CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Notulen raadsvergadering Barneveld dd 28 juni 2023

Gemeenteraad 28 juni 2023, gemeente Barneveld39.769 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De heer Korevaar vraagt op welke terreinen zij denkt dat er samenwerking gezocht zou kunnen worden. Mevrouw Van den Wildenberg meent dat dit op veel terreinen kan. Een paar jaar geleden heeft zij een motie ingediend voor een energiecoach. Dit is ingehaald door de realiteit. De betreffende ambtenaar vertelde haar onlangs dat hij bezig was met ambtenaren uit Ede om samen tot een document te komen. Hierbij kan een gemeente nog steeds een eigen invulling hebben, maar de basis ligt er dan. Voor een deel wordt het al gedaan, namelijk bij de exercitie over het landelijk gebied. De ambtenaar merkte onlangs op dat hij mevrouw vaker in Ede dan in Barneveld zag. Er wordt al veel samengewerkt, maar het is ook moeilijk om elkaar een kijkje in de keuken te gunnen. Volgens haar moet dat echt. De heer Korevaar dankt haar voor het antwoord en sluit zich volledig bij het pleidooi aan. Het spijt de heer Top dat er inwoners zijn die zich erge zorgen maken. Hij vraagt of mevrouw er niet aan meewerkt door te zeggen dat er bezuinigingen nodig zijn. Er is in 2024 een sluitende begroting, er is helemaal geen sprake van bezuinigingen en geen sprake van lastenverhogingen.

Wat de gemeente moet doen, is de komende tien jaar naar de investeringen kijken en kijken welke daarvan gedaan kunnen worden en welk niet, Hij is van mening dat mevrouw Van den Wildenberg de zaken verkeerd voorstelt en vraagt haar daarop te reflecteren. 30

Mevrouw Van den Wildenberg is van mening dat zij niet gezegd heeft dat er bezuinigingen nodig zijn. Zij heeft de krantenartikelen aangehaald waarin met een vette kop stond dat er naar tientallen miljoenen euro’s gezocht moest worden. Als journalist realiseert zij zich dat krantenartikelen, en zeker krantenkoppen, soms iets anders weergeven dan wat men bedoelt te zeggen. Zij heeft vaak in de raad over communicatie gesproken, dat had zij deze dag niet willen doen. Maar de communicatie naar buiten toe is verschrikkelijk belangrijk. Alle mensen die haar benaderden hebben de conclusie getrokken dat het vreselijk slecht gaat met de gemeente, dat de gemeente failliet gaat. Als zij zegt dat dit niet zo is, de eerste twee jaar is de begroting sluitend, dan valt dat geheel in het niet. De heer Top vindt het positief dat dit in hun debat rechtgezet wordt. De krantenkop suggereert dat er tientallen miljoenen euro’s bezuinigd moeten worden, maar hij is van mening dat tientallen miljoenen euro’s aan investeringen niet uitgevoerd moeten worden. Daarin moeten keuzes gemaakt worden. 2.2

Schorsing voor overleg en maaltijd

2.3 Reactie van het college op amendementen, moties en vragen om toezeggingen. De voorzitter heropent de vergadering. De voorzitter geeft het college de gelegenheid te reageren op de amendementen, moties en vragen in relatie tot een toezegging. Wethouder Oosterwijk reageert op de eerste termijn. Hij heeft tweeëneenhalf uur kunnen luisteren naar wat het oproept in een raad als drie van dergelijke documenten worden voorgelegd. Daar is hij dankbaar voor, ondanks de kritische noties die hij gehoord heeft en waar hij kort op in zal gaan. Het is goed om op een dergelijke volwassen manier het debat met elkaar te voeren. Hij heeft ooit gezegd: ‘Geen paniek, wel urgentie.’ Mevrouw Van den Wildenberg bracht naar voren dat het deel ‘geen paniek’ niet erg is doorgekomen en de ‘wel urgentie’ erg hard is doorgekomen. Dit constateerde spreker ook. Hij wil daaruit lessen trekken: ‘geen paniek’ had hij harder moeten roepen maar hij is er niet van overtuigd dat hij ‘wel urgentie’ zachter had moeten roepen. Als hij het debat hoort en beluistert hoe er over het MIP gesproken wordt, vraagt hij zich af of de urgentie wel is binnengekomen. Het is belangrijk om met die notie te starten. Het MIP is niet een verzameling van alles wat bedacht is. Het is volgens hem een zo goed mogelijke weergave van alles wat in de raad in de loop van de jaren besloten is. Daar zat iedereen bij.

Hij zou hierin meer gezamenlijkheid willen hebben: als dat zo is en het leidt tot een aantal vraagstukken, laten raad en college er dan ook gezamenlijk voor aan de bak staan om het op te lossen. Hij meende met de behandeling van de Begroting 2023 en het MIP-uitvoeringsplan begin 2023 daarover gesproken te hebben en dat de zorgen over de lange termijn met elkaar gedeeld waren. Dat mist hij in de reflecties die hij hoort van in ieder geval het CDA en Pro’98. Hij dacht dat er een soort gemeenschappelijke basis was. Hij zal zijn best doen om hierin toch samen op te trekken. De heer Korevaar memoreert dat wethouder Oosterwijk bij de begroting zei dat het college het hard zou maken. Maar wat hij doet, is de raad geen enkele concrete plannen voorleggen. Dat is wel waar de raad op zat te wachten en wat hij in zijn bijdrage geprobeerd heeft neer te zetten: neem de raad mee in de gedachtenoverwegingen. De wethouder spreekt over het MIP en dat het heel belangrijk is, dat de raadsleden daar goed van doordrongen moeten zijn. Spreker begrijpt dat, maar dan hoort hij graag een reactie van de wethouder op de vraag die hij al indirect heeft gesteld, namelijk in hoeverre de groei hieraan bijdraagt of dat het een autonome groeipijn is die de gemeente sowieso zou meemaken. Wethouder Oosterwijk zal in zijn betoog terugkomen op de laatste vraag.

31

De heer De Vries is van mening dat de gezamenlijkheid er is als het gaat om het MIP. Hij heeft in zijn bijdrage proberen aan te geven dat hij gelooft dat het MIP uiteindelijk gaat helpen. Het helpt de organisatie en het college. Het helpt alleen de raad momenteel niet. Het MIP staat nog niet vast, daar moet de raad nog keuzes in gaan maken. In zijn bijdrage heeft hij tegen de wethouder gezegd: had de raad wat keuzemogelijkheden meegegeven. Misschien kan de wethouder nog eens toelichten waarom dat niet kon gebeuren. Wethouder Oosterwijk vervolgt zijn reactie op de eerste termijn. Hij schetst wat het college gedaan heeft in de drie documenten. De Kadernota 2024 is redelijk beperkt, dat klopt. De prioriteiten staan in de programma’s. Daar waar beleidstoevoegingen eventueel nodig zijn, is een strak kader neergezet, namelijk dat het wordt opgelost in de huidige begroting. Het moet dus binnen de huidige omvang van de financiën opgelost worden. Over het MIP is gezegd dat eerst gekeken moet worden naar het realistisch begroten, naar de voorraad die er is. Hij hoorde diverse oproepen om het realistisch begroten echt inhoud te geven. Dit ondersteunt hij en moet hij waarmaken. Daar heeft de raad gelijk in. Het plafond van €13 miljoen heeft het college laten staan. Dat is ook een belangrijk kader.

In die zin is het niet kader-loos maar staan er forse kaders in over wat het college aan het doen is. De vraag kwam naar voren waarom nog niet alle richtingen gekozen en genomen zijn voor de periode van tien jaar. De wethouder is dankbaar dat diverse fracties daar suggesties voor deden. Wel varieerden die nogal. Het CDA wil minder bomen en wegen, Burger Initiatief wil niet dat het college aan de heffingen komt, de VVD vindt dat er op de rem gestaan moet worden, de SGP gaf drie prioriteiten. Hij heeft van alle fracties zinvolle dingen gehoord die het college helpen bij het geven van invulling aan de periode van tien jaar. Hij meent bij de raad ook een stuk verlegenheid te proeven. De raad ziet nu de omvang van de zaken die de komende tien jaar op de raad afkomen en wil keuzes kunnen maken. Hij begrijpt dat. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het college de lijst nog niet lang in zijn bezit heeft. De wethouder had tevoren wel ingeschat dat er een gat zou zijn. De omvang van het gat viel hem tegen. Het zijn allemaal geen besluiten, het zijn voorgenomen beleidszaken die heel redelijk zijn en passen binnen Barneveld. Maar het geld is nog niet uitgegeven, er is dus geen tekort. Het tekort komt er als besloten wordt om het allemaal te gaan doen zonder dat er financiële dekking is. Dan gaat het niet goed. Maar daar is men zelf bij.

