CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Kromme Akker-Zuid II_Toelichting_Bijlage 2 Archeologisch onderzoek (2021).pdf

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Kromme Akker Zuid II22.490 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

PROEFSLEUVENONDERZOEK EN OPGRAVING WIKSELAARSEWEG TE VOORTHUIZEN GEMEENTE BARNEVELD

Rapportage proefsleuvenonderzoek en opgraving Wikselaarseweg te Voorthuizen in de gemeente Barneveld

Opdrachtgever

Gemeente Barneveld Postbus 63 3770 AB Barneveld

Rapportnummer

7928.003

Versienummer1

D2.0

Datum

19 mei 2021

Vestiging

Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl

Opsteller

Mevrouw P. Beurskens (KNA-archeoloog)

Paraaf

Met een bijdragen van: Mevrouw drs. H.N. de Koning, MA (Econsultancy) De heer drs. M.C.M. Komen (Econsultancy) De heer drs. E. Louwe (Econsultancy) De heer drs. S. van Dalen (Van Dalen Dendrochronologie) Mevrouw drs. C. Vermeeren (BIAX) De heer drs. J.T. van Gent (RAAP) Mevrouw drs. M. van Rijn (RAAP)

Autorisatie

Mevrouw F.J. Heijting, MA (Senior KNA-archeoloog)

Paraaf

1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

© Econsultancy bv, Zwolle Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

7928.003

Toponiem

Wikselaarseweg

Opdrachtgever

Gemeente Barneveld

Gemeente

Barneveld

Plaats

Voorthuizen

Provincie

Gelderland

Kadastrale gegevens

Gemeente Voorthuizen, sectie G, nummers 3725 (ged.), 6392, 6393, 6420, 6421 en 5863 (ged).

Omvang plangebied

Circa 3 hectare

Omvang onderzoeksgebied

Circa 1,3 hectare

Kaartblad

32 F (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 170.230/ Y: 469.920

Bevoegde overheid

Gemeente Barneveld Raadhuisplein 2 3771 ER Barneveld

Deskundige namens de bevoegde overheid

Mevrouw drs. C. van Eijk Regioarcheloog Barneveld, Scherpenzeel en Wageningen

E: C.vanEijk@barneveld.nl T: 06 25435199

ARCHIS Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) IVO-P DO

4649574100 4654214100

Monumentnummers

n.v.t.

ARCHIS-nummers vondsten

1244118

ARCHIS-nummers eerdere onderzoeken: IVO-O

4546785100

Archeoregio NOaA

Utrechts-Gelders zandgebied Overijssels-Gelders zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Zwolle/ Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland

Grondverzet

Tessemaker V.O.F. Noord-Oost Nederlandse Aannemers Kombinatie – Dunnewind Groep

Kwaliteitszorg Econsultancy is gecertificeerd voor onder meer voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving en richtlijnen die zijn opgesteld in het Programma van Eisen: Wikselaarseweg te Voorthuizen in de gemeente Barneveld. PvE nr. 7928.001 (Louwe 2018).

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van de gemeente Barneveld een proefsleuvenonderzoek, gevolgd door een opgraving, uitgevoerd binnen het plangebied aan de Wikselaarseweg te Voorthuizen in de gemeente Barneveld. In het plangebied is een nieuwe woonwijk gerealiseerd. Deze nieuwe woonwijk, Kromme Akker Zuid, betreft tientallen woningen, een sportaccommodatie en een onderwijsinstelling. Hiervoor werd ook de benodigde bovengrondse- en ondergrondse infrastructuur en openbare ruimte aangelegd. Door deze bodemverstoring en door de mogelijke aanwezigheid van een vindplaats werd een archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. In november 2018 is het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Er zijn 14 proefsleuven aangelegd, waarbij 2.928 m2 (circa 10% van het plangebied) is onderzocht. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied twee behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn die gedateerd kunnen worden in de IJzertijd/Romeinse tijd en de Nieuwe tijd. Op basis van de begrenzing van de vindplaats is door Econsultancy in een evaluatieverslag voorgesteld om 2 hectare op te graven. De bevoegde overheid heeft echter besloten om maximaal 1 hectare te laten opgraven in de zones waar de nieuwbouw de archeologische waarden zal verstoren (besluit van mevr. P. Kloosterman Regioarcheloog Barneveld, Scherpenzeel en Wageningen, d.d. 3-12-2018).

Tussen 10 december 2018 en 28 februari 2019 is de opgraving uitgevoerd. Er zijn werkputten aangelegd met een gezamenlijk oppervlakte van 10.366 m2. Een van de conclusies is dat binnen het plangebied een dekzandrug bevindt. De hoog gelegen drogere dekzandruggen waren in de prehistorie geschikte locaties voor bewoning, wat ook blijkt uit de onderzoeksgegevens. Tijdens het proefsleuvenonderzoek en de opgraving zijn 436 archeologisch relevante sporen gedocumenteerd. Dit zijn onder andere kuilen, paalkuilen, haardkuilen, erfgreppels, perceelgreppels, een waterput en -kuil. Er zijn twee archeologische vindplaatsen te onderscheiden, namelijk een nederzetting uit de IJzertijd/Romeinse tijd en een vindplaats met sporen van agrarische werkzaamheden in de Nieuwe tijd. De vindplaats uit de IJzertijd/Romeinse tijd bestaat uit circa 30 spiekers en één bijgebouw. De structuren liggen verspreid over het gehele opgravingsvlak in vier clusters. De meeste spiekers bevinden zich in het centrale en noordelijke deel van het plangebied. Behalve resten van spiekers en een bijgebouw zijn er ook erfgreppels en kuilen aangetroffen, waaronder een waterkuil en afvalkuil met 229 fragmenten aardewerk. In enkele sporen is aardewerk aangetroffen dat gedateerd wordt tussen de Vroege-IJzertijd en de Laat-Romeinse tijd. Het aardewerk werd lokaal geproduceerd en past binnen de lokale/regionale aardewerktraditie.

Op basis van een 14C-datering van structuur 31, een U-vormig bijgebouw, en enkele vondstcomplexen dateren enkele sporen en structuren in de periode 600-400 voor Christus (overgang Vroege- en Midden-IJzertijd). Hoewel niet uitgesloten kan worden dat er oudere en jongere sporen/structuren aanwezig zijn, moet deze periode mogelijk als hoofdfase beschouwd worden. Eén spieker en de waterkuil bevinden zich ten zuiden van de erfgreppels en behoren waarschijnlijk tot één erf. Er zijn geen huisplattegronden aangetroffen en de vele spiekers, kuilen en greppels zijn typische sporen die worden aangetroffen aan de randzone van een nederzetting. Deze vindplaats hoort zeer waarschijnlijk bij de zuidelijker gelegen nederzetting uit de IJzertijd/Romeinse tijd (Wikselaarse Eng. en Wikselaarseweg), waar meerdere huisplattegronden zijn opgegraven. In de Middeleeuwen lijkt het plangebied niet bewoond te zijn geweest. Waarschijnlijk was het terrein wel al in gebruik als akkerland. In het plangebied zijn archeologische sporen uit de Nieuwe tijd aangetroffen. Deze sporen bevinden zich met name in de oostelijke en zuidelijke opgravingsputten. Dit zijn perceelgreppels, grondverbeteringskuilen en een bakstenen waterput met een houten pompbuis. De

Rapport 7928.003 versie D2.0

waterput is een losstaand spoor en kan niet worden gerelateerd aan een woonerf zoals gebruikelijk bij waterputten. Vanwege de ligging, op enkele meters van (de voorganger van) de Wikselaarseweg, is deze waterput als een collectief te gebruiken waterput voor reizigers geïnterpreteerd. Het terrein was in de 20e eeuw opgedeeld in meerdere percelen die begrensd waren door greppels. Enkele van de opgegraven greppels staan tevens weergeven op de historische kaarten van 1931 tot en met 1953 en tussen 1988-1996. Tot slot zijn er nog enkele losse vondsten en sporen aangetroffen, zoals het bijzondere fenomeen van de blikseminslag en de explosietrechters ontstaan door explosieven uit de Tweede Wereldoorlog.

