TAM Omgevingsplan Hfst. 22x De Pelmolen 7_Motivering
Tekst van het document
De Omgevingswet regelt ook de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. Het Bkl en ook het Bal bepalen vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er ijzondere natuurgebieden en landschappen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet en 2.44 lid 5 Omgevingswet). Op 24 maart 2000 is De Veluwe aangewezen als Vogelrichtlijngebied en op 7 december 2004 als Habitatrichtlijngebied. Daarmee is De Veluwe aangewezen als Natura 2000-gebied (besluit van 11 juni 2014, bekendgemaakt 26 juni 2014 en gewijzigd bij besluit van 29 september 2016). Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om de soortenrijkom (biodiversiteit) in natuur in stand te houden en zo mogelijk te verbeteren. In het aanwijzingsbesluit zijn de grenzen en de instandhoudingsdoelstellingen opgenomen. Het plangebied ligt niet binnen of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is "Veluwe" en ligt op een afstand van circa 7 kilometer. Er zijn geen directe ruimtelijke, fysieke of ecologische verbindingen tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied. Voor de locatie is een stikstofonderzoek uitgevoerd.
Uit de bijgevoegde stikstofberekening (Bijlage 4) blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de aanlegfase (sloopwerkzaamheden) als de gebruiksfase nihil is. De uitkomst van de berekeningen is 0,00 mol N/ha/jaar. Daarmee is uitgesloten dat sprake is van significante effecten op het Natura 2000-gebied Veluwe. Er is dus geen vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit en ook geen passende beoordeling vereist.
5.5.1.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone
Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. In Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee natuurcategorieën opgenomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). In de Omgevingsverordening (art. 5.5 lid 1) staat dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toegelaten wordt als uit onderzoek blijkt dat die geen nadelige gevolgen kan hebben voor de oppervlakte, samenhang of kwaliteit van het Gelders Natuurnetwerk zoals omschreven in bijlage Kernkwaliteiten Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone. Voor de Groene Ontwikkelingszone geldt dat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat (art. 5.20 lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening).
Uit de bijgevoegde adviezen blijkt dat het plangebied van De Pelmolen 7 niet is gelegen binnen het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. Voor de GNN en GO geldt geen externe werking. Het plangebied ligt niet in GNN of GO, waardoor negatieve effecten op deze zones op voorhand kunnen worden uitgesloten. 26
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
Conclusie: Het aspect Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone vormt geen belemmering voor dit plan.
5.5.2
Soortenbescherming
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor: 1. vogels (Vogelrichtlijn); 2. strikt beschermde soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn; 3. en andere (nationale) soorten / overige soorten. De volgende soorten zijn door de provincie vrijgesteld: aardmuis, bastaartkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspritsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos. In het Bal (art. 11.37, 11.45 en 11.54) staat dat het verboden is om exemplaren (en eieren) van soorten (onder 1, 2 en 3 hierboven genoemd) opzettelijk te doden, vangen of te verstoren. Tevens zijn vaste rusten verblijfplaatsen ook beschermd en mogen deze niet worden verstoord, beschadigd of vernield worden. Om te beoordelen of er potentieel beschermde soorten in of rondom het plangebied aanwezig zijn en zij negatieve effecten van de geplande ontwikkeling en werkzaamheden ondervinden, is een quickscan (Bijlage 3) uitgevoerd.
Hieruit blijkt dat: geen beschermde flora aanwezig is op het perceel; geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen; geen jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig zijn; geen verblijfplaatsen van amfibieën, reptielen of vissen aanwezig zijn; de locatie nauwelijks ecologische waarde heeft door de aard van de bestaande bebouwing en erfverharding. Wel zijn algemene soorten mogelijk aanwezig. Hiervoor geldt de algemene zorgplicht op basis van artikel 11.27 van het Bal. Specifieke mitigerende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Alleen wanneer gewerkt wordt binnen het broedseizoen (globaal 15 maart tot 15 augustus) is een controle vooraf door een deskundige op aanwezige vogelnesten verplicht. De beoordeling door de regio-ecoloog van de Omgevingsdienst De Vallei bevestigt dat de quickscan voldoende is onderbouwd en dat geen aanvullende onderzoeken nodig zijn. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt daarmee geen belemmering voor dit plan.
5.5.3
Houtopstanden
Onder de Omgevingswet is er een bebouwingscontour houtkap. Uiterlijk in 2032 moet deze contour in het omgevingsplan staan. De bescherming van houtopstanden heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
27
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7 Wanneer een houtopstand buiten de vastgestelde bebouwingscontour houtkap ligt en niet onder de uitzonderingen valt (zie artikel 11.111 lid 2 van het Bal) is deze beschermd. Voor het kappen of rooien van een beschermde houtopstand geldt een meld- en herplantplicht (bij de provincie Gelderland). Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet. Een meld- en herplantplicht is daarom niet aan de orde.
