CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Parapluherziening Cultuurhistorie-Cultuurlandschap_Toelichting_Bijlage 1 Studie historische landschappen

Gemeenteraad 7 februari 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Parapluherziening Cultuurhistorie-Cultuurlandschap21.962 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Vanwege de grote regelmaat van de indeling en het feit dat dit gebied veel veniger moet zijn geweest dan de andere broekgebieden in Barneveld, zullen we het hier toch als een middeleeuwse veenontginning beschouwen. De grotere regelmaat ten opzichte van de broekontginningen is waarschijnlijk te danken aan het dikkere pakket veen dat hier heeft gelegen. Anders dan in de broekontginningen hadden de ontginners hier niet te maken met hoger liggende zandruggen, die noopten tot een bochtig afwaterings- of wegenpatroon. Het was een uitgestrekt vlak moerasgebied, dat zeer geleidelijk in hoogte afliep van noordoost naar zuidwest. In die richting werden ook de ontwateringssloten gegraven in de ontginningsblokken aan weerszijden van de Leemweg. Bij Zwartebroek loopt de helling meer naar het noordwesten af, hetgeen ook af te lezen is aan de ontginningsrichting. Zoals in het bovenstaande betoogd, nemen we aan dat er in eerste instantie geen bewoning voorkwam en dat het gebied vanuit boerderijen op de hoger gelegen zandgronden werd geëxploiteerd. Uit de ontginningstijd stammende bewoningslinten, met op regelmatige afstanden boerderijen op de koppen van de kavels (typisch voor ‘gewone’ middeleeuwse veenontginningen), komen hier dan ook niet voor. De ontwatering van het moeras had tot gevolg dat het veen ging inklinken en oxideren, waardoor het maaiveld daalde.

In de veenontginningen van het westen van het land had dit een ernstige vernatting tot gevolg. Het veengebied zakte daar tot onder het niveau van de omliggende rivieren en weteringen 28 |

en men moest overschakelen van akker- naar grasland. Sommige gebieden werden zelfs onbewoonbaar. Dat dat hier niet het geval was, komt door de ondiepe zandondergrond die te voorschijn kwam en door de helling van die zandondergrond naar de relatief nabije Zuiderzee, waar wateringen en beken relatief eenvoudig op konden afwateren. Daardoor werd dit gebied in de loop der tijd droger, waardoor we hier spreken van ‘verdroogde veenontginningen’. Op de zandglooiingen die dankzij het verdwijnende veen tevoorschijn kwamen, kon men boerderijen bouwen. Dergelijke boerderijen stonden vaak vrij ver van de doorgaande wegen. In de verdroogde veenontginningen ging men het landbouwsysteem van de kampontginningen toepassen. De boeren maakten plaggenmest, en staken de daarvoor benodigde plaggen op het veen of de heidevelden in de buurt. De eerder genoemde kaart van Passavant, die percelen als ‘plagvelt’ aanduidt, laat zien dat dit al in de zeventiende eeuw het geval was. Deze ontwikkeling deed zich het meest uitgesproken voor langs de Eendrachtstraat ten zuiden van Zwartebroek. In dit gebied liggen dan ook plaggenbodems, die zo typisch zijn voor de kampontginningen. De Eendrachtsstraat is waarschijnlijk pas aangelegd op een perceelsgrens, nadat het veen was verdwenen.

Ook aan de zijweg daarvan, de Bellemaweg, is te zien dat deze jonger is, gezien het feit dat deze dwars over doorgaande percelen is gelegd. Dat een intensivering van de bewoning zich niet heeft voorgedaan langs de Leemweg, heeft wellicht te maken met het grootgrondbezit dat hier langer is blijven bestaan. Overigens is het veen niet alleen verdwenen door ontwatering en oxidatie. Het veen was geschikt om te stoken en naarmate bos verdween in de loop van de Middeleeuwen en Nieuwe tijd, is daar waarschijnlijk steeds meer gebruik van gemaakt. Grote veenontginningscampagnes, zoals meer zuidelijk bij Veenendaal, zijn er rond Zwartebroek niet geweest. Het veen werd in putten weggegraven door boeren. Nog in de negentiende eeuw waren er talrijke veenputten. Nairac liet in 1874 door W. de Jager een kaart maken van de veenputten. Hij gaf daarbij ook aard van het kienhout en de perceelsnamen aan (zie afbeelding hieronder). Uitsnede van de kaart van De Jager uit 1874 met het gebied tussen Zwartebroek en Appel. De veldnamen Vrouwenland, Vrouwenveen en Vrouwenweg, herinneren nog aan de bezittingen die het vrouwenklooster Elten hier had. Het Noorden is rechts. Kaart overgenomen uit Born (2004, p. 57).

| 29

Er zijn verschillende typen veenontginningen onderscheiden.

14

Verdroogde veenontginningen (vb3)

Deze veenontginningen vertonen nog het regelmatig perceleringspatroon zoals dat bij de ontginning tot stand kwam. Rechte lijnen van wegen, kavelgrenzen, beplanting en sloten bepalen het landschap. In 1850 was grasland het meest voorkomende vorm van landgebruik, maar, vooral bij de boerderijen, kwam ook akkerbouw voor. In de negentiende eeuw lagen er verspreid over het gebied perceelsgewijze bosjes waarschijnlijk met hakhout van eik en els. Mogelijk lag het nattere bos op de plekken van vroegere veenputten. De wegen waren over het algemeen recht. De perceelsgrenzen bestonden uit sloten en greppels die mogelijk een deel van het jaar droog stonden. Daarom waren die perceelsgrenzen ook met hout begroeid, waarschijnlijk elzensingels, die een veekerende functie hadden. Vooral ten zuiden van Zwartebroek was meer bewoning verschenen buiten de oude linten. Tegenwoordig is het rechtlijnig ingerichte landschap nog goed herkenbaar, vooral in het wegenpatroon. Langs de Eendrachtsstraat is de al in de negentiende eeuw aanwezige bebouwing verder uitgebreid, maar verder is de bebouwingsintensiteit nauwelijks toegenomen, waardoor het open landschap nog goed is te zien. Dit landschap wordt nog steeds afgewisseld met verspreid liggende bospercelen. De typische strookvorm van de kavels bestaat nog steeds, maar is minder goed herkenbaar, doordat veel perceelsrandbegroeiing is verdwenen.

15

Uitgeturfde veenontginning met keutervestiging (vb5)

Ten noordwesten van Zwartebroek waren de veenontginningen in 1850 verdeeld in uitgesproken smalle percelen. We gaan er van uit dat dit gebied al in de Middeleeuwen is ontgonnen, en dat landeigenaren hier veel later op vrij systematische wijze het veen hebben afgegraven om het als turf te verkopen. In de negentiende eeuw was die veenwinning in een vergevorderd stadium. Hier bestond, blijkens de gegevens van de eerste kadasterkaart van 1832, een landschap waar percelen veengrond zich afwisselden met bouwland en huiserven. Waarschijnlijk diende het dichte slotenpatroon om het resterende veen te ontwateren, zodat het droog kon worden gestoken. Op de afgeveende gronden vestigden zich keuters, zo blijkt ook uit de kadasterkaart die beroepen noemt als arbeider, naaister of dagloner. Soms deden ze dat midden op de percelen, ver van de wegen. Mogelijk lieten grotere grondbezitters vestiging door keuters toe, om zo de waardeloze afgeveende grond te laten bewerken en zo in waarde te laten vermeerderen. Smalle percelen met veengrond, bouwlandjes en keuterbewoning ten noorden van Zwartebroek omstreeks 1850.

30 |

Ondanks het feit dat het veen was verdwenen, bleef de landschapsstructuur van de middeleeuwse ontginning zichtbaar, alleen waren de stroken veel smaller. Na 1850 werden de nieuwe boerderijtjes met wegen evenwijdig aan de perceelsrichting bereikbaar gemaakt. Mogelijk werd hier, net als in het aangrenzende Nijkerk, tabak verbouwd. Er werden veel elzensingels aangeplant, die de kleine perceeltjes een beschutte ligging gaven. Door de vele huiserven en singels was een kleinschalig landschap ontstaan met veel kleine (opgedeelde) strookvormige percelen die van elkaar waren gescheiden door elzensingels. Verspreid over de stroken stonden veel keuterboerderijtjes. Tegenwoordig is het landschap nog steeds kleinschalig en dicht bebouwd. De uitgesproken strookvorm is minder zichtbaar, waarschijnlijk doordat percelen zijn samengevoegd en perceelsrandbeplanting is verdwenen.