Rapport 7928.003 versie D2.0

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

VOORONDERZOEK................................................................................................................... 2 2.1 2.2

2.3

2.4 2.5 2.6 2.7 3

DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN ....................................................................... 22 3.1 3.2

4

Strategie proefsleuvenonderzoek ................................................................................... 25 Strategie opgraving ........................................................................................................ 27 Specialistisch onderzoek ................................................................................................ 30

LANDSCHAPSGENESE EN BODEMOPBOUW ...................................................................... 34 5.1 5.2

5.3 5.4 6

Doelstelling ..................................................................................................................... 22 Onderzoeksvragen ......................................................................................................... 22

METHODIEK ............................................................................................................................. 25 4.1 4.2 4.3

5

Ligging plangebied ........................................................................................................... 2 Geologie, geomorfologie en bodemkunde ....................................................................... 3 2.2.1 Pleistoceen ......................................................................................................... 3 2.2.2 Holoceen ............................................................................................................ 6 Archeologische gegevens in de omgeving van het plangebied ....................................... 8 2.3.1 Wikselaarseweg en Wikselaarse Eng. ............................................................... 9 2.3.2 Ontgronding Zeumeren .................................................................................... 10 2.3.3 Harselaar-Zuid .................................................................................................. 11 2.3.4 Harselaar-West ................................................................................................ 12 2.3.5 De Driehoek...................................................................................................... 13 2.3.6 Relatie tussen het landschap en de nederzettingen ........................................ 13 Historisch-geografische gegevens van het plangebied ..................................................

17 De Slag om Voorthuizen tijdens de Tweede Wereldoorlog ............................................ 19 Voorgaand onderzoek .................................................................................................... 20 Archeologische verwachting ........................................................................................... 21

Paleoreliëf ....................................................................................................................... 34 Bodem ............................................................................................................................ 34 5.2.1 Eerdgrond ......................................................................................................... 34 5.2.2 Verstoorde bodem ............................................................................................ 36 Bodemontwikkeling ......................................................................................................... 37 Natuurgeweld.................................................................................................................. 39

ANALYSE SPOREN EN STRUCTUREN ................................................................................. 41 6.1

6.2

Nederzetting uit de IJzertijd tot en met de Romeinse tijd ............................................... 41 6.1.1 Spiekers............................................................................................................ 42 6.1.2 Bijgebouw ......................................................................................................... 46 6.1.3 Kuilen................................................................................................................ 48 6.1.4 Erfgreppels ....................................................................................................... 51 6.1.5 Ruimtelijke indeling erven en nederzetting ...................................................... 54 Nieuwe en moderne tijd .................................................................................................. 56 6.2.1 Waterput ........................................................................................................... 56 6.2.2 Perceelgreppels ............................................................................................... 60 6.2.3 Grondverbeteringskuilen .................................................................................. 64 6.2.4 Explosietrechters .............................................................................................. 64

Rapport 7928.003 versie D2.0

7

VONDSTMATERIAAL............................................................................................................... 67 7.1

7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7

8

Aardewerk ....................................................................................................................... 67 7.1.1 Aardewerk uit de Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd ...................... 68 7.1.2 Handgevormd aardewerk uit de IJzertijd-Romeinse tijd .................................. 68 7.1.3 Handgevormd aardewerk uit structuren en complexen ................................... 72 Bouwmateriaal ................................................................................................................ 73 Botmateriaal.................................................................................................................... 73 Natuursteen .................................................................................................................... 74 Glas ................................................................................................................................ 74 Metaal ............................................................................................................................. 75 Hout ................................................................................................................................ 75 7.7.1 Houtsoortbepaling en dendrochronologie ........................................................

75 7.7.2 Gebruiks- en bewerkingssporen ...................................................................... 76 7.7.3 Vergelijking waterputten met houten pompbuis ............................................... 87

GRONDMONSTERS ................................................................................................................ 89 8.1

AMS 14C-analyse structuur 31 ........................................................................................ 89

9

SYNTHESE ............................................................................................................................... 90

10

BEANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKSVRAGEN ......................................................... 92

11

BRONNEN ................................................................................................................................ 99 11.1 Literatuur ......................................................................................................................... 99 11.2 Internet .......................................................................................................................... 102

BIJLAGE 1 WAARDERING VINDPLAATSEN PROEFSLEUVENONDERZOEK ............................. 103 BIJLAGE 2 CATALOGUS BIJGEBOUWEN ..................................................................................... 104 BIJLAGE 3 ALLE-SPORENKAART .................................................................................................. 120 BIJLAGE 4 ALLE-SPORENKAART WESTELIJK DEEL .................................................................. 121 BIJLAGE 5 ALLE-SPORENKAART CENTRALE DEEL ................................................................... 122 BIJLAGE 6 ALLE-SPORENKAART CENTRALE DEEL ................................................................... 123 BIJLAGE 7 ALLE-SPORENKAART ZUIDOOSTELIJK DEEL .......................................................... 124 BIJLAGE 8 ALLE-SPORENKAART NOORDOOSTELIJK DEEL ..................................................... 125 BIJLAGE 9 ALLE-SPORENKAART MET DATERING ...................................................................... 126 BIJLAGE 10 SPORENLIJST ............................................................................................................. 127 BIJLAGE 11 VONDSTENLIJST ........................................................................................................ 141 BIJLAGE 12 SPECIALISTISCH RAPPORT WAARDERING MACRORESTEN ..............................

149 BIJLAGE 13 SPECIALISTISCH RAPPORT HOUTSOORTBEPALING EN DENDROCHRONOLOGIE................................................................................................................ 150 BIJLAGE 14 SPECIALISTISCH RAPPORT GEBRUIKS- EN BEWERKINGSSPOREN.................. 151 BIJLAGE 15 OVERZICHT GEOLOGISCHE EN ARCHEOLOGISCHE TIJDVAKKEN .................... 152

Rapport 7928.003 versie D2.0

LIJST VAN TABELLEN Tabel 1. Afmetingen en oppervlaktes van de proefsleuven. Tabel 2. Het veldwerkteam tijdens het proefsleuvenonderzoek. Tabel 3. Afmetingen en oppervlaktes van de opgravingsputten. Tabel 4. Het veldwerkteam tijdens de opgraving. Tabel 5. Het team van specialisten. Tabel 6. Totaal aantal sporen, onderverdeeld naar aard en datering. Tabel 7. Overzicht van de spiekers en aantallen. Tabel 8. Overzicht van de spiekers en hooimijt. Tabel 9. Overzicht van het bijgebouw. Tabel 10. Overzicht van het aangetroffen vondstmateriaal. Tabel 11. Aantallen, gewicht en datering van het aardewerk. Tabel 12. Morfologische kenmerken van het prehistorische aardewerk. Tabel 13. Resultaten van de 14C-analyse van structuur 31.

