Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012_Toelichting
Tekst van het document
Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.4.1.3
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Een herplantplicht is niet aan de orde. 5.4.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones
Het plangebied ligt deels binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt deels in het GNN en de GO. Voor de toetsing wordt verwezen naar 4.3.1.2. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.5
Externe veiligheid
Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. "Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
29
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012
In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'.
Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet.
Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid' vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.6
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en 30
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012 bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. Het onderhoudsgebouw betreft geen nieuw geluidsgevoelig gebruik omdat dit enkel opslag betreft. Akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.7
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.
Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.8
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwik keling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, "Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
31
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012 onder i van het Bro). De ontwikkeling van een onderhoudsgebouw valt niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Conclusie Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.9
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie De aspecten leidingen en laagvliegroutes vormen geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.10
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.11
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.
Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op 32
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012 basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn.
Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Toetsing In dit geval is het bestemmingsplan / de activiteit niet via dit spoor m.e.r.-plichtig want de activiteit komt niet voor op de lijst in onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Daarnaast heeft toetsing aan de in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn opgenomen criteria uitgewezen dat er geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen, zodat een m.e.r. achterwege kan blijven. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.4) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer).
Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn). Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.12
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In de nabijheid van de Rijksweg 124 liggen geen bedrijven die een belemmering kunnen vormen. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere "Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
33
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012 woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Dit plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Liander heeft op 11 december 2023 aangegeven geen belangen in het gebied (zowel Rijksweg 124 als de Leemweg ongenummerd) te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan.
5.13
Natuur en landschap
Het onderhoudsgebouw aan de Rijksweg 124 wordt op een bestaand (woon)erf binnen Landgoed Meerveld gerealiseerd waar al veel groen aanwezig is. Gezien de huidige groene ligging is extra landschappelijke inpassing niet nodig. Het huidige groen blijft dan ook behouden. Tevens hoeft er geen versterking in de kernkwaliteiten van het landschap plaats te vinden vanwege de vrijstelling voor landgoederen. Wel moet er voldoende rekening gehouden worden met natuurinclusief bouwen en de biodiversiteit. Het nieuwe gebouw betreft een open loods, waardoor het gebouw nestgelegenheden zal bieden. Daarnaast wordt er met de verlichting van het gebouw rekening gehouden worden met de omliggende natuur door deze naar beneden te richten en geen uitstraling te laten hebben op de omliggende bomen en struiken. Hiermee wordt lichtvervuiling tegengegaan, wat onder andere positief is voor vleermuizen. Wat betreft de Leemweg ongenummerd wordt enkel de bestemming aangepast naar 'Natuur'. Er worden verder geen verplichtingen vastgelegd voor wat betreft de fysieke invulling van het perceel. Conclusie Het aspect natuur en landschap vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.14
Ontplofbare oorlogsresten
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat de Rijksweg 124 niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop het plangebied is te zien.
Afbeelding 5.2: Uitsnede Rijksweg 124 op OO-belastingkaart
De locatie is onverdacht voor Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Verder onderzoek naar explosieven is niet nodig. Conclusie
34
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012 Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor het plan.
5.15
Veiligheid en gezondheid
Veiligheid Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid' een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen.
De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Conclusie Het plan voorziet niet in het realiseren van een hindergevoelige functie. Het aspect veiligheid en gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
35
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012
5.16
Verkeer
Het betreft een relatief kleinschalige wijziging op een reeds bestaand (woon)erf. De bestaande ontsluiting blijft hierbij behouden. De dienstauto en de machines worden in het onderhoudsgebouw zelf gestald en het perceel is verder ruim genoeg om de verdere parkeerbehoefte zelf op te vangen. De ontwikkeling zelf zal ook geen onaanvaardbare effecten hebben op de verkeerssituatie in de omgeving. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.17
Water
Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op het grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Het behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Waterbeleid BOP 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe Het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) is het waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe voor de planperiode 2022-2027. Het gebied, de maatschappelijke thema's en samenwerking met partners zijn meer centraal gezet dan in voorgaande waterbeheerprogramma's. Het waterbeheerprogramma is een kerninstrument onder de omgevingswet en bevat naast de verplichte onderdelen van het programma (zoals Kader Richtlijn Water (KRW), Richtlijn Overstromings Risico's (ROR), zwemwaterrichtlijn) ook een niet verplicht deel.
