Koudhoornseweg IV_Toelichting - vastgesteld
Tekst van het document
Rv7899AFxNR6 (12 oktober 2023)
8/8
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Mulder Koudhoornseweg tussen 18 en 22, 3886 PK Garderen nieuwbouw Aanlegf: vrijstaande gasloze dubbele woning. Vrijwel geheel met elektrisch materieel. Bouwaansluiting in de buurt.
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
RZMs9a9WSevH 12 oktober 2023, 09:04 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Aanlegfase - Beoogd Aanlegfase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
RZMs9a9WSevH (12 oktober 2023)
2024 -
14,1 g/j
1,9 kg/j
2/7
Projectberekening
Aanlegfase (Beoogd), rekenjaar 2024 Emissiebronnen 2
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning | Bouw Verkeersnetwerk
RZMs9a9WSevH (12 oktober 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
13,2 g/j 0,0 kg/j
1,8 kg/j 42,0 g/j
3/7
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RZMs9a9WSevH (12 oktober 2023)
4/7
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Aanlegfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
RZMs9a9WSevH (12 oktober 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/7
Projectberekening
Aanlegfase, Rekenjaar 2024 1
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Transport X:176974,19 Y:471890,41 150,30 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 2
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Aantal voertuigbewegingen
In file
0,0 /jaar 12,0 /jaar 25,3 /jaar 0,0 /jaar
0,0 % 20,0 % 20,0 % 0,0 %
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfstoffenwinning
Naam Locatie Oppervlakte Naam
Bouw X:176895,55 Y:471907,9 0,01 ha
NOₓ NH₃
Stageklasse
Truckmixer/betonpomp Stage-V, >= 2019 , 75-560 kW, diesel, SCR: ja Graafmachine 3
Links Rechts NOₓ 22,5 g/j Type scherm - - NO₂ 6,2 g/j Hoogte - - NH₃ 0,0 kg/j Afstand tot de weg - -
Stage-V, >= 2019 , 56-75 kW, diesel, SCR: ja
Brandstofverbruik
Draaiuren AdBlue verbruik
3 u/j
0 l/j
15 l/j
3 u/j
0 l/j
40 l/j
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Transport X:176879,9 Y:471885,21 64,85 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
RZMs9a9WSevH (12 oktober 2023)
Max. snelheid
1,8 kg/j 13,2 g/j
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Stof Emissie
NOₓ
1,3 kg/j NH₃ 9,6 g/j NOₓ 0,5 kg/j NH₃ 3,6 g/j
Links Rechts NOₓ 2,7 g/j Type scherm - - NO₂ 0,0 kg/j Hoogte - - NH₃ 0,0 kg/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
160,0 /jaar 0,0 /jaar 0,0 /jaar 0,0 /jaar
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
6/7
Projectberekening
4
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Transport X:176915,32 Y:471886,48 65,82 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 5
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Transport X:176820,95 Y:471880,8 150,62 m Binnen bebouwde kom (doorstromend) Beide richtingen 1 Normaal 0m
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Links Rechts NOₓ 5,5 g/j Type scherm - - NO₂ 0,0 kg/j Hoogte - - NH₃ 0,0 kg/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
320,0 /jaar 0,0 /jaar 0,0 /jaar 0,0 /jaar
In file
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
Links Rechts NOₓ 11,3 g/j Type scherm - - NO₂ 3,1 g/j Hoogte - - NH₃ 0,0 kg/j Afstand tot de weg - -
Aantal voertuigbewegingen
0,0 /jaar 6,0 /jaar 12,7 /jaar 0,0 /jaar
In file
0,0 % 20,0 % 20,0 % 0,0 %
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023_20231004_fd8d865135 Database versie 2023_fd8d865135_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RZMs9a9WSevH (12 oktober 2023)
7/7
Aantal bedrijven verhuur/verkoop elektrisch materieel – niet limitatief en zonder waardeoordeel: https://www.staadgroep.nl/machines/elektrisch/?gclid=EAIaIQobChMI5tv3jeuM_AIVl_Z3Ch1nXAZ6EAAYASAAEgKCz_D_BwE https://www.postrentaltrading.nl/grondverzetmachines/elektrische-graafmachines/ https://huurstuur.nl/zero-emissie https://www.nemaco.nl/verhuur/bouwliften-en-bouwkranen
Voorbeelden beschikbaar elektrisch materieel 2023:
Optie alternatieve stroombron op waterstof: Hydrozine: Elektrisch laden met het gemak van een vloeibare brandstof Emissieloos bouwen, hoe doe je dat? Fossiele brandstoffen zijn omwille van hun emissies natuurlijk geen optie. Elektrisch materieel stoot geen emissies uit, maar opladen op een bouwplaats is vaak niet mogelijk. Gelukkig biedt een Hydrozine aggregaat de oplossing: met deze emissieloze stroomaggregaat kan je zonder netaansluiting of accupakketten toch elektrische machines op de bouwplaats opladen. Hoe werkt een Hydrozine aggregaat? Het Hydrozine aggregaat is een stroomaggregaat die niet op diesel, maar wel op Hydrozine werkt. Dit is een veilige, kleurloze vloeistof die tot vier keer zo veel waterstof kan opslaan dan traditionele drukflessen. Het wordt per tankwagen aangevoerd naar de aggregaat – net zoals bij diesel. In het aggregaat wordt de Hydrozine omgezet naar waterstof en vervolgens naar schone elektrische energie. Hierdoor is het aggregaat even gebruiksvriendelijk als een klassieke diesel aggregaat, maar dan zonder schadelijke emissies.
Voordelen van Hydrozine Een zero-emissie stroomaggregaat voor bouwplaatsen Stoot geen stikstofoxides, fijnstof of fossiele CO2 uit Levert 1,6 MWh energie per tankbeurt Laadcapaciteit van nominaal 20 kW met piek tot 60 kW (optioneel tot 200 kW) Fluisterstil Bevoorrading per tankwagen Inhoudsmeetsysteem voor automatische bevoorrading Klimaatneutraal Hydrozine aggregaten zijn volledig fluisterstil en stoten geen schadelijke emissies uit zoals stikstofoxides, fijnstof of fossiele CO2. Het gebruik van Hydrozine heeft geen enkele impact op de omgeving, luchtkwaliteit en gezondheid van medewerkers en omwonenden. Hierdoor is het aggregaat bij uitstek geschikt voor gebruik in binnenstedelijke gebieden, natuurgebieden, enz. Opladen Het aggregaat kan standaard met 20 kW laden. Door het geïntegreerde accupakket van het aggregaat kan de laadcapaciteit tijdelijk tot 60 kW worden verhoogd. Optioneel kan dit verder uitgebreid worden tot 200 kW. Hiermee kan de inzet van elektrisch materieel significant worden verlengd door deze bijvoorbeeld gedurende de pauzes snel bij te laden. Levering van Hydrozine en verhuur van aggregaat Er is een bedrijf dat dit type aggregaat bevoorraadt en verhuurt.
