CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Parapluherziening Cultuurhistorie-Cultuurlandschap_Toelichting_Bijlage 1 Studie historische landschappen

Gemeenteraad 7 februari 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Parapluherziening Cultuurhistorie-Cultuurlandschap21.962 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Historische landschappen van de gemeente Barneveld

Jan Neefjes | Overland | februari 2015

Colofon Deze studie is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Barneveld. Deze toelichting en de bijbehorende kaarten bestaan in papieren en in pdf-vorm. De achterliggende data zijn aan de gemeente geleverd als digitale bestanden. Jan Neefjes (Overland, Wageningen) voerde de inventarisatie uit en is de auteur van dit rapport. Regio-archeoloog Peter Schut trad op als opdrachtgever en verzorgde de inhoudelijke begeleiding.

Jan Neefjes | Overland | februari 2015

Inhoud

Inleiding .......................................................................................................................................... 5 1

Methodiek ............................................................................................................................... 7

2

Historische cultuurlandschappen van het agrarisch buitengebied .............................................. 9 Kampontginningen ............................................................................................................................. 9 1 Droge kampontginningen; engen (kd1) ................................................................................... 9 2 Vochtige kampontginningen (kn1a) ....................................................................................... 11 3 Bijzonderheid: kampontginningen met geprononceerde zandruggen (kn1ax) ..................... 14 4 Bijzonderheid: brede zandwallen op de rand van kampontginningen (kn1ay) ..................... 16 5 Jongere kampontginningen met keutervestiging (kn1c)........................................................ 18 Buitenplaatsen en oude bossen ....................................................................................................... 19 6 Buitenplaatsen (kn3) .............................................................................................................. 19 7 Vochtige oude bossen (kn2) ................................................................................................... 20 8 Beboste kampontginningen (kn4) ..........................................................................................

20 Broeken ............................................................................................................................................ 22 9 Regelmatig ingedeelde broeken, vanouds onbewoond met grasland (kb1a) ....................... 23 10 Regelmatig ingedeelde broeken, in 1850 met akkers en bewoning (kb1c) ........................... 24 11 Enigszins regelmatig ingedeelde broeken (kb2a)................................................................... 24 12 Onregelmatig ingedeelde broeken (kb3a) ............................................................................. 25 13 Beekbegeleidende broeken (kb4) .......................................................................................... 26 Veenontginningen ............................................................................................................................ 28 14 Verdroogde veenontginningen (vb3) ..................................................................................... 30 15 Uitgeturfde veenontginning met keutervestiging (vb5) ........................................................ 30 16 Veenontginning zonder strokenverkaveling (vb6) ................................................................. 31 Jonge ontginningen ..........................................................................................................................

33 17 Jonge vochtige landbouwontginning (hn1) ............................................................................ 33 18 Jonge vochtige heidebebossing (hn2) .................................................................................... 34 Niet of deels ontgonnen terreinen ................................................................................................... 36 19 Niet ontgonnen vochtige heide, deels met (spontaan) bos (nn1b) ....................................... 36 20 Niet- of deels ontgonnen veengebied (mb1) ......................................................................... 37

3

Historische cultuurlandschappen van het Veluws natuurgebied .............................................. 38 Agrarische- en gebruikslandschappen ............................................................................................. 38 1 Droge kampontginningen: enken en landbouwenclaves (kd1).............................................. 38 13 Beekbegeleidende broeken (kb4) .......................................................................................... 42 22 Bos op oud cultuurland (kd4) ................................................................................................. 43 23 Jonge droge landbouwontginning (hd1) ................................................................................ 46 24 Militaire terreinen op voormalige droge heide (hd5) ............................................................ 47 Bossen op het Veluws natuurgebied ................................................................................................ 48 25 Oude droge bossen, niet op stuifzand (kd2a) ........................................................................ 49 26 Oude droge bossen op stuifzand (kd2b) ................................................................................ 49 27 Jonge bossen op voormalige droge heide (hd2a) ..................................................................

51 28 Jonge droge bossen op voormalig stuifzand (hd2b)............................................................... 53 Niet gecultiveerde gebieden in het Veluws natuurgebied ............................................................... 55 29 Niet ontgonnen droge heide, nog open (nd1a) ..................................................................... 55 30 Niet in cultuur gebrachte heide, nu met (spontaan) bos (nd1b) ........................................... 57 31 Niet ontgonnen stuifzand, open of laag begroeid (nd2a) ...................................................... 58 32 Niet ontgonnen stuifzand, nu met (spontaan) bos (nd2b)..................................................... 60

4

Toevoegingen, bijzonderheden binnen de Histland-eenheden ................................................. 63

5

Waardering............................................................................................................................ 67

6

Toelichting op de geleverde digitale data................................................................................ 69

7

Literatuur en bronnen ............................................................................................................ 71

Kaartbijlagen K1 en K2 K3 W1 en W2 W3

Historische landschappen Gelderse Vallei (kenmerkenkaart) Historische landschappen Veluwemassief (kenmerkenkaart) Waarderingskaarten Gelderse Vallei Waarderingskaart Veluwemassief

Inleiding De gemeente Barneveld, opdrachtgever voor de voorliggende studie, beschikt over een arsenaal prachtige landschappen. Landelijk bekend zijn de uitgestrekte heideterreinen en bosgebieden op de Veluwe, waarbij de zandverstuivingen bij Kootwijk zelfs internationaal aanzien genieten. Maar ook in de Gelderse Vallei liggen landschappelijke parels. Denk aan het landgoed Bylaer of de Heuveltjes bij Voorthuizen. In contrast hiermee zijn er landbouwgebieden die dankzij hun uiteenlopende openheid, begroeiing, wegenpatroon en bebouwing zeer divers van karakter kunnen zijn. Al deze landschappen hebben historische wortels die tot duizenden jaren terug kunnen gaan. Vele generaties van vooral boeren hebben dit historische landschap vorm gegeven. Later deden ook landgoedeigenaren en bosbouwers mee aan de vorming van het landschap. Recent zijn dat ook natuurterreinbeheerders, projectontwikkelaars, waterschappen, wegenbouwers en overheden. De landschapshistorische kaarten en de voorliggende toelichting daarop geven inzicht in de verschillende historische landschappen die zo zijn ontstaan, hun ontstaanswijze, hun landschappelijke kenmerken en de waarde die we aan deze landschappen toe kunnen kennen.

Wie zich middels de kaart en deze toelichting verdiept in het Barneveldse landschap zal merken dat elk type landschap zijn eigen geschiedenis en daarmee zijn eigen bijzondere historische kenmerken heeft. Ook in de gebieden die niet direct als landschappelijke parel zijn te benoemen bestaat een landschappelijke diversiteit die het waard is met zorg omgeven te worden. Die diversiteit kan door recente ontwikkelingen zijn vervaagd, maar toekomstige ontwikkelingen kunnen een handvat zijn om historische landschapskenmerken weer te versterken. De gemeente Barneveld wil de landschapshistorische kaart gebruiken als informatie- en inspiratiebron bij toekomstige ontwikkelingen en ook een naslagwerk bieden aan ondernemers en bewoners van Barneveld. Daarom is getracht om tot een toegankelijke kaart met een toegankelijke toelichting te komen.

Afbakening Deze rapportage gaat alleen over de historische landschappen van de gemeente. De al bestaande historisch-landschappelijke indeling van Gelderland, Histland-Gelderland, is voor de gemeente verder uitgewerkt en middels (beperkt) veldwerk gecontroleerd. Landschapselementen zoals wegen, groenstructuren, waterlopen, gebouwde elementen of wallen zijn niet geïnventariseerd, al worden ze wel genoemd in beschrijvingen als toelichting op het type historisch landschap. In deze rapportage is ook geen biografisch verhaal opgenomen, het verhaal van de landschapsontwikkeling en van vroegere landschappen in de gemeente vanaf de Prehistorie tot nu.

