TAM Omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I Motivering
Tekst van het document
In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR) Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit.
Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.
Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
47
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
5.14.2 Beoordeling risicobronnen en verantwoording groepsrisico Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er bij beide locaties geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect.
5.14.3 Te treffen maatregelen Er moeten (veiligheids-)maatregelen getroffen worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan de "Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid", het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Er worden eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de functie.
Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Doorwerking in plangebieden Bij de plannen wordt geen grote toename in het aantal personen dat op de locaties verblijft verwacht. Ook worden er geen functies of gebouwen toegevoegd die gericht zijn op het laten verblijven van verminderd zelfredzame mensen. Er zijn daarom geen maatregelen nodig. 5.14.4 Veiligheidszone - Bal Binnen de grenzen van het plan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Bal (paragraaf 3.4.2 en 4.29) zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen staan beschreven in bijlage VI van het Bkl. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. 5.14.5 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.15
Ontplofbare oorlogsresten
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Het historisch vooronderzoek met kenmerk RN-14037-2.0, uitgevoerd door Expload en gedateerd op 27 oktober 2015, richtte zich op de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog binnen de gemeente Barneveld. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat beide planlocaties niet verdacht zijn van Ontplofbare Oorlogsresten. Conclusie Het aspect 'Ontplofbare Oorlogsresten' vormt geen belemmering voor het plan. 48
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
5.16
Trilling
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Er is geen sprake van een plan dat een activiteit mogelijk maakt dat trillingen veroorzaakt.Ook bevinden beide locaties zich niet in de nabijheid van een spoorlijn, zware industrie of andere significante trillingsbronnen. Hierdoor is er geen sprake van een verhoogd risico op trillingen die van invloed kunnen zijn op de geplande ontwikkeling. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan. Er zijn geen nadere onderzoeken of aanvullende maatregelen nodig.
5.17
Verkeer
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook het goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast moeten er voldoende parkeerplaatsen voor de functie van de beoogde ontwikkeling aanwezig zijn.
Stroeërweg 16-18 De locatie Stroeërweg 16 is gelegen aan een bestaande ontsluitingsweg met voldoende capaciteit voor de verwachte verkeersbewegingen. De verkeersintensiteit van de beoogde ontwikkeling blijft binnen aanvaardbare normen en leidt niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De aansluiting op het lokale wegennet is voldoende veilig en goed zichtbaar, wat de doorstroming en veiligheid van de ontsluiting garandeert. Parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd, conform de geldende parkeernormen, waardoor geen extra parkeerdruk ontstaat in de omgeving. De verwachting is dat door het verandernend gebruik het aantal verkeersbewegingen zal afnemen.
Wesselseweg 41 De locatie Wesselseweg 41 is anders dan de naam suggereert niet direct ontsloten op de provinciale weg, de Wesselseweg. Het erf ontsluit via meerdere uitritten op de Peppelseweg, welke in privé bezit is van een derde. De opzet is verkeerskundig akkoord. Het aantal dammen blijft gelijk. Er is aangetoond dat de extra brede uitweg noodzakelijk is voor vrachtverkeer om gebouw B en C bereikbaar te houden. De oprit voor de woningen voldoet aan de standaarden en er is voldoende parkeergelegenheid voor de nieuwe woningen. Er wordt geadviseerd om aan te geven dat de inrit specifiek voor bewoners is, om te voorkomen dat vrachtverkeer hier per ongeluk in rijdt.
Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan. De bestaande wegenstructuur biedt voldoende capaciteit en veiligheid. De verkeersgeneratie zal in alle gevallen afnemen. Parkeerplaatsen worden conform de parkeernormen gerealiseerd, waardoor er geen extra parkeerdruk ontstaat.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
49
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
5.18
Weging van het waterbelang
Weging van het waterbelang Bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen is het van belang dat waterhuishoudkundige aspecten op een verantwoorde manier worden meegenomen. Dit omvat onder andere de afvoer en infiltratie van regenwater, de bescherming tegen wateroverlast en de borging van voldoende waterberging in het gebied. De watertoets is een verplicht instrument dat in samenwerking met het waterschap wordt uitgevoerd om te beoordelen of een plan geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Hierbij wordt gekeken naar: Afstroming en infiltratie van hemelwater; Gevolgen voor grondwaterstanden en droogte; Bescherming tegen wateroverlast en overstromingen; De aanwezigheid van waterbergingsgebieden. De waterparagraaf van het Omgevingsplan en de richtlijnen van het Waterschap zijn hierbij leidend. Het uitgangspunt is dat er geen toename van de waterproblematiek optreedt en dat het plan past binnen het bestaande watersysteem. Stroeërweg 16-18 De ontwikkeling aan Stroeërweg 16 heeft geen significante invloed op de waterhuishouding, omdat de locatie zich buiten overstroombaar gebied bevindt en niet binnen een waterbergingszone valt. Er wordt geen significante verharding toegevoegd, waardoor de natuurlijke infiltratie van hemelwater behouden blijft.
