Bloemendal IIA_Toelichting (1)
Tekst van het document
Duurzaamheid in het openbaar gebied of op eigen terrein Er moet aandacht zijn voor energiezuinige openbare verlichting. Daarbij denken we aan een verlichtingsplan, waarbij zo weinig mogelijk lantaarnpalen worden toegepast, uitgevoerd met (dimbare) LED-lampen. Daarnaast is het vanuit duurzaamheidsoogpunt van belang om de hoeveelheid materiaalgebruik voor wegen en de verharde oppervlakte in het plangebied zo laag mogelijk te houden. Dat kan worden bereikt door de weglengte en -breedte zoveel mogelijk te beperken en doorlatende verharding toe te passen. Bij de keuze voor het materiaalgebruik heeft de gemeente ook hier de voorkeur voor het gebruik van duurzame materialen, bij zowel productie en gebruik en die bij sloop hergebruikt kunnen worden. Klimaat
"Bloemendal IIA" (vastgesteld)
29
Bloemendal IIA
De raad heeft in 2025 het Klimaatadaptatieplan vastgesteld, een plan om de gemeente Barneveld beter voor te bereiden op de gevolgen van klimaatadaptatie. Het klimaat verandert met extremer weer als gevolg. We zullen vaker te maken krijgen met hoosbuien / wateroverlast, langere perioden van droogte en hitte. Het veranderende klimaat vraagt om maatregelen op alle schaalniveaus om de gevolgen voor gezondheid, veiligheid, productiviteit en natuur te beperken. Klimaatbestendig handelen en waterrobuust inrichten is vanzelfsprekend in het gemeentebrede beleid, zodat in 2050 de fysieke ruimte in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is. Eén van de maatregelen is het anders omgaan met het inzamelen van en verwerken van hemelwater dat op verhard oppervlak valt, bijvoorbeeld door het aanleggen van groene daken. Zie voor een verdere beschrijving de waterparagraaf (§ 5.15). Door op een slimme manier om te gaan met (robuust) groen in de openbare ruimte in relatie tot de positionering van de woningen en de productie van zonne-energie op daken van woningen kan het microklimaat in de woningen en in een gebied op een positieve manier beïnvloed worden.
4.6.6
Groenstructuurplan Barneveld (2011)
De doelstelling van het Groenstructuurplan Barneveld (2011) is het beschrijven van de lange termijn visie ten aanzien van de inrichting van het openbaar groen van de gemeente Barneveld om de groenstructuren in en de herkenbaarheid van de kernen te behouden, ontwikkelen en versterken. Om de gewenste groenstructuur te realiseren worden in het groenstructuurplan een aantal verbetervoorstellen gedaan.
Doorwerking in plangebied Het bestemmingsplan Bloemendal IIA sluit aan op de doelen zoals gesteld in het groenstructuurplan. Na de noodzakelijke verbreding van de Nijkerkerweg zal de boomstructuur langs de westzijde van de weg worden hersteld. Verder zal de nieuw aan te leggen wijkontsluitingsweg worden begeleid met bomen, zoals dat ook is gebeurd in het plangebied Bloemendal I. Het gedeelte IIA van de nieuwe woonwijk Bloemendal krijgt evenals deelgebied Bloemendal I een groene opzet, geënt op het huidige aanwezige landschap met uitgangspunt om de bestaande groenstructuren zoveel mogelijk in te passen. Als de inpassing niet mogelijk blijkt, dan vindt compensatie plaats binnen het plangebied.
4.6.7
Waterplan Barneveld (2005) en Hemelwaterplan 2017-2020'Klimaatactief!'
Het Waterplan geeft een integrale watervisie op het verhogen van de gebruikswaarde en belevingswaarde van water. Door een verantwoord gebruik en duurzame ontwikkeling van het water kan ook in de toekomst gebruik worden gemaakt van een gezond watersysteem. De volgende ambities worden genoemd: Vasthouden en/of vertraagd afvoeren van hemelwater. Het scheiden van vuil en schoon water. Bij nieuwbouw het hemelwater van schone oppervlakken niet op de riolering lozen en bij voorkeur lokaal gebruiken, infiltreren of lozen op oppervlaktewater. In bestaand gebied hemelwater afkoppelen van het gemengd riool indien technisch en financieel haalbaar. De afvoer van schoon hemelwater vindt bovengronds plaats. Rioolwateroverstorten beperken om de doelstellingen voor waterkwaliteit te bereiken. In het plan is een concrete doelstelling opgenomen: in 2025 is 10% van het verharde oppervlak afgekoppeld van de gemengde riolering (referentiejaar 2005). Dit betreft 18 ha. afkoppelen. In het Hemelwaterbeleidsplan is deze doelstelling uitgewerkt in concrete maatregelen. Het Hemelwaterplan 2017-2020 'Klimaatactief!' richt zich op een duurzame omgang met hemelwater. Het geeft aan wat het gemeentelijk beleid is ten aanzien van afstromend hemelwater in bestaande situaties en bij nieuwe ontwikkelingen. Het plan zet in op een integrale benadering en meervoudige inrichting van totale openbare ruimte.
Barneveld gaat aan de slag met het waterbestendig inrichten van de openbare ruimte om bestand te zijn tegen klimaatverandering. Doorwerking in plangebied De bevindingen en resultaten van de watertoets zijn beschreven in de waterparagraaf (§ 5.16). 30
"Bloemendal IIA" (vastgesteld)
Bloemendal IIA
4.6.8 Woonvisie Barneveld 2021-2025en regionale bouwafspraken, Faseren en doseren woningmarkt en Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld In maart 2021 heeft de raad de Woonvisie 2021-2025 'Wonen voor jong en oud' met doorkijk tot 2030/2040, vastgesteld. In de woonvisie is een streefprogramma woningbouw opgenomen om te voorzien in de woningbehoefte van de hier woonachtige en werkzame bevolking. In deze visie is een nieuwbouwprogramma van gemiddeld 500 woningen per jaar (als uitbreiding) opgenomen. In verband met de grote woningbouwopgaven in Nederland is in de Woondeal met het Rijk voor Barneveld tot en met 2030 een programma van circa 5.400 woningen overeengekomen. Daarmee komt de programmering op gemiddeld 600 woningen per jaar. In oktober 2022 zijn de prijsklassen aangepast naar de huidige marktomstandigheden. Dit betekent dat gemiddeld 40% ten behoeve van sociale huur- en koopwoningen (sociale huur 20%, sociale koop laag tot € 260.000 en sociale koop hoog van € 260.000 tot € 320.000), 20% middeldure woningen (midden dure huur tot € 1.080,- en koop van € 320.000 tot € 355.000 en tot de actuele NHG grens van € 405.000,-) en 30% duurdere woningen vanaf de NHG-grens en 10% vrij in te delen.
