CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Kallenbroekerweg-Bielderweg_Toelichting

Gemeenteraad 25 september 2024, gemeente BarneveldBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan “Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012” voor de locaties Kallenbroekerweg 151-153 en Bielderweg 3 in Barneveld22.341 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Afbeelding: uitsnede kaart omgeving Kallenbroekerweg 151-153 In dit gebied is volgens een kaart van de achtergrondbelasting binnen de gemeente Barneveld sprake van een achtergrondbelasting tussen de 6-10 OuE/m³.

Afbeelding: uitsnede kaart omgeving Bielderweg 3 In dit gebied is volgens een kaart van de achtergrondbelasting binnen de gemeente Barneveld sprake van een achtergrondbelasting tussen de 10-14 OuE/m³. "Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

41

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Achtergrondbelasting geur

Mogelijke kans op geurhinder

Beoordeling leefklimaat

OuE/m³

%

1–3

<5

Zeer goed

4–8

5 – 10

Goed

9 – 13

10 - 15

Redelijk goed

14 - 20

15 – 20

Matig

21 – 28

20 – 25

Tamelijk slecht

29 – 38

25 – 30

Slecht

39 – 50

30 – 35

Zeer slecht

51 – 65

35 - 40

Extreem slecht

Tabel: relatie geurbelasting – geurhinder - leefklimaat Uit de tabel volgt dat in het plangebied sprake kan zijn van een leefklimaat dat is te typeren als 'Matig' op de Bielderweg 3 tot 'redelijk goed' op de Kallenbroekerweg 151. De gemeente Barneveld heeft een geurbeleid opgesteld. Het gebied waarin de woningen (komen te) liggen betreft het extensiveringsgebied. Hiervoor geldt een streefwaarde van 20 ouE/m3. De achtergrondbelasting voldoet aan deze streefwaarde. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. De achtergrondbelasting van geur vormt geen belemmering voor dit plan. Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van dit plan.

5.10

Milieueffectrapportage

Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt eventuele drempelwaarden.

Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op

42

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012 basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig. Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn.

Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Besluit m.e.r. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Toetsing Het verplaatsen van een woning, het uitbreiden van wonen en het toevoegen van een extra woning valt niet onder het begrip stedelijke ontwikkeling als bedoeld in Bijlage D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie is gebleken dat niet iedere ontwikkeling van woningen valt onder het begrip stedelijke ontwikkeling.

Kleinschalige woningbouwprojecten vallen niet onder dit begrip. Dat geldt ook voor onderhavig plan. Daarmee is voorliggend plan niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek.

Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

43

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Rondom het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die op basis van de richtafstanden uit de VNG een mogelijke belemmering voor het bestemmingsplan. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig. In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Tussen een woning en een gasdrukmeet- en regelstation moet een veiligheidsafstand van 6 meter worden aangehouden. Het onderhavige plan voldoet aan de voorgeschreven afstand.

Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Er wordt voldaan aan de voorgeschreven afstand van 4 meter die geldt voor beperkt kwetsbare objecten. Liander heeft op 22 december 2023 aangegeven geen belangen in het gebied te hebben, daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12

Natuur en landschap

Ten behoeve van het landschappelijk inpassen van het erf aan de Bielderweg 3 is er een erfinrichtings-/beplantingsplan aangeleverd welke als Bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen. Voor wat betreft de natuurontwikkeling op de agrarische gronden ligt ten grondslag in het stuk Natuurmaatregelen landgoed Erica, zoals in Bijlage 2 bij de regels is gevoegd. Landgoed Erica is dus zoals eerder aangehaald gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928 (Nsw) en daarmee is de duurzame instandhouding van het natuurschoon in beginsel verzekerd. Er wordt verder ingezet op het ecologisch en landschappelijk versterken van de locatie Kallenbroekerweg 151-153 en de daaromheen liggende (bos)randen/gronden en herstel van ten zuiden gelegen de houtwal (in het kader van de verplaatsing van het woonrecht van Kallenbroekerweg 151 naar de Bielderweg 3 ten behoeve van ruimtelijke kwaliteitswinst op deze locatie). Een overzicht van de ecologische en landschappelijke maatregelen voor de Kallenbroekerweg is opgenomen in Bijlage 5. Een van de maatregelen is de aanleg van een waterpoel en daarbij is afstemming gezocht met het waterschap Vallei & Veluwe. Zij zijn akkoord gegaan met het voorstel.

