Jaarverslaggeving 2025 definitief
Tekst van het document
Weerstands vermogen
Effect
Maatregel
< 1,0
onder minimale streefwaarde
College B&W neemt maatregelen om binnen twee jaar > 1,0 te komen. Deze zijn gericht op het verlagen van de benodigde weerstandscapaciteit en/of het verhogen van de beschikbare weerstandscapaciteit.
1,0 – 1,2
minimale streefwaarde
College B&W maakt analyse en geeft de meerjarige verwachting aan.
1,2 – 1,6
optimale bandbreedte
n.v.t.
1,6 – 2,0
maximale streefwaarde
College B&W maakt analyse en geeft de meerjarige verwachting aan.
> 2,0
boven maximale streefwaarde
n.v.t.
2.3 Beschikbare weerstandscapaciteit De structurele weerstandscapaciteit geeft de mate aan waarin de gemeente zelf in staat is om niet begrote kosten te dekken door structurele middelen vrij te maken. Hierbij kan gedacht worden aan de mogelijkheden die er zijn tot het verhogen van de inkomsten, bijvoorbeeld via belastingverhoging. Bij de incidentele weerstandscapaciteit gaat het om de aanwezigheid van vrij besteedbare middelen die eenmalig kunnen worden ingezet. In het kader van het weerstandsvermogen binnen deze paragraaf zullen wij slechts rekening houden met de incidentele weerstandscapaciteit. In onderstaande tabel is een vergelijkend overzicht gegeven van de weerstandscapaciteit per begin en einde van het boekjaar. Algemene reserves (1) Voor de berekening van de weerstandscapaciteit worden alleen de vrij besteedbare reserves meegenomen. Deze vrij besteedbare reserves treffen wij aan bij de groep van algemene reserves. Voor de bestemmingsreserves geldt dat voor wijziging van de bestemming een raadsbesluit nodig is en er dus geen sprake is van een vrij besteedbare reserve. Voorzieningen zijn niet vrij besteedbaar en behoren daarom niet tot de weerstandscapaciteit. Stille reserves (2) Stille reserve is het verschil tussen de hogere directe opbrengstwaarden bij verkoop en de boekwaarden van de diverse activa.
Hierbij kan worden gedacht aan panden, aandelen en bedrijfsmiddelen. De directe opbrengstwaarde dient bekend te zijn en bovendien moeten de betreffende activa direct verkoopbaar of verhandelbaar zijn. Dit is met de gemeentelijke activa zelden het geval. Mede daarom zijn de stille reserves als een p.m.-post opgenomen.
41
bedragen x € 1.000 Weerstandscapaciteit
31-dec-2024
31-dec-2025
Beschikbare weerstandscapaciteit 1. Algemene reserves 2. Stille reserves Beschikbare weerstandscapaciteit
40.495 p.m. 40.495
55.644 p.m. 55.644
Benodigde weerstandscapaciteit
27.800
27.600
1,46
2,02
Weerstandsfactor
2.4 Benodigde weerstandscapaciteit De benodigde weerstandscapaciteit is gebaseerd op de financiële risico’s die de gemeente loopt. Om deze risico’s te analyseren, wordt tweemaal per jaar een inventarisatie uitgevoerd, waarbij de kans en de financiële impact van elk risico worden ingeschat. Met behulp van de Monte Carlo-methode, een breed geaccepteerde simulatie, wordt met 90% zekerheid berekend welk bedrag nodig is om de verwachte financiële risico’s die zich mogelijk na 2025 voordoen te kunnen opvangen. Ultimo 2025 is dit bedrag vastgesteld op 27,6 miljoen euro, terwijl de beschikbare capaciteit 55,6 miljoen euro bedraagt, wat resulteert in een weerstandsfactor van 2,02. Deze methode houdt rekening met het feit dat niet alle risico’s tegelijkertijd optreden, waardoor de benodigde buffer lager uitvalt dan de som van alle individuele risico’s. De berekeningen dienen als hulpmiddel om de financiële buffer te bepalen, maar zijn geen exacte wetenschap. Het is belangrijk om de weerstandsfactor in samenhang met andere financiële kengetallen te beoordelen, en niet als enige indicator van de financiële positie. Het risicoprofiel is bepaald door te inventariseren welke risico's er bestaan en de financiële effecten in te schatten wanneer ze zich voor doen. Daarbij is voor de waarschijnlijkheid/kans gebruik gemaakt van de volgende indeling:
Risicoscore Zeer onwaarschijnlijk Enigszins onwaarschijnlijk Niet waarschijnlijk en niet onwaarschijnlijk Enigszins waarschijnlijk Zeer waarschijnlijk Risico's die in onderstaande tabel worden vermeld worden niet financieel verwerkt in een voorziening of verplichting omdat risico's nog niet onafwendbaar zijn en daarmee niet voldoen aan de criteria om een voorziening of verplichting te treffen (conform de BBV). Wel maken we inzichtelijk welk beslag de top 10 risico's leggen op het weerstandsvermogen van onze gemeente. Hieronder hebben wij de 10 meest impactvolle risico's opgenomen: Risico
1. Onvoorziene risico’s grondexploitaties. Deze risico's betreffen de onzekerheid over de ingeschatte nog te maken kosten en de te verwachten opbrengsten (prijzen) van lopende grondexploitaties en het risico van de impact van mogelijke veranderde wetgeving op de grondexploitaties.
Beheersmaatregel
Risicoscore
Risico's worden gemonitord via projectmonitoring Niet en projectcontrol. waarschijnlijk en niet Risico's met een grote kans van optreden en onwaarschijnlijk waarbij het financieel effect betrouwbaar kan worden ingeschat worden bij de actualisatie van de Meerjarenprognose.
Benodigde capaciteit (x € 1.000) 23.395
Grondexploitatie (MPG) financieel verwerkt. 2. Netcongestie Beperkte netcapaciteit voor nieuwe nutsaansluitingen voor nieuwbouw, renovatie en/of verduurzaming. Hierdoor kan vertraging optreden.
3. Bodemverontreiniging Bodemverontreiniging voormalige stortplaatsen en bodemverontreiniging algemeen. Hierdoor kunnen effecten ontstaan op milieu en gezondheid. Daarnaast onvoorziene kosten en risico op vertraging in de uitvoering van projecten.
Intensief overleg met netbeheerder, projectontwikkelaars, woningstichting, provincie en regio over het nemen van maatregelen en ontwikkelen van bouwconcepten om de effecten te verkleinen.
Zeer waarschijnlijk
1.013
Voormalige stortplaatsen:
Enigszins waarschijnlijk
589
In kaart brengen van risico's door als gemeente zelf actualiserende bodemonderzoeken uit te voeren en voor de overige locaties mee te gaan in het nazorgtraject vanuit de Provincie Gelderland. Op basis hiervan op deze locaties maatregelen treffen en/of de locaties opnemen in het omgevingsplan.
4. Cyberaanvallen op de digitale omgeving
We nemen passende maatregelen om een Enigszins 214 cyberaanval te voorkomen zoals wachtwoord onwaarschijnlijk Dit betreft het risico dat de digitale omgeving van de gemeente van buitenaf beleid en authenticatiebeleid, wordt aangevallen waardoor systemen kunnen uitvallen en hersteloperaties netwerkmaatregelen, updates, continu monitoring, benodigd zijn. backups en voorlichting/bewustwording. Daarnaast wordt gewerkt aan de implementatie van NIS2, de aangescherpte Europese richtlijn voor cybersecurity.
42
5. Stikstof Aanvullende kosten (buiten grondexploitaties) als gevolg van stikstofwetgeving, jurisprudentie en de uitwerking van de Aanpak Veluwe. Andere effecten kunnen onder andere zijn: nadeelcompensatie, juridische procedures, aanvullende uitvoeringscapaciteit en vertraging in uitvoering,
6. Jeugdhulp
Het risico wordt beperkt door vroegtijdige Zeer beoordeling van de effecten van stikstof bij waarschijnlijk plannen en vergunningen, uitvoering van relevante inspanningen binnen het Programma Waardevol Landelijk Gebied (o.a. ondernemingsplannen, emissiereductieplannen, aanpak ongebruikte milieuruimte), structurele afstemming met provincie en Omgevingsdienst. De gemeente heeft slechts een beperkte invloed op landelijke wetgeving.