In regio FoodValley zijn in verband met deze Woondeal onderlinge woningbouwafspraken gemaakt, waarbij Barneveld voor de periode 2022-2030 zo'n 5.400 woningen mag groeien, mede vanwege een zekere overloop vanuit regio Amersfoort. Er loopt verder een Verstedelijkingsstrategie Arnhem, Nijmegen, Foodvalley, waarbij er in de periode 2020-2040 in Foodvalley zo'n 40.000 woningen aan de voorraad moeten worden toegevoegd. Voor gemeente Barneveld zou dit een opgave van tenminste 8.000 woningen tot 2040 betekenen. Provincie Gelderland streeft in het Aktieplan Wonen naar versnelling van woningbouwontwikkelingen, gezien de woningtekorten op de woningmarkt. Daarbij wordt ook naar gemeente Barneveld gekeken. In regio Amersfoort loopt een soortgelijke studie, namelijk het 'Ontwikkelbeeld regio Amersfoort' en wordt een woninguitbreiding met 36.000 in 2020-2040 als opgave gezien. De woningbouw in Barneveld is hier mede input voor. Door middel van de voortgangsrapportage woningbouw wordt halfjaarlijks een actueel beeld van het planaanbod voor de komende vier jaar gegeven, waarbij ook een beeld wordt geschetst van de aantallen op te leveren woningen per kern, alsmede de differentiatie van deze nieuwbouw in termen van prijsklassen, eigendomsverhouding en bouwvorm (gestapeld of grondgebonden).
Ook wordt een beeld geschetst van de mate waarin voor bepaalde doelgroepen wordt gebouwd (zoals starters, ouderen of mensen met een beperking) om zo vraag en aanbod meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Voor de periode 2024 t/m 2027 is een programma van gemiddeld bruto 785 woningen per jaar voorzien. Dit is circa 130% ten opzichte van de gewenste uitbreiding met zo'n 600 woningen per jaar. Rekening houdend met planuitval, vertraging en dergelijke en het gegeven dat in 2022 minder dan 300 woningen zijn opgeleverd, wordt deze 130% programmering als wenselijk beschouwd. Dit is geheel in lijn met de vastgestelde woonvisie en gemaakte woningbouwafspraken. Sinds 1 januari 2018 is de Verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur gemeente Barneveld van kracht. Deze verordening is in 2022 geactualiseerd, met als werktitel Doelgroepenverordening gemeente Barneveld 2021. Deze verordening ziet toe op sturing van de totale woningvoorraad en het bereikbaar houden van een deel van de woningvoorraad voor lage en midden inkomensgroepen. Het gaat daarbij om drie categorieën: sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en middendure huurwoningen.
In bestemmingsplannen en overeenkomsten met marktpartijen kan voor een bepaalde minimale tijdsduur de ingebruikname van sociale huurwoningen (25 jaar), goedkope koop (1 jaar met boetebeding tot 10 jaar) en middendure huurwoningen (15 jaar) worden vastgelegd evenals de maximale hoogte van de huur- en koopprijs. Verder is een zekere prijs-/kwaliteitsverhouding geformuleerd om in relatie tot de hoogte van de huur- of koopprijs toch een minimale woninggrootte te garanderen. Daarbij is ook aangegeven dat deze drie woningcategorieën met voorrang aan bepaalde lage en middeninkomensgroepen moeten worden aangeboden om zo tot een rechtvaardige verdeling van de woningvoorraad te komen. Prijs- en inkomensgrenzen worden geïndexeerd conform de bepalingen in de verordening. "Bloemendal IIA" (vastgesteld)
31
Bloemendal IIA
Doorwerking in plangebied In het plangebied Bloemendal IIA zullen 153 woningen komen. Dit plan is een vervolg op fase 1. Per fase kan er worden afgeweken van het streefprogramma in de woonvisie, maar overall wordt dit programma bewaakt. Zo zaten er in fase 1 relatief veel goedkope woningen en in fase 2 relatief wat minder. De differentiatie sluit overall aan op het streefprogramma in de vastgestelde woonvisie houdt rekening met de toewerking naar 2/3 betaalbaarheid uit het Aktieprogramma Wonen. Er zullen verschillende woningtypen in verschillende prijsklassen worden gerealiseerd. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de prijscategorieën en woningtypen van fase IIA. Programma fase IIA Bloemendal in Barneveld *)
*) Sociale Koop Laag (< 260.000,- januari 2024), Sociale Koop Hoog (< 320.000,-, januari 2024), Middelduur laag betaalbaar (tot 390.000,- , januari 2024), Middelduur tot NHG (< 345.000,- januari 2024); Duur > NHG (> 345.000,- januari 2024). Het programma, kan gezien de vraag vanuit de markt en de gewenste toevoeging, op voldoende belangstelling rekenen. Het woningbouwplan past binnen de totale woningbouwprogrammering van de gemeente.
32
"Bloemendal IIA" (vastgesteld)
Bloemendal IIA
Hoofdstuk 5 5.1
RANDVOORWAARDEN
Bodem
In het kader van de bestemmingsplanprocedure is beoordeeld of de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de eis van financiële uitvoerbaarheid en uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aanvaardbaar mag worden geacht voor het beoogde gebruik. Het plangebied is namelijk een bodemgevoelige locatie. Beoordeling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit vindt onder andere plaats op basis van de 'Bodemkwaliteitskaart regio De Vallei 2018' en de bijbehorende 'Nota bodembeheer 2022'. Met dit instrumentarium kan de bodemkwaliteit binnen het plangebied met een bepaalde statistische zekerheid worden bepaald voor zover blijkens historisch onderzoek geen sprake is van verdachte locaties. Op basis daarvan zijn er geen risico's te verwachten voor de beoogde bestemming en het gebruik.
Binnen het plangebied zijn een viertal verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd: Verkennend bodemonderzoek Nijkerkerweg 126 Barneveld (projectnummer vo/vdb/2005/106, Midden Nederland Milieu, 4 januari 2006) Verkennend bodemonderzoek Barneveld Noord (kenmerk R01-77132-RSC, Ingenieursbureau Land, 11 april 2017, bijlage 13) Verkennend bodem- en asbest in grond-/puinonderzoek Nijkerkerweg 128 Barneveld (kenmerk 1785101A, PJ Milieu bv, 18 januari 2018, bijlage 9) Verkennend bodem- en asbest in grond-/puinonderzoek Nijkerkerweg 132 Barneveld (kenmerk 18039101A PJ Milieu bv, 4 juli 2018, bijlage 11). Slechts ter plaatse van Nijkerkerweg 128 is in het onderzoek de aanwezigheid van asbest op en/of in de bodem meegenomen. Aanleiding voor de uitvoering van deze vier verkennende bodemonderzoeken was gelegen in de voorgenomen bestemmings-/functiewijziging of transactie. Met uitzondering van het erf van Nijkerkerweg 128, waar in twee aanwezige druppelzones zintuiglijk en analytisch asbest is aangetroffen, zijn er geen ernstige gevallen van bodemverontreinigingen aangetroffen. In de boven- en ondergrond en het grondwater zijn plaatselijk enkele parameters boven de achtergrondwaarde respectievelijk streefwaarde aangetoond.