Het BOP is daarmee het wettelijk instrument van het waterschap om de doelen voor de middellange termijn vast te leggen. In het BOP worden doelen uit de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050) doorvertaald naar gebiedsgerichte doelen. De hoofddoelen van het BOP zijn hieronder kort beschreven. Waterveiligheid Een zo goed mogelijke bescherming tegen overstromingen volgens de wettelijke normen. Watersysteem Een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Wonen en zuiveren Een robuust proces voor het verwerken van extreme neerslag en inzameling van stedelijk en industrieel afvalwater in bebouwd gebied, tot aan het lozen van effluent in het watersysteem. Circulaire economie Volledig circulair opereren in 2050 door anders om te gaan met grondstoffen en goed samen te werken met partners en de omgeving. Energietransitie Het eerste energieneutrale waterschap van Nederland worden om een voorbeeld te zijn op het gebied van de energietransitie. Waterplan Barneveld 2005 - 2025 en Hemelwaterplan 2017 - 2020 Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem.
De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. 36
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012 Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. Huidige situatie Op de planlocatie van de Rijksweg 124 in Terschuur is het landgoed Meerveld gevestigd. Een woning met diverse bijgebouwen. Het vuilwater is aangesloten op drukriool. Om het perceel liggen een aantal omliggende C-watergangen. Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt er een extra nieuwe loods gerealiseerd. Deze zal worden gebruikt als onderhoudsgebouw voor het landgoed. Hierdoor treed er een toename aan verhard oppervlak op van totaal 336 m². Het hemelwater van nieuw te bouwen loods wordt op eigen terrein doormiddel van infiltratiekratten opgevangen (totaal 10,1 m³). De overloop van de infiltratiekratten vindt plaats via de C-watergang deze wordt voorzien met uitstroomvoorziening. Om grondwateroverlast te voorkomen is het advies om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te bouwen. Bij de realisatie van de woning en de bijgebouwen uit duurzaamheidsoogpunt bij voorkeur geen uitlogende bouwmaterialen gebruiken. De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap.
Afbeelding 5.3: Waterhuishouding voor onderhoudsgebouw Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
37
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 6 6.1
JURIDISCHE ASPECT EN
Inleiding
Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.
6.2
Inleidende regels
Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Met voorliggend plan wordt er tevens aan het begrip 'onderhoudsgebouw' een kleine herziening doorgevoerd in die zin dat de definitie uitgebreid wordt met dat een onderhoudsgebouw (naast voor landgoederen) ook gebruikt kan worden ten behoeve van natuurbeheer. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik.
6.3
Bestemmingsregels
In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Op de in dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemming 'Wonen' na, worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. Tevens is de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" op de locatie Rijksweg 124 gewijzigd in die zin dat het het bestemmingsvlak 'Wonen' is aangepast door het huidige bestemmingsvlak te verkleinen en een nieuw vlak ten noorden hiervan op te nemen, waarbij de twee bestemmingsvlakken middels een relatie planologisch aan elkaar verbonden zijn. Binnen het nieuwe vlak ligt er ter plaatse van de nieuw te realiseren onderhoudsgebouw de functieaanduiding 'specifieke vorm van bos onderhoudsgebouw' en de maatvoeringsaanduidingen voor een maximale oppervlakte van 375 m², een maximale goot- en bouwhoogte van 4.2 en 7.5 meter. Ter plekke van het verwijderde deel van de huidige woonbestemming komt de bestemming 'Natuur' en in het plangebied zijn een tweetal gebiedsaanduidingen met betrekking tot voorwaardelijke verplichtingen opgenomen met betrekking tot de sloop van bebouwing en de realisatie en instandhouding van het inrichtingsplan.
Op de locatie Leemweg ongenummerd (ten westen van 6) is de verbeelding van "Buitengebied 2012" gewijzigd in die zin dat de woonbestemming en de omliggende agrarische bestemming omgezet is naar de bestemming 'Natuur' en de drie geldende voorwaardelijke verplichtingen zijn komen te vervallen. Alle herzieningen zijn opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP). Dit is een landelijke norm die onderdeel uitmaakt van de 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening'.
38
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012
Zie verder de toelichting bij het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Hieronder volgt een nadere uiteenzetting van enkele specifieke onderdelen van de partiële herziening.
6.4
Algemene regels
In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen. 6.4.1
Schakelbepaling
In Artikel 5 van de regels bij deze partiële herziening is een schakelbepaling opgenomen, waarin nader is aangegeven wat er in de regels en op de verbeelding verandert. Dit is ook in paragraaf 6.2 en 6.3 van de toelichting van dit plan toegelicht. 6.4.2
Algemene aanduidingsregels
De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De volgende soorten gebiedsaanduidingen zijn toegepast: 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 1' 'overige zone - voorwaardelijke verplichting 2' 6.4.2.1
Voorwaardelijke verplichting
Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die verband houdt met de sloop van enkele gebouwen en de realisatie en instandhouding van het inrichtingsplan op het perceel Rijksweg 124.
6.5
Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.
6.6
Handhaving
De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder "Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
39
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012 preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom. In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen.
In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.
40
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 7
ECONOM ISCHE UIT VOERBAARHEID
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
41
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012
Hoofdstuk 8 OVERLEG EN M AAT SCHAPPELIJKE UIT VOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op DATUM in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.
8.1
Participatie
Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld. Het beleid onderscheidt drie sporen: 1. Participatie bij ruimtelijke initiatieven; 2. Participatie bij initiatieven van de overheid; 3. Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. Het beleid is in werking getreden op 1 januari 2023, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet (op 1 januari 2024). In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.
Meeweten | informeren Meedenken | raadplegen Meewerken | adviseren Meebepalen | co-creatie
In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven van het beleid relevant en trede 1 van de participatieladder. Het betreft enkel kleinschalige ontwikkelingen waarbij gezien de ontwikkelingen zelf en de locaties waar deze plaatsvinden er niet echt omwonenden zijn die hier veel van zullen merken. Bij spoor 1 is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de participatie. Zolang spoor 1 niet in werking is getreden, stimuleren we als gemeente participatie en veel initiatiefnemers passen participatie ook toe. Doordat er momenteel nog geen verplichting voor participatie geldt is er ook niet actief gevraagd naar de wijze van participatie door de initiatiefnemer.
8.2
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In artikel 1.1.1, derde lid Bro is bepaald dat in hoofdstuk 3 van het Bro onder een bestemmingsplan (zo ook een partiële herziening) mede een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a van de Wro wordt begrepen. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Voor dit plan is aansluiting gezocht bij het Functieveranderingsbeleid Regio Food Valley 2016. Hoewel het plan op sommige aspecten iets afwijkt van het beleid (zoals beschreven in paragraaf 4.4.1) kan alsnog 42
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012 geconcludeerd worden dat er hier geen provinciale belangen in het geding zijn die om vooroverleg vragen. Verder is er geen sprake van provinciale belangen, zodat ook is afgezien van vooroverleg met de provincie Gelderland. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan derhalve worden afgezien van overleg in door de provincie en het Rijk aangegeven gevallen. Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Ook belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding.
8.3
Inspraak
De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan.
8.4
Zienswijzen
Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn er geen reacties ingediend.
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
43
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012
44
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlagen bij de toelichting
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
45
Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012
Bijlage 1 Stikstofberekening Rijksweg 124
46
"Rijksweg-Leemweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)
Stikstof-depositieberekeningen sloop en bouwen werktuigenloods Locatie: Rijksweg 124 Terschuur
Struikhoeve Advies BV Struikweg 8 6732 DE Harskamp
30-11-2023
Opgesteld door: Ir. F.C.A. van den Tempel Tempel-advies
Tempel
ADVIES
Engweg 26 6741 CZ Lunteren Tel. 0318-478807 Email: tempeladvies@planet.nl Internet: www.tempeladvies.nl
1.
Inleiding
Initiatiefnemer wil op de locatie Rijksweg 124 in Terschuur drie oude bijgebouwen slopen en een nieuwe werktuigenberging terugbouwen. Er wordt 200 m2 gesloopt en 375 m2 teruggebouwd. Met de gemeente is een principeakkoord bereikt over dit plan waarvoor ook sloopmeters van elders moeten worden betrokken. Voor het project is een omgevingsvergunning nodig. De gemeente vraagt daarbij een stikstofrapportage om er zeker van te zijn dat Natura2000-gebieden geen nadelige gevolgen ondervinden van de wijzigingen. Aangetoond moet worden dat de sloop en bouw niet meer stikstofdepositie oplevert dan de referentiesituatie. Dit wordt de bouwfase genoemd. Na afronding van de bouwfase volgt de gebruiksfase. In de gebruiksfase is er alleen sprake van opslag van materieel, zoals ook in de huidige situatie het geval is. Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd op de locatie. De hoeveelheid vervoersbewegingen wijzigen niet ten opzichte van de huidige vervoersbewegingen. Een stikstofdepositieberekening voor de gebruiksfase is daarom niet aan de orde. Deze rapportage voorziet in de vereiste stikstofberekening van de sloop- en bouwfase.