Hij eindigt met de woorden van mevrouw Van den Wildenberg: optimistische en voortvarend vooruit! College en raad zijn er zelf bij. Zijn overtuiging is dat de gemeente er met het MIP voor de komende tien jaar meer bij is dan ooit, omdat er inzicht is in waar men naar toe gaat. Hij wil dit benadrukken. De heer Bos hoort dat het bedrag na tien jaar de wethouder tegenvalt. Hij vraagt waar de wethouder zelf van uit is gegaan. Lag dat bijvoorbeeld bij de €300 miljoen en had de wethouder dingen over het hoofd gezien? Hij vraagt de wethouder waar dat gat naar boven is komen drijven. Wethouder Oosterwijk wijst erop dat er een plafond was van €13 miljoen per jaar, dit maal tien is €130 miljoen. Riolering en afval kosten ongeveer €70 miljoen in tienvoud. De rondweg en investeringen in bedrijfsmiddelen zouden nogal wat kosten. Spreker was in zijn hoofd op €350 tot €400 miljoen uitgekomen. Het was dus meer dan hij verwachtte. Het vraagstuk wordt dan zo groot, dat het een fundamenteel punt wordt in de toekomst. Hij is er stellig van overtuigd dat, als men dat niet weet of beseft met elkaar, de partijen op een gegeven moment tot de conclusie komen dat iets niet uitgevoerd kan worden wat de partijen wel willen. Hij wil voorkomen dat dit punt bereikt wordt en wil welbewust keuzes gaan maken omdat de partijen ook in 2026 nog keuzes willen maken.

De heer Bos hoort de wethouder autonoom beleid noemen, beleid waarbij raad en college weten wat gedaan moet worden. De rondweg is extra maar kost geen €100 tot €150 miljoen. Hij vraagt de wethouder hoe het lijstje er globaal uit ziet van zaken die heroverwogen moeten worden. Wethouder Oosterwijk kan het lijstje gedetailleerd geven. Het is opgenomen in de documenten. Dat is nu de MIP-lijst. Hij komt terug op eerdere opmerkingen dat er nog wel wat progressie te boeken is 32

als iedere vuilniswagen erin opgenomen wordt: na twee weet men het wel. De heer Korevaar bracht dit in de commissie naar voren en de heer Wiesenekker noemde dit punt in zijn bijdrage. Daar is de wethouder het mee eens, daarin moeten verbeteringen worden aangebracht. Het gaat om de dingen waar de raad keuzemogelijkheden bij heeft, wordt iets wel of niet of soberder gedaan. De volgende stap is om dat inzichtelijk te maken. De volgende vraag van de raad is dan om richting en keuzemogelijkheden te geven. Hij beschikt hier nog niet over voor de 10 jaars-periode, maar heeft wel het kader voor 2024 en 2025 aangegeven. Daarbij wil hij het volgende benadrukken: beslispunt 7 zegt dat eerst gedaan moet worden wat al op de rol staat, waartoe al besloten is. Dat is financieel gedekt. In ieder geval 2024 en een klein stukje van 2025 is er de tijd om voor de periode erna keuzes te maken. Daar hoeft nog niet over beslist te worden. Het 10-jaars overzicht ligt er. Het hoeft niet te worden vastgesteld, de vraag is om er kennis van te nemen. Dan is er nog tijd om de komende periode gezamenlijk de goede keuzes te maken. Hij hoopt daarbij op een stukje gezamenlijkheid. De heer Korevaar komt terug op de opmerking van de wethouder dat de raad ‘kennisneemt van’. Hij herinnert zich een discussie in de raadszaal waarbij een aantal oppositiepartijen dit juist voorstelde.

Toen antwoordde de wethouder dat het heel belangrijk was dat de raad de 10 jaars-MIP vaststelde. Spreker vraagt wat er veranderd is dat er nu ‘kennis van genomen’ kan worden terwijl het indertijd vastgesteld moest worden. Wethouder Oosterwijk weet niet meer in welke context hij dit gezegd heeft. Hij licht toe dat een uitvoeringsprogramma vastgesteld moet worden. Wat voor ligt, is geen uitvoeringsprogramma. Hij meent zich te herinneren bewust opgeschreven te hebben dat het inzicht en overzicht geeft. Het 10jarig MIP heeft dus niet de status van een genomen besluit. Het is wel gebaseerd op nota’s, beleidsvoornemens en discussies in de raad in de afgelopen jaren. Het is ook weer niet een verzameling willekeurige projectjes. Eerst moet hier een financiële dekking voor komen en dan moet erover besloten worden. De heer Korevaar hoopt dat de wethouder in het vervolg van zijn betoog nog wat toelichting geeft op zijn opmerking dat hij harder had moeten roepen dat er ‘geen paniek’ is. De wethouder maakt het MIP opnieuw groot en zwaar, terwijl hij ook aangeeft dat er de komende jaren nog geen problemen zijn en dat er rustig naar keuzemomenten toegewerkt kan worden. Spreker begrijpt niet helemaal waarom dit niet al rustig met elkaar in de Kadernota ontdekt en onderzocht zou kunnen worden. Wethouder Oosterwijk volgt dit niet helemaal.

Hij heeft tegen mevrouw Van den Wildenberg gezegd dat hij ‘Geen paniek’ harder had moeten roepen, want er is tijd, het jaar 2024 is gesloten en 2025 komt ook goed. De heer Korevaar verduidelijkt zijn vraag. Hij informeert of de wethouder voornemens is om bij de begroting met beleidsinitiatieven te komen. In zijn bijdrage bracht hij naar voren dat de wethouder met een beleidsarme kadernota komt. Komt de wethouder dan ook met een beleidsarme begroting? Dat geeft hem inzicht in wat de wethouder wil gaan doen de komende tijd. Wethouder Oosterwijk zegt strikt onderscheid te maken tussen de begroting en het MIP. Er is tijd om in de MIP keuzes te maken. De wethouder wil eerst een aantal zaken uitzoeken voordat hij keuzes aan de raad voorlegt. Dat zijn de beslispunten die het CDA in amendement 27 wil schrappen. Dit kan voor een deel, maar voor een ander deel heeft de wethouder die juist nodig en wil hij ze echt onderzoeken om het begrotingsgat te verkleinen, zodanig dat er goede keuzes gemaakt kunnen worden. De heer Korevaar vraagt wat er in de begroting 2024 zal staan. Het kader is helder: de inhoud van de programma’s zoals ze er staan. De beleidstoevoegingen die in 2022 zijn vastgesteld, zijn er al in opgenomen. Daarmee kunnen bijna alle doelstellingen waargemaakt worden. Dat wat nog nodig is aan extra beleidstoevoegingen lost het college op binnen de huidige begroting.

Dat is het kader. Het zal dus niet een beleidsrijke, vernieuwende en wereldschokkende begroting zijn. Hij borduurt voor een groot deel voort op de inhoudelijke lijnen die in het coalitieakkoord gemaakt zijn. De heer De Vries gaat in op de opmerking over amendement 27 Schrappen beslispunten 9 tot en met 14. Het CDA is van mening dat deze beslispunten overbodig zijn. Het gaat over ‘kennisnemen’. Er

33

staan een paar punten die wat hem betreft acties zijn die het college kan uitvoeren. Hij vraagt wat de wethouder niet zou doen als het amendement het zou halen. Wethouder Oostenwijk maakt onderscheid tussen de beslispunten. Beslispunten 9 en 10 betreffen het ‘kennisnemen van’. Daar hecht hij veel waarde aan. Als men niet kennisneemt van de 10-jaars inventarisatie die het college heeft opgesteld, is dat jammer. Ook het beslispunt waarin kennis wordt genomen van het financiële vraagstuk dat voorligt is van belang. De wethouder zou het betreuren als de raad deze punten zou aannemen, dat zou een beetje weglopen zijn van de opgave waarvoor de wethouder juist de gezamenlijkheid probeert te zoeken. Beslispunten 11 tot en met 14 vindt hij richtinggevend. Als de raad aangeeft dat hij dat sowieso moet doen, zal hij dat ook doen. De heer De Vries kijkt anders aan tegen beslispunten 9 en 10. Beslispunten 11 tot en met 14 zijn zaken die het college sowieso kan uitvoeren. Het was mooi geweest als daar voor een deel al werk in was gedaan richting het kader. Maar daar is al over gesproken. Wethouder Oosterwijk vervolgt zijn reactie op de eerste termijn en reageert op de gevraagde toezeggingen. De heer Korevaar vroeg of de railterminal een stille dood is gestorven. Het college heeft de railterminal budgettair gereduceerd tot bijna nul.

