CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Kromme Akker-Zuid II_Toelichting_Bijlage 2 Archeologisch onderzoek (2021).pdf

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Kromme Akker Zuid II22.490 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

40 41

Van Berkel en Samplonius 1995. www.battlefieldtours.nu/informatie/slag-om-voorthuizen/.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 18

Figuur 13. De bewegingsrichtingen van de verschillende divisies. Voorthuizen (afgekort als voz) is aangegeven ter plaatse van de bovenste pijl, ten noorden van Barneveld (bvd). De Lijn met driehoekjes is de Grebbelinie.

2.6 Voorgaand onderzoek Op basis van het adviesdocument van de regioarcheoloog42 en verkennend booronderzoek43 blijkt dat het plangebied op een dekzandrug ligt. De bodemopbouw is relatief uniform en bestaat uit een akkerdek met daaronder een gevlekte laag ontstaan door diepploegen. Op een diepte van 25 tot 135 centimeter onder het huidige maaiveld bevindt zich dekzand. Uit de hoogtes van het dekzand blijkt dat in het oostelijk deel een dekzandrug aanwezig is die naar het oostelijke en westelijke richting afloopt. Op basis van het booronderzoek werd geadviseerd om het plangebied vrij te geven. Onderzoeken na dato van het booronderzoek hebben echter aangetoond dat er in - eveneens in eerdere instantie vrijgegeven - gebieden met een vergelijkbare bodemverstoring nog wel gave, goed geconserveerde archeologische resten aanwezig zijn. Een voorbeeld hiervan bevindt zich direct ten zuiden van het plangebied op de Wikselaarse Eng waar nederzettingsresten uit de IJzertijd, Romeinse Tijd en Middeleeuwen zijn aangetroffen. Op basis van deze nieuwe inzichten heeft de gemeente ervoor gekozen in tegenstelling tot eerdere adviezen en besluiten het huidige plangebied nader te laten 42 43

Schut 2017. Nales 2017.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 19

onderzoeken door middel van proefsleuven met een eventuele doorstart naar een opgraving.44 Bij het proefsleuvenonderzoek zijn sporen uit de IJzertijd/Romeinse tijd en Nieuwe tijd aangetroffen, waardoor er in het veld is besloten om direct door te starten naar een opgraving in de zone tussen proefsleuf 2 en proefsleuf 13.45 2.7 Archeologische verwachting Op basis van de gegevens uit het adviesdocument, het verkennend booronderzoek en de bekende archeologische gegevens uit de omgeving, gold een lage verwachting voor resten uit het Paleolithicum en het Mesolithicum en een hoge verwachting voor resten van nederzettingen en bijhorende activiteiten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd.46

44

Dit blijkt uit een mail van mevr. P. Kloosterman (Regioarcheloog Barneveld, Scherpenzeel en Wageningen) (d.d. 28-8-2018). Selectiebesluit door mevr. P. Kloosterman (Regioarcheloog Barneveld, Scherpenzeel en Wageningen) (d.d. 3-12-2018). 46 Louwe 2018. 45

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 20

3

DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN

3.1 Doelstelling Het doel van het proefsleuvenonderzoek was allereerst het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en indien nodig, het aanvullen of wijzigen daarvan.47 Na het proefsleuvenonderzoek zijn de aangetroffen resten direct gewaardeerd volgens de richtlijnen van de KNA 4.1.48 Volgens deze waardering waren de aangetroffen twee vindplaatsen behoudenswaardig. Vanwege de korte termijn waarbinnen het plangebied ontwikkeld zou gaan worden, is direct doorgestart naar een opgraving van de vindplaatsen. Het doel van de opgraving was documenteren, registreren en veiligstellen van de archeologische resten die zich in de ondergrond van het plangebied bevinden, om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden. De opdrachtgever heeft geen aanvullende doelen en wensen kenbaar gemaakt die invloed hebben gehad op de onderzoeksopdracht. 3.2 Onderzoeksvragen Voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek is er een Programma van Eisen (PvE) opgesteld waarin de randvoorwaarden van het onderzoek zijn vastgelegd. Dit PvE voorzag in een doorstart naar een opgraving, waardoor er geen tweede PvE nodig was.

Om de doelstelling van het proefsleuvenonderzoek en de opgraving te verwezenlijken is in het PvE een aantal onderzoeksvragen opgenomen.49 Na het veldwerk is een evaluatieverslag opgesteld, waarin deze vragen zijn aangepast en aangevuld.50 Aan de hand van de resultaten zijn vraag 10 tot en met 23 opgesteld. De vragen over vervolgonderzoek die in het PvE staan vermeld, zijn geschrapt aangezien onderhavige opgraving de laatste fase is volgens de AMZ-cyclus. Algemeen: 1. Wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? 2. In welke mate zijn verstoringen waargenomen (mechanisch en/of chemisch door oxidatie/reductie) en heeft dit de interpretatiemogelijkheid van de resten nadelig beïnvloed? 3. Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? 4. Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Barneveld aanscherpen? 5. Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving. 6. Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? Periode en sites: 7. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? 8. Welke en hoeveel vindplaatsen zijn in het onderzoeksgebied te herkennen? 9.

Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: o de ligging (inclusief diepteligging) o de geologische en/of bodemkundige eenheid 47

Schut 2017/ Nales 2017. SIKB Protocol 4003, KNA versie 4.1 (d.d. 19-02-2018). 49 Louwe 2018. 50 Van den Berghe 2020b. 48

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 21

o de omvang (inclusief verticale dimensies) o het type en de functie van de sites of off-site-patronen o de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) o Wat is, indien aanwezig, de ouderdom van de cultuurlaag? o de vondst- en spoordichtheid o de stratigrafie voor zover aanwezig o de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie o wanneer zijn vindplaatsen in onbruik geraakt? 10. Indien aanwezig, Wat is de ouderdom, opbouw en consistentie van de cultuur- of leeflaag? Hoe is de datering bepaald en is dit van invloed geweest op het bepalen van de ouderdom van de laag? 11. Zijn op grond van de verspreiding van grondsporen, structuren, mobilia en/of anderszins resten, activiteitengebieden te onderscheiden en zijn deze te duiden? 12. Is het aantal en dichtheid aan archeologische vondsten en sporen overeenkomstig het vooronderzoek of onderzoeken uit de omgeving? In het geval de vondst- en spoordichtheid lager of juist hoger blijkt, wat kan hiervoor een mogelijke verklaring zijn? In het geval de vondst- en spoordichtheid gelijk is, kan deze informatie meegenomen worden in toekomstige beleidskaders en op te stellen PvE’s? 13.

Wat is per fase de samenstelling van de archeologische resten en de vondst- en spoordichtheid? Wat omvat de materiële cultuur van de verschillende bewoningsfasen? Is er een samenhang tussen vondstmateriaal en context? Zeggen de aangetroffen resten iets over de sociaaleconomische situatie van de gebruikers/bewoners? 14. Indien gebouwplattegronden of erfinrichtingselementen zijn waargenomen, zijn er veranderingen waar te nemen in de constructiewijze, gebruikte bouwmaterialen en/of de inrichting van erven? Zo ja, welke? Motiveer bij aantreffen van gebouwen waarom er al dan niet sprake is van een, al dan niet lokale, ontwikkeling in de gebouwconstructie en gebruik van bouwmaterialen. 15. Tijdens het veldwerk is een klein aantal structuren aangetroffen die in verband staan met de watervoorziening (waterputten en -kuilen). Is er aan de hand van de analyses van de genomen monsters, vondstspreiding, sporenconstellaties en de constructies zelf af te leiden welk specifiek gebruik aan de structuren gekoppeld kan worden? 16. In de structuren die in verband staan met de watervoorziening zijn grondkerende constructies aangetroffen. Zijn er specifieke kenmerken, gebruikssporen of aanwijzingen voor hergebruik van houten constructiedelen? Geef een toelichting. 17.