5.5.4
Algemene en specifieke zorgplichten
Er gelden algemene en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet. De algemene zorgplichten staan in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. In het Bal staan specifieke zorgplichten in de artikelen 11.6 (voor Natura 2000-gebieden), artikel 11.27 en 11.28 (voor alle in het wild levende dieren en planten én ook rode lijstsoorten) en artikel 11.116 (voor houtopstanden). Gebiedsbescherming zorgplicht (enigszins vrij vertaald), artikel 11.6 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van Natura 2000 gebieden is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten in of nabij een Natura 2000-gebied (of bijzonder gebied) nagaat welke natuurwaarden aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op beschermd gebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.
Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Soortbescherming specifieke zorgplicht , artikel 11.27 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde soorten is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteiten nagaat welke beschermde soorten (vogels, vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijn soorten, nationaal beschermde soorten, rode lijst soorten) aanwezig zijn en wat de effecten van de activiteit kan hebben op de soort, hun vaste rust-of verblijfplaats en/of essentieel functioneel leefgebied. Wanneer er mogelijk effecten worden verwacht dient men maatregelen te nemen om negatieve effecten te voorkomen.
Tijdens en na het verrichten van de activiteit dient men na te gaan of de maatrelen effect hebben. Als blijkt dat er alsnog negatieve effecten zijn dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt en moeten herstelmaatregelen worden getroffen. Houtopstanden zorgplicht, artikel 11.116 Bal Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van beschermde houtopstand is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 28
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
Dit betekent dat de initiatiefnemer voorafgaand aan het verrichten van de activiteit nagaat of er een beschermde houtopstand aanwezig is en of die activiteit een negatief effect heeft op de beschermde houtopstand. Zorgplicht Alle in het wild levende (inheemse) dieren zijn beschermd. De werkzaamheden mogen daarom geen verstoring met zich meebrengen aan beschermde flora- en fauna. Door direct voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied en de directe omgeving te controleren op de aanwezigheid van dieren en hun de kans te bieden zich in veiligheid te brengen (of het dier in veiligheid te brengen) kunnen slachtoffers worden voorkomen. Tevens kan invulling worden gegeven aan de zorgplicht door zorgvuldig en deskundig om te gaan met materieel, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt. Vleermuizen Vleermuizen, hun verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes zijn beschermd. Het gebruik van (bouwof bewakings)verlichting gedurende de schemer en nacht kan verstoring voor vleermuizen veroorzaken. Verstoring kan worden voorkomen door geen verlichting te gebruiken gedurende de schemer en nacht. Als dit toch nodig is dan dient te verlichting zo spaarzaam mogelijk te zijn. De verlichting mag geen uitstraling buiten het plangebied op groen/bomen/water hebben en moet gebundeld naar beneden gericht zijn.
Bij voorkeur wordt amberkleurig licht gebruikt.
Conclusie Bij de uitvoering van het plan op De Pelmolen 7 dient de initiatiefnemer te handelen in overeenstemming met de algemene en specifieke zorgplichten uit de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De uitgevoerde ecologische quickscan wijst uit dat het plangebied geen beschermde soorten of leefgebieden bevat waarvoor negatieve effecten te verwachten zijn. Het plangebied ligt bovendien op ruime afstand van een Natura 2000-gebied en er zijn geen houtopstanden aanwezig die onder de beschermingsregels vallen. Met inachtneming van de zorgplichtmaatregelen – waaronder visuele controle voorafgaand aan de werkzaamheden, het zorgvuldig omgaan met flora en fauna, en beperking van verlichting in de schemerperiode – zijn er geen belemmeringen voor uitvoering van het plan. Het aspect zorgplicht vormt daarmee geen belemmering voor het plan.
5.6
Geluid
Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid, vanuit de taak van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Binnen het plan wordt de bestaande bedrijfswoning gesplitst en krijgt één woning een woonfunctie. Dit betreft daarmee een geluidgevoelig gebouw in de zin van het Bkl. Uit het advies van de Omgevingsdienst de Vallei blijkt dat nader akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. De reden hiervoor is dat bedrijven van derden reeds moeten voldoen aan de standaardwaarden op de bestaande bedrijfswoningen en dit door de functiewijziging niet verandert. Het nieuwe bedrijf ter plaatse is kleinschalig van aard (veetransport) en veroorzaakt geen relevante geluidoverlast ten opzichte van de voormalige agrarische bedrijfsvoering. De activiteit van het rijden met een vrachtwagen is vergelijkbaar met de vroegere situatie. Wel geldt dat bij functiewijziging de voormalige agrarische bedrijfsactiviteiten in beginsel ook in de afweging moeten worden betrokken.
In dit geval zijn de eigen activiteiten beperkt en wordt geen relevante geluidhinder verwacht op de nieuwe woning. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
29
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.7
Geur
Geur veehouderijen Bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt (artikel 5.92, lid 1 Bkl). Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn vastgelegd. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) maakte het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Deze verordening maakt deel uit van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Volgens de instructieregels uit het Bkl wordt getoetst aan de geurnormen op geurgevoelige gebouwen.