232
Uitvoering Lokaal Plan hervormingsagenda jeugd Zeer waarschijnlijk
211
De kosten voor jeugdhulp nemen toe en niet in verhouding staat met de rijksmiddelen 7. Arbeidsmarktkrapte
1. Continue training en opleiding 2. Gericht inzetten van tijdelijke krachten of Gebrek aan specialistische kennis en voldoende bezetting kan resulteren in consultants c.q. het overnemen van deze hoge werkdruk en vertraging in de uitvoering van werkzaamheden. Tevens inhuurkrachten op een rechtstreeks risico op hogere kosten door inzet van externe inhuur. arbeidscontract. 3. Optimaliseren en digitaliseren van processen 4. Focus op medewerkerstevredenheid om medewerkers te behouden 5. Regionale samenwerking
8. Investeringsopgaven en projecten Onvoldoende zicht op financiële risico’s binnen investeringsopgaven en projecten tijdens realisatie, waardoor projecten duurder kunnen uitvallen.
9. Loon- en prijsontwikkeling
Zeer waarschijnlijk
228
Verbeteren proces projectmatig werken. Beter in Enigszins beeld brengen van mogelijke financiele risico's en waarschijnlijk afprijzen daarvan voorafgaand aan opdrachtverstrekking aan externe partij (aannemer).
174
Realistisch ramen van loon- en prijsstijgingen.
Stijgende loon- en prijsontwikkelingen die onvoldoende worden gedekt uit de algemene uitkering.
Niet 136 waarschijnlijk en niet onwaarschijnlijk
10.Rentestijging
Uitvoering treasury-functie in het algemeen en Niet 115 meer specifiek, het actief volgen van de waarschijnlijk Plotselinge en forse rentestijging. Dit kan leiden tot financiële druk op kasgeldlimiet en renterisiconorm, en het opstellen en niet langlopende leningen en projectfinanciering, met mogelijk gevolgen voor de van een rentevisie en deze opnemen in de onwaarschijnlijk begroting. Dit risico neemt toe naarmate de investeringsportefeuille en de paragraaf Financiering. Het ontvangen en volgen omvang van de leningen toeneemt. van dagelijkse rente-ontwikkelingen door twee functionarissen. We stellen strategisch financieel beleid op naar aanleiding van de stijgende schuldquote in de meerjarenbegroting 2026-2029. Overige risico's 1.286 Totaal benodigde weerstandscapaciteit 27.593
2.5 Weerstandsvermogen Het weerstandsvermogen eind 2025, exclusief het resultaat van 2025, ligt met een ratio van 2,02 boven de optimale bandbreedte van 1,2 tot 1,6. Berekening weerstandsvermogen: 55,644 miljoen euro / 27,600 miljoen euro = 2,02 Omdat het huidige weerstandsvermogen boven de optimale bandbreedte ligt is het bij de resultaatbestemming van het rekeningresultaat 2025 niet noodzakelijk om aan de algemene reserve toe te voegen. Rekening houdend met de potentiële risico's en het verwachte resultaat zoals opgenomen in de eerste tussenrapportage 2026, blijft het weerstandsvermogen binnen de optimale bandbreedte.
43
2.6 Balansprognose en financiële kengetallen Bij het beoordelen van de hoogte en de ontwikkeling van de ratio's moet gekeken worden naar de samenhang tussen ratio's en ontwikkeling ervan in de tijd. De uitkomst van een individuele ratio biedt een beperkt inzicht. Het aantal ratio's is beperkt tot de meest belangrijke voor de interne beoordeling van de financiële positie. Deze selectie van ratio's wordt ook door de toezichthouder gebruikt en door het BBV verplicht voorgeschreven. De waarden van de kengetallen zijn ingedeeld in drie categorieën. Deze categorieën sluiten aan bij de landelijk afgesproken signaleringswaarden. Categorie A is het minst risicovol, categorie C het meest. Mede gezien de ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt is het goed de financiële kengetallen of ratio’s in beeld te hebben. Deze ratio’s zijn verhoudingsgetallen op basis van de balans- en/of exploitatiecijfers. Samen met het weerstandsvermogen kunnen we een beeld vormen van hoe de gemeente er in financieel opzicht voorstaat. Weerbaarheid: kan de gemeente tegen een stootje? Netto schuldquote: Het kengetal netto schuldquote geeft de verhouding weer tussen de netto schuldenlast en de totale baten van de gemeente en geeft een indicatie va de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie.
De netto schuldenlast zijn het totaal van de langlopende en kortlopende schulden verminderd met het totaal van de langlopende (behalve verstrekte leningen) en kortlopende vorderingen. Een verhouding van 100% betekent dat de netto schuldenlast even hoog is als de totale baten van de gemeente. De signaalwaarden bij dit kengetal zijn oranje bij 90-130% (categorie B) en rood bij >130% (categorie C). Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen: De netto schuldenlast kan leningen bevatten die de gemeente heeft afgesloten en die vervolgens zijn doorgeleend aan bijvoorbeeld woningcorporaties. Omdat die woningcorporaties op hun beurt jaarlijks aflossen dekt dit een deel van de rentelasten en de aflossingen in de exploitatie van de gemeente. Dit verlaagt de netto schuldquote. Om inzicht te krijgen in het effect van het doorlenen is er het kengetal netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen. De signaalwaarden zijn gelijk aan die van de netto schuldquote. Solvabiliteit: Dit kengetal geeft het procentuele aandeel van het eigen vermogen op het totaal van het vermogen en geeft aan in hoeverre een organisatie op de lange termijn aan de financiële verplichtingen kan voldoen. De algemeen gehanteerde streefwaarde is minimaal 20% (eigen vermogen / totale vermogen), maar liever meer dan meer dan 30%.
Grondexploitatie: Het kengetal grondexploitatie geeft aan hoe groot de grondpositie (de waarde van de grond) is ten opzichte van de totale (geraamde) baten van de gemeente. Dit geeft inzicht in welke mate de grondexploitatie (op termijn) kan bijdragen aan de verlaging van de schuld. De signaalwaarden bij dit kengetal zijn oranje bij 20-35% (categorie B) en rood bij >35% (categorie C). Wendbaarheid: heeft de gemeente ruimte om bij te sturen? Structurele exploitatieruimte: Dit kengetal geeft aan hoe groot de structurele exploitatieruimte is. De som van de structurele baten minus de structurele lasten en de structurele onttrekkingen minus de structurele toevoegingen aan de reserves wordt vergeleken met de totale baten vóór de mutaties reserves. Een positief percentage betekent dat de structurele baten toereikend zijn om de structurele lasten te dekken. De signaalwaarden bij dit kengetal zijn oranje bij 0% (categorie B) en rood bij 105% (categorie C). Belastingcapaciteit: Het kengetal belastingcapaciteit geeft inzicht in de mate waarin in het volgende begrotingsjaar financiële tegenvallers of ruimte voor nieuw beleid kan worden opgevangen met een belastingverhoging. Om deze ruimte weer te kunnen geven is een ijkpunt nodig, in dit geval de landelijk gemiddelde tarieven.
De belastingcapaciteit wordt gerelateerd aan de hoogte van de gemiddelde woonlasten (OZB, rioolheffing en afvalstoffenheffing). Naast de OZB wordt gekeken naar de riool- en afvalstoffenheffing, omdat deze heffingen niet kostendekkend behoeven te zijn, maar ook lager mogen worden vastgesteld (er is dan sprake van belastingcapaciteit die niet benut wordt). De signaalwaarden bij dit kengetal zijn oranje bij 95105% (categorie B) en rood bij >105% (categorie C).
44
Toelichting ontwikkeling kengetallen Weerbaarheid
1a Netto schuldquote De schuldquote is ten opzichte van de realisatie 2024 stabiel gebleven, omdat de stijging van de netto schuldenlast ongeveer gelijk was aan de stijging van het totale saldo van baten. De netto schuldenlast wordt berekend door de som van de langlopende schulden, kortlopende schulden en overlopende passiva te verminderen met de som van de financiële activa (uitzettingen > 1 jaar), uitzettingen < 1 jaar, liquide middelen en overlopende activa. De hogere netto schuldenlast komt omdat de schulden meer zijn toegenomen dan de uitzettingen. Bij de schulden gaat dit voornamelijk om € 10 miljoen hogere kortlopende schulden door het aantrekken van een kortlopende lening. Bij de uitzettingen gaat het vooral om € 4 miljoen hoger saldo schatkistbankieren. Het kengetal is beter dan de begroting 2025, met name door lagere vaste schulden en hogere baten. De lagere langlopende financieringsbehoefte komt omdat er minder investeringen zijn gedaan dan begroot. Dit wordt verklaard door een combinatie van factoren. Een deel van de projecten is vertraagd, gefaseerd uitgevoerd of doorgeschoven naar latere jaren. Dit heeft ook effect op de kasstroomprognoses, wat leidt tot een latere activering en daarmee een vertraging in de kapitaallasten. De hogere baten worden met name veroorzaakt door hogere specifieke en algemene uitkering.