5.13

Ontplofbare oorlogsresten

Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat zowel de locatie Bielderweg 3 als de Kallenbroekerweg 151-153 niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop de planlocaties globaal zijn aangegeven.

44

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Afbeelding: Uitsnede OO-belastingkaart omgeving plandelen De planlocaties zijn onverdacht voor Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Verder onderzoek naar explosieven is niet nodig. Conclusie Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor het plan.

5.14

Veiligheid en gezondheid

Veiligheid Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid' een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.15

Verkeer

De woningen zullen gebruik maken van de bestaande ontsluiting via de onverharde, doodlopende Bielderweg die richting het noorden aansluit op de doorgaande Kallenbroekerweg, wat verkeerskundig positief is. De Bielderweg is een eigen weg en wordt particulier onderhouden. De locatie Bielderweg 3 is goed bereikbaar. Qua hoeveelheid verkeersbewegingen hebben het toevoegen van de twee extra woningen geen nadelige invloed op de verkeersveiligheid. Voor de parkeersituatie moeten er bij vrijstaande woningen in het buitengebied minimaal 3 goed -en onafhankelijk van elkaar bereikbare parkeerplaatsen aanwezig zijn. Hiervoor moet voldoende ruimte op eigen terrein worden gereserveerd. De woonpercelen worden zodanig ingericht dat hiervoor voldoende ruimte is. "Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

45

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Conclusie Vanuit verkeerskundig oogpunt bestaat geen bezwaar tegen de planherziening.

5.16

Water

Deze waterparagraaf vormt het resultaat van het procesinstrument watertoets. De watertoets betreft het vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen. Het is verplicht de watertoets toe te passen. Hiermee wordt beoogd om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in het ruimtelijk planproces. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle relevante waterhuishoudkundige aspecten zoals ontwatering, wateroverlast en waterkwaliteit. De waterparagraaf beschrijft het relevante waterbeleid, de betrokkenheid en het advies van de waterbeheerder en de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. In 4.2 is in verschillende paragrafen ingegaan op het waterbeleid. Huidige situatie Deze waterparagraaf betreft twee locaties, Bielderweg 3 en de Kallenbroekerweg 151-153. De twee locaties liggen in de provinciale Groene Ontwikkelingszone (GO). De Kallenbroekerweg betreft een locatie met twee woning en meerdere bijgebouwen. De Bielderweg 3 betreft een locatie met een woning en meerdere bijgebouwen. Beide percelen zijn gelegen in het buitengebied en zijn dan ook aangesloten op persriolering. Om de percelen zijn ook meerdere C-watergangen, een meandering van de Kleine Barneveldse beek en de Kleine Barneveldse beek zelf.

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal er een woning verplaatst worden van de Kallenbroekerweg 151-153 naar de Bielderweg 3, de woonbestemmingen van de Kallenbroekerweg 151-153 samengevoegd worden, het woonperceel van de Bielderweg verandert en een extra woning gerealiseerd met bijgebouw en een herbouw van de bestaande woning met meerdere bijgebouwen. Voor de nieuwe woningen moet hemelwaterberging komen met een minimum van 30mm/m2 of moet het hemelwater kunnen uitvloeien over maaiveld. Dit moet ten minste 5 meter van een bestaande watergang zijn om afwenteling te voorkomen naar andere laag gelegen gebieden benedenstrooms. Omdat de percelen zijn aangesloten op een persriolering is het niet toegestaan om het hemelwater aan te sluiten op het riool. Daarnaast worden er twee stuwen geplaatst in de watergang WL_60814 en worden er poelen aangelegd in het natste gedeelte van het perceel van de Kallenbroekerweg 151-153. Nieuw te bouwen woningen kunnen worden aangesloten op bestaande persleidingen in overleg met de rioolbeheerder. De ontwikkeling sluit aan bij de waterhuishoudkundige doelen van de gemeente en het waterschap.

