CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Koningsweg VII_Toelichting_Bijlage 4 Archeologisch onderzoek.pdf

Gemeenteraad 6 oktober 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan “Koningsweg VII”, Garderen20.297 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2424576100 (438796)

18 19

300 meter ten zuidwesten van het plangebied

Late Middeleeuwen: - fragment van grijsbakkend gedraaid aardewerk

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Schabbink, 2011

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 12 van 25

2885759100

Mazenhofstraat 7 Te Garderen te Garderen Gemeente Barneveld Coördinaat: 177333/471534

- fragment van steengoed geglazuurd

400 meter ten noordwesten van het plangebied Beumelereng te Garderen Gemeente Barneveld Coördinaat: 177230/471940

Vroege Middeleeuwen: - 10 grondsporen - fragmenten van Hessens-Schortens aardewerk

Aangetroffen tijdens de uitvoering van een bureau- en booronderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2424568100 (59185) & 2424576100 (59186))

Late Middeleeuwen: - proto-steengoed De vondstmelding werd verricht in een bouwput. De bewoning heeft zich afgespeeld aan de rand van een vennetje waarin ook scherven werden aangetroffen uit de Vroege Middeleeuwen evenals enkele pingsdorfscherven. De grondsporen vertoonden geen duidelijke structuur. Een vijftal sporen (palen?) leken op een rij te liggen. Vondstmelding is gelegen binnen AMK-terrein 12.827.

2103604100 (412454)

450 meter ten noorden van het plangebied Bemelerberg te Garderen Gemeente Barneveld Coördinaat: 177500/472200

Neolithicum - IJzertijd: - handgevormd aardewerk - breuksteen Neolithicum - Vroege Middeleeuwen: - houtskool - fragmenten van huttenleem/verbrande leem Vroege Middeleeuwen: - 11 fragmenten van gedraaid aardewerk - handgevormd aardewerk - fragment van een bronzen gesp - crematieresten Aangetroffen tijdens niet-archeologische graafwerkzaamheden, vondstmelding is gelegen binnen AMK-terrein 12.827

2385031100 (434026)

450 meter ten zuidwesten van het plangebied Doctor J.P. Kruimellaan (Ong.) Te Garderen te Garderen Gemeente Barneveld Coördinaat: 177290/471338

Late Middeleeuwen: - fragment van grijsbakkend gedraaid aardewerk Nieuwe tijd: - 2 fragmenten van gedraaid aardewerk - fragment van een keramische kleipijp - fragment van steengoed geglazuurd Aangetroffen tijdens de uitvoering van een bureau- en booronderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2385023100 (54051) & 2385031100 (54052))

2724932100 (6896)

450 meter ten noorden van het plangebied Bemelerberg te Garderen Gemeente Barneveld Coördinaat: 177520/472190

Vroege Middeleeuwen: - fragmenten van knikwandpotten - fragmenten van Wolbwand-/tonvormig aardewerk

2728845100 (7475)

450 meter ten zuidwesten van het plangebied Hoge Steeg te Garderen Gemeente Barneveld Coördinaat: 177220/471420

Late Middeleeuwen: - 2 fragmenten van keramische kogelpotten - fragment van een ijzeren slak

3134654100 (38275)

450 meter ten noorden van het plangebied Bemelerberg; Beumelerberg te Garderen Gemeente Barneveld Coördinaat: 177500/472200

Romeinse tijd: - bronzen munten

Aangetroffen tijdens niet-archeologische graafwerkzaamheden, vondstmelding is gelegen binnen AMK-terrein 12.827

Romeinse tijd - Vroege Middeleeuwen: - handgevormd aardewerk - 2 ijzeren onderdelen van wapens - 4 bronzen onderdelen van riemen - 5 fragmenten van terra nigra Romeinse tijd - Late Middeleeuwen: - 8 fragmenten van bronzen fibulae Vroege Middeleeuwen:

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 13 van 25

- 10 fragmenten van metalen gespen - gouden munt, triens/tremissis/'tiers de sol' - 41 fragmenten van glazen kralen - 8 fragmenten van barnsteen kralen - ijzeren onderdelen van wapens - fragment van een bronzen hanger - 2 fragmenten van stenen hangers - 2 fragmenten van angelsaksisch (afgerond) biconisch aw. - fragment van een bronzen schijffibula - fragmenten van knikwandpotten - fragment van een ijzeren speerpunt - 3 fragmenten van spinsteentjes - fragmenten van Wolbwand-/tonvormig aardewerk In 1868 werden bij bosaanplant op de Beumelerberg voorwerpen gevonden, die op de aanwezigheid van een Merovingisch grafveld duidden. Hoewel in een vrij vroeg stadium het RMO op de hoogte werd gebracht, resulteerde dit niet in een systematisch onderzoek. De exacte locatie is ook nu twijfelachtig. Als admin. coördinaten is opgegeven 177 / 472. Middels latere vondsten van de Bemelerberg, wijzend op herkomst uit hetzelfde grafveld, zijn deze coördinaten wat gepreciseerd (cf Obj.nr. 9N). Complex/datering: Uit de waarnemingsgegevens valt op te maken dat vooral crematiegraven deels in urn, deels zonder, werden herkend. Omdat verschillende vondsten geen enkele sporen van verbranding vertonen, zou dit kunnen wijzen op aanwezigheid van inhumatiegraven. Er is geen enkel zicht op de representativiteit van het bewaarde vondstenbestand. Het gedocumenteerde vondstmateriaal, m.u.v.

de Romeinse munten waarvan de herkomst deels niet duidelijk is, dateert 'en gros' tussen III en VIII. De nadruk ligt op de 7e eeuw, o.a. vanwege de hoeveelheid aardewerk uit deze periode. 2249843100 (416674)

2939850100 (41782)

500 meter ten noordwesten van het plangebied te Garderen Gemeente Barneveld Coördinaat: 177156/472061

Mesolithicum - Neolithicum: - fragment van een vuursteen kling - houtskool

500 meter ten noordoosten van het plangebied 'T Sol te Garderen Gemeente Barneveld Coördinaat: 178000/472000

Neolithicum: - fragmenten van klokbeker-aardewerk - fragment van een stenen hamerbijl - fragment van een standvoetbeker

Aangetroffen tijdens de uitvoering van een bureau- en booronderzoek (zie Zaakindentificatie (OM-nummer) 2249843100 (35888))

In een van de grafheuvels is in de jaren '30 van de 20e eeuw een standvoetbeker aangetroffen. OPM: Waarschijnlijk betreft het heuvel 4 van Bursch: "Pyramide" van de Solsche berg. Dit is echter niet met zekerheid te bevestigen. OPM 2: De coördinaten zijn +/-. OPM 3: De grafheuvel is reeds verdwenen (Klok). Loeb fiche, was CAA32F105N: 'Garderen. In de witdoorschoten gids 1908 van het Rijksmuseum van Oudheden: klokbekerscherven uit de heuvels op den berg aan de zijde van het Uddelermeer. Vroege Standvoetbeker. 'OPM: Het gaat hier om dezelfde SVB-beker. (MK) 3145070100 (42655)

Rapport 12169.001 versie 2

500 meter ten noordoosten van het plangebied 'T Sol/Bemelerberg te Garderen Gemeente Barneveld Coördinaat: 178000/472000

Romeinse tijd: - zilveren munt, denarius In mei 1970 vond de bewoner van het huis Rijksweg 69 te Voorthuizen tussen het grint rond zijn woning een denarius. De heer A. van Sprang deelde mee dat het grint door het transportbedrijf G. v.d. Kamp te Barneveld in oktober 1969 uit die plaats was aangevoerd. Desgevraagd deelden de firmanten van dit bedrijf hem mede tot begin oktober 1970 alle grint uit de ontgrondingen bij 't Sol en op de Bemelerberg te hebben betrokken. Als primaire vindplaats zou dus een der genoemde plaatsenkunnen gelden. Primaire vindplaats wordt daarmee:178.00/472.00 Secundaire vindplaats:167.55/465.17

Pagina 14 van 25

2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Geraadpleegd historisch kaartmateriaal20

Tabel V. Bron

20

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Historische kaart (Willem Leenen)

1748

-

?

Waarschijnlijk geheel in agrarisch gebruik, akkerland, behorend tot oud bouwlandcomplex

Merendeels akkerland. De (voorloper van de) Koningsweg was reeds aanwezig als zandweg direct ten noorden van het plangebied. Ook direct ten zuiden van het plangebied liep een zandweg/historische weg. Ten westen/zuidwesten de historische kern van Garderen, weergegeven als een verzameling van (boeren)erven rondom de centraal gelegen kerk.

Historische kaart (De Man)

1807

18

?

Geen noemenswaardige veranderingen, perceelsgrens liep door het oostelijke deel van het plangebied

Omgeving van plangebied grotendeels ontgonnen voor agrarisch gebruik.

Kadastrale kaart (Minuutplan)

18111832

Gemeente Barneveld, sectie B, blad 01

1:2.500

Het merendeel van het plangebied bestaat uit percelen bouwland, afgescheiden door houtwallen/stroken hakhout.

Er hebben geen grote veranderingen plaatsgevonden.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1872

391

1:50.000

Er hebben geen grote veranderingen plaatsgevonden.

Het westelijke deel van het plangebied grenst nagenoeg aan woonerven die gerekend worden tot de historische kern van Garderen.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1900

391

1:50.000

Er hebben geen grote veranderingen plaatsgevonden.