Leeswijzer Deze rapportage bestaat uit een aantal delen. Het eerste hoofdstuk geeft een korte beschrijving van de gevolgde methodiek en van Histland-Barneveld, het geografisch informatiesysteem (GIS) waarop de kaarten zijn gebaseerd. Hoofdstuk 2 en 3 zijn gewijd aan de historische landschappen van de gemeente Barneveld. Het zijn toelichtingen op de kaarten met de historische landschappen. Hoofdstuk 2 gaat in op de historische landschappen van de Gelderse Vallei en is een toelichting op de kaartbijlagen K1 en K2). Hoofdstuk 3 behandelt de landschappen van het Veluwemassief (kaartbijlage K3). Niet alle bijzonderheden passen in de indeling van Histland. Daarom hebben sommige gebieden een aanvullende code. Deze codes zijn toegelicht in hoofdstuk 4 (Toevoegingen). Hoofdstuk 5 is een korte toelichting op de waarderingskaarten van de Gelderse Vallei (kaartbijlagen W1 en W2 en een van het Veluwemassief (kaartbijlage W3).

|5

Hoofdstuk 6 ten slotte, geeft een toelichting op de geleverde digitale producten, zoals het GIS Histland-Barneveld, de landschapsfoto’s en pdf-versies van de kaarten.

6|

1

Methodiek

Histland-Barneveld De landschapstypen op de kaart, en het GIS (geografisch informatiesysteem) dat erachter ligt, noemen we Histland-Barneveld.·. Histland deelt landschappen in naar hun ontginnings- en bewoningsgeschiedenis, voor zover herkenbaar in het huidige landschap. Twee aspecten zijn daarbij van belang. Het eerste aspect is de wijze van ontginning (kampontginning, broekontginning, etc.). De lijnen en structuren (wegen, wateren, verkavelingspatronen) die bij de ontginning in het landschap zijn aangelegd, vormen de basis van de ontwikkeling van het landschap. Ze zijn vaak nu nog herkenbaar. Tweede aspect is de latere gebruiksgeschiedenis en ontwikkeling van het landschap (verdroging, vernatting, intensivering, etc.). Ook deze ontwikkeling heeft zijn sporen in het landschap nagelaten. Histland is op landelijke schaal ontwikkeld door Alterra en op provinciale en plaatselijke schaal uitgewerkt door Overland. Het provinciale Histland-Gelderland is in de gemeente Barneveld op gedetailleerde schaal verder uitgewerkt en toegelicht. De voorliggende toelichting en de bijbehorende kaarten zijn hiervan het resultaat. In totaal zijn in het buitengebied van de gemeente Barneveld ongeveer 600 deelgebiedjes ingedeeld naar historische landschapstypen. De indeling berust onder andere op historische kaarten, waarbij de topografisch militaire kaart van 1850 het meest doorslaggevend is.

Dit was de eerste landsdekkende topografische kaart van Nederland, gemaakt door de Dienst der Militaire Verkenningen. In 1850 bestond in Barneveld nog zeer grote variatie aan historische landschappen die na een gebruiksgeschiedenis van soms duizenden jaren tot stand waren gekomen. Het landschap was het resultaat van voornamelijk agrarisch gebruik, dat van gebied tot gebied verschilde. Dat leverde vele regionale variaties op. Om de voorgaande landschapsgeschiedenis te achterhalen, is gebruik gemaakt van bodem- en geomorfologische kaarten en hoogtebeelden (AHN1 en AHN2). De bodem en hydrologie waren niet alleen bepalend voor de gebruiksmogelijkheden van de Barneveldse boeren, maar waren voor een deel ook weer het resultaat van hun wijze van ontginning, ontwatering en landbouw. Om de plaatselijke verschijnselen en ontwikkelingen te kunnen duiden is gebruik gemaakt van (beperkte) literatuurstudie. De serie boeken over de Barneveldse dorpen en buurschappen onder redactie van Crebolder en natuurlijk ook de beschrijvingen van de negentiende-eeuwse burgemeester Nairac bleken hierbij zeer waardevol. Ook is gebruik gemaakt van de resultaten van het WestVeluweonderzoek dat Overland in 2006 voor de provincie en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verrichte1.

Ten slotte is gebruik gemaakt van de digitale GIS-resultaten van andere studies, zoals de concept-inventarisatie van historische erven (Schut), kaarten van archeologische vondsten (Archis), kaarten van inheems materiaal in bossen en natuurgebieden (Rövekamp en Maes, 2002), kaarten met de ligging en ouderdom van alle panden (BAG), gemeente- en rijksmonumenten, kaarten van historische beken en sprengen (Menke e.a., 2007) en kaartlagen met elementen van de eerste kadasterkaart (1832) van de gemeente (Grift 2014). Ook na 1850 kregen de Barneveldse landschappen karakteristieken die we nu tot de historische kenmerken rekenen. Het landschap van de jonge ontginningen, de bebossingen en de broekgebieden was in de 19e eeuw nog volop in ontwikkeling. Pas in de eerste helft van de 20e eeuw waren deze landschappen min of meer ‘klaar’. Vandaar dat bij de indeling in historische landschappen ook de zogenaamde ‘Bonnekaarten’, die deze periode beslaan, zijn gebruikt.

1

Neefjes, 2006 en Neefjes, 2014

|7

Afbakening Niet heel Barneveld is in kaart gebracht. Bebouwde gebieden en sterk veranderde gebieden (zoals intensief gebruikte campings, ontgronde terreinen, snelwegen of opnieuw ingerichte natuurontwikkelingsgebieden) zijn buiten beschouwing gelaten. Overigens is het mogelijk om het systeem Histland ook binnen de bebouwde kom toe te passen. Een dergelijke kaart geeft een beeld van het landschap van voor de verstedelijking. Behalve door de stedenbouwkundige opzet wordt het karakter van veel wijken bepaald door dit ‘prestedelijke’ landschap. Een dergelijke inventarisatie is nu nog niet verricht.

Waardering Ontwikkelingen als de uitvinding van de kunstmest, verbeterde ontwatering, verbeterde ontsluiting, etc. maakten het in de loop van de 20e eeuw mogelijk het landschap steeds meer naar de hand van de gebruiker te zetten. Processen als schaalvergroting, nieuwe bebouwing, kanalisatie van beken, intensivering van de landbouw en verwijderen van houtsingels en sloten hadden vaak een nivellerend effect op de landschappelijke verscheidenheid. Dergelijke processen worden meestal beschouwd als een aantasting van het historische landschap. Deze aspecten komen tot uiting in de waardering van historische cultuurlandschappen. Hoofdstuk 4 gaat in op de systematiek van de waardering en op waarderingsklassen.

Veldwerk De kaarten zijn in principe het resultaat van bureaustudie. Om het landschap in te kunnen delen, om kwaliteiten en ensembles te kunnen herkennen en om de gaafheid te kunnen bepalen, waren slechts enkele dagen veldwerk beschikbaar. Dit was uiteraard te weinig om het grote grondgebied van Barneveld geheel te kunnen controleren. Daarom gebeurde veldwerkcontrole in combinatie met studie van luchtfoto’s, Google Maps, Bing Maps en Google Streetview. Bij het veldonderzoek zijn door Overland ruim 200 foto’s gemaakt, waarvan een klein deel in deze rapportage is opgenomen.

GIS Behalve de papieren kaarten en deze papieren toelichting is ook een digitaal product opgeleverd in de vorm van shapefiles die in een GIS (Geografisch Informatie Systeem) kunnen worden geladen. Op een computerscherm kunnen de verschillende kaartlagen op allerlei manieren worden getoond, en gecombineerd met andere kaartlagen (zoals archeologie, historische bouwkunde of nog te maken kaarten met historische landschapselementen en -structuren). Daarmee kunnen samenhangen of ensembles opgespoord worden en kan het inzicht op het historische landschap van de gemeente Barneveld in de toekomst verder worden verdiept. Hoofdstuk 5 bevat een toelichting op de bestanden van het GIS.