Koudhoornseweg IV
Bijlage 3 Flora en founa
72
"Koudhoornseweg IV" (vastgesteld)
Quickscan soorten realiseren tweekapper Koudhoornseweg tussen 18-22 te Garderen
Opdrachtgever
Familie Mulder Putterweg 31 3886 PB Garderen Richard Huisman info@huismanruimte.nl
Contactpersoon
Uitvoering
Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur Dossiernummer
2023-093
Versie
Sept.23-v3
Behandeld door
Lex Groenewold
Datum
15 september 2023
Dokter Holtropstraat 97 • 3851 JH • Ermelo• Tel.: 06-533 616 75 Website: www.groenewoldmilieu.nl • e-mail: info@groenewoldmilieu.nl KvK: 08178662 • BTW: NL001508693B90 • Bank: NL20 KNAB 0407 9135 48
Inhoudsopgave 1 2 3 4
Aanleiding en doel ........................................................................................................ 3 Beschrijving situatie ...................................................................................................... 3 Relevante wetgeving .................................................................................................... 4 Aanpak onderzoek ........................................................................................................ 4 4.1 Gewenste ontwikkeling .......................................................................................... 4 4.2 Bronnenonderzoek ................................................................................................ 5 4.3 Locatiebezoek ....................................................................................................... 5 5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna ................................................................. 5 5.1 Vaatplanten ........................................................................................................... 5 5.2 Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen ................................................................ 5 5.3 Zoogdieren ............................................................................................................
6 5.3.1 Vleermuizen ................................................................................................... 6 5.4 Vogels ................................................................................................................... 6 5.4.1 Vogels algemeen ............................................................................................ 7 5.5 Overige soorten ..................................................................................................... 7 6 Gebiedsbescherming .................................................................................................... 8 7 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................... 8 7.1 Algemeen .............................................................................................................. 8 7.2 Beschermde soorten.............................................................................................. 8 7.3 Beschermde gebieden ........................................................................................... 8 7.4 Voorbehoud en zorgplicht ...................................................................................... 9 7.5 Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen ........................................................
9 8 Advies ......................................................................................................................... 12 9 Literatuur .................................................................................................................... 13 Bijlagen .............................................................................................................................. 13
Bijlagen 1. Overzicht situatie 2. Foto’s plangebied 3. Samenvatting natuurwetgeving 4. Voorbeelden van maatregelen 5. Uitdraai NDFF
FF Koudhoornseweg tussen 18 en 22 Garderen Sept23-v3
2
Versie: 15 september 2023
1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer bereidt een planwijziging voor aan de Koudhoornseweg tussen 18-22 te Garderen, gemeente Barneveld. Plan is een twee-onder-één-kap woning te realiseren. De gemeente staat op zich positief ten opzichte van het plan. De gemeente heeft gevraagd een quickscan uit te voeren om te bepalen of beschermde natuurwaarden in het geding zijn. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur is gevraagd dit onderzoek uit te voeren.
2 Beschrijving situatie Een overzicht van de situatie is weergegeven in de figuren hieronder en in de bijlage. Het betreft een locatie aan de Koudhoornseweg tussen 18-22, in de kom van Garderen. De bestaande situatie is een braakliggend perceel, bestaand uit kaal bemest gras. Plan is hier een tweekapper te realiseren in lijn met de omliggende bebouwing. Uit een quickscan natuur moet blijken of er in het plangebied beschermde soorten of verblijfplaatsen aanwezig zijn of zijn te verwachten.
Bestaande (links) en de gewenste situatie
FF Koudhoornseweg tussen 18 en 22 Garderen Sept23-v3
3
Versie: 15 september 2023
3 Relevante wetgeving De natuur in Nederland is beschermd. Er zijn beschermde gebieden en beschermde soorten. De bescherming is per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De provincie is in de meeste gevallen bevoegd gezag voor ontheffingen en vergunningaanvragen. Voor wat betreft de Europees beschermde gebieden en daarin levende soorten sluit de Wet hierop aan (Habitat- en Vogelrichtlijn en Verdrag van Bern en Bonn). Dit omvat ook de bescherming van de Natura2000 gebieden. Ook de soortbescherming sluit aan bij de Europese regelgeving. Alle in het wild voorkomende vogels zijn beschermd (art. 3.1 Wnb, conform Vogelrichtlijn). Verder alle soorten uit de Habitatrichtlijn (strikt beschermde soorten, art. 3.5 Wnb). Tot slot is er nog een nationale lijst met ‘Andere soorten’. Deze nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb, 1e lid) zijn aangewezen in de Bijlage bij de Wnb. Onderdeel A betreft een verbod op het opzettelijk doden of vangen van de genoemde in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onderdeel B verbiedt het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de genoemde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. In het voorliggende onderzoek worden de consequenties in beeld gebracht van de beoogde plannen en vindt toetsing plaats.
Er is geen ontheffing nodig als overtreding van verbodsbepalingen is te voorkomen én de functionaliteit van beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen komt niet in het geding. In sommige gevallen is het noodzakelijk of raadzaam om vooraf een ontheffing aan te vragen bij de Provincie. Ook kan het zijn dat voor een aantal van de geplande activiteiten vrijstelling geldt. Dit kan per provincie enigszins verschillen. Als het plan invloed heeft op Natura 2000 gebied of gelegen is in het Nationaal natuurnetwerk moet dit inzichtelijk worden gemaakt en is mogelijk een vergunning noodzakelijk. Ook hiervoor is de provincie het bevoegd gezag. Een samenvatting van de natuurwetgeving is weergegeven in Bijlage 3.
4 Aanpak onderzoek De voorliggende quickscan is gebaseerd op een locatiebezoek, beschikbare gebiedskennis, verspreidingsgegevens, literatuurgegevens en bekende ecologische principes. Hieruit moet blijken of en zo ja welke beschermde soorten in het plangebied voorkomen of kunnen voorkomen. Verder is gekeken of de voorgenomen activiteiten invloed hebben op beschermde gebieden. Als er negatieve effecten mogelijk zijn zal kort worden ingegaan op mogelijke mitigerende (verzachtende of inpassings-) en compenserende maatregelen. Ook op basis van de algemene zorgplicht kan het nodig zijn maatregelen te treffen.