Indien er sprake is van hergebruikte bouwmaterialen, is er aan de hand van de elementen inzicht te krijgen in de gebouwen waar de houten delen voordien gebruikt zijn? Licht onderbouwd toe. 18. In de directe nabijheid van het plangebied is een veelheid aan structuren voor de watervoorziening aangetroffen. Indien aanwezig, zijn de aangetroffen structuren vergelijkbaar met deze structuren? Passen de in het onderhavige plangebied aangetroffen structuren in het daar opgezette typochronologische overzicht en verspreiding (o.a. per periode) van de puttypes? Licht onderbouwd toe. 19. In hoeverre sluiten de resultaten van het onderzoek aan op de resultaten van de onderzoeken aan de Hoofdontsluitingsweg-Zuid en de Wikselaarse Eng, beiden op korte afstand, of nagenoeg grenzend aan het plangebied? 20. Hoe verhoudt deze vindplaats zich tot andere vindplaatsen binnen de gemeente Barneveld en/of binnen de regio, zowel landschappelijk alsmede de aard van de vindplaats? (HarselaarZuid, -West, De Driehoek en Zeumeren) Betreft het separate, individuele nederzettingen, of om een zich door een groter gebied verplaatsende nederzetting of om verschillende verspreid liggende erven behorend tot één nederzettingscomplex?

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 22

21. Welke informatie geven de onderzoeksresultaten aangaande de culturele, sociale, economische verbanden en (supra) regionale relaties van de oudtijdse lokale bevolking? 22. Wat zijn de belangrijkste algemene en eventueel reeds specifiek te stellen vragen bij toekomstig onderzoek? Welke onderzoeksstrategieën en methoden (archeologische, paleobotanische, paleontologische, geochemische en/of andere methoden) zouden bij toekomstig onderzoek kunnen worden ingezet om deze vragen te beantwoorden? 23. In de specifieke gevallen in gebieden met een lage(re) vondst- en spoordichtheid, welke onderzoeksstrategieën en methoden kunnen ingezet worden om toch informatie in te winnen en zo een verminderde aanwezigheid van vondsten en sporen ondervangen? Welke zijn dat en wat is hun meerwaarde? Landschap en bodem: 24. Wat is de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied? 25. Waar bevindt zich binnen het plangebied het esdek? Als esdek afwezig is, komt dat doordat het er waarschijnlijk niet ontwikkeld is of omdat het in een later stadium weer verwijderd is? 26. Indien er een esdek wordt aangetroffen. Wat is de dikte en wanneer is dit esdek aangelegd? 27. Is inderdaad sprake van een cultuurlaag en is er een verband met het historisch erf Grevenhofstede? Zo ja, wat verbindt deze elementen met elkaar? 28.

Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 29. Wat is de paleo-ecologische context, inclusief de vegetatie ontwikkeling, van het onderzoeksgebied en hoe was haar dynamiek door de tijd heen en in hoeverre hebben landschappelijke omstandigheden een rol gespeeld bij de locatiekeuze en land(schap) gebruik in de verschillende perioden (locatiekeuze, ontginning, landinrichting, beakkering, weiden van vee) en wat kan, indien van toepassing, op basis van de paleoecologische resten worden gezegd over de voedseleconomie, productie, opslag, verwerking van goederen en het dieet van de bewoners?

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 23

4

METHODIEK

4.1 Strategie proefsleuvenonderzoek Tussen 19 en 29 november 2018 is het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Er zijn 14 proefsleuven van circa 4 meter breed en 50 meter lang aangelegd, waarbij 2.928 m2 (circa 10% van het plangebied) is onderzocht (Figuur 14). Enkele proefsleuven zijn verlengd om een beter beeld te krijgen van de aanwezige archeologische sporen (Tabel 1). Tabel 1. Afmetingen en oppervlaktes van de proefsleuven. werkputnummer 1 2

afmetingen in meter 50 x 4 46 x 4

oppervlakte in m2 200 178

3

50 x 4

218

4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

48 x 4 50 x 4 50 x 4 54 x 4 50 x 4 50 x 4 52 x 4 50 x 4 60 x 4 55 x 4 64 x 4

192 200 200 216 200 200 208 200 240 220 256

bijzonderheden ten westen en oosten enkele m2 uitgebreid om de hele sporen te kunnen documenteren. ten noorden verlengd. ten zuiden verlengd. ten noorden verlengd. ten zuiden verlengd. ten noorden verlengd.

De vlakaanleg heeft plaatsgevonden met een graafmachine uitgerust met een gladde bak. Er is gegraven tot op het vlakniveau waarop de grondsporen zichtbaar werden en het vlak te interpreteren was. Er is één archeologisch vlak aangelegd in de top van het dekzand, tussen 13,3 en 13,8 meter +NAP. De vlakken zijn ingemeten met een Rover GPS en RTS en gefotografeerd. In iedere proefsleuf is per vlak de hoogte gemeten in raaien met een tussenafstand van 5 meter. Per haal van de graafmachine is met behulp van de metaaldetector door een metaaldetectorspecialist het blootgelegde vlak afgezocht. Eveneens is de stort onderzocht met de metaaldetector. Per proefsleuf zijn minimaal twee profielkolommen gedocumenteerd (Figuur 19). Deze zijn 1 meter breed en tot 30 centimeter in de C-horizont gezet. De afstand tussen de profielkolommen is circa 25 meter. Er zijn 42 profielkolommen gefotografeerd, getekend en beschreven. Een selectie van de potentieel archeologisch relevante sporen is gecoupeerd, gedocumenteerd en afgewerkt. Grondsporen die tot een structuur behoorden zijn niet gecoupeerd, zodat bij de opgraving de structuur integraal kon worden onderzocht. De coupes zijn gefotografeerd met een digitale camera en vervolgens getekend op een schaal van 1:20. Bijzondere sporen zijn in het vlak en de coupe op schaal 1:20 of 1:10 ingetekend en apart gefotografeerd.

De vondsten zijn per bodemlaag, per spoor en segment verzameld. De meeste vondsten zijn aangetroffen bij het couperen van de sporen. Er zijn 34 vondstnummers uitgegeven. Bij het proefsleuvenonderzoek zijn geen monsters genomen. Het veldwerkteam bestond uit drie man die wisselend werden versterkt door één tot twee personen (Tabel 2).

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 24

Tabel 2. Het veldwerkteam tijdens het proefsleuvenonderzoek. medewerker

functie

Drs. K.J. van den Berghe Drs. E. Louwe Dhr. M. Meurs MSc Dhr. T. Wolf BA Dhr. R. Dijkstra BA Mevr. N. de Koning MA Mevr. R. Averink

Senior KNA-archeoloog/ projectleider Senior KNA-archeoloog/ vervangende projectleider KNA-archeoloog veldarcheoloog veldarcheoloog veldarcheoloog stagiair Saxion Hogeschool

Tijdens het proefsleuvenonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied twee behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn die gedateerd kan worden in de IJzertijd/Romeinse tijd en de Nieuwe tijd (bijlage 1). In de sporenclusters zijn meerdere plattegronden van bijgebouwen herkend. Op basis van de aangetroffen archeologische resten is vastgesteld dat de vindplaats zich tussen proefsleuf 2 en proefsleuf 12 bevindt. In een evaluatieverslag is voorgesteld om 2 hectare op te graven.51 De bevoegde overheid heeft besloten om maximaal 1 hectare op te graven in de zones waar de nieuwbouw de archeologische waarden zal verstoren.52 Hierbij is de aanwezigheid van de sporen leidend; rondom de aangetroffen sporen moesten de werkputten uitgebreid worden.53 Een aanvulling op het bestaande PvE werd niet nodig geacht.

51

Van den Berghe 2018. Besluit van mevr. P. Kloosterman (Regioarcheloog Barneveld, Scherpenzeel en Wageningen), zie bijlage 1. 53 Selectiebesluit opgesteld door mevr. P. Kloosterman (Regioarcheloog Barneveld, Scherpenzeel en Wageningen) (d.d. 3-122018). 52

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 25

Figuur 14. De ligging van de proefsleuven.