Voor de voorgenomen bestemmings-/functiewijziging van Bloemendal fase IIA heeft de deskundige van Omgevingsdienst De Vallei aanbevolen om vooraf een actualiserend bodemonderzoek uit te voeren. Naast de reguliere standaard parameters zal dit onderzoek zich richten op de aanwezigheid van asbest op en/of in de bodem ter plaatse van de erven en waar in de weilanden sprake was van agrarische bebouwing. Op basis van de resultaten van het vooraf uit te voeren historisch vooronderzoek aangevuld met een geofysisch onderzoek zal de onderzoeksopzet worden bepaald. Het uitgevoerde actualiserend bodem en asbestonderzoek is opgenomen onder bijlage 12. In de toplaag van de zuidelijke druppelzone van de meest zuidelijke schuur op het erf van Nijkerkerweg 128 overschrijdt de gewogen asbestconcentratie van 162 mg/kg d.s. de saneringsnorm/hergebruiksnorm van 100 mg/kg d.s. De bovengrond ter plaatse van deze druppelzone is ook sterk verontreinigd met PAK. De in 2018 aangetoonde gewogen asbestconcentratie van 46 mg/kg d.s. ter plaatse van de noordelijke druppelzone van de betreffende schuur dient mogelijk naar boven te worden bijgesteld. Dit op basis van de resultaten van het in 2022 uitgevoerde actualiserend bodem- en asbestonderzoek. Op 26 maart 2024 heeft de Omgevingsdienst De Vallei ingestemd met het plan van aanpak voor de sanering van deze twee druppelzones.
De sanering is in de maand oktober van 2024 gestart mag nog niet afgerond. Mede omdat door de deskundige van Omgevingsdienst De Vallei is geconstateerd dat de onderzoeksresultaten van het in 2018 uitgevoerde verkennend bodem- en asbestonderzoek niet meer voldoende representatief zijn voor de milieuhygiënische kwaliteit van de aanwezige semiverharde erfverharding op het achterterrein. In maart/april 2025 heeft ter plaatse een aanvullend bodem- en asbestonderzoek plaatsgevonden, welke is opgenomen onder bijlage 10). Op basis van de onderzoeks-resultaten wordt geadviseerd om de aanwezige erfverharding (gezien de aangetroffen zintuigelijke bijmengingen waaronder asbest) te ontgraven en af te voeren naar een erkend verwerker. Dit geldt ook voor de twee aangetroffen kleine stortgaten op het achterterrein/ter plaatse van de voormalige "Bloemendal IIA" (vastgesteld)
33
Bloemendal IIA schuur. Tijdens het ontgraven/saneren van de aanwezige erfverharding en de twee aangetroffen stortgaten dient ook gelijk de sanering van de twee druppelzones op de betreffende locatie te worden afgerond. Aangezien sinds 2017 het gebruik ter plaatse van de agrarische percelen gelijk is gebleven en er een bodembedreigende activiteiten op deze percelen hebben plaatsgevonden is naar verwachting de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse niet gewijzigd. De onderzoeksresultaten uit 2017 en 2018 worden daarom als voldoende representatief geacht voor de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de bodem ter plaatse van de agrarische percelen. De aangetoonde gehalten aan PFAS in de boven- en ondergrond ter plaatse van deze agrarische percelen bevinden zicht onder de achtergrondwaarde. Verder wordt aanbevolen om bij het bouwrijpmaken van het terrein de toplaag/bovengrond ter plaatse van de voormalige meest oostelijke schuur en het direct achterliggende weiland af te romen, aangezien hier mogelijk puin, stortgaten etc. aanwezig kunnen zijn. Ondanks dat een verkennend bodem- en/of asbestonderzoek is uitgevoerd conform de geldende protocollen/richtlijnen betreft het een steekproefsgewijze benadering van de bodemkwaliteit.
Bij de voorgenomen herontwikkeling en de daarbij behorende sloop- en grondroerende werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het plaatselijk aantreffen van onvoorziene bodemverontreiniging. Aan-/afvoer van grond, bouwstoffen etc. naar/van de locatie dient te voldoen aan de algemene rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie.
5.2
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Daar waar het voor de archeologie al gemeengoed is, geldt het dus ook voor andere aspecten van de cultuurhistorie. Rekening houden met cultuurhistorie impliceert dat bekend moet zijn wat er voor waarden aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom een proces opgestart om bestaande kennisdocumenten te actualiseren en waar nodig nieuwe kennis op te bouwen. De gemeente beschikt over de volgende vastgestelde kaarten: Archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Cultuurlandschappelijke waardenkaart; Historische stedenbouwkundige waardenkaarten. Door cultuurhistorie een plek te geven in procedures op het gebied van ruimtelijke ordening wordt ook bereikt dat de aandacht niet uitsluitend uitgaat naar individuele objecten (de aangewezen monumenten), maar juist de samenhang tussen gebouwen en hun omgeving.
5.2.1 5.2.1.1
Archeologie Archeologie
Er moet rekening worden gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Voor het maken van een weloverwogen belangenafweging is minimaal een archeologisch bureauonderzoek nodig. Voor de gehele gemeente is een archeologische beleidsadvieskaart opgesteld, welke gezien kan worden als een beknopt bureauonderzoek. Bureau Archol uit Leiden heeft in opdracht van gemeente Barneveld een verkennend en karterend veldonderzoek uitgevoerd (bijlage 4). In april 2016 is het archeologisch proces gestart met een bureauonderzoek voor Barneveld-Noord c.q. Bloemendal (bijlage 3). Op basis van dit onderzoek zijn zes deelgebieden aangewezen, waar een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten gold.
34
"Bloemendal IIA" (vastgesteld)
Bloemendal IIA
Afbeelding 11 Zes deelgebieden na bureauonderzoek geselecteerd voor vervolgonderzoek Deelgebied 2 is van belang voor het plangebied "Bloemendal IIA". In de tweede helft van 2016 is vervolgens een booronderzoek uitgevoerd, waarbij door het gehele gebied boringen in raaien zijn gezet. Een deel van het gebied werd geselecteerd voor vervolgonderzoek. In 2017 werd daartoe een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (bijlage 5). De deelgebieden 2 en 3 tot en met 6 werden geselecteerd voor het proefsleuvenonderzoek. Op de onderstaande afbeelding (nr. 12) geeft de rode cirkel met een '1' ernaast het met proefsleuven onderzochte gebied aan. De rode cirkel met een 'S' erop, geeft een historisch bekende schaapskooi aan. Deze contour was in 2017 nog niet voldoende archeologisch onderzocht. Daardoor gold dat bij iedere bodemingreep dieper dan 30 cm onder maaiveld, archeologisch onderzoek in de vorm van een opgraving was vereist. In november 2022 heeft het bureau ADC ArcheoProjecten een rapport uitgebracht dat gaat over de schaapskooi ter hoogte van Nijkerkerweg 128 in Barneveld (bijlage 6). Het onderzoek heeft uitgewezen dat van de schaapskooi één mogelijke korte wand bewaard is gebleven in de vorm van een rij kort op elkaar gelegen paalkuilen van circa 4,7 meter lang met een noord-zuid oriëntatie.