Afstroming van regenwater wordt gereguleerd via infiltratievoorzieningen en bestaande sloten, waardoor het effect op het watersysteem minimaal is. De ontwikkeling voldoet aan de geldende waterhuishoudkundige richtlijnen, waardoor geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Wesselseweg 41 Voor de vuilwaterriolering van de nieuwe woningen wordt aansluiten op de drukriolering voor het huishoudelijk vuilwater aan de Wesselseweg. Dit gebeurd bij voorkeur via de bestaande aansluiting van het perceel Wesselseweg 41. Er mogen geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) toegepast wordne in de bouwplannen. Indien deze toch worden toegepast, dienen ze gecoat te worden om diffuse verontreiniging te verkomen. Het terrein zal ongeveerd 30 cm moeten worden opgehoogd. Voor de waterveiligheid en het tegengaan van wateroverlast is er een wadi opgenomen. Deze wadi zorgt ervoor dat overtollig regenwater tijdelijk wordt opgevangen en vervolgens langzaam in de bodem kan infiltreren. Dit draagt bij aan een stabiele waterhuishouding, wat ook helpt om droogtes te verminderen. Conclusie Het waterbelang voor het plan is op een verantwoorde manier meegenomen in de planvorming. Er zijn geen waterbergingsgebieden of overstromingsrisico's die een belemmering vormen.
50
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Hoofdstuk 6
Juridisch aspecten
6.1
Wijziging omgevingsplan
6.1.1
Omgevingsplan van rechtswege
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 6.1.2
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
51
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
6.1.3
Werkingsgebied
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Stroeërweg 16-18 in Stroe en Wesselseweg 41 in Barneveld (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen (zie Artikel 1 en Artikel 2). Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels (Artikel 3). Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen.
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locaties Stroeërweg 16-18 in Stroe en Wesselseweg 41 in Barneveld, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0203.TAMOP0012-0002 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
52
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
6.2
Artikelsgewijze toelichting functies
6.2.1
Terugkerende thema's
6.2.1.1
Functieverandering
De verwachting is dat de komende jaren veel agrarische bedrijven zullen stoppen. Er komen veel stallen en andere bedrijfsgebouwen leeg te staan. De gemeente wil aan deze gebouwen een nieuwe passende functie kunnen geven. Hierbij kan worden gedacht aan nieuwe woningen, diverse vormen van bedrijvigheid, recreatieve of maatschappelijke functies en verbredingsmogelijkheden voor wonen en werken. Een belangrijk doel bij functieverandering is dat er nieuwe ruimtelijke kwaliteiten worden gerealiseerd, waardoor ruimtelijke en maatschappelijke winst ontstaat. Dit gebeurt door investeringen in de kwaliteit van het buitengebied. Die investeringen lopen via het Ontwikkelingsfonds Platteland en hebben betrekking op landbouw, natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, milieu en water, recreatie en sociaaleconomische revitalisering. De middelen uit dit fonds moeten aan meerdere doelen en thema’s worden besteed zodat een evenwichtig plattelandsontwikkelingsprogramma wordt opgebouwd en uitgevoerd. 6.2.1.2
Mantelzorg
In het voorliggende plan is voor zowel woningen, als bedrijfswoningen een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee een tweede zelfstandige wooneenheid voor mantelzorg mogelijk wordt gemaakt. De afwijkingsmogelijkheid is gekoppeld aan onder andere een sloopeis. De voorwaarden staan beschreven in de activiteit bouwen, in stand houden en gebruik van bouwwerken (en gronden). 6.2.1.3
Aan huis verbonden beroepen of kleinschalig bedrijf, bed & breakfast
Binnen zowel woningen als bedrijfswoningen is onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast bij recht toegestaan. Bij de relevante functies staan de voorwaarden beschreven. De bewoner van de woning mag in de woning een aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf (bijvoorbeeld een praktijk- of kantoorruimte) en/of bed & breakfast uitoefenen. In totaal mag hiervoor worden gebruikt maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning, met een maximum van 60 m2. De oppervlakte is beperkt om te garanderen dat deze functies ondergeschikt zijn en blijven aan de hoofdfunctie wonen. Om overlast en hinder te voorkomen zijn activiteiten waarvoor een melding of vergunning op basis van de milieuwetgeving vereist is, niet toegestaan. De gemeente wil met deze voorwaarden voorkomen dat er nieuwe bedrijven ontstaan in het buitengebied. Via een afwijking van de gebruiksregels mag een aan huis verbonden beroep of bedrijf en bed & breakfast ook in een bijgebouw worden gerealiseerd. Ter voorkoming van het ontstaan van een zelfstandige wooneenheid wordt geen keukenblok toegestaan in een bed & breakfast. Een keukenblok wordt niet noodzakelijk geacht voor een bed & breakfast, omdat de verzorging van bed & breakfast zich beperkt tot logies en ontbijt. Ook wordt hiermee de kans op permanente bewoning tegengegaan.