4.2 Strategie opgraving Tussen 10 december 2018 en 28 februari 2019 is de opgraving uitgevoerd. Met de bevoegde overheid is overeengekomen dat indien er binnen een straal van 25 meter rond een spoor geen nieuwe archeologisch sporen meer aangetroffen werden, de aanleg van het vlak gestaakt kon worden. 54 Er is gestart in het oosten, rondom proefsleuf 11, en richting het westen gewerkt. Nadat in de meest westelijke put geen sporen meer aanwezig waren, is wederom in het oosten gestart om de tussenliggende werkputten aan te leggen. Tijdens het aanleggen is rekening gehouden met de locatie van de stort en de ruimte die hiervoor nodig was. Aan weerszijde van de noordelijk gelegen proefsleuven zijn enkele kleine werkputten (werkput 17, 18 en 19) aangelegd om de sporen op de putgrens in zijn geheel te kunnen documenteren. Er is circa 10.366 m2 onderzocht in 15 werkputten. Hierbij is geprobeerd zoveel mogelijk aaneengesloten vlakken te ontgraven zodat er een minder versnipperd beeld zou ontstaan in de opgravingsdata. De werkputten hebben diverse afmetingen (Figuur 15, Tabel 3). Tabel 3. Afmetingen en oppervlaktes van de opgravingsputten. werkputnummer

afmetingen in meter

oppervlakte in m2

15

65 x 34

1.618

16

19 x 18

287

17

14 x 9

120

18

16 x 9

144

19

10 x 8

157

20 21

4x4 56 x 22

23 1.807

22

49 x 31

1.657

23 24

40 x 25 48 x 7

846 423

25

16 x 9

443

26

35 x 12

293

27 28 29

33 x 30 16 x 16 102 x 8

1.538 310 700

bijzonderheden werkput 15 bestaat uit twee delen aan weerszijde van proefsleuf 11. sporen in de putwand van de proefsleuf, aangelegd om compleet beeld te krijgen van de sporen. sporen in de putwand van de proefsleuf, aangelegd om compleet beeld te krijgen van de sporen. werkput 19 is twee delen aan weerzijde van proefsleuf 6. Sporen in de putwand van de proefsleuf, aangelegd om compleet beeld te krijgen van de sporen. werkput 22 bestaat uit twee delen aan weerszijde van proefsleuf 3. sporen in de putwand van aangrenzende werkput 5. Sporen en begrenzing van het onderzoeksgebied gevolgd. S518 gevolgd, daardoor afwijkende vorm van de werkput. -

De opgraving is uitgevoerd door een vast team van vier man. Wisselend werd dit team versterkt door 2-3 man (Tabel 4). Net zoals bij het proefsleuvenonderzoek werden de werkzaamheden bemoeilijkt door de winterse weersomstandigheden (Figuur 16). Tabel 4. Het veldwerkteam tijdens de opgraving. medewerker

functie

Drs. K.J. van den Berghe Drs. E. Louwe Dhr. M. Meurs MSc

Senior KNA-archeoloog/ projectleider Senior KNA-archeoloog/ vervangend projectleider KNA-archeoloog

54

Mailwisseling tussen dhr. K. van den Berghe (Senior KNA-archeoloog) en mevr. P. Kloosterman (Regioarcheloog Barneveld, Scherpenzeel en Wageningen) (d.d. 3-12-2018).

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 26

Dhr. R. Dijkstra BA Dhr. T. Wolf BA Dhr. dr. C. Enzl Mevr. dr. O. Duzhinina Mevr. P. Beurskens MA Mevr. N. de Koning MA Mevr. R. Averink Dhr. M. Sap Dhr. P. Derikx Dhr. R. te Winkel Dhr. J. Wisse

veldarcheoloog veldarcheoloog digitale documentatie bemonsteringsspecialist KNA-archeoloog veldarcheoloog stagiair Saxion Hogeschool stagiair Saxion Hogeschool stagiair Saxion Hogeschool vrijwilliger vrijwilliger

Figuur 15. De opgravingsputten inclusief de proefsleuven.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 27

Figuur 16. Sfeerfoto van het opgravingsvlak in de winterse omstandigheden.

De werkputten zijn in één vlak onderzocht. Het vlak is de top van de natuurlijke ondergrond aangelegd op een diepte van circa 50 tot 90 centimeter (13,3 tot 13,8 meter +NAP) onder het maaiveld (Figuur 18). De vlakaanleg en de documentatie heeft op dezelfde wijze plaatsgevonden als bij het proefsleuvenonderzoek. Bij de opgraving zijn de werkputnummers en spoornummers doorgenummerd. Voor de vondsten is er genummerd vanaf V201. Aangezien bij het proefsleuvenonderzoek de bodemopbouw reeds was gedocumenteerd, werd niet noodzakelijk geacht om bij de opgraving nogmaals de bodemopbouw vast te leggen. Alleen in werkput 23 en 29 zijn twee aanvullende profielen gedocumenteerd, omdat hier de bodemopbouw afweek van die op de overige locaties (Figuur 19). In de werkputten zijn alle potentiële archeologisch relevante sporen gecoupeerd om het karakter te kunnen vaststellen en afgewerkt om daterend vondstmateriaal te verzamelen. Er zijn 332 vondstnummers uitgegeven. De vondsten zijn per spoor, per laag en per segment verzameld. Vondsten die zijn gedaan tijdens de aanleg van het vlak zijn met behulp van de rover GPS direct ingemeten. Alle sporen zijn gecoupeerd en gefotografeerd. Greppels zijn in delen gecoupeerd om vast te stellen of hier bijvoorbeeld nog paalzettingen in te herkennen waren.

De meeste coupes en de profielen, met uitzondering van de coupes van de sporen met een geringe diepte, zijn getekend op een schaal van 1:20. Alle foto’s van het vlak, de sporen, de coupes en de profielen zijn voorzien van een noordpijl, een schaalstok en een fotobordje met het onderzoeksmeldingsnummer en objectgegevens. De grondsporen die bij een structuur horen zijn waar mogelijk integraal onderzocht.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 28

Bij de opgraving is er een uitgebreid bemonsteringsprogramma ingezet met als doel inzicht te krijgen in onder andere het gebruik en/of de levenscyclus van de structuren. Het belangrijkste doel van de monstername was de duiding van specifieke activiteiten binnen het nederzettingsterrein. Daarnaast zouden de monsters ingezet kunnen worden voor dateringsdoeleinden. De monsters die niet zijn ingezet voor specialistisch onderzoek zijn gedeselecteerd. Na het aantreffen van enkele scherven die gerelateerd kunnen worden aan conventionele explosieven, is binnen het hele plangebied een magnetometrisch onderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn de locaties van ferrohoudende metalen objecten in de ondergrond gedetecteerd en weergeven op een kaart (Figuur 17). De locaties zijn benaderd met een beveiligde kraan en onder begeleiding van een archeoloog. Dit heeft geen nieuwe explosieven opgeleverd.

Figuur 17. Resultatenbeeld van uitgevoerd magnetometrisch onderzoek. De blauwe en rode delen geven de positie van ferro houdende metalen objecten weer. Bron: IDDS.

De tijdens het veldwerk verzamelde gegevens zijn in het veld direct digitaal verwerkt in Minerva (een door Econsultancy ontwikkeld veldadministratieprogramma). Na afronding van het veldwerk is een evaluatieverslag opgesteld dat is beoordeeld en goedgekeurd door gemeente Barneveld (d.d. 20-072020).55 Naast de eisen zoals omschreven in het PvE is het archeologisch onderzoek uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL 4000 (KNA versie 4.1), en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie KNA, versie 4.1, die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en ondergebracht is bij het SIKB te Gouda. Het archeologische onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de protocollen 4003 (proefsleuven) en 4004 (opgraving) als onderdeel van de BRL 4000. 4.3 Specialistisch onderzoek De vondsten zijn gedetermineerd door specialisten (Tabel 5). Het aardewerk, metaal en glas is onderzocht door mevr. N. de Koning, het bouwmateriaal en natuursteen door dhr. M. Komen en het dierlijk botmateriaal door dhr. E. Louwe. Alle determinaties zijn ingevoerd in de vondstenlijst (bijlage 11).

55

Van den Berghe 2020.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 29

De structuren zijn op basis van het vondstmateriaal gedateerd. Indien er geen vondsten voor handen waren, is een 14C-analyse overwogen. De selectie voor de 14C-analyses is voorgesteld in een aangepast uitwerkingsplan, waarmee de bevoegde overheid, mevr. P. Kloosterman (Regioarcheloog Barneveld, Scherpenzeel en Wageningen), akkoord is gegaan (d.d. 23-11-2020). De 14C-analyse is uitgevoerd door laboratorium ICA (Miami, Florida), geïnterpreteerd en aangeleverd door dhr. J.T. van Gent (RAAP). Hout is door middel van dendrochronologie gedateerd. Dit onderzoek is uitgevoerd door dhr. S. Van Daalen (Van Daalen Dendrochronologie). Het hout is onderzocht op bewerkings- en gebruikssporen door mevr. C. Vermeeren (BIAX). Bij de opgraving zijn meerdere monsters genomen voor de analyse op macroresten. In overleg met de bevoegde overheid, mevr. P. Kloosterman, is besloten om drie monsters te laten waarderen. De macrorestenanalyse is uitgevoerd door mevr. M. van Rijn (RAAP).56 De overige monsters zijn gedeselecteerd. Tijdens het veldwerk is een bijzonder restant van een natuurelement aangetroffen. Namelijk fulguriet dat is ontstaan door een blikseminslag. Bij het aantreffen is hulp van een specialist van ArcheoCare ingeschakeld. Het fragment is door middel van blokberging veilig gesteld. Door Archeocare is het gestabiliseerd en gereed gemaakt voor de expositie in een lokaal museum. Tabel 5.