Stroken met bebouwing gezien vanaf de Wielweg in Zwartebroek (foto Overland 102).

16

Veenontginning zonder strokenverkaveling (vb6)

Niet alle veenontginningen hadden een uitgesproken strokenverkaveling. Ten westen van Zwartebroek ligt een gebied dat verdeeld was in onregelmatige blokken. Waarschijnlijk was hier bij de ontginning sprake van een zogenaamde ‘overhoek’ tussen meerdere ontginningsblokken. Dergelijke overhoeken waren soms niet in stroken verdeeld. Ook kan 18e en 19eeeuws grootgrondbezit en landgoedaanleg een verklaring zijn voor de afwijkende perceelsindeling. Op kaarten van 1812 tot 1900 is te zien dat hier een bosrijk landschap met lanen lag. Op de kaart van De Man lijkt sprake van een sterpatroon. In 1850 is het sterpatroon verdwenen en staat er centraal een gebouw: het boshuisje. In de eerste decennia van de 20e eeuw is dit bos omgezet in landbouwgrond. In 1850 was dit gebied deels in cultuur (vooral in het zuiden), deels bebost en deels had het het aanzien van natte heide of veen. Uit de kaart valt niet op te maken of dit al dan niet uitgeturft veen is. Het gebied was blokvormig, en niet strookvormig ingericht. Tegenwoordig bestaat het gebied geheel uit wei- en bouwland. Het bos is verdwenen. Nog steeds heeft het gebied een onregelmatige blokverkaveling. De bebouwing is toegenomen, waardoor vanaf de weg het achterliggende land niet overal goed is te zien. | 31

Niet-strookvormige veenontginning gezien vanaf de Platanenstraat ten westen van Zwartebroek (foto Overland 98).

32 |

Jonge ontginningen Een relatief groot deel van de Gelderse Vallei bestond nog tot in 19e eeuw uit vochtige en natte heide en ongeperceleerde natte graslanden. In de voorgaande eeuwen was een deel er van al ontgonnen tot broekgebieden. Dat deel dat pas vanaf halverwege de 19e eeuw is ontgonnen rekenen we tot de jonge ontginningen. De ontginning kwam toen in een stroomversnelling. Door de komst van nieuwe meststoffen was het heideschaap als mestleverancier overbodig geworden. De heide kon hierdoor in gebruik worden genomen. Ook de opheffing van de oude maalschappen en buurten droeg hier aan bij. In het Barneveldse deel van de Gelderse Vallei maakten daardoor vrijwel alle vochtige en natte heidegebieden en natuurgraslanden plaats voor ontgonnen agrarisch productieland.

17

Jonge vochtige landbouwontginning (hn1)

Onder jonge landbouwontginningen worden alle landbouwgebieden gerekend die in 1850 nog uit heide bestonden. Deze gebieden waren productiever dan de heidevelden op de hoge delen van de Veluwe. De heide kon plaatselijk venig zijn. Daar werd soms door boeren veen gestoken voor eigen gebruik. De laagste delen waren zowel natter als vruchtbaarder. Hier lagen ongeperceleerde graslanden waar ook het rundvee graasde. De gebruiksrechten op de heide waren in handen van boeren van de verschillende dorpen en buurschappen. Waar precies de gebruiksgrenzen lagen was vaak onduidelijk. Vandaar dat er nog al eens conflicten tussen maalschappen of buurten optraden. Meestal dienden grensstenen of pollen, aarden heuveltjes, als grensaanduiding. Soms werd een gebruiksgrens heel duidelijk in het landschap aangegeven. Bijzonder is de Essener Gemeente Wal tussen de Essener Meent en de velden van Kootwijkerbroek. Deze wal lag er al in 166910 en is nog steeds in het landschap van de jonge ontginningen te herkennen. Later is de indeling van de Essener Meent geënt op de richting van deze wal, met wegen evenwijdig of loodrecht op deze wal. De perceelsvorm en indeling van de jonge ontginningen hangt waarschijnlijk samen met de verdeling van de heide die eerder in de 19e eeuw had plaatsgevonden. Op de grotere arealen waren de jonge landbouwontginningen min of meer regelmatig en rationeel ingedeeld.

De perceelsgrenzen waren meestal lange rechte lijnen. Op veel perceelsgrenzen stonden elzensingels. De percelen waren strookof blokvormig, de wegen over het algemeen recht. Zeer uitgestrekte dambordstructuren van planmatige ontginningen zoals die op de Brabantse of Achterhoekse zandgronden voorkomen, ontbreken echter. Plaatselijk was de percelering zelfs uitgesproken onregelmatig, vooral op de kleine ontgonnen heideveldjes die tussen oudere ontginningen lagen. Tegenwoordig beeld Over het algemeen is de rechtlijnige ontginningstructuur van de jonge ontginningen nog herkenbaar. Er komen nu zowel akkers als graslanden voor. Veel elzensingels zijn verdwenen, maar hier en daar markeren ze nog de perceelsranden of staan er bomenrijen of solitaire bomen als restant van de vroegere singels. Het landschap is over het algemeen grootschalig, door de lange doorgaande wegen, de relatief grote rechthoekige percelen en de soms verre doorzichten. Deze doorzichten zijn niet overal meer mogelijk doordat vrijwel alle jonge ontginningen tamelijk intensief bebouwd zijn geraakt met agrarische bebouwing. Meer dan in de kampontginningen is de intensieve veehouderij hier tot ontwikkeling gekomen. De jonge ontginningen hebben in de afgelopen decennia ook ruimte geboden aan de ontwikkeling van recreatie. Vooral ten oosten van Voorthuizen was dit geval.

In de uitgebreide zone van campings die hier ligt, heeft nog de structuur van de rechte wegen van de vroegere heideontginningen.

10

Dat blijkt uit een archiefstuk uit die tijd, zie ook Brons e.a., 2012 en Schut, 2012.

| 33

Het jonge ontginningslandschap van de Essenermeent gezien vanaf de Essenerweg. Tussen de veeschuren zijn hier nog enkele doorzichten op grotere open ruimten mogelijk. De grote schaal van de schuren lijkt hier bij het grootschalige landschap te passen (foto Overland 205).

18

Jonge vochtige heidebebossing (hn2)

Slechts een klein deel van de vochtige heide is bebost. Het was meestal aantrekkelijker om de vochtige heide tot nieuw landbouwgebied om te vormen (zie kaartcode 17). Vaak werd naaldbos aangeplant, maar, anders dan op de droge heide van het Veluwemassief, werd ook wel loofbos gecreëerd. De jonge heidebebossingen in Barneveld hebben meestal een rechte padenstructuur. Het oude landschappelijke beeld van de bossen varieert afhankelijk van het doel van de bosaanplant. Stond houtproductie voorop dan werd het bos door rechte paden verdeeld in vierkante of rechthoekige blokken. Op landgoederen was het esthetische aspect van belang. Hier ging de bosaanleg vergezeld van een de aanleg van lanen, of werd met het nieuwe bos een aantrekkelijke afwisseling tussen bos en open gebied bereikt. De jonge bossen hebben meestal geen patroon van rabatten, tenzij ze zeer nat zijn, zoals een elzenbos in het gebied Erica-Noord. Wel kan het oude oppervlak van de heide zijn blijven bestaan, met karresporen, zandruggen, en mogelijk ook grafheuvels. Ook kunnen heidevennen of –flessen zijn blijven bestaan. Delen van het deze jonge bossen zijn niet aangeplant, maar spontaan opgekomen. Die bossen (die alleen met uitgebreider veldwerk kunnen worden onderscheiden) lijken op het spontane bos van eenheid 19.

34 |

Boven: het Grijze Veen is op veel historische kaarten niet als meertje aangegeven. Het was een met veen dichtgegroeide laagte, die in de loop van de negentiende en twintigste eeuw is open gegraven voor e turfwinning. In de 20 eeuw is de heide rond het meertje bebost, soms na eerst enige tijd als landbouwgrond gebruikt te zijn (foto Overland 165).

Onder: bebossing van vroegere natte heide met elzenhakhout op het landgoed Bylaer (foto Overland 64).

| 35

Niet of deels ontgonnen terreinen Tot vroeg in de twintigste eeuw bestond nog een groot deel van de Gelderse Vallei uit onontgonnen gebieden. Vooral natte en vochtige heide kwam veel voor. In de loop van de twintigste eeuw zijn vrijwel al die gebieden in percelen verdeeld, ontwaterd, met wegen toegankelijk gemaakt en in productie genomen. In een aantal kleine gebieden is dit niet, of slechts ten delen gebeurd, waardoor hier een ander landschapsbeeld is ontstaan.

