Kromme Akker-Zuid II_Toelichting_Bijlage 2 Archeologisch onderzoek (2021).pdf
Tekst van het document
aantal
gewicht in gram
datering
583
5.995
800 v. Chr. – 12 v. Chr.
gladwandig (Romeins)
2
11
12 v. Chr. – 450 n. Chr.
ruwwandig (Romeins)
10
218
12 v. Chr. – 450 n. Chr.
Lowlands ware grijs
2
3
70 – 300 n. Chr.
terra nigra
3
22
300 – 450 n. Chr.
badorf
2
10
700 – 850 n. Chr.
pingsdorf
1
1
900 – 1200 n. Chr
kogelpot
2
36
700 - 1300 n. Chr
grijsbakkend aardewerk
3
55
1150 – 1550 n. Chr
roodbakkend aardewerk
13
450
1650 – 1950 n. Chr
steengoed
6
43
1200 – 1950 n. Chr
majolica
3
99
1550 – 1900 n. Chr
faience
2
10
1620 – 1900 n. Chr
industrieel wit
8
25
1830 – 1970 n. Chr
porselein Europees
2
7
1775 – 1970 n. Chr
indetermineerbaar
3
2
-
645
6.987
totaal
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 66
Het aardewerk is gedetermineerd met als voornaamste doel het dateren van sporen en structuren en het beantwoorden van de onderzoeksvragen (hoofdstuk 10). Bij de determinatie van het aardewerk zijn in een determinatielijst meerdere kenmerken vastgelegd, waaronder: baksel, magering, wandafwerking, wanddikte, vorm en versiering (bijlage 11).73 Daarnaast zijn van de prehistorische scherven de morfologische kenmerken vastgelegd (Tabel 12). Het MAE (Minimum Aantal Exemplaren) is een schatting van het aantal potindivduen en voor het bepalen van het MAE is gekeken naar het aantal unieke randvormen. Omdat nog geen wijd verbreide typologie bestaat voor het prehistorisch aardewerk van de Veluwe is bij de determinatie gebruik gemaakt van de typologie van Van den Broeke voor Zuid-Nederland.74 Daarnaast is de publicatie van Verlinde en Hulst geraadpleegd voor het lokale repetoire op de Veluwe. Hierbij moet wel de kanttekening worden geplaatst dat Verlinde en Hulst aardewerk uit grafcontexten bespreken.75 Desalniettemin kan deze publicatie inzicht geven in de lokale kenmerken. 7.1.1 Aardewerk uit de Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd Gedraaid Romeins aardewerk maakt met 17 scherven (circa 3%) een klein deel uit van het aardewerkcomplex. Het betreft fragmenten van gladwandig aardewerk, ruwwandig aardewerk, Lowlands Ware (grijs) en terra nigra aangetroffen bij de aanleg van het vlak.
Enkel een klein scherfje ruwwandig scherfje is afkomstig uit een kuil (S111). Dit kan echter ook als opspit in het spoor tercht zijn gekomen. De scherven dateren uit de Vroeg-Romeinse tijd. Alleen een bodemfragment van een terra nigra-voetkom kan gedateerd worden in de Laat-Romeinse tijd (Figuur 62). Uit het plaggendek zijn 37 fragmenten aardewerk uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd geborgen. Het Vroeg-Middeleeuws aardewerk betreft een fragment Pingsdorfaardewerk met oranje verf en twee fragmenten Badorf-aardewerk, waarvan één met lensbodem. Drie scherven grijsbakkend aardewerk zijn geborgen uit de vullingen van de bakstenen waterput S591. Deze zullen als opspit beschouwd moeten worden, aangezien de waterput 18e of 19e eeuws is. Het aardewerk uit de Nieuwe tijd betreft roodbakkend geglazuurd aardewerk en steengoed uit de 18e en 19e eeuw. Daarnaast zijn enkele fragmenten van majolica borden uit de 16e-19e eeuw gevonden en twee scherven van een 18e-19e eeuws faience bord. Het aardewerk uit de Nieuwe tijd is aangetroffen tijdens het aanleggen van het vlak in de bouwvoor en de ploeglaag. 7.1.2 Handgevormd aardewerk uit de IJzertijd-Romeinse tijd Het handgevormde aardewerk is geborgen uit kuilen en paalkuilen en kan beschouwd worden als nederzettingsafval. Van de 583 IJzertijdscherven hebben de meeste een grove minerale magering (steengruis, Tabel 12).