Het team van specialisten. medewerker

functie

materiaal

bedrijf

Dhr. drs. E. Louwe Mevr. N. de Koning MA Dhr. drs. M.C.M. Komen Dhr. ir. S. van Daalen

KNA specialist archeozoölogie KNA specialist materialen Senior KNA specialist materialen Senior KNA specialist archeobotanie Senior KNA specialist archeobotanie specialist archeobotanie vakspecialist houtskooldatering

dierlijk botmateriaal aardewerk, metaal en glas natuursteen en bouwmateriaal hout hout

Econsultancy Econsultancy Econsultancy Van Daalen Dendrochronologie BIAX

macroresten houtskooldatering

RAAP RAAP

Mevr. drs. C. Vermeeren Mevr. M. van Rijn Dhr. J.T. van Gent

56

Rapportage van de waardering is opgenomen als bijlage 12.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 30

Figuur 1. Gereconstrueerd paleoreliëf op basis van de hoogtemetingen.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 31

Figuur 2. De verspreiding van de profielen bij het proefsleuvenonderzoek en opgraving.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 32

5

LANDSCHAPSGENESE EN BODEMOPBOUW

5.1

Paleoreliëf

De natuurlijke afzettingen in het plangebied bestaan uit zwak siltig matig fijn zand dat geel of lichtgrijs van kleur is. Dit betreft dekzand dat onder eolische omstandigheden is afgezet (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Doordat het zand steeds opnieuw werd verplaatst ontstonden er hoogteverschillen. Op basis van de hoogtemetingen van de top van het dekzand is een reliëfreconstructie gemaakt (Figuur 18). Hierbij moet de opmerking geplaatst worden dat de oorspronkelijk top waarschijnlijk hoger lag. Door onder andere agrarische werkzaamheden is met name in het oostelijke deel van plangebied de top van de C-horizont (lichtelijk) verstoord (paragraaf 5.2.2). In het centrale en oostelijke deel van het plangebied ligt de bovenkant van het dekzand hoog aan het maaiveld, op een hoogte van 13,8 tot 13,9 meter +NAP. Hier bevindt zich een dekzandrug. In de overige delen van het plangebied gaat de dekzandrug over naar een dekzandvlakte en ligt het oorspronkelijke maaiveldniveau beduidend lager. De laagste meting betreft 13,2 meter +NAP. De lagere dekzandvlakte was vanzelfsprekend natter dan de hoger gelegen rug, gezien de reductie van het dekzand in de gedocumenteerde profielen waardoor het dekzand een lichtgrijze kleur heeft gekregen (paragraaf 5.2). Ook de aanwezigheid van roestvlekken is het gevolg van een hoge en wisselende grondwaterstand.

5.2 Bodem De bodemvorming kan worden beïnvloed door verschillende factoren zoals klimaat, organismen, uitgangsmateriaal, reliëf, vegetatie, ouderdom/ tijd, maar ook de mens.57 Bij het booronderzoek ter plaatse van het plangebied aan de Kromme Akker Zuid werd aangetoond dat met name door de laatst genoemde factor de bodem is veranderd.58 In het westelijk deel van het plangebied betreft het bovenste deel van de bodem een 20 centimeter bouwvoor met daaronder een 10 centimeter verhardingslaag. In de andere delen bevindt zich een 20 centimeter dikke bouwvoor. Daaronder bevindt zich in het westelijke en centrale deel van het plangebied een eerdgrond en in het oostelijke deel is de bodem verstoord. Uit de gedocumenteerde profielen blijkt dat de bodem minder diep is verstoord dan verwacht op basis van het booronderzoek. Bij het booronderzoek is de verstoring tot maximaal 130 centimeter het maaiveld gedocumenteerd, terwijl bij het proefsleuvenonderzoek/opgraving blijkt dat er maximaal 40 centimeter is verstoord. 5.2.1 Eerdgrond In het westelijke en centrale deel van het plangebied is de bodem geclassificeerd als een eerdgrond, waarbij het bovenste deel bestaat uit meerdere plaggendekken. In het centrale deel van het plangebied (werkput 10 en 15) zijn de plaggendekken dunner dan 50 centimeter en kan de bodem worden geclassificeerd als gooreerdgrond.

In de overige werkputten waar een plaggendek is aangetroffen is deze 50 tot 70 centimeter dik. Vanwege deze dikte voldoet de bodem aan de definiëring van een hoge zwarte enkeerdgrond volgens Stiboka (plaggendek dikker dan 50 centimeter). Dit komt overeen met de verwachting op basis van de bodemkaart (paragraaf 2.2.2). In de eerdgrond zijn in het plaggendek twee of drie ophogingsfasen te onderscheiden (Figuur 20 tot en met Figuur 22). Dit is met name gebaseerd op het kleurverschil. De bovenste laag betreft een compacte donkerbruinzwarte matig humeuze zandlaag met houtskoolspikkels. In het centrale deel van het plangebied is deze laag zwarter/grijzer van kleur dan in de profielen in het westelijk deel van 57 58

Van Zijverden en de Moor 2014. Nales 2017.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 33

het plangebied. De tweede antropogene laag is lichter van kleur, namelijk donkerbruin tot donkergrijs, minder compact, minder humeus en bevat sporen van bioturbatie. Ook in deze laag zijn houtskoolspikkels waargenomen. Bij enkele profielen in het westelijke deel is hieronder nog een 10 tot 20 centimeter dikke bruine laag waargenomen wat een derde laag van het plaggendek is (Figuur 22). De verschillen in kleur en samenstelling van de lagen kan verklaard worden door het gebruik van divers materiaal als bijmengsel van de mest. De eerste plaggen waren lokaal gestoken bosplaggen. Deze plaggen bevatten minder humeus materiaal en hebben een bruine kleur. Op een gegeven moment waren de meeste bossen gekapt en werden geen bosplaggen meer ontwikkeld. Hierdoor was men gedwongen om over te stappen op heideplaggen, die een grijze/zwarte kleur hebben.59 Ook de heideplaggen zullen van lokale afkomst zijn geweest. Wellicht zijn de heideplaggen in het plangebied gestoken in het oostelijk gelegen heidegebied, de Garderbroekse heide. De plaggen zijn een aanwijzing dat het plangebied als akkerland in gebruik was. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er ploegsporen aangetroffen zijn. Deze zijn met name zichtbaar aan de onderzijde van de onderste donkerbruine laag. Hierbij is de top van de C-horizont vermengd geraakt met de plaggen.

Doordat de top van de C-horizont vermengd is geraakt met de plaggen, is er ouder vondstmateriaal uit IJzertijd en Romeinse tijd in de jongere lagen terecht gekomen. In het plaggendek zijn vondsten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd aangetroffen, maar een datering van per laag is niet mogelijk.

Bouwvoor met verharding

Plaggenlaag 1

Plaggenlaag 2 Ploeglaag C-horizont

Figuur 20. Profiel 1 in proefsleuf 1 waarop het kleurverschil tussen de twee lagen van het plaggendek zichtbaar is.

59

Van Doesburg et al. 2007.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 34

Bouwvoor

Plaggenlaag 1

Plaggenlaag 2 Ploeglaag C-horizont

Figuur 21. Profiel 20 in proefsleuf 7 waarop het kleurverschil tussen de twee lagen van het plaggendek zichtbaar is.

Bouwvoor

Plaggenlaag 1

Plaggenlaag 2

Plaggenlaag 3 Ploeglaag C-horizont

Figuur 22. Profiel 8 in proefsleuf 3 waarin de eerdlaag drie lagen in het plaggendek zijn te onderscheiden.

