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. 46
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
5.14.1 Externe veiligheid De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.