Het terrein ten noordoosten van het plangebied is ingericht als begraafplaats.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1917

391

1:50.000

Er hebben geen grote veranderingen plaatsgevonden.

Er hebben geen grote veranderingen plaatsgevonden.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1931

391

1:50.000

Er hebben geen grote veranderingen plaatsgevonden.

Geleidelijke uitbreiding van aantal woonpercelen langs oude wegenpatroon.

Topografische kaart

1962

32 F

1:25.000

In het noorden van het plangebied is bebouwing aanwezig waaronder een woonhuis en een schuur/tuinbouwkas.

Begraafplaats ten oosten van het plangebied is uitgebreid. Verder uitbreiding van bebouwde kom van Garderen.

Topografische kaart

1995

32 F

1:25.000

In het zuidelijke deel van het plangebied bevindt zich een boomkwekerij. Naast de al bestaande bebouwing in het plangebied, staat in het zuidwestelijke deel nu een extra schuurtje, merendeels huidige situatie.

Verdere uitbreiding van bebouwde kom van Garderen, merendeels huidige situatie.

www.topotijdreis.nl / www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 15 van 25

Het geraadpleegde historisch kaartmateriaal laat zien dat waarschijnlijk het gehele plangebied aan het begin van de 2e helft van de 18e eeuw in gebruik was als akkerland en behoorde tot de oude bouwlandcomplexen die rondom Garderen lagen. De (voorloper van de) Koningsweg was tevens reeds aanwezig als zandweg direct ten noorden van het plangebied. Ook direct ten zuiden van het plangebied liep een zandweg/historische weg. De ten westen/zuidwesten gelegen historische kern van Garderen betrof een verzameling van woonerven/boerenerven rondom de centraal gelegen kerk (zie figuur 9). Gedurende het verloop van de tweede helft van de 18e eeuw en de 19e eeuw vinden binnen het plangebied weinig veranderingen plaats. De omgeving werd verder grotendeels ontgonnen voor agrarisch gebruik. De historische kern van Garderen breidt zich iets uit, waardoor aan het einde van de 19e eeuw het westelijke deel van het plangebied nagenoeg grensde aan deze kern (zie figuren 10 t/m 12). Rond het begin van de 20e eeuw werd een terreindeel ten noordoosten van het plangebied ingericht als begraafplaats (zie figuur 13). De eerste helft van de 20e eeuw kende een geleidelijke uitbreiding van het aantal woonpercelen langs het oude wegenpatroon (zie figuur 14).

Rond begin jaren ’50 van de 20e eeuw raakt het noordelijke deel van het plangebied bebouwd, waaronder met een woonhuis (helft van een dubbel woonhuis) en een schuur/tuinbouwkas en ontstond daarmee het huidige tuincentrum (zie figuur 15). Ook in deze periode werd de begraafplaats ten oosten van het plangebied verder uitgebreid en groeide de bebouwde kom van Garderen. Kaartmateriaal uit het einde van de 20e eeuw laat zien dat het zuidelijke deel van het plangebied geheel in gebruik is geweest als boomkwekerij en was er een schuur/kippenhok gebouwd in het meest zuidwestelijke deel van het plangebied (zie figuur 16). De bebouwde kom van Garderen heeft zich gedurende de twee helft van de 20e eeuw verder uitgebreid. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Barneveld is het archief van de Bouw- en Woningtoezicht geraadpleegd (contactpersoon mevrouw P. Relou). Het raadplegen van deze bouwvergunningen heeft tot doel inzicht te krijgen in eventuele verstoringen binnen het plangebied. Tabel IV geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen van de bestaande bebouwing binnen het plangebied (adressen Koningsweg 28 en 28a) en zijn tevens in bijlage 5 weergegeven. Tabel VI.

Verleende bouwvergunningen

Jaartal

Omschrijving

1952

Bouwen van een dubbel woonhuis/twee-onder-één-kap woning, betreft huidige adressen Koningsweg 28a (binnen het plangebied) en 26, voorzien van strook-/sleuvenfunderingen tot circa 70 cm -mv en deels onderkelderd tot circa 200 cm -mv.

1953

Bouwen van een kippenhok in het noordoostelijke deel van het plangebied, voorzien van smalle strook/sleuvenfunderingen, waarschijnlijk niet dieper dan circa 50 cm -mv (niet zichtbaar op bouwtekening).

1968

Bouwen van een plantenkas ten noordoosten van de bestaande woning (nr. 28a), voorzien van smalle strook/sleuvenfunderingen, waarschijnlijk niet dieper dan circa 50 cm -mv (niet zichtbaar op bouwtekening).

1996

Bouwen van de bestaande winkel/bedrijfsruimte in het noordelijke deel van het plangebied, voorzien van smalle strook-/sleuvenfunderingen op betonblokken tot circa 70 cm -mv.

2001

Bouwen van een kas (broeikas/plantenkas), betreft de kas achter de winkel/bedrijfsruimte, voorzien van betonnen poeren tot circa 90 cm.

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 16 van 25

Op basis van gegevens uit de bouwdossiers blijkt dat de woning in het noordelijke deel van het plangebied voorzien is van strook/sleuffunderingen tot circa 70 cm -mv en deels onderkelderd is tot circa 200 cm -mv. Te verwachten is dat destijds, ten behoeve van de aanleg van deze bebouwing en aanleg van diverse nutsvoorzieningen, de bodem minimaal tot deze dieptes is afgegraven. De winkel/bedrijfsruimte is alleen voorzien van smalle strook/sleuffunderingen op betonblokken tot circa 70 cm -mv en de meest omvangrijke kas (broeikas/plantenkas) achter de winkel/bedrijfsruimte is alleen voorzien van betonnen poeren tot circa 90 cm. De verwachting is dat afgezien van de bestaande woning er ter plaatse van de aanwezige bebouwing binnen het plangebied bodemverstorende ingrepen vrij beperkt zijn geweest. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 21 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VII.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

21

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum – Midden-Neolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het (matig dikke) plaggendek en in de top van de gestuwde afzettingen (top holtpodzolprofiel).

Laat-Neolithicum (VroegeLandbouwers)

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het (matig dikke) plaggendek en in de top van de gestuwde afzettingen (top holtpodzolprofiel).

Bronstijd - Romeinse tijd (Landbouwers)

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het (matig dikke) plaggendek en in de top van de gestuwde afzettingen (top holtpodzolprofiel).

Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het (matig dikke) plaggendek en in de top van de gestuwde afzettingen (top holtpodzolprofiel).

Nieuwe tijd

Laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het maaiveld/in het (matig dikke) plaggendek en in de top van de gestuwde afzettingen (top holtpodzolprofiel).

Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 - 1994/ikme.nl/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 17 van 25

Uit de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens blijkt dat het plangebied op de noordflank (stuwwalglooiing) van het stuwwalplateau van Garderen ligt. Niet ver ten noorden ligt een droogdal. In principe waren dergelijke hooggelegen locaties geschikt als (tijdelijke) verblijfslocaties en/of specialistische activiteiten voor Jagers-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum). De voorkeur ging uit naar de zogenaamde gradiëntsituaties van nat naar droog (basiskampen), waar men toch droog zat, terwijl in de lagere gebieden natuurlijke waterbronnen (beken, vennen) en eetbare planten aanwezig waren en er gejaagd kon worden. Mogelijk was het droogdal tijdens het Vroeg-Holoceen nog watervoerend. De terrasachtige terreindelen langs de dalbodem waren in dat geval gunstige, tijdelijke verblijfslocaties voor Jagers-Verzamelaars. De hogere terreingedeelten waren bebost. Deze bossen hadden een functie als houtvoorziening voor de prehistorische mens en zijn lang intact gebleven. Het stuwwalplateau bood tevens de gelegenheid voor specialistische activiteiten. Ook voor Landbouwers zal het plangebied een gunstige bewoningslocatie zijn geweest. Er was voldoende areaal aan goed ontwaterde gronden aanwezig voor landbouw en de op de stuwwal verwachte holtpodzolgrond (wordt ook wel aangeduid als een bruine bosgrond) heeft een grote natuurlijke bodemvruchtbaarheid.

Nog altijd speelde de aanwezigheid van water een grote rol in de keuze voor een bewoningslocatie, maar men ging ook gebruik maken van waterputten om in de waterbehoefte te voorzien. Dit wordt bevestigd door de reeds bekende archeologische vindplaatsen in en rondom Garderen die vooral gelegen zijn binnen de landschappelijke eenheid van stuwwalglooiingen. Ook gravend onderzoek uitgevoerd op terreindelen die vrijwel grenzen aan het plangebied hebben geresulteerd in het aantreffen van nederzettingsrestanten (één of meerdere huisplaatsen of wellicht een deel van een nederzettingsstructuur-/complex met bijbehorend vondstmateriaal) die vermoedelijk dateren uit de perioden Late-Bronstijd/Vroege-IJzertijd. In de Middeleeuwen verandert het bewoningspatroon. Bewoning concentreert zich in dorpen en bewoningsclusters. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal dat zorgt voor de voedselvoorziening van de inwoners. Historisch kaartmateriaal daterend vanaf het begin van de tweede helft van de 18 e eeuw laat zien dat het plangebied ten oosten van de dorpskern van Garderen lag en deel uitmaakte van de omliggende oude bouwlandcomplexen. Hierdoor wordt verwacht dat er binnen het plangebied een (matig dik) plaggendek is opgebracht vanaf in ieder geval de tweede helft van de 18 e eeuw en waarschijnlijk al eerder.

Er zijn geen aanwijzingen dat binnen het plangebied historische bebouwing uit de Nieuwe tijd heeft gestaan. De huidige inrichting en bebouwing binnen het plangebied dateert uit de tweede helft van de 20e eeuw. Op basis van bovenstaande uitgangspunten wordt voor het plangebied de kans hoog geacht op het voorkomen van archeologische resten uit alle archeologische perioden vanaf het (Laat-) Paleolithicum t/m de Middeleeuwen (zie tabel VII). Alleen voor de periode Nieuwe tijd wordt de kans laag geacht. Uit de perioden (Laat-)Paleolithicum - Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars) kunnen in de archeologische laag vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, mogelijke bewoningssporen van jachtkampementen en haardkuilen gevonden worden. Uit de perioden Laat-Neolithicum Romeinse tijd (Landbouwers) kunnen in de archeologische laag nederzettingssporen, grafvelden en/of rituele plaatsen gevonden worden. Archeologische resten worden verwacht in het (matig dikke) plaggendek (Aa-horizont) en in de top van de gestuwde afzettingen (top van de afgedekte podzolbodem (meest waarschijnlijk een holtpodzolbodem/bruine bosgrond) of restant hiervan).

De vondstenlaag is opgenomen onderin het plaggendek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het plaggendek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) zullen zich bevinden tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. De diepteligging van de vondstenlaag is afhankelijk van de dikte van het plaggendek. Tevens zorgt de aanwezigheid van een (matig dik) plaggendek voor een betere bescherming en conservering van archeologische resten, en daardoor van de archeologische vindplaats, ten opzichte van terreinen, met een vergelijkbare landschappelijke ligging als onderhavig plangebied, waar geen plaggendek aanwezig is.

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 18 van 25

Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. In het noordelijke deel van het plangebied is bebouwing aanwezig, bestaande uit een woning, een winkel/bedrijfsruimte en enkele kassen (broeikassen/plantenkassen). Voor de woning is te verwachten dat de bodem binnen het bouwoppervlak geroerd/afgegraven en dat ter plaatse het oorspronkelijke bodemprofiel gedeeltelijk zo niet geheel is verstoord. Voor de aanleg van de overige bebouwing lijken bodemverstorende ingrepen vrij beperkt te zijn geweest en daarmee verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel. Verder is het noordelijke deel van het plangebied ingericht als tuincentrum, met aanwezige verhardingen en groenstroken. Wellicht heeft deze inrichting ook geleid tot een verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel. In welke mate is echter niet bekend. Het zuidelijke deel van het plangebied is op basis van het geraadpleegde topografisch kaartmateriaal in gebruik geweest als kweekgrond/kwekerij.

Door dit gebruik (planten en verpoten van (jonge) bomen) dient wel rekening te worden gehouden dat diepere bodemverstoringen zijn uitgevoerd in vergelijking met agrarische percelen die alleen in gebruik zijn geweest als graslanden of akkerland (gewassenteelt). 2.9

Afweging gekozen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek

Gezien de omvang van het plangebied en dat er binnen delen van het plangebied moderne bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd dieper dat de huidige bouwvoor/bovengrond, is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een inventariserend veldonderzoek doormiddel van boringen in de verkennende fase (KNA protocol 4003, IVO-O). Met het verkennend booronderzoek wordt de bodemopbouw binnen het plangebied bepaald en wordt onderzocht of de oorspronkelijke bodemopbouw nog wel, deels of niet meer intact is. De boringen dienen gelijkmatig verspreid binnen het plangebied gezet te worden om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen en te beantwoorden wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 10 maart 2020 door J.M.A. Röring MA een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk.

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 19 van 25

In totaal zijn er gelijkmatig verspreid binnen het plangebied vijftien boringen gezet (zie figuur 17). Er is geboord tot een diepte van veelal 220 en maximaal 350 (boring 6) -mv met een Edelmanboor met een diameter van 10 cm. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.22 De boringen zijn met meetlinten en een meetwiel ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). In Bijlage 6 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. De opbouw van de bodem kan schematisch als volgt worden weergegeven: Tabel VIII.

Algemene bodemopbouw plangebied

Diepte (cm -mv)

Samenstelling

Interpretatie

Vanaf maaiveld tot 30

Donkergrijs gekleurd, matig humeus, matig siltig, zwak grindig, matig grof zand

Aap1-horizont, plaggendek, huidige bouwvoor

Tussen 30 en gemiddeld 55

Donkerbruingrijs gekleurd, matig humeus, matig siltig, zwak grindig, matig grof zand

Aa2-horizont, intact plaggendek

Tussen gemiddeld 55 en 70

Donkergrijsbruin tot grijsbruin gekleurd, zwak humeus tot matig humeus, matig siltig, zwak grindig tot matig grindig, matig grof zand

Aa3-horizont, wellicht oude cultuurlaag/akkerlaag

Tussen gemiddeld 70 en 110

Donkerbruin tot (donker)geelbruin gekleurd, zwak humeus tot matig humeus, matig siltig, geen grind tot matig grindig, matig grof zand

Bws-horizont, bruine bosgrond

Tussen gemiddeld 110 en 150

Lichtgeelbruin gekleurd, zwak siltig tot matig siltig, zwak grindig tot matig grindig, matig grof zand

Overgangs-BC-horizont

Vanaf gemiddeld 120/150 tot 220 (einddiepte boringen)

Lichtgeel tot lichtgrijsgeel, zwak siltig tot matig siltig, geen grind tot zwak grindig, matig grof zand, plaatselijk onderin zwak tot sterk grindig, zeer grof zand

C-horizont, gestuwde afzettingen

Over het algemeen laten de boringen over het gehele terrein dezelfde bodemopbouw zien, bestaande uit een humeuze bovenlaag als (dik) plaggendek, tot een diepte van gemiddeld 70 cm -mv. In het totale plaggendek zijn drie lagen onderscheiden, bestaande uit de donkergrijs gekleurde huidige bouwvoor (de Aap-horizont), een niet door agrarische bewerking verstoord donkerbruingrijs gekleurd plaggendek en het onderste deel dat wellicht een oude cultuurlaag/akkerlaag betreft. Deze onderste laag heeft een vrij vale, donkergrijsbruin tot grijsbruine kleuring. Vervolgens begint het natuurlijke bodemprofiel bij de inspoelings-Bws-horizont, dan de overgangs-BC-horizont en vervolgens de Chorizont, waarbij het oorspronkelijk moedermateriaal voornamelijk bestaat uit deels zwak grindig, zwak tot matig siltig, matig grof zand, en plaatselijk onderin uit zwak tot sterk grindig, zeer grof zand. 22

Bosch, 2005

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 20 van 25

Het gehele pakket betreft gestuwde afzettingen. Een dergelijk bodemprofiel is kenmerkend voor een holtpodzolbodem en wordt ook wel aangeduid als een bruine bosgrond. De mineraalrijkheid van het materiaal zorgt ervoor dat het podzolisatieproces minder sterk op gang is gekomen in vergelijking met de vaak kwartsrijke dekzanden, waarin zich vaak (natte) veldpodzolgronden of (droge) haarpodzolgronden vormen. De oorspronkelijke mineraalrijke bovenlaag van het holtpodzolprofiel zal zijn vermengd met het opgebrachte plaggendek dan wel in de oude cultuurlaag/akkerlaag. Het aanwezige bodemprofiel kan dus het beste omschreven worden als een holtpodzolprofiel met een (dik) plaggendek. De meest intacte bodemprofielen zijn aangetroffen in het zuidelijk gelegen kadastrale perceel 2016 (boringen 2, 4, 5, 7, 8 en 9) dat grotendeels in gebruik is als grasveld met enkele terreindelen voor het kweken van planten en jonge bomen. Bij boring 1 en 3 is de bovenste laag, de huidige bouwvoor/een deel van het plaggendek, recent geroerd/verstoord. Alleen ter plaatse van boring 6 hebben diepere verstoringen plaatsgevonden tot in de C-horizont (310 cm). Dit lijkt om een recente verstoring/diepgaande lokale vergraving te gaan.

De bodemprofielen van de boring 10 t/m 15, gelegen in de noordelijke kadastrale percelen 1694 en 1695 die deels bebouwd zijn met een woning, winkel/bedrijfsruimte en de broeikas/plantenkas, zijn grotendeels intact. Onder de aanwezige klinker-/tegelverharding komt een laag cunet-/stabilisatiezand voor variërend in dikte, maar gemiddeld tot circa 25 cm -mv. Na deze laag begint een restant van de voormalige bouwvoor/het plaggendek (de Aap1-horizont). De boringen 12 t/m 14 bevatten een extra laag die zich ook in boringen 1 t/m 5 en 7 t/m 9 manifesteert. Wellicht gaat het hier ook om een oude cultuurlaag/akkerlaag. Vervolgens begint het natuurlijke bodemprofiel, een restant van de Bws-horizont die in boring 10, 11 en 15 direct onder de huidige bouwvoor/het plaggendek ligt. Aansluitend heeft zich een overgangs-BC-horizont gevormd met daaronder de C-horizont bestaande uit gestuwde afzettingen. Het betreft dus voor vrijwel het gehele plangebied een deels zo niet geheel intacte bodemopbouw, bestaande uit een (dik) plaggendek met hieronder een restant van het holtpodzolprofiel, de natuurlijke bruine bosgrond.