8|

2

Historische cultuurlandschappen van het agrarisch buitengebied

Kampontginningen Kampontginningen zijn de oudste ontginningen van de zandgronden. Ze ontlenen hun naam aan de vroegste vorm die ze hadden. Een kamp was een kleine, door wallen omgeven ontginning. In de Gelderse Vallei ontstonden de eerste kampen op de drogere gronden, waar akkers konden worden aangelegd. Die gronden lagen op overgang naar het hogere Veluwemassief en op de dekzandruggen die in de verder natte Gelderse Vallei net voldoende ontwaterd waren om akkerbouw mogelijk te maken. Een kamp bestond in eerste instantie uit een door wallen omgeven akker, waarbuiten een nog ‘woest’ gebied lag met bos, heide en groenlanden waar het vee kon worden geweid. Later werden dergelijke kampen uitgebreid en werden nieuwe wallen aangelegd. Soms was een kamp direct al groter en werden binnen een kamp direct graslanden en gebruiksbosjes opgenomen.2 Eeuwenlang bleef het areaal van de kampontginningen beperkt van omvang. Verdere ontginning ten koste van heide was slechts zeer beperkt mogelijk vanwege de essentiële rol van heide in het landbouwsysteem. Op de heide graasde vee (veelal schapen) en werd geplagd. Het rundvee graasde in de meer grazige lage gebieden, waaruit men ook hooi haalde voor de wintervoedering van het vee. In de Middeleeuwen ontstond het systeem van plaggenbemesting. De mest en urine van het vee werd opgevangen in een bed van bos- en heideplaggen.

Daarmee ontstond plaggenmest, essentieel om de vruchtbaarheid van de akkers op peil te houden. Vanaf ongeveer de 15e eeuw werd door het vele plaggensteken de organische bovengrond van de heidevelden steeds dunner. Er kwam zand mee met de plaggen en de mest werd zandhoudend. Door het eeuwenlang toedienen van zandhoudende plaggenmest werden akkers opgehoogd tot soms 1 m dikte. Om die reden werden de toch al hoger gelegen akkers nog wat hoger dan hun omgeving.

1

Droge kampontginningen; engen (kd1)3

De droge kampontginningen horen tot de oudste kampontginningen in de Gelderse Vallei. In het Barneveldse deel van de Gelderse Vallei betreft het de engen van Essen en Stroe die beiden op de overgang naar het Veluwemassief liggen. Stroe en Essen zijn waarschijnlijk dochternederzettingen van Garderen en Kootwijk die hoger op de stuwwal liggen en waarschijnlijk ouder zijn.4 De omgeving van Stroe en Essen bood hoge en droge gronden, met een ten opzichte van andere zandgronden meestal redelijke vruchtbaarheid.5 De kampontginningen die hier lagen groeiden aaneen tot grotere akkercomplexen die op de WestVeluwe eng of enk worden genoemd. Boerderijen, die in eerste instantie vaak nog op de zandruggen stonden, verhuisden daarbij naar de rand. Vaak ontwikkelden de bouwlandcomplexen zich tot grote open akkergebieden, zonder zichtbare perceelsscheidingen, zoals meidoornhagen of houtwallen. Er waren op de aaneengesloten akkers immers geen veekeringen nodig. Dit zogenaamde ‘open field karakter’ is op de engen van de West-Veluwe vaak niet aanwezig. De afzonderlijke eigendommen, zo is op negentiende-eeuwse kaarten te zien, werden omgeven door houtwallen, waarschijnlijk met

2

Kroes (1998) spreekt in dit verband van primaire en secundaire (later uitgebreide) kampontginningen.

3

Alle landschapstypen hebben een nummer en een code. De nummers van de landschappen zijn in de vlakken op de

landschappenkaart en de bijbehorende legenda terug te vinden. De codes (zoals kd1) staan ook in de database van het GIS en maken het mogelijk te vergelijken met andere gemeenten of de provinciale kaarten. 4

Zie onder andere Heidinga, 1984.

5

Waarschijnlijk liggen er zogenaamde moderpodzolen onder het plaggendek.

|9

eikenhakhout. Mogelijk geven de vaak kromme vormen van deze houtwallen de vorm van de oorspronkelijke kampen aan. Het centrale deel van de eng van Essen had echter wel een open-field. Veel engen op de flanken van het Veluwemassief zijn verdwenen onder de uitbreidende bebouwing van dorpen als Putten of Ermelo. Omdat Stroe en Essen klein zijn gebleven, bestaan die engen nog. Op de eng van Stroe is bebouwing verschenen, maar het gecompartimenteerde karakter is nog te zien, al is een deel van de houtwallen verdwenen. De eng van Essen heeft centraal nog steeds een open field karakter met aan de randen meer compartimenten. Een deel van de akkers is omgezet in grasland, maar nog steeds is er veel akkerbouw op de engen, nu is dat vaak maïs.

Boven: de eng van Essen omstreeks 1880 en nu. Het centrale deel had in 1880 een open field karakter. Aan de randen waren de perceelsgrenzen zichtbaarder. Bewoning lag aan de rand van de eng (op de vochtige kampontginningen, zie kaartcode 2). In het huidige landschap is het open field karakter nog aanwezig. Onder: de eng van Stroe was door houtwallen opgedeeld (gecompartimenteerd). De houtsingels zijn deels nog aanwezig.

10 |

De eng van Essen heeft nog steeds het karakter van een open akkercomplex (foto Overland 196). Die van Stroe heeft een gecompartimenteerd karakter (foto Overland 213).

2

Vochtige kampontginningen (kn1a)

De kampontginningen zijn de oudste ontginningen op vochtige (of beter: afwisselend natte en droge) zandgronden in de Gelderse Vallei. Hoewel delen van de Gelderse Vallei al in de IJzertijd werden bewoond, nemen we aan dat de vorming van het kampontginningenlandschap begon vanaf de Middeleeuwen.6 In wat nu de gemeente Barneveld is, was de bisschop van Utrecht een belangrijke grondbezitter en mogelijk ook initiator van ontginningen. Dit blijkt uit allerlei rechten op grond die de bisschop in veel later eeuwen nog had. Volgens Kroes (1998) had de bisschop al vanaf de 8e eeuw het recht op de woeste gronden en kon hij dus het initiatief nemen tot ontginningen of lasten opleggen aan ontginners. In het noorden ondernamen ook de abdijen van Elten en Paderborn ontginningsactiviteiten. Ze hadden hoven in respectievelijk Appel (Kemna) en Putten (de Kelnarij). Vanaf 1200 was het de graaf (later de hertog) van Gelre die een belangrijke rol had bij de ontginningen. Uit zeer oude bisschoppelijke rechten, zoals het Hondekoren, leidt Kroes af dat de Barneveldse ontginningen van de Gelderse Vallei begonnen op de dekzandruggen aan de oostrand, dicht bij het al vroeger bewoonde Veluwemassief. Daarna kwamen ook op de meer westelijk gelegen dekzandruggen ontginningen tot stand. We kunnen aannemen dat eerst de grootste dekzandruggen werden ontgonnen.

Naarmate de bevolking groeide kwamen ook de kleinere zandruggen aan de beurt. Kenmerkend voor de vochtige kampontginningen is de kromme lijn. Wegen, perceelsgrenzen, en waterlopen waren vaak bochtig. De vorm van akkers en weiden en de kampontginningen waren aangepast aan de natuurlijke hoogten en laagten en dat gold ook voor de wegen die er langs liepen. Alleen als uitgestrektere natte gebieden in cultuur werden gebracht, kwamen er meer rechte lijnen voor. Indien dergelijke gebieden een groter areaal vormen, staan ze afzonderlijk als broekontginningen op de kaart (zie kaartcodes 9 tot 13). Al in de natuurlijke situatie lagen er beken in de Gelderse Vallei, maar om grotere delen van het gebied in cultuur te brengen moest de ontwatering worden verbeterd. Daartoe werden sloten en beken gegraven. Kroes gaat er van uit dat ook beeklopen werden rechtgetrokken. Historisch beeld Ooit bestond een groot deel van de Barneveldse Gelderse Vallei uit vochtige heide met daarbinnen afzonderlijke kampen. Op de oudste vlakdekkende topografische kaarten uit de negentiende eeuw zien we dat deze kampen zijn aaneengegroeid. Het kampenlandschap bestond toen uit verspreid 6

