CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Bloemendal IIA_Toelichting (1)

Gemeenteraad 8 oktober 2025, gemeente BarneveldBij agendapunt: Bestemmingsplan Bloemendal IIA en het Beeldkwaliteitsplan Bloemendal fase IIA30.071 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hieronder de antwoorden op bovenstaande vragen: 1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' d.d. 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie is aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van circa 153 woningen mogelijk. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen. 2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de eerder genoemde 'overzichtsuitspraak' blijkt dat van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling blijkt dat er sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Het plangebied 'Bloemendal' kent thans in hoofdzaak een agrarische bestemming. Gronden met deze bestemming zijn met name bedoeld voor bedrijven met een agrarische bedrijfsvoering.

Het onderhavige ruimtelijke besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van circa 153 woningen (tweede fase), tot ruim 1.550 woning voor geheel Bloemendal mogelijk. Op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' is het niet mogelijk om binnen het onderhavige plangebied een samenhangend nieuw woongebied te ontwikkelen. Gelet hierop is sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologische beslag op de ruimte plaats. De 'ladder voor duurzame ontwikkeling' moet verder worden doorlopen. 3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat, indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om de kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in strijd met art. 3.1.6, tweede lid van het Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar één of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten. Kwantitatieve behoefte Uit jurisprudentie blijkt dat de behoefte aan woningen kan worden onderbouwd met gebruikmaking van regionale woningbouwafspraken.

Regionale bouwafspraken zijn vastgelegd in de regionale notitie 'advies toedeling woningbehoefte regio FoodValley' (okt. 2017, tabel 2). Deze is als zodanig overgenomen in het uitvoeringsplan Regionale Woonagenda 2.0, regio FoodValley (jan 2018). Het provinciale Aktieplan Wonen streeft om in Gelderland versnelt tot woningbouw over te gaan en in komende 5 jaar de bouw van 45.000 woningen in de hele provincie te realiseren. Tot 2030 wil de provincie zo'n 80.000 nieuwbouwwoningen gerealiseerd zien. Daarnaast lopen er de regionale (verstedelijkings-)studies in regio Amersfoort (Ontwikkelbeeld) en regio Foodvalley/Arnhem/Nijmegen (ANF) met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling van deze regio's. Voor Foodvalley staat tot 2040 een gewenste uitbreiding van 40.000 woningen genoemd, voor regio Amersfoort circa 36.000 woningen. De behoefte is mede onderbouwd op basis van een onderzoek van STEC (Woningbehoefte regio Foodvalley, september 2020). In de gemeentelijke Hoofdlijnennotitie die in juli 2021 door de raad zal worden vastgesteld, wordt aan de hand van verschillende groeiscenario's nader ingegaan op de mogelijke koers van gemeente Barneveld, mede in relatie tot deze regionale ruimtelijke verkenningen. Het advies hierin is om te koersen op een woningbouwprogramma van 8.000 tot 10.000 woningen in de periode tot 2040. In verband met de landelijke 48

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

Bloemendal IIA ontwikkelingen op de woningmarkt, de gewenste versnelling woningbouw vanuit het Rijk, wil de gemeente de eerstkomende jaren inzetten op een groei met gemiddeld 600 woningen per jaar. Met als speciaal accent dat meer aandacht voor de bouw in de kleinere kernen is gevraagd, 'de kracht van de kernen', mede in verband met het willen versterken van de leefbaarheid in deze kernen. In de in maart 2021 vastgestelde Woonvisie 2021-2025 'Wonen voor Jong en Oud', was nog de koers van de bouw van gemiddeld 500 woningen per jaar vastgesteld. Daarbij is ook een streefprogramma opgenomen, dat voorziet in een gewenste differentiatie naar huur- en koopprijsklassen. Gelet op het regionale woningbouwprogramma, het gemeentelijk woningbouwprogramma alsook de genoemde onderzoeken, kan worden gesteld dat het onderhavige planvoornemen past binnen de kwantitatieve behoefte aan woningen in gemeente Barneveld.

Kwalitatieve behoefte Onderzoeksbureau RIGO heeft in 2019 op basis van het WoON2018 onderzoek een woningbehoefteonderzoek in opdracht van gemeente Barneveld uitgevoerd. Behalve genoemde kwantitatieve ontwikkelingen is ook op de kwalitatieve behoefte ingegaan. Dit heeft geresulteerd in de gemeentelijke woonvisie geresulteerd in het volgende streefprogramma voor de periode 2021-2025. Tabel: Streefprogramma woningbouw gemeente Barneveld 2021-2025

*) exclusief onzelfstandige woonruimten (zoals studentenkamers, woonruimten arbeidsmigranten, flex woonruimten voor spoedzoekers, intramurale verpleegplaatsen). Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van het programma zoals is opgenomen in onderstaande tabel. Per fase kan er worden afgeweken van het streefprogramma in de woonvisie, maar overall wordt dit programma bewaakt. Zo zaten er in fase 1 relatief veel goedkope woningen en in fase 2 relatief wat minder. Onder Sociale Koop Laag worden woningen tot € 260.000 bedoeld, Sociale Koop Hoog heeft betrekking op woningen van € 260.000 tot € 320.000, Middelduur betreft woningen in de prijsklasse van € 320.000 tot de actuele NHG-grens en onder Duur wordt de prijsklasse vanaf de actuele NHG grens bedoeld (€ 405.000, prijspeil 2023). Tabel: Programma Bloemendal Fase IIa en programma fase I en IIA samen

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

49

Bloemendal IIA

N.B. In de bovenstaande tabel is als abusievelijk genoemd dat het totaal aantal woningen in fase IIA 151 woningen betreft in plaats van 153 woningen. Het programma, kan gezien de vraag vanuit de markt en de gewenste toevoeging, op voldoende belangstelling rekenen. 4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de wetstekst en de 'overzichtsuitspraak' blijkt dat indien de 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' buiten 'bestaand stedelijk gebied' is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Ex artikel 1.1.1 van het Bro verstaat onder 'bestaand stedelijk gebied': bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het voorgaande bestemmingsplan maakt slechts een beperkt stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, infrastructuur en groen mogelijk. Het gaat echter in belangrijke mate om agrarische bedrijfsvoering. Gelet daarop is het onderhavige plangebied voornamelijk gelegen buiten het 'bestaand stedelijk gebied' van de kern Barneveld. 5.

Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? Realisatie van genoemd aantal woningen (circa 153 woningen in de tweede fase, totaal Bloemendal ruim 1.550 woningen) door middel van inbreiding binnen de kern Barneveld ligt niet voor de hand. De kern Barneveld is relatief 'jong' en kent veel naoorlogse woningbouw. De grootste aantallen zijn vanaf de jaren zeventig gerealiseerd. Derhalve kent Barneveld weinig herstructurering en weinig (beschikbare) functieveranderingslocaties binnen de kern. Er is ook geen leegstand van bestaand vastgoed. Bloemendal speelt een belangrijke rol in het invullen van de kwantitatieve opgave die er ligt, naast de kwalitatieve overwegingen (behoefte). Er is zeer beperkt sprake van inbreidingslocaties. Deze aantallen verhouden zich niet tot genoemde ruimteclaim voor ruim 1.550 woningen. Na de afronding van Veller II en Eilanden-Oost is deze locatie gewenst om de vraag naar woonruimte te accommoderen. Ook gezien de beperkte inbreidingscapaciteit die de kern Barneveld (meer) heeft (relatief weinig leegstand en weinig functieveranderingslocaties) is woningbouw op een uitleglocatie noodzakelijk. De kern Barneveld kan derhalve enkel worden uitgebreid buiten bestaand stedelijk gebied.

Onderhavige locatie wordt daarbij als geschikt aangemerkt, aangezien het aansluit op een bestaande buurt in Barneveld Noord (De Vaarst) en de nabijheid van bestaande voorzieningen als sportvelden, basis- en voortgezet onderwijs en nabij de A30/A1. De locatie ligt op fietsafstand van het centrum en van het NS-station. Het plangebied voor Bloemendal was als zoekzone voor wonen al opgenomen in de vastgestelde Structuurvisie Kernen Barneveld 2022 (in 2011 vastgesteld). Geconcludeerd wordt dat in deze situatie sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling.

50

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

Bloemendal IIA

5.8

Leidingen en laagvliegroutes

Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied komen leidingen of beschermingszones van leidingen voor die in het kader van dit bestemmingsplan bescherming behoeven (bijlage 22). Zo is de dubbelbestemming 'Leiding - Riool' opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan. Er zijn geen straalpaden of laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.

5.9

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen heeft betrekking op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemming die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg of minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg te worden beoordeeld. In dit geval is er geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit behoeft derhalve niet plaats te vinden.

Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe woningen, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Binnen het plangebied worden enkel woningen mogelijk gemaakt. Het aantal te realiseren woningen binnen dit plan overschrijdt de grens voor het maximaal aantal woningen dat mogelijk is onder het Besluit Niet In Betekende Mate bijdrage aan de luchtkwaliteit niet. Hiermee is een onderzoek naar de emissie vanuit dit plan vanwege de luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Het plan draagt niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nog gekeken naar de heersende luchtkwaliteit ter plaatse. Een indicatie hiervoor wordt gegeven door de heersende achtergrondconcentraties uit de monitoringstool. Er blijkt dat de achtergrondconcentraties ruim gelegen zijn onder de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op lokaal niveau worden dan ook geen overschrijdingen van grenswaarden verwacht. Deze conclusies blijken ook uit het onderzoek dat is uitgevoerd voor Bloemendal I (bijlage 23) waarbij rekening is gehouden met het extra verkeer als gevolg van Bloemendal fase II. In opdracht van gemeente Barneveld heeft bureau SPA WNP Ingenieurs uit Ede in 2021 een nader onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd dat is toegespitst op het plangebied "Bloemendal IIA".

Dit onderzoek is geactualiseerd in 2023 (bijlage 24). Uit dit onderzoek blijkt dat de realisatie van de nieuwe woningen niet of nauwelijks bijdraagt aan de luchtverontreiniging; het is in dat opzicht 'niet in betekenende mate'. De berekende concentraties ten gevolge van het (extra) verkeer op de wegen zijn ruim lager dan de grenswaarden. Op basis van het voorgaande vormt luchtkwaliteit geen belemmering voor uitvoering van onderhavige plan.

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

51

Bloemendal IIA

Afbeelding 17 Luchtkwaliteit

5.10

Milieueffectrapportage

De verplichting om een milieueffectrapport op te stellen geldt als er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De activiteiten waarvoor dit geldt zijn opgenomen in Bijlage C en activiteiten waarvoor dat mogelijk geldt zijn opgenomen in Bijlage C respectievelijk Bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage. Woningbouwprojecten zijn alleen opgenomen in Bijlage D onder 11.2: stedelijke ontwikkelingsprojecten. Voor activiteiten genoemd in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage moet het bevoegd gezag beoordelen of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dat gebeurt door de gevolgen van de voorgenomen activiteit te toetsen aan de criteria van Bijlage III van de Europese richtlijn milieueffectrapportage. Als er een passende beoordeling moet worden gemaakt en het plangebied betreft een relatief klein gebied in de gemeente, dan geldt een plan-m.e.r.-beoordelingsplicht. Als uit die plan-m.e.r.-beoordeling blijkt dat er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, dan is een plan-m.e.r. noodzakelijk. Een derde mogelijkheid waardoor een m.e.r.-plicht zou kunnen gelden is als de activiteit als zondig is aangewezen in de provinciale milieuverordening. De provincie Gelderland heft hier geen gebruik van gemaakt.

Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 153 woningen maar maakt onderdeel uit van een ontwikkeling van ongeveer 1.500 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee onder de drempelwaarden. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Bij besluit van college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld is vastgesteld dat ten behoeve van de vaststelling van dit bestemmingsplan geen milieueffectrapportage nodig is, omdat er ten gevolge van dit plan geen belangrijke nadelige effecten voor net milieu kunnen optreden. Het besluit is als bijlage 8 opgenomen. Het woningbouwproject vindt plaats op een locatie ten oosten van de A30 en ten zuiden van de A1. Het gebied heeft geen bijzonder kenmerken. Ook gelet op de kenmerken van het project (zoals het 52

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

Bloemendal IIA kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Passende beoordeling via de Wet natuurbescherming Voor het vaststellen van plannen die significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kunnen hebben, dient een passende beoordeling gemaakt te worden (artikel 7.2a Wet milieubeheer juncto artikel 2.8, eerste lid Wet natuurbeschermingswet). Uit de beoordeling van het aspect ecologie (zie paragraaf 5.3) blijkt dat er voor dit plan geen passende beoordeling nodig is. De plan-m.e.r-(beoordelings)plicht op grond van de noodzaak van een passende beoordeling voor de Wet natuurbescherming is hier niet aanwezig. Er is voor dit plan geen passende beoordeling nodig. Conclusie De conclusie is dat er geen milieueffectrapportage nodig is, omdat zich geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen.

5.11

Milieuzonering

Ten aanzien van bedrijvigheid geldt als uitgangspunt dat toekomstige woningen geen onevenredige milieuhinder (geur, geluid etc.) mogen ondervinden van nabijgelegen bedrijvigheid. In de publicatie ´Bedrijven en milieuzonering´ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009, worden in verband met de aanwezigheid van milieubelastende functies indicatieve afstandsnormen voorgeschreven tot milieugevoelige functies, vooral wonen. Er zijn geen bedrijven (anders dan agrarische bedrijven) in de omgeving die belemmerend kunnen werken voor dit de verwezenlijking van het voorliggende bestemmingsplan.