De definitie van geurgevoelig gebouw zoals in artikel 5.91 eerste lid Bkl, wijkt echter af van de definitie van een geurgevoelig object in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze definitie wordt tevens toegepast in de bruidsschatregels, nu onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Door de gemeente Barneveld is ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan bij inwerkingtreding van de omgevingswet. Om dit bewerkstelligen wordt bij de toetsing voor geur aangesloten bij de definitie van geurgevoelig object zoals in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en voorheen de Wgv. Onder een 'geurgevoelig object' wordt daarom verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende veehouderijen gelegen: Achterveldseweg 16 Achterveldseweg 18 Achterveldseweg 31 Kraaikamperweg 3 Beoordeling woon- en leefklimaat Voor het woon- en leefklimaat nabij een of meerdere veehouderij(en) is de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting, vanwege een nabijgelegen veehouderij, als de achtergrondbelasting, vanwege alle veehouderijen in de omgeving samen, kan een rol spelen.
Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. In dit geval is er geen veehouderij op korte afstand gelegen die met name bepalend is voor de geurbelasting; er liggen meerdere veehouderijen in de omgeving. De achtergrondbelasting is naar verwachting bepalend voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. De achtergrondbelasting is in dit gebied bedraagt maximaal 20,0 ouE/m3. In 2002 heeft de GGD een richtlijn Geurhinder opgesteld waarin een tabel is opgenomen met een beoordeling welke milieukwaliteit hoort bij een bepaald percentage geurgehinderden. Eerder al was in een ruim opgezet onderzoek door PRA Odournet onder 2000 respondenten bepaald welke percentage geurgehinderden te verwachten is bij een bepaalde geurbelasting. Deze twee gegevens samen leveren de volgende tabel op: Tabel: relatie geurbelasting – geurhinder - leefklimaat
30
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
Achtergrondbelasting geur
Mogelijke kans op geurhinder
Beoordeling leefklimaat
OuE/m³
%
1–3
<5
Zeer goed
4–8
5 – 10
Goed
9 – 13
10 - 15
Redelijk goed
14 - 20
15 – 20
Matig
21 – 28
20 – 25
Tamelijk slecht
29 – 38
25 – 30
Slecht
39 – 50
30 – 35
Zeer slecht
51 – 65
35 - 40
Extreem slecht
Uit de tabel volgt dat in het plangebied sprake kan zijn van een leefklimaat dat is te typeren als Matig. Dit is aanvaardbaar voor het buitengebied van de gemeente Barneveld. Conclusie Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Beoordeling belemmeringen ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen Vanuit de geurregels in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan geldt een afstand van 50 meter tussen een veehouderij en omliggende geurgevoelige objecten. Ook geldt ter plaatse een norm voor de voorgrondbelasting van 14,0 OuE/m3. De afstand tussen de veehouderij aan de Achterveldseweg 16 en het plangebied bedraagt meer dan 70 meter. Dit is gemeten vanaf de grens van het bouwvlak. Aan de vereiste afstand wordt voldaan. Andere veehouderijen liggen op grotere afstand van het plangebied. Omdat er alleen sprake is van ruimte- voor ruimte gevoelige objecten en gevoelige objecten met een voormalige functionele binding met een dierenverblijf, gelden alleen vaste afstanden tot aan dierenverblijven. Er hoeft niet getoetst te worden aan de voorgrondbelasting van geur. Als aan de vereiste afstanden wordt voldaan worden de ontwikkelingsmogelijkheden van de dichtstbijzijnde veehouderij niet beperkt door het voorgenomen plan. Conclusie Omdat aan de vereiste afstand wordt vormt dit plan geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen.
5.8
Gezondheid
De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen/functies (bijvoorbeeld wonen, scholen en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
31
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Conclusie Het plangebied bevindt zich niet in de invloedssfeer van geitenhouderijen. Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor dit plan.
5.9
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Deze is opgenomen in artikel 5.129g van het Bkl. In het artikel is primair bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. In artikel 8.0b Bkl is bepaald dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De nieuwe ladder onder de Omgevingswet verschilt inhoudelijk niet van de ladder zoals deze onder het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid) luidde. Nieuw is dat 'rekening gehouden moet worden met' de ladderplicht in het omgevingsplan en bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. De ontwikkeling van een kleinschalig niet-agrarisch bedrijf en een functieverandering naar 'Wonen' valt niet onder 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
5.10
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit plan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan. .
32
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
5.11
Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De aanvraag moet beoordeeld worden op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. Voor vergunningplichtige (milieubelastende) activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2. Luchtkwaliteit (fijnstof vanuit veehouderijen) Het plangebied is gelegen in een aandachtsgebied voor fijnstof (PM10) vanuit veehouderijen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor fijnstof. Er is getoetst of ter plaatse van de gevoelige functie aan de rijksomgevingswaarden kan worden voldaan. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende veehouderijen.