Zoals blijkt uit recente opgravingen in Harselaar West, zie o.a. Schut (2014)

| 11

liggende boerderijen met akkers op de wat hogere gronden. De boerderijen stonden op een lage rand van deze hoger gelegen akkers. De hogere akkers staken met een met hakhout begroeide steilrand af tegen de lagere gronden met graslanden, veentjes en bosjes. Ook waren er percelen met heiderestanten. De perceelsindeling en wegenstructuur was onregelmatig en bochtig. Plaatselijk (vaak in wat nattere gebieden) kwamen ook wat meer rechte lijnen voor. De boerderijen hadden, net als de wegen waar aan ze lagen, steeds een andere oriëntatie. Het landschap was besloten. Er waren bosjes en veel perceelsscheidingen in de vorm van hagen en elzenhout. Waarschijnlijk hadden veel boerderijen een eigen bosje met opgaand hout. De rest van het bos en de houtwallen bestonden uit hakhout en waren lager. Kroes (1998) geeft voorbeelden van de verschillende vormen van de oorspronkelijke kampontginningen, die soms nog vaag op de negentiende-eeuwse kaarten zijn te herkennen. Soms waren oude grenzen van afzonderlijke kampen nog te zien in de vorm van oude wallen, die in veel gevallen de grensfunctie en veekerende functie tussen heide en kamp hadden verloren, maar nog wel een bezitsgrens tussen verschillende kampen konden vormen.

Passavant bracht in 1697 de oude tiendrechten in kaart. Op zijn kaarten is te zien dat veel kampontginningen, zoals in dit geval de omgeving van Zeumeren, nog het karakter hadden van een in cultuur gebracht eiland te midden van heide (het noorden is linksonder). Op de topografische kaarten uit de negentiende eeuw hadden de kampontginningen dit eilandkarakter al grotendeels verloren. De kampontginningen van Zeumeren waren aaneengegroeid met die van Voorthuizen.

12 |

Tegenwoordig beeld Tegenwoordig is het landschap van de kampontginningen dichter bebouwd geraakt. Het aantal woningen en boerderijen (vaak inmiddels weer burgerwoningen) is toegenomen en ook de oppervlakte van de erven en stallen is vaak enorm gegroeid. Plaatselijk is de bebouwing daardoor het oorspronkelijke beeld gaan overheersen. Buiten de bebouwde gebieden, verder weg van de wegen, is het landschap grootschaliger geworden. In de loop van de 20e eeuw zijn percelen samengevoegd en zijn perceelsgrenzen rechtgetrokken. Veel van het opgaande groen is verdwenen. Slechts hier en daar bestaan nog begroeide perceelsgrenzen, vaak bestaand uit elzen-singels. Het kenmerkende kronkelige wegenpatroon is echter in veel gevallen blijven bestaan. In het kampenlandschap staan nog vrij veel oude boerderijen en vaak hebben de boerderijgebouwen nog steeds hun kenmerkende wisselende oriëntaties. Plaatselijk bestaat nog een aantrekkelijk afwisselend landschap met karakteristieke elementen (bochtige weg, hoogteverschil tussen akker en weg, opgaand geboomte en boerderijen). Het kampenlandschap is goed bewaard gebleven in gebieden met landgoederen. De oorspronkelijke percelen, perceelsgrenzen, boerderijen en bosjes bleven hier in stand. Vaak is het bosareaal toegenomen, waarbij zowel heide als akkers en graslanden zijn bebost met opgaand hout.

Ook het vroegere hakhout is hier vaak omgezet in opgaand eikenbos. Landgoederen zijn daarom lommerrijker dan de oorspronkelijke kampontginningen waren. Op landgoederen wordt het landschap bovendien vaak doorkruist door enkele fraaie lanen. Gebieden met een landgoedkarakter (fraaie afwisseling open gebied en opgaand groen, aanwezigheid lanen of huis) staan op de kaart met de indicatie L.

Relatief gave vochtige kampontginningen aan de Hulstweg in Essen, met kromme wegen, walrestanten met oude eiken, voortgekomen uit hakhout, greppel of sloot, en oude boerderijplaatsen (foto Overland 202).

| 13

Kampontginningen in de omgeving van Esveld, omstreeks 1900 (linksboven), op AHN-hoogtebeeld (rechtsboven) en in de bestaande situatie (midden onder). Wat opvalt is dat veel van het groen is verdwenen, de hoeveelheid agrarische bebouwing is toegenomen, en er meer rechte perceelsgrenzen zijn. Op het AHNbeeld is te zien dat de karakteristieke hoogteverschillen, deels natuurlijk deels door het eeuwenlang opbrengen van plaggenmest, nog bestaan. Ook het bochtige wegenpatroon en de wisselende oriëntatie van gebouwen bestaat nog.

3

Bijzonderheid: kampontginningen met geprononceerde zandruggen (kn1ax)

Het landschap van de kampontginningen bestaat uit zowel als de hoger gelegen zandruggen die vanouds als akker in gebruik waren en mogelijk de oudste kernen van de kampontginningen vormen, als de tussen gelegen lagere gebieden, vroeger in gebruik als grasland, veenput, nat bos of natte heide. Vaak is dit landschappelijke onderscheid vervaagd, maar in Barneveld zijn een aantal zandruggen nog goed zichtbaar door hun hogere liggen. Die zijn daarom apart op kaarten aangegeven. De ruggen die met deze code op de kaart staan liggen meestal op landgoederen. Ze worden omzoomd door houtwallen op de rand van de ruggen. Een deel van de ruggen is bebost geraakt. Ook de lagere gronden (heide, weiland) buiten de ruggen is vaak bebost in het kader van landgoedaanleg.

14 |

Boven: hoger gelegen ruggen op het landgoed Bylaer op een recente topografische kaart, een kaart van omstreeks 1900 en een hoogtebeeld (AHN2). Op de kaarten is te zien dat de kleinschalige landschapsstructuur op dit landgoed zeer goed intact is gebleven. Een deel van de kleine door bosstroken en houtwallen omzoomde akkers bestaat nog steeds. Enkele akkers zijn omgezet in bos. Dat geldt ook voor de heide (roze gespikkeld op de kaart van 1900). Op het hoogtebeeld is de sterke relatie tussen de ligging van de oude akkers met de hoger gelegen zandruggen te zien. De hoogteligging varieert van 5,5 meter + NAP (donkerblauw) tot 8,5 meter + NAP (rood).

Eén van de ruggen op het landgoed Bylaer, nu in gebruik als grasland en fraai omzoomd door houtwallen en bos. Een deel van de rug is bebost, vaak ook weer met het doel het geheel te verfraaien, zoals de groep rode beuken op de achtergrond doet. Direct rechts van het pad is een steilrand naar de lagere omgeving van de rug (foto Overland 53).

| 15

4

Bijzonderheid: brede zandwallen op de rand van kampontginningen (kn1ay)

Kampontginningen werden vanouds omgeven door een wal met daarop hakhout en stekelige struiken die diende om vee en wild van de heide te keren. Bij Voorthuizen bestaan deze wallen nog steeds en hebben ze een opmerkelijke breedte en hoogte. Ze zijn dermate omvangrijk dat ze als een apart landschapstype zijn onderscheiden. Deze zandwal is een landschappelijke bijzonderheid in de verder tamelijk vlakke Gelderse Vallei, vandaar dat er in het onderstaande veel aandacht voor is. In het laatste ijstijd moeten deze zandruggen zijn uitgeblazen, waarschijnlijk uit een laagte (nu een broekgebied) direct ten noorden van de bebouwde kom van Voorthuizen. Een deel ervan werd in de Middeleeuwen tot kampontginning gemaakt en in gebruik genomen als akker. De noordelijke rand, het hoogste deel van deze zandduinen, werd gebruikt als een natuurlijke afscheiding met de Appelsche Heide. Later kwam ook de gemeentegrens op deze rand te liggen. Waarschijnlijk werd de noordrand op de grens met de heide extra steil gemaakt om de veekerende werking te versterken. De wal was beplant met hakhout en moet op de rand naar de Appelsche heide daarnaast doorgroeid zijn geweest met stekelige struiken voor het veekerende effect. De hoogte van de wal beslaat enkele meters. Tegenwoordig is de zandwal nog goed in het landschap herkenbaar door het reliëf en de begroeiing met bos.