Er staat nog een heel klein budget voor als er een onderzoek zou komen. Het college zal hier geen actieve rol in spelen dus hoeft daar ook geen budget voor te zijn. Dat wil niet zeggen dat hij een stille dood gestorven is, het zal vooral een privaat initiatief zijn en dan komt hij vanzelf weer ter tafel. De voorzitter merkt op dat dit een technisch punt is. De heer Van der Lubbe maakt hier bezwaar tegen en wijst erop dat het een heel politiek punt is geweest in de raad. Lokaal Belang en Pro’98 hebben precies dat wat de wethouder aangeeft per amendement voorgesteld en daar heeft de rest van de raad tegen gestemd. Het is voor die fracties prettig om te horen dat het college hierin meegaat. De voorzitter zegt hier kennis van te nemen. De vraag was gericht op hoe dit in de begroting verwerkt zou worden en een dergelijke vraag hoort thuis in de commissie. Daarom heeft de voorzitter dit willen duiden als een technisch punt. Wethouder Oosterwijk vervolgt zijn reactie op de eerste termijn en reageert op de gevraagde toezeggingen. In reactie op de tekorten in de Tussenrapportage vroeg de SGP hoe het college hiermee omgaat, of geprobeerd wordt om het jaar 2023 toch positief te krijgen. De wethouder kijkt vooral naar de mogelijkheden om een aantal activiteiten, waarvoor nog uitgaven gedaan moeten worden, te temporiseren. Dan schuift men dat wel weer vooruit.

De praktijk zal zijn dat er weer een overschot is in plaats van een tekort. Daar kan men voor weglopen, maar het is wel de realiteit die de raadsleden kennen. Hij vindt de Tussenrapportage tegenvallend, de kostenstijging is flink, maar hij maakt zich hier niet al te druk over voor 2023. De SGP vroeg of het zinvol zou zijn om in september/oktober een soort tussenstap te maken, om de raad mee te kunnen nemen in de scenario’s van vooral het 10-jarig MIP. Hij wil hiernaar kijken. Het is wel even zoeken naar wat er dan met elkaar besproken wordt. Hij stelt voor dit mee terug te nemen en te spreken over wat er na de vakantieperiode klaar is. Hij moet eerlijk bekennen dat er in de vakantieperiode ook een rustperiode voor een aantal mensen is waardoor niet alles gerealiseerd kan worden. Hij zegt toe er met een positieve intentie naar te gaan kijken. De SGP vroeg of er voldoende aandacht is voor bedrijventerreinen. Hierbij speelt ook een intern capaciteitsvraagstuk. Vanuit zijn portefeuille Economie ziet de wethouder de noodzaak om weer bedrijventerreinen te ontwikkelen, men is momenteel bezig met een terrein. Dit heeft hij in de commissie vrij uitgebreid verwoord. In zijn algemene bijdrage heeft hij al gereageerd op het CDA. Hij heeft niet de behoefte om daar iets aan toe te voegen.

34

De heer Top herinnert aan zijn vraag naar het werk uit 2022 dat is doorgeschoven naar 2023 en wat dit betekent voor het jaar 2023. Wethouder Oosterwijk heeft geprobeerd hier iets over te zeggen in het algemene deel. Het realistisch begroten voor 2024, en wat hem betreft ook 2025, is heel belangrijk. Dat moet hij wel waarmaken. Het is lastig om van een aantal elementen te zeggen dat het niet meer gedaan wordt. De raad heeft erover besloten dus er moet zorgvuldig mee omgegaan worden. Als iets niet wordt gedaan, of het nu onderhanden werk of doorgeschoven werk, dan moet daar zorgvuldig over besloten worden. De wethouder baalt van het stuwmeer dat momenteel vooruitgeschoven wordt, maar hij zit daar zelf bij en moet zelf verantwoordelijkheid nemen. Wethouder Oosterwijk vervolgt zijn reactie op de eerste termijn en reageert op de gevraagde toezeggingen. Lokaal Belang vroeg aandacht voor het gebrek aan capaciteit. Hier is vaker over gesproken. Mevrouw Van den Wildenberg heeft een aantal zaken goed uitgezocht. Het is inderdaad een landelijk probleem en dat geldt ook voor Barneveld. Het college doet zijn uiterste best daarin. Sommige dingen gaan ineens voorspoedig maar al met al zouden er wat personeelsleden bij kunnen komen. In zijn bijdrage heeft hij gereageerd op de VVD. De ChristenUnie sprak over een verbeterslag in het MIP, daar heeft de wethouder in zijn bijdrage aan gerefereerd.

Mevrouw Van den Wildenberg merkte op dat sommige ambities misschien geen Barneveldse ambities zijn. Als dat zo is, dan hoort de wethouder dat graag en dan moet daarover gesproken worden. De MIP vloeit voort uit de Barneveldse ambities en ambities. Spreker is zich er niet van bewust dat het college ambities heeft die de samenleving of de politiek niet deelt. Mevrouw Van den Wildenberg wijst erop dat er veel op de gemeente af komt vanaf de overheid, bij voorbeeld de herinrichting van het buitengebied. De woningbouwtoename is voor een groot deel voor de eigen inwoners maar bij heel veel mensen staat Stroe nog helder op het netvlies. Er zijn inwoners die zich afvragen of het nog wel over hen gaat. Wethouder Oosterwijk dankt voor de toelichting die meer duidelijk maakt. Wethouder Oosterwijk vervolgt zijn reactie op de eerste termijn en reageert op de moties en amendementen. Over motie 4 Realistisch plannen heeft de wethouder al gesproken. Dit is juist beslispunt 7 en de motie is in die zin overbodig. Motie 5 Instrument Kadernota: de beelden verschillen bij wat een kadernota wel en niet moet doen. De discussie is goed en hij stelt voor om die te voeren in de raadswerkgroep P&C.

De heer Korevaar is benieuwd naar het waardeoordeel van de wethouder en het college via de wethouder over wat hij vindt van de kwaliteit van het stuk en of dit de basis is van wat de raad in 2024 zal gaan aantreffen. Hij vraagt of er verbetermogelijkheden zijn. Wethouder Oosterwijk brengt naar voren dat er natuurlijk altijd verbetermogelijkheden zijn. Hij heeft proberen aan te geven dat hij voldoende kader meekrijgt in de Kadernota. Dat is het wezenlijke van een kadernota, hij geeft voldoende instrumenten, lijnen waarbinnen hij moet opereren bij het maken van de begroting. Dat geeft de Kadernota. De heer Korevaar begrijpt dat het voor de wethouder Financiën fijn is als hij weinig kaders meekrijgt, want dat scheelt hoofdbrekens. Tegelijkertijd stelt de wethouder ook dat hij een stuwmeer vooruit aan het schuiven is en dat hem dit zorgen baart. Die dingen hadden een prachtig plekje kunnen krijgen in de Kadernota. Dan had hij daar rustig in de twee maanden vakantie over kunnen nadenken. Niets van dat alles. Spreker begrijpt dat de Kadernota voor de wethouder prettig is, er is weinig uitdaging als het gaat om financieringen in het komende jaar. Maar dat ontslaat hem niet van de vraag en wens van de heer Korevaar om dan tenminste het volgende jaar weer een kadernota voor te leggen aan de raad waarbij de raad hopelijk weer kan meedenken met het college. 35

Wethouder Oosterwijk wijst erop dat beslispunt 7 nadrukkelijk stelt dat prioriteit wordt gegeven aan het afmaken van een aantal elementen. Dat is een hele kaderstellende uitspraak. Hij herkent niet dat hij het zichzelf makkelijk gemaakt heeft. Zo gaat hij niet de zomer in. De heer Korevaar benadrukt dat er geen nieuwe beleidsinitiatieven in de Kadernota staan, behalve het buitengebied en de correctie als het gaat om sociaal maatschappelijke instellingen. Dat zijn de nieuwe kaders waarmee de raad moet dealen in de huidige kadernota. Dat de wethouder zijn werk af moet maken is zo, maar daar is eerder een besluit over genomen. Hij begrijpt dat dit een uitdaging voor het college is, maar het gaat erom dat hij graag door het college meegenomen wil worden, als lekenbestuur, in de uitdagingen van de toekomst. Als daar op het ogenblik het moment voor is, dan hoopt hij dat men de wethouder daarin kan ondersteunen met elkaar. Dat is wat hij graag in een kadernota zou willen lezen. Wethouder Oosterwijk concludeert dat de heer Korevaar vraagt om nieuwe inzichten, terwijl de wethouder wil afmaken wat hij aan het doen is. Het is daarom vrij logisch dat de raad niet veel nieuwe dingen in de Kadernota vindt. Als het gaat over het kader voor de langere termijn is spreker het met de heer Korevaar eens.