Het steengruis bestaat onder andere uit kwarts en heeft een grootte tot 9 millimeter. In enkele gevallen is een combinatie van een minerale magering en potgruis toegepast. Opvallend is het regelmatig voorkomen van deeltjes mica (glimmer) in het baksel (Figuur 58). De mica is waarschijnlijk geen intentionele toevoeging maar onderdeel van het steengruis.
73
Clevis 2021/ Haalebos 1990. Van den Broeke 2012. 75 Verlinde en Hulst 2010. 74
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 67
Figuur 58. Microscopische foto van een mica deeltje in handgevormd aardewerk.
Het toepassen van steengruis en potgruis als magering kent een lange gebruiksperiode, waardoor dit element niet voor een nauwkeurige datering gebruikt kan worden.76 Hoewel op regionaal niveau sprake is van een toename in het gebruik van minerale magering gedurende de Vroege-IJzertijd.77 In hoeverre dit gegeven ook voor de Veluwe is toe te passen is nog niet bekend. Het merendeel van het aardewerk heeft een ruw afgewerkt buitenoppervlak (49%). Een gepolijst oppervlak komt bij 10% van de fragmenten voor (Tabel 12). Daarnaast is het aandeel besmeten scherven relatief hoog (22%). De 35 gedecoreerde rand-en wandfragmenten zijn over het algemeen versierd met nagel-en vingerindrukken. Bij de versierde randen is deze versiering bovenop de rand geplaatst. Een golfrand, welke in de Veluwe typisch is voor de Late-IJzertijd/Romeinse Tijd, komt één keer voor.78 Eén wandfragment toont een versiering van ingestreken (gepolijste) banen op een besmeten oppervlak. Een applique in de vorm van een horizontaal doorgestoken knobbeloor komt één keer voor (V245) (Figuur 60). Dit is een kenmerk dat vaker in de Vroege-IJzertijd wordt aangetroffen.79 De potvormen hebben in de meeste gevallen een drieledig profiel met gesloten vorm en een enkele keer is het profiel éénledig. De wanddikte is bij de randfragmenten direct onder de rand gemeten.
Met een gemiddelde van 7,8 centimeter is het aardewerk relatief dunwandig. Voor enkele potten kan de randdiameter bepaald worden. Het betreft drie middelgrote potten met een randdiameter van circa 24 centimeter en een vierde kleine pot van 12 centimeter (Figuur 59 tot en met Figuur 61).
76
Van den Broeke 2012, 128. Van den Broeke 2012, 129/ Hermsen 2009, afbeelding 6.19. 78 Verlinde en Hulst 2010, 52. 79 Verlinde en Hulst 2010, 52. 77
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 68
Het handgevormde aardewerk kan aan hand van de uiterlijke kenmerken als randversiering en vormtypen geplaatst worden in de periode vanaf de Vroege-IJzertijd tot Midden-IJzertijd. Een belangrijk gegeven hierbij is het grote aandeel versierde randfragmenten en de plaatsing hiervan uitsluitend aan de bovenzijde van de rand. Daarnaast is het hoge percentage scherven met een steengruismagering opvallend. Het kan niet geheel uitgesloten worden dat er aardewerk uit de (Inheems-)Romeinse tijd tussen zit, omdat steengruismageringen in de Gelderse Vallei tot in de Romeinse tijd zijn toegepast. Het voorkomen van gedraaid Romeins aardewerk ondersteunt deze motivering. De aardewerkassemblage is standaard voor nederzettingen uit de IJzertijd-Romeinse tijd. Er zijn geen aanwijzingen voor een specifieke sociaaleconomische situatie van de gebruikers/bewoners. Tabel 12. Morfologische kenmerken van het prehistorische aardewerk. aantal Potdeel Rand Wand Bodem magering fijn mineraal grof mineraal potgruis potgruis/mineraal zand organisch moerasijzererts wanddikte tot 7 mm 7 tot 12 mm potvorm 1-ledig 2-ledig 3-ledig afwerking geglad gepolijst ruw besmeten randfragmenten versierd onversierd wandfragmenten versierd onversierd bodemfragmenten vlak Versiering nagel/vingerindruk groeven dellen golfrand gladde banen Applicaties knobbeloor totaal aantal scherven minimum aantal individuen
Rapport 7928.003 versie D2.0
%
52 525 9 70 392 9 62 33 7 2
12 68 2 11 8 1 0.3
2 8 8 0 29 67 38 182 83
18 10 49 22
24 28
46 52
11 0 9 25 1 1 1 6
0 0 0 0 0
1 583
0
16
Pagina 69
Figuur 59. V5 Cilinderhals pot met grove kwartsgruismagering.