5.2.2 Verstoorde bodem Op basis van de profielen blijkt dat in het oostelijke deel (profielen 31, 34, 36 tot en met 42, WP 12, 13 en 14) van het plangebied dieper is verstoord dan de rest van het plangebied. In deze profielen

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 35

zijn geen verschijnselen van bodemvorming waargenomen. Deze bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor waarin een restant van het plaggendek is opgenomen. De bouwvoor is 20 tot 40 centimeter dik en bestaat uit donkerbruin zand. Het zand is matig humeus. Plaatselijk is er grind waargenomen in de bouwvoor. Of dit grind een natuurlijke afzetting is, is niet duidelijk. Onderaan de bouwvoor zijn recente ploegsporen te zien. Dit resulteert in het vlak als lange ploegbanen die tot in de dekzandafzettingen aanwezig zijn. Door het ploegen zijn de archeologische resten in de top van de dekzandafzettingen verstoord/verdwenen. 5.3 Bodemontwikkeling Het paleoreliëf, de aangetroffen bodemprofielen en de agrarische werkzaamheden zijn aan elkaar te relateren (Figuur 23). Vanuit het paleoreliëf heeft men beslissingen genomen om de akker bruikbaar te maken voor de landbouw. Tijdens de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd werden veel percelen ingericht voor landbouw waarbij de relatief onvruchtbare dekzandgronden weer vruchtbaar werden gemaakt door middel van het opwerpen van een plaggendek. Waarschijnlijk heeft men met de plaggen ook kleine depressies in het landschap opgevuld zodat een egaal, makkelijker te bewerken perceel ontstond. Deze aanname wordt ondersteund door de variërende dikte van het plaggendek.

Het beeld van het paleoreliëf van Kromme Akker Zuid laat zien dat het dekzandniveau in het oostelijke deel van het plangebied hoger ligt (Figuur 23). Dit is een dekzandrug. De bodemprofielen die op deze dekzandrug zijn waargenomen bestaan uit een 20 centimeter dik plaggendek met hieronder direct de dekzandafzettingen. Het dunne plaggendek was niet beschermend genoeg waardoor de dekzandafzettingen werden geraakt met het ploegen. In het westelijke deel van het plangebied bevindt zich de dekzandvlakte en is het tegenovergestelde gebeurd. De dekzandafzettingen in dit deel van het plangebied bevinden zich circa 60 centimeter lager dan in het oostelijke deel. Vanwege de laagte heeft men een dikker plaggendek moeten opwerpen om een egaal perceel te krijgen. Dit plaggendek heeft een dikte van circa 50-70 centimeter. Plaggendekken hebben een beschermde functie voor de onderliggende bodemlagen, waardoor archeologische resten beter bewaard zijn gebleven (hoofdstuk 6).

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 36

Figuur 3. Paleoreliëf met de bodemprofielen.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 37

5.4 Natuurgeweld Tijdens de opgraving is een bijzonder restant van natuurgeweld aangetroffen. In het centraaloostelijke deel van het plangebied, in werkput 23, zijn op twee locaties resten van een of meer blikseminslagen aangetroffen. De twee locaties, geregistreerd als spoornummer 372 en 373, liggen zeer dicht bij elkaar. Door de blikseminslag is het zand of gesteente gesmolten waardoor er een netwerk van holle buisjes is ontstaan (fulguriet) (Figuur 24). Dit fenomeen kan alleen ontstaan in kwartsrijke gronden.60 De tijdsperiode van de inslag kan niet worden bepaald. Blikseminslagen worden niet vaak aangetroffen. In Nederland zijn maar enkele locaties bekend waar fulguriet is aangetroffen, dit zijn Hulshorst (Gelderland), Beek (Limburg), Ootmarsum (Twente) en Junne (Overijssel).61

Figuur 24. Aangetroffen fulguriet tijdens de opgraving.

60 61

www.nemokennislink.nl/publicaties/gesmolten-zand/. www.natuurtijdschriften.nl

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 38

Figuur 4. De verspreiding van de clusters uit de IJzertijd en de Nieuwe tijd.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 39

6

ANALYSE SPOREN EN STRUCTUREN

Bij het proefsleuvenonderzoek en opgraving zijn 631 spoornummers uitgegeven (bijlage 3 tot en met 10). In werkelijkheid ligt het aantal archeologische sporen lager. Na het couperen zijn namelijk 187 sporen afgeschreven vanwege hun natuurlijke aard. Eén spoor betreft een restant van een lithologische laag, vijf zijn recente kuilen en twee sporen zijn recente ploegsporen. Hiermee komt het aantal relevante archeologische sporen op 436 te liggen. Dit zijn onder andere kuilen, paalkuilen, erfgreppels, greppels, een waterput en -kuil. Er zijn twee archeologische vindplaatsen te onderscheiden. Deze liggen als meerdere clusters verspreid over het opgravingsvlak (Figuur 25). Als eerste een nederzetting uit de IJzertijd/Romeinse tijd en ten tweede een vindplaats met sporen van agrarische werkzaamheden in de Nieuwe tijd. In onderhavig hoofdstuk zullen de sporen per vindplaats en structuurtype worden besproken. Tabel 6. Totaal aantal sporen, onderverdeeld naar aard en datering. aard spoor natuurlijke verstoring

geen datering

IJzertijd/Romeinse tijd

Nieuwe tijd/Moderne tijd

recent

totaal

187

-

-

-

187

lithologische laag

1

-

-

-

1

recente ploegsporen

-

-

-

2

2

spitsporen

1

-

-

-

1

paalkuil

-

312

3

-

315

kuil

-

87

2

5

94

afvalkuil

-

1

-

-

1

waterkuil

-

1

-

-

1

erfgreppel

-

7

-

-

7

waterput

-

-

1

-

1

grondverbeteringskuil

-

-

1

-

1

perceelgreppel

-

-

16

-

16

explosietrechters

-

-

4

-

4

189

408

27

7

631

totaal

6.1 Nederzetting uit de IJzertijd tot en met de Romeinse tijd De sporen uit de Vroege-IJzertijd tot en met de Laat-Romeinse tijd vormen de grootste categorie. De sporen bestaan uit paalkuilen en kuilen waarvan een deel kan worden toegeschreven aan kleine structuren. Er zijn 312 paalsporen, waarvan 144 tot structuur gerekend kan worden, 45 % van het totaal aantal paalsporen. In de sporenmassa zijn 31 structuren herkend. Ze liggen verspreid over het gehele opgravingsvlak in vier clusters. De structuren zijn in twee categorieën te verdelen, namelijk spiekers en bijgebouwen. Er zijn 168 paalkuilen gedocumenteerd waarvan de exacte functie niet achterhaald kon worden. In enkele sporen is aardewerk aangetroffen dat gedateerd wordt tussen de Vroege-IJzertijd en de Laat-Romeinse tijd. Op basis van een 14C-datering (paragraaf 8.1) en enkele vondstcomplexen (paragraaf 7.1.3), dateren enkele sporen en structuren in de periode 600-400 voor Christus (overgang Vroege- en Midden-IJzertijd). Hoewel niet uitgesloten kan worden dat er oudere en jongere sporen/structuren aanwezig zijn, moet deze periode mogelijk als hoofdfase beschouwd worden. De overige sporen zijn op basis van de context, kleur en vorm vermoedelijk in dezelfde periode in te delen. In deze paragraaf worden de sporen en structuren per categorie beschreven.

Gedetailleerde beschrijvingen van de spiekers en het bijgebouw zijn te vinden in de catalogus (bijlage 2).

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 40

6.1.1 Spiekers 30 structuren betreffen verschillende type spiekers 62 (Figuur 26 en Figuur 27, Tabel 7). Bij onderhavig onderzoek zijn vier-, vijf- zes- en achtpalige spiekers aangetroffen. Bij structuur 3, 15 en 21 zijn dubbele palen of palen zeer dicht bij elkaar aangetroffen (bijlage 2). Dit zijn reparaties geweest (Figuur 29). Tabel 7. Overzicht van de spiekers en aantallen. Type Spieker Vierpalig Vijfpalig Zespalig Achtpalig Hooimijt (roedenberg)

Aantal 29 23 1 4 1 1

Structuur 23 is een achtpalige structuur met een ronde vorm (Figuur 30). De structuur heeft een diameter van circa 5 meter. Wellicht kan deze structuur ook als hooimijt (roedenberg) worden geïnterpreteerd. Zoals de naam al aangeeft was deze structuur bedoeld om hooi te verzamelen. Het hooi werd op een verhoogde vloer gestapeld zodat het hooi langer bewaard kon blijven. In de paalkuilen van zes spiekers zijn aardewerkfragmenten aangetroffen. De fragmenten betreffen lokaal geproduceerd handgevormd aardewerk uit de Late-IJzertijd tot en met de Laat-Romeinse tijd B (hoofdstuk 7). De verwachting is dat niet alle 30 spiekers tegelijkertijd in gebruik waren. Een fasering onderscheiden in het gebruik van de spiekers is echter niet mogelijk door het geringe aantal vondsten.