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. De ligging van het plangebied. Figuur 2. Ligging van het plangebied. Figuur 3. Geomorfogenetische kaart. Figuur 4. Het plangebied op de AHN. Figuur 5. De ligging van het plangebied op de bodemkaart. Figuur 6. De ligging van bovenstaande opgravingen en het plangebied. Figuur 7. De locaties van de nederzettingen geplot op de AHN. Figuur 8. Geomorfologische kaart met de locaties van de nederzettingen. Figuur 9. Doorsnede van de geomorfologische kaart met schetsmatige ligging van de nederzettingen in het landschap. Figuur 10. Het plangebied geprojecteerd op de historische kaart uit 1900. Figuur 11. Het plangebied geprojecteerd op de historische kaart uit 1953. Figuur 12. Het plangebied geprojecteerd op de historische kaart uit 1986. Figuur 13. De bewegingsrichtingen van de verschillende divisies. Voorthuizen (afgekort als voz) is aangegeven ter plaatse van de bovenste pijl, ten noorden van Barneveld (bvd). De Lijn met driehoekjes is de Grebbelinie. Figuur 14. De ligging van de proefsleuven. Figuur 15. De opgravingsputten inclusief de proefsleuven. Figuur 16. Sfeerfoto van het opgravingsvlak in de winterse omstandigheden. Figuur 17. Resultatenbeeld van uitgevoerd magnetometrisch onderzoek. De blauwe en rode delen geven de positie van ferro houdende metalen objecten weer. Bron: IDDS. Figuur 18.

Gereconstrueerd paleoreliëf op basis van de hoogtemetingen. Figuur 19. De verspreiding van de profielen bij het proefsleuvenonderzoek en opgraving. Figuur 20. Profiel 1 in proefsleuf 1 waarop het kleurverschil tussen de twee lagen van het plaggendek zichtbaar is. Figuur 21. Profiel 20 in proefsleuf 7 waarop het kleurverschil tussen de twee lagen van het plaggendek zichtbaar is. Figuur 22. Profiel 8 in proefsleuf 3 waarin de eerdlaag drie lagen in het plaggendek zijn te onderscheiden. Figuur 23. Paleoreliëf met de bodemprofielen. Figuur 24. Aangetroffen fulguriet tijdens de opgraving. Figuur 25. De verspreiding van de clusters uit de IJzertijd en de Nieuwe tijd.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Figuur 26. Reconstructie van een vierpalige spieker in Wekerom (bron www.wgtukker.nl) met een overzichtsfoto van een vierpalige spieker, structuur 4, in het opgravingsvlak. Figuur 27. Overzicht van de aangetroffen spiekers en bijgebouwen. Figuur 28. Een zespalige spieker (links) en vierpalige spiekers met een reparatie in de zuidoostelijke hoek. Figuur 29. Een vijfpalige spieker waarvan één hoekpaal ontbreekt (links) en een reparatie van de zuidwestelijke hoek bij structuur 21 (rechts). Figuur 30. De sporen die behoren tot de hooimijt (links) en een zespalige spieker (rechts) waarvan één paal ontbreekt. Figuur 31. Uitsnede van de vlaktekening van structuur 31. Figuur 32. Overzichtsfoto van de paalsporen van het U-vormige gebouw (structuur 30). Figuur 33. Paalsporen van structuur 31. Figuur 34. Detailfoto van de Late-IJzertijd scherven in de afvalkuil S429. Figuur 35. Coupe van de afvalkuil (S429) met de scherven van handgevormd aardewerk. Figuur 36. Coupe van de waterkuil (S576). Figuur 37. De ingekleurde coupetekening van de waterkuil S576. Figuur 38. De erfgreppels in het profiel, onder het plaggendek. Figuur 39. De erfgreppels in het vlak. Figuur 40. De erfgreppels (oranje) in het opgravingsvlak. Figuur 41. De mogelijke begrenzing van een erf in het zuidwestelijke deel van het opgravingsvlak. Figuur 42. De top van de bakstenen waterput met bovenaan de versteviging.

Figuur 43. De lichtgrijze bakstenen van de waterput (links) en de houten latjes aan de buitenkant (rechts). Figuur 44. Foto van de gehele waterputconstructie. Figuur 45. Het plangebied en de waterput geprojecteerd op de kaart uit 1817. De pijl wijst naar de locatie van de waterput. Figuur 46. De houten pompbuis in de gemetselde waterput (links) en het bovenste deel van de pompbuis (rechts). Figuur 47. De pompbuis van boven in de waterput. In het midden is het centrale gat voor de watertoevoer goed te zien. Figuur 48. Vlakfoto van een deel van werkput 12 waarin de twee evenwijdige greppel zijn aangetroffen. Op de foto is goed te zien dat de ploegwerkzaamheden de greppels hebben verstoord en 'uitgesmeerd'. Figuur 49. De sporen geprojecteerd op de historische kaart van 1931. Figuur 50. De sporen geprojecteerd op de historische kaart van 1953. Figuur 51. Vlakfoto van werkput 2 en 22 met de zone van rechthoekige sporen. Figuur 52. De locatie van de greppel op de kaart van 1988. Figuur 53. Grondverbeteringskuilen (S990) in het vlak. Figuur 54. Vlakfoto van explosietrechter S12 en S13. Figuur 55. Coupe van S12 en S13. Figuur 56. Coupe van S460. Figuur 57. Coupe van S310. Figuur 58. Microscopische foto van een mica deeltje in handgevormd aardewerk. Figuur 59. V5 Cilinderhals pot met grove kwartsgruismagering. Figuur 60. V245 Dubbelconische pot met knobbeloor. Figuur 61.

Kleine pot met nagelindrukken op rand (links) en kommetje met doorboring (rechts). Figuur 62. Bodemfragmenten van handgevormd aardewerk (V246) en terra nigra (V287). Figuur 63. Verzamelfoto van een selectie van het glaswerk. Figuur 64. Advertentie van Floryn distilleerderij te Schiedam uit 1965-1966.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Figuur 65. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, links eiken pompbuis (V308.1.1), rechts achthoekige doorsnede van de buis en stop van den (V308.1.2). In de rechtsonder hoek zijn de lichter gekleurde spintringen zichtbaar (© BIAX). Figuur 66. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, bewerkingssporen van een kantrechtbijl op de pompbuis (© BIAX). Figuur 67. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, doorgezaagde pompbuis, waar geen bewerkingssporen meer zichtbaar zijn door het vele gebruik: waterslijtage (© Econsultancy). Figuur 68. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, stop van een tak of kleine stam van den (V308.1.2) (© BIAX). Figuur 69. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, bemonstering van de stop door F.J. Heijting (Econsultancy), rechts in de pompbuis de gleuf voor de waterinstroom (© BIAX). Figuur 70. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, inkeping met sporen van twee parallel lopende inzagingen. Scheursporen indiceren dat het tussenliggende hout is weggebroken (© BIAX). Figuur 71. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, inkeping met scheursporen aan beide zijden van het geboorde gat (© BIAX). Figuur 72. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, dubbele laag overnaads vastgespijkerde fijnspar/lariks planken, waar latten tegenaan zijn gespijkerd (© BIAX). Figuur 73. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, in het veld geselecteerde deel van de grondkerende houtconstructie V309.1 (© BIAX). Figuur 74.

Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, fijne primaire zaagsporen op een knoest van fijnspar/lariks plank subnr. 2, op het brede deel (© BIAX). Figuur 75. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, grove secundaire zaagsporen op de binnenzijde/binnenbocht van plank subnr. 2 (© BIAX). Figuur 76. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, grove secundaire zaagsporen op het uiteinde van plank subnr. 3 (© BIAX). Figuur 77. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, secundaire kapsporen op de buitenzijde/buitenbocht van plank subnr. 3 (© BIAX). Figuur 78. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, restant van glad afgewerkte primaire zijkant van plank subnr. 8 met grove secundaire zaagsporen op de binnenzijde/binnenbocht (© BIAX). Figuur 79. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, bevestiging van de latten aan de dubbele plankenlaag (© BIAX). Figuur 80. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, zaagsporen van een grove handzaag op de zijkant van lat subnr. 21 (© BIAX). Figuur 81. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, bewerkingssporen van een mechanische zaag of schaaf op de platte kant van lat subnr. 24, breedte van de lat is 3 centimeter (© BIAX). Figuur 82. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, zaagsporen in twee richtingen op lat subnr. 22, breedte van de lat is 3,5 centimeter (© BIAX). Figuur 83.