Resultaten & beoordeling In de omgeving liggen binnen een straal van 500 meter veehouderijen met een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar), aan de Achterveldseweg 16 en Kraaikamperweg 3. Met het verspreidingsmodel ISL3a is berekend wat de invloed hiervan is op de totale concentratie fijn stof op de omgeving. De resultaten van de berekening staan in onderstaande tabel. Resultaten fijnstof berekening
Conclusie Er wordt aan de grenswaarden voldaan. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is aanvaardbaar.
5.12
Milieueffectrapportage
Een milieueffectenrapportage (hierna: mer) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. In afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is de regelgeving rondom de mer opgenomen. In afdeling 16.4 van de Ow wordt onderscheid gemaakt in de plan-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.1) en de project-mer(beoordeling) (paragraaf 16.4.2). Uit Bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen: in kolom 1 staan de projecten opgesomd; in kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is; in kolom 3 staan de gevallen waarin de project-beoordelingsplicht geldt; in kolom 4 staan besluiten waarvoor de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. Er zijn drie sporen waarlangs de plan-mer aan de orde is: 1. een plan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een mer-(beoordelings)plichtige project genoemd in Bijlage V van het Ob (artikel 16.36, lid 1 Ow); 2. er is voor het plan/programma een passende beoordeling voor natuur nodig zoals bedoeld in artikel "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
33
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7 16.53c Ow (artikel 16.36, lid 2 Ow); 3. een plan of programma anders dan genoemd onder punt 1, heeft mogelijk toch aanzienlijke milieueffecten (artikel 16.36, lid 4 Ow). Dit artikel is een vangnet voor activiteiten die niet genoemd zijn in Bijlage V van het Ob. Wanneer een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of een plan maakt een kleine wijziging mogelijk, dan kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36, lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. Bij een mer-beoordeling oordeelt het bevoegd gezag of er sprake is van aanzienlijke milieugevolgen aan de hand van de criteria van bijlage III bij de EU-richtlijn Milieueffectbeoordeling. Ad 2: Passende beoordeling Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.5) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-mer-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling is hier niet aanwezig. Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor dit plan.
5.13
Milieuzonering
Om milieubelasting bij gevoelige gebouwen door milieubelastende activiteiten te voorkomen, is een goede afstemming onder de Omgevingswet noodzakelijk. Ten aanzien van milieubelastende activiteiten geldt als uitgangspunt dat nieuwe gevoelige gebouwen, zoals woningen, niet onevenredig worden belast door omliggende activiteiten die geur, geluid of andere hinder kunnen veroorzaken. Andersom geldt ook dat de vestiging van nieuwe woningen nabij bestaande milieubelastende activiteiten niet mag leiden tot een beperking van die activiteiten. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat rijksregels voor milieubelastende activiteiten, die in het omgevingsplan kunnen worden aangevuld. De algemene zorgplicht (artikel 1.7 Ow) en het algemene verbod op nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (artikel 1.7a Ow) zijn altijd van toepassing. De handreiking Activiteiten en milieuzonering (VNG, 2024) biedt een kader voor het bepalen van aan te houden afstanden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. Deze handreiking is gebaseerd op het voorkomen van hinder en biedt specifieke afstanden op basis van milieucategorieën. Beoordeling Het plangebied betreft een voormalig agrarisch erf dat zijn functie verliest als intensieve veehouderij. De agrarische bedrijfsactiviteiten worden beëindigd en de bestaande stallen worden gesloopt.
Er wordt een loods met overkapping gerealiseerd ten behoeve van een niet-milieubelastende functie (zoals opslag of werkruimte zonder milieuhinder). Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning gesplitst ten behoeve van een extra woonfunctie. De nieuwe woonfunctie en loods zijn intern op het erf gesitueerd, waarbij geen sprake is van directe nabijheid tot andere milieubelastende bedrijven of bedrijventerreinen. In de directe omgeving zijn geen bedrijven aanwezig waarvoor op basis van de VNG-handreiking afstandsnormen in acht moeten worden genomen. De functiewijziging leidt per saldo tot een afname van de milieubelasting ter plaatse. Er wordt dus niet voorzien in een situatie waarin gevoelige gebouwen worden geplaatst binnen de milieuzone van een bestaand bedrijf, noch worden omliggende bedrijven in hun milieuruimte beperkt. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
34
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
5.14
Natuur en landschap
Bij ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied staat een zorgvuldige inpassing in het landschap centraal. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van de provinciale Omgevingsverordening Gelderland en de gemeentelijke beleidskaders, waarin de bescherming en versterking van kernkwaliteiten van het landschap is vastgelegd. Kernkwaliteiten De kernkwaliteiten van het landschap (zie paragraaf 4.3.1.2) vormen het toetsingskader. Nieuwe functies en bebouwing worden zodanig ingepast dat deze kernkwaliteiten behouden blijven of – waar mogelijk – worden versterkt. Aanwezig groen Binnen en rondom het plangebied zijn groenstructuren aanwezig, zoals singels, houtwallen of groenstroken. Deze dragen bij aan de herkenbaarheid en kleinschaligheid van het landschap en vormen ecologische verbindingen. Bij de planuitwerking wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande groenstructuren. Bos Indien binnen of direct grenzend aan het plangebied bos aanwezig is, wordt hiermee rekening gehouden. Bos heeft een belangrijke landschappelijke en ecologische functie. Bestaand bos wordt behouden en vormt een natuurlijke rand of achtergrond voor de ontwikkeling. Landbouwgebied Het plangebied maakt deel uit van een agrarisch landschap, waar openheid en grootschalig grondgebruik kenmerkend zijn.