Figuur 60. V245 Dubbelconische pot met knobbeloor.
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 70
Figuur 61. Kleine pot met nagelindrukken op rand (links) en kommetje met doorboring (rechts).
Figuur 62. Bodemfragmenten van handgevormd aardewerk (V246) en terra nigra (V287).
7.1.3 Handgevormd aardewerk uit structuren en complexen Hoewel het aardewerkcomplex een ruime datering heeft (Vroege- en Midden-IJzertijd, 800-12 voor Christus), kunnen enkele sporen en stucturen exacter gedateerd worden. Het betreft de afvalkuil S429, waterkuil S576 en de structuren 4 en 25. Spoor 429 - afvalkuil In afvalkuil S429 zijn 229 scherven gevonden (V247 en V293). Het betreft 31 randfragmenten die tot tenminste zes potten (MAI) gerekend kunnen worden. Hierdoor zijn de vormen relatief goed te reconstrueren (Figuur 61) en is de context goed dateerbaar op basis van het aardewerk. Het zijn vier grote potten met vingertopversiering op de rand, een gepolijst kommetje met doorboring (Figuur 61) en een klein potje met nagelindrukversiering op de rand en de wand. Het grootste deel van de overige randfragmenten is versierd met vingertop- en/of nagelindrukken op de bovenzijde van de rand (74%). Een enkele keer komt wandversiering met losse vingerindrukken voor. De onversierde randfragmenten zijn vierkant afgewerkt. Het overgrote deel van de baksels is gemagerd met fijn tot grof steengruis. Een gepolijst oppervlak komt bij circa 8% van het materiaal voor en een besmeten oppervlak bij 18%.
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 71
Vanaf de Vroege-IJzertijd werd polijsten in combinatie met een besmeten oppervlak veelvuldig toegepast. Dergelijke afwerking in combinatie met randversiering bovenop de rand komt ook nog in de Midden-IJzertijd voor. De afvalkuil kan niet nader worden gedateerd dan de Vroege- tot en met Midden-IJzertijd (800-12 voor Christus). Spoor 576 - waterkuil (organische monsters) De fragmenten (N=17) bestaan uit reducerend gebakken aardewerk met steen- en potgruismagering, waarbij de hoeveelheid potgruis opvallend is. Het oppervlak is bij alle fragmenten gepolijst afgewerkt. Twee fragmenten hebben een breed uitlopende buik met lichte knik op de schouder. Het gepolijste oppervlak in combinatie met de vorm wijzen op een datering gedurende de IJzertijd (800-12 voor Christus of de Vroeg-Romeinse Tijd (12 voor Christus – 70 na Christus). Spieker 4 (S260-S261) Het aardewerk uit de sporen die tot deze spieker behoren bestaat uit 15 fragmenten handgevormd aardewerk, waaronder één randfragment met ronde rand. Het oppervlak van de fragmenten is glad, ruw of gepolijst. De magering bestaat uit fijn tot grof steen/kwartsgruis. Op basis van het voorkomen van gepolijst aardewerk kan de spieker in de Vroege-IJzertijd (800-500 voor Christus) gedateerd worden. Spieker 25 (S55-S57) Er zijn 25 scherven handgevormd aardewerk te relateren aan deze structuur (V5).