Zagen van planken op een grote zaagbok, waarbij in twee richtingen wordt gewerkt, links foto uit een berghut in Zwitserland, rechts openluchtmuseum Stübing (Oostenrijk) (© BIAX). Figuur 84. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, links richel op zijkant en rechts uitgefreesde holling op platte kant van lat subnr. 27 (© BIAX). Figuur 85. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, zaagsporen op schuine deel van de punt van lat subnr. 27 (© BIAX). Figuur 86. Illustratie gemaakt op basis van de waterput en pompconstructie in Breda (bron: De Nes 2019). BIJLAGEN Bijlage 1 Waardering vindplaatsen proefsleuvenonderzoek Bijlage 2 Catalogus bijgebouwen Bijlage 3 Alle-sporenkaart

Rapport 7928.003 versie D2.0

Bijlage 4 Alle-sporenkaart westelijk deel Bijlage 5 Alle-sporenkaart centrale deel Bijlage 6 Alle-sporenkaart centrale deel Bijlage 7 Alle-sporenkaart zuidoostelijk deel Bijlage 8 Alle-sporenkaart noordoostelijk deel Bijlage 9 Alle-sporenkaart met datering Bijlage 10 Sporenlijst Bijlage 11 Vondstenlijst Bijlage 12 Specialistisch rapport waardering macroresten Bijlage 13 Specialistisch rapport houtsoortbepaling en dendrochronologie Bijlage 14 Specialistisch rapport gebruiks- en bewerkingssporen bijlage 15 Overzicht geoologische en archeologische tijdsvakken

Rapport 7928.003 versie D2.0

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van de gemeente Barneveld een proefsleuvenonderzoek, gevolgd door een opgraving, uitgevoerd binnen het plangebied aan de Wikselaarseweg te Voorthuizen in de gemeente Barneveld (figuur 1 en 2). In het plangebied is een nieuwe woonwijk gerealiseerd. Deze nieuwe buurt, Kromme Akker Zuid, betreft tientallen woningen, een sportaccommodatie en een onderwijsinstelling. Hiervoor werd ook de benodigde bovengrondse- en ondergrondse infrastructuur en openbare ruimte aangelegd. Door deze bodemverstoring en door de mogelijke aanwezigheid van een vindplaats werd een archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht.

Figuur 1. De ligging van het plangebied.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 1

2

VOORONDERZOEK

2.1 Ligging plangebied Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3 hectare. Hiervan is 1,3 hectare vlakdekkend onderzocht middels een opgraving (het onderzoeksgebied). Volgens de topografische kaart van Nederland (schaal 1:25.000) ligt het plangebied op kaartblad 32 F. Het maaiveld bevindt zich op een hoogte van 13,9 meter +NAP in het westen tot 14,4 meter +NAP in het oosten. Bij aanvang van de opgraving was het plangebied in gebruik als grasland.

Figuur 2. Ligging van het plangebied.

Direct ten zuiden en ten noorden van het onderzoeksgebied zijn in 2019 door ADC Archeoprojecten een archeologische begeleiding en een opgraving uitgevoerd. Deze delen behoren tot dezelfde ontwikkeling als het huidige onderzoeksgebied, namelijk het uitbreidingsplan Voorthuizen-Zuid. De resultaten van de opgraving ten zuiden van het onderzoeksgebied waren ten tijde van het opstellen van dit rapport nog niet gepubliceerd. Er is meerdere malen contact geweest met ADC Archeoprojecten, waarbij de resultaten van de diverse onderzoeken in dit gebied zijn uitgewisseld.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 2

2.2

Geologie, geomorfologie en bodemkunde

2.2.1 Pleistoceen Het landschap rondom Voorthuizen is onderdeel van het dekzandlandschap van de Gelderse Vallei. De Gelderse Vallei betreft een diep uitgesleten glaciaal bekken als gevolg van de aanwezigheid van landijs in de voorlaatste ijstijd (het Saalien, circa 370.000 tot 130.000 jaar geleden). Door het landijs werd de bodem weggeduwd naar weerszijde van de gletsjer waardoor de stuwwallen ontstonden. Toen het landijs verdween bleven er diepe bekkens achter. Deze werden geleidelijk opgevuld met mariene en continentale afzettingen gedurende het opvolgende warmere interstadiaal Eemien (tussen 130.000 en 120.000 jaar geleden). Deze afzettingen worden dieper dan 10 meter –NAP verwacht.2 In de laatste ijstijd (het Weichselien, circa 120.000 tot 10.000 jaar geleden) bereikte het landijs Nederland niet. In deze periode kende Nederland een zeer koud en droog klimaat met een permanent bevroren ondergrond. Daardoor ontstond er een soort toendralandschap met weinig vegetatie waarin de wind vrij spel had. Vanuit drooggevallen rivierbeddingen en de drooggevallen Noordzeebodem werd een grote hoeveelheden zand weggeblazen om verder afgezet te worden als dekzand. Zo ontstond in de Gelderse Vallei een landschap van dekzandruggen. Onder invloed van een overheersende zuidwestelijke wind werden langgerekte oost-west georiënteerde paraboolduinen gevormd.

Het merendeel van de paraboolduinen, die aan het oppervlakte liggen in de Gelderse Vallei zijn reeds voor het Allerød-interstadiaal (ouder dan circa 14.000 jaar geleden) ontstaan.3 Een dergelijk duin bevindt zich ook ter plaatse van het plangebied. De geomorfogenetische kaart van de gemeente Barneveld geeft een actueel en gedetailleerd beeld van de paleogeografische gesteldheid van het plangebied en omliggend landschap. Deze kaart is gebaseerd op het Actueel Hoogtebestand van Nederland en nauwkeurig gegeorefereerde historische topografische kaarten, waaronder de Veldminuut van de Topografische en Militaire Kaart. 4 Op de geomorfogenetische en de AHN kaart is duidelijk te zien dat het plangebied zich bevindt in een landschap met ruggen, plateaus en welvingen (circa 16 tot 17 meter +NAP) dat wordt doorsneden door beekdalen. De ruggen en plateau’s zijn omgeven door lager gelegen vlaktes (circa 14 meter +NAP) ( Figuur 3 en Figuur 4).

2

Berendsen 2011. Berendsen 2011. 4 Willemsen 2015. 3

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 3

Figuur 3. Geomorfogenetische kaart.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 4

Figuur 4. Het plangebied op de AHN.