46

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN

Inleiding

Deze partiële herziening is gebaseerd op het moederplan "Buitengebied 2012" (met identificatienummer NL.IMRO.0203.1056-0004), vastgesteld op 28 mei 2013 en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijking- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Hoofdstuk 4 betreft het overgangsrecht en de slotbepaling. Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk of de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

6.2

Inleidende regels

Begrippen In artikel 1 van de partiële herziening zijn de begrippen plan en bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gedefinieerd. Het kan bij een partiële herziening voorkomen dat er een begrip wordt toegevoegd. Er wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. In de begrippen wordt ook de voorgevelrooilijn gedefinieerd. Aanvullend daarop is in Hoofdstuk 3 van de toelichting bij dit plan en hieronder op een afbeelding de gevellijn/ voorkant van de te realiseren bebouwing c.q. woningen aangegeven. Bij de opzet van de toekomstige bebouwing is dus ook gekeken naar de projectie van de gevels van verschillende woningen en wat in principe als voorgevel c.q. voorkant van de woning wordt aangehouden. Daarmee wordt ook aangegeven wat volgens het bestemmingsplan mogelijk is qua bijgebouwen. In het geldende bestemmingsplan is verder ook nog een binnenplanse afwijking opgenomen waarmee het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning onder bepaalde voorwaarden kan toestaan dat bijgebouwen voor de voorgevelrooilijn worden gebouwd en/of buiten een bouwvlak worden gebouwd. Ook wordt met het aanwijzen van de voorkant van de woning richting gegeven aan het bepalen van het achtererfgebied in het kader van vergunningsvrij bouwen.

Daarbij kan worden gesteld dat de onderstaande opzet acceptabel is en als uitgangspunt kan worden aangehouden bij het realiseren van de toekomstige bebouwing en mogelijke vergunningsvrije bouwwerken. Voor de meest oostelijk gelegen bestemmingsvlak 'Wonen' wordt - om te voorkomen dat een achtererfgebied anders wordt geïnterpreteerd vanwege de stedenbouwkundige acceptabele opzet van de bebouwing met bijgebouwen zowel voor als achter het woongebouw - de waarde van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' 150 in plaats van 142 m2. Voor het meest westelijk gelegen bestemmingsvlak is de zuidelijke gevel aangewezen en als acceptabel aangemerkt als de voorkant van de woning. Voor het in het midden gelegen bestemmingsvlak is de oostgevel als voorkant van de woning aangewezen.

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

47

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Afbeelding: uitsnede inrichtingsplan met gevellijnen en beoogde voorkant woning plandeel Bielderweg 3

6.3

Bestemmingsregels

In hoofdstuk 2 van de partiële herziening zijn de bestemmingsregels opgenomen. Op de in dit hoofdstuk en de daarin opgenomen bepalingen over de bestemmingen en de dubbelbestemming na, worden de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" niet herzien. Tevens is de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" op de locatie gewijzigd zoals is aangegeven in de schakelbepaling opgenomen in artikel 5.2 van de planregels.

6.4

Algemene regels

In hoofdstuk 3 is aangegeven dat de algemene regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", en zoals nadien door het college gewijzigd en in werking getreden, door de raad herzien en in werking getreden en zoals gewijzigd door een intrekkingsbesluit van de raad, niet zijn gewijzigd. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de voorgeschreven Anti-dubbeltelregeling opgenomen. 6.4.1

Schakelbepaling

In Artikel 5 van de regels bij deze partiële herziening is een schakelbepaling opgenomen, waarin nader is aangegeven wat er in de regels en/of op de verbeelding verandert. Dit is al in paragraaf 6.3 van de toelichting van dit plan toegelicht. 6.4.2

Algemene aanduidingsregels

De algemene aanduidingsregels bevatten specificaties van de (dubbel-)bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bijzondere regels, extra regels of nadere afwegingen gelden. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. De gebiedsaanduiding 'overige zone voorwaardelijke verplichting' is toegepast.