Figuur 26. Reconstructie van een vierpalige spieker in Wekerom (bron www.wgtukker.nl) met een overzichtsfoto van een vierpalige spieker, structuur 4, in het opgravingsvlak.

62

Spiekers zijn kleine structuren die werden gebruikt voor opslag van graan en andere gewassen. De vloertjes van de spiekers waren verhoogd. Dit had een tweeledig doel, enerzijds komen de gewassen zo niet in aanraking met vocht uit de bodem waardoor ze zouden gaan rotten en anderzijds zijn de gewassen zo minder goed bereikbaar voor ongedierte.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 41

Figuur 5. Overzicht van de aangetroffen spiekers en bijgebouwen.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 42

Tabel 8. Overzicht van de spiekers en hooimijt. structuurnummer

aantal palen

afmetingen in meter

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30

4 6 8 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 4 5 4 4 6 4 6 8 4 4 4 4 6 4 4

2,0 x 1,4 2,8 x 3,8 2,5 x 5,8 2,1 x 2,2 2,6 x 3,3 1,7 x 2,1 1,6 x 2,1 1,9 x 1,8 2,9 x 3,0 2,2 x 2,8 2,3 x 2,0 1,9 x 1,8 1,8 x 2,6 2,2 x 1,8 2,0 x 1,6 1,8 x 2,9 2,7 x 2,5 2,1 x 1,8 2,2 x 1,9 5,4 x 3,4 2,4 x 2,1 3,1 x 5,9 Ø5 3,1 x 2,6 1,7 x 2,0 2,1 x 2,0 2,3 x 1,8 2,0 x 2,0 2,5 x 2,8 1,7 x 2,0

vondsten

monsters

bijzonderheden

V218 V205, 221, 222 V224 V204 V303 V7 en 8 -

V219, 220 V223 V225 V213 V211 V214 304 -

reparatie reparatie reparatie ronde spieker -

Figuur 28. Een zespalige spieker (links) en vierpalige spiekers met een reparatie in de zuidoostelijke hoek.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 43

Figuur 29. Een vijfpalige spieker waarvan één hoekpaal ontbreekt (links) en een reparatie van de zuidwestelijke hoek bij structuur 21 (rechts).

Figuur 30. De sporen die behoren tot de hooimijt (links) en een zespalige spieker (rechts) waarvan één paal ontbreekt.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 44

6.1.2 Bijgebouw Het oostelijke deel van het plangebied, ten noorden van een cluster spiekers, bevindt zich een gebouw (structuur 31, Figuur 27). Het gebouw bestaat uit drie paalrijen waardoor een U-vorm ontstaat (Figuur 31 en Figuur 32). De structuur heeft een lengte van circa 11,5 meter en een breedte van 7,5 meter (Tabel 9). Deze structuur heeft een totale oppervlakte van circa 87 m 2. Vanwege de opening aan de oostelijke zijde van het gebouw krijgt de structuur een hangar-achtig uiterlijk. De structuur doet denken aan een schuilstal.63 Er behoren zeventien spoornummers tot deze structuur.64 Een van de spoornummers (S364) betreft twee paalkuilen, waardoor het gebouw uiteindelijk uit achttien palen zou hebben bestaan. Tabel 9. Overzicht van het bijgebouw. structuurnummer 30

aantal palen 18 palen

afmetingen in meter 11,5 x 7,5

vondsten

monsters

bijzonderheden

V324 en 329

V323 320 330 322 328 325 326 327 321 319

Oostelijke zijde open

Figuur 31. Uitsnede van de vlaktekening van structuur 31.

De paalkuilen zijn vergelijkbaar met elkaar qua kleur en vorm (Figuur 33). Bij dertien paalkuilen is de kern van de paal met de gegraven kuil te onderscheiden. De kern is gemiddeld 40 centimeter breed. De diepte van de palen varieert tussen 6 tot 30 centimeter onder het sporenvlak (circa 13,4 tot 13,6 meter +NAP).

63 64

Er zijn tot op heden geen vergelijkbare structuren aangetroffen bij opgravingen in de Gelderse Vallei. Spoornummers 350-358 en 363-370.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 45

Figuur 32. Overzichtsfoto van de paalsporen van het U-vormige gebouw (structuur 30).

Figuur 33. Paalsporen van structuur 31.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 46

In één spoor (S362) is een zeer klein en verweerd fragment handgevormd aardewerk (V329) aangetroffen. Het aardewerk dateert uit de Late-IJzertijd tot en met de Laat Romeinse tijd B. Dit komt overeen met de datering van de vondsten uit de paalkuilen van de spiekers. Om de datering met enige zekerheid te kunnen concluderen zijn drie van de negen monsters ingezet voor een 14C-analyse. Hieruit blijkt dat het bijgebouw dateert in in de 5e tot 6e eeuw voor Christus, de Vroege- en MiddenIJzertijd (paragraaf 8.1). De functie van de structuur is op basis van de opgravingsdata niet te bepalen, behalve dat het een bijgebouw is geweest. Wellicht is het gebruikt voor opslag van materiaal. In de opgravingsdata de proefsleuvenonderzoeken en opgravingen van Zeumeren, Harselaar-Zuid en De Driehoek is naar vergelijkbare structuren gezocht.65 Dit heeft geen resultaat opgeleverd. 6.1.3 Kuilen Verspreid in het opgravingvlak zijn 89 kuilen aangetroffen. 22 kuilen konden op basis van aardewerk gedateerd worden in de Late-IJzertijd en Romeinse tijd. De overige kuilen zijn op basis van de context, kleur en vorm vermoedelijk in dezelfde periode in te delen. Slechts bij twee kuilen kon de functie bepaald worden, namelijk een afvalkuil en een waterkuil. In de noordwestelijke hoek van het plangebied is kuil S429 aangetroffen. De kuil is 90 centimeter breed en nog 22 centimeter diep onder het sporenvlak.

Door bioturbatie zijn de vullingen van de kuil licht verstoord geraakt (Figuur 35). De kuil is geïnterpreteerd als afvalkuil omdat in de kuil 229 grote fragmenten aardewerk aangetroffen zijn die behoren tot minstens vier grote potten en twee kommetjes uit de Late-IJzertijd (paragraaf 7.1.3, Figuur 34 en Figuur 35).

Figuur 34. Detailfoto van de Late-IJzertijd scherven in de afvalkuil S429.

65

Zeumeren: Van der Linden 2006/ Harselaar-Zuid: Meurkens 2018/ De Driehoek: Van Zon en Hagedoorn 2019.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 47

Figuur 35. Coupe van de afvalkuil (S429) met de scherven van handgevormd aardewerk.

In het zuidwestelijke deel van de opgraving bevindt zich een komvormige waterkuil (S576) met een doorsnede van circa 240 centimeter in het vlak. De vulling van de kuil bestaat uit vijf lagen, waaronder een venig laagje (Figuur 36 en Figuur 37). De gelaagdheid en de aanwezigheid van een venig laagje zijn aanwijzingen dat dit spoor waterhoudend is geweest/open heeft gelegen en langzaam is opgevuld. Vervolgens is de kuil in één keer gedempt. Uit de kuil zijn meerdere fragmenten handgevormd aardewerk geborgen die gedateerd worden in de Late-IJzertijd tot Midden-Romeinse tijd. Van drie vullingen in het spoor (vulling 1, 2 en 4) is een monster genomen (V314-316). Deze monsters zijn onderzocht op macroresten (paragraaf 8.2). De kuil kan gedateerd worden op basis van het vondstmateriaal. Dit betreft meerdere fragmenten handgevormd aardewerk die gedateerd worden in de Late-IJzertijd tot Midden-Romeinse tijd.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 48

Figuur 36. Coupe van de waterkuil (S576).

Figuur 37. De ingekleurde coupetekening van de waterkuil S576.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 49

Bouwvoor

Plaggenlaag 1 Plaggenlaag 2 Erfgreppels

Figuur 38. De erfgreppels in het profiel, onder het plaggendek.