Conclusie Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.11.1 Spuitzonering In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen gevoelige functies zoals woningen of bedrijven. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen waardoor de kans op blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen aanwezig is. Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in verband met een goed woon- en leefklimaat. Uit de wet volgt niet hoeveel afstand er aangehouden moet worden tussen een agrarische activiteit waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast en gevoelige functies. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Het is mogelijk die afstand te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Deze motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek.

Als de gemeenteraad onvoldoende motiveert waarom hij het aanvaardbaar acht dat in de directe nabijheid, op een afstand minder dan de 50 meter die in de jurisprudentie als vuistregel wordt gehanteerd, een burgerwoning wordt toegestaan, dan berust het planologische besluit niet op een deugdelijke motivering. Bij deze ontwikkeling is ook de gangbare afstandseis van 50 meter het vertrekpunt. Bij de vaststelling van het voorliggende Bloemendal IIA is de plangrens om die reden wat vergroot. Aan de agrarische gronden die zich bevinden binnen een afstand van 50 meter van de gevoelige functies 'Wonen - 1', 'Wonen - 2' respectievelijk 'Tuin' is de bestemming 'Agrarisch' toebedacht. Verder is op de verbeelding van dit bestemmingsplan op die agrarische gronden de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone' "Bloemendal IIA" (vastgesteld)

53

Bloemendal IIA weergegeven. Hiermee is een beperking van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op die agrarische gronden geregeld. Dit met het oog op de borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de gezondheid van omwonenden. De regeling is noodzakelijk voor een goede ruimtelijke ordening. Artikelen 3.5.2 en 4.4.2 van de planregels zijn relevant. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan "Bloemendal IIA" is gebleken dat het noodzakelijk is om rondom het plangebied een spuitvrije zone in te stellen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddleen op aangrenzende agrarische percelen. Deze maatregel beoogt het waarborgen van een gezond en veilig leefklimaat voor toekomstige bewoners. Ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zijn de plangrenzen in oostelijke, noordelijke en westelijke richting verruimd, zodat ook delen van de aangrenzende agrarische gronden binnen het plangebied vallen. Aan de zuidzijde van het plangebied is het eerste gedeelte van de nieuwe woonwijk Bloemendal al gerealiseerd. Daar liggen geen agrarische gronden meer. De aanpassing is noodzakelijk om binnen het juridisch-planologisch regime van het bestemmingsplan regels op te nemen ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van het nieuwe gedeelte van de woonwijk Bloemendal. De verruiming van de plangrenzen dient een ruimtelijk-functioneel doel.

De gronden zijn opgenomen in het plangebied vanwege hun directe invloed op de leefkwaliteit van de toekomstige woonwijk. Tussen de agrarische gronden en de voorziene woonbebouwing bestaat daarmee een duidelijk ruimtelijk-functioneel verband. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft herhaaldelijk bevestigd dat het opnemen van gronden van derden toelaatbaar is indien er sprake is van een functionele samenhang en het doel een goede ruimtelijke ordening dient. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is een zorgvuldige belangenafweging gemaakt tussen: het belang van een gezond woon- en leefmilieu voor toekomstige bewoners; het belang van agrariërs bij het ongestoord voortzetten van hun bedrijfsvoering. In dit geval zijn er geen actieve agrarische bedrijven die worden gedupeerd door het instellen van de 'Milieuzone - spuitvrije zone'. In de bestaande situatie worden op de bewuste agrarische gronden geen gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Het instellen van de zone is in lijn met aanbevelingen van het RIVM en sluit aan bij jurisprudentie die de bescherming van kwetsbare functies zoals wonen vooropstelt. De spuitvrije zone met het verbod om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken zonder omgevingsvergunning is evenwichtig en proportioneel. Deze regeling voldoet aan de eisen van duidelijkheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

Conclusie Vanuit spuitzonering zijn er geen belemmeringen voor het plan.

5.12

Natuur en landschap

Hoofdstuk C3 uit het Masterplan Barneveld-Noord (bijlage 25) is gewijd aan het landschap. Verder is hoofdstuk D2 van het genoemde masterplan over het landschappelijk raamwerk van belang. Met name de hierna genoemde paragrafen uit hoofdstuk D2 slaan op het plangebied "Bloemendal IIA" (paginanummer 36 e.v. van het Masterplan Barneveld-Noord): 1. Eikenlaan Nijkerkerweg 2. Noordzuid Laagte 4. Oostwest doorsnijding

54

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

Bloemendal IIA

Afbeelding 18 Landschappelijk raamwerk volgens Masterplan Barneveld-Noord Belangrijke lijnen uit het landschap zijn ingepast in de stedenbouwkundige opzet, waardoor het huidige landschap gerespecteerd wordt. De belangrijkste weg in plangebied "Bloemendal IIA" is de doortrekking van de Laan van Verzet. Komende vanaf De Nijkerkerweg, ten noorden van het plangebied buigend naar de toekomstige fase Bloemendal IV &IIB waarna deze uiteindelijk terug zal buigen naar het deelgebied "Bloemendal I. Het eerder gebruikte profiel van de Laan van Verzet wordt doorgetrokken in deze fase. In de bestaande situatie kent het landschap in het plangebied "Bloemendal IIA" groenopstanden aan de oost- en westzijde van het plangebied. Respectievelijke de boomopstanden langs de zijtak Trammalantbeek en de eikenlaan langs de Nijkerkerweg. De stedenbouwkundige opzet van de wijk heeft hier zoveel als mogelijk rekening mee gehouden om deze in de toekomstige woonwijk in te passen. Waar mogelijk worden de houtopstanden aangevuld met een voornamelijk inheems assortiment. Hierbij zijn dan ook de aanwezige watergangen / perceelgrenzen ingezet als nieuwe groene-blauwe velden, waarin (regen-)water kan worden begeleid naar de aanwezige laagte in het westen in het plangebied of de wadi's gelegen tegen de Nijkerkerweg. In de groene-blauwe velden kan worden gespeeld, gerecreëerd en de hond kan worden uitgelaten.

Nieuwe structuren oost-west worden aangebracht om zo een aantrekkelijk beeld, maar vooral verscheidenheid aan te brengen die zowel de flora als fauna ten goede komt. Hierbij rekening houdend dat het een gasloze wijk wordt, waarbij de woningen kunnen worden voorzien van zonnepanelen. Deze zones sluiten daarbij aan op de eerder gerealiseerde laagte. De randen van deze zone kunnen worden gebruikt door recreanten en bewoners. Doordat het parkeren veelal in parkeerhofjes, of langs de weg gebeurt, aangekleed met bomen, ontstaan ruimtes tussen de woningen/appartementen om grotere aaneengesloten groenzones te ontwikkelen.