19

Niet ontgonnen vochtige heide, deels met (spontaan) bos (nn1b)

Een deel van de vochtige heide lijkt, afgaande op historische kaarten, nooit bewust te zijn bebost of in landbouwgrond omgezet. Deze heide bestaat nog steeds, maar is in de loop der tijd voor een groot gedeelte begroeid geraakt met bos. De aard van het bos is afhankelijk van zaadbronnen in de omgeving. In veel spontane bossen staan vliegdennen, ontstaan doordat de wind dennenzaad uit naburige naaldbebossingen aanvoerde. Ooit stonden deze dennen als solitairen op de heide, maar inmiddels zijn ze vaak opgenomen in jongere bosopslag. Ook kunnen er eiken voorkomen, die zijn opgekomen uit door schapen kort gehouden kreupelhout of uit hakhout dat verspreid op de heide stond. Het spontane bos bestaat uit verschillende boomsoorten van verschillende ouderdom. Doordat de vroegere heide min of meer aan zijn lot is overgelaten zijn ook de vennen of flessen, die vroeger veelvuldig voorkwamen op de vochtige heide, in deze gebiedjes soms blijven bestaan. De restanten vochtige heide zijn meestal nog maar erg klein binnen deze eenheid. De heide kan alleen overleven indien bosopslag actief wordt tegengegaan. Alleen het heideveld Erica-Noord heeft nog een groter oppervlak. De heide ten noordoosten van het Wilbrinkbos e bij Voorhuizen is in de loop van de 20 eeuw met bos begroeid geraakt. Het reliëf van de heide (natuurlijk reliëf en karrensporen) is op dit hoogtebeeld (AHN2) nog goed te zien.

Vochtig heideveld op Erica-Noord omgeven door spontaan bos. Dit gebied is recent vernat en 11

deels verlaagd (foto Overland 65).

11

Mededeling Ciska van der Genugten, Geldersch Landschap en Kasteelen.

36 |

20

Niet- of deels ontgonnen veengebied (mb1)

Ten noordoosten van Zwartebroek ligt een gebied dat niet strookvormig is ingericht en grotendeels uit nat bos en nat grasland bestaat. Het strekt zich uit tot in de gemeente Nijkerk, waar het bekend staat als De Bunt. Op 19e-eeuwse kaarten lijkt dit een niet- of nauwelijks ontgonnen veengebied. Waarschijnlijk was hier het veen toen al grotendeels weggegraven. Op de zandgrond die over was gebleven groeide hier natte, moerassige heide. Plaatselijk waren enkele perceelsgrenzen in de vorm van sloten met elzen aangebracht. Ook lagen er enkele bosjes. Dit gebied is nooit echt als landbouwgebied opgeleverd of in gebruik genomen. Het is nu grotendeels een natuurgebied. Afwijkend van de aangrenzende veenontginningen ontbreekt hier de strookvorm. De natte heidebegroeiing van vroeger is veranderd in blokvormige percelen met nat bos afgewisseld met grote percelen met nat en vochtig grasland. Sommige watertjes en laagten kunnen restanten zijn van vroegere turfwinning (veenputten).

Natte moerassige graslanden en bospercelen in het Barneveldse deel van De Bunt (foto Overland 111).

| 37

3

Historische cultuurlandschappen van het Veluws natuurgebied

Agrarische- en gebruikslandschappen Het hoge deel van de gemeente Barneveld, ook wel bekend als het Veluws natuurgebied, is historischlandschappelijk totaal anders van aard dan het lage deel in de Gelderse Vallei. Waar de hoge delen al in de Prehistorie goed begaanbaar en bewoonbaar waren, bleven de moerassen en natte bossen van het lage deel in deze periode grotendeels onbewoond. En waar de vroege bewoners op het droge Veluwemassief voor hun woonplekken op zoek moesten naar water, moest men in de Gelderse Vallei juist zoeken naar droge plekken. In de loop van de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd heeft zich tussen het hoge en lage deel van Barneveld een zeer sterke inverse of ommekeer in de bewoningsmogelijkheden voorgedaan. Stukje bij beetje slaagde men er in de van oorsprong nauwelijks bewoonde Gelderse Vallei te ontwateren en bewoonbaar te maken. Het agrarisch buitengebied van de gemeente Barneveld kent nu, zelfs voor Nederlandse begrippen, een hoge dichtheid aan woningen en boerderijen. Precies tegenovergesteld ging de ontwikkeling op de hoge delen van de gemeente. In wat nu het Veluws natuurgebied is, ontwikkelden de bewoningsmogelijkheden zich veel trager of namen ze zelfs af. Het gebied wordt nu gekenmerkt door bewoningseilanden tussen uitgestrekte bossen en heidevelden12.

1

Droge kampontginningen: enken en landbouwenclaves (kd1)

Deze eenheid is al behandeld bij de landschappen in het agrarisch buitengebied. Op het Veluwemassief heeft dit landschap een specifiek karakter. Het betreft de landbouwgronden rond de dorpen Garderen en Kootwijk en de kleinere kampontginning van Boeschoten. Deze gebieden zijn te zien als kleinere of grotere cultuureilanden te midden van heidevelden, stuifzanden en bossen. De hoge delen van de stuwwallen zijn al bewoond vanaf de Prehistorie. De kampontginningen ontstonden vanaf de Middeleeuwen. Boerderijen en akkers kregen in de loop van de Vroege Middeleeuwen een vaste ligging. Er ontstonden kampen: boerderijen of kleine nederzettingen met akkers, bosjes en weiden, die als eilanden te midden van woeste gronden lagen. De beschikbaarheid van water (drinkwater, water voor vee) was bepalend voor de plek waar deze kampontginningen konden ontstaan. Het echte grondwater lag vaak zeer diep. De nederzettingen waren afhankelijk van stagnerend water op ondergrondse klei- en leemlagen of ijzerpannen. De locatiekeuze werd verder ’t Sol, ten oosten van Garderen, is te zien als een van de oorspronkelijke kampontginningen waaruit de grote Garderense Enk is opgebouwd. Bewoning was hier mogelijk doordat hier, op 40 meter boven NAP, een ondergrondse kleilaag voorkomt dat grondwater naar de diepte wegstroomt (foto Overland 1551, genomen in 2005)

12

Dit verhaal komt uitgebreid aan bod in Neefjes en Spek, 2014.

38 |

bepaald door de minerale rijkdom van de zandgronden. Op de stuwwallen kwamen relatief rijke zanden (moderpodzolen) voor, ontstaan in door ijs opgestuwde rivierafzettingen. In de Vroege Middeleeuwen hoorden deze gronden tot de favoriete vestigingsplaatsen. 13 In Kootwijk zijn door archeologisch onderzoek nederzettingen aangetoond die op dergelijke gronden voorkwamen, maar later zijn ondergestoven onder stuifzand. De ontginning gebeurde niet planmatig. Doordat men zich aanpaste aan natuurlijke omstandigheden (hoogteverschillen, bestaande vegetatie) ontstond een onregelmatige opbouw van het landschap met vaak kromme lijnen (perceelsranden, wallen, wegen, bosranden). Naarmate de bevolking in de loop van de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd toenam groeiden de kampontginningen aaneen tot het aangesloten cultuurland van Kootwijk en Garderen dat we nu kennen. Voor de grote Enk van Garderen lijkt dat pas in de achttiende eeuw zijn beslag te hebben gekregen (zie onder). Anders dan bij de droge kampontginningen in de Gelderse Vallei (de engen van Stroe en Essen) zijn deze kampontginningen niet omgeven door jonge ontginningen. Er bestaat nog steeds een groot contrast met het omliggende landschap, vroeger heide en stuifzand, nu vooral bos.

Fragment van de Caart der Limitten van de Hooge en Vrije Heerlijckhijdt van Het Loo, 1762 (gepubliceerd door Aardoom, 1989). Dit is de oudst bekende kaart waar een deel van de Garderense Enk op staat afgebeeld. Rechts op de kaart Meerveld en het gebied rond het Uddelermeer. Links het oostelijk deel van de Garderense Enk. De kaart werd gemaakt vanwege een grote uitbreiding van de heerlijkheid Het Loo met o.a. het oostelijk deel van de Garderense Enk. Op de kaart zijn ’t Sol, Ouwendorp en het oostelijk deel van Vossen / Oud Milligen te zien. Meer westelijk, niet op de kaart, ligt Garderen. Uit de kaart valt op te maken dat ’t Sol en Ouwendorp en Oud Milligen nog afzonderlijke kampen waren, die door heide van Garderen waren gescheiden.