6.1.4 Erfgreppels In het westelijke deel van het plangebied zijn meerdere bundels lineaire sporen aangetroffen (S16, 20, 444, 448, 510 en 511). Deze sporen zijn in het veld geïnterpreteerd als karrensporen, maar bij nader inzien zijn ze herinterpreteerd als erfgreppels. Mogelijk hadden ze ook een afwateringsfunctie. Ten noorden van dit cluster erfgreppels bevinden zich nog twee greppels die een zuid-noord oriëntatie hebben en aansluiten op het cluster. Ook zijn er enkele greppels met een zuidwest-noordoost orientatie. De greppels bevinden zich in delen van het plangebied waar de bodem heviger is verstoord door agrarische werkzaamheden en overige grondverzet. Dit heeft ertoe geleid dat ook de archeologische sporen minder goed bewaard zijn gebleven. Dat ze toch zijn aangetroffen ligt aan het feit dat ze zijn afgedekt en beschermd door het plaggendek. De greppels ‘hangen’ onder het plaggendek (Figuur 38). De meeste erfgreppels zijn west-oost georiënteerd en maken een abrupte hoek naar het zuiden na circa 50 meter (Figuur 39 en Figuur 40). Vervolgens bevindt zich na 6 meter weer een scherpe hoek richting het oosten terwijl er ook enkele greppels richting het zuiden doorlopen. Met name de scherpe hoeken van de sporen heeft geleid tot de herinterpretatie.

Op basis van de kennis van de constructie van karren en hun reikwijdte, kan een dergelijke scherpe hoek niet zijn gemaakt door een kar. Bovendien bestaat de vulling niet uit meerdere kleine laagjes zoals verwacht wordt bij karrensporen. De greppels liggen parallel en sommige overlappen elkaar. Waarschijnlijk moest men, bijvoorbeeld na het dichtslibben van een greppel, een nieuwe greppel graven. In de erfgreppels zijn meerdere vondsten aangetroffen (V251, 261, 264, 271, 281, 298, 299). Het merendeel van deze vondsten dateren uit de Late-IJzertijd/Laat-Romeinse tijd B. Enkele fragmenten dateren in de Late-Middeleeuwen/ Nieuwe tijd. Gezien de stratigrafische positie van de greppels, onder het jongere plaggendek, kunnen deze fragmenten beschouwd worden als opspit en zullen ze bij het opbrengen van het plaggendek en de latere agrarische werkzaamheden in de sporen terecht zijn gekomen. De datering van de greppels ligt daarmee in de Late-IJzertijd/Laat-Romeinse tijd B.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 50

Figuur 39. De erfgreppels in het vlak.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 51

Figuur 6. De erfgreppels (oranje) in het opgravingsvlak.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 52

6.1.5 Ruimtelijke indeling erven en nederzetting Tijdens de IJzertijd/Romeinse tijd bestonden de nederzettingen uit meerdere erven. Op een erf stond een woon-stalboerderij, enkele bijgebouwen zoals spiekers, soms een waterput en wat kuilen voor het afval. Soms waren erven begrensd door middel van greppels of hekwerk. Aan de rand van een IJzertijd/Romeinse tijd nederzetting bevond zich een zone waar spiekers, schuren, waterputten, drenkkuilen en kuilen aanwezig waren. Dit waren de vaak wat lager gelegen zones die in eerste instantie niet geschikt waren voor een woon-stalboerderij. Aan de hand van deze algemene informatie kunnen enkele voorzichtige uitspraken worden gedaan over het terreingebruik in het plangebied Kromme Akker in de IJzertijd/Romeinse tijd. Omdat geen huisplattegronden zijn aangetroffen, moeten de aangetroffen spiekers en sporen tot een randzone van een nederzetting behoren. Het is niet geheel uit te sluiten dat de aangetroffen waterkuil samen met een spieker toch nog tot een erf behoorden (Figuur 41), waarvan de hoofdwoning niet aangetroffen is bij het archeologisch onderzoek. De vraag is waar de kern van de nederzetting ligt. Hoogstwaarschijnlijk bevindt de rest van de nederzetting zich ten zuiden van de Wikselaarseweg.

Bij deze opgraving zijn meerdere huisplattegronden aangetroffen uit de IJzertijd en Romeinse tijd.66 De (voorlopige) resultaten van deze zuidelijke opgraving en Kromme Akker Zuid komen de dateringen van beide vindplaatsen (IJzertijd/Romeinse tijd) overeen.

66

Opgraving van ADC Archeoprojecten en Econsultancy.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 53

Figuur 7. De mogelijke begrenzing van een erf in het zuidwestelijke deel van het opgravingsvlak.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 54

6.2 Nieuwe en moderne tijd 42 sporen dateren uit de Nieuwe tijd: een waterput, perceelgreppels en grondverbeteringskuilen en 27 sporen uit de moderne tijd. Hoewel insteek van de sporen direct onder het maaiveld ligt, zijn ze niet op deze diepte herkend, vanwege het zeer kleine kleurverschil tussen de bouwvoor/plaggendek en de vulling van de sporen. De contouren van de sporen waren goed zichtbaar in de top van de dekzandafzettingen. 6.2.1 Waterput In de uiterst zuidelijke werkput, parallel aan de Wikselaarseweg, is een waterput (S591) aangetroffen. De put bestaat uit een bakstenen cilinder die op meerdere houten cirkelvormende planken is gefundeerd. De top van de waterput is kegelvormig toegemetseld, waarbij op enig moment de kop een keer is verstevigd met dikke ‘brokken’ cement (Figuur 42). De donkerrode bakstenen zijn trapeziumvormig waardoor een perfect ronde put gemaakt kon worden. De afmetingen van de bakstenen zijn 14 x 9,5 x 5 centimeter. De bakstenen worden gedateerd in 18e/19e eeuw. Om de bakstenen vast te leggen is grijs cement met schelpengruis/witte kalk gebruikt.

Figuur 42. De top van de bakstenen waterput met bovenaan de versteviging.

De constructie van de waterput verandert op een diepte van circa 80 centimeter onder het sporenvlak. In plaats van donkerrode bakstenen met cement zijn er lichtgrijze bakstenen gebruikt die los op elkaar liggen (Figuur 43 en Figuur 44). De afmetingen van de 18e-19e -eeuwse lichtgrijze bakstenen zijn 21 x 10,5 x 5,5 centimeter. Rondom de lichtgrijze bakstenen bevindt zich een constructie van houten latten die aan de cirkelvormende planken zijn bevestigd door middel van spijkers (Figuur 43). Aan bovenzijde zijn de houten latten onderling verbonden geweest. Met wat voor materiaal de latten zijn verbonden is niet bekend. Hiervan zijn geen resten aangetroffen.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 55

Figuur 43. De lichtgrijze bakstenen van de waterput (links) en de houten latjes aan de buitenkant (rechts).

Figuur 44. Foto van de gehele waterputconstructie.

Binnen in de bakstenen cilinder bevindt zich een houten balk gemaakt van eik. Deze balk bevindt zich in de gehele lengte van de waterput en heeft gediend als pompconstructie (Figuur 46). In het midden van de balk is in de gehele lengte een gat geboord met een diameter van 5 centimeter (Figuur 47).

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 56

Aan onderzijde is het gat gedicht door middel van een stop van den. Op circa 20 centimeter vanaf de onderzijde van de balk is een langwerpig deel uit de balk gezaagd om water in de pompbuis te laten. Een verdere vergelijking/uitgebreidere beschrijving van de houten constructie wordt gemaakt in paragraaf 7.7.2. Houten pompconstructies werden vanaf de 16e eeuw toegepast in de waterputten in Nederland. Met de opkomst van diverse pompconstructies konden de waterputten afgedekt worden voor een betere hygiëne, bijvoorbeeld met een bakstenen koepel.67 In Nederland zijn meerdere van dit soort waterputten bekend, zoals in Alkmaar, Breda, Utrecht en Delft.68 Deze waterputten hebben dezelfde opbouw als de opgegraven waterput. Alle vier hebben ze een constructie van baksteen (opgestapeld en/of gemetseld) met het midden van de waterput een houten doorboorde pompbuis. Meestal wordt een waterput geplaatst op een erf, bij een boerderij.69 Er zijn rond de waterput echter geen bewoningssporen uit de 18e en 19e eeuw aangetroffen.70 Deze waterput lijkt een op zichzelf staand element te zijn. Dit doet vermoeden dat het een collectief te gebruiken waterput is geweest.71 Dergelijke waterputten moeten, omwille van de bereikbaarheid, aan een doorgaande route gelegen hebben. Deze waterput ligt aan de Wikselaarseweg, een doorgaande lokale route van en naar het gehucht Hulzebosch.