Het is onnodig om een dubbelbestemming 'Archeologie' op te nemen op de verbeelding van het bestemmingsplan ter bescherming van de resten. De locatie van de schaapskooi is vrijgegeven.
Afbeelding 12 Contouren proefsleuvenonderzoek
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet melding van de desbetreffende vondsten bij de minister (namens deze de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed RCE) verplicht. "Bloemendal IIA" (vastgesteld)
35
Bloemendal IIA
5.2.2
Historischestedenbouwkundige waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'stedebouwkundige waardevolle gebieden' als weergegeven in de 'Historische stedebouwkundige waardenkaart' en de aangegeven 'vast te leggen kenmerken' in de bijbehorende Tabel, en deze te hanteren als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens deze kaart geen bijzondere waarde(n). Bij de bouwkundige monumenten is sprake van rijks- en gemeentelijke monumenten. Er zijn geen monumenten aanwezig binnen het plangebied. Het aspect monumenten vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het bestemmingsplan.
5.2.3
Cultuurlandschappelijke waarden
De gemeenteraad heeft op 25 april 2018 ingestemd met de 'Cultuurlandschappelijke waardenkaart' als toetsingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied heeft volgens de Cultuurlandschappelijke waardenkaart geen (zeer) hoge waardering. Zeer hoog gewaardeerde landschappen (waarde 5) krijgen een dubbelbestemming in het bestemmingsplan; hoog gewaardeerde landschappen (waarde 4) krijgen een dubbelbestemming in het bestemmingsplan, mits ze aan zeer hoog gewaardeerde landschappen grenzen. Het is de bedoeling dat de waarden worden gehandhaafd danwel versterkt. Op de Cultuurhistorische waardenkaart is het plangebied deels aangeduid als vochtige kampontginning en deels als jonge vochtige landbouwontginning, beide met een middelmatige waarde. Dit bestemmingsplan is niet strijdig met deze waardering. De historische lijnen in het landschap vormen de basis voor de hoofdstructuur en verdere verkaveling van het plangebied Bloemendal. De oostgrens van het plangebied "Bloemendal" wordt gevormd door een natuurlijke laagte in het gebied. Deze noordzuid lijn wordt versterkt door het meer ruimte te geven en krijgt de naam 'Laagte'. De A-watergang stroomt door de Laagte, naast een watervoerende en waterbergende functie krijgt de Laagte ook een recreatieve functie. Aan de zuidzijde grenst de laagte aan het Oosterbos. Deze groene koppeling zorgt voor een groennetwerk dat wijk overstijgend is.
Een andere historische noordzuid-lijn in het gebied, vormde oorspronkelijk een perceelsgrens. Deze perceelsgrens wordt in Bloemendal vertaald naar een hoofdfietsstructuur. In oostwestelijke richting liggen een aantal watergangen die grotendeels worden behouden en omringd door een onbebouwde groenblauwe ruimte. Ook de oostwestelijke houtwal die in het gebied nog duidelijk zichtbaar is wordt in de verkaveling ingepast. De waardevolle cultuurshistorische landschappelijke elementen blijven door deze zorgvuldige inpassing zichtbaar in de gehele wijk Bloemendal en in het plangebied "Bloemendal IIA".
5.3
Ecologie
De belangrijkste wet voor natuurbescherming in Nederland is de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn zijn vertaald in deze wet. Daarnaast is qua ecologie ook het Gelders Natuurnetwerk en de Gelderse Ontwikkelingszone van belang. In het kader van het bestuurlijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) heeft Provincie Gelderland laten weten dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de regels uit de Omgevingsverordening. De provincie vroeg om aandacht voor de ontwikkelingsdoelen van de Groene Ontwikkelingszone (bijlage 19).
36
"Bloemendal IIA" (vastgesteld)
Bloemendal IIA
5.3.1 5.3.1.1
Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming
Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van speciale beschermingszones ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Zo'n speciale beschermingszone wordt aangeduid als “Natura 2000-gebied”. De Wet natuurbescherming bepaalt vervolgens wat er wél en niet mag in zo'n Natura 2000-gebied. Ook zijn er bijzondere nationale natuurgebieden. Op 27 juni 2014 is de aanwijzing van het gebied Veluwe als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn in werking getreden. Tevens is met dit besluit het besluit tot de aanwijzing van Veluwe als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn, inclusief de daarbij behorende Nota van toelichting, gewijzigd. Deze twee genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Veluwe, waarbij instandhoudingsdoelstellingen zijn toegevoegd. Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van een Natura 2000-gebied. De kortste afstand tot de Veluwe bedraagt meer dan 7 kilometer. Dit gedeelte van de Veluwe bevindt zich in zuidoostelijke richting van het plangebied nabij Lunteren.
Afbeelding 14 Natura 2000-gebied Veluwe Vanwege de omvang van de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied "Bloemendal IIA" is een onderzoek naar stikstofdepositie in beschermde natuurgebieden noodzakelijk. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebied Veluwe zijn overige effecten van de woningbouwontwikkeling op het natuurgebied naar het deskundige oordeel van de ecoloog van Omgevingsdienst De Vallei op voorhand - zonder onderzoek - uit te sluiten. In de geactualiseerde quickscan ecologie van Arcadis Nederland B.V. is deze conclusie bevestigd (bijlage 17, zie paginanummer 55). In bijlage 31 is het onderzoek naar stikstofdepositie d.d. 18 oktober 2024 opgenomen. Op 10 april 2025 heeft SPA WNP Ingenieurs het laatstgenoemde onderzoek geactualiseerd naar aanleiding van recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over stikstofdepositie en intern salderen. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt: 'Op basis van de berekende stikstofemissies voor de beoogde situatie blijkt dat er mogelijk sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Om die reden zijn de emissies van de beoogde situatie vergeleken met de bestaande emissies in de referentiesituatie. Hieruit volgt dat er "Bloemendal IIA" (vastgesteld)
37
Bloemendal IIA tijdens de aanleg- en gebruiksfase geen Natura 2000-gebieden zijn met een berekende toename groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de aanleg- en gebruiksfase worden hiermee uitgesloten.'
5.3.1.2
Soortenbescherming
Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van bepaalde plant- en diersoorten in Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden én daarbuiten. Er gelden drie beschermingsregimes, te weten voor vogels (Vogelrichtlijn), soorten onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV, onderdeel a Habitatrichtlijn, dan wel bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn) en andere (nationale) soorten. Ter onderbouwing van het bestemmingsplan is uitgebreid ecologisch onderzoek verricht. De uitkomsten van de onderzoeken zijn vervat in de volgende rapportages: Quickscan ecologie Nieuwbouwontwikkeling Bloemendal IIA/IIB (Arcadis, 20 augustus 2025, bijlage 17) Quickscan ecologie Nijkerkerweg Barneveld (Arcadis, 22 augustus 2025, bijlage 18) Activiteitenplan ten behoeve van aanvraag omgevingsvergunning Flora- en Fauna-activiteit (Arcadis, 22 augustus 2025, bijlage 15) Daarnaast is gebruikgemaakt van het ecologisch advies van de provincie Gelderland (17 januari 2024, bijlage 19). De resultaten van de onderzoeken zijn hieronder samengevat. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op circa 7 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (de Veluwe). Gezien deze afstand zijn significante negatieve effecten als gevolg van verstoring, ruimtebeslag en oppervlaktewatervervuiling uitgesloten.