Een deel van de scherven is niet in de vullingen van paalkuil S55 aangetroffen, maar in de laag direct erboven (S5030). Vermoedelijk gaat het om fragmenten van eenzelfde pot, waarvan het vormtype, namelijk een cilinderhals pot, te dateren is in de Vroege-IJzertijd tot eerste helft van de Midden-IJzertijd (800250 voor Christus) (Figuur 59). 7.2 Bouwmateriaal Het bouwmateriaal bestaat uit vijf bakstenen afkomstig van de waterput (S591). Eén baksteen betreft een rode baksteen van het bovenste gedeelte van de waterput. De baksteen heeft een afmeting van 14 x 9,5 x 5 centimeter. De baksteen is handgevormd. Op basis van het formaat en de fabricage kan deze baksteen gedateerd worden in de 18 e/ 19e eeuw.80 Er zijn geen aanwijzingen dat deze baksteen oorspronkelijk tot een oudere constructie heeft behoord. De overige vier bakstenen betreffen lichtgrijze bakstenen. Deze zijn afkomstig van het onderste gedeelte van de waterput. De bakstenen hebben een afmeting van 20,5 x 10,5 x 5 centimeter en zijn machinaal gemaakt. Op basis van het formaat en de fabricage kunnen deze bakstenen gedateerd worden in de 18e/ 19e eeuw.81 Er zijn geen aanwijzingen voor een secundair gebruik van deze bakstenen. 7.3 Botmateriaal Bijdrage door dhr. E. Louwe (Econsultancy) Er zijn vier kleine fragmenten van bot aangetroffen in S245, een kuil waarin ook modern glas en plastic is aangetroffen.
De fragmenten zijn klein; het grootste stukje is 28 x 15 millimeter. Het betreft waarschijnlijk fragmenten dierlijk botmateriaal.
80 81
Stenvert 2012. Stenvert 2012.
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 72
7.4 Natuursteen Bijdrage door dhr. M. Komen (Econsultancy) Het natuursteen betreft 25 stuks. Deze zijn onder te verdelen in vier natuursteensoorten, namelijk leisteen en tefriet uit de Eiffel, vuursteen en zandsteen/kwartsiet met lokale herkomst. De stenen zijn onbewerkt, gebroken en enkele van de zandsteen/kwartstiet fragmenten zijn verbrand. Een verklaring voor de verbrande fragmenten is niet te geven aangezien ze niet uit sporen komen, maar verzameld zijn uit de lagen bij de aanleg van de werkputten. 7.5 Glas Bijdrage door mevr. H.N. de Koning (Econsultancy) Het glas betreft 25 fragmenten met een totaalgewicht van 3.680 gram (Figuur 63). Al het materiaal is afkomstig uit een kuil uit de 20e eeuw in het noordoosten van het onderzoeksgebied, geregistreerd als S999. Het glas betreft potjes, drinkglazen met opdruk, jeneverflessen, conservenpotten en een Maggi flesje. De potjes zijn van het merk Olvarit, welke glazen potjes produceerde vanaf 1965. Op de doppen van de jeneverflessen staan de merken Coebergh, Floryn en Siebrand, de twee eerstgenoemde komen beide uit Schiedam en de derde uit Kampen (Figuur 64). Al het glas dateert uit de tweede helft van de 20e eeuw.
Figuur 63. Verzamelfoto van een selectie van het glaswerk.
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 73
Figuur 64. Advertentie van Floryn distilleerderij te Schiedam uit 1965-1966. (bron: https://geheugen.delpher.nl/en/geheugen/view?identifier=RA01%3A30051001480760)
7.6 Metaal Bijdrage door H.N. de Koning (Econsultancy) De 39 metaalvondsten betreffen gecorrodeerde fragmenten, waaronder granaatscherven, een deel van een spade, een haak en een nagel. De granaatscherven zijn afkomstig uit een explosietrechter. De overige vondsten kunnen worden geïnterpreteerd als achtergebleven bij het agrarisch gebruik van het plangebied in de 19e en 20e eeuw. 7.7 Hout Het hout dat afkomstig is uit de waterput (S591) is onder één vondstnummer geregistreerd (V308). De onderdelen bestaan uit de pompbuis met een stop, de planken voor de fundering en de latjes aan de buitenzijde van de waterput. Het hout is door specialisten onderzocht op gebruikssporen, houtsoort en er is geprobeerd het hout te dateren door middel van dendrochronologie. 7.7.1 Houtsoortbepaling en dendrochronologie82 Bijdrage door dhr. S. van Dalen (Van Dalen Dendrochronologie) Er zijn drie vondsten (alle drie V308) uit de waterput (S591) onderzocht. Dit betreft uitgeholde eiken stam die in de waterput als pompleiding is gebruikt, de stop in de leiding gemaakt van grove den en een plank gemaakt van fijnspar. De pompleiding is aangemerkt voor dendrochronologisch onderzoek. De synchronisatie van de meting met referentiecurven leverde echter geen goede resultaten op waardoor een dendrochronologische datering niet mogelijk is (bijlage 13).