2.2.2 Holoceen In het Holoceen werd het klimaat warmer met als gevolg dat de permafrost ontdooide en de bodem begroeid raakte. Het dekzand werd vastgehouden door de planten waardoor geen verstuivingen meer plaatsvonden en er veranderde er weinig aan het landschappelijk reliëf in de Gelderse Vallei na het Pleistoceen.5 Vanwege de stabiliteit van de bodem konden in een korte tijd podzolbodems tot ontwikkeling komen. In het Atlanticum bestond het gebied rondom het plangebied uit een nat gebied met op de hoge dekzandruggen en -plateaus een loofbos. De Gelderse Vallei vormde gedurende lange tijd een dicht bebost gebied, wat ook blijkt uit de ‘woud’ namen (Woudenberg, Renswoude, Nederwoud). De verwijdering van de vegetatie door de mens heeft geleid tot het ontstaan van heidevelden en stuifzandgebieden op hogere zandgronden.6 5 6

Berendsen 2011. Berendsen 2011.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 5

Vanwege het onregelmatig reliëf in de Gelderse Vallei was er sprake van een slechte afwatering en werden de laag gelegen gebieden steeds natter. Als gevolg van de slechte afwatering is veenvorming opgetreden in de lager gelegen delen van het landschap van de Gelderse Vallei. De veengroei lijkt haar grootste omvang te hebben in de IJzertijd en duurde voort tot in de Late-Middeleeuwen.7 Meerdere veengebieden bevonden zich ten oosten van het onderhavige plangebied. Vanaf de LateMiddeleeuwen werd begonnen met de winning van turf, waarbij veen werd afgegraven en de systematische aanleg van sloten ten behoeve van de ontwatering van het gebied. Met name dit laatste heeft geleid tot veel lagere grondwaterstanden in het gebied, waardoor ook degradatie van veen kon optreden als gevolg van oxidatie. Ook de heidegebieden werden ontgonnen. Een groot heide- en veengebied, de Garderbroekse Heide, ligt 0,5-1 kilometer ten oosten van het plangebied. In de loop der tijd werd het hele gebied ontgonnen om in gebruik genomen te worden als landbouwgrond. Bodemkunde binnen het plangebied Op de bodemkaart is te zien dat in het westelijke deel van het plangebied een dik eerddek en in het oostelijke deel een laarpodzolbodem kon worden verwacht (Figuur 5).8 Op basis van het booronderzoek blijken deze bodems niet meer aanwezig te zijn. 9 De bodemopbouw in het plangebied is relatief uniform.

De top van de bodem bestaat uit een sterk humeuze zandlaag met een dikte van 35-40 centimeter. In de laag waren diverse wortelresten aanwezig. Hieronder bevindt zich een lichtbruin zwak humeus zandpakket. Het is egaal van kleur en gehomogeniseerd. In enkele boringen zijn brokken geel of wit zand of resten van plantmateriaal waargenomen. Beide pakketten zijn waarschijnlijk ontstaan door agrarische werkzaamheden, zoals ploegen. De lagen dateren vermoedelijk (sub-)recent. De bovenlaag is geïnterpreteerd als akkerdek, terwijl de onderste laag ontstaan is als gevolg van diepploegen. Op een diepte van 25 tot 135 centimeter onder het huidige maaiveld in geel tot beige of lichtbruingrijs zand waargenomen. Dit zand is geïnterpreteerd als dekzand. Uit de hoogtes van het dekzand blijkt dat in het oostelijk deel een dekzandrug aanwezig is die naar het oostelijke en westelijke richting afloopt. Aan de randen van het plangebied zijn diepere verstoringen aangetroffen. Dit hangt waarschijnlijk samen met het doorbreken van de oerbank in de ondergrond. De kleuring van de bovenlaag en roesthoudend zand in combinatie met ijzerblokken vormt hier een aanwijzing voor. Aan de zuidelijke en oostelijke rand van het perceel zijn de boringen in een gedempte greppel gezet. Deze is later met het materiaal van het bouwlanddek en resten van boomwortels dichtgemaakt.10

7

Vos et al. 2018. Stichting voor Bodemkartering 1997. 9 Nales 2017. 10 Nales 2017. 8

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 6

Figuur 5. De ligging van het plangebied op de bodemkaart.

2.3 Archeologische gegevens in de omgeving van het plangebied Tijdens het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum waren de jagers en verzamelaars afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. 11 De Gelderse Vallei bestond tijdens het Pleistoceen en Holoceen grotendeels uit veen- en broekgebieden, dus geschikte locaties voor de jagers en verzamelaars uit waren schaars. Onderzoek heeft uitgewezen dat de jagers en verzamelaars tijdens het Laat-Paleolithicum hoofdzakelijk bekend van de met dekzand bedekte stuwwalfanken langs de randen van de Vallei. De mesolithische vindplaatsen liggen op dekzandruggen en -koppen in het met veen en klei overdekte landschap in het noorden van de Vallei, waaronder het stroomgebied van de Eem en langs de randen van de Vallei. Daarnaast zijn er vindplaatsen bekend op de met dek11

Louwe Kooijmans et al. 2005.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 7

zand bedekte stuwwalhellingen die het gebied omzomen. De vondsten betreffen meestendeels (fragmenten van) vuurstenen objecten. 12 Op enkele plaatsen zijn vuursteenconcentraties en haardkuilen uit het Mesolithicum aangetroffen, zoals bij Harselaar West-West.13 Vanaf het Neolithicum veranderde de levenswijze van de mensen. De rondtrekkende jagers en verzamelaars werden standplaats vaste boeren. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang. 14 In eerste instantie gingen de boeren zich vestigen op de hoger gelegen ruggen in het landschap. De boeren woonden in eenvoudige boerderijen in kleine nederzettingen. Rondom hun nederzettingen hadden ze kleine percelen waarop ze akkerbouw en veeteelt uitvoerden. Dit waren vaak de wat nattere delen van het landschap, de dekzandvlaktes en dalvormige laagtes, die minder geschikt waren voor bewoning. In de Gelderse Vallei zijn meerdere hoger gelegen nederzettingen met bijbehorende lager gelegen akkercomplexen bekend, zoals de recent opgegraven vindplaatsen van Harselaar-Zuid, Zeumeren en De Driehoek.15 Dit verspreidingspatroon van de nederzettingen en akkercomplexen blijft tot de Late-Middeleeuwen gehandhaafd. Rond 1000 na Christus kwam er verandering in de locatiekeuze.

Nederzettingen lagen vanaf toen niet meer uitsluitend in de hoge vruchtbare gebieden, maar ook regelmatig op de overgang naar natte gebieden waar met name bossen aanwezig waren. Men kapte de bossen waardoor ook deze gebieden geschikt werden voor bewoning en bijhorende activiteiten zoals landbouw.16 In de omgeving hebben meerdere proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en opgravingen plaatsgevonden waarbij bewoningssporen uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd zijn aangetroffen. Vier van deze onderzoeken bevinden zich op een vergelijkbare geologische situatie met het onderhavige plangebied Kromme Akker Zuid. Een samenvatting van de resultaten van deze onderzoeken zullen in onderstaande paragrafen worden weergeven. In paragraaf 2.3.6 wordt de relatie tussen de archeologische waarnemingen en het landschap uitgelegd. 2.3.1 Wikselaarseweg en Wikselaarse Eng. Aan de overzijde van de Wikselaarseweg, ten zuiden van het plangebied, zijn in 2019 door ADC Archeoprojecten en Econsultancy opgravingen uitgevoerd. ADC Archeoprojecten heeft het gebied ‘Wikselaarse Eng.’, direct ten zuiden van de Wikselaarseweg onderzocht.17 Econsultancy heeft het gebied grenzend aan het zuiden van het onderzoeksgebied van ADC Archeoprojecten opgegraven 18 (Figuur 6). Beide bedrijven zijn ten tijde van het opstellen van het onderhavige rapport nog bezig met de uitwerking van de opgravingen.

Hierdoor is er vooralsnog geen concrete informatie bekend over de aangetroffen sporen en vondsten. Wel is bekend dat bij beide opgravingen vele paalkuilen, kuilen, greppels en waterputten zijn aangetroffen. In de sporenmassa van beide opgravingen zijn huisplattegronden, bijgebouwen en spiekers te herleiden. De structuren van beide opgravingen behoren waarschijnlijk tot meerdere woonerven van éénzelfde nederzetting die zich op hogere dekzandrug concentreert.19 Over het algemeen bestaat een woonerf een huisplattegrond met bijhorend bijgebouw en een waterput. Op basis van de eerste indruk van het vondstmateriaal dateren deze structuren uit de IJzertijd tot en met de Vroege12

Scholte Lubberink et al. 2015. Brouwer et al. 2012. 14 Louwe Kooijmans et al. 2005. 15 Meurkens 2018/ Van der Linden 2006/ Van Zon en Hagedoorn 2019. 16 Gerritsen en Rensink 2004. 17 Archis onderzoeksmeldingsnummer 4645304100. 18 Archis onderzoeksmeldingnummer 4679000100. 19 Van den Berghe 2020a/ eerste bevindingen onderzoeksmeldingnummer 4645304100. 13

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 8

Middeleeuwen. Het is nog niet bekend tot hoeveel fases de structuren kunnen worden gerekend en/of er een bewoningshiaat is geweest.

Figuur 6. De ligging van bovenstaande opgravingen en het plangebied.

2.3.2 Ontgronding Zeumeren Bij een archeologische begeleiding20 en proefsleuvenonderzoek21 ter plaatse van Zeumeren, circa 1 kilometer ten zuiden van het onderhavige plangebied Kromme Akker Zuid, zijn archeologische resten aangetroffen die behoren tot een nederzetting. De structuren betreffen een woonstalhuis en gedeelten van twee andere zwaar gefundeerde gebouwen. De gebouwen zijn getypeerd als Gasselte A en B en Odoorn C1 en zijn noordoost – zuidwest georiënteerd. In de directe omgeving van de hoofdgebouwen zijn kleinere structuren aangetroffen. Dit betreffen bijgebouwen, en spiekers en vier waterputten. De aangetroffen resten behoren tot erven die gedateerd worden in de late 8e eeuw en vroege 9e eeuw. Op basis van de 14C-analyse wordt echter een datering uit de 10e eeuw niet uitgesloten. 20 21

Archis onderzoeksmeldingsnummer 2362757100. Archis onderzoeksmeldingsnummer 2130107100.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 9

De kern van de nederzetting, waarbinnen de middeleeuwse bewoningsactiviteiten zich vooral hebben afgespeeld, bevindt zich in het westelijk deel van het plangebied. Landschappelijk gezien bevindt de nederzetting zich tussen het lagere terrein langs de beek en de hogere terreindelen. In het oostdeel van het terrein lagen greppels en bijgebouwtjes, die kenmerkend zijn voor de periferie van een nederzetting. Dit deel van het terrein was waarschijnlijk een akkergebied, vermoedelijk een zogenaamde kamp-ontginning. Mogelijk heeft dit terreingedeelte ook deel uitgemaakt van een ouder complex van zwervende erven.22 2.3.3 Harselaar-Zuid Circa 2 kilometer ten zuiden van het onderhavige plangebied bevindt zich het terrein Harselaar-Zuid. In meerdere fases is hier in 2014/2015 een groot gebied onderzocht door middel van proefsleuvenonderzoeken23 en een opgraving24. In het gebied Harselaar-Zuid zijn nederzettingen uit de IJzertijd tot en met de Vroeg-Romeinse tijd en de Volle-Middeleeuwen aangetroffen. De bewoningssporen uit de IJzertijd tot en met de Vroeg-Romeinse tijd betreffen huisplattegronden en spiekers. De huisplattegronden zijn gedefinieerd als de zogenaamde woonstalhuizen van het type Maanen, Oss-Ussen en Een/Wachtum. Vrijwel alle huisplattegronden uit de IJzertijd tot en met de Vroeg-Romeinse tijd zijn noordwest-zuidoost georiënteerd.

Dit past in het algemene beeld van de ijzertijdplattegronden in de Gelderse Vallei.25 In een straal van 15 tot 20 meter rondom de huizen bevinden zich de waterputten, bijgebouwen, zoals spiekers, en andere sporen. Waterputten zijn slechts sporadisch aangetroffen en lijken geen vast element op het erf te vormen. De sporenclusters vertegenwoordigen eenfasige, geisoleerd liggende erven die circa 30 jaar zijn bewoond. Bij de proefsleuvenonderzoeken ten noordwesten van de Wencopperweg, circa 2 kilometer ten zuidoosten van het onderhavige plangebied, is een crematiegrafveld uit de Midden- en Late-IJzertijd aangetroffen. Het grafveld bestaat uit vierkante en rechthoekige grafmonumenten. Crematieresten zijn niet aangetroffen, waarschijnlijk omdat de overledene verbrand werd op een brandstapel bij het grafveld waarna om de verbrandplaats een greppel werd gegraven. De locatie van de brandstapel met de menselijke resten werd afgedekt door een heuveltje.26 Tot op heden is dit het enige bekende grafveld in de directe omgeving van het plangebied aan de Kromme Akker Zuid. Na een bewoningshiaat in de Midden- en Laat-Romeinse tijd wordt het gebied in de VolleMiddeleeuwen weer bewoond. De sporen betreffen (paal-)kuilen, waterputten, greppels en dierbegravingen en zijn op te delen in drie ruimtelijk gescheiden clusters, die drie afzonderlijke erven lijken te vertegenwoordigen.

Een erf kent drie fases waarbij de huisplattegrond is uitgebreid en herbouwd. Er zijn vijf huisplattegronden van het type Gasselte B aangetroffen. Deze zijn allen westzuidwestoostnoordoost georiënteerd. In de directe omgeving van de huisplattegronden zijn meerdere bijgebouwen van het type Gasselte A aangetroffen. Deze zullen een functie zoals schuur, stal of werkplaats gehad hebben. Overige bijgebouwen betreffen roedenbergen, spiekers en een mogelijke rosmolen. Verder zijn er vijf boomstamwaterputten opgegraven. Alle waterputten lijken gekoppeld te zijn aan een specifiek erf of bewoningsfase. Zo hebben de huisplattegronden op de oostelijke erven elk hun eigen waterput. Op het meerfasige westelijke erf zijn drie waterputten opgegraven, die elk aan een verschillende bewoningsfase te koppelen zijn. Een belangrijk aspect van het onderzoek aan de Harselaar-Zuid was de vraag of op deze locatie de aanwezigheid van het uit historische bronnen bekende wildvorstersgoed Wedichem kon worden aan22

Van der Linden 2006. Archis onderzoeksmeldingsnummers 2044094100 en 2473695100. 24 Archis onderzoeksmeldingsnummer 3293422100. 25 Meurkens 2018. 26 Oude Rengerink 2004. 23

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 10

getoond. Dit wildvorstersgoed was de woonplaats van de wildvorster, een door de graaf van Gelre aangestelde ambtenaar van (lage) adel, die onder meer het beheer voerde over grafelijke jachtgebieden en belastingen inde. Op basis van aanvullend historisch en historisch-geografisch onderzoek is voorafgaand aan de opgraving op Harselaar-Zuid geconcludeerd dat het wildvorstersgoed inderdaad in het oostelijke deel gelegen moet hebben. Bij het archeologisch onderzoek zijn ter plaatse van het verwachte wildvorstersgoed sporen en vondsten van een erf aangetroffen met een datering vanaf de 11e eeuw. Aan het eind van de 12e eeuw is het erf opnieuw ingericht en heeft het een meer monumentaal uiterlijk gekregen door het erf te begrenzen door middel van greppels en een toegangspoort te realiseren. Op het erf is ook een rosmolen aangetroffen. De aanwezigheid van een toegangspoort en rosmolen worden geassocieerd met aristocratische woonplaatsen. Het vondstmateriaal leverde aanwijzingen voor de jacht op groot wild en consumptie hiervan. Op basis van de datering van de erven wordt vermoed dat het wildvorstersgoed al eerder aanwezig was dan bekend is uit de historische bronnen.27 2.3.4 Harselaar-West Ongeveer 2,8 kilometer ten zuidwesten van Kromme Akker-Zuid bevindt zich het terrein HarselaarWest.

Op dit terrein zijn in meerdere fases een proefsleuvenonderzoek 28 en in verschillende delen opgravingen29 uitgevoerd. Hierbij zijn bewoningssporen uit het Mesolithicum, de IJzertijd, de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aangetroffen. De bewoningssporen uit het Mesolithicum betreffen vijf vuursteenconcentraties en zeven haardkuilen. Op de locaties waar vuursteen is aangetroffen heeft men in het Vroeg-Mesolithicum werktuigen vervaardigd van vuursteen. Deze staan in relatie tot jacht, het verwerken van de vangst en andere dagelijkse activiteiten. De haardkuilen zijn jonger en dateren uit het Midden-Mesolithicum. Deze sporen zullen zich aan de randzone of in de directe nabijheid van een basiskamp hebben bevonden. Of de mesolithische resten behoren tot een seizoensgebonden kamp of langdurige woning kon niet worden vastgesteld. In de IJzertijd is er op de dekzandrug een nederzetting gerealiseerd. Bij de opgraving zijn vijf erven bestaande uit huizen, schuren en spiekers, aangetroffen. De huisplattegronden zijn als type Diphoorn geclassificeerd en dateren uit de Late-IJzertijd, maar niet allen uit dezelfde fase. Aangetoond is dat de erven meerdere elkaar opvolgende fasen vertegenwoordigen. De bewoning verschuift in de loop van de tijd van het westen richting het oosten. Naast een nederzetting is ook een cultusplaats aangetroffen.

De cultusplaats wordt gedateerd tussen 174 en 4 voor Christus, de Late-IJzertijd. Dit rechthoekige terrein is geheel omsloten door een greppel. In de greppel zijn meerdere aardewerkfragmenten en botmateriaal aangetroffen. Binnen het omsloten terrein zijn verschillende paalkuilen aanwezig. De paalkuilen vertegenwoordigen losse palen die niet tot een structuur zijn te herleiden en waarvan evenmin duidelijk is of deze tot de cultusplaats behoren. Na een bewoningshiaat van enkele eeuwen vindt er weer bewoning plaats in de Volle-Middeleeuwen. Uit deze periode zijn twee erven, elk bestaande uit een boerderij en bijgebouwen, aangetroffen. Het eerste erf wordt gedateerd in de 12e eeuw. Het tweede erf dateert uit de 13e /14 eeuw en ligt circa 50 m noordelijker. Dit laatste erf is tot in de 21e eeuw bewoond en kent dan ook zeven bewoningsfasen waarin het hoofdgebouw meerdere keren verbouwd, uitgebreid of deels verplaatst wordt. Tevens vindt de overgang van houtbouw naar steenbouw plaats. De ligging van de bijgebouwen verschuift van het zuiden van de boerderij naar het oosten van de boerderij. Vervolgens wordt in de 17 e/ 18e eeuw de indeling van het erf aangepast en zijn er bijgebouwen aan de westzijde van de boerderij 27

Meurkens 2018. Archis onderzoeksmeldingsnummers 2185301100 en 2328997100. 29 Archis onderzoeksmeldingsnummers 2337785100, 2351213100 en 2256599100. 28

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 11

gerealiseerd. In de 19e en 20e eeuw bevinden aan alle zijdes van de boerderij bijgebouwen. Het erf is bewoond geweest tot in 2011.30 2.3.5 De Driehoek Het terrein De Driehoek bevindt zich op een afstand van circa 1,5 kilometer ten zuiden van het onderhavige plangebied. De onderzoeken op het terrein betreffen een proefsleuvenonderzoek31 en opgraving32 van drie vindplaatsen waarbij resten van nederzettingen zijn aangetroffen. De nederzetting uit de Midden-IJzertijd tot en met de Romeinse tijd bestaat uit zestien huisplattegronden die overeen lijken te komen met de types Oss-Ussen, Maanen, Dalen en Diphoorn. De huisplattegronden hebben verschillende oriëntaties, namelijk zuidwest-noordoost en west-oost. Vlakbij de hoofdgebouwen zijn de bijhorende bijgebouwen (121 stuks), waterputten en (afval)kuilen aangetroffen. Op basis van de datering en de oriëntatie van de gebouwen is het mogelijk om de huisplattegronden in chronologische volgorde te plaatsen. Er wordt ervan uit gegaan dat iedere huisplattegrond circa 30 jaar in gebruik is geweest en dat de zestien huisplattegronden de weerslag vormen van één erf dat in de loop van de tijd zwierf van de rand van de dekzandrug naar de flank van het dekzandplateau. In de Middeleeuwen is het gebied wederom bewoond. Wel is er slechts één spoor wat wijst op bewoning in de 7e eeuw, namelijk een waterput.

Het bijhorende erf bevindt zich waarschijnlijk ten noorden van het opgegraven gebied. Opvallend is dat er geen vondsten of sporen uit de 8 e tot en met de 12e eeuw aanwezig zijn. Dit is waarschijnlijk te verklaren door het vermoeden dat de bewoning is verschoven richting het noorden. In de 13e eeuw wordt het terrein De Driehoek weer bewoond. Bij de opgraving zijn twee vergelijkbare huisplattegronden, een waterput, roedenberg en bijgebouw aangetroffen. Op basis van oversnijdingen, ruimtelijke associaties en een beperkte hoeveelheid vondstmateriaal dateren de structuren uit de 13e -14e eeuw.33 2.3.6 Relatie tussen het landschap en de nederzettingen Als de nederzettingslocaties worden geplot op de geomorfologische kaart en de AHN wordt zichtbaar dat de nederzettingen Wikselaarseweg, Zeumeren, Harselaar-Zuid en De Driehoek zich alle bevinden op een dekzandrug of dekzandkopje met aan de westzijde een dekzandvlakte en aan de oostzijde een hoger gelegen landschap die uiteindelijk over gaat in de stuwwal (Figuur 7 en Figuur 8). De noordelijke locaties bevinden zich op 14,8 meter +NAP en de zuidelijke op circa 13,8 meter +NAP. 34 Ook de nederzetting Harselaar-West bevindt zich op een dekzandrug, maar deze ligt circa 4 meter lager, rond 10,4 meter +NAP.

Men lijkt in de Vroege-IJzertijd gekozen te hebben voor bewoning op de dekzandruggen, de hoogste locaties in het landschap waardoor men droog woonde (Figuur 9). De eventuele aanwezigheid van een beek lijkt niet mee doorslaggevend te zijn bij de keuze voor de nederzettingslocatie. Alleen de nederzettingen van Harselaar-Zuid en Harselaar-West liggen op een korte afstand van een beek. De akkergebieden lagen aan de rand van de nederzetting, op de dekzandruggen en -vlaktes. In de loop van de IJzertijd tijd verschuift de bewoning of wordt de bewoning uitgebreid naar de lager gelegen locaties, zoals de flanken van de dekzandrug.35

30

Brouwer et al. 2012. Archis onderzoeksmeldingsnummer 2047901100. 32 Archis onderzoeksmeldingsnummer 4547270100. 33 Van Zon en Hagedoorn 2019. 34 Actueel Hoogbestand Nederland. Kromme Akker Zuid: 14,8 meter +NAP/ Wikselaarse Eng.: 14,8 meter +NAP/ De Driehoek: 14,8 meter +NAP/ Wikselaarseweg: 13,8 meter +NAP/ Zeumeren: 13,8 meter +NAP/ Harselaar-Zuid: 13,8 meter +NAP. 35 Meurkens 2018/ Van Zon en Hagedoorn 2019. 31