6.2.1.4
Paardrijbakken
Bij de woning is een paardrijbak (onoverdekte rijbak) voor privé- en hobbymatig gebruik door de bewoners toegestaan. De afmeting van de paardrijbak bedraagt maximaal 20 bij 40 meter. De paardrijbak is toegestaan binnen de locatie waaraan de functie is toebedeeld en/of functiegebieden waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan. Een paardrijbak is onder voorwaarden ook toegestaan aansluitend aan het functiegebied waarin de woning zich bevindt. Een paardrijbak die aansluitend aan een functiegebied wordt gerealiseerd ligt in de functie 'agrarische bedrijven'. De voorwaarden die gelden voor een paardrijbak in de functie 'agrarische bedrijven' staan dan ook vermeld in de regels over het gebruik van grond als paardrijbak in het buitengebied. De paardrijbak moet achter de voorgevelrooilijn worden aangelegd. Om hinder naar buren te voorkomen of te beperken is de minimale afstand tussen de paardrijbak en een woning van een derde minimaal 50 "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
53
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I meter. Via een afwijking van de bouwregels is het mogelijk de paardrijbak voor de voorgevelrooilijn te plaatsen. Voorwaarde is dat de belangen van gebruikers/eigenaars van aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad en dat er geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat het woon- en leefklimaat (geur, geluid, stof en dergelijke) niet verslechtert en dat wordt voldaan aan de geldende milieuregels. Ook moet rekening worden gehouden met de aanwezige landschapswaarden.
6.2.1.5
Voormalige bedrijfswoning
De aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalige bedrijfswoning' die is toegekend aan een woning die eerder functioneel verbonden was met het nabijgelegen bedrijf. Deze voormalige bedrijfswoning is niet meer in gebruik als bedrijfswoning. Voor deze woning zijn de waarden in het omgevingsplan voor geluid, geur en trillingen vanuit de activiteiten van het voormalige verbonden bedrijf niet van toepassing. In dit geval is de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voormalige bedrijfswoning' hier toegepast omdat een deel van het eigen (agrarische) bedrijf blijft bestaan.
6.2.1.6
Zonnecollectoren
Op basis van nationale wetgeving is het mogelijk om zonnecollectoren op daken te plaatsen. In het buitengebied van de gemeente Barneveld wil de gemeente ook het plaatsen van zonnecollectoren op maaiveld in (beperkte vorm) mogelijk maken. Dit wordt gedaan om een mogelijkheid te bieden voor situaties waarin het plaatsen zonnecollectoren op het dak niet gewenst is. Hierbij kan gedacht worden aan monumentale gebouwen en/of gebouwen met een rieten dak. Het voorliggende plan biedt mogelijkheden om met voorwaarden bij recht zonnecollectoren te realiseren. Daarnaast bevat het plan een mogelijkheden voor het bouwen van zonnecollectoren op onbebouwde agrarische grond aansluitend aan een functievlak voor bijvoorbeeld de functie 'Wonen'. Hierbij worden eisen gesteld aan zowel de plaats van de zonnecollectoren als de landschappelijke inpassing van deze zonnecollectoren. Bij agrarische bedrijven geldt dat het plan flexibiliteitsbepalingen bevat waarmee de vorm en/of de grootte van de functie kan worden aangepast, die ook kan worden gebruikt voor het plaatsen van zonnecollectoren. Wat betreft de bouwregels worden zonnecollectoren beschouwd als overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Dit betekent onder andere dat zonnecollectoren buiten een bouwvlak maximaal 3 meter hoog mogen zijn.