Te slopen opstallen 1
2.
Locatie en plan
Op de onderstaande plattegronden is weergegeven waar de locatie van het project zich bevindt. De bouwplaats ligt ca 2 kilometer ten noordoosten van Terschuur en ca 1,5 kilometer te noordwesten van industrieterrein Harselaar. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura2000-gebied betreft ‘De Veluwe’. Dit ligt ten oosten van de locatie op ca. 7 kilometer afstand.
2
3. Wijzigingen op de locatie Op onderstaande plattegrondtekeningen wordt het beeld van de oude en nieuwe bedrijfssituatie weergegeven. Bestaande situatie
Beoogde situatie
Drie bestaande opstallen zullen worden gesloopt. In de plaats hiervan komt er een nieuwe loods van 375 m2.
3
4. Stikstofberekening slopen en bouwen Sinds november 2022 is de bouwvrijstelling niet meer van toepassing. Sindsdien moet met een Aeriusberekening worden bepaald hoe hoog de stikstofdepositie is ten gevolge van de sloop en bouw van een project. De uitgangspunten voor de sloop/bouwfase van het project zijn in onderstaande tabel weergegeven. Omdat nog geen aannemer bekend is die de werkzaamheden gaat uitvoeren zijn de uitgangspunten tamelijk worstcase genomen. Zo wordt gerekend met machines van meer dan 10 jaar oud en worden de benodigde uren en verkeersbewegingen ruim aangehouden.
Manoeuvreren van wegverkeer Verkeer dat vanaf de weg rijdt naar de plaats op het erf waar geladen of gelost moet worden heeft een andere emissie dan wegverkeer op de weg. Er wordt langzamer gereden en meer stilgestaan. Er wordt daarom hiervoor een lijnbron toegevoegd met 50% file voor zwaar en middenzwaar vrachtverkeer.
4
Stationair draaien van vrachtverkeer Bij het laden en lossen van materialen kan sprake zijn van het stationair laten draaien van de vrachtwagenmotoren. Er wordt (worst case) uitgegaan van 0,5 uur stationair draaien per bezoek. In onderstaande tabel is uitgerekend hoe groot de NH3 en NOx emissies zijn ten gevolge van het stationair draaien van vrachtverkeer. Staionair draaien vrachtverkeer uren NH3 norm: gram/uur gram NH3 Nox norm: gram/uur gram Nox Middenzwaar verkeer 4,5 0,69 3,1 67,938 305,7 Zwaar verkeer 3 0,9024 2,7 80,6676 242,0 5,8 547,7
Wonen In het jaar dat de sloop en bouw plaatsvindt wordt het woonhuis ook gewoon bewoond. Hiervoor worden emissies gerekend tbv: - verkeersbewegingen (10 lichte bewegingen en 0,2 zware bewegingen per dag) - verwarming (norm Bij12: 3,59 kg NOx en 0,47 kg NH3 per jaar) - sfeerverwarming (norm 0,44 kg NOx per jaar)
Aerius-berekening Met behulp van Aerius is een stikstofdepositie-berekening gemaakt van de sloop/bouwfase. Hieronder staat de samenvatting van deze berekening, via een afzonderlijke bijlage wordt de complete Aerius output bijgevoegd.
5
5 Conclusies Bouwfase Tijdens de sloop en bouw wordt 29,8 kg NOx uitgestoten en 0,5 kg NH3. Uit de Aerius-berekening blijkt echter dat door de sloop/bouw nergens in Natura2000gebieden een aantoonbare stikstofdepositie plaatsvindt. De Natura2000-gebieden liggen daarvoor te ver van de planlocatie. De conclusie is dan ook dat voor de sloop/bouw geen WNB-vergunning hoeft te worden aangevraagd. Gebruiksfase De sloop van oudere opstallen en de bouw van een nieuwe werktuigenloods hebben niet tot gevolg dat het gebruik van de locatie wijzigt. In de gebruiksfase is er nog steeds alleen sprake van opslag van materieel. Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd op de locatie. De hoeveelheid vervoersbewegingen wijzigen niet ten opzichte van de huidige vervoersbewegingen. Voor het gebruik van de locatie hoeft ook geen WNB-vergunning te worden aangevraagd.