De netto schuldquote ligt onder de streefwaarde die de VNG hanteert. 1b Gecorrigeerde netto schuldquote Dit kengetal geeft het effect aan als alle aan derden verstrekte geldleningen buiten beschouwing worden gelaten. Evenals bij de netto schuldquote ligt de realisatie 2025 op hetzelfde niveau als de realisatie 2024, maar onder de begroting 2025. Hiervoor geldt dezelfde verklaring als bij de netto schuldquote, omdat het totaal aan derden verstrekte leningen slechts weinig is gewijzigd. Ook dit kengetal ligt beneden de streefwaarde die de VNG hanteert. 2. Solvabiliteit De solvabiliteit is stabiel gebleven ten opzichte van boekjaar 2024 en ligt ruim boven de minimale streefwaarde van 30%. Het eigen vermogen is in gelijke mate meegegroeid met de groei van de totale balans (met name als gevolg van de investeringen in vaste activa). 3. Kengetal grondexploitatie Dit kengetal geeft aan hoe groot de waarde van de bouwgronden (in exploitatie + niet in exploitatie) is ten opzichte van de totale inkomsten van de gemeente. Dit is belangrijk om te kunnen beoordelen of de gemeente veel geïnvesteerd heeft in bouwgronden in exploitatie en wellicht daar risico’s over loopt en of er een reële verwachting is dat bij verkoop van deze gronden eventuele schulden kunnen worden afgelost.
In het algemeen geldt: hoe lager dit percentage hoe lager het risicoprofiel met betrekking tot het terugverdienen van de investeringen in de grondexploitaties. In 2025 is dit kengetal met 2 procentpunt gedaald omdat er foutherstel heeft plaatsgevonden waardoor de begin boekwaarde met terugwerkende kracht lager uitkomt dan in 2024. De uitkomst is binnen de norm. Zie voor een uitgebreide toelichting op de grondposities ook de paragraaf grondbeleid.
Toelichting ontwikkeling kengetallen Wendbaarheid
4. Structurele exploitatieruimte Dit kengetal kan door de jaren heen fluctueren, afhankelijk van de structurele baten en lasten in die jaren. In principe is elke positieve uitkomst goed, hoewel een te hoog positief percentage een indicatie kan zijn van
45
minder realistisch begroten. Voor 2025 is de uitkomst 6,2%, wat vergelijkbaar is met vorig jaar (6,3%), maar boven het begrote kengetal van 2,4% ligt. Dit laatste komt doordat het werkelijke structurele begrotingsoverschot relatief meer voordelig afwijkt van de begroting dan de totale baten van de begroting afwijken. 5. Onbenutte belastingcapaciteit Voor boekjaar 2025 zijn de totale woonlasten van een gemiddeld gezin binnen de gemeente Barneveld 4,8% lager dan het landelijk gemiddelde. Dat is een lichte daling ten opzichte van boekjaar 2024 (5,4%), wat betekent dat in 2025 de gemiddelde landelijke woonlasten procentueel minder hard zijn gestegen dan die van gemeente.
Tabel financiële kengetallen Kengetallen Netto schuldquote Netto schuldquote gecorr. voor verstrekte leningen Solvabiliteitsratio Grondexploitatie Structurele exploitatieruimte Gemeentelijke belastingcapaciteit
Rekening 2021 132,5% 124,0% 27,2% 39,5% 100,6%
2022 123,1% 114,5% 30,6% 24,4% 3,3% 94,8%
2023 90,5% 83,9% 34,8% 23,1% 2,1% 96,0%
Begroting 2024 106,8% 99,5% 35,3% 25,8% 6,3% 94,6%
2025 105,3% 98,4% 32,9% 23,8% 6,2% 95,2%
2025 146,7% 139,5% 28,1% 29,0% 2,4% 97,4%
Op basis van de uitkomst van de financiële kengetallen hierboven, is de conclusie dat de financiële positie van de gemeente goed is. Het geeft de gemeente de ruimte om zelfstandig financiële beslissingen te blijven nemen. Er wordt gewerkt aan een meerjarige financiële strategie, waar onder ander ingegaan zal worden op de ontwikkeling van de langlopende schulden en het effect hiervan op de netto schuldquote en andere kengetallen.
46
Paragraaf 3 Onderhoud kapitaalgoederen
3.1 Inleiding Het onderhoud van de kapitaalgoederen legt een aanzienlijk beslag op de financiële middelen van de gemeente. Kapitaalgoederen zijn verdeeld naar de categorieën wegen, water & riolering, groen en gebouwen. In deze paragraaf wordt ingegaan op het beleidskader, de beheerplannen en de financiële consequenties. In de beheerplannen legt de gemeenteraad de kaders vast voor de uitvoering van het onderhoud aan de kapitaalgoederen. Het niveau van het onderhoud en de kwaliteit van de kapitaalgoederen zijn bepalend voor het voorzieningenniveau en de jaarlijkse lasten. Met de vaststelling van de programmabegroting machtigt de raad het college van burgemeester en wethouders om de uitgaven ten laste van de betreffende onderhoudsvoorzieningen te doen. In dit jaarverslag wordt weergegeven wat de werkelijke mutaties zijn. Bedragen genoemd in deze paragraaf zijn in duizenden euro’s (x € 1.000).
3.2 Wegen Beleidskader
Doel: Wat willen we bereiken en binnen welke kaders? Het voornaamste doel is het uiterlijk eind 2026 bereiken van een gemiddeld kwaliteitsniveau Basis. Met dit kwaliteitsniveau zorgen we voor veilig begaanbare wegen en voldoen we aan onze wettelijke verplichtingen. Uit de onlangs vastgestelde rapportage kwaliteitsontwikkeling blijkt dat we op dit moment we het gewenste kwaliteitsniveau hebben bereikt. Het is nu zaak dit kwaliteitsniveau vast te houden. Inhoud: Wat hebben we in 2025 gedaan om het gewenste kwaliteitsniveau te bereiken? Het beheer van de gemeentelijke wegen bestaat uit: • Kleinschalig onderhoud om onveilige situaties te voorkomen en te verhelpen. • Grootschalig onderhoud om de wegen in stand te houden. Elk jaar stelt het college een uitvoeringsplan voor groot onderhoud vast, dat ter informatie aan de raad wordt voorgelegd. • Investeringen voor het vervangen van verouderde wegen, Levensduurverlengend Onderhoud (LVO) en de aanleg van bermbeton. De realisatie hiervan gebeurt zoveel mogelijk binnen projecten. Elk jaar stelt de raad een uitvoeringsplan voor investeringen vast. Monitoren kwaliteitsontwikkeling Iedere 2 jaar wordt er een kwaliteitsmeting (weginspectie) door een externe, hierin gespecialiseerde, partij uitgevoerd. De resultaten worden via een rapportage over de kwaliteitsontwikkeling door het college vastgesteld en ter informatie voorgelegd aan de raad.
Uit de laatste rapportage blijkt dat we voldoen aan een gemiddeld kwaliteitsniveau Basis. Financiën: hoe vindt de financiering plaats? • Kleinschalig onderhoud direct vanuit de exploitatie; • Grootschalig onderhoud via structurele stortingen/onttrekkingen vanuit de exploitatie in de voorziening onderhoud wegen, gebaseerd op het Beheerplan wegen. Vanaf de begroting 2025 is een extra storting van structureel € 50.000 opgenomen, zodat de voorziening van voldoende omvang blijft. • Investeringen via het Meerjaren Investeringsplan (MIP). Per investering (project) is een krediet beschikbaar. Risico's • Financiën: per 1 januari 2025 geldt een nieuwe richtlijn voor het gebruik van lage temperatuur asfalt. Waarschijnlijk stijgt hierdoor de kostprijs van asfalt. Daarnaast zijn ook andere onvoorziene prijsstijgingen denkbaar. Zie ook het aspect ‘kwaliteit’ en de invloed daarvan op de financiën. • Kwaliteit: de kwaliteit van de nieuwe asfaltsoorten is minder goed dan de asfaltsoorten die voorheen werden toegepast. Hierdoor gaat het asfalt minder lang mee en is eerder onderhoud of vervanging nodig. Dit leidt o.a. tot hogere kosten, • Capaciteit: door de krappe arbeidsmarkt is het lastig om goed personeel te werven en vast te houden. • Tijd: steeds meer invloed door andere projecten/wegwerkzaamheden (ook die van andere wegbeheerders), waarbij gelijktijdige uitvoering niet mogelijk is.