13

Heidinga, 1984, Neefjes, 2006, Neefjes en Spek, 2014.

| 39

Boven: ‘t Soll omstreeks 1900 en nu. De houtwallen rond de akkers lijken nog de vorm aan te geven van de afzonderlijke kampontginning voordat deze met de andere kampontginningen aaneengroeide tot de grote Garderense Enk. Rechts is te zien dat een vrij groot deel van deze groenstructuren nog bestaan. Ze geven de enk een gecompartimenteerd karakter.

Onder: de wal op de foto is waarschijnlijk de zuidgrens van de oude kampontginning van ’t Sol. In de verte de molen en kerktoren van Garderen (foto Overland 1535, genomen in 2005).

De kampontginningen van Garderen, Kootwijk en Boeschoten hadden in de negentiende eeuw nog steeds een eilandkarakter. Het waren enclaves van landbouwgrond omgeven door grote arealen onbewoonde heide en bos. Rond het dorpsgebied, op de grens van akkers en heide, lag een wal begroeid met hakhout en stekelige struiken die wild en vee uit het dorpsgebied moest weren. In zowel Kootwijk als Garderen was een bewoningskern rond de kerk ontstaan. Verspreid over de enken lagen enkele boerderijen, mogelijk op de plek waar vroeger al de bewoning van de afzonderlijke kampen lag.

40 |

Wal aan de zuidzijde van de enk van Kootwijk. De eiken komen waarschijnlijk voort uit het hakhout dat hier stond. Opvallend is dat deze wal niet is ontwikkeld tot een hoge stuifwal, als gevolg van instuivend zand vanaf het iets zuidelijk gelegen Kootwijker Zand. Bij veel andere nederzettingen gelegen aan stuifzanden gebeurde dat wel. Blijkbaar bracht de zuidenwind weinig zand met zich mee (foto Overland 173).

Bijzonderheden binnen de droge kampontginningen Het historische landschapsbeeld van de enken kon variëren, vooral wat betreft de aanwezigheid van opgaand groen. Dit is op de kaart zichtbaar gemaakt met een toegevoegde code. Gecompartimenteerde enk (toevoeging C) De enk van Garderen was gedeeltelijk door bosstroken en houtwallen gecompartimenteerd in een aantal kamers. Tussen de afzonderlijke akkers lagen vaak nog houtwallen of bosstroken met daarop eikenhakhout. De tussen de houtwallen liggende kamers waren groter dan die in Stroe. Het is goed mogelijk dat de groenstroken de begrenzing van de vroegere kampontginningen aangeven, van voor de tijd dat ze aaneengroeiden. Ook het bouwland van Boeschoten en delen van de Enk van Kootwijk hadden een gecompartimenteerd karakter. Open fieldkarakter (toevoeging F) Het centrale deel van de enk van Garderen had een open field karakter. Tussen de akkers waren geen of weinig zichtbare perceelsscheidingen en bosstroken ontbraken hier. Dit open fieldkarakter is nog steeds aanwezig. Kampontginningen in doodijsgat (toevoeging IJ) Ouwendorp is ontstaan aan de rand van een zogenaamd ‘doodijsgat’. Een diepe kuil in het landschap, ontstaan doordat rond een smeltend gletsjerrestant zand en grind werd afgezet. Nadat het ijs volledig was gesmolten, bleef een grote laagte in het landschap over.

De dimensies van de laagte ten oosten van Ouwendorp (500 m bij 150 meter) geeft aan om wat voor immense ijsbrokken het toen gegaan moet hebben. De laagte zelf is droog, maar aan de rand komt water vrij, dat waarschijnlijk over lemige lagen toestroomt. Hierdoor was hier bewoning mogelijk.14 Het doodijsgat is nog steeds duidelijk zichtbaar als een afvoerloze laagte, een bijzonder verschijnsel in Nederland. 14

Volgens Hacke-Oudemans (1969, blz. 232): Vlak achter de oude Saksische Boerderij Ouwendorp ligt een groot leemgat,

naast de boerderij een sterk hellende weg, de zogenaamde Putweg, die naar een thans opgeheven put in het leemgat voerde, waar de gehele buurschap het drinkwater moest halen.

| 41

Laagte bij Ouwendorp aan de rand van het (veel grotere) doodijsgat (foto Overland 401, genomen in 2006).

Tegenwoordig landschapsbeeld De kampontginningen Garderen en Kootwijk zijn nog steeds te ervaren als cultuureilanden temidden van woeste gronden. In plaats van door heide zijn de oude bouwlanden nu vooral omgeven door bos. In Kootwijk is de vroegere sfeer goed bewaard gebleven dankzij de zeer kleine kern. Het open karakter van de enk staat echter onder druk door bebouwing en veel duidelijk zichtbare hekken op de percelen die nu vooral als paardenwei in gebruik zijn. In Garderen is de kern uitgebreid, maar is de enk over grotere oppervlakten nog zeer gaaf met herkenbaar gecompartimenteerd of open fieldkarakter. De oude enclave Boeschoten is nog steeds een klein cultuureiland. Hier vormen de oude akkers een bijzonder ensemble met de bebouwing, het bos en de wallen die de enclave nog steeds omgeven.

13

Beekbegeleidende broeken (kb4)

Deze eenheid is al behandeld bij de landschappen in het agrarisch buitengebied. Bij Stroe loopt de laagte van de Houtbeek door op het Veluwemassief. Direct ten oosten van de provinciale weg wordt de laagte ingenomen door een door bos omgeven akker. Vroeger was dit een door houtwallen omgeven grasland temidden van heide. Ook het gebied ten oosten hiervan, op de Stroesche Heide, is tot deze eenheid gerekend. In de preshistorie voerde de Houtbeek hier waarschijnlijk nog water en konden zich hier mensen vestigen. In de loop der eeuwen is de laagte dichtgegroeid met veen, waarbij soms ook stuifzand werd ingestoven. Op negentiende-eeuwse kaarten is het gebiedje te zien als een moerassige laagte op de heide, met enkele watertjes, die mogelijk zijn ontstaan door turfwinning. In het kader van de natuurontwikkeling is dit gebiedje in 2005 vergraven. De nieuwe laagte komt 42 |

ongeveer overeen met de vroegere laagte van de Houtbeek.15 Tot deze eenheid hoort ook een op hoogtebeelden zichtbare en enigszins meanderende vochtige laagte die over de Stroesche Heide naar het zuiden loopt.

Nieuw uitgegraven laagte van de Houtbeek op de Stroesche Heide (foto Overland 220).

22

Bos op oud cultuurland (kd4)

Een deel van de enken van Garderen en Kootwijk zijn in de 19e en 20e eeuw bebost. Dat gebeurde vooral door de aanleg van percelen eikenhakhout (zie ook kaartcode 8, Gelderse Vallei). Op de droge zandgronden, waarvan de opbrengsten lager en minder zeker waren, is meer landbouwgrond bebost dan in de Gelderse Vallei. Overigens kunnen landeigenaren ook later nog redenen hebben gehad om landbouwgrond in bos om te zetten. Grootgrondbezitters bebosten een deel van hun landbouwpercelen voor de jacht of voor een aantrekkelijk landschap. In dat geval werden ook wel andere boomsoorten gebruikt, waaronder naaldhout. In Kootwijk werd een groot deel van de enk opgekocht door Staatsbosbeheer om plantmateriaal voor de bebossing van het stuifzand te kweken (Crebolder e.a., 2000). Veel van het hakhout is in de loop van de 20e eeuw, toen er geen markt meer was voor eek, omgezet in opgaand eikenbos. Het eikenhout kan ook vervangen zijn door zogenaamde veeleisende boomsoorten als beuk of douglas, die goed gedijen op de voormalige landbouwgronden en daar een zwaar bos vormen. In het bos zijn de resten van het oude cultuurland vaak nog te herkennen. Oude omwallingen, lanen, bomen, wegen, boerderijplaatsen, resten van schaapskooien, en geriefbosjes kunnen voorkomen. Het beboste cultuurland heeft vaak bijzondere boomvormen die uit het vroegere hakhout voortkomen.