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 12

Aan het einde van de Romeinse tijd en begin van de Middeleeuwen is er een bewoningshiaat in dit deel van de Gelderse Vallei. Er zijn geen sporen of vondsten aangetroffen uit deze eeuwen. Vanaf de Volle-Middeleeuwen keert de bewoning terug. Ook nu gaat men eerst wonen op de hoger gelegen delen van de dekzandruggen/-kopjes. De volle-middeleeuwse sporen overlappen de resten uit de IJzertijd/Romeinse tijd. In de Late-Middeleeuwen wordt de bewoning verplaatst naar de rand van de dekzandrug. Mogelijk is dit te verklaren door een herinrichting van het gebied, waarbij zoveel mogelijk geschikte landbouwgrond, de hoger gelegen delen, in gebruik genomen zijn. 36 In de Nieuwe tijd waren er geen specifieke landschappelijke eisen meer van toepassing bij de locatiekeuze van nederzettingen. Men kreeg steeds beter grip op het landschap en de eventuele beperkende elementen zoals de natte gebieden. Door grootschalige ontginningen konden natte gebieden worden omgezet naar bruikbare akkerpercelen. Het landschap werd opnieuw ingericht zodat het optimaal gebruikt kon worden.37 Dit is ook terug te zien in de archeologische sporen en vondsten. Ze zijn niet meer te relateren aan een bepaalde landschappelijke situatie, maar worden verspreid door het landschap gevonden.

36 37

Meurkens 2018/ Van der Linden 2006/ Van Zon en Hagedoorn 2019. Barends et al. 2000.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 13

Figuur 7. De locaties van de nederzettingen geplot op de AHN.

Figuur 8. Geomorfologische kaart met de locaties van de nederzettingen.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 14

Figuur 9. Doorsnede van de geomorfologische kaart met schetsmatige ligging van de nederzettingen in het landschap.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 15

2.4 Historisch-geografische gegevens van het plangebied Het plangebied is onderdeel van het cultuurlandschap dat gekarakteriseerd is als een kampenlandschap dat zich heeft ontwikkeld vanaf de 15e eeuw. Dit landschap is ontstaan doordat grote ontginningen niet mogelijk waren vanwege de waterhuishouding.38 Dit had als gevolg dat alleen kleine particuliere percelen ontgonnen werden die afwisselend als grasland en akkerland in gebruik waren. Over het algemeen werden de hoger gelegen percelen gebruikt als akkerland. Deze waren het meest vruchtbaar. De lagere en nattere gebieden waren geschikt voor grasland. De boerderijen lagen zeer verspreid in dit gebied.39 Kenmerkend is dat de percelen werden begrensd door heggen en houtwallen. Op historische kaarten is de indeling van het kampenlandschap terug te zien. De meest representatieve historische kaart van de omgeving van het plangebied dateert uit 1900 (Figuur 10). Op deze kaart is te zien dat het plangebied toen bestond uit meerdere kleine percelen, waarbij de centraal en hoger gelegen percelen in gebruik waren als akkerland en de omliggende lager gelegen en nattere percelen als grasland. In de 19e eeuw bevindt zich in het centrale deel van het plangebied een onverharde noord-zuid georienteerde weg. Dit was een niet-doorgaande weg die halverwege het perceel stopt en niet aansluit op de noordelijk gelegen weg.

Het weggetje kan worden geïnterpreteerd als een toegangsweg voor de akkers en graslanden.

Figuur 10. Het plangebied geprojecteerd op de historische kaart uit 1900.

38 39

Barends et al. 2000. https://landschapsbeheergelderland.nl/kampenlandschap.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 16

Figuur 11. Het plangebied geprojecteerd op de historische kaart uit 1953.

Figuur 12. Het plangebied geprojecteerd op de historische kaart uit 1986.

Rapport 7928.003 versie D2.0

Pagina 17

In de jaren ’60 en ’70 van de 20e eeuw worden de percelen van het plangebied en omgeving opnieuw ingedeeld (Figuur 11). De kenmerkende houtwallen en heggen die de kleine percelen begrensden zijn verwijderd en meerdere percelen zijn samengevoegd om een groter oppervlakte voor agrarisch gebruik te krijgen. De functie van de percelen blijft hetzelfde. De centraal gelegen percelen worden nog steeds gebruikt voor akkerbouw en de omliggende percelen als grasland. In 1986 zijn de percelen wederom anders ingedeeld (Figuur 12). Het westelijke deel van het plangebied is nu deel van een boomgaard. Bij de boomgaard staat in de zuidoostelijke hoek een klein gebouwtje. Dit waarschijnlijk een soort (opslag)schuur geweest. Op dezelfde kaart heeft het plangebied het toponiem ‘de Woeste Hof’. ‘Woeste hoeve’ is een benaming voor hoeven die zijn verlaten. 40 2.5 De Slag om Voorthuizen tijdens de Tweede Wereldoorlog Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn meerdere gevechten geweest om het dorp Voorthuizen te kunnen bevrijden. De bevrijding van Voorthuizen staat ook wel bekend als de Slag om Voorthuizen. De strategie van de Geallieerden was om de Duitse troepen die afkomstig waren uit de IJssellinie op de Veluwe de pas af te snijden. De Veluwe zou hiervoor de ideale locatie zijn omdat het dun bevolkt was en zo minder mensen risico liepen.

Op 15 april 1945 trokken de Duitse troepen door Barneveld richting Voorthuizen. Als reactie hierop werden vanuit het noorden twee Canadese troepen, de 1e Canadese Infanterie Divisie en de 5e Canadese Tank Divisie, met hun tanks richting Voorthuizen gestuurd (Figuur 13). De opdracht voor de Canadese soldaten was om Voorthuizen vanuit het noorden te omsingelen en het dorp te veroveren. De Duitsers hadden echter ondertussen de tijd gehad om allerlei stellingen te realiseren in en rondom het dorp. De artilleriestellingen bevinden zich op de belangrijkste toegangswegen, zoals in Prinsenkamp ten noorden, de Stroe ten oosten, en langs de Woudsteeg ten westen van Voorthuizen. Het is niet bekend of in of nabij het plangebied een stelling stond. Vanuit het zuiden van Voorthuizen trokken de Britisch Columbia Dragoons met hun tanks richting Voorthuizen waar ze te maken kregen tegenstand (Figuur 13). In Zeumeren, ongeveer een kilometer ten zuiden van het plangebied, braken gevechten uit tussen de Canadese en Duitse troepen. Uit verslagen van deze gebeurtenis uit 1945 is op te maken dat het een zeer chaotisch gevecht was waarbij niet duidelijk was op wie ze schoten. Zo zou een Duitse troepenmacht door een andere Duitse eenheid zijn beschoten. De Canadese troepen melden dat ze niet weten of zij de Duitsers hebben ingesloten of andersom.

In ieder geval kregen de Canadezen vanuit alle zijdes zware tegenaanvallen te verduren waarbij grof geschut werd ingezet. Granaten, bommen en andere munitie zorgden voor de verwoesting van het dorp. Meerdere boerderijen zijn in vlammen opgegaan. Uiteindelijk duurden de gevechten tot 18 april, als de Duitsers rond het middaguur de strijd staken en Voorthuizen overgegeven wordt aan de 1e Canadese Infanterie Divisie.41 Ondanks dat in het plangebied geen bekende activiteiten zoals gevechtshandelingen hebben plaatsgevonden, kunnen er resten van de Tweede Wereldoorlog aanwezig zijn. Dit zullen met name (resten van) explosieven zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=5ee65355-2f0e-47d9-b9ba-8bf8d7bac430