De heer Korevaar merkt op dat het ook zou kunnen gaan over het maken van keuzes en dat betekent dat de wethouder bij het één iets meer en bij het ander wat minder wil. Dat is ook ingewikkeld, maar dat is het stuwmeer waar de wethouder over sprak en daar wilde hij zorgvuldig over nadenken. De heer De Vries komt terug op motie 5 Instrument Kadernota. De wethouder vond het idee interessant en wilde daarover spreken. Hij vraagt wat het advies van het college bij de motie is. Wethouder Oosterwijk adviseert om de motie in de werkgroep P&C te bespreken. De heer De Vries concludeert dat de indieners dit verzoek bij het college neer kunnen leggen. Wethouder Oosterwijk vervolgt zijn reactie op de eerste termijn en reageert op de moties en amendementen. Motie 13 Afschaffing hondenbelasting: dit gaat over hondenbelasting en niet over hondenbeleid, een wezenlijk onderscheid. Hij hoeft daar niet veel onderzoek naar te doen, hij weet wat dit opbrengt en kan vlot te weten komen wat het kost om dat geld binnen te halen. Alles wat er dan overblijft is een financieel gat. De wethouder zal de raad hierover informeren waarna de raad er een besluit over kan nemen, als het gat op de een of andere manier ook weer gedekt wordt. Het college staat positief tegenover motie 14 Sloopafval en ziet het als ondersteuning van het beleid.

Een motie om juist invulling te geven aan circulariteit ligt momenteel op tafel bij het college. De heer Bos sprak in zijn bijdrage over de bouwkosten. De collega-wethouder zou daarop terugkomen en zou proberen het inzichtelijk te maken. Via wethouder Oosterwijk vraagt spreker aan de collega of motie 14 meegenomen kan worden en of dit kostenverlagend is, en het dus een verdienmodel is, of dat het kostenverhogend is. Dit lijkt wethouder Oosterwijk een goed punt. Maar behalve een kostenaspect zit hier ook de vraag bij of men naar circulariteit wil toegroeien of niet. Zijn antwoord zou ‘ja’ zijn, ook als het wat kost. Maar dat moet dan wel afgewogen worden. De heer Bos memoreert dat er in de raad vaak over betaalbare woningen wordt gesproken. Dit punt moet meegenomen worden, er moeten wel keuzes gemaakt worden. Wethouder Oosterwijk vervolgt zijn reactie op de eerste termijn en reageert op de amendementen en moties. Motie 19 Sluitend financieel meerjarenperspectief gaat over de jaren 2026 en 2027. Hierover is in het debat voldoende gewisseld. De wethouder is van mening dat deze jaren op het moment niet gedicht hoeven worden. Hij staat wel achter de suggestie van het CDA dat er ergens een plan B moet zijn. Daar wil hij aan gaan werken. Het allemaal laten gaan en denken dat het wel goed komt, is ook niet oké. Het signaal

36

moet naar buiten toe helder uitgedragen worden. Achter de schermen moet gewerkt worden aan de vraag wat er gedaan moet worden als het niet goed gaat. De heer De Vries vindt plan B belangrijk maar begrijpt ook dat de VNG het advies geeft om dit nog even niet te doen. Hij wil de motie wijzigen en stelt, met het oog op de VVD, voor om ‘… maar ook te komen tot een sluitend financieel meerjarenperspectief … ’ te veranderen in ‘… maar ook voorbereidingen te treffen voor een sluitend financieel meerjarenperspectief …’. Daarmee wordt motie 19 wat zachter en het geeft het college de mogelijkheid om erover na te denken. Die oproep doet hij ook. Het hoeft dus niet per definitie een sluitend financieel meerjarenperspectief te zijn, maar er moeten wel voorbereidingen getroffen worden om tot een financieel sluitend meerjarenperspectief te komen. Hij vraagt de wethouder of dat meer in de buurt komt. Wethouder Oosterwijk is het hiermee eens. De heer Korevaar sluit zich aan bij de woorden van de heer De Vries. In zijn betoog heeft hij de wethouder gevraagd of het nodig was om deze uitgebreide kadernota aan de raad voor te leggen. Heeft de wethouder misschien overwogen om de raad met een brief in kennis te stellen van het feit dat de wethouder een aantal doelen voor ogen heeft, maar die nog niet concreet heeft gemaakt? Spreker is benieuwd of hij het ambtenarenkorps wilde besparen.

Wethouder Oosterwijk memoreert dat de heer Korevaar een oproep deed om een discussie te voeren over wat een goede kadernota is. De wethouder heeft toen geantwoord dat dit in de werkgroep zal gebeuren. Als er echt kaders nodig zijn wil hij daarover helder en transparant zijn naar de raad toe en de raad die voorleggen. Hij is van mening dat de heer Korevaar de inhoudelijke kaders die wel opgenomen zijn in de Kadernota wel erg makkelijk wegzet met de opmerking dat er niets in staat. Dat zijn gewoon de inhoudelijke kaders waarbinnen het college werkt. Daar is veel werk voor verzet. Hij vraagt de heer Korevaar om daar net iets meer waardering voor te hebben. De vraag was of de wethouder uiteindelijk naar een brief wil. Het probleem is de Meicirculaire, die ongeveer twee dagen nadat het college de kadernota verstuurt, uitkomt. De wethouder speelt in gedachten wel eens met het idee van een brief, maar daar zitten ook nadelen aan. Daar zou over gesproken moeten worden. De heer Korevaar stelt dat het opstellen van een kadernota uiteindelijk niet alleen gaat over financiële keuzes maar ook over beleidsmatige keuzes. De Meicirculaire komt jaar op jaar terug. Daar leert men vanzelf mee omgaan. Hij vindt het prima om de discussie aan te gaan over of het een brief moet zijn of een kadernota. Maar het gaat hem meer om het principiële punt dat de raad uiteindelijk kaderstellend moet zijn.

Daar was zijn pleidooi op van toepassing. Dan is aan de wethouder de keuze om, alles afwegende, het besluit te nemen dat dit beter in een brief gecommuniceerd kan worden. Wethouder Oosterwijk vindt dit een goed discussiepunt. De heer Van den Born meent dat de heer Korevaar een punt heeft. Het is een punt van discussie. Hij vraagt zich ook wel af of een kadernota niet een te zwaar instrument is en afleidt van de algemene politieke beschouwingen, die hij veel belangrijker vindt. Wethouder Pluimers reageert op de moties en amendementen uit de eerste termijn. Motie 3 Speeltuinen en Motie 31 Speelvoorzieningen in wijken Het college juicht het bewegen en spelen van kinderen in openbare ruimten van harte toe en zet zich daar ook voor in. Eind 2022 is daar een mooie uitgebreide discussie over gevoerd. Toen is gezegd dat 2023 een extra uitvoeringsjaar zou zijn. Op 8 plekken, en in totaal 131 plekken, komen extra uitvoeringen. In 2024 wordt dit geëvalueerd waarna nieuw beleid ontwikkeld zou worden. Die volgorde wil zij graag aanhouden. Zij begrijpt de wensen van Pro’98 en CDA die de moties indienen, maar het is wat te vroeg, het college wil de moties in de evaluatie meenemen.

