TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I Motivering
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I Motivering voor een TAM-omgevingsplan
Datum:
Maart 2026
Locatie: Stroeërweg 16-18 in Stroe en Wesselseweg 41 in Barneveld Plannr.: TAMOP0012
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Inhoudsopgave
Motivering
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Inleiding
5 5
Hoofdstuk 2 Huidige situatie en toekomstambitie 2.1 Beschrijving huidige situatie 2.2 Toetsing aan omgevingsplan
8 8 9
Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie 3.1 Voorgenomen ontwikkeling
11 11
Hoofdstuk 4 Toetsing aan beleid 4.1 Inleiding 4.2 Rijk 4.3 Provincie 4.4 Regio 4.5 Waterschap 4.6 Gemeente
14 14 14 16 19 22 23
Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 5.1 Inleiding 5.2 Bodem 5.3 Cultuurhistorie 5.4 Duurzaamheid en gezondheid 5.5 Ecologie 5.6 Geluid 5.7 Geur 5.8 Ladder voor duurzame verstedelijking 5.9 Leidingen en laagvliegroutes 5.10 Luchtkwaliteit 5.11 Milieueffectrapportage 5.12 Milieuzonering 5.13 Natuur en landschap 5.14 Omgevingsveiligheid 5.15 Ontplofbare oorlogsresten 5.16 Trilling 5.17 Verkeer 5.18 Weging van het waterbelang
28 28 28 29 32 33 37 38 42 42 43 44 45 46 46 48 49 49 50
Hoofdstuk 6 Juridisch aspecten 6.1 Wijziging omgevingsplan 6.2 Artikelsgewijze toelichting functies
51 51 53
Hoofdstuk 7 Financiële uitvoerbaarheid 7.1 Kostenverhaal
60 60
Hoofdstuk 8 Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Participatie 8.2 Zienswijzen
61 61 62
Bijlagen bij de motivering Bijlage 1
Rapport bodem Stroeërweg 16-18
Bijlage 2
Rapport bodem Wesselseweg 41
2
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Bijlage 3
Rapport flora & fauna Stroeërweg 16-18
Bijlage 4
Rapport flora & fauna Wesselseweg 41
Bijlage 5
Rapport geluid Wesselseweg 41
Bijlage 6
Rapport geur en fijnstof Wesselseweg 41
Bijlage 7
Rapport stikstof Stroeërweg 16-18
Bijlage 8
Rapport stikstof Wesselseweg 41
Bijlage 9
Nota Zienswijzen
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
4
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Motivering Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Inleiding
Dit plan omvat 2 planlocaties, namelijk de Wesselseweg 41 in Barneveld en Stroeërweg 16-18 in Stroe. Stroeërweg 16-18 Voor de locatie Stroeërweg 16-18 in Stroe is een verzoek ingediend voor een gedeeltelijke functieverandering van een agrarische bedrijfsfunctie (paardenhouderij) naar een woonfunctie. Er zijn twee bedrijfswoningen aanwezig. Bij nummer 16 wordt een groot deel van de agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt in het kader van de Lbv-plus regeling. Deze voormalige bedrijfswoning wordt een reguliere woning. Bij nummer 18 blijft de agrarische functie gehandhaafd. De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende "Omgevingsplan gemeente Barneveld" (hierna: omgevingsplan). Om deze reden is het voorliggende TAM-IMRO plan Hoofdstuk 22I Diverse locaties LBV+ I opgesteld. Wesselseweg 41 Voor de locatie Wesselseweg 41 in Barneveld is een verzoek ingediend voor een gedeeltelijke functieverandering van een agrarische bedrijfsfunctie naar verschillende woonfunctie. De voormalige bedrijfswoning wordt een reguliere woning. Ook worden er twee woningen toegevoegd ten noordoosten van de bestaande woning. Een groot deel van de agrarische bebouwing wordt gesloopt in het kader van de Lbv-plus regeling. De uitvoering van dit plan is niet mogelijk binnen het geldende omgevingsplan. Om deze reden is het voorliggende TAM-IMRO plan Hoofdstuk 22I Diverse locaties LBV+ I opgesteld.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
5
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Afbeelding: planlocatie Stroeërweg 16-18 globale ligging
Afbeelding: planlocatie Wesselseweg 41, globale ligging Leeswijzer Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt de toekomstige situatie beschreven, waarbij al kort wordt aangehaakt op de verschillende ruimtelijke aspecten. In hoofdstuk 4 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het TAM-omgevingsplan geformuleerd. De fysieke en milieukundige omgevingsaspecten die van invloed 6
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 richt zich op de juridische aspecten van dit TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan besproken en tot slot wordt in hoofdstuk 8 de focus gelegd op de participatie en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
7
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Hoofdstuk 2 2.1
Huidige situatie en toekomstambitie
Beschrijving huidige situatie
Stroeërweg 16-18 Het plangebied ligt aan de Stroeërweg 16-18 in de (nabijheid van de) kern Stroe. Het plangebied wordt gevormd door agrarische gronden en enkele woonfuncties. Het plangebied wordt aan de noord- oost- en westzijde begrensd door agrarische gronden. Aan zuidzijde ligt de Groote beek.
Afbeelding: plangebied Wesselseweg 41 Het plangebied ligt aan de Wesselseweg 41 in de (nabijheid van de) kern Barneveld. Het plangebied wordt gevormd door hoofdzakelijk agrarisch gebruikte gronden, met meer bebouwing aan de Wesselseweg en zijwegen. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door agrarische gronden. Aan de oostzijde bevindt zich een woning met agrarische gronden, de zuidkant wordt begrenst door de Wesselseweg en diverse woningen. Aan de westzijde vormt een agrarisch bedrijf op de Wesselseweg 35 de grens van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de begrenzing van het plangebied weer.
8
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Afbeelding: plangebied.