Effecten door stikstofdepositie tijdens realisatie en gebruik zijn niet op voorhand uitgesloten en worden bij de omgevingsvergunning nader beoordeeld middels een AERIUS-berekening. Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene Ontwikkelingszone (GO) Het plangebied ligt niet binnen het GNN of de GO, maar op enkele punten direct aangrenzend. Alleen ter hoogte van de Nijkerkerweg is sprake van geringe overlap met de GO. De provincie Gelderland acht het plan in overeenstemming met de geldende regels, maar heeft geadviseerd om binnen de GO en aansluitende zones bij te dragen aan de versterking van de ecologische verbindingszone, specifiek gericht op de kamsalamander. Beschermde soorten en benodigde maatregelen In en rondom het plangebied komen verschillende wettelijk beschermde soorten voor. Op basis van de onderzoeksresultaten en de effectanalyse zijn de volgende soorten en maatregelen relevant: 1. Huismus - Twee nestplaatsen bij Nijkerkerweg 128 worden aangetast. - Maatregelen: • Werkzaamheden buiten broedseizoen (globaal maart-september). • Aanbieden van alternatieve nestvoorzieningen conform kastenplan (fase 1 en 2, bijlage 16). • Aandacht voor groene erfafscheidingen (hagen) in plaats van schuttingen. 2. Huiszwaluw en spreeuw - Nestplaatsen bij Nijkerkerweg 128. - Maatregelen: • Sloop buiten broedseizoen.
• Geen aanvullende compensatie nodig gezien voldoende alternatieve nestgelegenheid in omgeving. 3. Kerkuil en steenuil - Geen nestplaatsen vastgesteld; wel verlies van foerageergebied. - Maatregelen: • Compensatie door aanleg van houtwallen, poelen, uitkijkpaaltjes en nestkasten in agrarisch gebied ten noorden van het plangebied. 38
"Bloemendal IIA" (vastgesteld)
Bloemendal IIA
4. Wezel - Worstcasescenario: mogelijk verblijfplaatsen en foerageergebied aanwezig. - Maatregelen: • Beheermaatregelen (verwijderen ruigte buiten voortplantingsseizoen). • Compensatie in GO-gebied door aanleg van houtwallen, poelen en takkenhopen met wezelverblijf. 5. Vleermuizen - Geen verblijfplaatsen, maar vliegroutes en foerageergebied aanwezig langs houtsingels. - Maatregelen: • Beperken van kunstlicht (amberkleurig, afscherming, geen verlichting in boomkronen). • Natuurinclusieve bouw met verblijfvoorzieningen. 6. Amfibieën en ringslang - Geen essentiële functies vastgesteld binnen het plangebied. - Maatregelen: • Behoud en versterking van watergangen (zoals Trammelantbeek) en aanleg van poelen waar mogelijk. Overige maatregelen en natuurinclusief bouwen - Erfafscheidingen met inheemse hagen in plaats van schuttingen. - Extensief beheer van bermen ten gunste van biodiversiteit. - Monitoring van flora en fauna tijdens en na realisatie. Vergunningen en vervolgstappen Voor enkele soorten is vastgesteld dat mitigerende maatregelen onvoldoende zijn en dat een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. Dit geldt met name voor: - Huismus (vernietigen nestplaatsen); - Steenuil en kerkuil (verlies foerageergebied); - Wezel (verlies verblijfplaatsen en individuen).
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is planologisch mogelijk mits de bovenstaande maatregelen tijdig worden uitgevoerd en de vergunningen tijdig worden verleend. Het aspect ecologie vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Algemene zorgplicht Voor de uitvoering van werkzaamheden geldt de algemene zorgplicht. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen én de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van bomen en struiken dient gezien te worden als een voor vogels verstorende activiteit en dient buiten het vogelbroedseizoen plaats te vinden. Verstorende werkzaamheden dienen niet tijdens de broedperiode (grofweg maart - augustus) uitgevoerd te worden, tenzij geconstateerd is dat er geen vogelbroedgeval aanwezig is. Een ieder is verplicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
5.3.1.3
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bossen en beplanting in Nederland te behouden. Daarmee wordt de functie van bossen en beplantingen gegarandeerd als habitat voor dieren en planten, als recreatiegebied en als groene long. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, van een oppervlakte van tien are of meer of een bomenrij die twintig (of meer) bomen omvat. Voor het kappen of rooien van een houtopstand geldt een meld- en herplantplicht wanneer de houtopstand buiten de vastgestelde bebouwde kom ligt. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Nieuwe woonwijk Bloemendal IIA "Bloemendal IIA" (vastgesteld)
39
Bloemendal IIA Op de kavelgrenzen ten noorden, noordoosten en oosten zijn houtsingels aanwezig en deze vallen door hun omvang en aantallen bomen onder de Wet natuurbescherming (Wnb). Indien kap nodig is zal daarvoor een kapmelding moeten worden gedaan bij de provincie en is er sprake van een herplantplicht op de kaplocatie. Indien dat niet mogelijk is zal naar een compensatie herplant (elders) moeten worden gezocht en afstemming daarover met de provincie moeten plaatsvinden. Het voornemen is de houtsingels te handhaven, op twee doorsteekjes na in de noordoosthoek. Deze zullen de bestemming Groen krijgen. De groenstructuur wordt zoveel mogelijk in stand gehouden en enkel om enkele doorgangen te maken zal er in gekapt worden. Verder worden nog nieuwe bomen in de laagte geplant en hiermee worden de te kappen bomen gecompenseerd. De conclusie is dat de Wnb de verwezenlijking van de nieuwe woonwijk niet in de weg staat. Nijkerkerweg In de bermen aan weerszijden van de weg zijn Eikenbomenrijen aanwezig en deze vallen onder de Wet natuurbescherming (Wnb). Met het oog op de verbreding van de Nijkerkerweg worden de bomen aan de westzijde van de weg gekapt. Er is voorzien in nieuwe groenstroken en bermen waarin nieuwe bomen worden geplant conform de herplantplicht uit de Wnb. De wijziging van het tracé van de weg vindt plaats in overeenstemming met de wet.
De compensatie gaat volgens de quickscan van de Nijkerkerweg inclusief de mitigerende maatregelen (bijlage 18). De conclusie van de quickscan luidt dat negatieve effecten als gevolg van ruimtebeslag, verstoring door licht, geluid en trillingen en vervuiling door oppervlaktewater zijn uitgesloten. Het plangebied overlapt niet met het Gelders Natuurnetwerk. Binnen het plangebied komen mogelijk beschermde soorten voor. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk. Dit zal plaatsvinden vóór de uitvoering van de werkzaamheden. De hiervoor genoemde wijziging van het tracé van de weg zal ook gevolgen hebben voor een aantal bomen op het voorterrein van het perceel Nijkerkweg 145/145A. De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is relevant. Met de aanplant van nieuwe bomen is de kap van enkele bomen op het genoemde perceel ruimschoots te compenseren. Het perceel is betrokken in de quickscan, aangezien daar twee volwassen bomen staan. Er is ook een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd om na te gaan of de bomen gelet op de bouwwerkzaamheden behouden kunnen blijven dan wel verplantbaar zijn, zie bijlage 14. Conclusie De conclusie luidt dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan.