37

Dan een geruststelling: de Torenplein-fontein is weer gemaakt. Het iets minder goede nieuws was dat hij door vandalisme gesloopt was. Het Torenplein is dus weer iets levendiger en niet alleen een kale stenen vlakte. Het college ontraadt moties 3 en 31. De heer De Vries vraagt of de wethouder in ieder geval kennis wil nemen van de moties. Wethouder Pluimers heeft ze zorgvuldig bestudeerd. Van de voorstellen uit de CDA-motie is al veel gerealiseerd. Alle ideeën worden serieus meegenomen. De heer Korevaar vraagt of ze, als ze niet meegenomen kunnen worden in de begroting - wat begrijpelijk is omdat het kort dag is, voor een periode van tien jaar ergens op de planning gezet kunnen worden. Wethouder Pluimers antwoordt dat uiteraard elke investering netjes verantwoord wordt in een begroting en in een MIP. Dat geldt ook voor het Speelruimtebeleidsplan. Het wordt eerst geëvalueerd, vervolgens wordt nieuw beleid vastgesteld. In reactie op motie 3 Speeltuinen heeft de heer Wiesenekker het Speelruimtebeleidsplan nogmaals bekeken. Volgens hem is het al mogelijk om, als een buurt de wens heeft om een speeltuin niet voor tienjarigen maar voor vijfjarigen in te richten, de speeltuin ook op die manier in te richten. Hij vraagt of dit juist is. In reactie op motie 31 heeft hij onder meer de Centrumvisie van de Omgevingsvisie Barneveld Centrum bekeken.

Daar staat inderdaad genoemd dat er een wens is om meer speelplekken in te richten. De Centrumvisie is aangenomen door de raad. Is het niet méér een onderdeel van de Omgevingsvisie van het centrum dan van het Speelruimtebeleidsplan? Wethouder Pluimers licht toe dat dit hand in hand moet gaan. Er is afgesproken om veel integraler te werken en dit is daar een goed voorbeeld van. Zaken worden met elkaar verweven en goed op elkaar afgestemd. Maar als het gaat om het centrum dan moet er wel met elkaar een goed integraal plan worden samengesteld, met bijvoorbeeld stedenbouw. Dit kan niet zomaar gedaan worden. De Omgevingsvisie gaat ook handvatten geven voor hoe de gemeente met de openbare ruimte om wil gaan. Als het gaat om budget om elk jaar iets te kunnen doen, dan wordt wellicht het onderhoudsbudget genoemd voor als er iets stuk is of als er iets dringend vervangen moet worden. Dan is daar geld voor vanuit de gebiedsregie. Voorstellen vanuit de samenleving kunnen daarin landen. Dat gaat om kleinschalige zaken. Met de gebiedsregisseur kan gekeken worden hoe een eventueel kleinschalig buurtinitiatief vormgegeven kan worden. De heer Wiesenekker herinnert aan zijn eerste vraag. Wethouder Pluimers verwijst naar het Speelruimtebeleidsplan waar demografische gegevens in opgenomen zijn. Dit is vastgesteld en op basis daarvan worden bepaalde besluiten genomen.

Het is niet zo dat halverwege andere dingen worden gedaan. Er wordt gemonitord en dan kan worden bijgestuurd als er wordt geëvalueerd met elkaar. De persoonlijke ervaring van de heer Wiesenekker bij het als buurt gezamenlijk inrichten van een speelruimte is anders. Hier is ruimte voor. Hij raadt heer De Vries aan de bewoners aan te moedigen daarbij aan te sluiten en dergelijke ideeën in te brengen. Er zijn mogelijkheden. De heer Korevaar komt terug op speelvoorzieningen in de centra. Die trof hij in Frankrijk en Denemarken overal aan. In Barneveld is dit nergens te zien. De discussie is inderdaad eerder gevoerd toen het ging over het centrum van Barneveld, toen er parkeerplaatsen opgeheven zouden kunnen worden en daar misschien andere voorzieningen voor terug zouden kunnen komen. Hij vindt het jammer dat het college zich verschuilt achter de instrumenten die geëvalueerd moeten worden. Het getuigt niet van veel ambitie terwijl het een mooi idee is. Het hoeft niet direct te worden uitgevoerd. Hij zou een reactie met iets meer dan ‘we gaan het evalueren en dan kunnen we het erover hebben’ wel sympathiek vinden.

38

Wethouder Pluimers zegt de motie sympathiek te vinden. Het college verschuilt zich niet achter evaluatiebeleid. Dit is het met de raad afgesproken kader waarbinnen het college werkt. Het college houdt de goede volgorde aan: uitvoeren, evalueren, herijken of herschrijven, uitvoeren. Dit wordt integraal gewogen in een begroting dan wel in een MIP. Dat is transparant beleid. Wethouder Pluimers vervolgt haar reactie op de eerste termijn en reageert op de amendementen en moties. Bij motie 10 Bloktijden begrafenissen laat de wethouder weten veel begrip te hebben voor de motie. Het is verdrietig dat mensen die een geliefde begraven met dit soort zaken worden geconfronteerd. Echter, over twee dagen begint de nieuwe aanpak bij de aula en de begraafplaats. Het college is van mening dat efficiënt gewerkt moet worden en dat dingen goed op elkaar afgestemd moeten worden. Men mag rekenen op tijden die zijn afgesproken met nabestaanden. Het is belangrijk om goed te monitoren, om de mensen te instrueren bij de start. Het college wil graag de samenhang tussen begraafplaats en aula goed vormgeven. Het college heeft in het voortraject veel overlegd met de begrafenisondernemers. Toen is niet naar voren gekomen dat hier problemen mee zouden zijn. De wethouder neemt de problemen natuurlijk serieus. Ook hier is zij van mening dat bij de evaluatie gekeken wordt of dit eventueel anders kan.

Maar met het nieuwe beleid dat start over twee dagen vindt zij het iets te vroeg om daar al van af te wijken. De heer Top bevestigt dat het nieuwe beleid op 1 juli ingaat. Maar dit gaat vooral over de aula en zegt eigenlijk niets over de begrafenissen. Er zijn veel begrafenissen waarbij de aula niet wordt gebruikt. Dan loopt men hier tegenaan en tegen de inflexibiliteit aan. Het staat dus los van de aulatijden en zou los daarvan ingevoerd kunnen worden. Spreker roept op om de motie serieus te nemen. Wethouder Pluimers benadrukt dat zij de motie zeer serieus neemt. Die toezegging wil zij doen. Het is alleen zo dat er een goede afstemming en samenhang tussen de aula en de begraafplaats moet zijn. Het is niet aan de voorkant te zeggen wat er zal gebeuren, dat weet men over het algemeen pas kort tevoren. Maar het college wil aan de voorkant duidelijkheid scheppen in hoe het met elkaar georganiseerd wordt. Het is niet zo dat als het tien minuten of een kwartiertje uitloopt, de gemeente met boetes of waarschuwingen komt. Er is echt begrip voor het feit dat het soms net niet helemaal lukt. Als het een half uur later wordt, gaat het wel knellen met een eventuele volgende begrafenis of dienst. De wethouder zegt toe dat zij dit punt nadrukkelijk meeneemt in de uitwerking. De heer Top vraagt wanneer zijn fractie hier een reactie op kan terugzien.

Wethouder Pluimers laat weten dat er een open huis georganiseerd wordt waar de raadsleden ook van harte welkom zijn. Dan wordt alles goed uitgelegd, ook aan de ondernemers. Het onderwerp kan terugkomen in het reguliere wethoudersoverleg als er bijzonderheden zijn, zij zal haar medewerkers oproepen om de signalen goed aan haar door te geven. De heer Top wijst erop dat het open huis de aula betreft. De SGP is heel content met de bijna nieuwe aula. Maar het gaat hier over begrafenissen en zeker die waarbij geen gebruik gemaakt wordt van de aula. Het is dan niet goed om daarnaar te verwijzen. Hij zou hier graag een reactie op krijgen in het najaar. Wethouder Pluimers zegt graag toe dat zij in het najaar met een update komt van hoe het ervoor staat. Het is duidelijk dat het om de begraafplaats gaat, maar het college ziet daar een samenhang met de aula in omdat die samen gebruikt kunnen worden. Dan moet dit aan de voorkant goed afgestemd worden en moeten heldere kaders meegegeven worden van hoe de gemeente wil werken. Het college neemt het onderwerp serieus. Wethouder Pluimers vervolgt haar reactie op de eerste termijn en reageert op de amendementen en moties. Het college vindt het niet verstandig als motie 29 landelijke SPUK-regeling als extra impuls aangenomen zou worden en ontraadt de motie. Het gaat uiteindelijk om de doelen die men wil behalen.