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

55

Bloemendal IIA

Wat betreft de inrichting van het openbaar gebied en spelen: het plangebied "Bloemendal IIA" wordt ingericht volgens de normen uit het Speelruimteplan 2016-2025 dat de raad van gemeente Barneveld heeft vastgesteld op 25 mei 2016. Er komt in de nieuwe woonwijk een centrale speelplek die het ontmoetingspunt is voor jong zowel als oud. In opdracht van gemeente Barneveld heeft Pius Floris Boomverzorging uit Veenendaal een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. In het rapport zijn de mogelijkheden voor herinrichting benoemd. Verder is aangegeven welke bomen duurzaam zijn te behouden en welke niet. Bij de inrichting van natuur en landschap in het plangebied volgt gemeente Barneveld de BEA. Een uitgebreide beschrijving van de houtopstanden staat in §5.3.1.3.

5.13

Ontplofbare oorlogsresten

Gemeente Barneveld heeft beleid vastgesteld over hoe om te gaan met ontplofbare oorlogsresten (OO) binnen haar gemeente. Het staat bekend onder de naam "Beleidsnota Ontplofbare Oorlogsresten". Het komt er o.a. op neer dat een initiatiefnemer, waar grondverzet noodzakelijk is (in dit geval de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk), laat beoordelen door de Omgevingsdienst of er risico's zijn te verwachten betreffende OO. In een bijlage van de Nota is een stroomschema opgenomen waar de noodzakelijke stappen in zijn beschreven. Bij de beoordeling maakt de Omgevingsdienst gebruik van de gemeentelijke OO-Belastingkaart en bijbehorend historisch vooronderzoek die Barneveld voor haar gehele grondgebied heeft laten opstellen. Volgens dit onderzoek opgesteld door Expload met kenmerk RN-14037-2.0 van 27 oktober 2015 blijkt dat de planlocatie niet verdacht is van ontplofbare oorlogsresten. Voor de bestemmingsplanprocedure is daarmee in voldoende mate aangetoond dat er geen risico's zijn voor de ontwikkeling van de locatie met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. Er is geen aanvullend onderzoek nodig naar ontplofbare oorlogsresten.

5.14

Veiligheid en gezondheid

Om een veilige omgeving te creëren of te behouden is er op het gebied van fysieke veiligheid een aantal aspecten waarmee rekening gehouden moet worden. Zo worden er eisen gesteld aan de bereikbaarheid van de openbare wegen voor de hulpverleningsdiensten. Dit leidt tot het stellen van minimale afmetingen en bochtstralen zodat hulpverleningsvoertuigen een object of calamiteit goed kunnen bereiken en adequate hulp kunnen verlenen. Met betrekking tot voldoende bluswater in het openbare wegennet zijn er ook eisen gesteld. Deze eisen hebben betrekking op de afstanden vanaf de bluswatervoorziening tot aan een gebouw en de capaciteit ervan. In de “Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid” een uitgave van Brandweer Nederland worden deze eisen gesteld. Voor wat betreft de bereikbaarheid zijn er binnen de gemeente Barneveld hoofd- en subaanrijdroutes vastgesteld. Tevens worden er eisen gesteld aan de opkomsttijden voor brandweervoertuigen. Deze zijn afhankelijk van de bestemming. Voor gebouwen waarin geslapen wordt en verminderd zelfredzame mensen verblijven worden strengere eisen gesteld dan gebouwen waar dit niet zo is. De opkomsttijden zijn gesteld in de Wet veiligheidsregio’s (1 oktober 2010) met het daarbij behorende Besluit veiligheidsregio’s. In het Besluit zijn de tijdnormen voor de opkomsttijden vastgelegd.

Situatie Nieuwe ontwikkelingen zullen worden getoetst aan de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid, het Besluit veiligheidregio’s en aan de eisen van de aangewezen hoofd- en subaanrijdroutes. Dit zal gebeuren bij de bouwplannen en inrichtingsplannen.

Conclusie Er zijn voor wat betreft de eisen voor de veiligheid geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

56

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

Bloemendal IIA

Gezondheid De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: het wonen in de buurt van een geitenhouderij verhoogt de kans op een longontsteking, maar we tasten nog in het duister wat deze verhoogde kans veroorzaakt. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen (bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen) en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen. De GGD-richtlijn betreft een niet-bindende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status.

De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Omdat we niet weten waardoor de longontstekingen rondom geitenhouderijen wordt veroorzaakt, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Conclusie Het plangebied bevindt zich in de invloedssfeer van de geitenhouderij(en) aan de Peutweg 1-3 in Barneveld. De afstand tussen het bouwvlak van de geitenhouderij op de percelen Peutweg 1, kadastraal bekend gemeente Barneveld, sectie H, nummers 310 en 311 en de dichtstbijzijnde nieuwe woning in het plangebied "Bloemendal IIA" zal ongeveer 419 meter bedragen. Er komen 18 van de 153 nieuwe woningen in het hoogste risicogebied. De meeste nieuwe woningen komen dus in het gebied waarvoor een licht verhoogde risico op longontsteking geldt. Desondanks is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd in het plangebied. Het is niet toegestaan om de geiten te verplaatsen naar het zuidelijker gelegen bouwvlak op de percelen Peutweg 3, kadastraal bekend gemeente Barneveld, sectie H, nummers 305, 314, 316, en 317.

Hier zijn pluimveestallen vergund. Afgezien van de genoemde geitenhouderij aan de Peutweg 1-3 zijn er nog twee bedrijven relevant: Geitenhouderij aan Kallenbroekerweg 133 in Barneveld Geitenhouderij aan Dronkelaarseweg 30 in Terschuur De afstand tussen deze bedrijven en de dichtstbijzijnde nieuwe woning in het plangebied bedraagt ongeveer 1.550 meter respectievelijk 1.850 meter. Vanwege de afstand is de invloed van deze bedrijven verwaarloosbaar klein. Uit jurisprudentie blijkt dat het gemeentebestuur in de afweging van belangen het zwaarwegende, maatschappelijke belang van de urgente woonbehoefte mag laten prevaleren. Het is zeer belangrijk dat er voldoende woningen worden gebouwd. In gemeente Barneveld is de agrarische sector groot. Het is nu eenmaal een veedicht gebied. Het is dan ook onmogelijk om bij woningbouw overal de strengste voorzorgsrichtlijnen in acht te nemen. Anders zou de woningbouwproductie sterk afnemen. Naar ons oordeel is het verantwoord en aanvaardbaar om de bouw van 153 woningen mogelijk te maken. De mogelijke gezondheidsrisico's voor de nieuwe bewoners vanwege de geitenhouderij aan de Peutweg 1-3 acht het bestuur van gemeente Barneveld gering. De voorzorgsrichtlijn is niet doorslaggevend in de belangenafweging ook omdat het causale verband tussen geitenhouderijen in de omgeving en de hogere incidentie van longontstekingen (nog) niet is aangetoond.