Bij de ontwikkeling wordt rekening gehouden met het contrast tussen open agrarisch gebied en meer besloten groenelementen. Dit voorkomt aantasting van de ruimtelijke kwaliteit van het landbouwlandschap. Landschappelijke inpassing De ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast door middel van beplanting die aansluit bij de gebiedseigen soorten. Hierbij kan worden gedacht aan erfbeplanting, singelbeplanting of het versterken van bestaande houtwallen en groenstroken. Het doel is dat de nieuwe functie wordt opgenomen in het bestaande landschap en de overgang naar omliggende gronden geleidelijk en natuurlijk verloopt. Landschappelijk waardevol groen In of nabij het plangebied aanwezige landschappelijk waardevolle groenelementen – zoals oude bomenrijen, laanstructuren of karakteristieke solitaire bomen – worden zoveel mogelijk behouden. Indien behoud niet mogelijk is, wordt compensatie gezocht door middel van nieuwe aanplant die past binnen de landschappelijke structuur. Conclusie De ontwikkeling houdt rekening met de kernkwaliteiten van het landschap en voorziet in een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Het aanwezige groen, bos en agrarisch gebied worden gerespecteerd en waar mogelijk versterkt. Daarmee wordt het ruimtelijk en ecologisch functioneren van het landschap behouden en verbeterd.
5.15
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de nieuwe activiteit de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises wordt gewaarborgd. Daarbij gaat het over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt onder andere door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige functies (risicovolle) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
35
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
5.15.1 Externe veiligheid De hoofdlijnen van het wettelijk kader over externe veiligheid zijn opgenomen in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de (uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) verschillende milieubelastende) activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) en buisleidingen met gevaarlijke stoffen én windturbines. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s bij risicovolle activiteiten uit het Bal om rekening te houden met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Deze aandachtsgebieden worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid. Binnen de aandachtsgebieden moet bij de vergunningverlening rekening worden gehouden met het groepsrisico (aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) kunnen gelden bij het risico van brand, explosies of gifwolken). Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen gebouwen en locaties toe te laten. Deze zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.
In een planontwikkeling dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn/worden toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Bbl. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Plaatsgebonden Risico (PR) en Groepsrisico (GR) Het plaatsgebonden risico is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Het Groepsrisico is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit.
Voor een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied moet ingegaan worden op het groepsrisico en dient het groepsrisico te worden verantwoord. Hierbij dient ingegaan te worden op de effectscenario's en dienen maatregelen te worden afgewogen. Een hulpmiddel hierbij is het handboek omgevingsveiligheid. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen en Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Voor bepaalde trajecten binnen het basisnet dient niet alleen gekeken te worden naar risicoplafonds, maar ook naar zogeheten plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt.
Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.
36
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
5.15.2 Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect.
5.15.3 Te treffen maatregelen Er moeten (veiligheids-)maatregelen getroffen worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan de "Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid", het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Er worden eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de functie.
Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. Toetsing planontwikkeling Bij de verdere uitwerking van het bouw- en inrichtingsplan wordt getoetst of wordt voldaan aan de gestelde eisen met betrekking tot bereikbaarheid, bluswatervoorzieningen en opkomsttijden. Op basis van de huidige planvorming zijn er geen aanwijzingen dat de brandveiligheid of bereikbaarheid van hulpdiensten in het geding komt. Er worden in de vervolgfasen passende maatregelen getroffen.
5.15.4 Veiligheidszone - Bal Binnen de grenzen van het plangebied is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), met name in paragraaf 3.4.2 en 4.29, zijn veiligheidsafstanden opgenomen die in acht moeten worden genomen tussen enerzijds kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten en anderzijds risicovolle activiteiten, waaronder een gasdrukmeet- en regelstation. Voor een gasdrukmeet- en regelstation geldt bijvoorbeeld een veiligheidsafstand van 6 meter ten opzichte van een woning. Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zijn omschreven in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit betreft onder meer woningen, ziekenhuizen en andere gebouwen waar personen langdurig verblijven. Liander heeft op 21 mei 2024 aangegeven geen belangen te hebben in het plangebied. Er zijn derhalve geen gasdrukmeet- en regelstations of andere relevante risicobronnen aanwezig. Er hoeven in dit plan geen specifieke veiligheidsafstanden te worden opgenomen. 5.15.5 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het plan zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die aanleiding geven tot het opnemen van veiligheidszones of aanvullende mitigerende maatregelen. De veiligheid van personen in de omgeving is gewaarborgd.