Die boomvormen kunnen ook in het bos rondom het vroegere cultuurland liggen.

15

Zie het interview met boswachter Wim Huijsman in Crebolder e.a. (2005).

| 43

Landschapsmetamorfose door bosontwikkeling bij Kootwijk. Situatie omstreeks 1890. Ten noorden en westen van het dorp zijn in 1890 de resten van het oude Kootwijker Bos te zien. Het grootste deel bestond uit verspreide eikenstruiken op de heide, die geëxploiteerd werden als hakhout of kort werden gevreten door wild en schapen. Deze heide met stuiken heeft zich verder ontwikkeld tot spontaan bos (zie kaartcode 30 en 32). Waar in het huidige bos nog veel hakhoutrestanten te zien zijn is dit op de landschappenkaart aangegeven met toevoeging H. Een deel bestond uit aaneengesloten bos, ook met eikenhakhout. Dit bos staat op de kaart aangegeven als oud bos op stuifzand (zie kaartcode 26). Op deze kaart zijn ook de eerste stuifzand beteugelende maatregelen aangegeven in de vorm van dennenaanplant in stroken op de randen van de stuifzanden (zie ook de toelichting bij kaartcode 32).

Situatie omstreeks 1930. Het bosareaal is enorm toegenomen. Het westen van de buurschap Kootwijk is aangekocht door Staatsbosbeheer, die op de landbouwgronden een grote dennenkwekerij begint (Crebolder e.a., 2000). Dit gebied is bos gebleven en staat op de kaart als bos op oud cultuurland (kaartcode 22). Een groot deel van het stuifzand is bebost (jonge stuifzandbebossing, kaartcode 28) en staat al bekend als Loobosch. Over het overgebleven stuifzand werd al in 1928 beslist dat het stuifzand zou moeten blijven (zie kaartcode 31). Aan de randen hiervan is nog spontaan bos ontstaan (kaartcode 32).

44 |

Deze fraaie sparrenlaan is aangelegd op beboste landbouwgronden die bij de boerderij Klein Vogelenzang lagen. De laan loopt langs een oude perceelsgrens. Links van de laan is nog de wal te zien die dit perceel begrensde. De eiken die er op staan komen waarschijnlijk voort uit het hakhout dat er op stond (foto Overland 192).

Bijzonderheden binnen de beboste kampontginningen Beboste kampontginningen, zichtbare drift (toevoeging D) Driften waren stroken heide die tot in de kern van een dorpsgebied met kampontginningen doorliepen, en waarlangs vee naar de brink, de boerderijen of de schaapskooien kon worden geleid. Tussen de drift en de omliggende akkers lagen veekerende wallen of randen beplant met hakhout en stekelige struiken. In Kootwijk zijn twee gebiedjes onderscheiden die herkenbaar het karakter van een drift hebben. Een gebiedje lag ten zuiden van het dorp en liep naar de heide. De drift is nu bebost, met centraal een zandpad met de naam Drift. Vooral aan de westkant ligt nog een fraaie met eiken beplante wal op de overgang naar de achterliggende landbouwgrond. Het andere gebiedje ligt langs de Nieuwe Milligenseweg (zie foto). De driften zijn niet consequent gekarteerd. Uitgebreidere studie zal waarschijnlijk meer zichtbare restanten van driften in de gemeente opleveren.

| 45

De Nieuwe Milligenseweg in Kootwijk heeft het karakter van een drift. Het is een lager gelegen strook van zo’n 7 a 10 meter breed (waar nu de weg en omliggend bos in ligt). Links is oude rand van naar de vroegere akkers te zien. De eiken komen voort uit het vroegere hakhout. De drift komt even verder uit op oude schaapskooien (foto Overland 184).

23

Jonge droge landbouwontginning (hd1)

Van de droge heidevelden op het Veluwemassief is – in tegenstelling tot de vochtige heide in de Gelderse Vallei – slechts een klein deel in landbouwgebied omgezet. Het overgrote deel van de droge heide werd bos. Dankzij de kunstmest was het mogelijk deze arme en zure gronden te verrijken, maar door de droge omstandigheden waren ze niet erg aantrekkelijk voor landbouw. Vooral op de heidevelden ten oosten van Garderen, die enigszins lemig waren, verschenen enkele ontginningen, die meestal beperkt bleven tot enkele akkers, vaak in eerste instantie zonder boerderijen. Mogelijk vanwege de late opheffing van de maalschappen Garderen en Kootwijk werden deze landbouwgronden pas laat aangelegd. Een deel van de ontginningen is nog altijd in gebruik als akker. De open akkers steken vaak fraai af tegen het omliggende bos. In een groot deel is de bebouwing toegenomen. De heide ten westen van Garderen omstreeks 1930. In blauw de omtrekken van de percelen die we als jonge landbouwontginningen beschouwen. Opvallend is dat een groot deel van deze percelen toen nog ontgonnen moesten worden. Een groot deel van de akkers die op deze kaart staan aangegeven, zoals die ten oosten van Koudhoorn, zijn later bebost. Eerder stond hier ook al bos, zodat de mogelijkheid bestaat dat de karteerders kapvlakten als akker hebben aangegeven.

46 |

24

Militaire terreinen op voormalige droge heide (hd5)

Na de opheffing van de maalschapen en marken waren op de Veluwe goedkope, dunbevolkte gebieden beschikbaar die uitstekend geschikt waren als militair oefenterrein. Het militaire gebruik heeft op deze wijze een relatie met het omliggende landschap. Dankzij het militaire gebruik zijn veel heidevelden en stuifzanden bovendien niet geheel bebost. Om deze reden staan deze terreinen op de kaart en zijn ze niet onder de bebouwde of sterk veranderde gebieden gerangschikt. Onder deze eenheid vallen vroegere heideterreinen waar het militaire gebruik het landschapsbeeld bepaalt. Het gaat daarbij niet om oefenterreinen in bossen of op heidevelden, maar om kazernes en schietbanen. In het zuiden gaat het om schietbanen van het ISK-Harskamp, tussen Garderen en Stroe om de Generaal-majoor Kootkazerne en om de Majoor Mulderkazerne.

| 47

Bossen op het Veluws natuurgebied Het overgrote deel van het Veluwemassief bestaat uit bos. Deze bossen kennen een enorme variatie, zowel wat betreft ontstaanswijze als wat betreft het tegenwoordige landschapsbeeld. Bij de inventarisatie ontstond enerzijds de wens om recht te doen aan deze variatie en vele typen bos van elkaar te onderscheiden. Van de andere kant stuitte dat ook op praktische problemen. De overgang van het ene type naar het andere is gradueel. Sommige bossen kunnen wat betreft ontstaanswijze in het ene bostype vallen, maar wat betreft huidig aanzien in het andere. Grenzen trekken is daarom moeilijk, ook al vanwege de beperkte tijd (enkele dagen) om het enorme areaal bos in het veld te controleren. Bij de onderstaande indeling in historische bostypen past dus de kanttekening dat bossen in de praktijk meer op elkaar kunnen lijken dan het onderscheid suggereert. Bij detailinventarisaties kan de omgrenzing en de beschrijving nauwkeuriger geschieden. In deze rapportage worden de bossen ingedeeld op historisch-geografische kenmerken: naar hun ouderdom, hun wijze van ontstaan en hun topografische structuur (omtrek, ligging in het landschap, wegen, bebouwing).

Bijzonderheden binnen de bossen: inheems – genetisch materiaal Tot op zekere hoogte wordt ook rekening gehouden met de historisch-ecologische waarde van het bos. Bossen die volgens de inventarisatie van Rövekamp en Maes (2002) oude inheemse bomen of struiken bevatten worden apart aangeduid en krijgen meestal een hogere waardering (zie toevoeging H). In het onderstaande zal blijken dat oude bomen en hakhoutvormen zich zowel in oude als jonge bossen en zelfs op spontaan dichtgegroeide heide kunnen voordoen.