Er zijn geen algemeen aanvaarde "Bloemendal IIA" (vastgesteld)

57

Bloemendal IIA wetenschappelijke inzichten met betrekking tot het gezondheidsrisico van geitenhouderijen voor omwonenden.

5.15

Verkeer

Ontsluiting, bereikbaarheid en verkeersveiligheid Het plangebied Bloemendal IIA wordt ontsloten op de Nijkerkerweg. Hiervoor wordt een nieuwe aansluiting gerealiseerd welke onderdeel uitmaakt van de hoofdwegenstructuur uit het Masterplan Bloemendal. Er wordt een kruispunt gerealiseerd met verkeersregelinstallatie, uniform met het kruispunt in de eerste fase van Bloemendal. Ten aanzien van de benodigde vorm van het kruispunt wordt niet alleen rekening gehouden met de toevoeging van het plangebied (Bloemendal fase IIA) in de nabijheid van de Nijkerkerweg, maar ook met de daarna volgende ontwikkelingen. Gezocht is naar een kruispuntontwerp waarin de bomenrijen, fietspaden en watergangen nu al naar een toekomstbestendige locatie verplaatst kunnen worden en waarbinnen het kruispunt in de toekomst eenvoudig kan worden opgewaardeerd. Dit heeft geresulteerd in een relatief eenvoudig verkeerslichtenkruispunt. Door het plangebied loopt vanaf de Nijkerkerweg een nieuwe wijkontsluitingsweg in oostelijke richting die op termijn wordt verbonden met het toekomstige voorzieningenplein en wordt daar verbonden met de wijkontsluitingsweg van Bloemendal fase I. Op deze manier ontstaat een robuuste, tweezijdig bereikbare verkeersstructuur waar toekomstige fases van Bloemendal op kunnen worden aangesloten. De nieuwe toegangsweg krijgt een maximumsnelheid van 50 km/uur en bijbehorende inrichting.

Langs deze wijkontsluitingsweg wordt een parallelstructuur gerealiseerd waar woningen aan ontsluiten, parkeren mogelijk is en waar gefietst kan worden. Op de parallelwegen geldt eenrichtingsverkeer voor gemotoriseerd verkeer en geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Ook de overige erftoegangswegen binnen het plangebied krijgen een maximumsnelheid van 30 km/uur met bijbehorende inrichting. In principe wordt uitgegaan van gelijkwaardige kruispunten met uitzondering van aansluitingen op ondergeschikte hofjes of parkeerkoffers. Door het plangebied loopt een onderdeel van een langzaam verkeersroute; het "zondagspad". Deze verbinding maakt onderdeel uit van een langere route in woonwijk Bloemendal. Door het gehele plangebied wordt voorzien in aantrekkelijke wandelroutes voor voetgangers. Langs bijna alle wegen wordt aan minimaal één zijde van de weg voorzien in een voetpad. Daar waar geen voetpad is voorzien zijn dit in de meeste gevallen doodlopende straatjes welke een beperkt aantal woningen ontsluit. De grenzen van de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 zijn weergegeven op de kaart, die is opgenomen als bijlage 20 van deze toelichting bij het bestemmingsplan.

Openbaar vervoer Om het gebruik van openbaar vervoer van begin af aan te stimuleren wordt langs de Nijkerkerweg een nieuw bushaltepaar gerealiseerd. De huidige buslijn Barneveld - Apeldoorn en de buslijn Barneveld Nijkerk kunnen hier halteren. Bij de haltes worden voldoende stallingsmogelijkheden voor rijwielen gerealiseerd en er worden abri's geplaatst om droog te kunnen wachten. Door de aanleg van haltehavens kan een bus halteren naast de rijbaan zodat de doorstroming en verkeersveiligheid geborgd zijn.

Parkeren Voor wat betreft het aantal parkeerplaatsen is het uitgangspunt de Nota Parkeernormen. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen parkeren op eigen terrein en openbare parkeerplaatsen. Beide worden in het plangebied toegepast. Het totale plangebied voldoet aan de Nota Parkeernormen en voorziet daarmee in voldoende parkeerplaatsen. De parkeerbalans is gevoegd als bijlage 30 bij deze toelichting bij het bestemmingsplan. Het geringe tekort (-0,4 parkeerplaatsen) in deelgebied E wordt opgevangen in deelgebied F (+0,6 parkeerplaatsen) volgens onderstaande kaart. In plangebied G is sprake van een klein tekort (-1,3). Omdat het totale parkeeraanbod binnen het plangebied voldoet aan de benodigde parkeervraag is de verwachting dat de benodigde parkeervraag binnen het plangebied kan worden opgelost. 58

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

Bloemendal IIA

Afbeelding 19 Verkeer

5.16

Water

Nederland is een waterrijk land. Bouwen in die gebieden kan niet zomaar. In deze waterparagraaf is de onderbouwing opgenomen. Op de voorbereiding van het voorliggende bestemmingsplan is het oude recht van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing. Dit volgt uit artikel 4.6, tweede lid, sub a, onder 2 van de Invoeringswet Omgevingswet. Onder het nieuwe recht van de Omgevingswet zal de onderbouwing van het aspect 'water' niet wezenlijk verschillen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Masterplan watersysteem Bloemendal Het plangebied van de wijk Bloemendal wordt omsloten door de Valleilijn, de wijk De Vaarst, het Oosterbos, de Thorbeckelaan, de Nijkerkerweg en een zone langs de Esvelderbeek. De wijk biedt ruimte voor circa 1.500 woningen en wordt in fasen gerealiseerd. Het Masterplan watersysteem Bloemendal behandelt het totale plangebied Bloemendal. Dit plan (bijlage 26) beschrijft de ambities en ontwerpuitgangspunten waaraan het watersysteem in Bloemendal moet voldoen. Tevens geeft het plan inzicht in de grondwaterstanden en handvatten voor de invulling van de waterberging. Voor de ontwikkeling van Bloemendal zijn de gebiedskenmerken 'beekdal' en 'ervenstructuur' bepalend voor de uitwerking van het stedenbouwkundig en waterhuishoudkundig plan. Daarnaast zijn algemeen geldende waterdoelen van belang: een veilig en goed woonklimaat: droge voeten en geen wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met klimaatscenario's; een klimaatrobuust en duurzaam watersysteem: voorkomen van afvoer grondwater en voldoende waterberging; een gezond watersysteem: beperken van ziektes door afvoer van afvalwater en goede waterkwaliteit.