De borging vindt plaats via de planregels, waarin onder andere is vastgelegd dat uitsluitend functies mogelijk zijn die passen binnen de kaders van het externe veiligheidsbeleid. Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
37
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
5.16
Ontplofbare oorlogsresten
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat de planlocatie niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten. Conclusie Het aspect 'Ontplofbare Oorlogsresten' vormt geen belemmering voor dit plan.
5.17
Trilling
Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Voor de ontwikkeling aan De Pelmolen 7 is geen sprake van een activiteit die trillingen veroorzaakt of mogelijk maakt. De locatie ligt bovendien niet in de nabijheid van een spoorweg of ander brongebied zoals opgenomen in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Er is dan ook geen aanleiding voor aanvullend onderzoek naar trillingsbelasting of hinder als gevolg van externe of interne bronnen. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van dit plan.
5.18
Verkeer
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoort ook een zorgvuldige beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. Voor een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat nieuwe functies geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben en dat de verkeersveiligheid en doorstroming gewaarborgd blijven. Tevens moet worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen, afgestemd op het beoogde gebruik. De locatie ligt aan een bestaande erfontsluitingsweg binnen een gemengd buitengebied. De ontwikkeling betreft de beëindiging van een agrarische functie en de realisatie van een woonfunctie, in combinatie met een kleinschalige niet-agrarische bedrijfsactiviteit. De verwachte verkeersgeneratie is beperkt en past binnen de capaciteit van de bestaande infrastructuur. Er is sprake van een overzichtelijke verkeerssituatie met een veilige ontsluiting op het bestaande wegennet. Voor de ontwikkeling geldt de parkeernorm zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen gemeente Barneveld 2020. Voor een woning worden drie parkeerplaatsen vereist. Voor het niet-agrarisch gebruik geldt maatwerk, afhankelijk van het type en de intensiteit van het beoogde bedrijf. Op het ruime erf is voldoende plaats om zowel het woongebruik als de bedrijfsfunctie van adequate parkeergelegenheid op eigen terrein te voorzien.
Ten minste zes parkeerplaatsen worden gerealiseerd voor de woningen, waarmee aan de norm wordt voldaan. Conclusie De ontwikkeling aan leidt niet tot verkeerskundige knelpunten. Er is sprake van een veilige ontsluiting, een aanvaardbare verkeersgeneratie en voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Het aspect verkeer en parkeren vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
38
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
5.19
Weging van het waterbelang
Nederland is een waterrijk land. Bouwen in of nabij watergangen, beschermingszones of overstromingsgevoelige gebieden vereist zorgvuldige afwegingen. Bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet de gemeente de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit de instructieregels van paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van artikel 5.37 Bkl moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De wijze waarop de waterbeheerder wordt betrokken is vormvrij, maar de gemeente moet kunnen motiveren dat het waterbelang is meegewogen. De planlocatie ligt aan de Barneveldsebeek. In de ontwikkeling krijgt de beek meer ruimte. De nieuwe situatie resulteert in een afname van het verhard oppervlak ten opzichte van het voormalige agrarisch gebruik. De resterende verharding wordt gecompenseerd met een infiltratievoorziening in de vorm van een vijver.
Uit de afstemming blijkt dat: alleen de toegevoegde verharding hoeft te worden gecompenseerd; de woning blijft staan en hoeft niet in de bergingsberekening te worden meegenomen; de vijver tot circa 40 cm onder maaiveld kan infiltreren en pas daaronder wordt beperkt door de betonrand; er voldoende buffercapaciteit is om neerslag te bergen en te laten infiltreren; bij overcapaciteit water kan overstromen naar een nabijgelegen beek; de gemeente akkoord is met het plan, mits uitgevoerd zoals beschreven. Conclusie Het waterbelang is op zorgvuldige wijze meegewogen. De waterhuishoudkundige situatie is passend en uitvoerbaar binnen de bestaande context. Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan en voldoet aan artikel 5.37 van het Bkl.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
39
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
Hoofdstuk 6
Juridisch aspecten
6.1
Wijziging omgevingsplan
6.1.1
Omgevingsplan van rechtswege
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van gemeente Barneveld van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In de Bruidsschat zitten onder andere regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van de artikelen 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. 6.1.2
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).