2.2
Toetsing aan omgevingsplan
2.2.1
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
Stroeërweg 16-18 Het plangebied maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit tijdelijke deel bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Op dit moment geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Op grond van het tijdelijk omgevingsplan heeft het plangebied de functie 'Agrarisch - Paardenhouderij' en een daarvoor bedoeld bouwvlak. Verder zijn de aanduidingen 'agrarisch' en 'intensieve veehouderij toegekend, evenals 'reconstructiewetzone - Landbouwontwikkelingsgebied' en 'kleine woning'. Daarnaast geldt binnen dit omgevingsplan voor de locatie het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie". De locatie heeft hierin de functie 'Archeologie 2 en Archeologie 3'. Hiermee is de dubbelfunctie 'Archeologie 2' en Archeologie 3' uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" komen te vervallen. Wesselseweg 41 Het plangebied maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit tijdelijke deel bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Op dit moment geldt binnen dit tijdelijke omgevingsplan het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Op grond van het tijdelijk omgevingsplan heeft het plangebied de functies 'Agrarisch' en een daarvoor bedoeld bouwvlak.
Verder zijn de aanduidingen 'intensieve veehouderij en 'reconstructiewetzone landbouwontwikkelingsgebied' toegekend. Daarnaast geldt binnen dit omgevingsplan voor de locatie het bestemmingsplan "Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie". De locatie heeft hierin de functie 'Archeologie 1 en Archeologie 3'. Hiermee is de dubbelfunctie 'Archeologie 1' en 'Archeologie 3' uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" komen te "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
9
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I vervallen.
2.2.2
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
Stroeërweg 16-18 en Wesselseweg 41 De p[lannen passen niet binnen het omgevingsplan omdat binnen de functie ‘Agrarisch’ geen reguliere woningen zijn toegestaan. Ook wordt er met de locaties deelgenomen aan de Lbv-plus regeling. Om aan de Lbv-plus regeling deel te nemen, moet onder andere aan de voorwaarde worden voldaan dat er een omgevingsplanwijziging wordt aangevraagd voor de locatie. Met deze omgevingsplanwijziging moet de mogelijkheid tot het bedrijfsmatig houden van dieren worden ontnomen. In het omgevingsplan zijn geen mogelijkheden opgenomen die uitvoering van voorliggend plan mogelijk maken door een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteit (OPA). Ook is het plan niet mogelijk met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Daarom is een wijziging van het omgevingsplan nodig.
10
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Hoofdstuk 3 3.1
Toekomstige situatie
Voorgenomen ontwikkeling
Stroeërweg 16-18 Bij nummer 16 wordt een kalverhouderij beëindigd. Ten behoeve van de gedeeltelijke functieverandering krijgt de voormalige bedrijfswoning bij nummer 16 een reguliere woonfunctie. Deze woning heeft geen functionele of juridische binding met het bedrijf bij nummer 18. 183 m2 agrarische bebouwing blijft behouden als bijgebouwen. Ook wordt er 25 m² toegevoegd. De overige agrarische bebouwing wordt gesloopt. De agrarische functie (paardenhouderij) blijft in stand bij nummer 18. Het bouwvlak zal worden verkleind om bij nieuwe situatie aan te sluiten. De landschappelijke inpassing wordt versterkt door de aanleg van een haag langs de inrit, wat bijdraagt aan een verzorgde en passende overgang tussen erf en omgeving. Deze maatregelen sluiten aan bij de gemeentelijke uitgangspunten voor ruimtelijke kwaliteit en zijn stedenbouwkundig en landschappelijk uitvoerbaar.
Afbeelding: Beoogd plan Stoeërweg 16-18 Wesselseweg 41 Bij de Wesselseweg wordt de functie gewijzigd van een agrar isch bedrijf naar drie woonfunctie. De "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
11
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I voormalige bedrijfswoning wordt een reguliere woning. De agrarische bebouwing wordt grotendeels gesloopt. 498 m² van de agrarische bebouwing blijft behouden als bijgebouwen bij de woning.De oppervlakte is aanvaardbaar omdat er nu al sprake is van inwoning en in de nabije toekomst wordt gesplitst. Hierdoor zal er ongeveer 250 m² per woning aanwezig zijn in de toekomst. Dit wordt vasgelegd met een voorwaardelijke verplichting. Ook wordt er een aanduiding voor agrarische nevenactiviteiten uitgevoerd, ten behoeve van akkerbouw. Ten slotte worden er twee vrijstaande woningen toegevoegd. Deze woningen liggen op deze plek, omdat een zekere afstand van de Wesselseweg nodig is in verband met verkeersgeluid. Voor het toekomstig verkeer worden de bestaande dammen gebruikt en er zijn er ruim voldoende parkeergelegenheden.
Afbeelding: Beoogd plan Wesselseweg 41 Conclusie Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteiten) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 4, 5, 6 en 7). Indien het initiatief in strijd is met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie en is het niet mogelijk om medewerking te verlenen aan dit plan.
12
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
13
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Hoofdstuk 4 4.1
Toetsing aan beleid
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op het relevante beleidskader voor de activiteiten en worden de activiteiten hieraan getoetst. Het gaat om beleid en beleidsnota's die direct dan wel indirect doorwerken in het omgevingsplan of invloed hebben op de regels. Van deze nota's is hierna per bestuursniveau een beknopte samenvatting gegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden, maar waar gemotiveerd van afgeweken kan worden; en aan de andere kant instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordeningen en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). De regels uit het Bkl worden in hoofdstukken 4 en 5 van dit plan gemotiveerd getoetst aan de activiteit.
4.2
Rijk
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Het voorliggende plan sluit aan bij de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), waarin de vier prioriteiten richtinggevend zijn voor een duurzame inrichting van Nederland. De ontwikkeling draagt op meerdere punten bij aan de ambities zoals geformuleerd in de NOVI. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Er verdwijnt bebouwing en verharding en er zal hiervoor minder bebouwing en verharding in de plaats komen. Ook wordt er meer groen toegevoegd. Hiermee sluit het plan aan op het streven naar een toekomstbestendige en veerkrachtige leefomgeving. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel De beëindiging van het agrarische gebruik past binnen het landelijk beleid gericht op het stimuleren van functieverandering op locaties zonder toekomstperspectief voor landbouw. Door vrijkomende agrarische locatie zorgvuldig te herontwikkelen, wordt ruimte geboden aan andere functies, zonder dat dit leidt tot verrommeling van het buitengebied. 3.