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

59

Bloemendal IIA

Waterhuishouding- en rioleringsplan Woonontwikkeling Bloemendal fase 2a Het waterhuishoudings- en rioleringsplan (bijlage 32) beschrijft de wijze waarop de waterhuishouding en riolering is geïntegreerd binnen het ruimtelijk plan voor het deelgebied "Bloemendal IIA". Het plan is daarmee een nadere uitwerking van het Masterplan. Het is opgesteld in 2021 en geactualiseerd in 2024. Dit plan beschrijft voor de bestaande situatie de aspecten hoogteligging, bodemopbouw, grondwater, oppervlaktewater en riolering en geeft aan hoe de waterhuishouding en riolering in het deelgebied fase IIa geregeld zijn. Dit wordt hieronder samengevat weergegeven. In fase IIa komen ongeveer 153 woningen.

Gebiedsinventarisatie Op basis van een inmeting is vastgesteld dat de maaiveldhoogten grofweg variëren tussen 8,0 m NAP en 9,0 m NAP. Het laagste maaiveld ligt in het noordwesten en loopt redelijk vlak langs een aanliggende watergang naar het oosten. Op de Bodemkaart van Nederland is het plangebied grotendeels gekarteerd als leemarm en zwak lemig fijn zand (Veldpodzolgronden) en lemig fijn zand (Beekeerdgronden). Op basis van boringen is vastgesteld dat de bodem voornamelijk uit uiterst tot matig fijn zand bestaat. Dit zand heeft gemiddeld een doorlatendheid van 4 tot 5 meter per dag. In de zandlaag bevinden zich ook leem-, klei- en veenlagen op verschillende dieptes, voornamelijk tussen de 0,5 en 1,5 meter, op een enkele plaats dieper dan 1,5 meter. Deze leemlagen hebben een zwak tot sterk zandig karakter en zijn over het algemeen goed doorlatend en hebben een lage weerstand. Op basis van peilbuizen en een grondwatermodel is een beeld verkregen van de gemiddeld hoogste grondwaterstanden (GHG). De berekende GHG varieert van 0 (nabij Zijtak Trammelantbeek) tot 1 meter (centrum en westen plangebied) onder maaiveld. Ook de gemiddeld laagste grondwaterstanden zijn met het model bepaald. Deze variëren van 7,4 m NAP (westzijde plangebied) tot 7,8 m NAP (nabij Zijtak Trammelantbeek).

Het watersysteem rondom het plangebied is in beheer bij het Waterschap Vallei en Veluwe en voert conform de legger af in noordwestelijke richting naar de Esvelderbeek. Aan de noordzijde van fase IIa en langs de Nijkerkerweg bevindt zich een C-watergang. De bermsloot langs de Nijkerkerweg stroomt af in noordelijke richting langs de Nijkerkerweg en komt uit in de Trammelantbeek. De bermsloot is goed onderhouden, watervoerend en de duikers voorlangs woonpercelen zijn van beton (500 mm). De C-watergang aan de noordzijde is grotendeels droogvallend. De Zijtak Trammelantbeek aan de oostzijde betreft een A-watergang. Bovenstrooms is een stuw gelegen nabij de Bloemendallaan. Deze reguleert het waterpeil in het oppervlaktewater van woonwijk De Vaarst en heeft een doorlaat op 8,5 m NAP. Het waterpeil in de beek is niet bekend. Vermoedelijk valt de beek in de zomer droog en kent de beek in de winter door zijn ontwateringsfunctie een waterdiepte van 10 tot 20 centimeter. Bij regenval heeft de beek een grotere afvoerfunctie. De in het Waterhuishoudingsplan genoemde tijdelijke stuw tussen Bloemendal fase I en IIA in de Zijtak Trammelantbeek is in overleg met het waterschap niet geplaatst. De te plaatsen definitieve stuw in de Zijtak Trammelantbeek ten noordoosten van fase IIA neemt de functie van de tijdelijke stuw volledig over.

Realisatie van de tijdelijke stuw zou, rekening houdend met een snelle beoogde realisatie van de definitieve stuw, kapitaalvernietiging betekenen. Langs de Nijkerkerweg loopt een gemeentelijk vrij verval transportriool (diameter 1000 mm), die het afvalwater uit Voorthuizen en Harselaar-West afvoert naar het rioolhoofdgemaal van Barneveld aan de Jacob Catsstraat. De woningen langs de Nijkerkerweg zijn via drukriolering aangesloten op het transportriool.

Hemelwater De planontwikkeling mag niet leiden tot meer afvoer van hemelwater dan in de huidige situatie (de zogenaamde landelijke afvoer). Dit betekent dat er waterberging in het plangebied nodig is met een 60

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

Bloemendal IIA gedoseerde afvoer naar het watersysteem buiten het plangebied. De waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van waterbergingszones aan de oost- en westrand van het plangebied. Deze zones zijn aan de westrand droogvallend, geschikt voor de aanplant van grassen, kruiden en struiken, en hebben een overloop op de bermsloot van de Nijkerkerweg. Aan de oostzijde is een meer plas-dras berging te realiseren, geïntegreerd met de te behouden Zijtak Trammelantbeek. Water dat op de noordelijke helft van de wijkontsluitingsweg valt, wordt oppervlakkig via een brede berm afgevoerd naar de C-watergang aan de noordgrens. De plas-drasberging wordt gevoed door de stuw ten noordoosten van fase IIA. Dit gebeurt wanneer de waterafvoer in de beek groter is dan de toegestane vertraagde afvoer (vertraagde afvoer op 7.40 m NAP en stuwhoogte op 8.30 m NAP. Hierdoor is er geen belemmering van de bestaande stuw in de wijk De Vaarst. De openbare wegen voeren het hemelwater van alle openbare verhardingen en het overtollig dakwater bovengronds af naar de oostwestgerichte groenblauwe velden. Dit zijn de openbare groene ruimtes, aangelegd met een verlaagd profiel om afstroming mogelijk te maken naar de waterbergingszones. Er is een nauwkeurig peilenplan (woningen, wegen) opgesteld dat bovengrondse afvoer mogelijk maakt. Het vloerpeil van de woningen ligt altijd hoger dan de openbare ruimte.

Bij bovengrondse afwatering is water op straat acceptabel zo lang het geen schade veroorzaakt en de situatie beperkt blijft tot stroming over de rijbaan. Hier wordt in het ontwerp aan voldaan. Door bovengrondse afvoer blijft het water zichtbaar en draagt het bij aan de bewustwording van een klimaatbestendig afwateringssysteem. Het ontwerp van de waterbergingszones is erop gericht dat de maatgevende bui van het Waterschap Vallei en Veluwe (87 mm in 24 uur) wordt vastgehouden in de zones met een theoretisch toegestane landelijke afvoer. Daarbij is gekeken in hoeverre de (toekomstige) ontwikkelingen buiten fase IIa invloed hebben op de benodigde berging in het plangebied van fase IIa. Resultaat is onder meer dat een ontwikkelingsgebied ten oosten van fase IIa is meegenomen in de bergingsopgave voor fase IIa. Bij een aantal grondgebonden woningen kan aan de voorwaarden voor infiltratiekratten worden voldaan. Deze percelen gaan 1 m3 aan hemelwater bufferen in de vorm van een infiltratievoorziening waar ten minste het dak van de woning (en eventuele overige gebouwen op het perceel) op is aangesloten. Onder en rondom het infiltratiekrat wordt grondverbetering toegepast. De overloop van het krat vindt plaats via een voorziening op de perceelsgrens (voor- of achterzijde) op maaiveldniveau. Vanaf dat punt kan het overtollige water in de openbare ruimte onder afschot afstromen.