5.3.2
Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszones
Het plangebied ligt niet binnen de (voormalige) Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de opvolger van de EHS. Met het bestuursakkoord Natuur is de realisatie en het beheer van het NNN de verantwoordelijkheid van de provincies geworden. In de periode tot 2027 willen Rijk en provincies een forse extra stap zetten op weg naar realisatie van de doelen van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Hierbij moet maximale synergie worden bereikt tussen natuur- en watermaatregelen. De provincies geven elk in hun eigen provincie uitwerking aan het natuurbeleid op basis van het Natuurpact. Voor de EHS uit de Structuurvisie Gelderland zijn in de Omgevingsvisie twee nieuwe natuurcategorieën in de plaats gekomen: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO.) Uit § 4.3.1.2 Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied niet in het GNN of de GO ligt (met uitzondering van de verbreding van de Nijkerkerweg in GO). Voor de toetsing wordt verwezen naar de genoemde paragraaf.
40
"Bloemendal IIA" (vastgesteld)
Bloemendal IIA
Afbeelding 15 Gelders natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone De ecologische onderzoeken zijn beschreven in § 5.3.1.2.
5.4
Externe veiligheid
Doel Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Eerst wordt het wettelijk kader op nationaal niveau beschreven, daarna het gemeentelijk beleid en vervolgens overige wet- en regelgeving die voor het plangebied relevant is. Tot slot wordt zonodig het groepsrisico verantwoord. "Bloemendal IIA" (vastgesteld)
41
Bloemendal IIA
Wettelijk kader Op nationaal niveau zijn verschillende wetten en regels ten aanzien van externe veiligheid. Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI; oktober 2004). Voor transport is het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing (Bevt: april 2015). Voor buisleidingen moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; januari 2015). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Dit is een maat voor de kans dat iemand dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met een gevaarlijke stof. De gestelde norm is een ten minste in acht te nemen grenswaarde (PR 10-6/jaar) die niet mag worden overschreden ten aanzien van 'kwetsbare objecten', alsmede een zoveel mogelijk te bereiken richtwaarde (PR 10-6/jaar) ten aanzien van 'beperkt kwetsbare objecten'. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het werkveld externe veiligheid wordt sinds jaren gewerkt met twee risiconormen, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Bij de ontwikkeling van het Basisnet is hieraan een derde voorwaarde toegevoegd: het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Hiermee wordt het effectgebied weergegeven van het scenario met de grootste kans van voorkomen: de plasbrand. In deze gebieden moet er in samenhang met mogelijkheden van plasbrandbestrijding en bouwtechnische maatregelen beargumenteerd worden waarom er gebouwd wordt. Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Op 1 april 2015 is het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen van kracht geworden. Dit Basisnet geeft aan over welke routes (spoor, water en weg) gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het Basisnet spoor heeft betrekking op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het hoofdspoorwegennet. Op basis van de wet- en regelgeving omtrent het Basisnet worden, rekening houdend met te verwachten groei van vervoer van gevaarlijke stoffen door Nederland en verdichting van de ruimte naast het spoor (binnen een afstand van 200 m van het spoor) in met name stedelijke kernen, afspraken gemaakt over de risicoruimte. Beleidsvisie externe veiligheid In 2009 heeft de gemeente Barneveld de 'Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. In deze visie is onder meer vastgelegd hoe in Barneveld nabij risicobronnen zal worden omgegaan met het veiligstellen van een acceptabel niveau van risico's externe veiligheid en beheersbaarheid.
Beoordeling risicobronnen Het plangebied is niet gelegen binnen een aandachtsgebied van risicobronnen. Het plangebied is gelegen op een afstand groter dan 200 meter van risicobronnen. Een toename van het groepsrisico is daarmee uit te sluiten en een onderzoek naar het groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van vervoer van gevaarlijke stoffen over de A30. Hierdoor dient de veiligheidsregio in gelegenheid te worden gesteld om advies te geven over bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van de optredende scenario's. Dit restrisico dient verantwoord te worden.
Verantwoording groepsrisico Op basis van het Bevt dient voor een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter vanaf de transportroute, maar binnen het invloedsgebied ingegaan te worden op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. 42
"Bloemendal IIA" (vastgesteld)
Bloemendal IIA
Daarnaast stelt het Bevt dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om advies uit te brengen over de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Maatgevende scenario's De maatgevende scenario´s voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen en dat van toxische vloeistoffen/gassen ligt, zijn een wolkbrandexplosie en een toxische wolk. Onderstaand is vanuit deze scenario's ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Bij een wolkbrandexplosie scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het onderhavige plan.
5.5
Geluid
De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Bij verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van deze wet aan de orde: het bestemmen van gronden voor nieuwe geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen en onderwijsgebouwen) binnen zones langs (spoor-)wegen en zones rondom industrieterreinen; het bestemmen van gronden voor de aanleg van nieuwe, dan wel reconstructie van gezoneerde (spoor-)wegen; het bestemmen van gronden voor (nieuwe) industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen en herziening van zonegrenzen van industrieterreinen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor-)wegen en zones bij industrieterreinen. Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied waar, voor bouwplannen en bestemmingsplannen, een akoestische toetsing uitgevoerd dient te worden. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet meer bedragen dan de voorkeursgrenswaarde. Indien de geluidbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van een hogere waarde. Hierbij mag de geluidbelasting de uiterste grenswaarde niet overschrijden.
De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per geluidsbron. In geval van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen of spoorwegen, of binnen de zone van een industrieterrein, is akoestisch onderzoek vereist. De nieuwe woonfunctie is op grond van de Wet geluidhinder aangewezen als geluidgevoelige bestemming. Daarom dient de geluidbelasting vanwege het wegverkeer te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder in samenhang met het geldende geluidsbeleid "Beleidsregels hogere grenswaarden Wet geluidhinder Barneveld 2009".
"Bloemendal IIA" (vastgesteld)
43
Bloemendal IIA
In opdracht van gemeente Barneveld heeft ingenieursbureau SPA WNP uit Ede akoestisch onderzoek gedaan naar wegverkeerslawaai ten behoeve van de woonwijk Bloemendal, fase I (bijlage 1). Dat heeft in 2021 een vervolg gekregen voor fase IIA van de woonwijk. Het onderzoek is geactualiseerd in 2023 (rapport d.d. 18 augustus 2023, bijlage 2). Binnen het plangebied "Bloemendal IIA" zullen nieuwe woningen en een nieuwe weg worden gerealiseerd. Ook wordt er een aansluiting op de Nijkerkerweg gerealiseerd, die ter plaatse van de aansluiting fysiek gewijzigd zal worden. Daarom zijn de volgende deelonderzoeken uitgevoerd: 1. akoestisch reconstructie onderzoek ten behoeve van de bestaande woningen in verband met de wijziging van de Nijkerkerweg (snelheidsverlaging en wijziging wegas); 2. akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting op de bestaande woningen, ten gevolge van de relevante nieuwe weg door Bloemendal - fase IIa; 3. akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting op de nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (woningen) binnen het bestemmingsplan, vanwege de bestaande wegen (Nijkerkerweg, rijksweg A30 en Laan van Verzet uit fase I) en de relevante nieuwe weg door Bloemendal (Laan van Verzet_fase IIA); 4. onderzoek buiten het onderzoeksgebied.
Ten gevolge van het plan "Bloemendal IIA" zal het verkeer op de omliggende wegen toenemen ten opzichte van de situatie zonder deze nieuwe ontwikkeling. In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing wordt de verandering van de geluidbelasting bij de bestaande woningen inzichtelijk gemaakt. Hierbij wordt de autonome situatie vergeleken met de situatie na realisatie van Bloemendal. Uit het onderzoek blijkt het volgende: 1. Ten gevolge van de wijzigingen van de Nijkerkerweg zal: a. de geluidbelasting toenemen met maximaal 2,2 dB. De maximaal toegestane toename van 5 dB wordt niet overschreden. Deze toename wordt veroorzaakt door de verkeerstoename (circa 1,0 tot 1,5 dB) en doordat een deel van de Nijkerkerweg iets in westelijke richting verplaatst wordt, waardoor de weg dichter bij de woning komt, waar de hiervoor genoemde toename optreedt; b. er sprake zijn van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder bij één woning aan de Nijkerkerweg 139 en bij 5 bestemde woningen ter plaatse van rekenpuntnummers 338, 339, 340, 341 en 342. Bij alle andere (bestemde) woningen is geen sprake van een reconstructie; c. de geluidbelasting in 2033 op de reconstructiewoning aan de Nijkerkerweg 139 maximaal 58 dB bedragen. De maximaal toegestane waarde van 68 dB (na aftrek, bij heersende geluidbelasting > 53 dB), volgens de Wet geluidhinder wordt niet overschreden; d.
de geluidbelasting in 2033 op de 5 bestemde reconstructiewoningen maximaal 54 dB bedragen. De maximaal toegestane waarde van 63 dB (na aftrek, bij heersende geluidbelasting <= 53 dB), volgens de Wet geluidhinder wordt niet overschreden; e. de geluidbelasting in 2033 op de 5 bestemde reconstructiewoningen, lager zijn dan de vastgestelde hogere waarden zoals deze ten behoeve van Bloemendal - fase 1 al vastgesteld zijn. Het reduceren van de geluidbelasting tot de maximaal toelaatbare geluidbelasting met behulp van bronmaatregelen of overdrachtsmaatregelen stuit op bezwaren van verkeerskundige en stedenbouwkundige aard. De wijziging van de Nijkerkerweg is dan alleen mogelijk indien voor de geluidgevoelige bestemming aan de Nijkerkerweg 139 een hogere waarde wordt vastgesteld van 58 dB. Uit gevelonderzoek moet vervolgens blijken of maatregelen nodig zijn om het binnenniveau te laten voldoen aan de binnenwaarde van 33 dB. Voor het bepalen van de gevelisolatie dient uitgegaan te worden van de gecumuleerde geluidbelasting, zonder aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder. Bij de 5 bestemde woningen zijn ten behoeve van fase I al hogere "hogere waarden" vastgesteld dan nu zou moeten op basis van dit reconstructie-onderzoek. Deze woningen krijgen op basis van de eerder vastgestelde hogere waarden al een ruim hogere geluidwering dan nodig voor deze reconstructie.
Daarmee zal ruim voldaan worden aan de binnenwaarde van 33 dB. 2. De geluidbelasting ten gevolge van de nieuwe weg op bijna alle bestaande en bestemde woningen (fase 1) zal lager zijn dan de voorkeurswaarde van 48 dB. Bij één bestaande woning, te weten de woning aan de Nijkerkerweg 130, zal de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeurswaarde, maar ruim lager dan de maximaal toelaatbare geluidbelasting. De geluidbelasting op de woning aan de 44
"Bloemendal IIA" (vastgesteld)
Bloemendal IIA Nijkerkerweg 130 bedraagt maximaal 50 dB. Voor de woning aan de Nijkerkerweg 130 moet een hogere waarde van 50 dB vastgesteld worden ten gevolge van de nieuwe weg, wanneer de nieuwe weg niet wordt uitgevoerd met een voldoende geluidreducerend wegdek of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn. Uit gevelonderzoek moet blijken of aanvullende geluidreducerende maatregelen nodig zijn om het binnenniveau te laten voldoen aan de binnenwaarde van 33 dB voor deze woning. Voor het bepalen van de gevelisolatie dient uitgegaan te worden van de gecumuleerde geluidbelasting, zonder aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder. 3. De geluidbelasting op de nieuwe woonbestemmingen vanwege de Laan van Verzet zal niet hoger zijn dan de voorkeurswaarde. Vanwege de 'nieuwe weg', de rijksweg A30 en de Nijkerkerweg zal de geluidbelasting op de nieuwe woonbestemmingen wel hoger zijn dan de voorkeurswaarde. Ten gevolge van de 'nieuwe weg' en de Nijkerkerweg zal de geluidbelasting niet hoger zijn dan de maximaal toelaatbare waarde. Om de woningen te kunnen realiseren moeten hogere waarden worden vastgesteld. Ten gevolge van de rijksweg A30 zal de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting bij twee nieuwe woningen overschreden worden. Bij beide woningen wordt de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting alleen op de westelijke gevel op de eerste en tweede verdieping overschreden.
Deze gevels zullen als dove gevels uitgevoerd moeten worden. Rekening houdend met alle wegen, blijkt dat er: vier nieuwe woningen zijn die geen geluidluwe gevel hebben of een buitenruimte, die gelegen is aan de geluidluwe gevel, hetgeen wel de voorkeur heeft. Dit is bij deze vier woningen wel te realiseren door op de westelijke terreingrens bij minimaal twee van deze woningen gesloten tuinschermen te plaatsen; drie nieuwe woningen zijn met een geluidbelasting van meer dan 53 dB, maar zonder geluidluwe gevel op de verdieping. Hierdoor is er waarschijnlijk geen slaapkamer aan een geluidluwe gevel, hetgeen de gemeente wel wenselijk acht. Om op de verdieping geluidluwe gevels te realiseren bij deze drie woningen, kunnen plaatselijke schermen of akoestisch gunstige bouwvormen overwogen worden. Ook kan overwogen worden om deze drie woningen minimaal 1,2 meter verder uit de wegas van de nieuwe weg te realiseren; net als de twee woningen direct ten oosten. Hierdoor zal de geluidbelasting niet meer hoger zijn dan 53 dB en vervalt de voorwaarde van een geluidluwe gevel op de verdieping. 4. Ten gevolge van veranderende verkeersintensiteiten op de bestaande wegen buiten het onderzoeksgebied zal de geluidbelasting op de bestaande woningen niet relevant wijzigen. Het is de verwachting dat het extra verkeer niet zal leiden tot extra geluidhinder bij de bewoners van de bestaande woningen.