6.2.1.7
Recreatief medegebruik
Niet alle dagrecreatieve activiteiten vinden plaats op een vaste locatie. Wandelen, fietsen, skeeleren en paardrijden kan in het gehele plangebied. In de functies ('agrarische bedrijven' en 'paardenhouderij') is het extensieve recreatieve medegebruik bij recht toegestaan. Deze activiteiten zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving. Activiteiten als boerengolf, paintball en gemotoriseerde sporten (zoals quads, crossmotoren en dergelijke) zijn niet toegestaan om zo de verstoring in de genoemde (natuur)gebieden beperkt te houden.
6.2.1.8
Normaal beheer, onderhoud en gebruik
Voor werken en werkzaamheden die bij het normale onderhoud, gebruik en beheer behoren, is geen omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) nodig. Onder normaal beheer, onderhoud en gebruik wordt verstaan beheer, onderhoud en gebruik die gelet op de toegekende functie, regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer, een goed onderhoud en een goed gebruik van de gronden en van de gebouwen die tot de betreffende functies behoren. Bij de functie agrarische bedrijven zijn dat bijvoorbeeld werkzaamheden die inherent zijn aan de productie op basis van de huidige cultuur/productiewijze van het bedrijf (veehouderij, akkerbouw, et cetera). Het betreffen werkzaamheden die als onderdeel van de bedrijfsvoering met regelmaat (periodiek, bijvoorbeeld jaarlijks) worden uitgevoerd. Echter, voor werkzaamheden op het agrarisch bouwvlak (of een ander bebouwd perceel, zoals bij een woning of een bedrijf) geldt voor sommige werken of werkzaamheden wel 54
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I het vereiste van een omgevingsvergunning. Het gaat dan vooral om ingrepen die de archeologische waarden kunnen verstoren of die een grote landschappelijke impact kunnen hebben, zoals het aanleggen van aarden wallen. Het is wel van belang dat andere regelingen zich niet verzetten tegen een ingreep, zoals bijvoorbeeld een beheersovereenkomst. Ook moeten soms ontheffingen op basis van de regels met betrekking tot natuur en natuuractiviteiten (BKL en Bal) worden verleend. Dit soort wettelijke verplichtingen zijn altijd van toepassing, onafhankelijk van de regeling in dit plan.
6.2.1.9
Mestplaten en spuitzones
Door het realiseren van een mestplaat of door het aanplanten van gewassen kan iemand proberen een plan voor dorpsuitbreiding of het realiseren van een geur- of hindergevoelige functie te frustreren. Mestplaten Het opslaan van agrarische meststoffen (zoals bij een mestplaat) vindt op ten minste 100 m afstand tot een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom is gelegen plaats. Bij een kortere afstand zal moeten worden aangetoond een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd voor geur- of hindergevoelige functies. Spuitzone gewassen Er zijn geen wettelijke bepalingen voor minimaal aan te houden afstanden tussen de gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van een ruimtelijke ontwikkeling moet een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats vinden, het milieubelang niet uitgezonderd. De aan te houden afstand tussen de gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen gevoelige objecten dient zodanig gekozen te zijn dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse aanwezig zal zijn. Een planologische keuze die zit op een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruik, wordt in het algemeen niet onredelijk geacht.
Dit brengt echter met zich dat de raad een kortere afstand in een bepaalde situatie toereikend kan achten om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen. Voor zowel mestplaten als spuitzones geldt dat in de nabijheid van beoogde uitbreidingsgebieden dergelijke zaken niet bij recht mogelijk zijn. Anderzijds gaat het om zaken die in het kader van de regulier bedrijfsvoering van agrarische bedrijven een legitieme plek hebben. Voor het overgrote deel van het buitengebied is er geen belang om dergelijke zaken vergunningsafhankelijk te maken. Dit geldt ook voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen als gras en maïs. Dergelijke gewassen zijn gemakkelijk vervangbaar of de teelt ervan duurt kort. Dan is er in veel mindere mate sprake van een conflict met de belangen van dorpsuitbreiding. Een mogelijk conflict speelt vooral bij houtachtige gewassen, die min of meer structureel op een locatie aanwezig zijn. De regeling wordt daarom beperkt tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ten behoeve van houtachtige gewassen, waaronder begrepen struiken en heesters. In het plan is een kernrandzone opgenomen. Dit betreft een zone rondom bestaande woonkernen en bedrijventerreinen van 250 meter, en ook zoekzones voor stedelijke ontwikkelingen. Er zijn specifieke regels opgenomen voor de ontwikkeling van agrarische bedrijven in die zone.
Door dit begrip op te rekken kunnen alle gebieden worden afgedekt waar risicogevende ontwikkelingen zich kunnen voordoen. In de regels zijn begrippen opgenomen voor agrarische bedrijfsstoffen en gewasbeschermingsmiddel en is het begrip kernrandzone aangepast. Bij de functie 'agrarische bedrijven' en 'paardenhouderij' is een verbod voor gebruik opgenomen dat het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen en het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen in de kernrandzone niet is toegestaan. Er is ook een artikel opgenomen die het onder bepaalde voorwaarden wel mogelijk maakt.
6.2.2
Functie paardenhouderij
Algemeen Gebruiksgerichte paardenhouderijen zijn paardenhouderijen waar het gebruik van het paard centraal staat. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
55
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I Hier worden paarden gefokt, maar vooral ook getraind en verhandeld. De verkeersbewegingen zijn vaak intensiever dan bij een ander agrarisch bedrijf en de ruimtelijke uitstraling is anders doordat bij het bedrijf meer bouwwerken en hekken staan dan bij andere veehouderijen. Omdat dit geen pure agrarische activiteit is, zoals het alleen maar fokken van paarden, krijgen deze bedrijven een eigen functie. Binnen deze functie zijn bedrijfsmatige paardenhouderijen toegestaan die gericht zijn op (combinaties van) de volgende functies: het africhten en trainen van paarden; het bieden van stalruimte voor paarden; het geven van instructie aan derden; het trainen van paarden; het uitbrengen in de sport; de verhuur van en het verlenen van diensten met behulp van paarden; de in- en verkoop van paarden. Deze functie is toegekend aan locaties die in het voorgaande plan de functie 'agrarisch bedrijven' hadden. Bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de paardenhouderij (zoals stapmolens) zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Paardrijbakken zijn onder voorwaarden ook aansluitend aan het bouwvlak toegestaan.
Bouwvlak Binnen de functie is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de bedrijfsbebouwing is toegestaan. In de regel heeft dit bouwvlak dezelfde vorm en grootte als de functie zelf. Onder bedrijfsbebouwing wordt verstaan de bedrijfsgebouwen (stal, rijhal, opslag, kantoor) en de bijbehorende bouwwerken. De totale oppervlakte van de gebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte vermeerderd met 25% van de bestaande oppervlakte. Burgemeester en wethouders kunnen bij het verlenen van een omgevingsvergunning eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing. Deze eisen kunnen worden gesteld om te komen tot een goede landschappelijke inpassing van het bedrijf, de verkeersveiligheid of om hinder bij buren te voorkomen of te beperken. Hiermee kan bijvoorbeeld worden geëist dat de mestplaat of paardrijbak op een plek wordt gerealiseerd die minder of geen overlast geeft naar buren of die landschappelijk gezien beter past.
6.2.3
Functie wonen in het buitengebied
Algemeen De functie 'wonen in het buitengebied' is toegekend aan de bestaande, legale woningen. Binnen een functiegebied is maximaal één woning toegestaan. Een uitzondering geldt op de locatie die in de functieregels is aangewezen voor een maximaal aantal woningen, want daar geldt als maximaal aantal woningen het aantal genoemd in de functieregels. Ook geldt een uitzondering ter plaatse van de regel waar een woongebouw is toegestaan, want daar geldt dat in plaats van één woning er één woongebouw is toegestaan dat twee wooneenheden omvat of dat meerdere wooneenheden omvat indien de functieregels een maximum aantal wooneenheden aangeven. Een woning is bedoeld voor de huisvesting van één huishouden. Dit betekent dat kamerverhuur niet zondermeer is toegestaan behalve als dit specifiek is aangeduid. Binnen de functie 'wonen in het buitengebied' is het mogelijk om kamerverhuur toe te staan, daar waar de functieregels aangeven dat dit passend is. Volgens de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur Gemeente Barneveld is de minimale maatvoering hiervoor 18 m2. Binnen de functie zijn het hoofdgebouw en eventueel aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen opgenomen. De inhoud van een woning bedraagt maximaal 660 m3, inclusief de onderbouw voor zover deze boven het maaiveld uitkomt.