40
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
6.1.3
Werkingsgebied
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Barneveld. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling aan de Pelmolen 7 in Barneveld (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan nauwelijks wordt afgeweken van de bruidsschat. Op de onderdelen waar dit wel gebeurt (bijvoorbeeld reken- en meetbepalingen) zijn specifieke voorrangsbepalingen opgenomen (zie Artikel en Artikel 2) . Daarnaast is er een toepassingsbereik-bepaling opgenomen in het plan waarmee geregeld wordt dat de nieuwe regels voorrang hebben als ze in strijd zijn met de oude regels (Artikel 3).Een TAM-omgevingsplan zorgt er namelijk niet automatisch voor dat de oude regels op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan komt te gelden, komen te vervallen. Ook is een plankaart van het wijzigingsgebied van het plan niet direct onderdeel van het omgevingsplan. Daarvoor zijn er in dit plan ook bepalingen opgenomen die dit borgen. De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de Pelmolen 7 in Barneveld, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.TAMOP0024-0002 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
41
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
6.2
Artikelsgewijze toelichting functies
6.2.1
Terugkerende thema's
6.2.1.1
Functieverandering
De verwachting is dat de komende jaren veel agrarische bedrijven zullen stoppen. Er komen veel stallen en andere bedrijfsgebouwen leeg te staan. De gemeente wil aan deze gebouwen een nieuwe passende functie kunnen geven. Hierbij kan worden gedacht aan nieuwe woningen, diverse vormen van bedrijvigheid, recreatieve of maatschappelijke functies en verbredingsmogelijkheden voor wonen en werken. Een belangrijk doel bij functieverandering is dat er nieuwe ruimtelijke kwaliteiten worden gerealiseerd, waardoor ruimtelijke en maatschappelijke winst ontstaat. Dit gebeurt door investeringen in de kwaliteit van het buitengebied. Die investeringen lopen via het Ontwikkelingsfonds Platteland en hebben betrekking op landbouw, natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, milieu en water, recreatie en sociaaleconomische revitalisering. De middelen uit dit fonds moeten aan meerdere doelen en thema’s worden besteed zodat een evenwichtig plattelandsontwikkelingsprogramma wordt opgebouwd en uitgevoerd.
6.2.1.2
Mantelzorg
In het voorliggende plan is voor zowel woningen, als bedrijfswoningen een afwijkingsmogelijkheid opgenomen waarmee een tweede zelfstandige wooneenheid voor mantelzorg mogelijk wordt gemaakt. De afwijkingsmogelijkheid is gekoppeld aan onder andere een sloopeis. De voorwaarden staan beschreven in de activiteit bouwen, in stand houden en gebruik van bouwwerken (en gronden).
6.2.1.3
Aan huis verbonden beroepen of kleinschalig bedrijf, bed & breakfast
Binnen zowel woningen als bedrijfswoningen is onder voorwaarden een aan huis verbonden beroep of kleinschalig bedrijf en/of bed & breakfast bij recht toegestaan. Bij de relevante functies staan de voorwaarden beschreven. De bewoner van de woning mag in de woning een aan huis verbonden beroep, kleinschalig bedrijf (bijvoorbeeld een praktijk- of kantoorruimte) en/of bed & breakfast uitoefenen. In totaal mag hiervoor worden gebruikt maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning, met een maximum van 60 m2. Bij een kleine woning geldt een maximum van 35 m2. De oppervlakte is beperkt om te garanderen dat deze functies ondergeschikt zijn en blijven aan de hoofdfunctie wonen. Om overlast en hinder te voorkomen zijn activiteiten waarvoor een melding of vergunning op basis van de milieuwetgeving vereist is, niet toegestaan. De gemeente wil met deze voorwaarden voorkomen dat er nieuwe bedrijven ontstaan in het buitengebied. Via een afwijking van de gebruiksregels mag een aan huis verbonden beroep of bedrijf en bed & breakfast ook in een bijgebouw worden gerealiseerd. Ter voorkoming van het ontstaan van een zelfstandige wooneenheid wordt geen keukenblok toegestaan in een bed & breakfast. Een keukenblok wordt niet noodzakelijk geacht voor een bed & breakfast, omdat de verzorging van bed & breakfast zich beperkt tot logies en ontbijt.
Ook wordt hiermee de kans op permanente bewoning tegengegaan.