Het college moet enige ruimte hebben om integrale keuzes te maken en te bepalen of daar 39

bestaand geld voor gebruikt wordt of geld vanuit de SPUK-regeling. De heer De Vries wil niet dat SPUK-gelden worden ingeruild voor lokaal beleid. Het college wil ook niet het risico lopen dat SPUKgelden terugbetaald moeten worden. Het is fijn als het college bestaande plannen kan funden met SPUK-gelden. Uiteraard moeten de plannen dan wel voldoen aan de doelen van de SPUK. De heer De Vries meent dat het mooi zou zijn als de SPUK-gelden voor extra inzet kunnen worden gebruikt. Dat is wat de motie beoogt. Natuurlijk zal een deel van het beleid dat momenteel door het Rijk wordt betaald straks betaald worden met SPUK-gelden. Hij begrijpt dat, als men geld overhoudt, er verder gekeken gaat worden. Men wil het ook niet terugstorten. Daarom wil het CDA als uitgangspunt dat het geld extra wordt ingezet voor het versterken van beleid en nieuw beleid. Hij begrijpt dat, als er geld over is, het college dat niet terug wil sturen maar gebruikt voor het lokale beleid dat er al is. Klopt het dat de wethouder aangeeft dat het geld ook gebruikt kan worden voor al bestaand beleid, los van wat via rijksgelden geregeld wordt? Wethouder Pluimers bevestigt dit en licht toe dat dit ook mag volgens het beleid. Het college kan niet zeggen dat er allemaal nieuwe dingen gedaan gaan worden met de SPUK-gelden. Er moet ook capaciteit zijn om de dingen uit te voeren.

Het is niet zo dat het college de SPUK-gelden alleen voor nieuwe dingen wil inzetten. Het gaat uiteindelijk om de doelen. Als de gemeente de doelen haalt en het werkelijk kan uitvoeren, of dat nu een bestaand plan is of een nieuw plan, dan zet het college daar van harte de SPUK-gelden voor in. De heer De Vries stelt dat dit uiteindelijk een keuze is. Het college mag de keuze maken om het geld zo te benutten dat uiteindelijk lokaal geld dat al besteed wordt, terug in de algemene middelen kan vloeien. Dat is een keuze. Het CDA wil via de motie ervoor pleiten dat het geld gebruikt wordt om het beleid te versterken of voor nieuw beleid omdat er veel aan de hand is. Er moet veel gebeuren, ook met verenigingen. Hij roept het college en anders de raad op om hier de keuze te maken om het geld in te zetten voor extra beleid, naast het vele beleid dat gebeurt en dat belangrijk is. Wethouder Pluimers benadrukt dat bepaalde landelijke financiële regelingen zijn afgeschaft en het geld is in de nieuwe SPUK-regeling terecht gekomen. Dat is dus beleid dat al gevoerd wordt, het geld komt alleen van een andere kant. SPUK-gelden zijn voor zowel bestaand beleid als nieuw beleid. De heer De Vries wijst erop dat dit ook in de motie staat. Het is prima om beleid uit te ruilen: beleid dat werd betaald met rijksgeld wordt nu betaald met SPUK-gelden.

In de motie staat dat het niet zo moet zijn dat lokaal beleid dat zelf is bedacht met SPUK-gelden wordt betaald. De SPUK-gelden moeten worden gebruikt voor extra of nieuw beleid. Wethouder Pluimers constateert een verschil van mening. De heer Wiesenekker komt met het idee om de SPUK-gelden in te zetten voor twee mooie initiatieven in de gemeente, namelijk de sporthal die in Terbroek gaat komen en de sporthal die veel mensen in Kootwijkerbroek en Stroe willen. Dat rendeert voor veel inwoners. Wethouder Pluimers houdt ervan als mensen in kansen denken. Maar de SPUK-gelden kennen 15 doelen en de regels zijn strak afgebakend als het gaat om de financiën. De 15 doelen laten dit niet toe. Wethouder Pluimers vervolgt haar reactie op de eerste termijn en reageert op de amendementen en moties. Motie 30 Investering wegen ten opzichte van andere speerpunten wordt sterk ontraden door de wethouder. In november is een beheerplan vastgesteld door de raad met ambities, met een financiële onderlegger. Daarnaast is het zo dat de gemeente de trend wil keren. De raadsleden zullen zich de grafiek nog herinneren en daar wil het college niet naar terug. Om al na een paar maanden vastgesteld beleid ter discussie te stellen vindt het college geen goede zaak. Het is van mening dat, als er met elkaar keuzes worden gemaakt, alles besproken kan worden en ook de wegen maken daar onderdeel van uit.

Maar er wordt niet op voorhand gezegd dat er op wegen bespaard kan worden. Het college wil geen verslechtering, geen kapitaalvernietiging en de investering is hard nodig om de lijn omhoog te laten gaan.

40

De heer Korevaar begrijpt dat er niet op voorhand op wegen bespaard zal worden. In zijn bijdrage heeft hij ook het Pastoriebos genoemd. De gemeente geeft €375.000 uit voor iets waar, als men het over groen heeft, met €30.000 alles waarschijnlijk herplant kan worden. Hij vraagt of, als alles wordt heroverwogen, dit iets is waarover nogmaals gesproken kan worden. Wethouder Pluimers meent dat het raar zou zijn om dat type beleid, wat een vastomlijnd project is met overigens hele lage participatiekosten - dat wil de wethouder graag even rechtzetten, ter discussie te stellen. Over de langjarige investeringen, tien jaar, wordt gesproken met elkaar. Het Pastoriebos maakt daar in haar optiek geen onderdeel van uit. De heer Korevaar begrijpt dat dus niet alles heroverwogen wordt. Wethouder Pluimers licht toe dat dit eerder vastgesteld beleid is. De MIP is voor de komende tien jaar. Het is vreemd om te zeggen dat met terugwerkende kracht met het Pastoriebos iets anders wordt gedaan. Dat zou zij een rare gang van zaken vinden en het zou onbetrouwbaar bestuur zijn richting Voorthuizen. Wethouder Pluimers vervolgt haar reactie op de eerste termijn en reageert op de amendementen en moties. Motie 28 Reductie bomen: deze motie wordt door het college ontraden. Zij begrijpt dat het een fors bedrag is maar het wordt over tien jaar uitgespreid.

Dat waar de motie toe oproept wordt in feite al gedaan. De afgelopen jaren heeft de gemeente veel meer bomen gekapt dan herplant. Er is een inhaalslag nodig om het areaal aan bomen op peil te brengen. Bomen bezitten een groen kapitaal. De eerste twee jaren wordt hier €250.000 aan uitgegeven en van het derde tot en met het achtste jaar €200.000 per jaar. Dat is een bescheiden bedrag. Vermindering van het budget zou een achteruitgang betekenen van het areaal groen. Motie 12 Sporthal Kootwijkerbroek: hier is al veel malen over gesproken. Zij begrijpt de betrokkenheid bij Kootwijkerbroek en sporten. Daarom is het college al lang met Kootwijkerbroek in gesprek om het verhaal compleet te maken. Maar het verhaal is niet compleet. De wethouder heeft eerder aangegeven dat het college een stap heeft gedaan door te zeggen dat er in ieder geval voor gezorgd wordt dat Kootwijkerbroek er niet op achteruit gaat. Gekeken wordt naar variant 2. Die stap moet nog integraal worden vastgesteld, de raad gaat daarover. Kootwijkerbroek wil variant 3. Het college mist daarbij nog de stap die Kootwijkerbroek zelf zet, wat wil het dorp zelf bijdragen, á la Terbroek? In de commissie werd duidelijk dat Kootwijkerbroek dat nog niet ziet gebeuren. Het college hoopt dat Kootwijkerbroek dat wel doet. De wethouder pleitte er al eerder voor om met elkaar de tijd te nemen die er is.