Conclusie Voor de te realiseren dove gevels wordt op de verbeelding van dit bestemmingsplan een specifieke bouwaanduiding opgenomen. Voor de woningen Nijkerkerweg 139 en Nijkerkerweg 130 én voor de nieuwe woonbestemmingen moeten hogere grenswaarden worden vastgesteld. Voor de Nijkerkerweg 139 en 130 stuiten maatregelen aan de bron in de overdracht op bezwaren voor deze woningen is/wordt een onderzoek naar de gevelwering opgestart en indien nodig wordt daarvoor een maatregelpakket aangeboden om de binnenwaarde te borgen. Voor de vier nieuwe woningen die geen geluidluwe gevel en/of buitenruimte hebben worden gesloten tuinschermen voorgeschreven zodat hier een geluidluwe buitenruimte wordt gerealiseerd. Voor de drie nieuwe woningen waarbij op de verdieping geen geluidluwe gevel aanwezig is wordt afgeweken van het beleid. De overschrijding van de norm is beperkt, de binnenwaarde wordt geborgd en de maatregel van een voorzetscherm beperkt de uitgebreide ventilatiemogelijkheden van de ramen, bemoeilijkt de schoonmaak en is meer een maatregel in zwaarder belaste situaties om aan de uiterste grenswaarden te kunnen voldoen dan dat deze inzet bedoeld is voor het realiseren van een geluidluwe gevel. De procedure voor vaststelling van hogere grenswaarden loopt gelijktijdig met de procedure tot bestemmingsplanherziening.
Wanneer de hogere grenswaarden in het kader van de Wet geluidhinder zijn verleend, vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
"Bloemendal IIA" (vastgesteld)
45
Bloemendal IIA
5.6
Geur
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan toetst het bevoegde gezag enerzijds of in het plangebied een qua geur acceptabel woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Anderzijds is het uitgangspunt dat met het plan de omliggende bedrijven niet vergaand in hun ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden beperkt. Uitgangspunt voor de toetsing zijn de normen zoals die in het omgevingsplan gemeente Barneveld en in de geurverordening van de gemeente Barneveld vastgelegd. Op 8 oktober 2008 is de Verordening geurhinder en veehouderij in werking getreden, waarbij voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Op 15 december 2021 is er een nieuwe Verordening door de raad vastgesteld en is de Verordening geur en veehouderij (vastgesteld op 7 oktober 2008) ingetrokken. Deze nieuwe Verordening geurhinder en veehouderij is in werking getreden op 24 december 2021, waarbij opnieuw voor een aantal aangegeven delen van het grondgebied van Barneveld andere normen dan de wettelijke zijn vastgesteld. Het plan is getoetst aan de normen die zijn vastgesteld in deze verordening, voor zover deze normen van toepassing zijn in of rond het plangebied. Veel bedrijven hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig, maar vallen onder algemene milieuregels zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Aangezien de geurnormen uit de Wgv vrijwel één op één zijn overgenomen in het Activiteitenbesluit, kunnen bedrijven die onder dit besluit vallen ook gewoon worden meegenomen in de Wgv-toets. Onder een 'geurgevoelig object' wordt verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de geurnormenkaart die hoort bij de gemeentelijke geurverordening op grond van artikel 6 Wet geurhinder en veehouderij. Het plangebied "Bloemendal IIA" is gelegen in de blauw gemarkeerde zone. In deze zone geldt een geurnorm van 6 ouE/m3.
Afbeelding 16 Geurnormenkaart
46
"Bloemendal IIA" (vastgesteld)
Bloemendal IIA
In het plangebied is één (voormalig) agrarisch bouwvlak, te weten op de locatie Nijkerkerweg 128. Er rust op dit perceel nog een melding in het kader van Melkrundveehouderijen welke sinds 2013 van rechtswege als melding op grond van het Activiteitenbesluit wordt aangemerkt. Als eigenaar kan gemeente Barneveld verklaren dat deze melding als vervallen kan worden beschouwd zodat geen sprake meer is van een geurcontour. Verder liggen rondom het plangebied nog enkele agrarische bouwvlakken. Dit zijn: Peutweg 1-3 Op dit adres is een geiten- en pluimveehouderij gevestigd. De stallen zijn op voldoende afstand gelegen van de beoogde woningen; aan de vereiste afstanden uit de Wgv wordt voldaan. Ter plaatse van de woningen dient de geurbelasting niet hoger te zijn dan de vereiste 6,0 ouE/m3. Ook mogen de ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf niet worden beperkt. Er is een berekening gemaakt conform de methodiek van de Wet geurhinder en veehouderijen ('de omgekeerde werking') waarbij alle geur van het huidige veebestand is geprojecteerd op de rand van het bouwvlak die het dichtst bij het plangebied ligt. De woningen komen buiten de geprojecteerde contour van 6,0 ouE/m3 te liggen. Nijkerkerweg 132 Dit is een bedrijf met een oudere milieuvergunning welke tegenwoordig als melding wordt aangemerkt.
Er loopt een principeverzoek bij de gemeente Barneveld voor een functieverandering van agrarisch naar wonen. Er is desondanks een worst-case geurberekening gedaan, waarbij alle geur van het huidige veebestand is geprojecteerd op de rand van het bouwvlak die het dichtst bij het plangebied ligt. De geurbelasting op de woningen binnen Bloemendal IIA bedraagt minder dan 1,0 ouE/m3. Nijkerkerweg 139 In de reactie van gemeente Barneveld onder punt 3a van de Nota zienswijzen bestemmingsplan "Bloemendal IIA" (bijlage 28, paginanummer 7 e.v.) is uiteengezet dat een aanvaarbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd in de nabijheid van de genoemde locatie. Bloemendaallaan 87 (85-89) Deze locatie is in eigendom verworven door gemeente Barneveld en daardoor geen relevante factor meer. Woon-en leefklimaat Ook dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met een voldoende goed woon- en leefklimaat wat betreft (agrarische) geurhinder. In dit geval was vóór de verwerving door de gemeente met name de geurbelasting vanuit de Bloemendaallaan 87 bepalend voor het woon-en leefklimaat ter plaatse. Er is sprake van een maximale voorgrondbelasting van 6,3 ouE/m3 ter plaatse van de beoogde woningen. Een voorgrondbelasting tot aan 6,5 ouE/m3 kan worden aangemerkt als een Redelijk goed woon- en leefklimaat.
5.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ladder verder te worden doorlopen. Indien dit niet het geval is, dan is de ladder niet verder van toepassing dan wel kan niet aan de ladder voor "Bloemendal IIA" (vastgesteld)
47
Bloemendal IIA duurzame verstedelijking worden voldaan. 1. 2. 3. 4. 5.
Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?