6.2.1.4
Paardrijbakken
Bij de woning is een paardrijbak (onoverdekte rijbak) voor privé- en hobbymatig gebruik door de bewoners toegestaan. De afmeting van de paardrijbak bedraagt maximaal 20 bij 40 meter. De paardrijbak is toegestaan binnen de locatie waaraan de functie is toebedeeld en/of functiegebieden waarin een woning of een bedrijfswoning is toegestaan. Een paardrijbak is onder voorwaarden ook toegestaan aansluitend aan het functiegebied waarin de woning zich bevindt. Een paardrijbak die aansluitend aan een functiegebied wordt gerealiseerd ligt in de functie 'agrarische bedrijven'. De voorwaarden die gelden voor een paardrijbak in de functie 'agrarische bedrijven' staan dan ook vermeld in de regels over het gebruik van grond als paardrijbak in het 42
"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7 buitengebied. De paardrijbak moet achter de voorgevelrooilijn worden aangelegd. Om hinder naar buren te voorkomen of te beperken is de minimale afstand tussen de paardrijbak en een woning van een derde minimaal 50 meter. Via een afwijking van de bouwregels is het mogelijk de paardrijbak voor de voorgevelrooilijn te plaatsen. Voorwaarde is dat de belangen van gebruikers/eigenaars van aanliggende gronden niet onevenredig worden geschaad en dat er geen onevenredige aantasting van de milieusituatie plaatsvindt. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat het woon- en leefklimaat (geur, geluid, stof en dergelijke) niet verslechtert en dat wordt voldaan aan de geldende milieuregels. Ook moet rekening worden gehouden met de aanwezige landschapswaarden.
6.2.1.5
Zonnecollectoren
Op basis van nationale wetgeving is het mogelijk om zonnecollectoren op daken te plaatsen. In het buitengebied van de gemeente Barneveld wil de gemeente ook het plaatsen van zonnecollectoren op maaiveld in (beperkte vorm) mogelijk maken. Dit wordt gedaan om een mogelijkheid te bieden voor situaties waarin het plaatsen zonnecollectoren op het dak niet gewenst is. Hierbij kan gedacht worden aan monumentale gebouwen en/of gebouwen met een rieten dak. Het voorliggende plan biedt mogelijkheden om met voorwaarden bij recht zonnecollectoren te realiseren. Daarnaast bevat het plan een mogelijkheden voor het bouwen van zonnecollectoren op onbebouwde agrarische grond aansluitend aan een functievlak voor bijvoorbeeld de functie 'Wonen'. Hierbij worden eisen gesteld aan zowel de plaats van de zonnecollectoren als de landschappelijke inpassing van deze zonnecollectoren. Bij agrarische bedrijven geldt dat het plan flexibiliteitsbepalingen bevat waarmee de vorm en/of de grootte van de functie kan worden aangepast, die ook kan worden gebruikt voor het plaatsen van zonnecollectoren. Wat betreft de bouwregels worden zonnecollectoren beschouwd als overige bouwwerken geen gebouw zijnde. Dit betekent onder andere dat zonnecollectoren buiten een bouwvlak maximaal 3 meter hoog mogen zijn.
6.2.1.6
Recreatief medegebruik
Niet alle dagrecreatieve activiteiten vinden plaats op een vaste locatie. Wandelen, fietsen, skeeleren en paardrijden kan in het gehele plangebied. In de functies ('agrarische bedrijven', 'paardenhouderij' en 'natuur in buitengebied') is het extensieve recreatieve medegebruik bij recht toegestaan. Deze activiteiten zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving. Activiteiten als boerengolf, paintball en gemotoriseerde sporten (zoals quads, crossmotoren en dergelijke) zijn niet toegestaan om zo de verstoring in de genoemde (natuur)gebieden beperkt te houden.
6.2.1.7
Normaal beheer, onderhoud en gebruik
Voor werken en werkzaamheden die bij het normale onderhoud, gebruik en beheer behoren, is geen omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) nodig. Onder normaal beheer, onderhoud en gebruik wordt verstaan beheer, onderhoud en gebruik die gelet op de toegekende functie, regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer, een goed onderhoud en een goed gebruik van de gronden en van de gebouwen die tot de betreffende functies behoren. Bij de functie agrarische bedrijven zijn dat bijvoorbeeld werkzaamheden die inherent zijn aan de productie op basis van de huidige cultuur/productiewijze van het bedrijf (veehouderij, akkerbouw, et cetera). Het betreffen werkzaamheden die als onderdeel van de bedrijfsvoering met regelmaat (periodiek, bijvoorbeeld jaarlijks) worden uitgevoerd. Echter, voor werkzaamheden op het agrarisch bouwvlak (of een ander bebouwd perceel, zoals bij een woning of een bedrijf) geldt voor sommige werken of werkzaamheden wel het vereiste van een omgevingsvergunning. Het gaat dan vooral om ingrepen die de archeologische waarden kunnen verstoren of die een grote landschappelijke impact kunnen hebben, zoals het aanleggen van aarden wallen. Het is wel van belang dat andere regelingen zich niet verzetten tegen een ingreep, zoals bijvoorbeeld een beheersovereenkomst.
Ook moeten soms ontheffingen op basis van de regels met betrekking tot natuur en natuuractiviteiten (BKL en Bal) worden verleend. Dit soort wettelijke verplichtingen zijn altijd van toepassing, onafhankelijk van de regeling in dit plan. "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7" (vastgesteld)
43
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x De Pelmolen 7
6.2.2
Functie landelijke niet-agrarische bedrijven