Archeologie Alvorens dient gemeld te worden dat het inventariserend veldonderzoek een verkennend booronderzoek betreft, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. Echter, in het opgeboorde en vervolgens verbrokkelde bodemmateriaal zijn bij twee boringen al archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat hierbij om twee fragmenten aardewerk, afkomstig uit de (vermoedelijk) oude cultuurlaag/akkerlaag in boring 7 en 9. Ter plaatse van boring 7 gaat het om een klein fragment handgevormd aardewerk met potgruismagering (niet nader dateerbaar dan Late-Bronstijd – IJzertijd) en ter plaatse van boring 9 om een scherf Pingsdorf aardewerk (9e - 12e eeuw (Vroege-Middeleeuwen D/Late-Middeleeuwen A)) (zie ook onderstaande tabel en foto’s). Omdat het vondstmateriaal aangetroffen is in de oude cultuurlaag/akkerlaag hebben deze geen ligging in-situ (verplaatst waarschijnlijk ten gevolge van agrarische bewerking/ploegwerkzaamheden), maar kunnen nog wel gezien worden als indicatoren van een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats binnen dan wel direct rondom onderhavig plangebied.

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 21 van 25

Tabel IX. Boring nr.

Overzicht aangetroffen archeologische indicatoren Diepte/Traject in cm -mv

Indicator

7

50-70 (oude cultuurlaag/akkerlaag)

Handgevormd aardewerk met potgruismagering

Late-Bronstijd - IJzertijd

9

55-75 (oude cultuurlaag/akkerlaag)

Pingsdorf aardewerk

9e - 12e eeuw (Vroege-Middeleeuwen D/Late-Middeleeuwen A)

Boring 7: Klein fragment handgevormd aardewerk met potgruismagering, 1100-12 voor Chr.

4 4.1

Datering

Boring 9: Fragment Pingsdorf aardewerk, 9001250 na Chr.

CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie

Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit alle archeologische perioden vanaf het (Laat-) Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. Alleen voor de periode Nieuwe tijd wordt de kans op het voorkomen van archeologische resten laag geacht. Het plangebied ligt namelijk op de noordflank (stuwwalglooiing) van het stuwwalplateau van Garderen. Niet ver ten noorden ligt een droogdal. In principe waren dergelijke hooggelegen locaties geschikt als (tijdelijke) verblijfslocaties en/of specialistische activiteiten voor Jagers-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum). De voorkeur ging uit naar de zogenaamde gradiëntsituaties van nat naar droog (basiskampen), waar men toch droog zat, terwijl in de lagere gebieden natuurlijke waterbronnen (beken, vennen) en eetbare planten aanwezig waren en er gejaagd kon worden. Ook voor Landbouwers zal het plangebied een gunstige bewoningslocatie zijn geweest. Er was voldoende areaal aan goed ontwaterde gronden aanwezig voor landbouw en de op de stuwwal verwachte moderpodzolgrond (holtpodzolgrond, wordt ook wel aangeduid als een bruine bosgrond) heeft een grote natuurlijke bodemvruchtbaarheid. Dit wordt bevestigd door de reeds bekende archeologische vindplaatsen in en rondom Garderen die vooral gelegen zijn binnen de landschappelijke eenheid van stuwwalglooiingen.

Ook gravend onderzoek uitgevoerd op terreindelen die vrijwel grenzen aan het plangebied hebben geresulteerd in het aantreffen van nederzettingsrestanten (één of meerdere huisplaatsen of wellicht een deel van een nederzettingsstructuur-/complex met bijbehorend vondstmateriaal) die vermoedelijk dateren uit de perioden Late- Bronstijd/Vroege-IJzertijd. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat waarschijnlijk het gehele plangebied aan het begin van de 2e helft van de 18e eeuw in gebruik was als akkerland. Rond begin jaren ’50 van de 20e eeuw raakt het noordelijke deel van het plangebied bebouwd en is het zuidelijke deel in gebruik is geweest als boomkwekerij.

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 22 van 25

Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek blijkt dat binnen het merendeel van het plangebied sprake is van een (dik) plaggendek van circa 70 cm dik met hieronder een restant van het van nature gevormde holtpodzolprofiel, vanaf de inspoelings-Bws-horizont met hieronder de overgangs-BC-horizont. Vanaf gemiddeld 120/150 cm -mv bevindt zich de C-horizont en betreft gestuwde afzettingen. Archeologische sporen, indien aanwezig, zullen meest zichtbaar zijn op de overgang van de BC- naar C-horizont, op een diepte van circa 120/150 cm -mv. Alleen bij een boring in het zuidwestelijke deel van het plangebied hebben diepere verstoringen plaatsgevonden (tot circa 310 cmmv). Dit lijkt om een recente verstoring/diepgaande lokale vergraving te gaan. Antropogeen materiaal is aangetroffen in wat vermoedelijk een oude cultuurlaag/akkerlaag is en bestaat uit een fragment van handgevormd aardewerk uit de Late-Bronstijd/IJzertijd en een scherf Pingsdorf aardewerk uit de 9e – 12e eeuw na Chr. De resten worden als archeologisch relevant beschouwd en kunnen duiden op de aanwezigheid van één of meerdere archeologische vindplaatsen uit verschillende archeologische perioden binnen dan wel in de direct nabijheid van het plangebied.