Het realiseren van de infiltratievoorziening is onderdeel van de bouw van de woning. De bouwer is verplicht bij de aanleg eventueel aan te treffen leemlagen te doorbreken zodanig dat infiltratie in het zandpakket mogelijk is. De perceeleigenaren zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor het goed blijven functioneren van de voorziening. Het hemelwater in de achterpaden wordt opgevangen in infiltratiekolken en de hoogteligging van de paden wordt zodanig gekozen dat bij extremen een waterstroom richting de openbare weg plaatsvindt. De bouwer regelt deze afwatering van het achterpad. De achterpaden komen in eigendom, beheer en onderhoud bij de perceeleigenaren. Zij zijn verantwoordelijk voor het goed blijven functioneren van de infiltratiekolken, onder meer door reiniging.

Grondwater De grondwaterstanden worden mede bepaald door de ligging en diepte van watergangen in en rondom het plangebied. Alle watergangen in fase IIa blijven behouden. De C-watergang aan de noordgrens wordt opnieuw geprofileerd en op diepte gebracht. Hierdoor is de kans op een significante vernatting uitgesloten. Grondwateroverlast wordt voorkomen door het plangebied op te hogen. Hierbij wordt rekening gehouden met de beoogde ontwateringsdiepten (verschil in hoogte tussen maaiveld en GHG) voor woningen, straten, groen en wadi's zoals genoemd in de Standaard Ontwerp- en Materiaaleisen van de gemeente Barneveld. Er worden dus geen ontwateringsmiddelen toegepast. In het Waterhuishouding- en rioleringsplan (2024) is de minimaal benodigde aanleghoogte bepaald met behulp van de berekende GHG. Naar aanleiding van de waterproblematiek in fase I van Bloemendal is aanvullend grondwateronderzoek verricht. Op basis van dat onderzoek wordt in de memo Herziening ontwerphoogte Bloemendal fase 2A (bijlage 33) geadviseerd een hogere minimaal benodigde aanleghoogte te hanteren. We gebruiken de variant in figuur 6 als basis voor een verdere technische uitwerking van het "Bloemendal IIA" (vastgesteld)

61

Bloemendal IIA hoogteplan.

Huishoudelijk afvalwater Het vuilwater dat in het plangebied vrijkomt, wordt onder vrij verval ingezameld. Het water voert af naar het transportriool in de Nijkerkerweg via een nieuwe aansluiting met een terugslagklep. Een koppeling met het rioolstelsel in fase 1 dient als een soort noodoverloop in het geval de riolering verstopt raakt. Daarnaast is het rioolstelsel zoveel mogelijk als een vermaasd systeem ontworpen, zodat afvoer mogelijk blijft bij een verstopping. Mogelijk kunnen de woningen langs de Nijkerkerweg worden aangesloten op het stelsel in fase IIa, waardoor de bestaande aansluiting op het drukriool kan komen te vervallen. Het vuilwaterstelsel heeft ruim voldoende capaciteit om de afvalwaterhoeveelheden uit fase IIa te kunnen verwerken. Daarnaast is er ruim voldoende buffercapaciteit in het stelsel bij een calamiteit.

Duurzaamheid In het kader van duurzaamheid, klimaatadaptatie en het vergroten van het klimaatbewustzijn onder bewoners worden de volgende aanvullende maatregelen genomen: het toepassen van een regenton per perceel. De overloop wordt daarbij aangesloten op de infiltratievoorziening; een maximum percentage aan verharding toe te staan in de tuinen van de woningen. Dit uit oogpunt van hittestress, biodiversiteit, tegengaan van verdroging en wateroverlast; streven naar een waterneutraal inrichten van de woonerven aan de Nijkerkerweg; het toepassen van een halfopen verharding in de parkeerplaatsen van de parkeerkoffers; stimuleren van groene daken zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan. Bovengenoemde maatregelen zijn overigens niet in de (bergings)berekeningen meegenomen.

In het kader van duurzaam bouwen en vanwege de beoogde grond- en oppervlaktewaterkwaliteit mogen in principe geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAK-houdende materialen) worden toegepast. Er zijn voldoende milieuvriendelijke alternatieven die vergelijkbaar zijn wat betreft uitstraling, gebruiksgemak, levensduur en onderhoud. Indien vanwege zwaarwegende argumenten toch uitlogende materialen worden voorgesteld, is de voorwaarde dat ze jaarlijks gecoat worden om diffuse waterverontreinigingen te voorkomen.

Watervergunning Voor de realisatie van de woonwijk is een watervergunning van het waterschap Vallei en Veluwe nodig. De watervergunning is minimaal noodzakelijk voor de toename aan verhard oppervlak, het dempen of herinrichten van watergangen, de realisatie van bruggen en voorzieningen voor de waterberging.

62

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

Bloemendal IIA

Hoofdstuk 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN

Juridische aspecten

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de plicht tot het opstellen van een bestemmingsplan. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast bieden zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan het afwijken met een omgevingsvergunning, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Barneveld. Het uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

De planregels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de algemene voor het plangebied geldende bepalingen, de inleidende regels. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels en tot slot de algemene procedureregels. Tenslotte komt in hoofdstuk 4 het overgangsrecht en de slotbepaling aan bod.

Bevoegdheid Het bevoegd gezag is het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag. Het kan echter incidenteel voorkomen dat bijvoorbeeld het Rijk dan wel de provincie het bevoegd gezag is. Burgemeester en wethouders zijn altijd bevoegd gezag bij het wijzigen van een plan en het stellen van nadere eisen.

6.1.1 6.1.1.1

Inleidende regels Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing van het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normale spraakgebruik. De omschrijving van het begrip 'bouwperceel' staat in artikel 1. Een voorbeeld van een bouwperceel is een stuk grond waarop een woning staat met een tuin. De bestemmingen 'Wonen-1' en 'Tuin' horen beiden bij het bouwperceel. Als bijvoorbeeld wordt aangegeven onder de bestemming Wonen I: 'de totale oppervlakte van buiten het bouwvlak gelegen bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 20% van dat bouwperceel, met een maximum van 150 m2, [...].' wordt bedoeld dat de maximum oppervlakte die is aangegeven op de verbonden vlakken als één maximum voor beide vlakken geldt en niet voor beiden afzonderlijk.