Onder een woning is een onderbouw toegestaan, waarbij geldt dat bij vergunningsvrije aanbouwen en bijbehorende bouwwerken van woningen niet vergunningsvrij mogen worden voorzien van een onderbouw. De maximale goot- en nokhoogte bedragen respectievelijk 3,5 en 10 meter. Op sommige plekken komen andere maten of afmetingen voor, deze zijn op de verbeelding weergegeven. Via een 56
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I afwijking van de bouwregels kan de toegestane goothoogte worden verhoogd naar 6 meter.
Bijgebouwen bij woningen De maximale oppervlakte aan bijgebouwen bij een woning bedraagt maximaal 80 m2. De maximale gooten nokhoogte bedragen respectievelijk 3 en 6 meter. Via het functieveranderingsbeleid is het mogelijk om bijgebouwen te vergroten op basis van een sloopeis tot maximaal 250 m2. Dit is in de regels opgenomen en vertaald.
Welke oppervlakte aan bijgebouwen is volgens het omgevingsplan bij recht bij een woning toegestaan? Bij een reguliere woning mag een bijgebouw van 80 m2 aanwezig zijn c.q. vergund worden. Echter, als de bestaande oppervlakte groter is dan 80 m2 en die oppervlakte is bovendien gerealiseerd voor de functie wonen, geldt die bestaande oppervlakte als de maximummaat voor dat perceel. Van belang is daarbij de begripsomschrijving van 'bestaande'. Die luidt: bestaand en legaal aanwezig of legaal realiseerbare bebouwing of gebruik op de dag van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (5 oktober 2012). Illegaal tot stand gekomen bebouwing levert hier dus geen rechten op. Met de zinsnede dat het moet gaan om bebouwing die is gerealiseerd voor de functie wonen wordt bedoeld, dat bebouwing die bijvoorbeeld ooit is gerealiseerd als bedrijfsbebouwing bij een agrarisch bedrijf, maar die nu valt binnen de functie Wonen en daarmee de status heeft van bijgebouw bij de woning, niet meetelt voor de volgens het plan hier toegestane oppervlakte aan bijgebouwen. Het gaat daar dus om bijgebouwen die onder het bouwovergangsrecht vallen. Voor de duidelijkheid: gebouwen binnen de functie 'wonen in de kernen/ in het buitengebied' die ooit voor een andere functie zijn gebouwd (veelal als agrarisch bijgebouw) gelden dus voor wat betreft het toegestane gebruik als bijgebouw.
Voor zover de oppervlakte meer bedraagt dan de oppervlakte aan bijgebouwen die volgens het omgevingsplan bij recht bij de woning is toegestaan, vallen ze als gebouw onder het bouwovergangsrecht.
Hoe kan met gebruikmaking van een regel de oppervlakte aan bijgebouwen worden vergroot? In het plan is een regel opgenomen die een grotere oppervlakte aan bijgebouwen mogelijk maakt, dan het plan bij recht toestaat. Allereerst de situatie dat er op een perceel geen andere bijgebouwen aanwezig zijn dan de oppervlakte die bij recht is toegestaan. In dat geval kan iemand onder voorwaarden een vergunning krijgen om de oppervlakte aan bijgebouwen te vergroten tot maximaal 400 m2, mits hij voor elke vierkante meter boven de rechtens toegestane oppervlakte twee sloopmeters – in dit geval van elders, want hij heeft zelf niets – inzet. Dan de situatie dat iemand naast de rechtens toegestane oppervlakte aan bijgebouwen ook nog bijgebouwen heeft die onder het bouwovergangsrecht vallen. In dat geval mag hij de eerste 250 m2 aan bijgebouwen – allereerste de oppervlakte die volgens het omgevingsplan bij recht aanwezig mag zijn, aanvullend ook onder het bouwovergangsrecht vallende bijgebouwen – een-op-een vervangen door iets nieuws.