Het tweede punt is dat het college een zekere mate van duidelijkheid over de exploitatie wil hebben, is het haalbaar en is er commitment vanuit de verenigingen om de huur te betalen? De heer De Vries merkt dat het hier, net als bij de andere door het CDA ingediende moties, vooral gaat over waarom het niet kan, over waarover getwijfeld wordt. Er kan ook gekeken worden naar hoe men het wel voor elkaar kan krijgen. Bij de motie is de enige vraag: kijk naar de optie om er een sporthal van te maken, om dat serieus te onderzoeken in gesprek met de werkgroep en Plaatselijk Belang Kootwijkerbroek. In de commissievergadering en op andere momenten dat hij daarover spreekt met hen geven zij aan dat zij erg hun best doen en van alles en nog wat willen doen, zij leggen het neer bij het college en krijgen onvoldoende duidelijk wat zij extra moeten doen. Zij willen graag heel concreet van het college horen wat er extra gedaan moet worden. Ook horen zij graag van het college dat een sporthal een serieuze optie is. Dat staat in de motie die niet meer zegt dan dat het CDA het college oproept om de sporthal serieus te onderzoeken. Met één stapje extra, dat is mooi, maar daar heeft Kootwijkerbroek niets aan als men kijkt naar de plannen die zij willen. Ze willen graag de sporthal hebben.

Er kan gekeken worden naar wat Kootwijkerbroek mogelijk zelf kan doen, vandaar dat er staat dat het samen met hen wordt gedaan. Spreker verzoekt het college om het gesprek aan te gaan en de stap te nemen om te gaan kijken of de sporthal mogelijk is. Dat is geen garantie dat het gaat lukken, maar laat het college de verantwoordelijkheid nemen om met de werkgroep te spreken over de sporthal.

41

Wethouder Pluimers laat weten dat het college in het eerste dictum de eerste bullet sturend vindt, namelijk dat men zich gezamenlijk gaat inzetten voor een sporthal. Het college heeft al veel gesprekken gevoerd en zal daarmee doorgaan. Het college is van mening dat het moment daar is dat ook Kootwijkerbroek moet komen. Er is een betrokken gebiedsregisseur die meewandelt met Kootwijkerbroek om te kijken hoe ze geholpen kunnen worden. De heer De Vries constateert dat de wethouder aangeeft dat Kootwijkerbroek moet komen. Kootwijkerbroek zat in de commissievergadering en er waren veel inwoners aanwezig, zij vinden het belangrijk dat er wat gebeurt. In de motie gaat het ‘om de mogelijkheid om serieus te onderzoeken’. Er is in de vergadering vaker over onderzoeken gesproken, de uitslag daarvan kan ook zijn dat iets niet gebeurt. Hij vraagt het college de kans te pakken en ervoor te kiezen om voor de sporthal te gaan. De heer Bos begrijpt van de wethouder dat Kootwijkerbroek voor variant 3 meer moet leveren. Dat is in de commissie wel degelijk aan de orde geweest. De Werkgroep Kootwijkerbroek gaf bij variant 3 duidelijk aan dat er een hoger rendement is en dat er al 800 uur extra aan benutting van de zaal kan plaatsvinden. Dat betekent dat bekeken moet worden wat de ‘financiële afdronk’ is van variant 2 en van variant 3 met een hoog rendement.

Dat is volgens hem waar de motie naar toe gaat. De twee mogelijkheden moeten naast elkaar worden gezet. Hij vraagt of het college dat mee wil nemen, daarnaar wil kijken en tegen Kootwijkerbroek wil zeggen dat er al geleverd is maar dat er nog een paar punten gemist worden voor er richting variant 3 kan worden gegaan. Volgens wethouder Pluimers lijkt de heer Bos te zeggen dat het college niet in gesprek is met Kootwijkerbroek. Dit is nadrukkelijk wel het geval. Het wordt afgewogen met elkaar, het college neemt het serieus. Daartoe hoeft het college niet meer opgeroepen te worden. Zij meent dat hier aan verwachtingenmanagement gedaan moet worden en dat Kootwijkerbroek nu aan zet is om, samen met de gebiedsregisseur, het geheel in kaart te brengen. Het college wil niet op voorhand richtinggevende uitspraken doen. De motie geeft daar wel enigszins richting aan. Nogmaals, het college staat ervoor open. Als dit niet het geval zou zijn, zouden de gesprekken al afgekapt zijn en had het college eerlijk gezegd het niet te zullen doen. De heer Wiesenekker probeert de verbinding te leggen tussen de indieners en de wethouder. De wethouder zegt dat het college hier echt mee bezig is, maar het eerste punt is voor het college te ver gaand geformuleerd. In Terbroek is het gelukt, daar wonen minder inwoners en dan zou men zeggen dat het in Kootwijkerbroek ook moet lukken.

Hij vraagt of het zou helpen als het eerste punt van de motie anders geformuleerd werd of weggelaten zou worden en er zou staan dat het college een positieve grondhouding heeft naar de sporthal toe. Wethouder Pluimers zou geformuleerd willen zien dat de gesprekken worden voortgezet en dat de rol van Kootwijkerbroek nadrukkelijk aandacht krijgt, maar het zal moeten leveren. De afgelopen tijd en ook in de commissie heeft het college de bereidheid van Kootwijkerbroek gemist om stappen te zetten. Dat ziet zij in de motie niet terug. Dat is het eerlijke verhaal. De rest van het dictum is ook richtinggevend. Als de motie wordt aangepast zal het college daarna de hele motie weer beoordelen. De heer Wiesenekker zegt toe ermee aan de slag te gaan. Wethouder Pluimers vervolgt haar reactie op de eerste termijn en reageert op de amendementen en moties. Motie 15 Statiegeld-ring vindt zij een logische en begrijpelijke motie. Het betekent nogal wat voor flora en fauna als er rommel op straat ligt. Juist door het instellen van statiegeld is de hoop dat blikjes en flesjes niet meer in de natuur belanden. Het college vindt de motie sympathiek. In motie 15 wordt de praktische vraag gesteld, of men daarmee aan de slag kan. De wethouder is van mening dat een dergelijk initiatief omarmd kan worden. Het moet wel binnen het beleid passen. In 2024 wordt de Grondstoffennotitie vastgesteld.

Daar wil zij het graag in opnemen. Op het moment gaat de aandacht uit naar het voorkomen van rommel. Het is terecht dat er signalen zijn van opengetrokken vuilnisbakken en -zakken. 42

Motie 21 Compost afhaalpunten vindt zij sympathiek. Er wordt alleen in gesteld dat mensen uit andere dorpen dan met hun auto naar de Milieustraat moeten rijden, maar als Barneveld met een gemeentelijke auto alle dorpen zou langsrijden, is die auto natuurlijk ook onderweg. Het is de vraag hoe praktisch het is als die auto overal naar toe moet rijden terwijl tevoren niet duidelijk is hoeveel zakken het in de dorpen zijn. Het zou kunnen zijn dat er naar Garderen moet worden gereden omdat er daar één zak is overgebleven. Het college is voorstander van een efficiënt gebruik van middelen en capaciteit. De heer Wiesenekker begrijpt de reactie van de wethouder. Maar op het moment dat er twintig mensen van Kootwijkerbroek naar Barneveld rijden of er rijdt één auto van Barneveld naar Kootwijkerbroek om daar compost te brengen, dan zorgt het laatste voor veel minder vervoersbewegingen. De vraag waar compost over is en waar te weinig is, is een praktisch punt. Juist daarom zou een proef van een jaar mooi zijn. Geen onderzoek, gewoon doen. Dit wordt geëvalueerd waarna bekeken wordt of de gemeente dit kan blijven doen. Wethouder Pluimers wijst erop dat de gemeente Barnveld een gebaar maakt door gratis compost weg te geven, dat te organiseren en te regelen. Het college is van mening dat er dan van inwoners verwacht mag worden dat zij de stap zetten om de compost op te halen.