Oude droge bossen Oude bossen zijn gedefinieerd als alle bossen die al in 1850 als zodanig op de topografische kaarten stonden. Het waren op het hele Veluwemassief slechts enkele snippers. De hooggelegen stuwwalgronden (moderpodzolen in gestuwde rivierafzettingen) rond Garderen en Kootwijk waren in principe geschikt voor bos. Grote oude malebossen, zoals het Speulderbos en het Sprielderbos, net over de gemeentegrens, liggen op deze gronden. Dergelijke bossen moeten ook bij Garderen en Kootwijk hebben gelegen, maar zijn op kaarten vanaf 1800 binnen de gemeente Barneveld niet meer te zien. De maalschappen van Kootwijk en Garderen waren ooit bosbeherende instanties. De officiële naam van de maalschap Kootwijk was immers "de Maelschap der geërfden in het Cootwycker bosch booven ende beneeden" (Crebolder e.a., 2004). De maalschappen zijn er blijkbaar niet in geslaagd het bos goed te beheren, maar het is ook mogelijk dat ze de prioriteit hebben gegeven aan agrarisch medegebruik van het bos. Al voor 1000 werd er in de meeste bossen gekapt en beweid met onder andere varkens. Dit leidde ertoe dat de eikels werden opgevreten, waardoor de verjonging stagneerde. Door begrazing en door plaggen van de bosgrond putte de bodem uit en werd hergroei moeilijker. Uiteindelijk degradeerde het bos daardoor tot heide, soms met verspreid staande bomen en eikenstruiken.

Dergelijke heideterreinen staan op de kadasterkaart van 1832 aangeduid als Heide met struiken. Burgemeester Nairac schrijft dat in het midden van de 17e eeuw in Kootwijk nog bijna jaarlijks beuken- en enkele lindenbomen in de verkoop gingen. Daarna noemt hij alleen nog 1717 als jaartal waarop nog zware eikenbomen zijn verkocht (Nairac, 1878). Opgaand bos bestond er toen blijkbaar niet meer. Het bos van de 19e eeuw bestond dus geheel uit eikenhakhout. Hakhout was relatief aantrekkelijk voor de maalschap, vanwege de kortere omlooptijden en de (vooral in de 19e eeuw) hoge hakhoutprijzen. We maken hier een onderscheid tussen ‘gewone’ oude bossen en oude bossen op stuifzand. 48 |

25

Oude droge bossen, niet op stuifzand (kd2a)

De bossen van deze eenheid liggen bij Garderen en Boeschoten. In Garderen betreft enkele hakhoutpercelen waarvan we vermoeden dat die al voor 1800 op voormalige akkers zijn geplant16. Ook wordt een strook bos langs de Apeldoornsestraat tussen de Generaal Majoor Kootkazerne en Oud Milligen tot deze eenheid gerekend. Mogelijk komt deze bosstrook voort uit een initiatief van de Maalschap Garderen die langs de weg, die toen nog door stuifzand en heide liep, bomenwallen en bosstroken aanlegde ter bescherming tegen wind die vaak stuifzand meebracht (Neefjes, 2006, p. 48). Ook elders langs de Apeldoornsestraat kunnen zich resten van deze aanplant bevinden, maar daar was de bosstrook veel smaller. Ook het grootste deel van het bos binnen de door wallen omgrensde kampontginning Boeschoten hoort tot het oude bos. Dit bos was in de 19e eeuw ook in gebruik als hakhout17. Een deel van dat hakhout bestond al in 1832 (volgens de eerste kadasterkaart) en een ander deel werd tussen 1832 en 1850 op heide of ‘heide met struiken’ aangelegd. Wallen binnen de kampontginning kunnen oude grenzen van bospercelen zijn. De wal op de buitenrand van deze bossen was tevens de veekerende wal van de hele kampontginning. Onbekend is of de hakhoutbossen bij Boeschoten zijn geplant of vooral te zien zijn als gedegradeerde restanten van oud bos.

Indien ze zijn geplant is dat waarschijnlijk gepaard gegaan met aanzienlijke grondbewerking, waarbij in de achttiende en negentiende eeuw soms meer dan een meter diep werd gespit. Van Oosten Slingeland (1958) en De Rijk (1985) wijzen op de zeer grote arbeidsinput die het diepspitten vergde. Historisch beeld Al het oude bos had in de negentiende eeuw het aanzien van hakhout. Het hakhoutareaal bestond vooral uit eiken, maar er werden ook andere bomen gehakt. De rotatieduur was gemiddeld tien tot twaalf jaar, maar dat kon variëren afhankelijk van het gebruiksdoel en de grondsoort. Het hakhoutareaal was in de 19e eeuw in uitbreiding vanwege de hoge eekprijzen. Buiten de grotere bossen lagen er kleinere stukjes bos dicht bij dorpen en tussen akkers. Deze bosjes vallen onder het agrarische landschap van de kampontginningen. Tegenwoordig beeld Tegenwoordig zijn de oude bossen minder gemakkelijk in het landschap te herkennen dan in 1850. Het contrast met de omgeving is vaak verdwenen, doordat ook de heide in de omgeving is bebost. Vaak hebben oude bossen nog steeds een kenmerkende ondergroei. Gebieden waar nog resten van vroeger hakhout zijn te zien (in de vorm van doorgeschoten hout, oude stoven, meerstammige bomen of spaartelgen) zijn aangeduid met de toevoeging H.

26

Oude droge bossen op stuifzand (kd2b)

Ten westen van Kootwijk ligt een oud bos dat bekend staat als De Boschberg (omstreeks 1900 Zwartenberg). In 1850 was dit het enige gebied rond Kootwijk dat als aaneengesloten bos op de kaart stond. Dit bos was toen in beheer als hakhout. De landschappelijke ligging is bijzonder. Het bos lag op de overgang van stuifzand naar gestuwde rivierafzettingen met moderpodzolen die nooit zijn verstoven. We gaan er van uit dat dit bos een van de laatste restanten is van het oude malebos dat hier ooit groeide. Doordat het op de oostrand van het stuifzand lag, heeft het steeds zand ingevangen dat met de overheersende westenwind werd meegenomen. Om die reden ontstonden duinen in het bos. De eiken groeiden met de duinen mee, en bleven in gebruik als hakhout. Het is goed mogelijk dat

16

Op basis van het West-Veluweonderzoek (rapportage in Neefjes, 2006) en Den Ouden en Spek (2007).

17

Zo blijkt uit de eerste kadasterkaart van 1832.

| 49

de Kootwijkse boeren dit bos extra zorgvuldig hebben beheerd, omdat het van belang was als barrière tegen het stuifzand. Tegenwoordig kenmerkt het bos zich nog steeds door duintjes begroeid met eiken die voortkomen uit het vroegere hakhout. Dit hout is door Rövekamp en Maes gekenmerkt als oud inheems materiaal (toevoeging H). Alleen centraal in dit gebied is een klein perceeltje later door naaldhout vervangen. Links op deze kaart uit 1850 het bos van de Boschberg.

Opgaand bos op de duinen van de Boschberg, met eikjes die voortkomen uit het hakhout. Onder de duintjes liggen waarschijnlijk de rijkere moderpodzolgronden van voor de verstuiving (foto Overland 188).

50 |

Jonge droge bossen 27

Jonge bossen op voormalige droge heide (hd2a)

De bebossing van de uitgestrekte droge heidegebieden in de gemeente Barneveld werd mogelijk doordat, dankzij de komst van kunstmest en andere meststoffen, de heide als beweidingsgebied voor schapen overbodig werd. Waar in de Gelderse Vallei nagenoeg alle heide werd omgezet in landbouwgrond, gebeurde dat op de hoge delen van de Veluwe slechts spaarzaam. Het overgrote deel werd bos. Deze eenheid komt vooral voor op de voormalige heidevelden ten westen van Garderen. Rond Kootwijk beslaan deze jonge bossen een kleiner areaal. Ze geven een beeld van de beperkte stukken heide die nog tussen het uitgestrekte stuifzand bleven bestaan. De heide rond Kootwijk is laat bebost, vaak later dan 1930. Waarschijnlijk komt dat omdat men hier prioriteit gaf aan de te bebossen stuifzanden. De inrichting van de bossen was afhankelijk van het doel. Meestal stond houtproductie voorop. Dan werd het bos door paden verdeeld in vierkante of rechthoekige blokken. Hier werd meestal naaldhout geplant. Grove den was het best bestand tegen de droge, arme en zure heidegrond. Bovendien bestond er vanuit de mijnbouw vraag naar dennenhout. De dennen werden zowel gezaaid als opgekweekt en geplant. Vanwege het brandgevaar in het dennenbos bestond de rand van een bosperceel, langs de bospaden, vaak uit een strook berken. De minder brandbare berken remden de uitbreiding van de brand.