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

63

Bloemendal IIA

6.1.1.2

Wijze van meten

Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten (die bij het bouwen in acht dienen te worden genomen) moeten worden gemeten.

6.1.2 6.1.2.1

Bestemmingsregels Bestemming 'Agrarisch'

Zoals al is gemeld in hoofdstuk 1 van deze toelichting bij het bestemmingsplan, zocht gemeente Barneveld met de betrokken eigenaren van het agrarische bedrijf aan Peutweg 1 in Barneveld naar een passende compensatie van de te wijzigen bouw- en gebruiksmogelijkheden die waren voorzien in het ontwerpbestemmingsplan. De vorm en omvang van het agrarisch bouwvlak zouden worden aangepast. Dit is echter van de baan in de definitieve versie van het bestemmingsplan. Er is een andere oplossing gevonden. De insteek is nog steeds om het bestaande agrarische gebruik toe te laten. Het wijzigingsplan "Peutweg I" (NL.IMRO.0203.1247-0002) zal de basis vormen. Met andere woorden: de verplaatsing van het melkgeitenbedrijf is nu niet aan de orde. Hieronder volgt de standaard-toelichting van gemeente Barneveld bij de bestemming 'Agrarisch' - met een specificatie voor de bewuste locatie voor zover dat nodig is. Binnen de bestemming 'Agrarisch' is een 'bouwvlak' opgenomen voor de agrarische bedrijven. Met de aanduiding 'bouwvlak' is binnen de gebiedsbestemming 'Agrarisch' aangegeven waar agrarische bedrijven zijn toegestaan. Onder agrarische bedrijven worden veehouderijen, akkerbouwbedrijven, tuinbouwbedrijven (kwekerijen) en hondenfokkerijen verstaan. Glastuinbouwbedrijven zijn uitsluitend toegestaan daar waar dit is aangeduid.

Gebruiksgerichte paardenhouderijen vallen niet onder de definitie van een agrarisch bedrijf. Intensieve veehouderijen zijn alleen toegestaan op bouwvlakken waar deze aanduiding aanwezig is. Binnen het bouwvlak mogen gebouwen, bouwwerken en werken ten dienste van het agrarisch bedrijf worden opgericht zoals veestallen, werktuigenbergingen, mestopslag, kuilvoerplaten en een bedrijfswoning. De maximale goothoogte van een bedrijfsgebouw bedraagt 6 meter. Voor teeltondersteunende kassen geldt een goothoogte van 3,5 meter. De maximale bouwhoogte van een bedrijfsgebouw bedraagt 10 meter. Via afwijking kan de bouwhoogte worden verhoogd tot 12 meter. De maximale goot- en nokhoogte van de bedrijfswoning bedraagt 3,5 respectievelijk 10 meter. De maximale inhoud bedraagt 750 m3, inclusief de onderbouw voor zover deze boven het maaiveld uitkomt. Onder een bedrijfswoning is een onderbouw toegestaan, waarbij geldt dat bij vergunningsvrije aanbouwen en bijbehorende bouwwerken van woningen niet vergunningsvrij mogen worden voorzien van een onderbouw. Bij de bedrijfswoning is maximaal 80 m2 aan bijgebouwen toegestaan. De maximale goot- en nokhoogte van de bijgebouwen bedraagt 3 respectievelijk 6 meter. In artikel 3.2.3 van het bestemmingsplan is vastgelegd dat per bouwvlak in beginsel ten hoogste één bedrijfswoning is toegestaan.

Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de locatie Nijkerkerweg 139 in Barneveld. Een gedeelte van het perceel, kadastraal bekend gemeente Barneveld, sectie A, nummer 3129 is opgenomen binnen de grenzen van het bestemmingsplan met het oog op de 'Milieuzone - spuitvrije zone' voor gewasbeschermingsmiddelen (§ 5.11.1). Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om extra, nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden te creëren op de bewuste agrarische gronden. Zo is een tweede bedrijfswoning naast de bestaande op het perceel niet aan de orde.

6.1.2.2

Bestemming 'Agrarisch - Onbebouwd'

In de bestemmingsomschrijving van deze bestemming is het toegestane gebruik benoemd. Het betreft het agrarisch grondgebruik zoals het houden van vee en het verbouwen van gewassen. Ondergeschikt aan het hoofdgebruik zijn onder meer toegelaten extensief recreatief medegebruik. Hieronder vallen de wandel- en fietspaden, wegwijzers, bankjes enz.en landschapselementen zoals houtwallen, en paden. Vervolgens worden de voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding geregeld, zoals stuwen, bruggen en/of dammen en dergelijke. Dit is geen uitputtende opsomming van de toegelaten gebruiksdoelen. Het plaatsen van voorzieningen, omschreven als 'bouwwerken geen gebouwen zijnde' ten behoeve van het 64

"Bloemendal IIA" (vastgesteld)

Bloemendal IIA agrarisch gebruik geregeld. Het gaat hierbij om het plaatsen van weidepalen, hekken en afrasteringen. Binnen de bestemming is agrarisch grondgebruik voor kwekerijen (vollegrondsteelt) toegestaan. Opgemerkt wordt dat bij waardevolle landschappen hiervoor eerst een 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' verleend moet worden (voorheen: aanlegvergunning). Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch - Onbebouwd' is hobbymatig agrarisch gebruik ook toegestaan.

6.1.2.3

Bestemming 'Groen'

Het structureel groen krijgt de bestemming 'Groen'. Onder structureel groen worden wijkparken, grotere groenelementen op buurt- of blokniveau, groen om wegen en waterlopen en wadi's verstaan. Binnen deze bestemming zijn ook speelvoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en paden toegestaan. De bestemming 'Groen' wordt alleen toegepast op openbare gronden, niet op particuliere terreinen. In de omschrijving van de bestemming 'Groen' staat dat de gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen (et cetera) 'met daaraan ondergeschikt parkeervoorzieningen'. Het is de bedoeling van de raad dat een relatief klein gedeelte van de gronden kan worden gebruikt als parkeervoorziening: om en nabij 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak. De raad beschouwt de parkeervoorzieningen dan als ondergeschikt. Die 10% is geen harde norm. De regeling is bewust flexibel geformuleerd. Als de parkeervoorzieningen meer dan de helft van de oppervlakte van het bestemmingsvlak beslaan, dan is in elk geval geen sprake van ondergeschiktheid. Het is mogelijk om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels voor de aanleg van in- en uitritten. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming 'Groen' in 'Tuin' te wijzigen. Deze wijzigingsbevoegdheid kan toegepast worden wanneer de gemeente grond verkoopt aan particulieren ter uitbreiding van tuinen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=56de719b-b8d3-40b2-bb0b-d51489b947c3