6
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Landgoed Meerveld bv Rijksweg 124, 3784 LZ Terschuur Slopen en bouwen nieuwe werktuigenstalling Er wordt 200 m2 aan oude gebouwen gesloopt. Er wordt een werktuigenberging van 375 m2 gebouwd
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RvDf8sypyTFB 30 november 2023, 14:38 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Sloop en bouw - Beoogd Sloop en bouw - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RvDf8sypyTFB (30 november 2023)
2024 -
0,5 kg/j
29,8 kg/j
2/9
Projectberekening
Sloop en bouw (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 1 Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Mobiele werktuigen 6 Anders... | Anders... | Stationair draaien vrachtverkeer 11 Wonen en Werken | Woningen | Woonhuis Verkeersnetwerk
RvDf8sypyTFB (30 november 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
10,3 g/j 5,8 g/j 0,5 kg/j 44,3 g/j
24,6 kg/j 0,5 kg/j 4,0 kg/j 0,6 kg/j
3/9
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RvDf8sypyTFB (30 november 2023)
4/9
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Sloop en bouw" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RvDf8sypyTFB (30 november 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/9
Projectberekening
Sloop en bouw, Rekenjaar 2024 1
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Mobiele werktuigen X:166030,14 Y:464884,96 0,72 ha Stageklasse
NOₓ NH₃
Brandstofverbruik
Draaiuren AdBlue verbruik
Sloop: Kraan
Stage-IIIB, 2011-2013, 75-560 kW, 384 l/j diesel, SCR: nee
Sloop: Shovel
Stage-IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: nee
160 l/j
20 u/j
Bouw: Kraan/graafmachine
Stage-IIIB, 2011-2013, 75-560 kW, 200 l/j diesel, SCR: nee
10 u/j
Bouw: betonpomp
Stage-IIIB, 2011-2013, 56-75 kW, 24 l/j diesel, SCR: nee
2 u/j
Bouw: Verreiker
Stage-IIIB, 2011-2013, 75-560 kW, 130 l/j diesel, SCR: nee
8 u/j
Bouw: Shovel
Stage-IIIB, 2011-2013, <= 56 kW, diesel, SCR: nee
60 u/j
2
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
RvDf8sypyTFB (30 november 2023)
480 l/j
Wegverkeer L oost X:166175 Y:464744,23 553,45 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
24,6 kg/j 10,3 g/j
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
20 u/j
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
NOₓ
5,9 kg/j NH₃ 2,9 g/j NOₓ 3,3 kg/j NH₃ 1,2 g/j NOₓ 3,1 kg/j NH₃ 1,5 g/j NOₓ 0,5 kg/j NH₃ 0,0 kg/j NOₓ 2,0 kg/j NH₃ 0,0 kg/j NOₓ 9,9 kg/j NH₃ 3,6 g/j
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
70,0 /jaar 0,0 /jaar 0,0 /jaar 0,0 /jaar
Stof Emissie
7,1 g/j 1,5 g/j 0,0 kg/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
6/9
Projectberekening
3
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 4
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 5
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 6
Anders... | Anders...
Wegverkeer L west X:166179,08 Y:464742,44 562,36 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
Verkeer Z en M oost X:166287,92 Y:464694,34 647,40 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m
-
-
70,0 /jaar 0,0 /jaar 0,0 /jaar 0,0 /jaar Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Max. snelheid
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Verkeer Z en M west X:166269,07 Y:464701,8 604,76 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
Aantal voertuigbewegingen
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
0,0 /jaar 9,0 /jaar 6,0 /jaar 0,0 /jaar
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Naam Stationair draaien Uittreedhoogte vrachtverkeer Warmteinhoud Locatie X:166030,06 Spreiding Y:464884,54 Oppervlakte 0,70 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Continue Emissie RvDf8sypyTFB (30 november 2023)
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
1,0 m 0,000 MW 0m
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
7,2 g/j 1,5 g/j 0,0 kg/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
23,0 g/j 5,9 g/j 0,0 kg/j
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
21,5 g/j 5,5 g/j 0,0 kg/j
In file
0,0 /jaar 9,0 /jaar 6,0 /jaar 0,0 /jaar
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
NOₓ NH₃
0,5 kg/j 5,8 g/j
7/9
Projectberekening
7
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 8
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 9
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
RvDf8sypyTFB (30 november 2023)
Wegverkeer L prive oost X:166175 Y:464744,23 553,45 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Wegverkeer L prive west X:166179,08 Y:464742,44 562,36 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Verkeer Z tbv prive oost X:166255,27 Y:464709,72 722,02 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
5,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
5,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,0 /etmaal Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
0,0 /etmaal 0,0 /etmaal 0,1 /etmaal 0,0 /etmaal
0,2 kg/j 38,5 g/j 18,1 g/j