Meestal zijn dit eiken die uit het vroegere hakhout zijn voortgekomen. Daar waar de wal nog de noordelijke omzoming van de akkers vormt (een deel van die akkers is bebouwd geraak), is dit zichtbaar als een fraai landschappelijk contrast. De scherpe landschappelijke overgang naar de Appelsche Heide is minder uitgesproken geworden, omdat deze in cultuur is gebracht met landbouwgrond en bos. De wal steekt enkele meters boven de achterliggende Appelsche Heide uit. Soms is de wal lager. Daar heeft hij meer het uiterlijk van een door mensen op geworpen wal. Bij het Wilbrinkbos is de wal juist erg hoog, zo’n meter of vijf. Hier heeft hij het karakter van duinen. Hier en daar liggen laagten in de wal, die lijken op doorgangen naar de Appelsche Heide. Ze zijn te interpreteren als driften. In dat geval zouden de Voorthuizense boeren gebruiksrechten moeten hebben gehad op de Appelsche Heide.

Ten noorden van de Voorthuizen lijkt de zandwal de grenzen te vormen van een oude veedrift (feitelijk een naar binnen wijkend stuk heide tot in de kampontginning). De wal voorkwam dat het vee vanaf de drift op de akkers en weiden van de kampontginning kon komen. Ook de schaapskooi aan het eind van deze heideuitstulping wijst op het bestaan van zo’n veedrift. Als deze structuur inderdaad als veedrift heeft gediend, moeten de Voorthuizense boeren rechten hebben gehad op de Appelsche heide. Rechts is te zien dat deze structuur nog heel goed in het landschap herkenbaar is, al is de heide nu veranderd in bos, bouwland en bewoning.

16 |

Boven: voormalig eikenhakhoutbos op de wal dicht bij de boerderij Dusschoten ten noordoosten van Voorthuizen. Direct daarachter liggen de enkele meters lager gelegen landbouwgronden op de vroegere Appelsche Heide (foto Overland 130).

Boven: in het Wilbrinkbos steekt de zandwal bijna tien meter boven de omgeving uit en staat vanouds bekend als de ‘Voorthuizer Heuveltjes”. De heuveltjes waren waarschijnlijk alleen plaatselijk met een hakhoutwal begroeid, maar zijn door de eigenaren van het toen nieuwe huis Zandbergen omstreeks 1800 verder bebost. Al vroeg in de twintigste eeuw waren de heuveltjes al een bezienswaardigheid. Er gingen zelfs schoolreisjes naar toe vanuit de omliggende dorpen (Crebolder e.a., 2009). De eiken op de linker foto komen waarschijnlijk voort uit vroegere hakhoutcultuur. Hun blootgelegde wortels laten zien dat de veel bewandelde wal aan erosie onderhevig is. Op de rechterfoto de fameuze beukengroep de Twaalf Apostelen. Hoewel niet is uit te sluiten dat deze boomgroep als hakhout is geëxploiteerd, zoals Crebolder suggereert, is het waarschijnlijk dat de bomen bewust als samengestelde boom zijn aangeplant als sierelement in een park. Omstreeks 1850-1900 was het mode om 12 beukenstammen dicht bij elkaar te planten die dan de 12 apostelen werden genoemd (Albers, 2010). Om deze reden zouden de Voorthuizer Heuveltjes ook als onderdeel van de bij het huis 7 Zandbergen horende buitenplaats kunnen worden beschouwd (zie ook kaartcode 6) .

7

Met dank aan suggesties van Patrick Janssen en Martijn Boosten (Probos, Wageningen). Albers (2010)

| 17

5

Jongere kampontginningen met keutervestiging (kn1c)

Kampontginningen kunnen variëren in ouderdom en in aard van de ontginning. Een deel is heel oud en heeft een middeleeuwse kern met een oude boerderij op of aan een hogere zandrug. Een deel is veel jonger. Naarmate de bevolking groeide, kwamen er meer landloze boeren. Keuters vestigden zich aan de rand van oudere kampontginningen of soms midden op de heide. Zonder uitgebreide studie zijn deze jongere en oudere kampontginningen niet voor de hele gemeente van elkaar te onderscheiden. Enkele gebieden waarvan de oudere topografische kaarten en de bodemkaart de indruk geven dat ze jonger zijn en dat er keutervestiging heeft plaatsgevonden staan echter met een speciale markering op de kaart. Over het algemeen ligt dit landschapstype op wat nattere gronden. Er zijn meestal geen boerderijen ouder dan de 17e eeuw. In de 19e eeuw was dit een kleinschalig landschap, meestal met veel hagen en houtsingels. Er was relatief veel grasland. De boerderijen waren kleiner. Tegenwoordig is het kleinschalige karakter meestal verdwenen. Vaak zijn deze gebieden nu omringd door broeken en jonge ontginningen. Soms liggen ze aan de rand van kampontginningen. Binnen het vaak rechtlijnige landschap van de jonge ontginningen verraden deze kampontginningen zich door enkele kromme perceelsgrenzen. Soms zijn er nog kenmerkende kleine huizen en boerderijtjes.

Soms zijn de kleine boerderijtjes vervangen door grotere (land)huizen.

De kleine ontginningen De Kuit en De Veldhorst op de heide ten noordoosten van Kootwijkerbroek omstreeks 1850 en nu. In de jaren na 1850 groeiden deze twee keuterontginningen aaneen. Na 1900 werd de omliggende heide ontgonnen. Op de huidige topografische kaart zijn de afwijkende kromme lijnen nog te zien ten opzichte van de rechte lijnen van de omliggende jonge ontginningen.

18 |

Buitenplaatsen en oude bossen 6

Buitenplaatsen (kn3)

Buitenplaatsen bestonden uit een voornaam huis, een parkachtige tuin en waterpartijen en soms ook wandelbossen. De Barneveldse buitenplaatsen liggen in het lage deel van de gemeente. Hier was water voorhanden voor de grachten rond het huis en de vijvers. Verreweg de grootste, bekendste en meest glorieuze buitenplaats in de gemeente is De Schaffelaar, waartoe we ook het achterliggende Schaffelaarsche Bosch met sterpatroon rekenen. We gaan hier niet in op de bouwhistorie en de ontwerpaspecten van het buiten, maar geven wel enkele opmerkingen over de historischlandschappelijke ontwikkeling in relatie met het landgebruik. De zuidelijke kern van deze buitenplaats is gesticht op kampontginningen waarvan ook Barneveld deel uit maakte. Het vroegere huis Hackfort, gelegen op de nog steeds omgrachte Koeweide, was omgeven door relatief goed ontwaterde gronden in gebruik als akker.8 Naarmate de buitenplaats rond dit huis vorm kreeg, met lanen, bossages, solitaire bomen, en waterpartijen, bleef de landbouwproductie een rol spelen. Nog in de negentiende eeuw waren er nog vooral akkers, maar al vanaf het begin van de 20e eeuw ging grasland de boventoon voeren. Nog steeds is er een boerderij en een schaapskooi op het buiten. Het bosgedeelte is waarschijnlijk aangelegd op vochtige heide. Ook dit deel van de buitenplaats was zowel op esthetiek als op productie gericht.