Sterke en gezonde steden en regio’s De ontwikkeling draagt bij aan een gevarieerd en aantrekkelijk woonmilieu in het buitengebied welke in balans is met de omgevingskwaliteiten. De landschappelijke inpassing bevordert een goede leefomgeving voor huidige en toekomstige bewoners. Tevens wordt de omgevingskwaliteit versterkt door de sloop van voormalige, agrarische bebouwing. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied 14
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Met het plan wordt invulling gegeven aan de gewenste transitie van het landelijk gebied. De functieverandering sluit aan bij het streven om de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied te versterken, onder meer door behoud van openheid, versterking van groenstructuren en beëindiging van ongebruikte agrarische functies. Conclusie De ontwikkeling past binnen het perspectief van de NOVI. Het initiatief levert een positieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving en dragen bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, met oog voor de lange termijn opgaven, zoals benoemd in de nationale belangen. Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten, in het bijzonder de ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan. . 4.2.2
Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het nationaal waterprogramma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorzieningen tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. De gevolgen van klimaatverandering vergroten de huidige opgaven voor waterveiligheid, wateroverlast, zoetwater- en drinkwatervoorziening, waterkwaliteit, naerfgoed en de scheepvaart. Nederland moet zich aanpassen en klimaatadaptatie is daarbij noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. Daarmee zetten we, nog meer dan voorheen, in op een fysieke leefomgeving die rekening houdt met de natuurlijke eigenschappen van het bodem- en watersysteem. En met de mogelijkheden en beperkingen die dit systeem met zich meebrengt. Doorwerking in plangebieden De bevindingen en resultaten van de afweging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf (§ 5.18). 4.2.3
Instructieregels Rijk (AMvB's)
In het Bkl zijn de instructieregels van het rijk opgenomen voor het omgevingsplan. Het Bkl bevat instructieregels die zien op: algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1); waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuuren recreatiegebieden; behoeden van de straat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat Afdeling 5.2 instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving.
Deze instructieregels gaan over; voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen; lokale spoorwegen binnen vervoerregio's; lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool; bebouwingcontour jacht; bebouwingcontour houtkap. Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
15
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Doorwerking in plangebieden In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op voor deze locatie van toepassing zijnde instructieregels.
4.3
Provincie
4.3.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
Algemeen De provincie Gelderland heeft een Omgevingsvisie en -verordening. Deze plannen gaan over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysiek leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke omgeving vastgelegd. De Omgevingswet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Wanneer het nodig is, actualiseert de provincie onderdelen van de Omgevingsvisie en -verordening. 4.3.1.1
Omgevingsvisie
Provinciale staten van Gelderland hebben op 19 december 2018 de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 vervangt na publicatie de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid. Beide visies integreren een vijftal wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Gelderland werkt samen met partners aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit doen ze door zich bij het uitvoeren van onze taken te richten op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland.
Met hulp van zeven onderwerpen geven ze hier richting aan: energietransitie klimaatadaptatie circulaire economie biodiversiteit bereikbaarheid economisch vestigingsklimaat woon- en leefklimaat Doorwerking in plangebieden Stroeërweg 16-18 Het plangebied Stroeërweg 16-18 ligt binnen de volgende themakaarten vanuit de omgevingsvisie: Kaart 2 Grote zonneparken mogelijk; kaart 2 Windenergie mogelijk; Het plan maakt geen grootschalige opwek van hernieuwbare energie mogelijk, zoals zonneparken of windenergieopwekking Conclusie Dit plan is in lijn met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Wesselseweg 41 Het plangebied Wesselseweg 41 ligt binnen de volgende (thema)kaarent vanuit de omgevingsvisie: Kaart 2 Grote zonneparken mogelijk; Kaart 2 Windenergie mogelijk; Kaart 3 Intrekgebieden. Het plan maakt geen grootschalige opwek van hernieuwbare energie mogelijk, zoals zonneparken of windenergieopwekking. Door de verdwijning van verharding verbeterd de infiltratie in een intrekgebied. Conclusie Dit plan is in lijn met de omgevingsvisie Gaaf Gelderland. 16
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
4.3.1.2
Omgevingsverordening
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan de Omgevingsverordening er één is. Deze richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening Gelderland heeft de status van ruimtelijke verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening. De 'Ruimtelijke Verordening Gelderland' en de 'Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening', zijn ingetrokken. De Omgevingsverordening is met ingang van 1 januari 2024 in werking getreden. De provincie actualiseert regelmatig de Omgevingsverordening. De Provinciale Staten kunnen bij omgevingsverordening regels stellen over de uitoefening van taken of bevoegdheden aan de gemeente (instructieregels).
De volgende instructieregels en instructies zijn in hoofdstuk 5 van de provinciale verordening opgenomen: algemene instructieregels (Afdeling 5.1) instructieregels over de natuur (Afdeling 5.2) instructieregels over landschap (Afdeling 5.3) instructieregels over erfgoed (Afdeling 5.4) instructieregels over milieu (Afdeling 5.5) instructieregels over provinciale wegen (Afdeling 5.6) instructieregels over de ruimtelijke inrichting, ontwikkeling van gebieden en de regionale samenwerking (Afdeling 5.7) Natuur en Landschap Met ingang van 1 januari 2024 bevat de provinciale omgevingsverordening nieuwe regels over de kwaliteit van het landschap die in héél Gelderland gelden (afdeling 5.3 van de provinciale verordening). Voorheen golden alleen regels voor een beperkt aantal gebieden in Gelderland (afdeling 5.2 Bkl). Met deze regels moet een omgevingsplan die een activiteit of ontwikkeling toelaat in de toelichting een beschrijving geven van de wijze waarop rekening gehouden wordt met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten en dan in het bijzonder de nationale landschappen.