Het college ontraadt dus de motie, hoe sympathiek die ook is. De heer Wiesenekker brengt naar voren dat niet onderschat moet worden dat er inwoners zijn die het vervoer met moeite kunnen regelen, bijvoorbeeld omdat zij geen auto hebben. Het college sluit die inwoners uit voor deze geste terwijl zij ook gft-afval verzamelen. Wethouder Pluimers benadrukt dat het college niemand uitsluit. Als mensen goede buren zijn, wordt dit gezamenlijk georganiseerd en worden zakken voor de buurman gehaald en overgedragen. Dat is samen leven, samen verantwoordelijk zijn voor elkaar. De heer Korevaar vindt het jammer dat de wethouder in onmogelijkheden denkt. Het gaat om een pilot. Hoe ingewikkeld is het om drie pallets met zakken compost in Garderen af te leveren en goede afspraken te maken met een lokale ondernemer die een oogje in het zeil houdt. Is het geen succes, dan is dat ook een resultaat dat aan de raad kan worden teruggegeven. De wethouder doet meteen de deur dicht en dat is heel jammer. De raad denkt met de wethouder mee en zij zegt direct nee. Wethouder Pluimers stelt dat zij geen deur heeft dichtgegooid. Zij vindt dit op het moment niet een verstandige keuze. Zij herhaalt dat er in 2024 een Grondstoffennotitie wordt vastgesteld en dit kan daar een onderdeel van zijn. Mevrouw Van den Wildenberg wil de wethouder iets meegeven.

Zij staat zelf elk jaar bij de uitgifte om de bloemenzaadjes uit te delen. Elk jaar is er compost over, zeker na de coronacrisis, en elk jaar komen veel mensen met de fiets. Dat zouden de mensen uit alle dorpen graag willen. Wethouder Pluimers zal de gedachte meenemen in de Grondstoffennotitie. De compost dag wordt altijd onder de aandacht gebracht en daar zal het college mee doorgaan. De heer Top spreekt ook namens de VVD als hij zegt dat hij andere fracties wil oproepen om hierover na te denken. De gemeente doet al zoveel, geeft gratis compost. Is het dan zo’n moeite om dit op te halen? Het is te combineren met een bezoek aan het winkelcentrum van Barneveld en dan heeft men een leuke dag. Wethouder Pluimers vervolgt haar reactie op de eerste termijn en reageert op de amendementen en moties. Motie 23 HelemaalGroen betreft zwerfvuil. Het college vindt dit een sympathiek idee en wil ook deze motie meenemen in de Grondstoffennotitie. Zij spreekt haar zorg uit over mensen die langs provinciale wegen lopen, dat is mogelijk onveilig. Zij wil voorzichtig zijn als het om de inwoners gaat.

43

De heer Wiesenekker kan zich de laatste opmerking goed voorstellen. Maar wijkplatforms en politieke partijen kunnen ook nu al een bus reserveren met prikstokken en zakken erin. Dan wordt er ook niet over verkeersveiligheid gesproken. Het gaat vaak heel goed. Het is niet zo dat, als het college de app op de website promoot of als partner wat geld aan de stichting geeft om de app te upgraden, het is alsof het college zegt dat er verkeersonveilig gedrag vertoond mag worden of op de snelweg gelopen mag worden. Mensen zijn er zelf verantwoordelijk voor. Dat vertrouwen kan er zijn. Wethouder Pluimers wil dat vertrouwen zeker hebben. De motie vraagt het college om partner te zijn, dan voelt het zich medeverantwoordelijk voor de veiligheid van de inwoners. Als inwoners dit willen doen, laten zij dit vooral doen. Maar het college wil ook het statiegeldregime dat is ingevoerd een kans geven en wil kijken in hoeverre zwerfvuil niet meer de natuur in gaat. Ook hier gooit de wethouder zeker geen deur dicht, ook dit neemt zij mee. Ze laat het oordeel verder aan de raad. Wethouder Wijnne reageert op de moties, amendementen en vragen uit de eerste termijn. Motie 1 Ecologische grens bereikt is een motie waar veel zorg uit spreekt en het college deelt die zorg. Toch gaat het de motie ontraden. Dat heeft te maken met de tekst van de motie.

De constatering is dat er scherpe keuzes gemaakt moeten worden over de herinrichting van het landelijk gebied van de gemeente als men dat leefbaar wil houden. In de ogen van het college is het een versmalling van de discussie als er over ecologische grenzen wordt gesproken. Dat raakt de industrie, het transport en het hele leefpatroon. Het college wil dit niet verengen tot alleen het landelijk gebied. In het verzoek staan twee bullets waar het college het mee eens is. De tweede is: ’Deze boodschap (dat er iets gebeuren moet) duidelijk uit te dragen naar de agrarische sector en toeleveranciers.’ De heer Bos was erbij, de wethouder heeft de avond ervoor niet voor niets de metafoor gebruikt van het boekje ‘Wie heeft mijn kaas gepikt’. Want het ging over ontginning. Als de kaas op is en mensen ontkennen dat en denken dat het wel overwaait en wordt zoals het was. De wethouder heeft geprobeerd om dat te weerleggen. Hij adviseert de raadsleden het boekje te lezen. Het college is het eens met het uitdragen van de boodschap aan mensen die het ontkennen. De heer Bos heeft de bijdrage van de wethouder de avond ervoor en de inhoud van ‘Wie heeft mijn kaas gepikt’ anders geïnterpreteerd. De wethouder zag ontkenning, de heer Bos zag: het geld is op en nu gaat de gemeente kijken waar zij het kan halen.

Het probleem ligt bij Den Haag, maar daar is het geld niet, dus men komt het in het land halen. Dan kan de discussie diep gaan, maar hij wil de focus graag daarop leggen. Als de wethouder dit ontkent, zet hij de sector neer op een manier die hij niet graag ziet. Hij denkt dat er voldoende realisme is bij de sector. Hij hoort hier graag een nuance bij. Wethouder Wijnne stelt dat de heer Bos gelijk heeft. Het boekje karakteriseert echter twee types. Het ene type gaat verongelijkt in een hoekje zitten en denkt dat de kaas wel weer een keer aangroeit. Het andere type gaat erop uit, zoekt naar kansen, heeft onzekerheid en pijn en moeite maar dat type komt op een gegeven moment tot de ontdekking dat anderen ook veel kansen bieden, vreugde kunnen geven en soms nieuwe wegen openen. Beide situaties moeten belicht worden. De heer Korevaar heeft de metafoor die de wethouder in de krant heeft gebruikt over het Kodak rolletje met genoegen gelezen. Hij slaat daar de spijker op de kop. De wethouder daagt Pro’98 wel uit om de motie te gaan verbreden, maar spreker proeft in de andere kritiekpunten dat er nog een paar bullets zijn waar hij het niet mee eens is. Spreker bespaart zich de moeite. Wethouder Wijnne wijst erop dat wat Pro’98 schrijft over de eiwittransitie ook in de strategische agenda van de regio staat die het college onderschrijft.

Het college legt al noodzakelijke maatregelen van Rijk en provincie uit aan de sector. Het college gaat niet een sector naar ecologische landbouw ombouwen, dat is niet de taak van het college. Bij de eerste bullet staat: ‘Te erkennen dat het verkleinen van de veestapel noodzakelijk is om tot een gezonde leefomgeving te komen’. Dat kan een gevolg zijn, maar de impact van de uitstoot moet terug. Daar zou dan het citaat wel bij kunnen horen. Maar dat is niet het doel. 44

Wethouder Wijnne vervolgt zijn reactie op de eerste termijn en reageert op de amendementen, moties en vragen. Bij motie 2 Inzet Programma Waardevol Landelijk Gebied is niet helemaal duidelijk waarvoor de gemeente het geld inzet. Het geld wordt sowieso niet voor innovaties ingezet. Het geld wordt ingezet voor mensen om zo het programma aan te kunnen, om in verbinding te zijn met de mensen in het buitengebied, om de transitie vorm te geven en om aan alle goede tafels te zitten bij Regio, provincie en Rijk om ervoor te zorgen dat de belangen van Barneveld goed behartigd worden. In de notitie staat ook dat daarmee de doelen van het NPLG, dus van het Rijk en de provincie, worden uitgevoerd. Het college voert geen beleid uit dat daarmee in strijd is. Dit is ook een reden waarom de motie door het college wordt ontraden. Het gaat het college te ver om te zeggen dat technische innovaties niet werken en niet gewerkt hebben. De afgelopen twintig jaar heeft de sector veel gedaan aan het terugbrengen van de uitstoot. Dat heeft wel degelijk te maken met technische innovaties. Er staat weer dat de veestapel gereduceerd moet worden. Dat is echter niet het doel. Dit zijn allemaal redenen waarom de motie door het college wordt ontraden. De wethouder komt terug op de bijdrage van de heer Korevaar die informeerde naar het Gebiedsfonds, of dat niet iets zou zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=dfa5fb70-395a-41fa-b381-656341a47971