82
De tekst in deze paragraaf is gebaseerd op Van Dalen 2020 (bijlage 13).
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 74
7.7.2 Gebruiks- en bewerkingssporen83 Bijdrage door mevr. C. Vermeeren (BIAX) Er zijn zeventien stukken constructiehout geselecteerd voor onderzoek naar gebruiks- en bewerkingssporen. Deze zijn onderzocht in het depot van Econsultancy door C. Vermeeren (BIAX) met hulp van F.J. Heijting (Econsultancy). De stukken zijn zorgvuldig schoongemaakt en beschreven, waarbij naast afmetingen en grondvorm (stamcode, uitleg in bijlage 14) ook bewerkingssporen en mogelijkheden voor dendrochronologisch onderzoek zijn genoteerd. De bewerkingssporen zijn fotografisch vastgelegd. De pompbuis is gemaakt van eikenhout, wat met het blote oog herkenbaar is, het overige, - niet eikenhout is bemonsterd en op het laboratorium van BIAX gedetermineerd. Van de houtmonsters zijn coupes gesneden die vervolgens zijn bekeken met behulp van een doorvallend-lichtmicroscoop met vergrotingen tot 500x. Hierbij worden doorsneden gemaakt in drie richtingen (dwars, radiaal en tangentiaal) om alle noodzakelijke kenmerken te kunnen zien. Het hout was door de lange verwerkingstijd na de opgraving uitgedroogd, waardoor de coupes een speciale behandeling vereisten: ze zijn eerst geweekt in water met zeep om de luchtbellen te verwijderen voor er een preparaat van gemaakt kon worden. Determinatie vond plaats aan de hand van de werken van Schweingruber.
84 De pompbuis De pompbuis (V308.1.1) bevond zich in het midden van de waterput en is gemaakt van een doorboorde eiken stam. De stam is met een kantrechtbijl tot een vierhoekige balk gemaakt (stamcode GV 9) en vervolgens zijn ook de hoeken afgekapt met een achthoekige vorm als resultaat (Figuur 65, rechts). Daarmee is veel spint verwijderd. Van dit kappen zijn bewerkingssporen teruggevonden van de kantrechtbijl (Figuur 66). De bovenkant van de pompbuis is slecht bewaard gebleven doordat dit gedeelte boven het grondwaterniveau lag en is verteerd. Ook is de onderkant is er in een eerder stadium van onderzoek afgezaagd met een motorzaag ten bate van dendrochronologisch onderzoek. 85 Daardoor is de oorspronkelijke lengte niet meer vast te stellen. Het restant is 2 meter lang (Figuur 65, links). De diameter van de stam is 29 centimeter. Om de bewerkte balk te kunnen gebruiken als pompbuis is over de hele lengte, asymmetrisch, vlak naast het hart, een gat geboord met een lange boor (Figuur 67). Het geboorde gat met een diameter van 5 centimeter is onderaan afgesloten met een stop gemaakt van een tak of kleine stam van den (Figuur 65, Figuur 68 en Figuur 69). Om het boorgat te kunnen onderzoeken is de balk over de gehele lengte doorgezaagd. Er waren echter geen sporen van het boren bewaard gebleven door het vele gebruik en de daarmee gepaard gaande waterslijtage (Figuur 67).
Op 23 centimeter vanaf de onderzijde is een horizontale inkeping aangebracht om water in te laten. Het maken van dit gat heeft sporen achtergelaten waardoor de werkwijze te achterhalen is: eerst zijn er twee parallelle zaagsneden gemaakt op 5,5 centimeter afstand van elkaar (Figuur 70). Vervolgens is het tussenliggende stuk hout er uit gebroken. Dit heeft enkele scheursporen opgeleverd (Figuur 71).
83
De tekst in deze paragraaf is gebaseerd op Vermeeren 2021 (bijlage 14). Schweingruber 1982. 85 Van Daalen 2020. 84
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 75
Figuur 65. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, links eiken pompbuis (V308.1.1), rechts achthoekige doorsnede van de buis en stop van den (V308.1.2). In de rechtsonder hoek zijn de lichter gekleurde spintringen zichtbaar (© BIAX).