Daarnaast de beperktere periode van uitvoering door de nieuwe richtlijn voor lage temperatuur asfalt. Het advies is dit asfalt na oktober niet meer te verwerken. Voorheen werd asfalt tot eind december verwerkt. • Bereikbaarheid: door het toenemend aantal projecten/wegwerkzaamheden en de toename van de verkeersintensiteit (Barneveld groeit) wordt het bereikbaar houden van de gemeente Barneveld steeds lastiger. Beleidskader Als gemeente hebben we de wettelijke plicht onze wegen op een verantwoorde wijze te beheren en te onderhouden. We hanteren hiervoor een gemiddeld kwaliteitsniveau Basis, zoals in 2016 door de raad is vastgesteld. Aanvullend hierop is in 2022 het Beheerplan wegen 2023-2027 vastgesteld door de raad. In het beheerplan is de aanpak uitgewerkt om een gemiddelde kwaliteitsniveau Basis tijdig (uiterlijk eind 2026) te bereiken. Op basis van de inzichten vanuit het beheerplan zijn de hiervoor benodigde aanvullende financiële middelen beschikbaar gesteld. Bovendien wordt met het beheerplan voldaan aan de aangescherpte regelgeving vanuit het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV).
Status In 2025; • Is, vanwege een toename van het oppervlak aan wegen, een structureel aanvullend budget beschikbaar gesteld voor onderhoud; • Zijn de investeringsopgaven vanuit beheer wegen uitgevoerd op basis van het uitvoeringsplan MIP 2025; • Zijn de geplande onderhoudslocaties uitgevoerd op basis van het Uitvoeringsplan onderhoud wegen 2025; • Bleek voor een deel van de investeringsopgaven en de onderhoudslocaties realisatie in 2025 niet haalbaar. De realisatie daarvan vindt op een later moment alsnog plaats; • Heeft , om de kwaliteitsontwikkeling te monitoren, een kwaliteitsmeting plaatsgevonden. De resultaten van deze meting zijn als volgt: Asfaltverhardingen: • Afgerond 90% (89,7%) voldoet aan kwaliteitsniveau Basis ten opzichte van 87% in 2024. Dat is een verbetering van +3%. • Afgerond 10% heeft een kwaliteitsniveau lager dan Basis. De richtlijn (en onze ambitie) is dat dit
47
aandeel maximaal 10% mag zijn. Dat betekent dat we voldoen aan de richtlijn. Elementenverhardingen: • Afgerond 90% (90,4%) voldoet aan kwaliteitsniveau Basis ten opzichte van 85% in 2024. Dat is een verbetering van +5%. • Afgerond 10% heeft een kwaliteitsniveau lager dan Basis. De richtlijn (en onze ambitie) is dat dit aandeel maximaal 10% mag zijn. Dat betekent dat we voldoen aan de richtlijn. Voorziening In onderstaande tabellen wordt een overzicht gegeven van de onttrekkingen en stortingen in de voorziening groot onderhoud wegen met een specificatie van de projecten waar deze betrekking op hebben.
Voorziening groot onderhoud wegen
Voorziening Groot onderhoud wegen Voorziening Groot onderhoud wegen
Saldo 1-1-2025 1.408
Stortingen 2.746
bedragen x € 1.000 OnttrekSaldo kingen 31-12-2025 - 4.044 110
Stortingen groot onderhoud wegen bedragen x € 1.000 Specificatie storting groot onderhoud wegen - dotatie vanuit primaire begroting Totaal
Bedrag 2.746 2.746
Onttrekkingen groot onderhoud wegen bedragen x € 1.000 Specificatie onttrekking groot onderhoud wegen
Bedrag
Goudenstein
51
Woudseweg
53
Kootwijkerbroek
59
Zwartebroek
60
Topperbinnenweg
65
Houtzagersweg
75
Lijsterhof
76
Groen van Prinstererlaan
81
Rootselaar West
122
Harselaar Oost
125
De Vaarst
131
De Burgt en Briellaerd
166
Archimedesstraat
166
Oldenbarnevelderweg
174
Garderen
220
de Maat
271
Norschoten
271
Slotstraat
288
Plantagelaan
329
Buitengebied Stroe Elementenverharding en diverse locaties Totaal
515 746 4.044
3.3 Riool Beleidskader
Riolering Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2021-2026 is de uitwerking van de verplichting vanuit de Wet Milieubeheer om de water- en riooltaken en de financiering hiervan vast te leggen. De kern van het GRP is de uitwerking van de gemeentelijke zorgplicht voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Daarnaast is er extra aandacht voor oppervlaktewater, klimaatadaptatie, duurzaamheid en samenwerking. Jaarlijks wordt via het MIP en het bijbehorende uitvoeringsplan een overzicht aan de raad gegeven van de uit te voeren activiteiten en maatregelen. Financiële consequenties Inkomsten en uitgaven voor riolering worden toegelicht in programma 3 Woon- en Leefomgeving. Alle uitgaven voor de riolering mogen worden doorberekend in de rioolheffing. De begrote inkomsten en uitgaven voor de riolering zijn met elkaar in evenwicht. Een eventueel voor- of nadeel in een jaar wordt verrekend via de voorziening riolering. Mutatie van de voorziening De voorziening, met als doel fluctuatie van de tarieven te voorkomen, is dit jaar aangesproken om het tekort binnen het beleidsproduct te dichten. De afwijkingen op product niveau zijn toegelicht in bij de financiële analyse van product 325. Per saldo resulteert het totaal aan afwijkingen in een onttrekking uit de voorziening van € 144.000.
48
Egalisatievoorziening riolering GRP Egalisatievoorziening riolering GRP
Saldo 1-1-2025 2.329
Stortingen -
bedragen x € 1.000 OnttrekSaldo kingen 31-12-2025 - 143 2.186
bedragen x € 1.000 Specificatie onttrekking/storting voorziening riolering
Begroting 2025
Rekening 2025
Lasten Exploitatiekosten Extracomptabele toerekening kosten Totaal lasten
4.719 1.751 6.470
5.096 1.431 6.527
Baten Inkomsten rioolheffing Overige baten Totaal baten
6.420 44 6.464
6.380 3 6.383
8 8
144 144
Verschil lasten-baten Mutatie egalisatievoorziening VGRP
3.4 Groen Beleidskader
Beleidskader Zowel het bomenbeleidsplan als het groenbeheerplan zijn in ontwikkeling. Beiden zijn dit jaar in concept gereed. Vaststelling heeft begin 2026 plaats gevonden. Financiële consequenties De kosten voor beheer en onderhoud van Groen zijn opgenomen in de exploitatiebegroting. Daarnaast zijn er in het Meerjaren Investerings Programma (MIP) investeringen opgenomen voor de vervanging van Groen.
3.5 Gebouwen Beleidskader
Het bezit van vastgoed is geen doel op zich. Gemeentelijk vastgoed moet altijd een maatschappelijk of strategisch belang dienen, bijvoorbeeld bij gebiedsontwikkeling, en bijdragen aan de uitvoering van gemeentelijke taken en doelstellingen. De komende jaren staan we voor de uitdaging om het voorzieningenniveau op peil te houden en in te spelen op de groei van onze gemeente. Die groei vergroot de behoefte aan maatschappelijke voorzieningen en daarmee ook aan maatschappelijk vastgoed. Om in de toekomst te blijven voorzien in passende voorzieningen die bijdragen aan de ambities, leefbaarheid en het welzijn van onze inwoners, is een heldere vastgoedstrategie nodig, inclusief een langetermijnplanning voor het gemeentelijk vastgoed. Alleen met een integraal vastgoedbeleid kunnen we ons vastgoed duurzaam beschikbaar, betaalbaar en passend houden en verbanden leggen tussen de verschillende opgaven. In 2025 is hiervoor een bestuursopdracht vastgesteld; in 2026 volgen de Beleidskaders Vastgoed die aan de gemeenteraad worden voorgelegd. Technisch beheer Door goed onderhoud, en rekening houdend met de technische kwaliteitsaspecten voor veiligheid & gezondheid, wordt de levensduur verlengd en de waarde van het vastgoed geborgd. Technisch onderhoud is dan ook een kerntaak van het team Vastgoed.
Wanneer we spreken over technisch onderhoud wordt het onderscheid gemaakt tussen: 1- Planmatig onderhoud (ook wel ‘meerjarig onderhoud’) 2- Niet planmatig onderhoud (ook wel ‘jaarlijks onderhoud’), dit betreft correctief, preventief en dagelijks onderhoud Het minimale onderhoudsniveau voor het gemeentelijk vastgoed is conditiescore 3 uit de NEN2767. Dit is het laagste onderhoudsniveau waarbij er geen achterstallig onderhoud optreedt. Rapportage planmatig onderhoud De rapportage Planmatig onderhoud 2025-2044 geeft inzicht in de benodigde financiële middelen voor het meerjarig onderhoud. Jaarlijks wordt het overzicht geactualiseerd met geplande werkzaamheden, wijzigingen in het gebouwenbestand en aangepaste wet- en regelgeving. Het efficiënt uitbesteden van onderhoud blijft daarbij een structureel aandachtspunt. Waar mogelijk worden verduurzamingsmaatregelen gekoppeld aan natuurlijke vervangingsmomenten. Zo groeit het meerjarenonderhoudsplan geleidelijk uit tot een Duurzaam Meerjarenonderhoudsplan (DMJOP). Bij de keuze om onderhoud wel of niet uit te voeren, wordt steeds rekening gehouden met de verwachte gebruiksduur van het vastgoedobject. Vastgoedportefeuille De gemeente Barneveld heeft medio 2024 140 maatschappelijke vastgoed (deel)objecten, waarvan voor 55 (deel)objecten het juridisch eigendom is overgedragen aan scholen, buurthuizen of verenigingen.
Voor 85 (deel)objecten wordt het planmatig onderhoud gedekt uit de Voorziening Onderhoud Gebouwen. Dit betreft objecten voor onder andere gemeentelijke diensten, kleedruimten op buitensportcomplexen, binnensportaccommodaties, zwembaden, de Veluwehal, buurthuizen, opstallen bij begraafplaatsen, monumentale kerktorens, parkeergarage (Transferium Noord) en brandweergarages waaronder het hulpverleningscentrum. Voorziening onderhoud gemeentelijke gebouwen
49
Voorziening Onderhoud gemeentelijke gebouwen Voorziening Onderhoud gem. gebouwen
Saldo 1-1-2025 4.815
Stortingen 1.641
bedragen x € 1.000 OnttrekSaldo kingen 31-12-2025 - 814 5.642
bedragen x € 1.000 Specificatie onttrekking voorziening gemeentelijke gebouwen
Bedrag
Kerktoren Voorthuizen Brandweerkazerne Voorthuizen HVC Barneveld Veluwehal Barneveld Sporthal de Voorde Korenmolen de Hoop Garderen Oosterbosbad Barneveld
27 35 51 51 63 72 291
- Overige gebouwen Totaal
224 814
3.6 Water Beleidskader
Het onderdeel water valt binnen het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2021-2026 en omvat onder andere beheer en onderhoud van afkoppelvoorzieningen (deze voorzieningen zorgen ervoor dat regenwater niet in het riool terecht komt maar in de bodem zakt), ecozones, moerassen, sloten, paddenpoelen én oppervlaktewater(bodems). Ook het beheer en onderhoud van civieltechnische water gerelateerde werken, zoals beekriolen, duikers, beschoeiingen en fonteinen hoort in deze categorie. De ambitie is: het watersysteem op orde brengen en houden; met de (water)partners de water gerelateerde opgaven oplossen door zoveel mogelijk voor ruimtelijke oplossingen te kiezen waarbij het water tegelijk een rol kan spelen in het vergroenen en verkoelen van de stad en het vergroten van de biodiversiteit. Samen met het waterschap wordt gewerkt aan een verdere verduurzaming van de (afval)waterketen. Een reguliere taak is het dagelijks beheer van de water-gerelateerde beheerobjecten en het groot onderhoud door vervanging en reparatie. Binnen het programma worden diverse projecten uitgevoerd. De belangrijkste zijn: maatregelen tegen wateroverlast, waterkwaliteitsmaatregelen, groot onderhoud en verbeteringen van het watersysteem, beekherstel en diverse afkoppelprojecten.
Financiële consequenties
Het beheer en onderhoud van water-gerelateerde beheerobjecten wordt nu projectgewijs vormgegeven en wordt parallel hieraan (tijdens deze inhaalslag) omgevormd tot een systematische aanpak. De uitgaven hiervoor mogen worden doorberekend in de rioolheffing.
50
Paragraaf 4 Financiering
4.1 Inleiding Onder financiering wordt het aantrekken van geldleningen verstaan. Om te kunnen investeren of om de exploitatie te kunnen dekken, wordt vreemd geld aangetrokken. Als de inkomsten van de gemeente (vanuit de algemene uitkering en de belastingen) niet gelijk lopen met de uitgaven, wordt bijvoorbeeld zogenaamd kort vreemd geld in de vorm van een kasgeldlening aangetrokken, dit zijn geldleningen met een looptijd korter dan een jaar. Zoals uit het treasurystatuut volgt worden in deze paragraaf het beleid, de kansen en risico’s rond financiering uiteengezet.
4.2 Beleid Een algemeen uitgangspunt van treasury is om het renterisico te beheersen en de rentekosten zo laag mogelijk te houden. Uiteraard passend binnen de kaders zoals opgenomen in het 'Treasurystatuut 2025', die weer gebaseerd zijn op onder andere de Wet Fido. Bij het aantrekken of uitzetten van geld is het van belang dat slechts beperkt risico wordt genomen bij het oversluiten (consolideren) van kasgeldleningen. Daarom worden vaste geldleningen voor (grote) investeringen aangetrokken op momenten dat de rente gunstig is en wordt het tijdelijk overschot aan liquide middelen zo beperkt mogelijk gehouden. Binnen Gemeente Barneveld is er een treasuryklankbordgroep die als doel heeft de activiteit treasury te evalueren en door te ontwikkelen. Voor het liquiditeitsbeheer zijn afspraken met de bank gemaakt voor het dagelijkse afromen van overtollige saldi op de rekeningen-courant bij de bank. Omdat de financiering van de gemeente in zijn totaliteit wordt beheerd, werken wij met een product 'treasury' waarop de kosten (rentelasten) en opbrengsten (rentebaten) begroot en geboekt worden. Op basis van de totale leningenportefeuille wordt vervolgens gerekend met een gemiddeld rentepercentage. Na verrekening van aan de facilitaire grondexploitatie door te belasten rente en van derden ontvangen rente ontstaat de aan de taakvelden toe te rekenen rentekosten.
Als dit totaal bedrag wordt afgezet tegen de totale materiële vaste activa ontstaat de omslagrente. Het BBV schrijft voor om deze rentekosten aan de taakvelden toe te rekenen.
4.3 Financiële aspecten Renteontwikkeling In de grafiek van de renteontwikkeling van de geldleningen portefeuille van de gemeente over 2016 t/m 2025 is te zien dat de rente tot en met 2021 daalde en vanaf midden 2022 weer stijgt. Het gemiddeld gewogen rentepercentage bedroeg over het jaar 2025 2,11% (2024 was 1,90%). De stijging komt door de renteontwikkeling op de kapitaalmarkt, die de afgelopen jaren ook een stijging van de rente liet zien. Daarbij zien we dat de rentes voor de verschillende looptijden langer dan 1 jaar nog altijd dicht bij elkaar liggen. De korte termijn rente (6 maanden Euribor) lag gedurende het hele jaar onder de lange termijn rentes. Treasuryresultaat Op het beleidsproduct Treasury vindt u de financiële resultaten van onze rente. Zowel de rentekosten als de renteopbrengsten worden daar verantwoord. De rentekosten zijn de kosten over onze opgenomen (geld)leningen. De renteopbrengsten worden gevormd door de ontvangen rente op uitstaande leningen en de rente die we ontvangen over onze overtollige middelen bij de schatkist. Daarnaast wordt binnen het beleidsproduct Treasury ontvangen dividend en terugontvangen dividendbelasting verantwoord.
Rente ontwikkeling leningportefeuille
Renteontwikkeling meerjarig
51
Renteontwikkeling lopend jaar
Schatkistbankieren
Alle decentrale overheden zijn verplicht om hun overtollige middelen in de schatkist aan te houden. Het woord ‘overtollig’ verwijst naar alle middelen die decentrale overheden niet onmiddellijk nodig hebben voor het uitvoeren van de publieke taak. Alle deelnemers aan het schatkistbankieren hebben een privaatrechtelijke rekening-courantovereenkomst met de Staat der Nederlanden. De rekening-courant bij de schatkist is gekoppeld aan de BNG-bankrekening van de gemeente Barneveld. Via die bankrekening worden middelen naar de schatkist geboekt en weer teruggehaald. Dagelijks wordt het saldo boven de € 350.000 op de BNGbankrekening automatisch afgeroomd naar de schatkist. Het van de schatkist terug naar de BNG-bankrekening overboeken moet handmatig plaatsvinden. Over het algemeen heeft Barneveld een financieringsbehoefte en is er geen sprake van een structureel financieringsoverschot. Sporadisch is er sprake van een tijdelijk financierings- of liquiditeitsoverschot. Door de invoering van het schatkistbankieren moeten gemeenten in de toelichting op de balans rapporteren over het drempelbedrag (het maximum bedrag dat de gemeente aan liquiditeiten in eigen beheer mag aanhouden) en het bedrag aan liquiditeiten die buiten de schatkist zijn aangehouden. Het drempelbedrag is 2% van het begrotingstotaal.
Zoals in de tabel af te lezen is, blijven de aangehouden liquide middelen buiten de schatkist per kwartaal op dagbasis gemiddeld ruim onder het drempelbedrag. Hiermee geeft de gemeente uitvoering aan de wet betreffende het schatkistbankieren.
Tabel schatkistbankieren bedragen x € 1.000 Schatkistbankieren Kwartaalcijfer op dagbasis buiten 's Rijks schatkist aangehouden middelen (1a) Som van de per dag buiten 's Rijks schatkist aangehouden middelen (negatieve bedragen tellen als nihil) (1b) Dagen in het kwartaal (1) = (1a) / (1b) Kwartaalcijfer op dagbasis buiten 's Rijks schatkist aangehouden middelen Drempelbedrag (2a) (2b)
(2) = nieuwe berekening
Begrotingstotaal verslagjaar Het deel van het begrotingstotaal dat kleiner of gelijk is aan € 500 miljoen Het deel van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te boven gaat Drempelbedrag vanaf 1 juli 2021
(3a) = (2) > (1) (3b) = (1) > (2)
Ruimte onder het drempelbedrag Overschrijding van het drempelbedrag
(2c)
1e kwartaal
2e kwartaal
3e kwartaal
4e kwartaal
31.625
32.205
28.622
32.512
90
91
92
92
351
354
311
353
191.810 191.810
191.810 191.810
191.810 191.810
191.810 191.810
-
-
-
-
3.836
3.836
3.836
3.836
3.485
3.482
3.525
3.483
Ontwikkeling financieringsbehoefte
In de begroting 2025 is rekening gehouden met een aanvullende langlopende financieringsbehoefte van € 55,4 miljoen en € 18,9 miljoen aan aflossingen in de loop van het jaar. In de realisatie van 2025 is er één langlopende lening van € 20 miljoen afgesloten en is er in totaal € 18,9 miljoen afgelost. De nieuw aangetrokken langlopende geldlening heeft een looptijd van 10 jaar en een rentepercentage van afgerond 2,89%.
Financieringsbehoefte bedragen x € 1.000 Financieringsbehoefte Stand van de opgenomen leningen per 1 jan. Aflossingen in de loop van het jaar Aangetrokken nieuwe leningen Stand van de opgenomen leningen per 31 dec.
Rekening 2025 190.726 - 18.930 20.000 191.796
4.4 Risicobeheer In de Wet Fido zijn kaders opgenomen ter beperking van het renterisico op de netto vlottende schuld (kasgeldlimiet) en het renterisico op de vaste schuld (renterisiconorm). Renterisico’s kunnen ook met behulp van derivaten afgedekt worden, de gemeente Barneveld maakt hier geen gebruik van. Daarnaast kan nog sprake zijn van een kredietrisico van aan derden verstrekte leningen. Renterisiconorm Op grond van de Wet Fido is voor gemeenten de zogenaamde renterisiconorm ingesteld. Doel hiervan is dat gemeenten hun leningenportefeuille zodanig spreiden, dat de renterisico’s gelijkmatig over de jaren worden gespreid bij herfinanciering en renteherziening van geldleningen. De renterisiconorm is een vastgesteld percentage berekend over de lastenkant van de begroting en geeft een aanwijzing voor de gevoeligheid van de gemeente voor veranderingen in de rente. Het volume van de jaarlijks verplichte aflossingen en de renteherzieningen moeten binnen de norm blijven. De renterisiconorm bedroeg in 2025 € 38,4 miljoen, terwijl het totaal van de aflossingen (€ 18,9 miljoen) daar onder lag. Dit betekent dat gemeente Barneveld in 2025
52
binnen de norm is gebleven. Kasgeldlimiet Om het risico van kortlopende financiering te beperken is in de Wet Fido de kasgeldlimiet vastgesteld. De kasgeldlimiet is een vastgesteld percentage berekend over de lastenkant van de begroting en wordt per kwartaal beoordeeld. De kortlopende (vlottende) financiering (rekening-courant en kasgeldleningen) mag deze limiet niet meer dan twee kwartalen achtereen overschrijden. Is dat wel het geval, dan dient de gemeente een plan te maken om binnen de limiet te komen, bijvoorbeeld door over te gaan tot consolidatie. Dat wil zeggen het omzetten van kortlopende (vlottende) schuld in langlopende financiering, waarmee voor een vaste rente kan worden gekozen en het renterisico kan worden beperkt. In alle kwartalen is de gemiddelde netto vlottende schuld van de Gemeente Barneveld binnen de kasgeldlimiet van € 16,3 miljoen gebleven. Verstrekte leningen In 2025 zijn de verstrekte leningen afgenomen met per saldo € 0,4 miljoen. Dit komt hoofdzakelijk doordat er meer afgelost is dan dat er nieuwe leningen zijn verstrekt. De toename van de vertrekte leningen betreft voornamelijk leningen vanuit het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten en leningen in het sociaal domein, zoals leenbijstand en leningen in het kader van het besluit bijstandsverlening zelfstandigen.
Renteschema Het saldo van rentelasten en rentebaten wordt verantwoord op het taakveld Treasury. Voor een goed beeld van de totale kosten van de overige taakvelden, moet dit renteresultaat - na aftrek van het bedrag dat aan de grondexploitatie moet worden doorberekend - toegerekend worden aan de overige taakvelden. Dat wordt de renteomslag genoemd. Het renteschema geeft inzicht hoe deze door- en toerekening gebeurt, zowel voor de actuele begroting (voorcalculatie) als voor de rekening (nacalculatie). De renteomslag wordt uitgedrukt in een omslagrentepercentage. De basis hiervoor is de boekwaarde per 1 januari van de vaste activa die bij de taakvelden horen en de voorraad gronden (vlottende activa). De werkelijke rentelasten en boekwaarden kunnen verschillen van de begrote rentelasten en boekwaarden die de basis waren voor het gecalculeerde omslagrentepercentage. Hierdoor kan het werkelijke renteresultaat dat aan de taakvelden moet worden doorbelast afwijken van het begrote renteresultaat dat aan de taakvelden is doorbelast. Als deze afwijking groter is dan 25%, dan moet de gemeente de doorbelasting aan de taakvelden aan het eind van het jaar corrigeren om de opgetreden afwijking ongedaan te maken. In 2025 was de afwijking meer dan 25% en daarom heeft de gemeente Barneveld een correctie gemaakt.
De afwijking kwam doordat in de actuele begroting de rentelasten wel naar beneden waren bijgesteld, maar de aan de taakvelden door te belasten rente niet. De lagere rentelasten waren het gevolg van minder langlopende schuld dan begroot door minder investeringen dan begroot.
Renterisiconorm bedragen x € 1.000 Jaar Jaar 2025 2024
Renterisico Renterisico op vaste schulden Renteherziening o/g Renteherziening u/g Netto saldo herziening Aflossingen Renterisico vaste schulden
18.930 18.930
18.430 18.430
Toegestane renterisiconorm Omvang begroting (=grondslag) Renterisiconorm (in % van de grondslag) Minimumbedrag (wettelijk bepaald) Toegestane renterisiconorm
191.810 20% 2.500 38.362
175.828 20% 2.500 35.166
19.432
16.736
Toets renterisiconorm Onderschrijding Overschrijding
Tabel Kasgeldlimiet
Kasgeldlimiet Netto vlottende schuld Omvang vlottende schulden - Bankschulden - Kasgeldleningen (looptijd < 1 jaar) Omvang vlottende schulden Omvang vlottende middelen - Liquide middelen - Overige uitstaande gelden (looptijd < 1 jaar) Omvang vlottende middelen Netto vlottende schuld Toegestane kasgeldlimiet Omvang begroting (=grondslag) Kasgeldlimiet (in % van de grondslag) Toegestane kasgeldlimiet Toets kasgeldlimiet Onderschrijding Overschrijding
bedragen x € 1.000 3e 4e kwartaal kwartaal
1e kwartaal
2e kwartaal
12.000 12.000
12.000 12.000
12.000 12.000
12.000 12.000
8.698 8.698
11.389 11.389
23.084 23.084
21.052 21.052
3.302
611
- 11.084
- 9.052
191.810 8,5% 16.304
191.810 8,5% 16.304
191.810 8,5% 16.304
191.810 8,5% 16.304
13.002
15.693
27.388
25.356
Verstrekte leningen
Verstrekte leningen Stand van de verstrekte leningen per 1 jan. Nieuw verstrekte leningen Aflossingen in de loop van het jaar Stand van de verstrekte leningen per 31 dec.
bedragen x € 1.000 Rekening 2025 15.049 188 - 560 14.677
Renteschema
53
bedragen x € 1.000 Renteschema a. Externe rentelasten over de korte en lange financiering b. Externe rentebaten (idem)
(+) (+)
Saldo rentelasten en rentebaten
Actuele Begroting
Rekening 2025
Verschil
- 4.747 630
- 4.601 626
146 V -4N
- 4.117
- 3.975
142 V
c1. Rente die aan de facilitaire grondexploitaties (kostenverhaal) moet worden doorberekend
(+)
-
-
-
c2. Rente van projectfinanciering die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend
(+)
-
-
-
c3. Rentebaat van doorverstrekte leningen indien daar een specifieke lening voor is aangetrokken (=projectfinanciering), die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend
(-)
-
-
-
- 4.117
- 3.975
142 V
-
-
-
- 4.117
- 3.975
142 V
5.556
3.986
- 1.570 N
1.439
11
- 1.428 N
Aan taakvelden toe te rekenen externe rente d1. Rente over eigen vermogen d2. Rente over voorzieningen
(-) (-)
Totaal aan taakvelden toe te rekenen rente e. Aan taakvelden toegerekende rente (renteomslag)
(+)
f. Renteresultaat op het taakveld treasury
4.5 Garantieverplichtingen De gemeente verstrekt in beginsel geen garanties, tenzij de gemeenteraad besluit om hiervan af te wijken. Dit kan zij doen om een publiek doel te dienen, waarbij aan randvoorwaarden wordt voldaan. De mogelijkheden om deze garanties af te geven, bepaald in wet Fido en het treasurystatuut 2025, zijn beperkt. Ontwikkeling garantstellingen Begin 2025 stond de gemeente Barneveld garant voor een bedrag van € 121 miljoen. Dit bedrag is gedurende het jaar 2025 gestegen naar € 144 miljoen. De stijging wordt voornamelijk gedreven door een toename van de leningen Woningstichting Barneveld (+ € 54 miljoen), waarvoor de gemeente 50% garant staat (+ € 27 miljoen). Daar tegenover staat een afname van ongeveer € 3 miljoen in de achtervangpositie NHG voor leningen afgesloten tot 2011. Waarborgfonds Sociale Woningbouw De achtervangpositie van de gemeente in het Waarborgfonds Sociale Woningbouw vormt, samen met het aandeel van het Rijk, de derde zekerheid in de achtervangstructuur. De zekerstellingen zijn namelijk als volgt georganiseerd: de eerste zekerheid zijn de financiële middelen van de woningbouwcorporatie zelf. De tweede zekerheid bestaat uit de borgstellingreserve van het waarborgfonds. En als derde en laatste staan dus de overheden garant.
Verloop garantstellingen
Garantstellingen 2020 2021 2022 2023 2024 2025
Aantal gegarandeerde leningen
Totaal bedrag van de leningen
7 9 10 10 16 17
€ 133 mln € 180 mln € 207 mln € 214 mln € 341 mln € 385 mln
Waarvan gegarandeerd door de gemeente € 76 mln € 76 mln € 92 mln € 96 mln € 121 mln € 144 mln
54
Paragraaf 5 Grondbeleid
5.1 Inleiding Inleiding In de vigerende Nota Grondbeleid zijn de kaders gesteld waarbinnen de gemeente werkt. Actief en behoedzaam zijn daarin de kernbegrippen. Dat betekent dat de gemeente enerzijds zelf ontwikkelt maar ook ruimte biedt aan zelfrealisatie door derden en deze faciliteert. Om sturing te kunnen geven aan de gewenste invulling van projecten en waar mogelijk te kunnen delen in de winsten van ontwikkelingen, blijven eigen grondposities voor de gemeente van belang. De baten en lasten van de gemeentelijke grondexploitaties, worden verantwoord onder programma 2 en 3 (respectievelijk Bedrijvigheid en Bereikbaarheid en Woon- en leefomgeving). Een nadere toelichting is opgenomen in de actuele Meerjarenprognose grondexploitaties (MPG 31 december 2025). Het MPG wordt gelijktijdig met de jaarverslaggeving 2025 aan de raad aangeboden. Een grondexploitatie wijkt qua verantwoordingssystematiek af van de overige producten in het ‘gemeentelijke huishoudboekje’. Toekomstige lasten en baten op een grondexploitatie worden meegenomen in een saldo op eindwaarde. De baten en lasten worden geactiveerd en in de balans opgenomen onder ‘voorraden’. Op basis van BBV regelgeving wordt gedurende de looptijd van de grondexploitatie bepaald of er een winst of verlies in het begrotingsresultaat moet worden verwerkt.
Het definitieve (restant) resultaat wordt vervolgens bij de afsluiting van de grondexploitatie in het begrotingsresultaat van het afsluitjaar verantwoord. De afgelopen jaren zijn diverse projecten waar de gemeente zelf gronden in eigendom heeft verder ontwikkeld en in uitvoering genomen. Woningbouwlocatie Bloemendal neemt hierbij een prominente plaats in. Ontwikkelingen / toekomstperspectief De woningmarkt blijft onder druk staan. Ondanks een lichte toename van het aanbod door de uitponding van huurwoningen, blijft de krapte groot en zet de prijsstijging door. De verwachting is dat woningprijzen verder stijgen, al neemt het tempo op de middellange termijn af. Regionale verschillen worden kleiner: in randgebieden stijgen de prijzen relatief sterk, terwijl in de Randstad extra aanbod door uitponding de groei enigszins tempert. Opvallend is dat grondgebonden woningen harder in prijs stijgen dan appartementen, door een mismatch tussen vraag en aanbod. De eisen aan betaalbaarheid en binnenstedelijk bouwen zijn terug te zien in het aanbod: het aantal appartementen neemt toe, terwijl het aantal grondgebonden woningen terugloopt (Bron: Outlook 2026; Metafoor). De bouwkosten in de woningbouw blijven stijgen, vooral door oplopende personeelskosten. De krapte op de arbeidsmarkt houdt aan, waardoor aannemers hun prijzen verhogen en vakbonden forse loonstijgingen eisen.
Nieuwe cao-afspraken zorgen bovendien voor extra personeelskosten in 2026 en 2027. Materiaalprijzen stabiliseren, maar staan onder druk vanwege de kosten voor energie en CO2-uitstoot. Ondanks deze uitdagingen groeit de bouwsector, met een verwachte omzetstijging in 2026. De nieuwbouwprijzen, evenals de bouwkosten, blijven stijgen, maar in een gematigder tempo. Na een periode van sterke groei stijgen de grondwaarden nog steeds, zij het minder hard dan in 2025. Duurdere segmenten kennen een sterkere stijging dan gereguleerde segmenten, terwijl voor appartementen de grondwaardestijging beperkt blijft door hoge bouwkosten en prijsdruk. Binnen de gemeente Barneveld wordt één parameter gehanteerd voor de kostenstijging. Daarom is gekeken naar zowel de adviezen voor de GWW-index als voor de plankosten en gekozen om een (gewogen) gemiddelde te hanteren. Voor het jaar 2026 wordt gerekend met een gemiddelde kostenstijging van 4,0%. Voor de periode 2027-2028 wordt gerekend met een kostenstijging van 3,0% per jaar (dit is het gemiddelde van de geadviseerde bandbreedte voor deze periode). Voor de periode 2029 en verder wordt gerekend met een kostenstijging van 2,0% per jaar (dit is het langjarige gemiddelde). De ECB houdt de beleidsrente sinds medio 2025 stabiel na eerdere verlagingen.
Hierdoor blijven kortlopende rentes naar verwachting stabiel, terwijl langlopende rentes licht stijgen door hogere financieringsbehoeften, geopolitieke spanningen en structurele beleidswijzigingen. Hypotheekrentes volgen deze trend: variabele rentes blijven stabiel, terwijl langlopende rentes rond het huidige niveau blijven. De inflatie in Nederland daalt ten opzichte van 2025, maar blijft hoog door diensteninflatie en loonstijgingen (Bron: Outlook 2026; Metafoor). De wereld van gebiedsontwikkeling is al jaren flink in beweging: het stikstofdossier blijft een onzekere factor in combinatie met het ontwikkelen van projecten. Afgelopen jaren is duidelijk geworden dat ook de aanlegfase stikstofruimte vereist. De gemeente heeft een taskforce stikstof opgericht om de ontwikkelingen op het stikstofdossier nauwgezet te volgen en hierop adequaat te kunnen anticiperen. Ook de aanwezigheid van bedrijvigheid met een milieucontour[1] in de nabijheid van te ontwikkelen woningbouwlocaties zorgt voor onzekerheid in projecten. En daarbij is de afgelopen jaren het probleem van netcongestie gekomen (het te vol geraken van het elektriciteitsnetwerk), waardoor de realisatie van toekomstige projecten flinke vertraging kan oplopen.
Middels de gemeentelijke taskforce netcongestie wordt de impact zo goed mogelijk in beeld gebracht en gaan we ook capaciteit inzetten om dit risico daar waar het mogelijk is te beheersen. Begin 2025 is het ‘Uitvoeringsplan Netcongestie’ opgesteld door de taskforce waarin de aanpak van netcongestie bij de gemeente Barneveld wordt beschreven. De invloed van netcongestie op de resultaten van projecten is op dit moment nog niet in cijfers uit te drukken. Verplaatsing binnenplanse investeringen In de Nota Bovenwijkse Investeringen (NBI) 2025 staan vijf projecten die vallen onder de definitie van een binnenplanse investering. Dit zijn de projecten: Thorbeckelaan-Noord, Voorthuizen-Zuid, Bloemendal (Barneveld-Noord), Verbindingsweg en Oostbroek. Deze binnenplanse projecten met de bijbehorende investeringen en exploitatiebijdragen zijn verplaatst naar de gemeentelijke grondexploitaties en maken onderdeel uit van het MPG 31-12-2025. Voornoemde verplaatsing van deze binnenplanse investeringen betekent een correctie van o.a. de boekwaarden in enkele grondexploitaties en het saldo van de reserve bovenwijks. Af te sluiten projecten In Barneveld wordt aan verschillende ruimtelijke projecten gewerkt. In 2025 zijn er geen projecten afgerond. De intentie was om in 2025 het project Harselaar-Zuid Fase 1A en Holzenbosch I af te sluiten.
Dit is voor beide grondexploitaties doorgeschoven omdat nog niet alle kosten gerealiseerd zijn. Bij Harselaar-Zuid Fase 1A is de looptijd verlengd naar 2034 vanwege de toekomstige afdrachten aan de bovenwijkse investeringen. Het gaat hier vooral om afdrachten vanuit de grondexploitatie aan de nog aan te leggen Oostelijke Rondweg Barneveld, die qua planning aan elkaar gekoppeld zijn. Bij Holzenbosch I is dit doorgeschoven naar 2026 omdat er nog werkzaamheden voor speelplekken en het overig openbaar gebied afgerond moeten worden.
55
Verliesvoorziening Het actieve maar behoedzame grondbeleid van de afgelopen jaren heeft de gemeente mogelijkheden verschaft om actief sturing te geven op gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Niet elk project sluit af met een positief resultaat. Een ontwikkeling kan om diverse redenen een negatief resultaat kennen, waaronder het behalen van andere (maatschappelijke) doelstellingen, het ondervinden van tegenvallers zoals de kosten voor een bodemsanering of een historische boekwaarde die hoog is als gevolg van (dure) verwervingen en planwijzigingen in het project. Indien een project verlieslatend is wordt hiervoor een verliesvoorziening getroffen. De verliesvoorziening zal bij het afsluiten van een project vrijvallen ter dekking van het tekort. Bijstelling van de verliesvoorziening vindt éénmaal per jaar plaats in de P&C cyclus middels de actualisatie van de grondexploitaties in het MPG bij de jaarrekening. Indien er tussentijds aanleiding is om de verliesvoorziening bij te stellen zal hiervoor separate besluitvorming gevraagd worden. Het saldo van de verliesvoorziening per 1 januari 2025 bedroeg afgerond € 6,0 miljoen. Door de actualisatie van de grondexploitaties zijn de resultaten gemuteerd en moet de verliesvoorziening voor de doorlopende grondexploitaties per saldo worden verhoogd met € 1,6 miljoen. Dit bedrag komt ten laste van het gemeentelijke resultaat 2025.
Hierdoor bedraagt het saldo van de verliesvoorziening per 31 december 2025 afgerond € 7,5 miljoen. Een toelichting op de mutaties van de verliesvoorziening wordt in het MPG gegeven. [1] Een milieucontour (onderdeel van een milieuzonering) is een afgebakend gebied rondom een bedrijf of industrieterrein waarbinnen bepaalde milieueffecten, zoals geluid, geur, stof of gevaar, merkbaar kunnen zijn. Deze contour geeft aan tot welke afstand van het bedrijf de milieuhinder is gereduceerd tot een acceptabel niveau.
5.2 Beleid Grondbeleid gemeente Barneveld Voor alle projecten waar de jaarverslaggeving melding van maakt, voert de gemeente - zoals gezegd - een actief grondbeleid. In die gevallen is immers sprake van een door de gemeente te ontwikkelen eigen grondpositie. Een actief grondbeleid betekent kort gezegd, dat de gemeente de benodigde gronden verwerft, bouw- en woonrijp maakt en uitgeeft. In dit beleid is veelal sprake van een actief grondaankoopbeleid en zo nodig het vestigen van een voorkeursrecht of onteigening. Monitoring van de woningbouwmarkt is van belang om na te gaan of het aanbod voldoende aansluit bij de behoefte om alert (bij) te kunnen sturen. Hiermee wordt ook rekening gehouden met woningtrends. De resultaten zijn meegenomen in de in 2025 vastgestelde herijkte Woonvisie Barneveld (Woonvisie 2021-2025 ‘Wonen voor jong en oud’) en vertalen we door naar prestatieafspraken met Woningstichting Barneveld. In de komende periode blijven we ons inzetten op de huisvesting van kwetsbare groepen, starters en senioren met een accent op sociale huur en middeldure huur in overeenstemming met gemaakte afspraken vastgelegd in de Woondeal Foodvalley.
Daarnaast richten we ons, als het om bedrijventerreinen gaat en gelet op de blijvende dynamiek en de vraag van de markt, op een versnelde ontwikkeling van de bedrijventerreinen Harselaar-Zuid Fase 1B en 2 (Barneveld), Verbindingsweg (woon-werk kavels te Voorthuizen) en Tolnegenweg West (Stroe). Dit leidt ook tot samenwerking met marktpartijen, daar waar dat gewenst c.q. noodzakelijk is. Randvoorwaarde bij dit beleid is dat terughoudend wordt aangekocht in gebieden waarvoor nog geen omgevingsplanprocedure is gestart, tenzij sprake is van een strategische noodzaak of kans. De verantwoording voor strategische verwervingen vindt plaats op grond van de vastgestelde kaders uit de Nota Grondbeleid 2016. Actief of faciliterend grondbeleid? De gemeente Barneveld hanteert situationeel grondbeleid. Afhankelijk van de situatie en context kiest zij de meest passende vorm van grondbeleid om optimaal te kunnen sturen op de ruimtelijke doelen en ambities. Concreet betekent dit actief waar het moet en faciliterend waar het kan. Actief grondbeleid maakt sturing door de gemeentelijke overheid op realisatie, de categorisering van woningen en de wijze van exploiteren van terreinen en gebouwen eenvoudiger. Bij een passief (= faciliterend) grondbeleid laat de gemeente de gewenste ruimtelijke ontwikkeling over aan de markt.