CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Kallenbroekerweg-Bielderweg_Toelichting

Gemeenteraad 25 september 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan “Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012” voor de locaties Kallenbroekerweg 151-153 en Bielderweg 3 in Barneveld22.341 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012 natuurkerngebieden van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur is de landbouwfunctie niet richtinggevend. In die gebieden wordt gestreefd naar duurzame landbouw binnen de natuurdoelstellingen. In het gemeentelijk ruimtelijk beleid wil de gemeente rekening houden met passende schaalvergroting, waardoor enerzijds bedrijven kunnen groeien en anderzijds bedrijven hun agrarische activiteiten zullen beëindigen. Functieverandering naar wonen / niet-agrarische bedrijvigheid wordt vormgegeven in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling voor functiewijziging. In het agrarisch bekenlandschap wordt gestreefd naar een goede dagrecreatieve structuur. Voor versterking van die toeristisch-recreatieve functie van het gebied besteedt de gemeente aandacht aan mogelijkheden voor het realiseren en verbeteren van wandel-, fiets- en ruiterpaden. De gemeente is terughoudend ten aanzien van verblijfsrecreatie, uitgezonderd het stimuleren van recreatief medegebruik van agrarische gronden als onderdeel van het beleid met betrekking tot nevenactiviteiten en functieverandering. Ontwikkelingsfonds Platteland De structuurvisie beschrijft het type projecten die tot doel hebben de beschreven ruimtelijke kwaliteiten te realiseren.

Investeringen voor die projecten kunnen, al dan niet gedeeltelijk, worden gefinancierd uit het Ontwikkelingsfonds Platteland. Dit fonds wordt gevuld door bijdragen uit ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, namelijk functieverandering, nieuwe landgoederen en stedelijke uitbreidingen. De werking van dit fonds beoogt hiermee samenhangende ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied met ruimtelijke en maatschappelijke winst. Doorwerking plangebied Functieverandering naar wonen/niet-agrarische bedrijvigheid wordt vormgegeven in overeenstemming met de regionale beleidsinvulling voor functiewijziging. Voorliggend plan sluit voor een groot deel aan bij de uitgangspunten van het functieveranderingsbeleid en wordt in het kader van maatwerk ter compensatie voor een deel ingezet op natuurontwikkeling in plaats van het aanleveren van sloopmeters. Vanwege de ligging binnen de ecologische verbindingszone is de landbouwfunctie niet richtinggevend. In die gebieden wordt gestreefd naar duurzame landbouw binnen de natuurdoelstellingen. Hiermee is het realiseren van extra natuur een acceptabele compensatie. Met de natuurversterkingsmaatregelen en de openstelling van het landgoed (uitbreiding padennetwerk) worden de natuurwaarden en de recreatieve gebruiksmogelijkheden versterkt/verbeterd. De ontwikkeling past daarmee binnen de doelstellingen van de structuurvisie.

De plannen zijn in overeenstemming met de structuurvisie Buitengebied Barneveld. Voorliggende plan voor wat betreft het realiseren van de extra woning draagt bij aan het Ontwikkelingsfonds Platteland door een gebruikelijke financiële bijdrage (van € 10,-- per m3). 4.6.2 Woonvisie Barneveld 2021-2025en regionale bouwafspraken, Faseren en doseren woningmarkt en Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld In maart 2021 heeft de raad de Woonvisie Barneveld 2021-2025 'Wonen voor jong en oud' met doorkijk tot 2030/2040, vastgesteld. In de woonvisie is een streefprogramma woningbouw opgenomen om te voorzien in de woningbehoefte van de hier woonachtige en werkzame bevolking. In deze visie is een nieuwbouwprogramma van gemiddeld 500 woningen per jaar (als uitbreiding) opgenomen. In verband met de grote woningbouwopgaven in Nederland is in de Woondeal met het Rijk voor Barneveld tot en met 2030 een programma van circa 5.400 woningen overeengekomen. Daarmee komt de programmering op gemiddeld 600 woningen per jaar. In oktober 2022 zijn de prijsklassen aangepast naar de huidige marktomstandigheden.

Dit betekent dat gemiddeld 40% ten behoeve van sociale huur- en koopwoningen (sociale huur 20%, sociale koop laag tot € 260.000 en sociale koop hoog van € 260.000 tot € 320.000), 20% middeldure woningen (midden dure huur tot € 1.080,- en koop van € 320.000 tot € 355.000 en tot de actuele NHG grens van € 405.000,-) en 30% duurdere woningen vanaf de NHG-grens en 10% vrij in te delen. In regio FoodValley zijn in verband met deze Woondeal onderlinge woningbouwafspraken gemaakt, waarbij Barneveld voor de periode 2022 t/m 2030 zo'n 5.400 woningen mag groeien, mede vanwege een zekere overloop vanuit regio Amersfoort. Er loopt verder een Verstedelijkingsstrategie Arnhem, Nijmegen, "Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

25

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012 Foodvalley, waarbij er in de periode 2020-2040 in Foodvalley zo'n 40.000 woningen aan de voorraad moeten worden toegevoegd. Voor gemeente Barneveld zou dit een opgave van tenminste 8.000 woningen tot 2040 betekenen. Provincie Gelderland streeft in het Aktieplan Wonen naar versnelling van woningbouwontwikkelingen, gezien de woningtekorten op de woningmarkt. Daarbij wordt ook naar gemeente Barneveld gekeken. In regio Amersfoort loopt een soortgelijke studie, namelijk het 'Ontwikkelbeeld regio Amersfoort' en wordt een woninguitbreiding met 36.000 in 2020-2040 als opgave gezien. De woningbouw in Barneveld is hier mede input voor. Door middel van de voortgangsrapportage woningbouw wordt halfjaarlijks een actueel beeld van het planaanbod voor de komende vier jaar gegeven, waarbij ook een beeld wordt geschetst van de aantallen op te leveren woningen per kern, alsmede de differentiatie van deze nieuwbouw in termen van prijsklassen, eigendomsverhouding en bouwvorm (gestapeld of grondgebonden). Ook wordt een beeld geschetst van de mate waarin voor bepaalde doelgroepen wordt gebouwd (zoals starters, ouderen of mensen met een beperking) om zo vraag en aanbod meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Voor de periode 2023 t/m 2027 is een programma van gemiddeld bruto 740 woningen per jaar voorzien.

Dit is ruim 120% ten opzichte van de gewenste uitbreiding met zo'n 600 woningen per jaar. Rekening houdend met planuitval, vertraging en dergelijke en het gegeven dat in 2022 minder dan 300 woningen zijn opgeleverd, wordt deze 120% programmering als wenselijk beschouwd. Dit is geheel in lijn met de vastgestelde woonvisie en gemaakte woningbouwafspraken. Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld van kracht. Deze verordening is in 2022 geactualiseerd, met als werktitel Doelgroepenverordening gemeente Barneveld 2021. Deze verordening ziet toe op sturing van de totale woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen. Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en middendure huurwoningen. In bestemmingsplannen en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen (25 jaar), goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen (15 jaar) worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs. Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen.

Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen. Prijs- en inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening. Doorwerking in plangebied De toevoeging van de per saldo een extra woning in het buitengebied is voorzien in het meerjaren woningbouwprogramma van de gemeente Barneveld, waarin ruimte is opgenomen voor particulier initiatief. De gemeentelijke taakstelling woningbouwprogramma is regionaal afgestemd en er is ruimte om te groeien. Toevoeging van één woning behoort derhalve tot de mogelijkheden. In de woonvisie is in de realisatie van duurdere woningen voorzien. Volkshuisvestelijk is het plan voor de realisatie van de extra woning acceptabel. 4.6.3

Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020'Klimaatactief!'

Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het 26

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012 Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte. Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16). 4.6.4

Energiebeleid gemeente Barneveld 2015-2020

De raad heeft in 2015 de Energievisie gemeente Barneveld 2015-2020 ('investeren in Barneveldse bronnen') vastgesteld. Het energievraagstuk staat de laatste jaren landelijk stevig op de (politieke) agenda. Naast het milieumotief en betaalbaarheid zijn ook maatschappelijke verantwoordelijkheid en energie-onafhankelijkheid steeds meer een argument om actie te ondernemen. De gemeente Barneveld voelt de urgentie om een bijdrage te leveren aan een schone, betrouwbare en betaalbare energievoorziening en heeft een doelstelling vastgesteld die hoger ligt dan de landelijke energiedoelstellingen. Woningen en bedrijfspanden moeten de komende jaren fors energiezuiniger worden. Eind 2021 heeft de gemeenteraad "De warmtevisie Barneveld" vastgesteld, dat de basis vormt voor het verminderen van het gebruik (isoleren) en het uitfaseren van het gebruik van aardgas. Vooruitlopend op de nieuwe energiewetgeving en energieneutraliteit in 2050, ziet de gemeente graag dat de woningen en bedrijven aardgasloos en energieneutraal worden gebouwd. Wettelijke eisen Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG) Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen om een omgevingsvergunning sinds 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).

Warmtepompen Er zijn voorbeelden van geluidsoverlast veroorzaakt door warmtepompen, omdat er bij de plaatsing geen rekening gehouden is met het geluidsaspect of de warmtepomp verouderd is. Een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de warmtepomp is noodzakelijk en er moet voldaan worden aan een acceptabel geluidsniveau. Als het geluidniveau op 5 meter van warmtepomp hoger is dan 30 dB(A) of als dit het geval is bij een kortere afstand tot de buurwoning dan is het toepassen van een geluiddempende omkasting nodig. Hiervoor komen steeds meer innovaties op de markt (bijvoorbeeld in een dummy schoorsteen). Sinds 1 april 2021 worden geluidseisen gesteld aan (nieuw te plaatsen) buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking. Het gaat hierbij om warmtepompen en airco's die worden toegepast bij woningen en woongebouwen. Deze installaties mogen niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren. Zonnepanelen en -collectoren Gebruik van zonne-energie kan significant bijdragen aan de benodigde duurzame energie- en warmteopwekking. In dit plan kunnen zonnepanelen worden opgenomen, die direct bij de bouw worden meegenomen. De zonnepanelen zijn dan geïntegreerd in het ontwerp van het gebouw. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat waarschijnlijk voor een deel van de bebouwing zonnepanelen worden toegepast, om dan te kunnen voldoen aan de BENG-eisen.