4.1
Gewenste ontwikkeling
Het plan omvat het bouwrijp maken van het perceel en realisatie van een 2-o-1-kap woning. Deze activiteiten vallen onder de definitie van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling op basis van de Wet natuurbescherming. De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van de diverse uit te voeren activiteiten.
FF Koudhoornseweg tussen 18 en 22 Garderen Sept23-v3
4
Versie: 15 september 2023
Uitgangspunten hiervoor zijn: - het bouwrijp maken - het realiseren van een tweekapper - het aanleggen van tuin en erf
4.2
Bronnenonderzoek
Het nieuw geplande woongebouw ligt in kilometerhok x:176/y:471. Een eerste indruk is te verkrijgen bij het Natuurloket. Met deze gegevens in combinatie met een locatiebezoek en ecologische kennis kan een goede inschatting worden verkregen van de locatie en het belang daarvan voor verschillende soorten. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen is verder gebruik gemaakt van openbaar toegankelijke en betrouwbare bronnen, zoals verspreidingsatlassen, rapporten, recente artikelen, NDFF (bijlage), eigen gegevens en internetsites (zie literatuurlijst).
4.3
Locatiebezoek
Tijdens een locatiebezoek op 30 juni en 13 september 2023 is het gebied en de directe omgeving opgenomen. Het bezoek levert informatie over de op dat moment aanwezige soorten. Een quickscan is geen volledige inventarisatie. Om toch een goed beeld te krijgen van te verwachten soorten is een locatiebezoek bij de quickscan wel van groot belang. Samen met beschikbare literatuurgegevens is dan een inschatting te maken van de geschiktheid van het plangebied voor mogelijk hier voorkomende beschermde soorten.
5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna Dit hoofdstuk gaat in op de vraag of er beschermde soorten voorkomen in of om het plangebied. Hierbij zijn de meest voorkomende soortgroepen apart benoemd.
5.1
Vaatplanten
Het perceel bestaat grotendeels uit grasland waar een pony graast en een enkele plant, zoals gewoon biggenkruid, Duits viltkruid, Robertskruid, Jacobskruiskruid, klimop, gewone raket, moerasdroogbloem en ridderzuring. Er zijn alleen algemene planten en tuinplanten aangetroffen. Er zijn in de huidige situatie geen beschermde soorten aangetroffen of te verwachten. Bij verdere realisatie van de plannen is geen sprake van overtreding van art. 3.5 of 3.10 Wnb. Het aanvragen van een ontheffing is voor de nog aanwezige flora niet nodig.
5.2
Amfibieën, reptielen, vlinders en libellen
Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën, reptielen, vlinders, of libellen aangetroffen, behouden een Klein koolwitje. Wegens het ontbreken van oppervlaktewater is het perceel niet geschikt als voortplantingsgebied voor amfibieën en libellen. Het terrein rond de woning is geen typisch leefgebied voor reptielen of beschermde vlindersoorten. Voor algemene soorten geldt behoudens de algemene zorgplicht, een vrijstelling op basis van de Omgevingsverordening Gelderland.
FF Koudhoornseweg tussen 18 en 22 Garderen Sept23-v3
5
Versie: 15 september 2023
Er zijn daarmee door realisatie van de plannen geen negatieve effecten te verwachten op deze soortgroepen. Een ontheffing op basis van art. 3.5 of 3.10 van de Wnb is voor deze soortgroepen niet nodig.
5.3
Zoogdieren
Uit de wijdere omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van eekhoorn, haas, das, boommarter en egel. Er zijn bij het locatiebezoek geen zoogdieren, verblijfplaatsen of sporen daarvan aangetroffen. Het is een braakliggend terrein, met kort gemaaid gras. het stalletje voor de pony is open en ca. 2m2 groot. Beschermde verblijfplaatsen zijn uit te sluiten. Bij de planrealisatie kan een klein aantal verblijfplaatsen van de algemene en laag beschermde kleine zoogdieren verloren gaan. Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten hier echter niet nodig, omdat hiervoor behoudens de algemene zorgplicht, vrijstelling geldt conform de Omgevingsverordening Gelderland. 5.3.1 Vleermuizen Volgens de literatuurgegevens komen in de omgeving van het plangebied diverse soorten vleermuizen voor, zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en de rosse vleermuis. Deze soorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming, op basis van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Zowel de zomer- als winterkolonies, als paarplaatsen en kraamkamers zijn beschermd tegen verstoring en vernietiging. De eerste stap op basis van het vleermuisprotocol is een onderzoek naar de geschiktheid van de locatie. Daarbij gaat het om voor vleermuizen potentieel geschikte bomen of gebouwen. Deze zijn niet aanwezig. Daarmee zijn vaste verblijfplaatsen in het plangebied met zekerheid uit te sluiten.
Langs de erfgrens is een woning aanwezig met een pannendak van zeer platte pannen. Deze liggen strak en vlak. Langs de kopse kant is een rand aanwezig waardoor er ook langs die zijde geen geschikte toegang is. Los daarvan vinden nabij de kopse kanten van die geen verstorende werkzaamheden plaats. Daarmee zijn verblijfplaatsen en/of verstoring van vleermuizen aan de planzijde uit te sluiten. Vleermuizen volgen vaak lijnvormige structuren zoals houtwallen. Het plangebied ligt aan een weg tussen bebouwing met min of meer aansluiting op groen van tuinen. Mogelijk is het gebied daarmee onderdeel van het foerageergebied van vleermuizen. Gezien de omvang en het type gebied zal het zeker geen essentieel foerageergebied zijn. Er vindt daarmee geen aantasting plaats van (potentieel) onmisbare vliegroutes en foerageergebied. Er is als gevolg van de beoogde ingrepen geen schade te verwachten op vleermuizen. Te overwegen is om bij de verbouw een inmetselkast of een losse vleermuizenkast te plaatsen, om deze insectenetende soortgroep te ondersteunen. Het aanvragen van een ontheffing op basis van de Wnb is voor zoogdieren niet nodig.
5.4
Vogels
Er is geen broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Op basis van waarnemingen tijdens de veldbezoeken, de terreingesteldheid, waarnemingen uit de directe omgeving, bekende verspreidingsgegevens en ervaring is een inschatting gemaakt over mogelijk aanwezige soorten in het gebied. Tijdens het bezoek zijn de volgende soorten in of om het plangebied gezien of gehoord: houtduif (foto), boerenzwaluw, huismus, kauw en
FF Koudhoornseweg tussen 18 en 22 Garderen Sept23-v3
6
Versie: 15 september 2023
merel. Het plangebied bestaat uit grasland. Dit is niet geschikt voor de in de NDFF genoemde soorten, zoals boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomvalk, uilen, huismus of gierzwaluw. Dat geldt ook voor het kleine stalletje, dat te laag is voor deze soorten. De ruimte onder de pannen bij de goot van het dak van de buurwoning op de erfgrens is geheel afgesloten (foto) en niet toegankelijk. Daarmee zijn beschermde soorten of jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels uit te sluiten. Het aanvragen van een ontheffing op basis van de Wnb is voor vogels niet nodig. Te overwegen is in de nieuwbouw voorzieningen aan te brengen voor bijv. de huismus. 5.4.1 Vogels algemeen In het algemeen geldt dat ingrepen in een plangebied tijdens het broedseizoen (15 maart – 15 juli - huismus 15 augustus) sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van de reproductie. Wettelijk gezien is dat verboden (art. 3.1 Wnb). Verstoring van broedvogels is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op de populatie (art. 3.1 lid 5). Het beschadigen of vernietigen van nesten is wel verboden en dient te allen tijde te worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels.
Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten van broedvogels zal plaatsvinden. Als bijv. met de inrichting van het terrein wordt gewacht tot het broedseizoen bestaat een kans dat grondbroeders eieren gaan leggen. Dan moet met de realisatie worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. De effecten op (broed)vogels in het plangebied en de directe omgeving zullen verder beperkt of nihil zijn. Na realisatie van het plan ontstaan door de aanleg van beplanting en tuinen overigens ook weer nieuwe broedmogelijkheden. Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten, eieren of jongen zal plaatsvinden.
5.5
Overige soorten
Van de overige beschermde soorten en soortgroepen zoals vissen, teunisbloempijlstaart, rivierkreeften e.d., is te stellen dat deze in het plangebied niet voorkomen of zijn te verwachten. Ook zullen de geplande activiteiten geen effect hebben op deze soorten.
FF Koudhoornseweg tussen 18 en 22 Garderen Sept23-v3
7
Versie: 15 september 2023
6 Gebiedsbescherming Het plan ligt op ruim 400m afstand van Natura 2000-gebied Veluwe met tussenliggende vergelijkbare bebouwing. Het plan heeft geen negatieve effecten op beschermde soorten en habitats. Voor de stikstofdepositie is een separate rapportage opgesteld. Hieruit blijkt zowel in de gebruiks- als de aanlegfase geen depositie hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. Het plan ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN - groen) en de Groene ontwikkelzone (GO - bruin). Voor het GNN en de GO geldt geen externe werking. Een vergunning Wnb gebieden is niet nodig.
7 Conclusies en aanbevelingen 7.1
Algemeen
Verschillende soorten planten, dieren worden beschermd in de Wet natuurbescherming. Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, zijn in de Wet speciale beschermingsgebieden aangewezen. Een ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als duidelijk is dat de nesten, holen of andere verblijfsplaatsen niet worden vernield of beschadigd. Verstoring is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op populatieniveau. Beschermde planten mogen niet worden verwijderd van hun groeiplaats. Ook mogen door een ruimtelijke ontwikkeling geen significant negatieve effecten plaatsvinden op beschermde gebieden. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur heeft in opdracht van initiatiefnemer een quickscan soorten uitgevoerd aan de Koudhoornseweg tussen 18 en 22, in de bebouwde kom van Garderen, gemeente Barneveld. Plan is op het huidige grasveld een 2-o-1-kap woning te realiseren. Uit de quickscan moet blijken of de realisatie van het plan gevolgen kan hebben voor beschermde natuurwaarden.
7.2
Beschermde soorten
Op het perceel zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen of te verwachten. Specifiek is gezocht naar (potentiële) verblijfplaatsen van vleermuizen, marters, uilen en eventuele jaarrond beschermde nesten van vogels. Gezien de lokale situatie zijn verblijfplaatsen van al deze soortgroepen uit te sluiten. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht.
7.3
Beschermde gebieden
Het plan ligt op ruim 400m van Natura 2000-gebied Veluwe. Er zijn geen effecten te verwachten op beschermde soorten of habitats. Het plan ligt ook buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene ontwikkelzone (GO - bruin). Voor het GNN en de GO geldt geen externe werking. Voor de stikstofdepositie is een separate rapportage opgesteld. Hieruit blijkt zowel in de gebruiks- als de aanlegfase geen depositie hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. Een vergunning Wnb gebieden is niet nodig.
FF Koudhoornseweg tussen 18 en 22 Garderen Sept23-v3
8
Versie: 15 september 2023
7.4
Voorbehoud en zorgplicht
De voorliggende natuurtoets is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend terreinbezoek. Om de risico’s op verstoring van beschermde soorten (bijv. vogels) op het werkterrein te minimaliseren, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten. Algemene zorgplicht Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen.
Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 juli-huismus tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie buiten het broedseizoen worden verwijderd of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Hierbij geldt overigens wel de algemene zorgplicht. Beschermde soorten Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
7.5
Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen
Overigens zijn relatief eenvoudig extra voorzieningen te realiseren voor vogels en/of vleermuizen. Door de betere isolatie van woningen verdwijnen openingen, kieren e.d. en daarmee nest- en schuilplaatsen, die vroeger heel gewoon waren. De maatregelen kosten weinig geld maar betekenen veel voor de betreffende soorten. Zo is een bijdrage te leveren aan het behoud van deze soorten voor de toekomst. Bijvoorbeeld een kast of andere voorziening voor de huismus. Eén of meer duurzame kasten voor vleermuizen (eten veel muggen), bij voorkeur op minimaal 3m hoog, vrij aanvliegbaar en zonder verlichting vlak bij. Voorkom verstening van de tuinen en draag zorg voor
FF Koudhoornseweg tussen 18 en 22 Garderen Sept23-v3
9
Versie: 15 september 2023
het opvangen van regenwater in het gebied. Door de klimaatverandering vindt steeds meer verdroging plaats van de ondergrond. De gemeente Barneveld heeft hiervoor beleid opgesteld. Afhankelijk van de grootte van een project moet een aantal punten worden gerealiseerd. Er zijn punten voor het gebouw, verblijfplaatsen, omgeving en infrastructuur (zie onderstaande tabel 1 uit het gemeentelijke puntensysteem).
Het betreft hier een kleinschalig project van 0-1 ha, waarvoor dan dus 30% van het maximale aantal punten nodig is. Op basis van de lokale situatie is te denken aan de volgende maatregelen: Tabel 1: Overzicht mogelijke maatregelen natuurinclusief bouwen Koudhoornseweg Onderdeel Gebouw (nodig: 4)
Verblijf (nodig: 2)
Omgeving (nodig: 10)
Maatregel
Punten
Opmerkingen 25-50% van een gevel van >10m lengte Vermijden, of ander aanpassing lichtkleur en intensiteit. Altijd omlaag richten. Minimaal 5 plaatsen – lijkt hier minder geschikt
Totaal
Geveltuin
2
Vermijden lichtuitstraling
2
Nestplaats gierzwaluw
2
Nestplaats huismus – bijv. opschuiven vogelschroot of inbouwsteen
2
Minimaal 3 verblijfplaatsen Bij 6 verblijfplaatsen
2 +2
Cluster inheemse bomen
3
Plaatsen 3 bomen (bijv. lijsterbes, haagbeuk en berk)
3
Cluster inheemse struiken Natuurlijke haag Aansluiting groene tuin en ecologische structuur Ecologisch object Infrastructuur (extra) Beleid (extra)
Bonus
Ecologische wadi Opstellen ecologisch rapport Borgen onderhoud en beheer
FF Koudhoornseweg tussen 18 en 22 Garderen Sept23-v3
2 2 2
3
1
>100 m2 inheemse struiken
4
3
1
Haag 2m hoog, 187m lang
4
2
2
1
Insectenhotel of stapelstenen
1
3
Raingarden voortuin
3
1
1
2
2
10
Versie: 15 september 2023
Op basis van de omgeving is de verwachting dat er vleermuizen kunnen foerageren. Voor de woningen is dan van belang de lichtuitstraling zoveel als mogelijk te beperken, door bijv. armaturen naar beneden te richten en sensoren te gebruiken voor het branden, om onnodige verlichting te voorkomen. Gevelgroen kan bestaan uit natuurlijke soorten als klimop of kamperfoelie. Alternatief is bijv. vuurdoorn toe te passen of een combinatie. Een geveltuin is een andere optie. Gierzwaluwen hebben en voorkeur voor hoge gebouwen en meer versteende gebieden zoals binnensteden. Dat lijkt meer op een natuurlijke rotsomgeving, waar de soort van nature broedt. Daarom ligt het meer voor de hand hier te kiezen voor nestplaatsen van de huismus (aanwezig in de omgeving) en/of van vleermuizen. Voor vleermuisverblijven zijn meerdere opties denkbaar, mede afhankelijk van het type woning. Als gekozen wordt voor inmetselstenen gaat de voorkeur uit naar koppeling van drie kasten, waardoor een grotere ruimte ontstaat, welke ook geschikt is als kraamverblijf. Een voorbeeld is gegeven in de bijlage Bij voorkeur in twee verschillende gevels plaatsen (zuid en west), op minimaal 3m hoogte en buiten bereik van storende verlichting. Voor de huismus is opschuiven van vogelschroot of het inmetselen van neststenen een goede optie. De soort is aanwezig in de omgeving. Het foerageergebied is goed.
Ook zijn voldoende groen, water en zandplaatsen aanwezig. Dit is dan ook een goede optie om toe te passen. Voor de omgeving gaat de voorkeur uit naar noot- en besdragende soorten. Er is op zich ruimte genoeg voor een goede ecologisch verantwoorde invulling met inheemse bomen en struiken. Een zoveel mogelijk groene bodem kan het regenwater opvangen. Ook een buffervoorraad zoals regentonnen of een andere optie is aan te bevelen. Voor de landschappelijke inpassing en de vastlegging van de maatregelen is een separate een rapportage opgesteld.
FF Koudhoornseweg tussen 18 en 22 Garderen Sept23-v3
11
Versie: 15 september 2023
8 Advies 1) Initiatiefnemer heeft het plan een 2-o-1-kap woning te realiseren op het grasveld aan de Koudhoornseweg tussen 18 en 22 in de bebouwde kom van Garderen, gemeente Barneveld. 2) Op of vlak rond de te realiseren tweekapper zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen of te verwachten. Hierbij is specifiek gezocht naar aanwijzingen voor verblijfplaatsen van marters, vleermuizen, huismus en uilen. Nader onderzoek of een ontheffing Wnb soorten is niet nodig. 3) Het plan ligt buiten Natura 2000-gebied Veluwe, het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelzone. Voor eventuele stiktofdepositie is een separate rapportage opgesteld. Hieruit blijkt geen depositie hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. Een vergunning Wnb gebieden is niet nodig. 4) Bij uitvoering van de werkzaamheden altijd invulling geven aan de ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming), wat inhoudt dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. 5) Advies is in de verbouw voorzieningen mee te nemen voor bijvoorbeeld de huismus en/of voor vleermuizen. Bijv. het opschuiven van vogelschroot of het plaatsen van één of meer spouwmuurkasten voor de gewone dwergvleermuis (eten veel muggen). 6) Er is een aantal natuurinclusief punten nodig conform het beleid van Barneveld.
Het gaat hier om een klein project waarvoor in totaal 16 punten nodig zijn. In tabel 1 is een aantal onderbouwde opties genoemd. Andere opties uit het gemeentelijk beleid zijn ook mogelijk (zie Natuurinclusief-bouwen Barneveld). Voor de landschappelijke inpassing en de vastlegging van de maatregelen is een separate een rapportage opgesteld.
FF Koudhoornseweg tussen 18 en 22 Garderen Sept23-v3
12
Versie: 15 september 2023
9 Literatuur
Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. Van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, 3de herziene druk. BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Huismus 1.0 BIJ12, Juli 2017 Kennisdocument Steenuil 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gierzwaluw 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Das 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gewone dwergvleermuis 1.0 Eekeren, N. van & F. Smeeding, 2006, Praktijkhandleiding Evenwichtige verschraling van natuurgronden door uitmijnen van fosfaat met grasklaver en kalibemesting. Janssen, J.A.M. en Schaminée, J.H.J., 2008: Soorten van de habitatrichtlijn Lange, R., P.Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.) (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Ministerie van BiZa, juli 2019, Factsheet woningbouwplannen, stikstof en Natura-2000 gebieden Provincie Gelderland: Omgevingsverordening Provincie Gelderland: Mitigatiecatalogus gebouwbewonende soorten, Arcadis, 27 september 2018 Regiebureau Natura 2000, Naslagwerk Natura 2000
www.gegevensautoriteitnatuur.nl www.infomil.nl http://mineleni.nederlandsesoorten.nl/ www.Natura 2000.nl www.Natuurloket.nl
www.RAVON.nl
www.rijksoverheid.nl www.soortenregister.nl http://www.synbiosys.alterra.nl/Natura 2000 http://www.vleermuis.net www.waarneming.nl (website met soortenwaarnemingen in Nederland) www.wetten.nl
Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.
Overzicht situatie Foto’s plangebied Samenvatting natuurwetgeving Voorbeelden van maatregelen Uitdraai NDFF
FF Koudhoornseweg tussen 18 en 22 Garderen Sept23-v3
13
Versie: 15 september 2023
Bijlage 1 Overzicht situatie
Vigerende bestemmingsplan
Nieuwe situatie
Ligging t.o.v. beschermde gebieden: Natura 2000-gebied Veluwe (donkergroen) GNN: lichtgroen en Groene Ontwikkelzone (bruin)
Bijlage 2 Foto’s plangebied
Open stalletjepony
Toegang onder pannen afgesloten
Stalling trailer – wordt op termijn ook gesloopt
Bijlage 3 Samenvatting Natuurwetgeving
Samenvatting Wet Natuurbescherming Versie November 2022
Inleiding In deze bijlage worden in het kort het wettelijk kader van de natuurwetgeving beschreven en de toepassing bij ruimtelijke ingrepen en beheer. De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en Nationale wet- en regelgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet beoogt waardevolle natuur te beschermen met duidelijke en eenvoudige regels. Er is net als in de oude regelgeving onderscheid tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Daar waar sprake is van Europese bescherming verandert er qua beschermingsniveau niet zo veel. In de soortenbescherming is wel het één en ander gewijzigd voor wat betreft de nationale bescherming. De uitvoeringsregels zijn vastgelegd in het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming.
Doel van de Wet Vooruitlopend op de Omgevingswet beoogt het Rijk met de bovengenoemde samenvoeging van drie wetten in de Wnb, invulling te geven aan vermindering en vereenvoudiging van het aantal regels. Artikel 1.10 geeft aan dat de Wnb gericht is op a. het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en c. het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Hiermee is ook duidelijk dat natuur en economie beide van belang worden geacht en dat het ontwikkelen van natuur ten dienste kan staan van maatschappelijke functies. Of zoals de memorie van antwoord het stelt: ‘De ambitie van het natuurbeleid en het doel van de natuurwetgeving is om de natuur en de maatschappij, ecologie en economie, met elkaar te verbinden en zo mogelijk elkaar laten versterken.’ Ook is er de verplichting natuurvisies op te stellen (art. 1.5-1.7). Dit gebeurt op provinciaal niveaus via een Natuur- of Omgevingsvisie en het vaststellen van een verordening. Ook het Rijk stelt een nationale Natuurvisie op.
Qua beschermingsniveau gelden in ieder geval de Europese regels en zijn beperkt aanvullende regels op nationaal niveau gesteld ter bescherming van soorten. De Wnb zal t.z.t. in principe integraal worden opgenomen in de Omgevingswet, via de Aanvullingswet natuur.
Bevoegdheid Een andere belangrijke wijziging is dat in de meeste gevallen de Provincie het bevoegd gezag is, voor vrijwel alle vergunningen, ontheffingen, meldingen en handhaving van het natuurbeleid. De provincie heeft conform art. 1.12 een actieve rol in de bescherming, instandhouding en herstel van de natuur in de provincie. Het aanwijzen van gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland is een verplichting. Daarnaast mogen provincies ook bijzondere provinciale natuurgebieden of landschappen aanwijzen. Alleen bij nationale belangen, zoals bijv. hoofdwegen en spoorwegen, is het Rijk bevoegd gezag. Gemeenten blijven wel het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning. Het is evenals in de oude situatie niet verplicht om voor natuur ‘aan te haken’. Een ontheffing of vergunning voor de natuur is los van de omgevingsvergunning aan te vragen. Een ontheffing Flora- en Faunawet lag bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Deze taak is dus nu ook naar de provincie overgegaan. Daarmee is de provincie in de meeste gevallen bevoegd gezag voor zowel de soort- als de gebiedsbescherming.
Procedures Er staat in beginsel een doorlooptijd van 13 weken voor zowel een ontheffing als voor een vergunning. Verlenging is mogelijk met maximaal 7 weken. Bij aanhaken binnen de Omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure van 26 weken. Bezwaar en beroep moet eerst bij een regionale rechtbank worden ingediend en daarna in voorkomende gevallen naar de Raad van State. In Art. 5.13 was een aanhaakverplichting opgenomen. D.w.z. dat bij een aanvraag Wnb verplicht moet meelopen bij een aanvraag Omgevingsvergunning. Deze verplichting is vooralsnog geschrapt, in ieder geval tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het is dus mogelijk een Wnb vergunning aan te vragen los van de Omgevingsvergunning. Vrijwillig aanhaken mag wel.
Gemeenten behouden de loketfunctie. Bij een aanvraag Omgevingsvergunning waar gevolgen kunnen zijn voor beschermde soorten, moet een natuurtoets deel uitmaken van de procedure. Een eventuele ontheffing kan vooraf worden aangevraagd bij de provincie. Als bij het indienen van een aanvraag Omgevingsvergunning vooraf geen aparte ontheffing Wnb is aangevraagd moet de natuurtoets wel aanhaken. De gemeente legt de aanvraag dan voor aan de provincie. De provincie geeft op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af.
Stappenplan soortbescherming ruimtelijke ingrepen (folder Min. EZ)
Soortbescherming In art. 1.10 is de intrinsieke waarde van de natuur expliciet erkend. Het bevoegd gezag oefent taken en bevoegdheden uit met het oog op die doelen. Eén van de instrumenten is het opstellen van een natuurvisie, zowel nationaal als provinciaal, waarin het beleid en de bescherming expliciet is uitgewerkt. Voor de soortenbescherming onderscheidt de Wet natuurbescherming drie beschermingsniveaus, twee op Europese en één op nationale grondslag. Dit vloeit voort uit het principe dat de regelgeving in principe niet strenger hoeft te zijn dan de Europese regels. Dat komt terug in de definities. Zo is in art. 3.1 Wnb het woord ‘opzettelijk’ toegevoegd. Het opzettelijk doden of vangen is niet toegestaan. Het opzettelijk verstoren is in sommige situatie wel toegestaan, als dat niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. Voorwaardelijke opzet is hierbij inbegrepen. Dat is bewust de kans aanvaarden dat gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor beschermde soorten. Uit het voorgaande blijkt dat natuuronderzoek vooraf, in veel gevallen een vereiste is. Beschermingsregime
De Wnb kent drie invalshoeken van bescherming. Twee geënt op de Europese regels en één op nationaal niveau. Daarbij zijn de regels van de Europese bescherming vrijwel één op één overgenomen. Vogelrichtlijnsoorten : Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (art. 3.1-3.4 Wnb) Habitatrichtlijnsoorten : Dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het verdrag van Bern en Bijlage II van het verdrag van Bonn (art. 3.5-3.9 Wnb). Andere soorten : Dier- en plantensoorten genoemd in Bijlage bij art. 3.10 en 3.11 Wet natuurbescherming Onderdeel A en B. Ca. 145 soorten. Hiermee zijn ca. 700 soorten vogels en ca. 230 andere Europese en nationale soorten beschermd. Voor ca. 200 soorten die eerder wel beschermd waren onder de Flora- en Faunawet geldt nu alleen de algemene zorgplicht. De provincies kunnen een vrijstellingsverordening opstellen, voor soorten waarvoor geen ontheffingsplicht geldt. Deze kunnen dus per provincie verschillen, wat ook de bedoeling is van de wetgever. Zo kunnen regionaal bedreigde soorten worden beschermd en daar waar geen bedreiging bestaat op populatieniveau, is minder bescherming nodig. Verboden De Wnb kent voor elk van de drie categorieën van beschermde soorten aparte bestuursrechtelijke en strafrechtelijke verboden.
Deze sluiten aan bij de verboden in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de nationale soorten geldt een iets soepeler regime met minder verboden en meer ruimte voor afweging van belangen. Alle verboden zijn van toepassing op individuen. Het opzettelijk handelen omvat ook voorwaardelijke opzet. Dat betekent het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat een gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten. Relevante belangen voor vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen In de Wnb is een regeling opgenomen voor de jacht (art. 3.20 e.v.), een landelijke regeling voor schadebestrijding (art. 3.15), gedragscodes (art. 3.31), regulier onderhoud en beheer Rijk (regeling) en enkele bijzondere vrijstellingsregelingen (bijv. dierenambulances). Er zijn 6 landelijke schadesoorten aangewezen, te weten: Canadese gans, houtduif, kauw, konijn, vos en zwarte kraai. Er is een landelijke vrijstellingsregeling voor regulier beheer en onderhoud e.d. in gevallen waar het Rijk bevoegd is (in regeling aangewezen nationaal beschermde soorten). Provincies hebben de bevoegdheid om vrijstellingen te verlenen (PS) of ontheffingen (GS) van de verboden genoemd in de art. 3.3, 3.8 of 3.10. Om te kunnen afwijken van de verbodsbepalingen gelden 3 voorwaarden (ar.
3.3 lid 4, 3.8 lid 5, 3.10 lid 2): Er is geen andere bevredigende oplossing Er moet een in de wet genoemd wettelijk belang zijn (verschillend per beschermingsregime) De ingreep mag geen afbreuk doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soort Als aan deze drie is vereisten voldaan, is het aanvragen van een ontheffing mogelijk. Daarnaast is het mogelijk dat er aanvullende vrijstellingen gelden voor bepaalde handelingen. Bijvoorbeeld door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode (met maatregelen voor de betreffende soort en handeling), of zoals omschreven in een provinciale verordening. De genoemde belangen verschillen per type beschermingsregime. Dit kan van belang zijn voor het al dan niet verkrijgen van een ontheffing. Soorten Vogelrichtlijn: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - ter bescherming van flora of fauna; Dier- en plantensoorten Habitatrichtlijn/verdragen van Bern en Bonn: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of - in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen vanggroot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; Nationaal beschermde soorten planten en dieren:
-
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of in het algemeen belang.
Gedragscode (art. 3.31) Verboden en meldingen (art. 3.1, 3.2, 3.5, 3.6, 3.10 Wnb) zijn niet van toepassing als handelingen aantoonbaar worden uitgevoerd conform een door de Minister goedgekeurde gedragscode. De gedragscode moet ook feitelijk betrekking hebben op de betreffende soort, uit te voeren handelingen en plaatsvinden in het kader van één van de volgende doelen: - Bestendig gebruik, beheer en onderhoud - Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting Er moet gewaarborgd zijn dat er geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en er sprake is van zorgvuldig handelen. Bestaande gedragscodes van de Flora- en Faunawet blijven geldig (max. 5 jaar) tot een nieuwe gedragscode conform de Wnb is goedgekeurd. Vogels Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet per sé verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is (zorgplicht geldt wel). Dit geldt alleen voor het verstoren. Het vernielen of beschadigen van nesten blijft verboden. Voor de jaarrond beschermde soorten mogen de nesten niet worden beschadigd of vernietigd. Wel kan verstoring er toe leiden dat beschermde vogels kiezen voor een alternatieve nestlocatie. Ook hier geldt altijd de algemene zorgplicht.
Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan, de mogelijke gevolgen van het plan voor de natuur en mogelijke maatregelen om negatieve gevolgen tegen te gaan. In onderstaande tabel zijn de verschillen tussen de oude regelgeving en de Wnb weergegeven: Verboden Flora- en Faunawet Doden, verwonden, vangen Opzettelijk verontrusten Beschadigen, vernielen, uithalen, verstoren nesten, holen, vaste rust- of verblijfplaatsen Rapen, uit nest nemen, beschadigen of vernietigen van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur
Verboden Wet natuurbescherming Opzettelijk doden of vangen Opzettelijk storen Opzettelijk vernielen, beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of wegnemen nesten Rapen en onder zich hebben van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur
De bescherming van een nest omvat ook de inhoud en functionele omgeving daarvan, voor zover het broedsucces daarvan afhankelijk is. Dit impliceert dat inheemse in gebruik zijnde nesten beschermd zijn gedurende het broedseizoen. Buiten het broedseizoen zijn nesten niet beschermd, behalve voor soorten met jaarrond beschermd nesten. Jaarrond beschermde nesten Een lijst met jaarrond beschermde nesten is niet in de Wet natuurbescherming zelf opgenomen, maar is wel door elke provincie vastgesteld. Het betreft dan de indeling waarbij nesten van vogelsoorten in categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. De nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. De Provincie kan per verordening hiervan afwijken.
Verstoring In art. 3.1 lid 4 is opgenomen dat het opzettelijk verstoren van vogels verboden is. Lid 5 stelt dat dit niet van toepassing is als de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (doden en vernielen van nesten blijft dus wel verboden). Dit vraagt dan om nader en specifiek onderzoek, zoals om welke soort het gaat (algemeen/zeldzaam/bedreigd), de locatie, de periode van het jaar en de intensiteit, duur en frequentie van de verstorende activiteit en of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Verstoring in het broedseizoen ligt daarbij heel kritisch als dit invloed heeft op het broedsucces (art. 5d Vogelrichtlijn).