48

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

6.4.2.1

Voorwaardelijke verplichting

Bij wijzigingen van het bestemmingsplan is het veelal noodzakelijk afspraken met betrekking tot het slopen van gebouwen of het realiseren van inrichtingsmaatregelen dan wel andere voorwaarden vast te leggen. Om dit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hierbij worden aan het bestemmingsplan specifieke regels toegevoegd die de verzoeker verplichten om bij gebruikmaking van de toegestane ontwikkeling ook de inrichtingsmaatregelen te realiseren of bebouwing te slopen. In deze partiële herziening is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die verband houdt met de landschappelijke inpassing van de locatie Bielderweg 3 en de natuurmaatregelen over verspreid liggende gronden. Tevens is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die bepaalt dat werkzaamheden alleen uitgevoerd mogen worden en/of het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of slopen kan afgeven als een omgevingsvergunning voor de flora en fauna activiteit is verleend én wordt voldaan aan de voorwaarden die daarin worden gesteld; tevens dienen de mitigerende maatregelen met betrekking tot de das te zijn uitgevoerd, zoals omschreven in onderzoek flora en fauna (zie Bijlage 3).

6.5

Overgangs- en slotregels

In het laatste hoofdstuk zijn de regels ten aanzien van het overgangsrecht opgenomen. Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van voorliggende partiële herziening.

6.6

Handhaving

De gemeente acht handhaving van haar beleid van groot belang om de gewenste ruimtelijke kwaliteit te garanderen. Belangrijke redenen voor handhaven zijn: De regels zijn door de gemeente vastgesteld en de inwoners van de gemeente mogen verwachten dat de gemeente die regels handhaaft: waarom zijn er anders regels opgesteld? Inwoners van de gemeente hebben als het ware recht op handhaving. Handhaving gaat oneigenlijk gebruik van en daarmee de achteruitgang van de kwaliteit van het gemeentelijk grondgebied tegen. Een actueel bestemmingsplan beoogt de ruimtelijke kwaliteit van een gebied in stand te houden en te verbeteren. Niet daadkrachtig optreden tegen overtredingen van wettelijke regels werkt een toename van het aantal overtredingen in de hand en tast de geloofwaardigheid van daadkrachtig optreden aan. Het in het bestemmingsplan vastgelegde beleid wordt ondermijnd en het bestuur verliest de greep op de gebouwde omgeving. Onderscheid kan gemaakt worden tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten kunnen onder andere goede regelgeving (zoals in bestemmingsplan), voorlichting, subsidieverlening, afwijking van bouwregels en gebruiksregels en de omgevingsvergunning worden begrepen. Repressieve instrumenten zijn onder meer controle en toezicht, opsporing en het hanteren van sancties als bestuursdwang en dwangsom.

In 2016 heeft de gemeente de Nota Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, VTH-beleid vastgesteld. In dit VTH-beleid staat beschreven hoe het college van burgemeester en wethouders op hoofdlijnen omgaat met de uitvoering van VTH-taken en welke prioriteiten hieraan zijn toegekend. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de VTH-taken en heeft de uitvoering van deze taken met ingang van 1 april 2013 grotendeels belegd bij de Omgevingsdienst de Vallei. Bij de handhaafbaarheid van een bestemmingsplan spelen aspecten als communicatie, de planvorm, de normstelling, het daadwerkelijk kunnen handhaven en de controleerbaarheid van normen ook een belangrijke rol. Randvoorwaarde voor handhaving is dat er voldoende basis/grondslag is om te kunnen handhaven. Deze basis wordt gevormd door: De regeling in het bestemmingsplan zelf: de handhaafbaarheid van de planregels. Het beleid voor afwijkingen. In het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012"), en daarmee ook in deze partiële herziening, is gestreefd naar heldere, eenduidige planregels met zo min mogelijk interpretatiemogelijkheden. Verder zijn aan de in het moederplan (bestemmingsplan "Buitengebied 2012") opgenomen "Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

49

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012 afwijkingsmogelijkheden duidelijke voorwaarden verbonden, die voldoende objectief bepaalbaar zijn.

50

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan voorkomt dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Nu deze partiële herziening de bouw van een hoofdgebouw (of een ander bouwplan zoals dat in artikel 6.2.1 Bro is opgenomen) mogelijk maakt, is dit niet aan de orde. Doordat er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Bro, behoeft er op grond van artikel 6.2.1a, onder b Bro in dit geval geen exploitatieplan vastgesteld te worden. De kosten voor het opstellen van het plan worden gedekt door het heffen van leges. Voor de kosten van tegemoetkoming in schade, bedoeld in artikel 6.1 van de Wro (planschade) is een afzonderlijke overeenkomst gesloten. De inhoud voldoet aan die van een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 6.24 Wro. Er zijn bij dit plan geen andere kosten die in een exploitatieplan of exploitatieovereenkomst opgenomen moeten worden.

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

51

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012

Hoofdstuk 8 OVERLEG EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID De procedure voor het gedeeltelijk herzien van een bestemmingsplan is door de wetgever geregeld. Conform artikel 1.3.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft het college op 16 november 2023 in de Barneveldse Krant en Barneveld Huis-aan-Huis en langs elektronische weg kennis gegeven van het voornemen om de voorliggende partiële herziening van het geldende bestemmingsplan voor te bereiden. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van de partiële herziening opgestart.

8.1

Participatie

Participatie gaat over het goede gesprek tussen initiatiefnemers, de samenleving en de beslissers. Het is de bedoeling om elkaar zo vroeg mogelijk te betrekken in het proces ter voorbereiding van een besluit en gezamenlijk te zoeken naar de beste oplossingen. Dit is verankerd in beleid dat moet leiden tot plannen met een hogere kwaliteit en een breder draagvlak. Op 20 april 2022 heeft de raad het "Participatiebeleid Gemeente Barneveld" vastgesteld. Het beleid onderscheidt drie sporen: 1. Participatie bij ruimtelijke initiatieven; 2. Participatie bij initiatieven van de overheid; 3. Participatie bij initiatieven vanuit de gemeenschap. Het beleid is in werking getreden op 1 januari 2023, met uitzondering van de participatieverplichting uit spoor 1 want die is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet (op 1 januari 2024). In het beleid is de participatieladder opgenomen. Die ladder gaat over verschillende gradaties van meedoen en is er om de rol van de deelnemers duidelijk te communiceren. Er zijn vier treden op de ladder: 1. 2. 3. 4.

Meeweten | informeren Meedenken | raadplegen Meewerken | adviseren Meebepalen | co-creatie

In dit geval is spoor 1 Participatie bij ruimtelijk initiatieven van het beleid relevant en trede 2 van de participatieladder. Bij spoor 1 is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de participatie. Zolang spoor 1 niet in werking is getreden, stimuleren we als gemeente participatie en veel initiatiefnemers passen participatie ook toe. Dat is in dit geval ook van toepassing. In dit geval is trede 2 gebruikt en de initiatiefnemer heeft aangegeven dat er overleg is geweest met direct omwonenden. Voor wat betreft de Bielderweg heeft zich dat beperkt tot de omwonenden van de locatie Bielderweg 1, die rechtstreeks geïnformeerd zijn over de plannen. Overige percelen liggen op zodanig afstand dat hiervan is afgezien. Er is geen participatieverslag toegevoegd bij de toelichting van het bestemmingsplan.

8.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Er is in het gebied van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van bijzondere waarden of andere situaties waardoor deze ontwikkeling zou raken aan enig nationaal belang. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Dit plan is gedeeltelijk gebaseerd op de Regionale beleidsinvulling functieverandering en nevenactiviteiten en voldoet daar ook grotendeels aan. Geconcludeerd kan worden dat er hier provinciale belangen in het geding zijn die in principe om vooroverleg vragen. Dit heeft betrekking op een planontwikkeling gelegen binnen de GO. Vanuit de 52

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012 provincie zijn eerder ambtelijk opmerkingen over het plan gemaakt, waarbij is aangegeven goed het provinciale beleid omtrent GO in het plan op te nemen. Dit is dan ook verwerkt in de toelichting bij het bestemmingsplan. In het kader van vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan aan de Provincie Gelderland toegezonden. Op 23 januari 2024 is een reactie gekomen. De provincie heeft aangegeven dat "er een vrij solide natuurversterking plaatsvindt. Dit is ook goed vastgelegd in een inrichtingsplan, inclusief aanleg, beheer, monitoring en borging in het bestemmingsplan. Er is geen gebruik gemaakt van de rekentool, maar in dit geval was dit ook niet verplicht. Er wordt gebruik gemaakt van artikel 2.53 lid b uit de provinciale verordening. Hier staat in dat als het plangebied deel uitmaakt van een landgoed onder de Natuurschoonwet 1928, er geen verplichting is op 'per saldo en naar rato versterking', maar er alleen geen aantasting van de kernkwaliteiten van de GO mag zijn. Ondanks deze uitweg vindt er dus wel flinke natuurversterking plaats, die ook goed gelinkt wordt aan de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het gebied. In veel opzichten gaan ze verder dan strikt noodzakelijk is conform de verordening. Het plan zit qua GO-beleid netjes in elkaar. Het plan is vanuit de provincie dus helemaal akkoord".

Het Waterschap Vallei & Veluwe heeft aangegeven dat geen vooroverleg nodig is indien de toename van de verharding kleiner is dan 4.000 m² en de waterhuishoudkundige doelen van het waterschap niet in het geding komen door een bestemmingsplan. Hier is sprake van zo een geval. Om die reden heeft geen vooroverleg met het waterschap plaatsgevonden. Wel is het plan - vanwege de ligging van het als bosperceel in te richten gronden op korte afstand van de Kleine Barneveldse Beek voorgelegd aan het Waterschap. Het inrichtingsvoorstel voor dit bosperceel is akkoord bevonden. Dit zolang hun onderhoudsstrook vrij blijft van bomen, wat ook het geval is. Belangen van omliggende gemeenten zijn bij dit plan niet in het geding. Op grond van artikel 3.1.1 lid 2 Bro kan worden afgezien van overleg in door het Rijk aangegeven gevallen. Gelet op de brief van het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft geen vooroverleg plaatsgevonden, aangezien de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) geen adviserende en coördinerende rol meer heeft met betrekking tot de advisering over een voorontwerp betreffende gemeentelijke ruimtelijke plannen.

Nu er sprake is van een gemeentelijk ruimtelijk plan, waarbij er geen nationale rijksbelangen aan de orde zijn en de betrokken rijksdiensten niet als direct belanghebbende zijn aan te merken, behoeft het onderhavige plan niet voor vooroverleg naar de ILT opgestuurd te worden.

8.3

Inspraak

De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Op 15 december 2009 heeft het college besloten dat bij bestemmingsplannen alleen inspraak wordt gevoerd bij plannen waarbij maatschappelijke belangen een rol spelen, die politiek gevoelig liggen of waarbij inspraak een bijdrage kan leveren aan de kwaliteit en/of snellere doorlooptijd van het plan.

8.4

Zienswijzen

Het ontwerp voor de partiële herziening heeft van 29 december 2023 tot en met 8 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze naar voren te brengen. Tijdens deze zes weken zijn er geen reacties ingediend.

"Kallenbroekerweg-Bielderweg, partiële herziening Buitengebied 2012" (vastgesteld)

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=7f2930e2-ef2b-4291-85bf-4e98b2930939