Een en ander zal verder bij de uitwerking van de aanvraag omgevingsvergunning worden meegenomen. Materialen In het ontwerp van een woning of gebouw kan door een slim ontwerp daglicht optimaal worden benut en zodat de benodigde energie voor verlichting zo laag mogelijk is en de binnen temperatuur zo min mogelijk fluctueert. Ook kunnen groendaken aangelegd worden. De hoeveelheid materialen wordt zoveel mogelijk beperkt en gebruik van gezonde en duurzame materialen – gezien over de hele levenscyclus - heeft de voorkeur. Laadpalen Elektrisch autorijden is beter voor het milieu dan rijden op fossiele brandstoffen. Er wordt namelijk geen CO2 uitgestoten door de auto. De gemeente staat dan ook positief tegenover het plaatsen van laadpalen "Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

27

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012 voor elektrische voertuigen. Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen. Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is.

Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.15). Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden. Doorwerking in plangebied Er ligt nu nog geen concreet bouwplan voor de nieuwe woningen. De (voorlopige) duurzame maatregelen die genomen zouden kunnen worden, betreffen: warmtepomp voor verwarming nieuwe woningen (woningen voldoen aan BENG), zonnepanelen op woningen en/of bijgebouwen, beperken verharding of toepassen halfverharding en hemelwaterafvoer infiltreren op eigenterrein. In de aanvraag omgevingsvergunning(en) voor het bouwen van de nieuwe woningen en bijgebouwen wordt te zijner tijd aangeven welke duurzaamheidsmaatregelen er verder worden toegepast dan hierboven aangegeven. Daarbij zal worden voldaan aan de vanuit de gemeente gestelde eisen voor duurzaamheid op dat moment. 4.6.5

Overige gemeentelijke beleidsnota's en notities

Ruimte voor Mantelzorg In de notitie Ruimte voor mantelzorg (uit 2011) is het beleidskader voor woonruimte voor mantelzorg in het buitengebied nader uitgewerkt. De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten: 1. Bij een directe behoefte aan mantelzorg die naar redelijke verwachting niet zeer langdurig zal zijn, denkt de gemeente mee in een voor de concrete situatie geëigende oplossing. Dit gebeurt doorgaans op basis van een tijdelijke omgevingsvergunning. 2. De mogelijkheid van inwoning – in zuivere zin, dus in de vorm van onzelfstandige woonruimte – past binnen de regelgeving en is en blijft daarmee dus een optie. 3. Een tweede wooneenheid binnen de bouwmassa van een woning in het buitengebied wordt mogelijk gemaakt: a. indien deze aantoonbaar een functie zal hebben voor (toekomstige) mantelzorg; b. binnen de toegelaten inhoudsmaat van de woning, eventueel in samenhang met het vergroten van die inhoud van die woning volgens mogelijkheden die beleid en regelgeving daarvoor bieden of gaan bieden; c. indien deze een ondergeschikt karakter heeft (een vloeroppervlak van maximaal 35% van dat van de woning, maar niet meer dan 65 m2); d. mits daarvoor een oppervlakte van 300 m2 aan overtollig geworden opstallen wordt gesloopt die voldoet aan de criteria voor sloopmeters volgens het functieveranderingsbeleid.

Voor het bestemmingsplan betekent dit dat ruimte moet worden geboden voor onderdeel 3. In het voorliggende bestemmingsplan is, gezien de bescheiden ruimtelijke effecten, onderdeel 3 mogelijk gemaakt door middel van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. 28

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

4.6.6

Visie Verblijfsrecreatie

Op 29 september 2022 heeft de raad ingestemd met de uitgangspunten en kaders zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Actualisatie Visie Verblijfsrecreatie 'Kansen en Koersen: Visie op de toekomst van de verblijfsrecreatie in de gemeente Barneveld'. In de uitwerking van de Visie Toerisme en Recreatie 2030, de Visie Verblijfsrecreatie (2022), staat dat de gemeente Barneveld kansen ziet voor de camperaar. Het streven is gericht op een geschikt en divers aanbod. Binnen de gemeente zijn in beginsel maximaal 5 camperterreinen mogelijk, met op elk terrein ten hoogste 8 camperplaatsen. Het realiseren van een dergelijk terrein is altijd maatwerk. Hierbij staat de kwaliteit van het initiatief voorop. We vinden het belangrijk dat een camperterrein in de nabijheid (fietsafstand) van toeristische plaatsen, horeca, middenstand, dagrecreatieve voorzieningen, wandel- en fietsroutes ligt. Het camperterrein draagt daarmee bij aan het recreatieve product van de gemeente Barneveld. Op het camperterrein moet het ook goed verblijven zijn. Dat betekent dat bijvoorbeeld een ligging aan een drukke weg of bij een bedrijf met veel geluid of geuroverlast niet wenselijk is. Het camperterrein moet goed in de omgeving en het landschap worden ingepast. Een camperterrein mag het woon- en leefgenot van woningen, voorzieningen en scholen niet aantasten.

Om onderscheidend te zijn ten opzichte van reguliere verblijfsrecreatieterreinen zijn op camperterreinen in principe geen recreatieve voorzieningen en sanitaire voorzieningen toegestaan. Er gelden ook een aantal (organisatorische) randvoorwaarden. In Barneveld is het toegestaan een eigen woning te verhuren aan toeristen voor kort verblijf: Particuliere vakantie-verhuur. De woning is in dit geval duidelijk ingericht voor eigen bewoning. Er mogen geen woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken om particulier te worden verhuurd voor recreatief gebruik. Een woning mag daarom niet meer dan 60 nachten per kalenderjaar worden verhuurd tijdens afwezigheid van de bewoner. Dit kan een aaneengesloten periode zijn of meerdere korte periodes van in totaal 60 nachten. De bewoner van de woning is verantwoordelijk voor de verhuur. In bijzondere situaties, bijvoorbeeld ten behoeve van het behoud van erfgoed, kan van bovenstaande worden afgeweken. Bij een dergelijk initiatief is altijd sprake van maatwerk waarbij onder andere wordt gekeken of het initiatief aanvullend is op het bestaande verblijfsrecreatieve aanbod in Barneveld. Doorwerking in plangebied De Visie Verblijfsrecreatie is, voor zover er een planologische vertaling noodzakelijk is, doorvertaald. Het gaat over de volgende aspecten: bed & breakfast; particuliere verhuur; camperterrein/-plaats.

Binnen woningen is een bed & breakfast onder voorwaarden toegestaan. In een bijgebouw is alleen met een omgevingsvergunning en onder voorwaarden een bed & breakfast toegestaan. Particuliere vakantie-verhuur en camperterrein/-plaats wordt gefaciliteerd in de algemene gebruiksregels. In hoofdstuk 6 van de toelichting is dit nader uitgewerkt en beschreven.

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

29

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 5 5.1

RANDVOORWAARDEN

Bodem

In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. Uit het bodeminformatiesysteem (BIS) blijkt op de locatie Bielderweg 3 locatie nog geen verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd. Het voormalige/huidige gebruik van de locatie heeft mogelijk geleid tot bodemverontreiniging (erfverhardingen, bedrijfsgebouwen met aanwezige/voormalige bodembedreigende activiteiten die mogelijk waren/zijn voorzien van asbesthoudende dakbedekking etc.). Voor de voorgenomen bestemmings-/functiewijziging en de daarbij behorende nieuwbouw (waarbij sloop- en grondroerende werkzaamheden zullen gaan plaatsvinden) moet in ieder geval een historisch vooronderzoek conform de NEN 5725 worden uitgevoerd.

Op basis van de bevindingen van het historisch vooronderzoek dient naar alle waarschijnlijkheid (plaatselijk) een verkennend een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en/of een verkennend asbestonderzoek in grond/puin conform de NEN 5707/NEN 5897 uitgevoerd te worden. Als de (voormalige) bedrijfsgebouwen waren/zijn voorzien van asbesthoudende dakbedekking die (in het verleden) niet voorzien waren/zijn van een dakgoot en het maaiveld ter plaatse onverhard is dan moet het uit te voeren verkennend asbestonderzoek zich eveneens richten op de toplaag van de voormalige/aanwezige druppelzones. Naar aanleiding hiervan is een bodemonderzoek uitgevoerd. De door PJ Milieu BV te Nijkerk opgestelde rapportage 'Verkennend bodem- en asbest in grond/puinonderzoek, Bielderweg 3 Barneveld' (kenmerk 21065601A, d,d. 4 juli 2022), welke als Bijlage 2 bij deze toelichting is opgenomen, geeft inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het plandeel aan de Bielderweg valt binnen de contour van de onderzoekslocatie. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat ter plaatse van de twee met puin (menggranulaat) en direct daaronder met grind verharde toeritten op het maaiveld asbesthoudend plaatmateriaal is aangetroffen. In geen van de gegraven asbestinspectiegaten ter plaatse is echter asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen.

Van het aangebrachte puin (menggranulaat) is geen kwaliteitsdocument beschikbaar. In het samengestelde mengmonster van het puin, voor analyse op asbest, is geen asbest gemeten. Overige milieuhygiënische parameters zijn niet bepaald. Voor de eventuele afvoer van het puin (menggranulaat) dient dit alsnog te gebeuren. Het Besluit bodemkwaliteit stelt dat in beginsel van elke partij bouwstoffen de kwaliteit moet zijn bepaald en de partij voorzien moet zijn van een milieuhygiënische verklaring waarop de kwaliteit staat aangegeven. Voor een aantal gevallen geldt een uitzondering gemaakt op de verplichte kwaliteitsbepaling, namelijk: Tijdelijke uitname: Voor bouwstoffen die tijdelijk worden verplaatst of uit een werk weggenomen stelt het Besluit bodemkwaliteit geen extra verplichtingen. In deze situaties hoeft de kwaliteit van de bouwstoffen niet te worden bepaald en de toepassing niet te worden gemeld. De voorwaarde hierbij is dat de bouwstoffen niet worden bewerkt en op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in het werk worden toegepast. Dit waarborgt dat de samenstelling en emissie van de bouwstoffen niet verandert. Hergebruik van bouwstoffen in een ander werk: Wanneer een bouwstof niet op of nabij dezelfde plaats in hetzelfde werk wordt toegepast maar in een ander werk, dan hoeft de kwaliteit van de bouwstoffen niet opnieuw te worden bepaald.

De voorwaarde hierbij is dat de bouwstoffen niet worden bewerkt en niet van eigenaar veranderen en onder dezelfde condities worden toegepast. De toepassing moet wel vijf werkdagen van tevoren worden gemeld bij het Meldpunt bodemkwaliteit. Uiteraard blijft de zorgplicht ook van toepassing. De hierboven genoemde uitzonderingen op de verplicht kwaliteitsbepaling, zijn niet van toepassing wanneer het gaat om bouwstoffen waarvan bekend is, of redelijkerwijs kan worden verwacht dat ze verontreinigd kunnen zijn. Zijn er aanwijzingen dat de bouwstof mogelijk niet voldoet aan de normen van het Besluit, dan moet alsnog de kwaliteit worden bepaald. 30

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

De onderzoeksresultaten geven verder geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodem- en asbest in grond/puinonderzoek of -sanering en zijn voldoende voor de voorgenomen bestemmingsplan-/functiewijziging. Ondanks dat het verkennend bodem- en asbest in grond/puinonderzoek is uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit. Bij de voorgenomen herontwikkeling (sloop- en nieuwbouw) en de daarbij behorende grondroerende werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging. Aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. naar/van de onderzoekslocatie dient te voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Conclusie Op basis van het voorgaande zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen partiële herziening en de gevraagde functieverandering en nieuwbouw op de locatie.

5.2

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. 5.2.1 5.2.1.1

Archeologie Archeologie verwachting

Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. In kader voorliggend plan kan worden geconcludeerd dat geen archeologisch onderzoek nodig. Dit blijkt uit het volgende.

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

31

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Afbeelding: plangebied aan weerszijden van de Kleine Barneveldse Beek in Barneveld/Terschuur, geprojecteerd op de archeologische beleidskaart. In wit deellocatie Kallenbroekerweg 151-153. In kleur, ten westen van Boerderij 't Paradijs, deellocatie Bielderweg 3. Het plan betreft de volgende (fysieke) ingrepen: sloop houten woning en verkleinen paardenbak aan Kallenbroekerweg 153 (fig. 1 in wit, reeds gesloopt); sloop deel bestaande bebouwing Bielderweg 3 (afbeelding hiervoor in geel/blauw); nieuwbouw veldschuurwoning aan Bielderweg 3 (afbeelding in rood); herbouw hoeve, met behoud bestaand woonvolume (in geel), en nieuwbouw schuurwoning met bijgebouw (fig. 1 in blauw) aan Bielderweg 3, herbouw bakhuis (62 m2) (reeds vergund en gebouwd); Daarbij vindt de herbouw en nieuwbouw van een woning plaats in één bestaand bouwvlak (fig. 1 in geel/blauw). Voor de nieuwbouw van de (3e) veldschuurwoning (in rood) zal een nieuw bouwvlak moeten worden bestemd.

32

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Afbeelding (Omgeving) plangebied in bestemmingsplan 'Buitengebied 2012 met dubbelbestemmingen De archeologische waarden- en verwachtingenkaart van Barneveld geeft voor (de omgeving van) het plangebied een gevarieerd beeld (eerste afbeelding binnen deze paragraaf): Groen: lage archeologische verwachting, beekdal of beekoverstromingsvlakte; Geel: middelhoge archeologische verwachting, dekzandwelving 25-50 cm; Roodbruin: hoge archeologische verwachting, dekzandwelving 25-50 cm, plaggendek. Uitgangspunt van de archeologische beoordeling is dat enkel ter plaatse van de nieuwbouw van de nieuwe veldschuurwoning - ten westen van en buiten het bestaande bestemmingsvlak 'Wonen' op de locatie Bielderweg 3 in Barneveld - de bestemming moet worden gewijzigd. De betreffende locatie Bielderweg 3 heeft een lage archeologische verwachting met een ondergrens van 10.000 m2 en 30 cm beneden maaiveld waarboven - op grond van gemeentelijk archeologiebeleid, in geval van ruimtelijke planvorming - een archeologische onderzoekplicht geldt. De omvang (toekomstige bestemming) van de woning overstijgt deze waarde niet; archeologisch onderzoek is niet aan de orde. De archeologische dubbelbestemmingen uit het moederplan (inclusief de Parapluherziening Cultuurhistorie-Archeologie) blijven gehandhaafd.

De uitvoering van natuurmaatregelen houdt verband met de ligging van het plangebied in de ecologische hoofdstructuur en extensiveringsgebied GV (met een enkelbestemming agrarisch of natuur). Uitgangspunt is dat natuurmaatregelen kunnen worden getroffen zonder bestemmingsplanwijziging. Voor natuurontwikkeling geselecteerde zones zijn in het vigerende bestemmingsplan met de parapluherziening voor de Waarde-Archeologie mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Het is verboden in gronden met een bestemming 'Waarde-Archeologie 1' zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag werken en werkzaamheden uit te voeren met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm – mv (art. 25.3). Enkele natuurmaatregelen zijn voorzien in gebieden die in het bestemmingsplan zijn aangeduid met een waarde waar lagere ondergrenzen gelden (o.a. 1.500 m2 en 250 m2) die mogelijk vergunningplichtig zijn. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal dit worden beoordeeld. "Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

33

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Op het perceel Kallenbroekerweg 151-153 vinden nagenoeg geen (nieuwe) bodemverstoringen plaats. Op dit perceel is uitvoering van archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. 5.2.2

Historischestedenbouwkundige waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. Op de twee planlocaties en in de omgeving daarvan zijn geen monumenten aanwezig. Conclusie Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor het verzoek. 5.2.3

Cultuurlandschappelijke waarden

De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied ligt volgens de cultuurhistorische waardenkaart in een gebied met een zeer hoge cultuurlandschappelijke waarde (waarde 5) (zie fig. 3). Zeer hoog gewaardeerde landschappen (waarde 5) krijgen een dubbelbestemming in het bestemmingsplan; hoog gewaardeerde landschappen (waarde 4) krijgen een dubbelbestemming in het bestemmingsplan, mits ze aan zeer hoog gewaardeerde landschappen grenzen. Het is de bedoeling dat de waarden worden gehandhaafd dan wel versterkt. Voor wat betreft de aanleg van de natuur is bij de uitwerking rekening gehouden met de landschappelijke waarden van de gebieden. Ook is bij de inrichting van het erf aan de Bielderweg 3 rekening gehouden met en aangesloten bij het boerenerfprincipe.

Uitsnede cultuurlandschappelijke waardenkaart. Plandeel Bielderweg in groene cirkel Conclusie Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.

5.3

Ecologie

De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 34

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

5.3.1 5.3.1.1

Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming

Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Stikstof Het plangebied ligt niet in (de nabijheid van) een Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Themakaart Natuur- en landschapsbeleid van de Omgevingsvisie). De planlocatie ligt op ongeveer 8 km vanaf het Natura 2000-gebied Veluwe. Een plan van deze beperkte omvang en op deze afstand zal niet leiden tot stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in het Natura 2000-gebied. Er is daarmee geen toename van depositie op een stikstofgevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor het plan.

5.3.1.2

Soortenbescherming

Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is een quickscan flora- en fauna uitgevoerd. Daartoe is door Eqosens-nl ecologisch advies te Lathum het rapport 'Flora- en faunacheck, Bielderweg 3' (projectnummer: 2021-27 d.d. oktober 2023) opgesteld. Uit het rapport - wat als Bijlage 3 bij de toelichting van dit plan is opgenomen - volgt overigens ook dat de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van de Groene Ontwikkelingszone worden niet aangetast (zie ook paragraaf 4.3.1.2). Er is geen negatief effect van de voorgenomen maatregelen op beschermde Natura 2000-gebieden of het Nationale Natuurnetwerk te verwachten. Vleermuizen Het plangebied en de gebouwen, die daar deel van uitmaken, zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Het plangebied maakt mogelijk marginaal deel uit van een veel groter foerageergebied.

Dassen Er zijn in het plangebied geen waarnemingen van dassen gedaan of sporen daarvan gevonden. Ook zijn hier geen migratieroutes vastgesteld. Het is daardoor niet waarschijnlijk dat het plangebied deel uitmaakt van het functionele leefgebied. De dichtstbijzijnde bewoonde dassenburchten bevindt zich op circa 100 respectievelijk 150 meter van het plangebied. Beide burchten liggen buiten de gehanteerde verstoringsafstanden van 50 meter voor de dagperiode, voor de nacht geldt echter een verstoringszone van 200 meter. Aangezien het gebied recreatief wordt gebruikt en de paden zich op kortere afstand tot de burchten bevinden dan het plangebied, is sprake van een zekere gewenning aan menselijke activiteiten op korte afstand tot de burcht. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat de activiteiten in het plangebied zullen leiden tot verstoring van de burchten.