Figuur 66. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, bewerkingssporen van een kantrechtbijl op de pompbuis (© BIAX).
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 76
Figuur 67. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, doorgezaagde pompbuis, waar geen bewerkingssporen meer zichtbaar zijn door het vele gebruik: waterslijtage (© Econsultancy).
Figuur 68. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, stop van een tak of kleine stam van den (V308.1.2) (© BIAX).
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 77
Figuur 69. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, bemonstering van de stop door F.J. Heijting (Econsultancy), rechts in de pompbuis de gleuf voor de waterinstroom (© BIAX).
Figuur 70. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, inkeping met sporen van twee parallel lopende inzagingen. Scheursporen indiceren dat het tussenliggende hout is weggebroken (© BIAX).
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 78
Figuur 71. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, inkeping met scheursporen aan beide zijden van het geboorde gat (© BIAX).
Houten rondeelconstructie De waterput is gefundeerd op een zogenaamd rondeel gemaakt van fijnspar/lariks. Het rondeel bestaat uit twee lagen overnaads op elkaar gespijkerde planken (Figuur 72). De planken hebben dezelfde afmetingen: circa 53/54 centimeter lang, met uitzondering van één plank (subnr. 7) die 46 centimeter lang is. De buitenzijde is, van punt tot punt, 61 tot 62 centimeter en 54 centimeter voor het kortere exemplaar. De breedte is circa 10 centimeter en de dikte circa 2 centimeter. De oorspronkelijke diameter is gereconstrueerd op ruim 2 meter (Figuur 73). Per plank zijn zes spijkers gebruikt om de planken tegen elkaar te spijkeren. De planken zijn secundair gebruikt. Ze zijn door een combinatie van zagen en kappen tot een gebogen vorm gemaakt uit grotere planken. De oorspronkelijke plank vertoonde fijne bewerkingssporen van een zaag, waarvan met name op de knoesten nog restanten zichtbaar zijn (Figuur 74). De binnenkant/binnenbocht en de kopse kanten zijn secundair grof in vorm gezaagd (Figuur 75 en Figuur 76). De buitenbocht vertoont zowel zaagals kapsporen (Figuur 77). Op enkele planken is een deel van de oorspronkelijke - glad afgewerkte zijkant van de primaire plank nog zichtbaar (Figuur 78).
Figuur 72. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, dubbele laag overnaads vastgespijkerde fijnspar/lariks planken, waar latten tegenaan zijn gespijkerd (© BIAX).
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 79
Figuur 73. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, in het veld geselecteerde deel van de grondkerende houtconstructie V309.1 (© BIAX).
Figuur 74. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, fijne primaire zaagsporen op een knoest van fijnspar/lariks plank subnr. 2, op het brede deel (© BIAX).
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 80
Figuur 75. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, grove secundaire zaagsporen op de binnenzijde/binnenbocht van plank subnr. 2 (© BIAX).
Figuur 76. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, grove secundaire zaagsporen op het uiteinde van plank subnr. 3 (© BIAX).
Figuur 77. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, secundaire kapsporen op de buitenzijde/buitenbocht van plank subnr. 3 (© BIAX).
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 81
Figuur 78. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, restant van glad afgewerkte primaire zijkant van plank subnr. 8 met grove secundaire zaagsporen op de binnenzijde/binnenbocht (© BIAX).
Aan de buitenzijde van de waterput zijn fijnsparren (vurenhout) en dennen (grenenhout) latten aangetroffen. Deze latten zijn aan de buitenzijde van de planken vastgespijkerd met één spijker per plank, dus twee per lat (Figuur 79). De lengte van de onderzochte latten varieert iets, tussen de 96 en 101 centimeter. De breedte is circa 3-3,5 centimeter en de dikte is tussen de 1,5 en 2 centimeter. De meeste latten laten zaagsporen zien, op de vlakke kant en op de zijkant, waarbij zowel handzaag als een mechanische zaag (of schaaf) zichtbaar zijn (Figuur 80 en Figuur 81). Een enkele keer zijn ook zaagsporen in twee richtingen zichtbaar (Figuur 82). Dit is het resultaat van het zagen van planken op een grote zaagbok vanaf twee kanten (Figuur 83). Hieruit blijkt dat de lat onderdeel is geweest van een bredere plank. De latten zijn waarschijnlijk gemaakt van hergebruikt vuren- en grenenhout. Een andere aanwijzing voor het hergebruik bevindt zich op een van de latten (subnr. 27). Deze lat heeft ook een afwijkende vorm met een richel langs de zijkant over de hele lengte (Figuur 84). Over het platte deel is een holling gefreesd (Figuur 85). Verder loopt het uiteinde uit in een punt waarop zaagsporen zichtbaar zijn (Figuur 85). Die puntvorm had geen functie in de constructie en is waarschijnlijk onderdeel van het primaire gebruik.
Figuur 79. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, bevestiging van de latten aan de dubbele plankenlaag (© BIAX).
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 82
Figuur 80. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, zaagsporen van een grove handzaag op de zijkant van lat subnr. 21 (© BIAX).
Figuur 81. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, bewerkingssporen van een mechanische zaag of schaaf op de platte kant van lat subnr. 24, breedte van de lat is 3 centimeter (© BIAX).
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 83
Figuur 82. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, zaagsporen in twee richtingen op lat subnr. 22, breedte van de lat is 3,5 centimeter (© BIAX).
Figuur 83. Zagen van planken op een grote zaagbok, waarbij in twee richtingen wordt gewerkt, links foto uit een berghut in Zwitserland, rechts openluchtmuseum Stübing (Oostenrijk) (© BIAX).
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 84
Figuur 84. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, links richel op zijkant en rechts uitgefreesde holling op platte kant van lat subnr. 27 (© BIAX).
Figuur 85. Voorthuizen-Kromme Akker Zuid, zaagsporen op schuine deel van de punt van lat subnr. 27 (© BIAX).
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 85
7.7.3 Vergelijking waterputten met houten pompbuis 86 In paragraaf 6.2.1 zijn vier locaties genoemd, namelijk Alkmaar, Breda, Utrecht en Delft, waar vergelijkbare waterputten zijn aangetroffen. Deze waterputten bestaan, net zoals de aangetroffen waterput uit Voorthuizen, uit een bakstenen waterput met koepel met een houten pompbuis in het midden. Ondanks dat de constructie hetzelfde is, zijn de dateringen zeer uiteenlopend. De waterputten uit Breda en Utrecht dateren namelijk uit de 17e eeuw en die in Alkmaar en Delft uit de 19e eeuw. Opvallend is dat juist de pompconstructies uit Breda en Utrecht, die uit de 17e eeuw dateren, vergelijkbaar zijn met de 19e-eeuwse pompconstructie uit Voorthuizen. De pompbuis uit Utrecht heeft veel overeenkomsten met de aangetroffen pompbuis: beide zijn gemaakt van eik en bestaan uit een stam die aan vier kanten is gekantrecht. De diameter van het boorgat is 5 tot 6 centimeter, en de boring is ook schuin naast het hart gezet.87 Op basis van de pompconstructie uit Breda is een illustratie gemaakt van de werking van de waterput (Figuur 86). Ondanks dat in Voorthuizen geen ton is aangetroffen zoals in Breda, zal de werking van de pomp grofweg hetzelfde zijn geweest. In de Bredase waterput zat helemaal onderin de pompbuis een pompzuiger met een pompslot.
De pompzuiger en het pompslot bewogen op en neer in de pompbuis waardoor via een inkeping water in de pompbuis terecht kwam. Een klepje sloot de inkeping af bij de omhooggaande beweging zodat het water omhoog kwam en onderin de pomp nieuw water aangezogen kon worden.88
Figuur 86. Illustratie gemaakt op basis van de waterput en pompconstructie in Breda (bron: De Nes 2019). 86
Deels gebaseerd op Vermeeren 2021. Lange 2013. 88 De Nes 2019. 87
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 86
Als er een pompzuiger en -slot aanwezig zijn geweest, ontbreken deze bij de waterput uit Voorthuizen. Dit blijkt een onderdeel te zijn wat ook bij de andere waterputten niet is aangetroffen. 89 De waterputten uit Alkmaar en Delft dateren uit dezelfde periode als de waterput uit Voorthuizen. Een specialistisch onderzoek naar de houten pompbuis uit Alkmaar is niet bekend. Op basis van de beschikbare informatie lijkt ook dit een boomstam te zijn geweest die aan vier kanten is gekantrecht. In het midden bevond zich nog een loden leiding waardoor het water omhoog werd gepompt. 90 De pompbuis uit Delft is, ondanks dezelfde datering, de minst vergelijkbare pompbuis. Deze pompbuis is gemaakt van een uitgeholde den in plaats van eik en de diameter van het boorgat is iets groter, namelijk 7,5 centimeter. Twee planken (fijnspar/lariks en den) hielden de buis op zijn plek. Bewerkingssporen zijn niet bewaard gebleven.91 Uit de vergelijkingen is geen ontwikkeling van constructie te herkennen of een veelgebruikte techniek in een bepaalde eeuw. De pompbuizen uit Alkmaar, Delft, Utrecht, Breda en Voorthuizen hebben overeenkomsten, maar verschillen ook in veel opzichten. De bakstenen waterput met een koepel en een houten pomp is in ieder geval een gebruikelijke constructie vanaf de 16e tot in de 19e eeuw in Nederland.