De meeste jonge bossen zijn wat betreft hun wegenstructuur na hun aanleg niet veel veranderd. Soms zijn de oorspronkelijke padenpatronen vervaagd. De opstanden zijn vaak al weer aan een tweede of derde generatie toe. In sommige jonge bossen zijn in de tweede helft van de 20e eeuw villaparken en campings aangelegd. De jonge naaldhoutbossen worden landschappelijk en ecologisch meestal laag gewaardeerd. Ze staan bekend als weinig afwisselende ‘dennenakkers’. In hun grootschaligheid en monotonie herinneren ze echter nog aan de zeer uitgestrekte en als monotoon ervaren heide van vroeger. Grote terreinbeheerders en particuliere terreineigenaren vormen de naaldbossen nu vaak om tot loof- of gemengd bos. Een breder scala aan boomsoorten is nu mogelijk doordat, onder andere door een dikke strooisellaag, de bodemvruchtbaarheid hoger is dan vroeger op de heide. In de jonge bossen op voormalige droge heide zijn soms nog restanten van de vroegere heide te herkennen. Op open plekken kan nog heidevegetatie aanwezig zijn. Landschapselementen van de heide zoals karrensporen, grafheuvels en Celtic fields, kunnen in jonge bossen zijn te ontwaren. Waar bij het planten of herplanten van het bos de grond diep is bewerkt en geëgaliseerd, zijn deze sporen meestal vernietigd. Dat hoeft echter niet per definitie zo te zijn, omdat veel naaldbos is gezaaid. Jonge bossen kunnen oude bomen herbergen.

Dat kunnen oude solitaire bomen zijn die ooit op de heide stonden. De bomen onderscheiden zich van de andere bomen doordat ze veel breder en vaak ook kronkeliger zijn uitgegroeid. Bij de aanleg van het nieuwe bos kan hakhout op de heide zijn gespaard. Die hakhoutvormen kunnen nog in het jonge bos zijn terug te vinden (zie toevoeging H). In of langs jonge bossen kunnen landschapselementen liggen die te maken hebben met de aanleg van het bos: aarden wallen die schapen en wild vanuit de overgebleven heide moesten tegenhouden of resten van dennenkampjes om zelf zaad te kweken. Soms zijn ook berkenstroken te ontwaren.

| 51

Op deze kapvlakte, net ten oosten van de Stroesche Bergen en ten westen van Vogelenzang, is het verschil te zien tussen twee bostypen. Links op de foto jonge droge heidebebossingen (kaartcode 27) met naaldhout. Rechts op de foto niet in cultuur gebrachte droge heide met spontaan bos (kaartcode 30), met daarin veel eiken die zijn voorgekomen uit kreupelhout of eikenstruiken op de heide (foto Overland 189). Op het AHN-beeld (onder) is het verschil ook te zien. Links op het beeld heeft de bosbodem nog het oude heide-reliëf. Rechts (de heidebebossing) is te zien hoe de heidegrond is bewerkt, met om de 20 meter een ondiepe droge greppel.

52 |

Het bos op de Bemelerberg bij Garderen is een heel bijzondere vorm van een heidebebossing. De Bemelerberg is een pleistocene zandrug boven op de stuwwal. In 1832 en 1850 was dit duintje begroeid met heide en omgeven door de akkers van de Garderense Enk. Al in de Merovingische tijd moet dit landschapscontrast 18 hebben bestaan . Het feit dat op het duintje niet kon worden geakkerd, moet het geschikt hebben gemaakt als begraafplaats. Op het duintje is namelijk een Merovingisch en mogelijk Romeins grafveld gevonden. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd het duintje beplant met hakhout. De eiken op het duintje zijn uit dit hakhout voortgekomen. Het bos wordt door Rövekamp en Maes (2002) beschouwd als oud inheems (toevoeging H). Het vormt door de hogere ligging en de bosbegroeiing nog altijd een contrast met de omgeving (foto Overland 1553, genomen in 2006).

28

Jonge droge bossen op voormalig stuifzand (hd2b)

De bebossing van het enorme Kootwijkerzand is een van de grootste bebossingscampagnes geweest die ons land heeft gekend. Al in de negentiende eeuw werd door het provinciaal bestuur een start gemaakt met de bebossing. Toen werden een aantal bosstroken met grove dennen aangelegd die het stuifzand moesten beteugelen en schade aan de bouwlanden van Kootwijk en Essen moesten voorkomen. Ze stonden bekend als de Zanderdennen, de Essenerdennen en de Harskamperdennen. Omstreeks 1900 kreeg de bebossing een nieuwe impuls. In 1899 werd Staatsbosbeheer opgericht en het vastleggen van de stuifzanden was naast de houtproductie een belangrijk doel. De boerderijen Groot- en Klein Vogelenzand en de Grote Hoef werden aangekocht en gebruikt om vele miljoenen dennetjes op te kweken. Op het droge, arme stuifzand werden voornamelijk naaldbossen aangeplant omdat alleen deze bomen hier konden overleven. De bossen werden zowel op duinen als op meer vlakke, door stuifzand overdekte of juist uitgestoven terreinen geplant.

18

Zie ook Neefjes en Spek, 2014.

| 53

Het uitgestrekte Loobosch bij Kootwijk bestaat vrijwel geheel uit duinen. Het was niet gemakkelijk dergelijke duinen te bebossen, gezien de extreem arme bodem, de extreme temperaturen en de extreme droogte. Vaak gebeurde dat in fasen, waarbij eerst de meest geschikte delen (afhankelijk van lemigheid, aanwezigheid van een overstoven bodem, steilheid en richting van de helling) werden beplant. Nadat het eerste bos was opgekomen, werden de omstandigheden minder extreem, en breidde het bos (door natuurlijke uitzaaiing of door bosaanleg) zich uit over de rest van het stuifzandgebied (Neefjes, Cultuurhistorische Atlas van Nunspeet, in publicatie). In het Loobosch lijkt het, afgaande op kaartenreeksen uit de eerste helft van de 20e eeuw, in een keer te zijn gelukt om vlakdekkend bos te creëren. Op de kaarten is te zien dat steeds nieuw bosvakken werden gerealiseerd, en dat in de bestaande vakken niet of nauwelijks gaten vielen. Dat leverde een vrij uniform bos op, met bomen van gelijke leeftijd en grootte. De stuifzandbebossingen waren meestal in eerste instantie arm, met weinig bijgroei, en zonder gesloten boomkronen. Maar net als bij de heidebebossingen is de bodemvruchtbaarheid, mede door de strooiselopbouw, gestegen en wordt zwaarder bos mogelijk. Stuifzandbebossingen in gebieden met duinen, zoals het Loobosch, hebben een kronkelig padenpatroon.

De paden lopen rond de, nu met bos beplante, stuifduinen die enkele meters hoog zijn. In stuifzandbebossingen met weinig reliëf, zoals het Stroesche Zand, zijn de wegen rechter. Soms zijn er geen wegen te herkennen. Mogelijk zijn die nooit aangelegd omdat van het stuifzandbos nooit veel oogst werd verwacht.

Met bos begroeide stuifduinen in het Loobosch (foto Overland 195).

54 |

Niet gecultiveerde gebieden in het Veluws natuurgebied In de 19e eeuw bestond het hoge deel van de gemeente Barneveld grotendeels uit zogenaamde ‘woeste gronden’: heide en stuifzanden. Dat is niet altijd zo geweest. In de duizenden jaren die volgden op de laatste ijstijd was het grondgebied van Barneveld vrijwel geheel bedekt met bos. Het verdwijnen van dat bos hangt direct samen met landbouw. Al in de Prehistorie verdween bos door aanleg van akkers, door houtkap, door branden en door begrazing. Aan het eind van de Romeinse tijd nam het bosareaal weer toe, waarna het vanaf de Vroege Middeleeuwen weer afnam onder invloed van bevolkingsgroei en intensivering van de landbouw. De maalschappen van Garderen en Kootwijk zijn waarschijnlijk in eerste instantie ontstaan om dit bos te beschermen. De term ‘woeste gronden’ waarmee in de negentiende eeuw de heidegebieden werden aangeduid, is onterecht, gezien vanuit de gebruikers van de heide, de boeren. Tot ongeveer 1850 was de heide een onmisbaar element in het landbouwsysteem van de kampontginningen. Het vee dat er graasde – voornamelijk schapen – leverde, behalve vlees en wol, mest voor de akkers. Vanaf de Middeleeuwen ontstond het systeem van plaggenlandbouw. De mest en urine van het vee werd opgevangen op plaggen die op de heide waren gestoken. Het mengsel van mest en plaggen werd gebruikt om de akkers mee te bemesten.

In tijden van grote vraag naar wol (zoals in de 16e eeuw) of naar mest ontstond er een grote gebruiksdruk op de heide. Daar waar te intensief werd begraasd en geplagd, ontstonden stuifzanden. De maalschappen van Kootwijk en Garderen ontwikkelden gebruiksregels om te intensief gebruik van de heide te voorkomen. Dat de regulering vaak niet lukte, bewijst het grote areaal aan (voormalige) stuifzanden. De komst van nieuwe meststoffen zoals guano en kunstmest was een keerpunt in de geschiedenis van de heide en de stuifzanden. De heide werd overbodig voor de landbouw. Aan het intensieve plaggen en begrazen kwam een eind.

Droge heidegebieden 29

Niet ontgonnen droge heide, nog open (nd1a)

Van de enorme oppervlaktes aan droge heide die de gemeente in 1850 nog telde, is een relatief klein deel nooit ontgonnen tot landbouwgebied of bos. Het grootste heiderestant wordt gevormd door het Kootwijkseveld en de Stroese Heide, ten oosten van Stroe. Historisch beeld In 1850 waren de hooggelegen zandgronden van Barneveld nog grotendeels met heide bedekt. Het landschap was desolaat: open, zeer uitgestrekt en onbewoond. Landschapselementen als grafheuvels, karrensporen en grenswallen waren goed te zien. Aan de horizon waren de witte toppen van de stuifzanden te zien. De heide werd doorkruist door enkele doorgaande zandwegen, die vaak moeilijk begaanbaar waren. Paden of wegen waren, met uitzondering van de grote doorgaande wegen, vaak bochtig. Het tracé kon zich in de loop van tientallen jaren wijzigen. Een deel van de heide was niet open. Hier kwam kreupelhout voor, dat soms wel werd gebruikt als hakhout. Dergelijke gebieden werden aangeduid als heide met struiken. Soms stonden deze struiken op rijkere gronden, waar het bos relatief laat was verdwenen. Soms stonden ze ook in de buurt van nederzettingen of oude bossen. Vogels verspreidden de eikels over de heide vanaf deze plekken. Die jonge eikenscheuten konden door intensieve begrazing niet uitgroeien tot bos, maar wel tot kreupelhout of tot een enkele solitaire eik.

| 55

Tegenwoordig beeld In de gemeente Barneveld bestaan nog twee grote heideterreinen. Het Kootwijkseveld en de Stroesche Heide hebben nog steeds het uitgestrekte, open en verlaten aanzien van vroeger. Verschil is dat er nu bos aan de horizon te zien is. Verder bestaat deze eenheid uit kleinere heiderestanten temidden van heidebebossingen. Op de heideterreinen is het bijzondere reliëf vaak nog goed zichtbaar, zoals karrensporen, grafheuvels of natuurlijk reliëf. Terreinbeheerders, zoals Natuurmonumenten, Gelders Landschap of het Ministerie van Defensie, houden de heide nu open door het historische beheer toe te passen: plaggen (nu vaak machinaal) en vee inscharen.

De uitgestrekte Stroesche Heide, gezien vanaf de Houtbeekweg (foto Overland 222).

Grafheuvels op de Bergsham (foto Overland 1, genomen in 2006).

56 |

30

Niet in cultuur gebrachte heide, nu met (spontaan) bos (nd1b)

Een deel van de voormalige heideterreinen is spontaan met bos begroeid geraakt. Op topografische kaarten is op de heidevelden het ontstaan van plukjes bos te zien, die langzamerhand aaneen groeien. Door deze bossen lopen hooguit enkele paden. Ze zijn niet systematisch verdeeld in percelen. Open plekken en bosjes wisselen elkaar op grillige wijze af. Spontane bossen kunnen allerlei bomen in zich herbergen, afhankelijk van de nabijheid van zaadbronnen. Eiken en dennen komen het meeste voor. De eiken komen voort uit kreupelhout of hakhout dat ooit op de heide stond. Het hakhout is uitgegroeid tot vaak grillige bomen, die zich door uitzaaiing verder verspreidden. De eiken kunnen ook door uitzaaiing vanuit hakhoutplantages, houtwallen rond kampontginningen of oude bossen zijn verspreid. In dergelijk bos zijn vaak zeer fraaie eikenkringen zichtbaar. Spontaan bos met naaldhout of berken komt vaak voort door uitzaaiing vanuit aangrenzende heide- en stuifzandbebossingen. In spontaan bos komen vaak bomen voor van verschillende leeftijden en verschillende soorten. De oudste bomen – ooit solitairen op de heide – groeien zeer breed en grillig uit. Daartussen staan jongere bomen die in bos zijn opgegroeid en rechter en smaller zijn.

Het meeste spontane bos heeft een natuurlijk karakter, vanwege het leeftijdsverschil tussen de bomen, de afwezigheid van een monocultuur, de grillige overgangen tussen open plekken en bos en de afwezigheid van een systematisch wegenpatroon. De wegen die er liggen waren vaak al doorgaande wegen of paden in de tijd dat er nog heide was en zijn niet aangelegd om nieuwe bos te ontsluiten. Net als op open heideterreinen zijn er vaak nog karrensporen, grafheuvels of Celtic fields zichtbaar. Spontaan bos is soms nog maar enkele jaren oud. Zodra heideonderhoud in de vorm van maaien, plaggen, begrazen of branden wordt beëindigd, komt bosopslag op. Vrijwel al het bos van deze eenheid bestaat voor een groot gedeelte uit eiken voorgekomen uit eikenhakhout en kreupelhout dat verspreid op de heide stond (op de kaart met toevoeging H). Grote arealen liggen rond De Bergsham en de Stroesche Bergen.

Spontaan bos met eikenkringen die voortkomen uit vroeger hak- of kreupelhout op de heide, iets ten oosten van de Stroesche Bergen (foto Overland 187).

| 57

Kadertekst eikenkringen Vooral in de gemeente Barneveld komen veel eikenkringen voor. Deze bijzondere bomen geven het bos of de heide bijzonder, soms bijna sprookjesachtig aanzicht. Over de Veluwse eikenkringen is veel te doen geweest. Rövekamp en Maes (2002) beschouwden de kringen als resultaat van vele eeuwen hakhoutcultuur. Telkens als de bomen werden gekapt, werd de hakhoutstoof groter. De bomen in een eikenkring zouden via de ondergrondse stoof nog met elkaar verbonden zijn en feitelijk één individu zijn. Ze schatten de ouderdom van de grootste kringen op zo’n 1500 jaar. Later werd deze hypothese weerlegd door nader onderzoek in de Wildekamp, bij 19

Garderen . De eiken bleken hier te zijn kort gehouden door schapenvraat en niet (of hooguit in de laatste fase) door hakhoutcultuur. Dendrologisch onderzoek en 14C datering wees uit dat het hout niet ouder was dan de 19e eeuw. Op grond van dit onderzoek werd aannemelijk dat veel eikenkringen zijn ontstaan uit eikenkreupelhout. Door de hoge begrazingsdruk bleven de eiken klein en konden alleen lage takken (soms in of maar net boven het e

strooisel) naar buiten uitgroeien. Pas toen de begrazingsdruk afnam – vaak pas in de 20 eeuw - kon het kreupelhout naar boven uitgroeien. Door lichtconcurrentie konden alleen de buitenste afleggers, die in een kring lijken te staan, tot hogere bomen uitgroeien. Die bomen zijn vaak nog een of enkele malen geoogst als hakhout. Met deze weerlegging kregen de boomkringen een minder spectaculaire ouderdom. Toch zijn er redenen om er grote waarde aan toe te kennen. Ten eerste kunnen de boomkringen een hoge leeftijd vertegenwoordigen. Immers, ze zijn mogelijk vele eeuwen lang alleen vegetatief vermeerderd (niet door eikels). De ontstaanswijze van de vorm kan meerdere eeuwen in beslag hebben genomen. Ten tweede zijn de boomkringen van ecologische waarde. Ze worden gezien als bron van inheems genetisch materiaal; niet alleen de boomkringen zelf, maar ook de eventuele ondergroei. Ten derde vertellen de boomkringen het verhaal van het aftakelende bos, de opkomende heide, de grazende schapen en de hakhoutcultuur van de 19e en begin 20e eeuw. Ten slotte zijn de boomkringen zeer fraai om te zien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=f506c5e8-ad0e-4856-bd31-e8bc8d057247