Volgens de historische kaarten bevindt zich de (voorganger van) de Wikselaarseweg zich al minstens vanaf de 19e eeuw op ongeveer dezelfde locatie (Figuur 45).

Figuur 45. Het plangebied en de waterput geprojecteerd op de kaart uit 1817. De pijl wijst naar de locatie van de waterput. 67

Bitter 2016. Breda: De Nes 2019/ Alkmaar: Bitter 2016/ Utrecht: Van der Kamp 2016/ / Delft: Lange 2019. 69 Groenewoudt 2019. 70 Voor zover bekend zijn ook bij de opgraving ten zuiden van ADC Archeoprojecten geen bewnoingssporen uit de 18e /19e eeuw aangetroffen. 71 Groenewoudt 2019. 68

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 57

Figuur 46. De houten pompbuis in de gemetselde waterput (links) en het bovenste deel van de pompbuis (rechts).

Figuur 47. De pompbuis van boven in de waterput. In het midden is het centrale gat voor de watertoevoer goed te zien.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 58

6.2.2 Perceelgreppels In het zuidoosten en oosten van het plangebied zijn enkele perceelgreppels aangetroffen (S151, 152, 153, 222, 256, 496, 516, 518, 955 en 960). De greppels bevinden zich direct onder de bouwvoor en zijn flink verstoord door agrarische ploegwerkzaamheden (Figuur 48). Door het ploegen zijn de vullingen van de greppels ‘uitgesmeerd’. De greppels zijn niet diep, maximaal 20 tot 50 centimeter onder het sporenvlak. Uit de vulling blijkt dat de sporen in één keer gedempt zijn. Er zijn geen aanwijzingen dat de greppels waterhoudend zijn geweest. In de greppels zijn geen vondsten aangetroffen die een datering geven. De sporen zijn geplot op de historische kaarten waaruit blijkt dat de ligging van de greppels overeenkomen met de historische kaarten uit 1931 tot en met 1953 (Figuur 49 en Figuur 50).

Figuur 48. Vlakfoto van een deel van werkput 12 waarin de twee evenwijdige greppel zijn aangetroffen. Op de foto is goed te zien dat de ploegwerkzaamheden de greppels hebben verstoord en 'uitgesmeerd'.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 59

Figuur 8. De sporen geprojecteerd op de historische kaart van 1931.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 60

.

Figuur 9. De sporen geprojecteerd op de historische kaart van 1953.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 61

Tijdens de opgraving zijn 27 sporen (S989) aangetroffen die als modern kunnen worden aangeduid. De sporen bevinden zich op de grens van werkput 3 en werkput 22, in een noord-zuid georiënteerde baan (Figuur 51). Als de sporen geplot worden op de historische kaarten, lijkt de zone exact overeen te komen met de locatie van een greppel op de kaart van 1988-1996 (Figuur 52). Waarschijnlijk zijn de sporen ontstaan bij het uitgraven/opschonen van de greppel waarbij op enkele locaties wat dieper is gegraven.

Figuur 51. Vlakfoto van werkput 2 en 22 met de zone van rechthoekige sporen.

Figuur 52. De locatie van de greppel op de kaart van 1988.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 62

6.2.3 Grondverbeteringskuilen In het zuidwestelijke deel van het plangebied bevindt zich een cluster grondverbeteringskuilen (S990). Deze zijn alle rechthoekig/vierkant van vorm met dezelfde afmetingen en hierdoor dan ook opvallend (Figuur 53). De kuilen zijn west-oost georiënteerd. De exacte datering kan niet worden bepaald aangezien er geen vondsten in de kuilen zijn aangetroffen. Gezien de aard van de kuilen wordt aangenomen dat deze in de Nieuwe tijd dateren. Aangezien de vulling van de kuilen overeenkomt met de vulling van waterput S591 die ten noordoosten ligt, wordt uitgegaan dat deze sporen dezelfde datering hebben, namelijk de 18e-19e eeuw.

Figuur 53. Grondverbeteringskuilen (S990) in het vlak.

6.2.4 Explosietrechters De sporen, S12 en S13, S310 en S460, in het westelijk deel van het plangebied, zijn geïnterpreteerd als explosietrechters (Figuur 54). Deze zijn in het veld als dusdanig herkend vanwege de grote hoeveelheid munitiefragmenten, waaronder ontstekingsdelen, geleidebandfragmenten en delen van projectielichamen. Vanwege het aantreffen van explosietrechters inclusief materiaal zoals ontstekers is de EOD ingeschakeld. De EOD heeft meer informatie kunnen geven over de aangetroffen sporen. De explosietrechters betreffen namelijk niet locaties van een inslag, maar locaties waarbij explosieven tot ontploffing zijn gebracht door de EOD. De EOD graaft de aangetroffen niet gesprongen munitie in en brengt deze van afstand tot ontploffing. Normaliter gebeurt dit door kabels die met de munitie zijn verbonden. De aangetroffen sporen en de directe omgeving zijn onderzocht, maar sporen van nagravingen of kabels zijn niet aangetroffen.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 63

S12 en S13 vormen twee vullingen van eenzelfde explosietrechter van circa 2,9 meter bij 2,8 meter (Figuur 55).). De vullingen betreffen de krater en een schokrand en zijn op basis van kleur te onderscheiden. In beide vullingen bevinden zich zeer dikwandige metaalscherven en een cirkelvormig fragment. Dit zijn delen van zware artilleriegranaten met een diameter van 15 centimeter. Waarschijnlijk zijn deze van Duitse makelij.

Figuur 54. Vlakfoto van explosietrechter S12 en S13.

Figuur 55. Coupe van S12 en S13.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 64

Ten zuidoosten van de eerste explosietrechter bevindt zich een tweede (S460) (Figuur 56). Dit spoor is vergelijkbaar met de bovenstaande sporen. Het spoor is 3 meter bij 2,8 meter. Aan de buitenzijde bevindt zich wederom een schokrand.72 Ook in dit spoor zijn fragmenten van munitie aangetroffen (V260). Deze zijn niet nader gedetermineerd.

Figuur 56. Coupe van S460.

Het vierde spoor (S310) gerelateerd aan de Tweede Wereldoorlog is afwijkend van vorm in het vlak en in de coupe in vergelijking met bovengenoemde explosietrechters (Figuur 57). In het vlak heeft het een zeer onregelmatige vorm zonder schokrand. Vanwege de aanwezigheid van twee granaatscherven (V226) in het spoor, is dit spoor geïnterpreteerd als een granaatinslag. Deze scherven zijn niet nader gedetermineerd.

Figuur 57. Coupe van S310.

72

Deze heeft hetzelfde spoornummer gekregen.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 65

7

VONDSTMATERIAAL

Tijdens het onderzoek zijn 167 vondstnummers uitgegeven (bijlage 11). Het vondstmateriaal betreft aardewerk, bouwmateriaal, dierlijk botmateriaal, natuursteen, glas, metaal, hout en fulguriet (Tabel 10). De meeste vondsten zijn redelijk geconserveerd. Het ijzer is sterk gecorrodeerd en slecht geconserveerd. Alle vondsten zijn geanalyseerd door specialisten, met uitzondering van de overduidelijke recente objecten zoals plastic (bijlage 11) en het fulguriet (paragraaf 5.4). De resultaten zullen per materiaalcategorie in onderstaande paragrafen worden beschreven. Tabel 10. Overzicht van het aangetroffen vondstmateriaal. soort

aantal

gewicht in gram

22 645 25 4 10 39 28 814

1.145 6.964 3.716 3 2.233 368 14.429

bouwmateriaal aardewerk glas dierlijk botmateriaal hout metaal natuursteen totaal

7.1 Aardewerk Bijdrage door mevr. H.N. de Koning (Econsultancy) Er zijn 645 scherven gevonden, waarvan drie te klein zijn om ze nader te kunnen determineren. Het meeste aardewerk is gefragmenteerd maar redelijk geconserveerd. Het grootste deel van het aardewerkcomplex betreft handgevormd aardewerk uit de IJzertijd-Romeinse tijd (583 stuks). Daarnaast zijn er 17 scherven geïmporteerd gedraaid Romeins aardewerk en 8 fragmenten Middeleeuws aardewerk gevonden. 34 scherven dateren uit de Nieuwe Tijd. Het merendeel van het aardewerk (87%) is te relateren aan sporen. Tabel 11. Aantallen, gewicht en datering van het aardewerk. baksel handgevormd aardewerk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=5ee65355-2f0e-47d9-b9ba-8bf8d7bac430