Als een activiteit of ontwikkeling leidt tot een aantasting van de kernkwaliteiten, laat het omgevingsplan die alleen toe als uit de toelichting op het omgevingsplan blijkt dat: Per saldo is sprake van een versterking van het landschap in lijn met de ontwikkeldoelen, zoals bedoeld in de bijlage Kernkwaliteiten en Ontwikkeldoelen. Op alle drie de locaties verdwijnt een veehouderij met bijbehorende stallen en verharding. Deze sanering draagt tevens bij aan de stikstofreductie, wat bijdraagt aan de verbetering van zowel de omgevingskwaliteit als de ecologische draagkracht van het gebied. Het verdwijnen van deze stallen op zich, en de groene invulling die daarvoor in de plaats komt, vormen een duidelijke verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Voor de landschappelijke inpassing is gebruikgemaakt van de streekgidsen, zodat de nieuwe inrichting aansluit op het karakter van de omgeving. De versterking en uitvoering hiervan worden vastgelegd in het landschappelijk inpassingsplan. De uitwerking van deze kernkwaliteiten is verder verwerkt in de landschappelijke inpassing van het plan, die als bijlage is toegevoegd aan de regels. Klimaatadaptatie In artikel 5.85 van de provinciale verordening is een artikel opgenomen over klimaatadaptatie. Bij plannen moet hierop worden ingaan.
Het artikel bepaalt dat voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling toelaat, de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving bevat van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: waterveiligheid; wateroverlast; droogte; en hitte. Bij beide plannen is sprake van ontstening door het slopen van stallen en verwijderen van verharding. Bij de "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
17
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I de Wesselseweg wordt gebruik gemaakt van waterretentie. Meer hierover vindt u in paragraaf 5.18. De volgende gebiedsaanwijzingen gelden: Aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe Gelderse streek Gelderse Vallei glastuinbouw buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied intrekgebied werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland Met voorliggend plan worden geen windturbines mogelijk gemaakt. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een locatie binnen de 'Gelderse streek Gelderse Vallei' wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Gelderse Vallei. Het plan voldoet hier aan. Wat betreft 'glastuinbouw'. Het plan voorziet niet in glastuinbouw. Vervolgens wat betreft 'intrekgebied'. Het plan voorziet niet in een grondwaterbedreigende activiteit. Het is verboden in een intrekgebied een mijnbouwwerk aan te leggen en te exploiteren, behalve voor het opsporen of winnen van aardwarmte. Hiervan is geen sprake. Voor het 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland' geldt het volgende.
Een faunabeheereenheid zet zich in voor een maatschappelijk verantwoorde, transparante en deskundige uitoefening van jacht, populatiebeheer en bestrijding van dieren die schade veroorzaken. Er geldt in zo'n werkgebied een faunabeheerplan. Bij bepaalde activiteiten is het verplicht om te handelen volgens dat faunabeheerplan. De activiteiten die met deze omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt, zien niet op activiteiten die in het faunabeheerplan staan opgenomen. Het werkgebied wordt niet belemmerd door uitvoering van dit plan. De ontwikkelingen aan de Wesselseweg 41 liggen buiten het 'beperkingengebied zorplicht provinciale weg'. De nieuwe woningen zullen ook niet direct worden ontsloten op de Wesselseweg, maar op een bestaande dam via de Peppelseweg. Doorwerking in plangebieden Het plan is in overeenstemming met de verordening. De activiteiten passen binnen de doelstellingen en het beleid van de provincie.
4.3.2
Omgevingswaarde(n)
Een omgevingswaarde is één van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie. In dit geval heeft de provincie de volgende omgevingswaarde vastgesteld die relevant is voor Barneveld: Wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe (artikel 3.12 van Afdeling 3.2 van de provinciale verordening). Voor de wateroverlast in het beheergebied van waterschap Vallei en Veluwe geldt binnen het stedelijk gebied een gemiddelde kans op overstroming van: a. 1:100 per jaar voor locaties waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn; en b. 1:10 per jaar voor het overige gebied. Buiten het stedelijk gebied geldt een gemiddelde kans op overstroming van 1:10 per jaar. Er geldt buiten het stedelijk gebied geen norm voor Natura 2000-gebieden (a); gebieden aangewezen op grond van artikel 2.44, tweede lid, van de Omgevingswet en gebieden (b), voor zover niet behorend tot deze onder a of b bedoelde gebieden, aangeduid als natuurtype in het Natuurbeheerplan Provincie Gelderland. Aan de omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren wordt voldaan met ingang van 1 januari 2024. De omgevingswaarden wateroverlast regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen voor het waterschap. De gemeente mag daar niet van afwijken of deze aanvullen. Dit is alleen mogelijk als de provincie dat mogelijk maakt. 18
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Doorwerking in plangebieden De gemeente wijkt hier niet van af en vult deze ook niet aan. Er is geen strijdigheid met deze omgevingswaarde.
4.3.3
Voorbereidingsbesluit stikstof
Provinciale staten hebben op 16 april 2025 een voorbereidingsbesluit genomen voor de stroken (zones) van 500 meter rondom stikstofgevoelige natuur. Dit voorbereidingsbesluit heeft een rechtstreeks geldende werking. Met dit voorbereidingsbesluit zijn alle nieuwe activiteiten in deze stroken die stikstof uitstoten, voor de komende 1,5 jaar niet toegestaan. Het gaat om activiteiten waarvoor een natuurvergunning nodig is. Er zijn een paar uitzonderingen. Zo mogen bestaande activiteiten doorgaan; uitbreiding ervan kan niet. Conclusie De plangebieden liggen niet binnen deze strook ('het beperkingsgebied stikstofemissie') en voor de verdere motivering wat betreft stikstof wordt verwezen naar paragraaf 5.5.1.
4.4
Regio
4.4.1
Regionaal waterprogramma 2021-2027
In het regionaal waterprogramma worden de uitdagingen beschreven waarvoor de provincie staat, waar ze naartoe werken, en wat er de komende tijd op het gebied van water wordt bijgedragen aan de ambities gesteld in de omgevingsvisie en het coalitieakkoord. Enkele relevante ambities hieruit zijn: Vestigingsklimaat: Voldoende en kwalitatief water als grondstof en/of proceswater voor landbouw en industrie. Wonen: Water biedt mogelijkheden voor recreatie, schoon grondwater voor drinkwater en is onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit. Biodiversiteit: Voldoende water van voldoende kwaliteit voor planten en dieren, streven naar natuurvriendelijk beheer en doorgaan met verdrogingsbestrijding. Klimaatadaptatie: Het natuurlijk systeem van bodem en water is een belangrijk ordenend principe in de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen, beschikbaarheid van water in droge periode, beschikbaarheid van water voor natuur, tegengaan hittestress, voorkomen wateroverlast en beschermen tegen overstromingen. Circulaire economie: Water als (herbruikbare) grondstof door middel van het schoonhouden van het water. Hierbij worden vanuit het waterbeleid 3 uitgangspunten aangehouden: 1. Voorkomen is beter dan genezen. Het bodem- watersysteem is een belangrijke basis voor onze fysieke leefomgeving en een sleutel naar duurzaamheid en klimaatbestendigheid.
We werken aan herstel en we zorgen dat nieuwe functies en nieuwe ontwikkelingen het systeem versterken. 2. Als ontwikkelingen verwachte negatieve effecten hebben op het bodem- en watersysteem, verwachten we van initiatiefnemers maatregelen om die te beperken en/of te compenseren. 3. Diverse grote maatschappelijke opgaven waaraan we met onze partners werken vragen om een gebiedsgerichte aanpak (vermindering stikstof en uitstoot CO2, aanpak PFAS, klimaatverandering, vergroten biodiversiteit etc.). Deze opgaven komen samen in gebieden en daardoor is een aanpak per gebied het effectiefst. Waar mogelijk proberen we hierbij gebruik te maken van innovatietechnieken en vormen van samenwerking. Doorwerking in plangebieden De bevindingen en resultaten van de weging van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.18.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
19
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
4.4.2 4.4.2.1
Regionaal functieveranderingsbeleid regio Foodvalley Inleiding
Ons landelijk gebied is continue in ontwikkeling. Denk daarbij aan veranderingen bij agrarische bedrijven, nieuwbouw aan dorpsranden, aanleg recreatieve routes, inspelen op klimaatverandering, ingrepen in het watersysteem en nieuwe natuuraanleg. Deze ontwikkelingen hebben impact op het landschap: vervlakking dreigt, landschappelijke variatie verdwijnt en verstening neemt toe. Kortom, de eigenheid en herkenbaarheid van het landschap neemt af. Dat raakt de kwaliteit van de leefomgeving en daarmee de vitaliteit van beide mooie regio’s. Ook de beëindiging van agrarische bedrijvigheid heeft zijn impact. Bedrijfsbebouwing die niet meer in gebruik is, kan verpauperen. Leegstaande gebouwen kunnen aanleiding zijn voor ondermijning van de maatschappij door gebruik voor criminele activiteiten. Daarnaast draagt de agrarische sector zorg voor het onderhoud en beheer van het landschap. Het veranderen van deze functie heeft daarmee ook gevolgen voor het landschapsbeheer. Al met al leiden veranderingen in de agrarische sector op verschillende vlakken tot impact op de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. Als een agrariër besluit zijn agrarisch onderneming te beëindigen, dan dient een functieverandering plaats te vinden. De agrarische functie komt immers te vervallen.
Het functieveranderingsbeleid geeft twee mogelijkheden voor herbestemmen: functieverandering naar ‘Wonen’ of functieverandering naar ‘Werken’. Hieraan zijn voorwaarden verbonden. Bij een functieverandering van functie 'Agrarisch' naar functie 'Wonen' stopt de agrarische onderneming. Na functieverandering mogen op het perceel geen bedrijfsmatige agrarische activiteiten meer worden uitgevoerd. Hobbymatig mogen nog wel dieren gehouden worden. Het aantal is beperkt en afhankelijk van de diersoort. De vrijkomende (of overtollige) agrarische bedrijfsbebouwing dient hierbij te worden gesloopt. Dit wordt de slooplocatie genoemd. Daarnaast is het mogelijk om op de slooplocatie - of elders afhankelijk van gemeentelijke uitwerking - woonvolume toe te voegen. Hiervoor geldt de sloopmetersystematiek, zoals toegelicht in paragraaf 4.4.2.2. en 4.4.2.3 . De functie 'Wonen' wordt gezien als een aantrekkelijke vervangende functie en het verbeteren van de omgevingskwaliteit. 4.4.2.2
Systematiek
Zodra een wens tot functieverandering kenbaar is gemaakt aan de gemeente, kunnen de sloopmeters berekend worden. De gemeente berekent deze aan de hand van de legale aanwezige vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing. Inzetbare sloopmeters kunnen ontwikkelingen op eigen locatie mogelijk maken, worden verhandeld en/of elders worden ingezet. De sloopmetersystematiek is gericht op het waarderen van de sloop van overtollige bedrijfsbebouwing. Daarbij gaat het om de footprint van het gebouw. De waardering in sloopmeters is niet gebaseerd op de productiecapaciteit van de stal. Ter verduidelijking gaat het bij een stal met een verdiepingsvloer alleen om de footprint, niet om het oppervlak van beide vloerdelen samen. Om de oppervlakte aan bebouwing in het landelijk gebied niet toe te laten nemen werken we met een omrekening van de sloopmeters. Hiervoor passen we een afroming toe bij het omzetten van vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing naar inzetbare sloopmeters. De afroming is afhankelijk van de grootte van de slooplocatie. Hiervoor hanteren we de volgende verdeling:
Het toevoegen van woonvolume is mogelijk volgens de onderstaande rekenregels.In de berekening hanteren we een basis bestaande uit het ‘woonrecht’ uitgedrukt in sloopmeters. Aanvullend hierop volgt een berekening van compensatie sloopmeters voor de gevraagde inhoud (m³) van de woning of woongebouw.