Agrarische nevenactiviteiten Bij een aantal woningen is via de regels opgenomen dat er op deze percelen agrarische nevenactiviteiten zijn toegestaan. Deze regel is opgenomen voor locaties die: in het voorgaande bestemmingsplan bestemd waren als 'wonen met een agrarische activiteit' en een bedrijfsomvang tussen de 5 en de 20 NGE hebben; "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
57
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I een agrarisch bouwvlak hadden in het voorgaande bestemmingsplan en nu een bedrijfsomvang tussen de 5 en de 20 NGE hebben. Op dit soort percelen is vaak meer ruimte nodig voor het stallen van dieren en de opslag van hooi en materieel. Bij de percelen met deze regel is daarom een grotere oppervlakte bijgebouwen toegestaan. De oppervlakte die is toegestaan, is de oppervlakte die aanwezig was op de dag van de terinzagelegging van het ontwerpplan en die op die datum legaal (bouwvergunning, melding milieu) in gebruik was voor de agrarische activiteiten. De oppervlakte bedrijfsgebouwen mag niet worden vergroot.
Vervangende nieuwbouw van de woning Bij een eventuele vervangende nieuwbouw dient de woning op dezelfde plek terug te worden gebouwd. Soms is dezelfde plek niet de beste. De afstand tot een naastgelegen (agrarisch) bedrijf kan zo bijvoorbeeld worden vergroot. In het plan is hiervoor een mogelijkheid opgenomen om af te wijken van de bouwregels. Voorwaarde is dat de belangen van gebruikers/eigenaars van aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad en dat er geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat het woon- en leefklimaat (geur, geluid, stof en dergelijke) niet verslechtert en dat wordt voldaan aan de geldende milieuregels.
Vergroten van de woning De woning kan via het afwijken van de bouwregels worden vergroot. In ruil daarvoor wordt bebouwing (bijgebouwen) gesloopt. Het kan hierbij gaan om bijgebouwen bij de woning zelf, maar ook om sloop elders. In de planregels is hiervoor een staffel opgenomen, hoe meer vierkante meters worden gesloopt, hoe meer er terug mag worden gebouwd. Ook is in de regels omschreven welke voorwaarden er gelden voor sloop elders. Het herbouwplan mag geen onevenredige afbreuk doen aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit.
Hobbymatig houden van vee In de gebruiksregels is bepaald dat het hobbymatig houden van vee is toegestaan, zowel binnen de functie wonen als binnen de functie agrarische bedrijven. Steeds meer burgers in het buitengebied houden op hobbymatige wijze dieren. Het gaat vaak om schapen, geiten, kippen en paarden. Bij het houden van paarden speelt daarnaast mee dat een paardrijbak gewenst is om te kunnen paardrijden. Het beweiden van vee en het aanleggen van een paardrijbak zijn mogelijk op gronden met de functie agrarische bedrijven, waarbij geldt dat een paardrijbak direct moet grenzen aan het betreffende functievlak met de functie wonen of een andere functie waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan.
6.2.4 6.2.4.1
Dubbelfuncties en dubbelfunctie gebiedswaarden Functie archeologische monumenten in het buitegenbied
In alle gebieden die (nog) niet zijn vrijgegeven na archeologisch onderzoek of waar is besloten tot behoud in situ is een functieaanduiding voor archeologie toegepast. Specifieke regels hiervoor zijn toegepast op specifieke locaties. Hieronder vallen 6 soorten regels; regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een lage verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 10.000 m2). regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 2.000 m2). regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in gebieden met een hoge verwachtingswaarde (bij een oppervlakte van meer dan 250 m2). regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, in historische kernen en historische boerenerven (bij een oppervlakte van meer dan 100 m2). regels behorende bij een ondergrondse bouwdiepte van 0,3 m, voor niet zichtbare terreinen met archeologische waarde. regels voor zichtbare terreinen met archeologische waarde bij elke bouwdiepte. 58
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
59
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Hoofdstuk 7
Financiële uitvoerbaarheid
De initiatiefnemer zal voor eigen rekening en risico de activiteit ten uitvoer brengen. Het gaat in dit geval om een concreet plan met tijdvak. Binnen een redelijke termijn van1 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning zal worden gestart met de werken en werkzaamheden.