89
Bitter 2016/ De Jong-Lambregts et al. 2009/ Lange 2013/ Lange 2019. Bitter 2016/ De Jong-Lambregts et al. 2009. 91 Lange 2019. 90
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 87
8
GRONDMONSTERS
Bij de opgraving zijn 25 monsters genomen uit de vullingen van sporen. Daarvan zijn in overleg met de bevoegde overheid drie monsters geselecteerd voor 14C-analyse uit de paalsporen van structuur 31 en drie monsters uit de waterkuil S576 zijn op hun macrobotanische inhoud gewaardeerd. Echter, in de monsters zijn geen botanische resten aangetroffen in de vorm van zaden en vruchten en daarom is besloten om de drie monsters niet nader te laten analyseren (bijlage 11). De volledige rapporten van de specialisten zijn opgenomen als bijlage. 8.1 AMS 14C-analyse structuur 31 Bijdrage door dhr. J.T. van Gent (RAAP) Uit drie vondstnummers (vnr. 322, 325 en 328) zijn fragmenten houtskool geselecteerd voor 14Canalyse. De monsters zijn geanalyseerd door laboratorium ICA (Miami, Florida). De resultaten van deze analyse zijn onder opgave van het 68,3%- en 95,4%-waarschijnlijkheidsinterval op basis van de terrestrische kalibratiegegevens van IntCal13 (Reimer e.a., 2013) (Tabel 13). Tabel 13. Resultaten van de 14C-analyse van structuur 31. spoornummer
monster
lab.code
materiaal
S368
BAMV-V322
ICA-20C/1218
houtskool
S364
S367
3 BAMVV325
BAMV-V328
ICA20C/1219
ICA20C/1220
houtskool
houtskool
datering (jaren BP) 2430 ± 30
2560 ± 30
2420 ± 30
kalibratie (p = 68,3 %) 725 - 710 BC (5,3%)
kalibratie (p = 95,4 %) 750 - 680 BC (19,3%)
705 - 695 BC (3,8%)
665 - 635 BC (6,2%)
540 - 410 BC (59,2%)
625 - 615 BC (0,9%)
800 - 750 BC (55,0%)
590 - 400 BC (69,0%) 805 - 735 BC (59,8%)
680 - 670 BC (4,9%)
685 - 660 BC (8,2%)
610 - 590 BC (8,4%) 700 - 695 BC (1,7%)
645 - 545 BC (27,4%) 750 - 685 BC (15,6%)
540 - 410 BC (66,6%)
665 - 640 BC (4,5%) 590 - 400 BC (75,3%)
Uit de resultaten blijkt dat paalkuil S364 (V325) dateerd van 805 tot 735 voor Christus. 92 De andere twee analyses van de monsters uit S368 en S367 (V322 en V328) geven een datering in de periode van 590 tot 400 voor Christus.93 Vanwege de overeenkomende datering van V322 en V328 is structuur 31 naar alle waarschijnlijkheid in de 5e tot 6e eeuw voor Christus, de Vroege- en MiddenIJzertijd te dateren (paragraaf 6.1.2).
ICA-20C/1219, 2560 ± 30 (2σ kalibratie (IntCal13)): 805-735BC. ICA-20C/1218, 2430 ± 30 (2σ kalibratie (IntCal13)): 590-400BC. ICA-20C/12120 2420 ± 30 (2σ kalibratie (IntCal13)): 590-400BC. 92 93
Rapport 7928.003 versie D2.0
Pagina 88