Bij woningen horen ook bijgebouwen. In het omgevingsplan is een maximale maatvoering vastgesteld. Met 20
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I compensatie van sloopmeters kan een groter bijgebouw worden toegestaan.Voor een grotere oppervlakte aan bijgebouwen wordt de volgende regeling toegepast:
4.4.2.3
Gedeeltelijke functieverandering
Het regionale afwegingskader biedt ruimte voor gedeeltelijke functieverandering. Met gedeeltelijke functieverandering kunnen agrarische bedrijven geholpen worden, die bijvoorbeeld twee veehouderijtakken hebben en één hiervan willen beëindigen. Het regionale afwegingskader biedt twee mogelijkheden met bijbehorende voorwaarden: • Eventueel gedeeltelijke sloop en een nevengebruiksfunctie starten. • Gedeeltelijke sloop en verkoop van de sloopmeters. Een omgevingsplanwijziging is ook bij gedeeltelijke sloop nodig. Door de sloop worden de hoeveelheid vierkante meters bebouwing binnen de agrarische functie beperkt voor de toekomst. De weg gehaalde vierkante meters kunnen niet meer terugkomen. Planologisch borgen we dit in het omgevingsplan. Om geen verschil te laten ontstaan tussen een gedeeltelijke en een gehele functieverandering, wordt eerst de afroming berekend zoals deze zou zijn als het hele bedrijf beëindigd wordt. Op deze manier is gedeeltelijke sloop niet aantrekkelijker dan gehele sloop en andersom. Ook ontstaat geen verschil in het ‘gewicht’ van een sloopmeter. Vervolgens wordt rekening gehouden met de te slopen én de te behouden oppervlakte. De afroming die bij een gehele functieverandering van toepassing zou zijn, wordt nu evenredig verdeeld over deze oppervlakten.
Als bijvoorbeeld 75% van de bebouwing gesloopt wordt, dan geldt hierbij ook 75% van de afroming die van toepassing zou zijn bij een gehele functieverandering. Tenslotte wordt de evenredige afroming afgetrokken van de te slopen bebouwing zodat inzetbare sloopmeters ontstaan uit deze gedeeltelijke functieverandering. Als het overige deel van het bedrijf in de toekomst beëindigd wordt, dan wordt de resterende afroming verrekend. Een rekenvoorbeeld voor gedeelteijke functieverandering kunt u vinden in het Afwegingskader functieveranderingsbeleid 2024 regio foodvalley en Regio Amersfoort.
4.4.2.4
Doorwerking in plangebieden
Stroeërweg 16-18 Aangezien Stroeërweg 16 samen met Stroeërweg 18 één bouwvlak vormt en er dus sprake is van gedeeltelijke functieverandering, is de opzet van de inmeting anders dan gebruikelijk. Er is namelijk rekening gehouden met de kadastrale eigendommen en op basis daarvan is het percentage aan gebouwen, afroming en inzetbare sloopmeters berekend. Op de locatie nummer 16 staat, naast de woning, 886 m2 aan bebouwing. Na aftrek van het standaardrecht aan bijgebouwen van 80 m2 per woning en de afroming van 167 m2, zijn er 639 m2 inzetbare sloopmeters aanwezig nadat de functie gewijzigd, de bebouwing gesloopt en dit geconstateerd is. Op de locatie worden na het verwijderen van de dierenstallen geen nieuwe gebouwen gebouwd. Er blijftt 183 m2 aan bebouwing staan en er wordt 25 m2 meter nieuw gebouwd buiten het voormalige bouwvlak. Daarom moet dit dubbel gecompenseerd worden. Op de verbeelding wordt een aanduiding van 208 m2 opgenomen. De resterende meters kunnen na het vaststellen van het bestemmingsplan worden verkocht. woonrecht+inhoud
oppervlakte bgb
Voormalige bedrijfswoning
totaal 0
bgb (incl standaardrecht) 'veranda'
15
15
'tuinhuis'
25
50
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
21
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
'bijgebouw'
168
168
benodigd
233
Inzetbare sloopmeters
639
overschot
406
Wesselseweg 41 Op het perceel staat, naast de woning, 2.490 m2 aan bebouwing. Na aftrek van het standaardrecht aan bijgebouwen van 80 m2 per woning en de afroming van 455 m2, zijn er 1.955 m2 inzetbare sloopmeters aanwezig nadat de bestemming gewijzigd, de bebouwing gesloopt en dit geconstateerd is. Op de locatie wordt na het verwijderen van de dierenstallen twee nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Bij de voormalige bedrijfswoning blijft 498 m2 aan bijgebouwen staan. Dit is aanvaardbaar omdat in de voorwaardelijke verplichting wordt opgelegd dat binnen twee jaar een zicht op splitsing van de woning nummer 41 moet zijn. Dit leidt tot de volgende berekening voor inzetbare sloopmeters. woonrecht+inhoud
oppervlakte bgb
Voormalige bedrijfswoning
totaal 0
bgb (incl standaardrecht)
498
418
Woning nieuw 1
825
825
Woning nieuw 2
825
825 benodigd
2.068
Inzetbare sloopmeters
1.955
tekort
113
Dit tekort is aangevuld door sloopmeters aan te kopen van andere locaties binnen de gemeente. Dit is geregistreerd in het sloopmeterregistratie systeem.
Conclusie Binnen dit omgevingsplan is sprake van een situatie waarin tekorten aan sloopmeters worden gecompenseerd door aankoop, en overschotten beschikbaar blijven voor verkoop of toekomstige inzet. Hiermee is voldaan aan de beleidsmatige eis van voldoende sloop als tegenprestatie voor nieuwe bebouwing. Het aspect inzet van sloopmeters vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.
4.5
Waterschap
4.5.1
Blauwe Omgevingsvisie 2050
De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van Waterschap Vallei en Veluwe. Met deze BOVI zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt Waterschap Vallei en Veluwe integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. Water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening. 2. Maximaal vasthouden en schoonhouden van water. 3. Partnerschap als watermerk. Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van Vallei en Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven- en ondergrond.
22
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Doorwerking in plangebieden De bevindingen en resultaten van de BOVI 2050 zijn beschreven in § 5.18.
4.5.2
Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027Waterschap Vallei en Veluwe
Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de Omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel. Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem.
Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Doorwerking in plangebieden De bevindingen en resultaten van het BOP zijn beschreven in § 5.18.