Geconcludeerd wordt dat het plangebied, vanwege de merendeels intacte oorspronkelijke bodemopbouw (geen diepgaande recente bodemverstorende ingrepen waargenomen, met uitzondering van boring 6), zijn hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten vanaf het begin van het Laat-Paleolithicum t/m de Middeleeuwen behoudt. Voor de periode Nieuwe tijd blijft de verwachting op het voorkomen van archeologische resten laag. 4.2

Advies

Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is namelijk over het algemeen sprake van een deels zo niet geheel intacte bodemopbouw binnen het plangebied, waardoor het zijn hoge verwachting behoudt op de aanwezigheid van archeologische resten en/of sporen. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek en nadat het plangebied vrij is gemaakt van de bestaande begroeiing (bomen en struiken van de kwekerij) en bebouwing in de vorm van de winkel/bedrijfsruimte en de broeikas/plantenkas. Vooralsnog wordt uitgegaan van één archeologisch sporenniveau. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is alleen mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt door niet dieper te ontgraven dan 30 cm onder het huidige maaiveld, waardoor een bufferzone van circa 30 cm van het plaggendek overblijft (bijvoorbeeld door het plangebied/terreindeel op te hogen waar de nieuwbouw zal worden gerealiseerd). In de praktijk zal dit lastig uitvoerbaar zijn, gezien de wens te gaan bouwen op de vaste ondergrond (‘bouwen op geel zand’).

Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Barneveld en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door mevrouw P. Kloosterman, d.d. 8 april 2020). Met bovenstaand advies wordt ingestemd.

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 23 van 25

LITERATUUR Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland De hogere niveaus. Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Gemeente Barneveld, 2018: De archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Barneveld. Barneveld. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Schabbink, M., 2011 Plangebied Garderen-begraafplaats, gemeente Barneveld. Weesp (RAAP-notitie 4002). Stichting voor Bodemkartering, 1997: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 32 Oost/Amersfoort. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 24 van 25

BRONNEN AHN3; internetsite, april 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, april 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl’ Beeldbank van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, april 2020. http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl/ Bodemverontreinigingen provincie Gelderland: internetsite, april 2020. https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=http://geoweb.gelderland.nl/Geocort ex/Essentials/REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Def ault Dinoloket; internetsite, april 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, april 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, april 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, april 2020. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ SIKB; internetsite, april 2020. https://www.sikb.nl

Rapport 12169.001 versie 2

Pagina 25 van 25

Figuur 1.

Situering van het plangebied binnen Nederland

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen Nederland (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 2.

Detailkaart van het plangebied

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Detailkaart van het plangebied (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 3.

Luchtfoto van het plangebied

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Luchtfoto van het plangebied (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 4.

Situering van het plangebied binnen de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Barneveld

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Barneveld Legenda zie volgende bladzijde Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 5.

Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 6.

Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 7.

Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 8.

Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met als achtergrond het AHN

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN)

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 9.

Situering van het plangebied binnen de Caert van de Limitten van de hooge Heerlijckheid Het Loo (Leenen) uit 1748

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen de Caert van de Limitten van de hooge Heerlijckheid Het Loo (Leenen) uit 1748 Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 10.

Situering van het plangebied binnen de historische kaart uit 1807 (De Man)

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen de historische kaart uit 1807 (De Man) Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 11.

Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1811-1832 (Minuutplan)

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1811-1832 (Minuutplan) (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl) Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 12.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1872 (Bonneblad)

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1872 (Bonneblad) (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 13.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1900 (Bonneblad)

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1900 (Bonneblad) (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 14.

Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1931 (Bonneblad)

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1931 (Bonneblad) (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 15.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1962

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1962 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 16.

Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1995

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1995 (bron:www.topotijdreis.nl) Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Figuur 17.

Boorpuntenkaart van het plangebied met als achtergrond de luchtfoto

Garderen (gemeente Barneveld) – Koningsweg 28 Boorpuntenkaart van het plangebied met als achtergrond de luchtfoto (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda Plangebied

Rapport 12169.001 versie 2

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 12169.001 versie 2

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

Atlanticum warm vochtig

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 12169.001 versie 2

Bijlage 2

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels.

Rapport 12169.001 versie 2

Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd.

Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron.

Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting.

Rapport 12169.001 versie 2

De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.

Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt.

Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 12169.001 versie 2

Bijlage 3

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=12a1a26f-7736-478b-9f2c-638c7fbe1eb4