In het noordwestelijk deel werd vanaf de Esvelderbeek een beek naar het huis gegraven, die de grachten voedde. De beek is inmiddels verbreed tot een aantal fraaie vijvers die door bos zijn omgeven. De veertien lanen van het Sterrenbos meer oostelijk omgrensden plantages met hakhout. Deze hakhoutpercelen zijn later omgezet in opgaand bos. Inmiddels herstelt de huidige eigenaar, Geldersch Landschap, het hakhoutbeheer. Jaar voor jaar wordt het opgaand bos op een van de 14 taartpunten tussen de lanen weer omgezet in hakhout9. Veel kleiner, maar zeker zo fraai is de omgeving van het vroegere huis Zandbergen bij Voorthuizen, onderdeel van het tegenwoordige Wilbrinkbos. Al in de achttiende eeuw lagen hier een aantal akkers die aan de noordkant werden omzoomd door de Voorthuizer Heuveltjes en onderling werden begrensd door houtwallen. Het complex staat op de kaart van De Man (omstreeks 1800) als Heuvelkamp. Nadat de vroegere herberg De Roskam in 1795 was verwoest, werd een nieuw huis gebouwd. De heuveltjes en de heide ten oosten van het huis werden toen bebost. De landschappelijke structuur van de met groen omgeven akkertjes bleef gehandhaafd, waarbij het groen rond de akkers mogelijk werd geaccentueerd. Nog steeds wordt het huis omgeven door kleine door groen omgeven percelen. Verder van het huis zijn de percelen iets groter en vormen ze een mooi contrast met de beboste heuveltjes.

Het is niet helemaal duidelijk in hoeverre dit gebied doelgericht ontworpen is, maar het geheel vormt een dermate fraai landschappelijk ensemble dat we het onder de buitenplaatsen rekenen. Ook de Voorthuizer Heuveltjes zien we als onderdeel van dit ensemble, en dus van de buitenplaats, maar op de kaart staan ze onder legenda-eenheid 4, brede zandwal op de rand van kampontginningen. Ten slotte is het Wandelpark Oosterbos in Barneveld onder de buitenplaatsen gerekend. Omstreeks 1800 was dit nog een nat gebied, dat we landschappelijk onder de enigszins regelmatige broeken zouden rekenen. Het bos is aangelegd in de eerste helft van de 19e eeuw. In 1900 stond het als wandelbosch op de kaart, en nog steeds wordt het als wandelpark gebruikt. De richting van de perceelsgrenzen uit de achttiende eeuw is nog de structuur van de huidige lanen en paden te herkennen.

8

Dit blijkt ook uit het gegeven dat hier enkeerdgronden liggen, met een dik plaggendek.

9

Website Geldersch Landschap en Kasteelen.

| 19

7

Vochtige oude bossen (kn2)

De wat grotere vochtige bossen staan als afzonderlijke eenheden op de kaart. De kleinere bossen maken onderdeel uit van andere landschappen, waar ze vaak hoorden bij boerenerven. Ze waren in gebruik als hakhout, als opgaand hout of als knot- en snijhout. Een deel ervan bestaat nog steeds, maar is dus niet onderscheiden op de landschappenkaart. Er zijn in Barneveld slechts twee grotere vochtige bossen, die beiden te maken hebben met grootgrondbezit. Een deel van het Wilbrinkbos is er tot deze eenheid gerekend. Het is aangelegd op vochtige heide tussen 1800 en 1850. Anders dan in het aangrenzende gebied, dat als buitenplaats van het huis Zandbergen wordt beschouwd, is hier geen slingerend padenpatroon maar een rechte padenstructuur aangelegd, afgeleid van de richting van de Apeldoornsestraat, de vroegere Straatweg. We gaan er van uit dat het in de eerste plaats als productiebos is aangelegd. Een ander oud bos ligt iets ten noordoosten van Terschuur in een gebied met landgoedkarakter (toevoeging L). Dit bos, gelegen in een langgerekte laagte, vormt landschappelijk een fraai contrast met de er naast gelegen langgerekte rug met bouwland. Vochtige bossen hebben vaak voorzieningen om een droge groeiplaats te creëren. Er werden ruggen met tussenliggende greppels aangelegd, die ook wel rabatten worden genoemd. Daarmee werd een deel van het maaiveld boven het grondwater uitgetild.

Boomsoorten waren, afhankelijk van de vochtigheid, elzen, wilgen, berken of eiken. Hoogtebeeld (AHN2) van het oude deel van het Wilbrinkbos. De afwisseling van ruggen en greppels is goed te zien. Ook valt de rol van de Apeldoornsestraat op, die het bos doorsnijdt, en waar de richting van de paden en bospercelen op is afgestemd. Voordat de Apeldoornsestraat hier als staatweg werd aangelegd, lag hier al een Hessenweg, en ook ver daarvoor was dit al een belangrijke route over de heide. De zuidwest-noordoost gerichte sporen zijn te interpreteren als oude karrensporen op de heide, die van het vroegere verkeer afkomstig moeten zijn.

8

Beboste kampontginningen (kn4)

Van de bossen in de Nederlandse zandgebieden is een deel aangelegd op voormalige akkers. Met name vanwege de hoge eekprijzen in de tweede helft van de negentiende eeuw en de lage prijzen voor landbouwproducten tijdens de landbouwcrisis vanaf 1880 werd het aantrekkelijk om akkers met hakhout te beplanten. Vooral grootgrondbezitters gingen hier toen toe over. Vrijwel alle beboste kampontginningen liggen dan ook in gebieden met een landgoedkarakter (toevoeging L, zie hoofdstuk 4). In de gemeente Barneveld betreft het vooral percelen op het landgoedgebied Bylaer en Kallenbroek. Zowel de voormalige akkers (vaak op smalle ruggen, zie eenheid 3) als de tussenliggende laagten met grasland kunnen zijn bebost. Op de landgoederen is niet alleen vanuit economische maar ook vanuit esthetische motieven bebost. Daarom kunnen ook andere boomsoorten voorkomen, waaronder naaldbos of rode beuk in boomgroepen (zie foto op pagina 15). In de bossen zijn de

20 |

steilranden en wallen rond de vroegere akkers te zien. Restanten van vroegere hakhoutcultuur kunnen zijn te herkennen in de boomvormen. Ook het Johannabosch en Boslust ten zuiden van Voorthuizen vallen onder deze eenheid. Ze zijn omstreeks de jaren ’20 van de twintigste eeuw aangelegd als naaldbos, het Johannabosch vooral op akkers en Boslust op voormalig grasland. Daarnaast zijn er verspreid over Barneveld kleine bosjes aangeplant op kamp- broek en veenontginningen. Deze zijn niet als aparte landschappen onderscheiden.

Zandrug met bos op voormalige akker op landgoed Bylaer. De eiken op de rand zijn waarschijnlijk restanten van de vroegere houtwal rond de akker. Het afgestoken bodemprofiel toont een diepe donkere grond, ontstaan door eeuwen van plaggenbemesting uit de tijd van voor de bebossing. Dit perceel is overigens vrij laat bebost. Het naaldbos stamt uit de twintigste eeuw (foto Overland 56).

| 21

Broeken Oude ontginningen op natte zandgronden en venige gronden noemen we broeken. Ze zijn ontgonnen vanaf de Middeleeuwen. De broekgebieden waren al voor ontginning populair bij de boeren. Er bestond daar grond-wateraanvoer waarin nutriënten waren opgelost en daardoor waren ze weliswaar erg nat, maar ook relatief vruchtbaar en geschikt om rundvee op de weiden of wintervoer te winnen. Op venige plekken kon bovendien turf worden gestoken. Door deze gronden met sloten te ontwateren en te bemesten konden ze nog productiever worden gemaakt. De graaf of hertog van Gelre bezat de rechten op deze nog niet ontgonnen gronden. Vooral in de 14e eeuw was er een grote ontginningsgolf in de Gelderse Vallei gaande die werd gestimuleerd door de hertogen van Gelre. Tegen betaling van tijns konden de boeren, vaak uit nabijgelegen oudere kampontginningen, de ontginning ter hand nemen. Overigens kan het zijn dat in een te ontginnen gebied zowel kampontginningen als broekgebieden tot stand kwamen, zo laat Kroes (1998) zien. Zo lagen in het Garderbroek zowel gebieden met zandruggen als lager gelegen en nattere gebieden. Op gebieden met zandruggen ontstonden kampontginningen met kromme lijnen en een afwisseling van akkers en graslanden. Hier ontstond ook de bewoning. De lagere gebieden werden met een patroon van veelal rechte sloten ontwaterd.

Ook de wegen waren recht en in eerste instantie lagen er vooral graslanden. Aan de perceelsindeling zijn nog steeds de wijze van ontginning en de natuurlijke omstandigheden bij ontginning af te lezen. Min of meer grootschalige broeken zijn planmatig ontgonnen en kregen meestal een regelmatige perceelsindeling. Minder planmatig ontgonnen gebieden of gebieden met veel natuurlijke onderbrekingen (zandruggetjes, stroompjes) kregen een onregelmatige indeling. We gaan er doorgaans van uit dat veel broekgebieden in eerste instantie onbewoond bleven en dat men in eerste instantie op of bij de kampontginningen op de zandruggen woonde. Maar doordat bij de ontginning ook de ontwatering werd verbeterd, hoeft dat niet per definitie het geval geweest te zijn. In Barneveld raakte uiteindelijk een groot deel van de broeken na de ontginning bewoond, doordat in de loop der eeuwen de ontwatering verder verbeterde. Niet alle broekgebieden zijn in de 14e eeuw ontgonnen. De maalschappen lieten sommige broekgebieden en natte heidegebieden met opzet onontgonnen. Ze moesten dan wel door betaling van tijns de rechten van de graaf van Gelre overnemen. Deze gronden bleven in gebruik als gemeenschappelijke groenlanden, vaak ook meenten genoemd, of als heidevelden. Vaak werden ze later alsnog ontgonnen. Ook deze gebieden rekenen we onder de broekgebieden. Als ze na ca.

1850 zijn ontgonnen, zijn ze bij de jonge ontginningen ingedeeld. De broeken zijn verder onderverdeeld naar de regelmaat van de structuur en de aanwezigheid van bewoning halverwege de 19e eeuw. De regelmatig ingedeelde broeken beantwoorden het meest aan het beeld dat we van de broekontginningen hebben. Aan hun min of meer regelmatige opbouw is het planmatige karakter van de ontginning af te lezen. Op kaarten zijn ze te omgrenzen als een landschappelijke eenheid. Ze zijn vanouds ingedeeld in rechthoekige blokken of stroken. Afhankelijk van de mate waarop men er in geslaagd was de ontwatering te verbeteren waren er broeken die vooral als grasland in gebruik waren en broeken waar ook akkerland en bewoning mogelijk was.

22 |

9

Regelmatig ingedeelde broeken, vanouds onbewoond met grasland (kb1a)

Deze broekgebieden en waren in 1850 niet of nauwelijks bewoond. Het waren uitgestrekte gebieden met grasland, soms afgewisseld door een perceel natte heide. De percelen waren meestal stroken of langwerpige blokken. Langs de rechte perceelsgrenzen lagen sloten en/of houtsingels. In de gemeente Barneveld beantwoordt slechts één broekgebied aan dit beeld: het Essenerbroek. Op negentiende-eeuwse kaarten is te zien dat het broekgebied is verdeeld in lange stroken grasland. Die zich vanaf een zandrug met kampontginningen in het noorden naar het zuiden uitstrekken, tot op de grens met de gemeente Ede. Bijzonder is dat de Kleine Valkse beek dwars door het strokenpatroon heen loopt. Het lijkt alsof de perceelsindeling ouder is dan de beek. Het kan ook zijn dat men bij de indeling van dit gebied stroken heeft uitgezet tot op de gemeentegrens en daarbij het beekloopje heeft genegeerd. De strookvorm is in het Essener Broek nog steeds goed te herkennen. Houtsingels zijn echter vrijwel geheel verdwenen. Het broek is gedeeltelijk bebouwd geraakt. De eigenheid van het historisch onbebouwde landschap is daardoor niet zo goed meer te herkennen. Het Essenerbroek omstreeks 1900 (boven) en omstreeks 2000 (onder). Het regelmatig ingedeelde gebied ligt in het westen. Het westelijk deel is ingedeeld bij de regelmatig ingedeelde broeken (kaartcode 9).

Op enkele percelen van het Essenerbroek is nog perceelsrandbeplanting aanwezig, zoals hier gezien vanaf de Joostweg (foto Overland 203).

| 23

10

Regelmatig ingedeelde broeken, in 1850 met akkers en bewoning (kb1c)

Deze gebieden komen qua ontstaanswijze overeen met de voorgaande variant van de regelmatig ingedeelde broeken (kaartcode 9). Het lukte hier echter al vrij vroeg de ontwatering te verbeteren. Daardoor waren er al in de 19e eeuw – en mogelijk veel vroeger – delen van het gebied in gebruik als akkerland en konden er ook boerderijen worden gebouwd. In de 19e eeuw waren dit min of meer regelmatig ingedeelde gebieden met akkerland en graslanden. Langs de perceelsranden lagen veel houtsingels en sloten. Hier en daar lagen boerderijen in een verder nog overwegend onbewoond gebied. Op wat hogere delen konden aaneengesloten akkers ontstaan, waardoor de strokenstructuur op de achtergrond raakte. Dit is op het voorbeeldkaartje van Garderbroek in het oosten te zien. De broekgebieden zijn, vooral aan de randen waar de wegen lopen, verder bebouwd geraakt en de strokenstructuur is door schaalvergroting vaak weer meer op de achtergrond geraakt. Belangrijk voor de herkenbaarheid van deze broekgebieden is de beplanting op de perceelsgrenzen, die de karakteristieke richting van de percelen herkenbaar maakt. Vaak is die beplanting verdwenen.

Garderbroek op de topografisch militaire kaart omstreeks 1850, en op de tegenwoordige kaart.

11

Enigszins regelmatig ingedeelde broeken (kb2a)

Deze gebieden zijn meestal kleiner van omvang dan de regelmatig ingedeelde broeken. De ontginning zal vaak minder planmatig geweest zijn. De indruk bestaat dat ze stukje bij beetje bij de kampontginningen zijn ontgonnen. Het zijn meestal kleine gebiedjes die tussen kampontginningen of oudere broekgebieden zijn gelegen. Ze zijn dan ook veel minder gemakkelijk als ontginningseenheid op de kaart te herkennen en van de kampontginningen te onderscheiden. Toch doen we dat, omdat ze, vaak nu nog steeds, afwisseling en contrast in het landschap geven. Het onregelmatige van deze broekgebieden zat hem vooral in de richting van de perceelsgrenzen. Die konden in allerlei hoeken ten opzichte van elkaar staan. Percelen waren meestal niet rechthoekig. Vaak volgden de perceelsgrenzen wel rechte lijnen. Uitgesproken kromme lijnen kwamen weinig voor in dit landschap. Net als bij de regelmatige broeken lagen er vaak sloten en elzensingels langs de perceelsgrenzen. Het enigszins regelmatige karakter is vaak ook nu nog te herkennen. Veel houtsingels zijn verdwenen. Soms is het onderscheidende van dit landschapstype ten opzichte van bijvoorbeeld kampontginningen verdwenen, maar soms steekt dit landschap nog af als weinig bebouwd, lager gelegen open gebied tegen de kampontginningen waar meer bewoning, wegen en meer opgaande begroeiing aanwezig was.

24 |

Boven: enigszins regelmatig ingedeeld broek ten zuiden van Terschuur ingeklemd tussen andere landschappen, op kaart omstreeks 1900 (linksboven), op de tegenwoordige topkaart (rechtsboven) en op hoogtebeeld (AHN, midden-onder).

Enigszins regelmatig ingedeeld broekgebied gezien vanaf de Postweg ten oosten van De Glind. Veel van het opgaand groen is verdwenen. Het gebied is nu attractief vanwege de vrij grootschalige en onbebouwde open ruimte (foto Overland 21).