4.6
Gemeente
4.6.1
Omgevingsvisie Barneveld 2040
In de Omgevingsvisie Barneveld 2040 (hierna: Omgevingsvisie) wordt een beeld gegeven van de toekomst van onze gemeente, welke kansen en uitdagingen er op ons pad liggen, welke ontwikkelingen bijdragen aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en welke keuzes we daarin als gemeente maken. De raad heeft de Omgevingsvisie op 16 juli 2025 vastgesteld en op 29 augustus 2025 is de Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie zijn vijf hoofdopgaven voor Barneveld benoemd. De Omgevingsvisie is de toekomstvisie voor de gemeente Barneveld op het gebied van wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. Ingegaan wordt op belangrijke opgave van groeien en ontwikkelen en koesteren daarbij de waarden en het karakter van onze gemeente. In de Omgevingsvisie is bepaald wat belangrijk is en wat de ambities en doelen voor de fysieke leefomgeving van Barneveld zijn. De Omgevingsvisie geeft richting aan de verdere uitwerking in omgevingsprogramma's naar concrete maatregelen en uitgangspunten. De Omgevingsvisie biedt ook houvast bij het beoordelen van plannen en initiatieven op de mate waarin deze bijdragen aan de ambities en uitdagingen van onze gemeente. 1. Gezond en toekomstbestendig Barneveld Gezondheid en duurzaamheid zijn belangrijk voor de leefbaarheid van Barneveld.
De gemeente streeft een schone en veilige omgeving na voor iedereen. Daarbij richten we ons ook op een toekomstbestendige "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
23
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I omgeving met aandacht voor klimaat en milieu. 2. Prettig leven in vitale dorpen Barneveld groeit. Tot 2040 komen er 8.000 nieuwe woningen bij ten opzichte van 2021. De woningen worden verdeeld over alle dorpen, met aandacht voor starters en ouderen en met voldoende goede voorzieningen. Het doel is om onze dorpen leefbaar en toegankelijk te houden voor iedereen, met focus op betaalbaarheid en doorstroom. 3. Ruimte voor ondernemerschap Ondernemerschap is een kracht van Barneveld. De gemeente ondersteunt dan ook van harte een gezonde groei van bedrijvigheid met vestigingsmogelijkheden op de bedrijventerreinen en in vitale dorpscentra. 4. Waardevol landelijk gebied Het buitengebied is waardevol voor Barneveld en speelt een belangrijke rol in het behoud van natuur en landschap. Dat geldt voor de natuur op de Veluwe. Maar het geldt ook voor de agrarische sector met aandacht voor natuurbehoud en minder uitstoot. 5. Bereikbaar nu en in de toekomst Een goed bereikbare en veilige omgeving voor alle verkeersdeelnemers is essentieel voor de gemeente. De auto blijft belangrijk voor de mobiliteit. Het wegennet wordt waar nodig aangepast.
Maar we richten ons ook meer op de noodzakelijke transitie naar andere vormen van mobiliteit, zoals wandelen, fietsen en gebruik van openbaar vervoer (bijvoorbeeld bij stationslocaties en in de nieuwe wijken). Vijf gebieden en negen dorpen De opgaven vertalen zich door naar de deelgebieden van de gemeente. Er zijn vijf deelgebieden, elk met hun eigen karakter en ontwikkelingsrichting: de Veluwe, het oostelijk buitengebied, het recreatiegebied Voorthuizen, het verstedelijkt gebied en het westelijk buitengebied. Het profiel van elk gebied is maatgevend voor de keuzes die de gemeente daarvoor maakt. Die keuzes zijn in Omgevingsvisie ook vertaald naar de negen kernen of dorpen die de gemeente Barneveld rijk is. Zo geeft de visie voor elk dorp een afgeleid beeld van de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving naar 2040.
Stroeërweg 16-18 De Stroeërweg 16-18 bevindt zich in het Oostelijk buitengebied. Van oorsprong bestaat het oostelijk buitengebied uit een gevarieerd landschap van beekdalen, broek- en heideontginningen en es-complexen aan de oostkant van het gebied. De karakteristieke beken van de gemeente Barneveld droegen bij aan dit kleinschalige landschap. In het gebied liggen de kernen Kootwijkerbroek en Stroe. De buurtschappen Essen en Esveld behoren tot Kootwijkerbroek. Het oostelijk buitengebied kenmerkt zich door een ondernemend karakter. In dit deel van gemeente Barneveld komt ondernemerschap in al zijn facetten het meest tot uiting. Het ondernemerschap bepaalt hier in belangrijke mate de identiteit van het gebied. Deze dynamiek in het gebied willen we behouden voor de toekomst. Daarom ondersteunen we hier het agrarisch ondernemerschap waar mogelijk. Daarbij houdt de gemeente Barneveld oog voor behoud en versterking van de dragers van het cultuurlandschap, zoals de beken die dit gebied doorstromen. Bij dit gebied hoort bovendien een forse woonambitie voor de kernen. Bij de ontwikkeling van de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met karakteristieken van het kleinschalige landschap. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de ondernemende aard van het gebied omdat de woning een bestaande (voormalige) bedrijfswoning betreft.
Wesselseweg 41 Midden in de vallei liggen de twee grootste kernen van de gemeente, Voorthuizen en Barneveld, die onderdeel zijn van het verstedelijkt gebied, een gebied dat dichter bebouwd is. Voorthuizen en Barneveld zijn van oudsher goed ontsloten en zijn in de loop van de jaren de sterkst gegroeide kernen. Tussen de beide kernen bevindt zich het bedrijventerrein Harselaar, dat zich vanaf de jaren '70 ontwikkelde langs de A1. Het verstedelijkt gebied kenmerkt zich door haar dynamische aard met een grote verscheidenheid aan functies en karakter. De gemeente streeft naar behoud en versterking van deze dynamiek, waarbij we 24
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I zoeken naar een optimale samenhang tussen verstedelijkt gebied en de landelijke omgeving. De groeiambities van de gemeente vinden voor het overgrote deel plaats in het verstedelijkt gebied, met kansen voor zowel inbreiden als uitbreiden. De groeiambitie bestaat uit woningen en uit ruimte voor al dan niet regionale bedrijvigheid. Groei moet samengaan met gezondheid en toekomstbestendigheid, een gezonde groene groei. Om dit te bereiken geven we prioriteit aan groene gezonde randvoorwaarden in de openbare ruimte. Naast het aantal woningen neemt het aanbod aan voorzieningen toe in het verstedelijkt gebied. De groeiambitie biedt perspectief voor nieuwe voorzieningen met een functie voor de hele gemeente. In lijn met groei streeft de gemeente naar een optimale infrastructuur om het verstedelijkt gebied verkeersveilig te houden en de doorstroming te verbeteren waar nodig, bijvoorbeeld met de aanleg van een oostelijke rondweg. De Wesselseweg 41 valt in het Verstedelijkt gebied. Het concentratiebeleid voor woningbouw, ontwikkeling van bedrijventerreinen en voorzieningen in het gebied Barneveld-Harselaar-Voorthuizen blijft onverkort uitgangspunt. Het toevoegen van woningen in aangewezen stedelijk gebied is op deze locatie begrijpelijk.
4.6.2
Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020
De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning sinds 1 juli 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg.
We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien/ wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving paragraaf § 5.18. Materialen Bij sloop is het goed om na te gaan of er opties voor hergebruik van de vrijkomende materialen en circulair slopen. 4.6.3
Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en vigerend Hemelwaterplan
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
25
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van het waterbelang zijn beschreven in paragraaf § 5.18.
4.6.4
Toetsingskader landelijk gebied
Op 17 april 2024 is het Toetsingskader landelijk gebied vastgesteld. Dit toetsingskader ziet vooral toe op functieverandering van agrarische bedrijven en nieuwe niet-agrarische activiteiten in het buitengebied van de gemeente Barneveld. Het toetsingskader loopt vooruit op de vaststelling van de Omgevingsvisie Barneveld 2040. Het beleid ten aanzien van het landelijk gebied zal in deze Omgevingsvisie worden bepaald. Vanwege de druk op het landelijk gebied is dit toetsingskader voorafgaand aan de vaststelling van de Omgevingsvisie vastgesteld en geldt voor alle nieuwe initiatieven vanaf 29 augustus 2023. Het toetsingskader is gebaseerd op vier deelgebieden die logischerwijs voortkomen uit de natuurlijke en cultuurlandschappelijke opbouw van de gemeente. Ieder gebied heeft zijn eigen karakter en dat is bepalend voor wat er in welk gebied kan. De deelgebieden zijn gebaseerd op de gebiedsindeling uit de Structuurvisie Buitengebied 2011: 1. 2. 3. 4.
Agrarisch kampen- en slagenlandschap en landgoederen; Stedelijke zone en groene bufferzones; Agrarisch bedrijvenlandschap; Veluws natuurgebied, agrarische enclaves en overgangszone.
Naast specifieke uitgangspunten per deelgebied, gelden voor alle deelgebieden de volgende algemene uitgangspunten: Bestaande situaties en rechten worden door gemeente gerespecteerd op basis van wat bij recht is toegestaan in het Omgevingsplan. Toetsing nieuwe ontwikkelingen altijd in samenhang met de ontwikkelingsrichting per deelgebied. Alle nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het versterken van het natuurlijk systeem en het cultuurlandschap. De beoordeling van een ontwikkeling wordt altijd integraal per locatie afgewogen. Naast het toetsingskader zijn alle andere beleidsstukken, programma's en verordeningen van toepassing. Agrarische bedrijven worden niet gehinderd in de doorontwikkeling door gevoelige functies. Er vindt geen aantasting van de milieu- en gezondheidssituatie plaats. Toetsingskader is bedoeld voor zowel hoofdactiviteiten als nevenactiviteiten. Doorwerking in het plangebied Stroeërweg 16-18 De locatie ligt binnen het Agrarisch bedrijvenlandschap. Landbouw is in dit deelgebied de belangrijkste gebruiksfunctie. We streven naar herstructurering en passende schaalvergroting voor toekomst bedrijven gericht op innoveren. In dit agrarische productiegebied laten we in principe geen gevoelige functies toe.
In dit gebied willen we in In principe geen nieuwe (functieveranderings)woningen (of omzetting bestaande bedrijfswoning of plattelandswoning naar reguliere woning). Afhankelijk van de locatie waarbij de woning niet extra belemmerend is voor (agrarische) bedrijvigheid vanwege de reeds bestaande gevoelige functies, kunnen nieuwe woningen gerealiseerd worden in de kernrandzone of een bestaand cluster van bestaande gevoelige functies. Op locatie komt geen nieuwe woning en door te benadrukken in de regels dat het gaat om een woning met een voormalige binding met een agrarisch bedrijf, worden boerenbedrijven in de omgeving niet extra gehinderd. Wesselseweg 41 De locatie ligt binnen de stedelijke zone en groene buffers. In dit deelgebied is woningbouw, ontwikkeling van bedrijventerreinen en voorzieningen voor Barneveld-Harselaar-Voorthuizen richtinggevend met ruimte voor groene recreatieve buffers. 26
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Nieuwe (functieveranderings)woningen (of omzetting bestaande bedrijfswoning of plattelandswoning naar reguliere woning) in de kernrandzone, binnen een bestaand cluster van gevoelige functies of op een voormalige (agrarische) bedrijfslocatie. Dit deelgebied leent zich ten opzichte van de andere deelgebieden het beste voor nieuwe (functieveranderings)woningen; Met het plan worden twee nieuwe woningen mogelijk gemaakt op een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Het plan is daarmee in lijn met het toetsingskader. Conclusie De ontwikkelingen zijn in lijn met het toetsingskader.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
27
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Hoofdstuk 5 5.1
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld.
5.2
Bodem
In het kader van de procedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen het plangebied voldoet aan de eisen van financiële uitvoerbaarheid en of deze, vanuit oogpunt van volksgezondheid en milieu, als aanvaardbaar kan worden beschouwd voor het beoogde gebruik. De planlocatie betreft een bodemgevoelig gebied, zoals vermeld in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. De beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit is gebaseerd op de Bodemkwaliteitskaart regio De Vallei 2018 en de bijbehorende Nota bodembeheer 2022. Met deze instrumenten kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden vastgesteld, mits historisch onderzoek geen verdachte locaties aanwijst.