7.1
Kostenverhaal
Ook onder de Omgevingswet (Ow) is kostenverhaal in beginsel verplicht bij (bouw)activiteiten die mogelijk worden op grond van een nieuw toegedeelde functie (artikel 13.11 Ow). Net zoals onder de vorige wet (Wet ruimtelijke ordening). Het is verboden een kostenverhaalsplichtige activiteit te verrichten voordat de te verhalen kosten zijn betaald (artikel 13.12 Ow), op straffe van bestuursrechtelijke handhaving. Er geldt tot die tijd dus een bouwverbod. Onder de Ow geldt kostenverhaal langs privaatrechtelijke weg, door een anterieure overeenkomst te sluiten met de initiatiefnemer, als uitgangspunt. Daarin kunnen ook afspraken worden opgenomen die zien op een betaalregeling. Als partijen er niet in slagen om afspraken te maken in een anterieure overeenkomst over het gemeentelijk kostenverhaal, zal de gemeente het kostenverhaal publiekrechtelijk moeten regelen. Dat doet zij door kostenverhaalregels toe te voegen aan een omgevingsplan of kostenverhaalvoorschriften op te nemen in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het verhalen van de kosten loopt dan via een kostenverhaalbeschikking. Zodra een initiatiefnemer aan de slag wil, vraagt deze bij de gemeente om die beschikking. Zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald, is het verboden om de bouwactiviteiten uit te voeren.
Dit geldt voor zowel het privaat- als publiekrechtelijke kostenverhaal. Voor dit initiatief worden de kosten voor het opstellen van het plan gedekt door het heffen van leges. Voor de mogelijke kosten van een tegemoetkoming in schade, zoals bedoeld in artikel 15.1, lid 1 Ow (nadeelcompensatie), is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een overeenkomst in de zin van artikel 13.13, lid 3 Ow. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden. Het opnemen van kostenverhaalregels in de wijziging omgevingsplan is daarom niet nodig.
60
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I
Hoofdstuk 8
Overleg en maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan zijn door de wetgever geregeld. Conform artikel 10.2 Omgevingsbesluit en artikel 16.29 Omgevingswet heeft het college 24 oktober en 5 december 2024 voor de locaties Stroeërweg 16 en Wesselseweg 41 en op 6 maart 2025 en 1 mei 2025 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennisgegeven van de manier waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiden worden betrokken en is het voornemen om het voorliggende TAM-omgevingsplan voor te bereiden aangekondigd. Aangegeven is verder dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het omgevingsplan opgestart (artikel 16.30 Ow).
8.1
Participatie
Bij het opstellen van een (wijziging)omgevingsplan moet onder de Omgevingswet aangetoond worden hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij het plan zijn betrokken (artikel 10.2 Omgevingsbesluit). Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit, zodat vroegtijdig de knelpunten, belangen en verbeterpunten worden gesignaleerd. Participatie met bestuursorganen en ketenpartners Bij de voorbereiding van het plan is het in het kader van participatie voorgelegd aan: Omgevingsdienst De Vallei (OddV) Veiligheids- en gezondheidsregio Gelderland-Midden (bijvoorbeeld onderdeel Brandweer Gelderland-Midden) Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 1500 m2 en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft er geen participatie met het waterschap plaatsgevonden. Er kan worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.
Aangezien er geen sprake is van een provinciaal belang, heeft er geen participatie plaatsgevonden met de provincie. Participatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties De participatie met burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties voor plannen binnen de gemeente Barneveld is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld en is in werking getreden. Het beleid onderscheidt drie sporen: Participatie bij ruimtelijke initiatieven; Participatie bij initiatieven van de overheid; Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. Meeweten | informeren 2. Meedenken | raadplegen 3. Meewerken | adviseren "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)
61
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I 4. Meebepalen | co-creatie In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven van het beleid relevant en trede 1 meeweten en informeren, van de participatieladder. De initiatiefnemers hebben aangegeven dat er overleg is geweest met de bewoners van omliggende percelen.
8.2
Zienswijzen
Het TAM-omgevingsplan heeft – tezamen met de overige ontwerpstukken – van 30 oktober tot en met 11 december 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn twee reacties ingediend. Deze reacties hebben niet geleid tot aanpassing van het besluit. De Nota Zienswijzen is als bijlage 1 bij het besluit gevoegd.
62
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Diverse locaties LBV+ I" (vastgesteld)