12

Onregelmatig ingedeelde broeken (kb3a)

Deze broekgebieden komen voor in uitgesproken lage en natte gebieden. Ze hadden onregelmatig gevormde percelen die in gebruik waren als grasland. Door de natte omstandigheden kwam hier geen bewoning voor. De kromme en veelvuldige in oriëntatie wisselende perceelsgrenzen zijn bepaald door natuurlijke omstandigheden bij de ontginning (moerasvorm, waterloop, zandruggetjes). Langs de perceelsscheidingen (veelal sloten en greppels) stonden houtsingels. In de gemeente Barneveld zijn twee gebieden met onregelmatig ingedeelde broeken onderscheiden. In het oostelijk deel van het Essenerbroek (te zien op afbeelding bij eenheid 9) is de percelering in de 20e eeuw geheel veranderd. Ook de boomsingels zijn verdwenen. Wel is het gebied nog onbewoond

| 25

en maakt het deel uit van een grote open (onbebouwde) ruimte en dat is een zeldzame ruimtelijke kwaliteit in de gemeente Barneveld. Iets ten zuiden van het Bedrijventerrein Harselaar, langs de Esvelderbeek, ligt ook een onregelmatig ingedeeld broek. Ook dit gebied is onbebouwd gebleven en hier is bovendien de onregelmatige perceelsstructuur nog enigszins zichtbaar, in de oriëntatie van greppels en sloten.

13

Beekbegeleidende broeken (kb4)

Barneveld wordt doorkruist door een aantal beken. De meeste ervan zijn tegenwoordig rechtgetrokken en het waterpeil ligt diep onder het omliggende maaiveld. Vroeger lagen deze beken minder diep in het landschap en waren er beektracés waar de beek meanderde. Langs sommige beektracés lag een lager gelegen zone met natte graslanden, natte bosjes en soms ook perceelsscheidingen in de vorm van sloten en greppels die op de beek waren georiënteerd of oudere geultjes volgden. Waarschijnlijk stonden deze graslanden en bosjes regelmatig onder water, waardoor er beekslib werd afgezet. De perceelsgrenzen, wegen en waterlopen vormden meestal geen rechthoekige structuur. De kronkelige beeklopen, resten van beeklopen en de overgangen naar de omliggende hogere gronden bepaalden de ligging van nieuwe sloten, wegen en perceelsgrenzen. Soms liep een beek ook door drogere akkers. Mogelijk doorkruiste de beek dan een dekzandrug, een teken dat de beek hier niet zijn natuurlijke loop had, maar ooit door mensen was gegraven of verlegd. Maar akkerbouw kon ook mogelijk zijn doordat de beek hier diep genoeg was ingesneden en daardoor een drainerende werking had op de omgeving. De beekbegeleidende broeken gaven variatie in het landschap.

Het lage gebied met graslanden, natte bosjes en waterloopjes stak af tegen de hoger gelegen drogere gronden van de kampontginningen met opgehoogde akkers, drogere bossen en wegen. De overgang naar de hogere gronden was vaak goed te zien als een trede in het landschap. In de twintigste eeuw is een groot deel van de beekbegeleidende broeken veranderd. De beken zijn rechtgetrokken en verdiept in het landschap gelegd, teneinde een goede afwatering van de omliggende landbouwgrond te bereiken. Overstromingen vanuit de beken komt nauwelijks meer voor. Vaak is er weinig onderscheid meer tussen het beekbegeleidend broek en het omliggende landschap. Alleen de openheid en de lage ligging ten opzichte van de omgeving zijn dan nog herkenbaar. Het is een enigszins arbitraire zaak welke gebieden we als beekbegeleidende broeken moeten zien. Soms zijn ze ook in te delen bij een van de andere broekgebieden of zelfs bij de kampontginningen. Toch kan het handig zijn (zoals bij bijvoorbeeld natuurontwikkeling, wandelpaden, of versterking van het landschap) een indicatie te hebben van de ligging er van. De beekbegeleidende broeken zijn als zodanig op de kaart aangegeven als:  Het gebied ook in het verleden een zekere breedte had in de vorm van bos of laaggelegen percelen.  Of er rond de beekloop nu nog een lagere zone ligt (volgens hoogtebeelden).

Beekbegeleidende broeken zijn vooral nog goed herkenbaar als er nog resten van de oude, niet rechtgetrokken lopen te zien zijn. Dit is vaak het geval in de nog bestaande bosjes in beekbegeleidende broeken.

26 |

De Esvelderbeek ten zuiden van het Bedrijventerrein Harselaar. De beek is rechtgetrokken en de landbouwpercelen langs de beek zijn groter dan de vroegere graslandjes die het beekbegeleidende broek vormden. Langs de beek is een zone van enkele tientallen meter breedte tot de beekbegeleidende broeken gerekend, vooral op basis van de iets lagere ligging. De beek wordt momenteel herontwikkeld, waarbij hij weer een meanderende loop zal krijgen (foto Overland 70).

Sommige beekbegeleidende broeken kenmerken zich nog door de aanwezigheid van nat bos en oude beeklopen. Tussen Terschuur en Voorthuizen ligt de rechtgetrokken Nooienbeek. In een bosje ten noorden daarvan ligt de oude loop, die tot 1 januari 2014 de gemeentegrens vormde. Sindsdien hoort het elzenbos aan de overkant van de beek bij de gemeente Barneveld (foto Overland 118).

| 27

Veenontginningen Het gebied ten noorden van Terschuur was tot in de Middeleeuwen een onbewoonbaar en nauwelijks toegankelijk moerasgebied. Doordat zich hier eeuwenlang plantenresten hadden opgehoopt had zich op de zandgrond een veenpakket gevormd. Ergens in de Middeleeuwen werd dit gebied ontgonnen. De strakke inrichting verraadt dat sprake is van planning en bemoeienis van hogerhand. Mogelijk is de bisschop van Utrecht betrokken geweest, die begin 12e eeuw toestemming gaf om het Nijkerkerveen te ontginnen (de Boer en van den Berg, 2014). De venen van het Zwartebroek maakten daar wellicht toen deel van uit. Het kunnen ook de graven van Gelre zijn geweest, die zich vanaf ongeveer 1200 landsheer over dit gebied konden noemen. De bisschop en later de graaf beschouwden de moerasgebieden op grond van hun wildernisregaal als hun eigendom. Ze gaven stukken moeras uit aan ontginners. Die ontwaterden en ontgonnen de venen en moerassen op systematische wijze, vaak volgens vaste, juridisch vastgelegde regels. Anders dan bij de broekontginningen werd het land niet ontgonnen door boeren in de omgeving, die zelf op de hogere zandgronden of stroomruggen bleven wonen. De kolonisten gingen in het nieuw ontgonnen gebied wonen en er ontstond een nieuw rechtsgebied (waarbij eventuele oude gebruiksrechten van boeren uit de omgeving kwamen te vervallen).

Dergelijke ontginningen worden, vooral indien sprake is van standaardmaten, ook wel aangeduid als cope-ontginningen. Haartsen (2009) ziet dit gebied als een dergelijke, door de landsheer geleide, veenontginning. Toch is het de vraag of de veenontginningen ten noorden van Terschuur werkelijk op deze manier tot stand zijn gekomen. Anders dan bij de cope-ontginningen hebben grondbezitters uit de omgeving een belangrijke rol gespeeld, mogelijk op grond van de oude rechten die zij al voor de ontginning in dit gebied hadden. Een andere naam voor Zwartebroek was ook wel Appelerbroek (de Boer en van den Berg, 2014), en dat wijst op oude rechten uit de buurschap Appel. In ieder geval heeft het vrouwenstift van Elten, die in het aangrenzende Appel het hof Kemna had, grote invloed gehad bij de ontginning en grond in bezit gekregen, zo blijkt uit de studie van Grift (2014). Hij leidt dat onder andere af van een veel voorkomende aanduiding op de kaart van Passavant (1697) ‘‘vrouw van Elten’’. Ook de aanduiding ‘’Kemna plagvelt’’ verwijst naar grondbezit van deze hof in dit gebied. In eerste instantie bleef het ontgonnen veengebied onbewoond, zo is op te maken uit de constatering van Grift dat er geen middeleeuwse boerderijen voorkomen. Wat betreft de organisatie van de ontginningen kan het gebied ten noorden van Terschuur dus ook als broekgebied worden beschouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=f506c5e8-ad0e-4856-bd31-e8bc8d057247