Om negatieve effecten op de das uit te kunnen sluiten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb te voorkomen, worden de volgende mitigerende maatregelen geadviseerd, welke zijn vastgelegd in een voorwaardelijke verplichting in de planregels van dit plan: het werkgebied zal direct voorafgaand aan de start van de eerste werkzaamheden door een ecoloog worden na-verkend om er zeker van te zijn dat er geen dassen aanwezig zijn; de werkzaamheden zullen tussen zonsopgang en zonsondergang (niet later dan 19.00u) worden uitgevoerd in een zodanig tempo dat de das kan wegvluchten richting een open kant; werkzaamheden die lawaai of trillingen kunnen veroorzaken, zullen worden uitgevoerd buiten de meest "Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

35

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012 kwetsbare periode, dat wil zeggen buiten de voortplantingsperiode (december tot en met juni). Een dassendeskundige kan hier nader over adviseren; werkzaamheden die lawaai of trillingen kunnen veroorzaken, zullen worden uitgevoerd buiten de meest kwetsbare periode, dat wil zeggen buiten de voortplantingsperiode (december tot en met juni). Een dassendeskundige kan hier nader over adviseren. Vogels Van de vogels is er alleen van de kerkuil een bewoond jaarrond beschermd nest aangetroffen in de vorm van een nestkast. Het broeden van de kerkuil is onzeker. Het verwijderen van de bewoonde nestkast is strijdig met de bepaling in de Wnb, zodat hiervoor ontheffing (vanaf 1-1-2024 omgevingsvergunning) flora en fauna activiteit moet worden aangevraagd. Met betrekking tot de steenuil geldt dat er sporen zijn aangetroffen die mogelijk wijzen op de aanwezigheid van deze soort in of rond het plangebied. Aangezien (de omgeving van) het plangebied in beginsel een geschikt habitat vormt voor de steenuil wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen van steenuil in het plangebied uit te kunnen sluiten. Daartoe is door Hopman en Peters te Zeist de notitie 'Nader onderzoek steenuil en kerkuil', locatie Bielderweg 3 (projectnummer P2400278, d.d. 13 juni 2024) opgesteld.

Het nader onderzoek heeft uitgewezen dat de aanwezigheid van de steenuil in het plangebied kan worden uitgesloten. Het plangebied wordt door de kerkuil wordt gebruikt als foerageergebied. Tevens wordt één van de (te slopen) schuren gebruikt als vaste verblijf- en voortplantingsplaats. Aangezien met de sloop van de schuur ook de vaste verblijfs- en voortplantingsplaats verloren zal gaan, moet een toestemming worden gevraagd voor een flora en fauna activiteit met het oog op het slopen van de schuur. Het slopen van het gebouw met de kerkuilenkast zal namelijk leiden tot negatieve effecten op de aanwezige kerkuilen. Om deze negatieve effecten te kunnen verantwoorden zullen compenserende en mitigerende maatregelen getroffen moeten worden. Dit wordt beschreven in een activiteitenplan en een werkprotocol welke bij de aanvraag om flora en fauna activiteit bij de provincie wordt ingediend. Er is op 5 juli 2024 een aanvraag omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit bij de provincie Gelderland (DSO-Omgevingsloket verzoeknummer 20240705 01203 000, naam van het project 'Bielderweg 3 Barneveld P2300446') ingediend voor onder meer het verplaatsen van de vaste rustplaats van de kerkuil. De stukken zijn in nauw overleg met de gemeente Barneveld c.q. ecologische adviseurs Omgevingsdienst De Vallei tot stand gekomen en beoordeeld. De verwachting is dat de vergunning wordt verleend.

Overigens kunnen pas werkzaamheden worden uitgevoerd en/of een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of slopen worden afgeven als een de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit is verleend én wordt voldaan aan de voorwaarden die daarin worden gesteld; tevens dienen de mitigerende maatregelen met betrekking tot de das, zoals omschreven in onderzoek flora en fauna. Dit is vastgelegd in een voorwaardelijke verplichting op de verbeelding en binnen de planregels van dit bestemmingsplan. Reptielen Er zijn geen beschermde reptielen, amfibieën of insecten aangetroffen in het plangebied of sporen daarvan. Ze zijn daar ook niet te verwachten gezien het (ongeschikte) intensieve gebruik van het erf en de planlocatie Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is.

Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.3.1.3

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long.

36

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Een herplantplicht is niet aan de orde, omdat er geen bomen worden gekapt. Bij de toekomstige plannen voor de bebouwing op het erf Bielderweg 3 in Barneveld is rekening gehouden met de bestaande bomen. 5.3.1.4

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van dit plan niet in de weg zal staan. 5.3.2

Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones

Het plangebied ligt wel binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt wel in de GO. Voor de toetsing wordt verwezen naar 4.3.1.2.

5.4

Externe veiligheid

Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.

Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen "Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

37

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012 beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid' vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.

5.5

Geluid

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.

In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. De Bielderweg is een particuliere, onverharde en doodlopende weg met beperkte verkeersintensiteit. De planlocatie ligt verder buiten het aandachtsgebied van de Kallenbroekerweg. Andere wegen liggen op nog grotere afstand van de planlocatie, voor wat betreft het deel waar de nieuwe woning wordt toegevoegd. Een onderzoek wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. Ook zijn er geen spoorwegen of geluidgezoneerde industrieterreinen in de buurt gelegen. De Wet geluidhinder speelt in dit geval dus geen rol. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

5.6

Geur

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 38

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets.

Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Milieuvergunningen Er is geen milieuvergunning meer aanwezig op de locatie Bielderweg 3 en heeft al een woonbestemming. De oprichtingsvergunning van 8 juli 1998 is op 5 januari 2011 ingetrokken, omdat er langdurig geen vee meer werd gehouden. Op de locatie Kallenbroekerweg 151-153 is geen milieuvergunning aanwezig. Er hoeven geen milieuvergunningen meer worden ingetrokken. Beoordeling geur Vaste afstanden In de omgeving van het plandeel Bielderweg 3 is aan de Bielderweg 1 een veehouderij op ongeveer 65 meter afstand van de huidige woonbestemming op de Bielderweg 3 gelegen. Voor wat betreft het plandeel Kallenbroekerweg 151-153 liggen geen veehouderijen in de nabije omgeving. De dichtstbijzijnde liggen op meer dan 200 meter afstand van dit plandeel. Op de locatie Bielderweg 3 worden nieuwe woningen gerealiseerd. Volgens de Wgv dient een afstand van 50 meter te worden aangehouden ten opzichte van veehouderijen. Om rekening te houden met eventuele ontwikkelingsmogelijkheden wordt daarom minimaal 50 meter afstand aangehouden tussen de rand van het bestemmingsvlak van het geurgevoelige object c.q.

de nieuwe woningen en de veehouderij. Daarnaast moet altijd 25 meter afstand aangehouden te worden tussen de gevel van de dichtstbijzijnde stal en de gevel van de woning. Deze afstand wordt ook ruimschoots aangehouden. Op de Kallenbroekerweg 151-153 worden geen nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd. Omliggende veehouderijen liggen bovendien op grote afstand (>100 m) van de aanwezige bouwvlakken. De bestaande en te realiseren geurgevoelige objecten liggen op voldoende afstand van het bouwvlak van de dichtstbijzijnde veehouderij. Geurbelasting (voorgrondbelasting) Op de veehouderij op de Bielderweg 1 worden dieren gehouden met een geuremissiefactor. De geurbelasting is daarom berekend. Om eventueel te verwachten ontwikkelingen op een bedrijf mee te wegen is een zogenaamde worst-case berekening gemaakt. Hierbij is uitgegaan van alle vergunde geur op de rand van het bouwvlak. Deze berekening is gemaakt vanuit de Bielderweg 1 op de bestaande woning aan de Bielderweg 3. De nieuwe woningen komen op grotere afstand te liggen dan de bestaande woning ten opzichte van de veehouderij. Voor de berekening is gebruik gemaakt van het programma V-stacks vergunning. De uitkomst is weergegeven in onderstaande tabel.

Afbeelding: resultaten V-stacks berekening worst-case scenario voorgrondbelasting "Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

39

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Aan de vereiste geurnorm wordt voldaan in de nieuwe situatie. Op de Kallenbroekerweg 151-153 worden geen nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd. Omliggende veehouderijen liggen bovendien op grote afstand (>100 m) van de aanwezige bouwvlakken. Daarom hoeft er geen geurberekening te worden uitgevoerd. Conclusie De geurbelasting wordt niet te hoog bij een uitbreidingsscenario. De ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven worden daarom niet beperkt door het voorgenomen plan. De bestaande woning is reeds maatgevend. Het aspect geurhinder vormt geen belemmering.

5.7

Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Deze ontwikkeling gaat over het toevoegen van één extra woning en het verplaatsen van een woonrecht en daarmee voorziet het plan niet in een woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro. Gelet hierop voorziet het plan evenmin in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de genoemde bepaling en is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing.

Daarom is geen verdere toelichting vereist.

5.8

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

5.9

Luchtkwaliteit

Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. De volgende grenswaarden gelden voor fijn stof: • 40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie; • 50 µg/m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 etmalen per kalenderjaar mag worden overschreden. Er is beoordeeld of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende agrarische bedrijven. In de omgeving ligt binnen een straal van 500 meter een bedrijf met een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar). Het gaat om de veehouderij op de Kraaikamperweg 10. Met het verspreidingsmodel ISL3a is berekend wat de invloed hiervan is op de totale concentratie fijn stof ter plaatse van de bestaande woning. De resultaten van de berekening staan in onderstaande tabel.

40

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Afbeelding: resultaten fijn stof berekening Aan de vereiste norm wordt voldaan. Op de nieuwe woningen zal ook worden voldaan omdat deze op grotere afstand van de veehouderij op de Kraaikamperweg 10 liggen. Beoordeling woon- en leefklimaat In het kader van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld of sprake is van een goed woon-en leefklimaat. Voor het woon- en leefklimaat nabij een veehouderij de geurbelasting veelal bepalend. Zowel de voorgrondbelasting (vanwege een nabijgelegen bedrijf) als de achtergrondbelasting (vanwege alle bedrijven in de omgeving samen) kan een rol spelen. Als vuistregel wordt aangehouden; de voorgrondbelasting is bepalend voor de hinder als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=7f2930e2-ef2b-4291-85bf-4e98b2930939