Zorgplicht (art. 1.11 Wnb) In artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht omschreven. De zorgplicht geldt voor alle soorten en alle beschermde gebieden. Dus ook voor niet specifiek in de wetgeving benoemde soorten. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege. Indien het achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevraagd, worden maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, of zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. In art. 7.2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn tot handhaving (last onder bestuursdwang).
Gebiedsbescherming De bescherming van gebieden is geregeld via een aantal sporen. Dat zijn Natura 2000 gebieden, gebieden behorende bij het natuurnetwerk Nederland (NNN), provinciale natuurgebieden of provinciale landschappen. Natura 2000 gebieden De Natura 2000 gebieden zijn op basis van Europese regels aangewezen als beschermde gebieden, incl. de daarbij horende beschermde soorten en habitats. Omdat de Europese regels worden gevolgd is er ten aanzien van de gebiedsbescherming niet veel gewijzigd. Nederland kent een 161 Natura 2000 gebieden, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn vastgesteld. Per gebied is het ook de bedoeling beheerplannen vast te stellen. Daarin staat o.a. welke maatregelen nodig zijn om de natuurdoelen te halen en welk (bestaand en toekomstig) gebruik al dan niet vergunningplichtig is. Voor regulier onderhoud en beheer is dan in principe geen vergunning nodig (Art. 2.9 Wnb). Overigens blijft de zorgplicht altijd gelden. Omdat de meeste onder de oude wetgeving beschermde natuurmonumenten in een Natura 2000 gebied liggen is de aparte bescherming van deze natuurmonumenten vervallen. Als handelingen kunnen leiden tot nadelige effecten voor instandhoudingsdoelen van een Natura 2000 gebied is een vergunning nodig. Zoals gezegd is de provincie meestal bevoegd gezag. De vergunningaanvraag kan apart bij de provincie of via de Omgevingsvergunning bij de gemeente.
Passende beoordeling (Art. 2.7-2.8 Wnb) Als een project of andere handeling gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, mogelijk schadelijke gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied is een natuurvergunning noodzakelijk, tenzij een wettelijke uitzondering geldt. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld het handelen conform een vastgesteld beheerplan of een programma (Art. 2.9 Wnb) of het weiden van vee (Art. 2.9 Regeling Wnb). Ook bestaand gebruik op referentiedatum 31 maart 2010 is een uitzondering. Het bevoegd gezag moet hier dan wel redelijkerwijs van op de hoogte (kunnen) zijn en de handelingen mogen niet of niet in betekenende mate zijn gewijzigd. Mogelijk leidt dit tot discussies vanwege oudere Europese data voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden, resp. 10 juni 1994 en 7 december 2004. Er is overigens geen definitie van een project of een andere handeling. Alle activiteiten welke geen project zijn, zijn daarmee feitelijk ‘andere handelingen’. Onderzoek moet uitwijzen of deze gevolgen significant kunnen zijn. De gevolgen moeten worden beoordeeld in samenhang met die van andere plannen en projecten (‘cumulatieve effecten’). Als er geen effecten zijn, is geen vergunning nodig. Als de effecten klein zijn, volgt een verslechterings- en verstoringstoets’. Bij mogelijke significante effecten volgt een ‘passende beoordeling’.
Het positieve effect van maatregelen mag niet bij de afweging voor vergunningplicht worden betrokken. Dat mag wel bij het besluit op een vergunningaanvraag.
In de verslechterings- en verstoringstoets worden de effecten gespecificeerd. Daarbij hoeft dan niet meer naar cumulatieve effecten te worden gekeken. Het bevoegd gezag beoordeelt of de effecten aanvaardbaar zijn of niet. Aan de vergunning kunnen beperkende voorwaarden worden verbonden (mitigatie en compensatie). De passende beoordeling is veel uitgebreider. Op basis van de beste wetenschappelijke kennis dienen de effecten op de habitats en soorten te worden ingeschat, rekening houdende met cumulatieve effecten. Als de passende beoordeling uitwijst dat er slechts beperkte effecten zijn, dan dient vergunning te worden aangevraagd, die wordt verleend indien de effecten aanvaardbaar worden geacht. Als er significante effecten zijn, dan mag vergunning alleen worden verleend als er voldaan is aan alle drie onderstaande ADCcriteria: -
Er zijn geen geschikte Alternatieven. Er is sprake van Dwingende redenen van groot openbaar belang, waaronder redenen van sociale en economische aard. Er is voorzien in exacte en tijdige Compensatie.
Als er sprake is van aantasting van een gebied dat is aangewezen ter bescherming van prioritair natuurlijk habitat of een prioritaire soort, dient eerst door de minister van LNV aan de Europese Commissie advies te worden gevraagd. Bovendien is het aantal redenen van groot openbaar belang beperkt. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt 'externe werking' genoemd. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ontstaat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloed gebied van een instandhoudingsdoelstelling (IHD) en een invloed gebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000gebied en waarvoor de IHD gevoelig is. Stikstof in Natura 2000-gebieden (Besluit natuurbescherming) Een voorbeeld van externe werking is de depositie van stikstof. Door allerlei bronnen komt stikstof in het milieu terecht, afkomstig van de landbouw, verkeer, industrie en huishoudens. De grote hoeveelheid stikstof heeft effecten op de groei van planten. Dit gaat in de regel ten koste van kwetsbare planten en biodiversiteit, waardoor gevoelige gebieden (zoals venen en heide) verruigen door de groei van bijv. grassen en soorten als braam.
Hiervoor gold vanaf 1 juli 2015 het systeem van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Hiermee hoopte het Rijk de hoeveelheid stikstof in de Natura 2000 gebieden te kunnen verminderen, zonder alle ontwikkelingen te blokkeren. De PAS bracht daartoe alle bronnen in beeld. Met behulp van een rekentool (Aerius Calculator) is de stikstofbijdrage van een (nieuw) plan op beschermde habitats te berekenen. De basisgedachte was dat economische ontwikkelingen verantwoord mogelijk blijven (ontwikkelruimte), mits de totale hoeveelheid stikstof in het gebied omlaag gaat. Uitspraak Raad van State (PAS) De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer is te gebruiken als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten, die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. De beslissing van de Raad van State heeft vergaande consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, de aanleg van infrastructuur (o.a. vaar-, spoor-, en autowegen), de bouw van nieuwe bedrijven en agrarische activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden.