Espeterweg I_Toelichting
Tekst van het document
"Espeterweg I" (vastgesteld)
Espeterweg I weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. Klimaat Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten wordt vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid en handelen vóór 2020. Zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.16). Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden.
Doorwerking in plangebied Er ligt nu nog geen concreet bouwplan voor de nieuwe woningen. De (voorlopige) duurzame maatregelen die genomen zouden kunnen worden, betreffen: warmtepomp voor verwarming nieuwe woningen (woningen voldoen aan BENG); zonnepanelen op woningen en/of bijgebouwen; aanplant groen/natuur conform inrichtingsplan; hemelwaterafvoer infiltreren op eigenterrein. 4.6.5
Overige gemeentelijke beleidsnota's en notities
Ruimte voor Mantelzorg In de notitie Ruimte voor mantelzorg (uit 2011) is het beleidskader voor woonruimte voor mantelzorg in het buitengebied nader uitgewerkt. De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten: 1. Bij een directe behoefte aan mantelzorg die naar redelijke verwachting niet zeer langdurig zal zijn, denkt de gemeente mee in een voor de concrete situatie geëigende oplossing. Dit gebeurt doorgaans op basis van een tijdelijke omgevingsvergunning. 2. De mogelijkheid van inwoning – in zuivere zin, dus in de vorm van onzelfstandige woonruimte – past binnen de regelgeving en is en blijft daarmee dus een optie. 3. Een tweede wooneenheid binnen de bouwmassa van een woning in het buitengebied wordt mogelijk gemaakt: a. indien deze aantoonbaar een functie zal hebben voor (toekomstige) mantelzorg; b. binnen de toegelaten inhoudsmaat van de woning, eventueel in samenhang met het vergroten van die inhoud van die woning volgens mogelijkheden die beleid en regelgeving daarvoor bieden of gaan bieden; c. indien deze een ondergeschikt karakter heeft (een vloeroppervlak van maximaal 35% van dat van de woning, maar niet meer dan 65 m2); d. mits daarvoor een oppervlakte van 300 m2 aan overtollig geworden opstallen wordt gesloopt die voldoet aan de criteria voor sloopmeters volgens het functieveranderingsbeleid.
Voor het bestemmingsplan betekent dit dat ruimte moet worden geboden voor onderdeel 3. In het moederplan ("Buitengebied 2012") is, gezien de bescheiden ruimtelijke effecten, onderdeel 3 mogelijk gemaakt door middel van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Groenstructuurplan Het Groenstructuurplan (uit 2011) biedt kaders voor de ontwikkeling van de groenstructuren. Dit betreft de inrichting van het openbaar groen om de groenstructuren in en de herkenbaarheid van de kernen te behouden, ontwikkelen en versterken. Bestaande groenstructuren en -elementen worden zoveel mogelijk behouden en verweven met nieuwe structuren. Voor het buitengebied betekent dit dat de bestaande structuren gehandhaafd moeten blijven. Daarvoor is in het voorliggende bestemmingsplan een passende bestemming opgenomen. Bij ontwikkelingen in het buitengebied die de groenstructuur aantasten kan als voorwaarde worden gesteld om passende maatregelen te nemen. "Espeterweg I" (vastgesteld)
25
Espeterweg I
In dit geval is een beplantingsplan opgesteld, waaraan een voorwaardelijke verplichting is verbonden. Het bestaande groen blijft intact, en wordt versterkt doordat er extra beplanting bij komt. Gebiedsvisie functieveranderingswoningen Op 22 maart 2017 heeft de gemeenteraad het "Functieveranderingsbeleid Regio Foodvalley 2016" vastgesteld. De doelstelling van het beleid is om ruimtelijke kwaliteitswinst in het buitengebied te behalen door sloop en/of hergebruik van de vrijkomende (of vrijgekomen) agrarische bedrijfsgebouwen. Ter compensatie van de sloop van de bebouwing worden nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied toegestaan, die anders niet mogelijk zijn. Bijvoorbeeld het realiseren van een nieuwe woning. De slooplocatie is echter niet vanzelfsprekend de beste locatie om de nieuwe woning(en) te bouwen. Bijvoorbeeld vanwege het 'slechte' woon- en leefklimaat, vanuit landschappelijk oogpunt of omdat het omliggende agrarische bedrijven mogelijk belemmert in de ontwikkelingsmogelijkheden. Ruimtelijk gezien is dan ook vaker meer winst te behalen door de nieuwe woning te verplaatsen naar een locatie elders. Zoals bijvoorbeeld naar een bebouwingslint of aan de rand van een dorpskern. Met de 'Gebiedsvisie functieveranderingswoningen', vastgesteld op 13 december 2017, worden daarvoor volgens het 'ja-mits' principe verschillende mogelijkheden gegeven.
Ja, we bieden ruimte om de woning elders te bouwen, mits dit per saldo een versterking is van de kwaliteiten van het buitengebied oplevert. Om een goede afweging te kunnen maken van mogelijke locaties en de inpassing van een plan in zijn omgeving geeft de gebiedsvisie richtinggevende afwegingskaders, zoals met betrekking tot geur, fijnstof en landschap. Daarbij is het ook van belang dat de buurt wordt betrokken bij het opstellen van een plan door middel van een omgevingsdialoog. 4.6.5.1
Saldering
In de beleidsnotitie 'Kaders herzieningen bestemmingsplan Buitengebied 2012' heeft de gemeenteraad een aantal beleidskeuzes vastgelegd die een aanvulling vormen op de Structuurvisie Buitengebied en het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012'. Een deel van deze beleidskeuzes heeft betrekking op de groeimogelijkheden voor agrarische bedrijven. Het gaat hierbij om een herverdeling van de ruimte die nu reeds in het bestemmingsplan geboden wordt. Deze herverdeling wordt bereikt door de introductie van een salderingsregistratie. Deze salderingsregistratie is een gemeentelijke administratie waarin twee elementen worden geregistreerd: 1. hoeveel agrarische bedrijven in planologische zin verdwijnen (bijvoorbeeld door functieverandering), respectievelijk worden toegevoegd; 2. welke oppervlakte aan agrarisch bouwvlak verdwijnt; respectievelijk wordt toegevoegd. In dit geval verdwijnt er een agrarisch bedrijf. Het bouwvlak bedraagt 5.612 m2. Dit is opgenomen in de salderingsregistratie. 4.6.6
Visie Verblijfsrecreatie
Op 29 september 2022 heeft de raad ingestemd met de uitgangspunten en kaders zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Actualisatie Visie Verblijfsrecreatie 'Kansen en Koersen: Visie op de toekomst van de verblijfsrecreatie in de gemeente Barneveld'. In de uitwerking van de Visie Toerisme en Recreatie 2030, de Visie Verblijfsrecreatie (2022), staat dat de gemeente Barneveld kansen ziet voor de camperaar. Het streven is gericht op een geschikt en divers aanbod. Binnen de gemeente zijn in beginsel maximaal 5 camperterreinen mogelijk, met op elk terrein ten hoogste 8 camperplaatsen. Het realiseren van een dergelijk terrein is altijd maatwerk. Hierbij staat de kwaliteit van het initiatief voorop. We vinden het belangrijk dat een camperterrein in de nabijheid (fietsafstand) van toeristische plaatsen, horeca, middenstand, dagrecreatieve voorzieningen, wandel- en fietsroutes ligt. Het camperterrein draagt daarmee bij aan het recreatieve product van de gemeente Barneveld. Op het camperterrein moet het ook goed verblijven zijn. Dat betekent dat bijvoorbeeld een ligging aan een drukke weg of bij een bedrijf met veel geluid of geuroverlast niet wenselijk is. Het camperterrein moet goed in de omgeving en het landschap worden ingepast. Een camperterrein mag het woon- en leefgenot van woningen, voorzieningen en scholen niet aantasten.
Om onderscheidend te zijn ten opzichte van reguliere verblijfsrecreatieterreinen zijn op camperterreinen in principe geen recreatieve voorzieningen en sanitaire voorzieningen toegestaan. Er gelden ook een aantal (organisatorische) randvoorwaarden.
26
"Espeterweg I" (vastgesteld)
Espeterweg I
In Barneveld is het toegestaan een eigen woning te verhuren aan toeristen voor kort verblijf: Particuliere vakantie-verhuur. De woning is in dit geval duidelijk ingericht voor eigen bewoning. Er mogen geen woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken om particulier te worden verhuurd voor recreatief gebruik. Een woning mag daarom niet meer dan 60 nachten per kalenderjaar worden verhuurd tijdens afwezigheid van de bewoner. Dit kan een aaneengesloten periode zijn of meerdere korte periodes van in totaal 60 nachten. De bewoner van de woning is verantwoordelijk voor de verhuur. In bijzondere situaties, bijvoorbeeld ten behoeve van het behoud van erfgoed, kan van bovenstaande worden afgeweken. Bij een dergelijk initiatief is altijd sprake van maatwerk waarbij onder andere wordt gekeken of het initiatief aanvullend is op het bestaande verblijfsrecreatieve aanbod in Barneveld. Doorwerking in plangebied De Visie Verblijfsrecreatie is, voor zover er een planologische vertaling noodzakelijk is, doorvertaald. Het gaat over de volgende aspecten: - bed & breakfast; - particuliere verhuur; - camperterrein/-plaats. Hetgeen over hotels is opgenomen in de Visie Toerisme en Recreatie 2030 is niet planologisch vertaald. Het is de bedoeling om dat met een afzonderlijke planologische procedure te gaan regelen. Binnen woningen is een bed & breakfast onder voorwaarden toegestaan.
In een bijgebouw is alleen met een omgevingsvergunning en onder voorwaarden een bed & breakfast toegestaan. Particuliere vakantie-verhuur en camperterrein/-plaats wordt gefaciliteerd in de algemene gebruiksregels. In hoofdstuk 6 van de toelichting is dit nader uitgewerkt en beschreven.
"Espeterweg I" (vastgesteld)
27
Espeterweg I
Hoofdstuk 5 5.1
RANDVOORWAARDEN
Bodem
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt (o.a.) plaats op basis van de vastgestelde bodemkwaliteitskaart (PFAS) regio De Vallei en de nota bodembeheer regio De Vallei. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. Er is door Hunneman milieu - advies een verkennend bodem- en asbestonderzoek op de locatie Espeterweg 8 en 10 in Barneveld uitgevoerd (zie bijlage 3 van de toelichting van deze partiële herziening) voor dit uitgevoerde onderzoek. Dit rapport is door de bodemspecialist van de Omgevingsdienst de Vallei (OddV) beoordeeld en akkoord bevonden. Hieronder is de beoordeling van deze bodemspecialist opgenomen. Het uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek is correct uitgevoerd en geeft een voldoende beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het plangebied valt binnen de contour van de onderzoekslocatie.
Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de plaatselijk zwak (sporen) puinhoudende bovengrond plaatselijk licht verhoogde gehalten aan PAK en/of PCB zijn aangetoond. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters gemeten. Het grondwater bevat matig verhoogde concentraties aan arseen en licht verhoogde concentraties chroom en nikkel. De aangetoonde matig verhoogde concentratie aan arseen heeft naar alle waarschijnlijkheid een natuurlijke oorsprong. Als voor de voorgenomen sloop- en nieuwbouw niet zal worden bemaald, vormt de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater geen belemmering. Wel wordt geadviseerd om het grondwater ter plaatse niet op te pompen en te gebruiken voor beregening voor bijvoorbeeld een (moes)tuin of consumptief gebruik. Ter plaatse/in de directe nabijheid van de bovengrondse dieseltank en opslag afgewerkte olie is zintuiglijk en analytisch in de bodem geen verontreiniging met oliecomponenten waargenomen en niet gemeten. Zintuigelijk is op het maaiveld en in de opgegraven/opgeboorde grond geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. In de samengestelde mengmonsters, voor analyse op asbest, ter plaatse van de aanwezige druppelzones en het overige terrein is slechts plaatselijk een maximaal gewogen gehalte aan asbest van 15 mg/kg d.s. aangetoond.
Dit betreffende gehalte bevindt zich ruim onder het criterium voor nader asbestonderzoek (50 mg/kg d.s.). De onderzoeksresultaten geven derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodem- en/of asbestonderzoek of -sanering en zijn voldoende voor de voorgenomen functiewijziging. De oprit tot de onderzoekslocatie is deels verhard met asfalt. Onder de asfaltverharding is een puinfundatie aanwezig tot circa 0,5 m -mv. De asfaltverharding met een dikte van circa 10 cm, is in het veld met behulp van de PAK-marker visueel beoordeeld op teerhoudendheid. In de gehele asfaltlaag is een PAK indicatie waargenomen die duidt op teerhoudend asfalt. In het samengestelde mengmonster van de puinfundatie, voor analyse op asbest, is analytisch geen asbest aangetoond. Van de puinfundatie zijn de overige milieuhygiënische parameters niet bepaald. Voor de eventuele afvoer van de puinfundatie dient dit alsnog te gebeuren. Zie de onderstaand opgenomen informatie. In de zintuiglijk schone grond direct onder de puinfundatie zijn analytisch licht verhoogde gehalten aan PAK en minerale olie gemeten. Tevens dient te worden opgemerkt dat ten noorden van de onderzoekslocatie tevens recent een puinverharding is aangebracht. Het betreft gebroken puin waarvan zover bij de OddV bekend geen kwaliteitsdocument beschikbaar is.
Ondanks dat het verkennend bodem- en asbestonderzoek correct is uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit. Bij de voorgenomen herontwikkeling van het terrein en de daarbij behorende sloop- en grondroerende werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging. De aan-/afvoer van grond, bouwstoffen et cetera naar/van de onderzoekslocatie dient te voldoen aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. 28
"Espeterweg I" (vastgesteld)
Espeterweg I
Conclusie Op basis van het voorgaande zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen partiële herziening en de gevraagde functieverandering en nieuwbouw op de locatie.
5.2
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving. In het bestemmingsplan komen uiteenlopende dubbelbestemmingen voor om ruimtelijke kwaliteiten te borgen. 5.2.1 5.2.1.1
Archeologie Archeologie lage, middelhoge en hoge verwachting en historisch erf
Bij een planontwikkeling moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Archeologische waarden- en verwachtingenkaart' als archeologisch toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit deze kaart blijkt dat binnen het plangebied voor een gedeelte een lage archeologische verwachting, een middelhoge archeologische verwachting, een hoge archeologische verwachting dan wel een historisch erf geldt. De gemeenteraad heeft op 28 september 2010 besloten dat voor de zone met een lage archeologische verwachting archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij een oppervlakte van 10.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Voor de zone met een middelhoge archeologische verwachting is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een oppervlakte van 2.000 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Voor de zone met een hoge archeologische verwachting is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij een oppervlakte van 250 m² of groter voor grondverstorende werkzaamheden dieper dan 30 cm. Voor de zone Historisch boerenerf is archeologisch onderzoek nodig in plangebieden groter dan 100 m² bij bodemingrepen dieper dan 30 cm.
De nieuwe archeologische waarden- en verwachtingenkaart van Barneveld (zie onderstaande afbeelding) geeft binnen het plangebied (blauwe contour) het volgende aan: • Groen: beekdal, beekoverstromingsvlakte en beekloop met een lage verwachting; • Rood: plaggendek op dekzand met hoge verwachting; • Geel: dekzandwelving met middelhoge verwachting; • Lichtblauw: historisch erf Groot Espeet met een zeer hoge verwachting. De eerste historische vermelding dateert uit 1325. De enige bodemingreep die nabij Espeterweg 8 (zuidoostzijde) plaatsvindt, is de bouw van een nieuw bijgebouw van 80 m2 (figuur hieronder, in rood weergegeven).
"Espeterweg I" (vastgesteld)
29
Espeterweg I
Afbeelding uitsnede beleidskaart, waar met rood het nieuw te realiseren bijgebouw van 80 m2 is weergegeven Het pand is gepland in terrein waar in de ondergrond restanten van historisch erf Groot Espeet kunnen worden verwacht. De in gemeentelijk beleid vastgestelde vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek in dit soort zones (‘historische erven’) is 100 m2 en wordt dus niet overschreden. Onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. In het gebied rondom en ten zuidwesten van de Espeterweg 10 (noordoostzijde) vindt geen substantiële bodemverstoring plaats. Onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De twee vrijstaande woningen (350 m3 en 400 m3) worden in het noordwesten van het plangebied gerealiseerd. Rondom de toerit vanuit de Espeterweg, ten noorden van de schaapskooi, wordt bovendien natuur/groen aangelegd. In dit gebied geldt echter een lage archeologische verwachting en een ondergrens van 10.000 m2. Onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De dubbelbestemming blijft hier gelden ("Parapluherziening Cultuurhistorie - Archeologie), nu het plan een partiële herziening betreft. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de RCE) verplicht. 5.2.2
Historischestedenbouwkundige waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarden. Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. In het plangebied en omgeving zijn geen monumenten aanwezig. Dit bestemmingsplan is niet strijdig met historische stedenbouwkundige waarden. Het aspect historische stedenbouwkundige waarden is geen belemmering voor uitvoering van dit plan. 30
"Espeterweg I" (vastgesteld)
Espeterweg I
5.2.3
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plan ligt in een gebied dat wordt aangeduid als jonge vochtige kampontginning met een middelmatige waarde. De plannen zijn niet strijdig met de cultuurlandschappelijke waarde. Conclusie Deze partiële herziening van het bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering.
5.3
Ecologie
De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. 5.3.1 5.3.1.1
Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming
Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Stikstof Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied (zie hiervoor kaart 5 Themakaart Natuur- en landschapsbeleid van de provinciale Omgevingsvisie Gaaf Gelderland). Het dichtstbij zijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van circa 3.800 meter. Gebiedsbescherming is hier niet van toepassing. De wijziging is relatief kleinschalig. Er zullen nauwelijks meer transportbewegingen dan voorheen gaan plaatsvinden. Vee (denk aan NH3 uitstoot) zal er niet meer worden gehouden.
Ook komen er slechts twee woningen met bijgebouwen, op agrarische gronden die gebruikt worden door een kwekerij, bij. Bovenstaande, samen in ogenschouw genomen dat er een grote afstand is naar beschermde gebieden, geeft reden dat het voor het plan dat nu voorligt niet nodig is dat er AERIUS-berekeningen worden uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. 5.3.1.2
Soortenbescherming
Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Om te beoordelen of de beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn, is de locatie bezocht door een flora- en faunacontroleur. Soortenbescherming kan op deze locatie mogelijk wel van toepassing zijn, omdat de te slopen gebouwen zodanig geconstrueerd zijn en aan sommige zijden geheel open, zodat faunasoorten eenvoudig zich een verblijfplaats kunnen verschaffen. Er zijn echter, in geen van de te slopen gebouwen, (sporen van) jaarrondbeschermde soorten gevonden. Ook de grotere “bedrijfshal” (Espeterweg 10) is eveneens nader "Espeterweg I" (vastgesteld)
31
Espeterweg I bezien door de flora- en faunacontroleur. Hier zijn ook geen (sporen van) jaarrondbeschermde soorten gevonden. De nieuwbouw zal plaatsvinden in een grasperceel waarin weidevee graast, en in een intensief onderhouden en belopen kwekerij. Er zijn op beide plaatsen geen, (sporen van) jaarrondbeschermde soorten te verwachten, noch gevonden. Het wijzigen van de bestemming van de bestaande opstallen heeft geen effect op eventueel aanwezige soorten. Soortenbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van het voorliggende plan. Er zijn geen beschermde inheemse diersoorten aanwezig die leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming wanneer uitvoering wordt gegeven aan het voorliggende plan. Soortenbescherming staat zodoende de uitvoering van het plan niet in de weg. In het kader van natuurinclusief bouwen wordt bij het bouwplan van de nieuw te bouwen woningen rekening gehouden met bijvoorbeeld inbouwkasten voor broedende vogels en het plaatsen van kasten voor uilen. Daarnaast wordt nieuwe natuur gerealiseerd ten zuidoosten van de twee bouwkavels, waardoor de biodiversiteit fors versterkt wordt. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode.
Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 5.3.1.3
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplantingen in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die twintig (of meer) bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Een herplantplicht is niet aan de orde. Er worden namelijk geen bomen gekapt (die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming). Geconcludeerd kan worden dat de Wet natuurbescherming uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat. 5.3.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones
Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Het plangebied ligt niet in het GNN of de GO. Voor de toetsing wordt verwezen naar 4.3.1.2 (indien wel in GO of GNN). Conclusie Het aspect GNN en GO vormt geen belemmering voor uitvoering van het voorliggende plan.
32
"Espeterweg I" (vastgesteld)
Espeterweg I
5.4
Externe veiligheid
Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zo nodig het groepsrisico verantwoord. Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico.
Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid' vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid. Beoordeling risicobronnen Ten aanzien van het aspect externe veiligheid geldt dat er geen risicobronnen in de directe nabijheid aanwezig zijn. Op basis van de EV signaleringskaart van de provincie Gelderland blijken er in de omgeving van het plangebied geen bronnen van externe veiligheid gelegen. Er is geen onderzoek externe veiligheid noodzakelijk. Externe veiligheid is derhalve geen relevant milieuaspect. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit plan.
"Espeterweg I" (vastgesteld)
33
Espeterweg I
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron.
In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of geluidgezoneerde industrieterreinen gelegen die een mogelijk knelpunt vormen voor het plangebied, wel zijn er wegen in en rondom het plangebied gelegen. Echter de te verwachten verkeersintensiteit op deze wegen maakt dat er geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal plaatsvinden. Derhalve is onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder naar industrielawaai en weg- en spoorwegverkeerslawaai niet noodzakelijk. Wat betreft industrielawaai wordt verwezen naar paragraaf 5.11 van de toelichting. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in of op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn vastgelegd. De Wgv maakt het mogelijk om bij verordening af te wijken van de wettelijke geurnormen. De gemeente Barneveld heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt (bij besluit van 7 oktober 2008). Op 18 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied.
Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In de omgeving van het plangebied ligt een veehouderij op het volgende adres: Espeterweg 12. Binnen de afstand van 50 meter vanaf de rand van dat agrarische bouwvlak ligt in de nieuwe situatie de bedrijfshal van 34
"Espeterweg I" (vastgesteld)
Espeterweg I Espeterweg 10. Dit bedrijfsgebouw ten noorden van de woning Espeterweg 10 wordt enkel een opslagloods mogelijk gemaakt. Er is geen werkplaats aanwezig in de opslagloods (dit blijkt ook uit het gecombineerde geluid/milieuzoneringsonderzoek, zie bijlage 4 van de toelichting). Voor geur is er in dat geval geen belemmering. Ter meerdere zekerheid zal in de voorwaardelijke verplichting van de partiële herziening een bepaling worden opgenomen dat in de loods op de locatie Espeterweg 10 geen geurgevoelige objecten mogen komen (zolang er een agrarisch bouwvlak is op Espeterweg 12). Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). De voorliggende ontwikkeling valt gelet op jurisprudentie niet onder 'stedelijke ontwikkeling'. Daarom is geen verdere toelichting vereist. Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.8
Leidingen en laagvliegroutes
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen geen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven. Eveneens zijn er geen laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten. Conclusie Het aspect leidingen en laagvliegroutes vormt geen belemmering voor het plan.
5.9
Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De realisatie van een bedrijf valt niet direct onder een aangewezen categorie in de Regeling niet in betekenende mate "(NIBM)". Wel kan worden gesteld dat de bijdrage aan de luchtkwaliteit niet in betekenende mate bijdraagt. Het plan heeft een geringe verkeersaantrekkende werking die verantwoordelijk is voor de bijdrage aan de luchtkwaliteit. Deze is te beschouwen als niet in betekenende mate. Derhalve kan onderzoek naar luchtkwaliteit achterweg blijven Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan "Espeterweg I" (vastgesteld)
35
Espeterweg I voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld. In dit geval is er geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit behoeft derhalve niet plaats te vinden. Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe woningen, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. De volgende grenswaarden gelden voor fijn stof: 40 µg/m³ als jaargemiddelde concentratie; 50 µg/m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 etmalen per kalenderjaar mag worden overschreden. Er is beoordeeld of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. Hierbij is gekeken naar de invloed van de fijn stof uitstoot van de omliggende agrarische bedrijven.
Resultaten & beoordeling: op de Espeterweg 12 is sprake van een relevante fijn stof emissie (>500 kg per jaar). Met het verspreidingsmodel ISL3a is berekend wat de invloed hiervan is op de totale concentratie fijn stof ter plaatse van de gevoelige objecten. De resultaten van de berekening staan in onderstaande tabel. Resultaten fijn stof berekening:
Er wordt aan de grenswaarden voldaan. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is aanvaardbaar. Conclusie Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van dit plan.
5.10
Milieueffectrapportage
Niet voor alle nieuwe activiteiten hoeft een m.e.r.-procedure gevolgd te worden. Uitgangspunt van de m.e.r.-beoordeling is het 'nee, tenzij' -principe. Dat wil zeggen dat alleen een milieueffectrapport (MER) hoeft te worden opgesteld, wanneer er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. De Wet milieubeheer maakt onderscheid in een m.e.r.-procedure voor plannen (planMER) en voor besluiten (besluitMER of projectMER). Voor een bestemmingsplan kan zowel de plan-m.e.r.-plicht als de besluit-m.e.r.-plicht gelden. Er zijn drie sporen waarlangs de m.e.r.-plicht kan ontstaan: 1. Plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht: als de voorgenomen activiteit vermeld is in het Besluit milieueffectrapportage; 2. Plan-m.e.r.-plicht: als voor het plan een zogeheten passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming gemaakt moet worden. Dat is het geval als het plan significante negatieve gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied; 3. Toetsing aan de provinciale milieuverordening. Besluit milieueffectrapportage De lijst van activiteiten in de onderdelen C en D van het Besluit bestaat uit vier kolommen. De eerste kolom bevat een omschrijving van de m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. De tweede kolom vermeldt 36
"Espeterweg I" (vastgesteld)
Espeterweg I eventuele drempelwaarden. Wettelijk kader Voor de vraag of een bestemmingplan besluit-m.e.r.-plichtig is, geldt dat het Besluit milieueffectrapportage onderscheid maakt naar m.e.r.-plichtige activiteiten en m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Onderdeel C van de bijlage bij dit Besluit vermeldt voor welke activiteiten altijd verplicht een MER moet worden opgesteld, voordat een (m.e.r.-plichtig) besluit mag worden genomen. In onderdeel D is vermeld welke activiteiten beoordelingsplichtig zijn. Voor dergelijke activiteiten moet het bevoegd gezag beoordelen of op basis van 'belangrijke nadelige gevolgen die de voorgenomen activiteit voor het milieu kan hebben', een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Daarbij geldt dat een bestemmingsplan alleen besluit-m.e.r.-plichtig is, als het bestemmingsplan in kolom 4 wordt genoemd. Voor de vraag of een bestemmingsplan plan-m.e.r.-plichtig is, geldt dat dit het geval is als het plan genoemd is in kolom 3 en activiteiten mogelijk maakt die in onderdeel C en D, kolom 1 vermeld zijn en voldoen aan de in kolom 2 genoemde drempelwaarden. Als een bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die Besluit-m.e.r.-plichtig is op grond van de uitkomst van een toets van een activiteit die onder de drempelwaarden blijft, dan is dat bestemmingsplan alsnog plan-m.e.r.-plichtig.
Het maakt dan immers een (besluit) m.e.r.-plichtige activiteit mogelijk. Voor zowel de plan-m.e.r.- als besluit-m.e.r.-plicht geldt dat als de activiteit onder de drempelwaarden uit kolom 2 van bijlage D blijft, met een vormvrije m.e.r. beoordeeld moet worden of alsnog een MER moet worden opgesteld. De centrale vraag die daarbij beantwoord moet worden is of er omstandigheden zijn die (waarschijnlijk) leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Daarbij moet in ieder geval worden getoetst aan de criteria die opgenomen zijn in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn. Als dergelijke milieugevolgen kunnen optreden, geldt alsnog de betreffende plan- en/of besluit-m.e.r.-plicht. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.
Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Toetsing Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. zijn drie activiteiten opgenomen die van toepassing kunnen zijn voor het voornemen. Deze zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Activiteit
Gevallen
Plannen
"Espeterweg I" (vastgesteld)
Besluiten
37
Espeterweg I
D9
Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op
De structuurvisie, De vaststelling van het bedoeld in de artikelen inrichtingsplan, 2.1, 2.2 en 2.3 van de bedoeld in artikel 17 Wet ruimtelijke van de Wet inrichting 1°. een functiewijziging ordening, en de landelijk gebied dan met een oppervlakte plannen, bedoeld in de wel een plan bedoeld in van 125 hectare of artikelen 3.1, eerste lid, artikel 18 van de meer van water, natuur, 3.6, eerste lid, Reconstructiewet recreatie of landbouw onderdelen a en b, van concentratiegebieden of die wet, de vaststelling dan wel bij het van het inrichtingsplan, ontbreken daarvan het 2°. vestiging van een bedoeld in artikel 17 plan bedoeld in artikel glastuinbouwgebied of van de Wet inrichting 3.6, eerste lid, bloembollenteeltgebied landelijk gebied, het onderdelen a en b, van van 50 hectare of meer. plan, bedoeld in artikel de Wet ruimtelijke 11 van de ordening dan wel bij Reconstructiewet het ontbreken daarvan concentratiegebieden van het plan, bedoeld en het plan bedoeld in in artikel 3.1, eerste artikel 18 van de lid, van die wet. Reconstructiewet concentratiegebieden.
D11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke 1°. een oppervlakte van ordening, en het plan, 100 hectare of meer, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet. 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. D11.3 De aanleg, wijziging of In gevallen waarin de uitbreiding van een activiteit betrekking industrieterrein. heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer.
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
D9: Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan Er is sprake van een functieverandering in een landbouwgebied. De omvang is echter dermate klein dat niet gesproken kan worden van een landinrichtingsproject. Deze activiteit uit het Besluit m.e.r. is daarom niet van toepassing op het voornemen. D11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen De wijziging valt onder activiteit D11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk 38
"Espeterweg I" (vastgesteld)
Espeterweg I ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De verandering is dermate klein dat deze ruim onder de drempelwaarden in kolom 2 blijft. Voor activiteiten onder de drempelwaarden geldt in principe een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Uit jurisprudentie blijkt echter dat niet iedere ontwikkeling onder de drempelwaarde tot een stedelijk ontwikkelingsproject gerekend hoeft te worden. De aard en omvang van de opgave en het karakter van de omgeving zijn onder andere relevant om hierin mee te nemen. In dit geval is sprake van een zeer beperkte wijziging in de kernrandzone van Barneveld. De ontwikkeling past tevens binnen het karakter van de omgeving. Hierdoor is in dit geval geen sprake van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld onder activiteit D11.2 uit het Besluit m.e.r. Deze activiteit uit het Besluit m.e.r. is daarom niet van toepassing op het voornemen. D11.3 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein Er is sprake van de aanleg van een bedrijf. De aard en omvang van het voornemen is echter niet dermate groot dat hier sprake is van een 'bedrijventerrein' of 'industrieterrein'. Ook deze activiteit is daarom niet van toepassing op het voornemen. Conclusie: op basis van de toetsing aan het Besluit m.e.r. is het voornemen niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.
Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbescherming). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Provinciale milieuverordening Provinciale Staten kunnen in de provinciale milieuverordening extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn (artikel 7.6 Wet milieubeheer). Dit is dus aanvullend op de m.e.r.-plicht op basis van onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (en dus ook aanvullend op de verplichting vanuit de Europese richtlijnen) én conform dezelfde systematiek. Provinciale staten van Gelderland hebben geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en zo m.e.r.-plichtig zijn).
5.11
Milieuzonering
Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. In dit kader zijn voor het onderhavige plan de volgende bedrijven en aspect van belang: - twee niet-agrarische bedrijven (Barnseweg 92 en Espeterweg 9) - één agrarisch bedrijf (Espeterweg 12) Bovendien wordt er op het perceel zelf een niet-agrarisch bedrijf (Espeterweg 10) naast de woning (Espeterweg 8), de kamerbewoning én de twee nieuw te realiseren woningen planologisch mogelijk gemaakt. Industrielawaai niet gezoneerd Industrielawaai in de ruimtelijke ordening wordt in eerste instantie beoordeeld op basis van de richtafstanden uit de VNG publicatie bedrijven en milieuzonering. In deze publicatie zijn richtafstanden gegeven op onder andere het gebied van geluid. Rondom het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die een mogelijk knelpunt vormen voor de realisatie van de nieuwe woningen.
Binnen het plangebied wordt ook een nieuw niet-agrarisch bedrijf opgericht en daarnaast zijn in de omgeving van Espeterweg 8 en 10 twee niet-agrarische bedrijven gevestigd (Barnseweg 92 en Espeterweg 9) en ook is er een agrarisch bedrijf op "Espeterweg I" (vastgesteld)
39
Espeterweg I Espeterweg 12 gevestigd. Om te kunnen concluderen of er in de nieuwe situatie qua geluid en milieuzonering (alsmede ook geur) een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, is er door SPA WNP ingenieurs een gecombineerd geluid/milieuzoneringsonderzoek uitgevoerd (Rapport 22200329.r01b, d.d. 12 oktober 2022, zie bijlage 4 van de toelichting). Het onderzoek heeft als doel om vast te stellen of er vanuit de te realiseren milieubelastende bestemmingen mogelijk hinder ontstaat naar de milieugevoelige bestemmingen in het plan en de omgeving. Ook de mogelijke hinder van milieubelastende bestemmingen in de omgeving naar de milieugevoelige bestemmingen in het plan komt aan de orde. Op basis van dit onderzoek is de conclusie getrokken dat er binnen het plangebied en de omgeving van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gerealiseerd kan worden c.q. gewaarborgd blijft. Dit rapport is door de geluids- en milieuzoneringsdeskundige van de Omgevingsdienst de Vallei beoordeeld en akkoord bevonden. Daarmee is er vanuit milieuzonering (en geluid) geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Veiligheidszone - Activiteitenbesluit Binnen de grenzen van het bestemmingsplan is geen gasdrukmeet- en regelstation aanwezig.
In het Activiteitenbesluit zijn veiligheidsafstanden opgenomen die moeten worden aangehouden tussen kwetsbare respectievelijk beperkt kwetsbare objecten en (onder andere) een gasdrukmeet- en regelstation (4-6 meter). Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten volgens het Activiteitenbesluit zijn dezelfde objecten als die genoemd zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het gaat dan om onder andere woningen, ziekenhuizen en bedrijven. Dit plan voldoet aan de voorgeschreven afstand. Binnen de veiligheidsafstand kunnen eveneens geen beperkt kwetsbare objecten worden opgericht. Liander heeft op 6 december 2023 aangegeven geen planologische opmerkingen te hebben op de herzieining van het bestemmingsplan. Daarom hoeven er in dit bestemmingsplan geen veiligheidsafstanden opgenomen te worden. Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.
5.12
Natuur en landschap
Met een voorwaardelijke verplichting in de planregels wordt ervoor gezorgd dat het aanwezige groen in het plangebied in stand wordt gehouden. Daarnaast komt er een nieuwe fruitboomgaard in het plangebied en zal er onder meer extra groen op en rond de schaapskooi worden aangeplant. Dit staat op de inrichtingstekening waar deze voorwaardelijke verplichting ook voor geldt. Ook komt er een groene zone tegen de beek, welke als buffer dient tussen het bestaande woonperceel aan de ene zijde, en de nieuwe woonperclelen aan de andere zijde van de beek. In hoofdstuk 3 van de toelichting is nader ingegaan op het aspect natuur en landschap. Verwezen wordt daarom naar hoofdstuk 3 van de toelichting voor een beschrijving qua natuur en landschap. Conclusie Het aspect natuur en landschap vormt geen belemmering voor dit plan.
5.13
Ontplofbare oorlogsresten
Gemeente Barneveld heeft voor haar gehele grondgebied een historisch vooronderzoek uit laten voeren naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens dit vooronderzoek van Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat de planlocatie niet verdacht is van Ontplofbare Oorlogsresten, zijnde afwerpmunitie. De onderstaande afbeelding is een kaartuitsnede van de OO-belastingkaart van gemeente Barneveld, waarop het plangebied is te zien.
40
"Espeterweg I" (vastgesteld)
Espeterweg I
Afbeelding uitsnede OO-belastingkaart Conclusie Er is geen aanvullend onderzoek naar Ontplofbare Oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog nodig. Het aspect Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor het plan.
5.14
Veiligheid en gezondheid
Veiligheid Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de 'Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid' een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd. De opkomstnorm voor woonfuncties is 8 minuten.
Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen. De locatie Espeterweg 8 en 10 is zo gelegen dat de werkelijke opkomstnorm meer dan 8 minuten bedraagt. De norm van 8 minuten wordt hier dus overschreden. Gezien de overschrijding van de norm met betrekking op de opkomsttijd is het noodzakelijk dat er risico compenserende of risico reducerende maatregelen worden getroffen. Vanuit de brandweer is geadviseerd om elke ruimte te voorzien van een rookmelder (bij de woningen). De brandweer geeft aan dat op deze manier in de woning een snelle melding "Espeterweg I" (vastgesteld)
41
Espeterweg I plaatsvindt en worden de aanwezigen snel gewaarschuwd zodat zij de woning kunnen ontvluchten en kan de brandweer al in een vroeg stadium van een brand worden gealarmeerd zodat de gevolgen mogelijk beperkt kunnen blijven. Initiatiefnemers volgen het advies van de brandweer op (wat betreft de rookmelders). Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen.