Bijlage Jaarverslaggeving 2021.pdf
Tekst van het document
4.3 Algemene dekkingsmiddelen
De ontwikkelingen rondom de herverdeling van het gemeentefonds leidde in 2021 tot driemaal toe tot een verslechterend perspectief voor Barneveld. Dit maakt het lastig een betrouwbare prognose van de uitkering uit het gemeentefonds op te stellen. Dat geldt voor de tijd van de coronacrisis, met veel impact op onze samenleving, maar ook voor een sluitend financieel meerjarenperspectief voor onze gemeente. In 2021 zijn, evenals in 2020, de processen rond de belastingen aangepast door onze ondernemers uitstel van betaling te verlenen voor het voldoen aan hun verplichtingen. Dit jaar is ook de gebruikelijke aandacht geweest voor onze treasury, waarbij herfinanciering heeft plaatsgevonden tegen gunstigere tarieven.
Wat heeft het gekost? bedragen x € 1.000 Rekening Verschil 2021
Rekening 2020
Primitieve Begroting
Actuele Begroting
- 3.313 - 960 - 1.914 - 439
- 2.288 - 984 - 871 - 434
- 2.331 - 984 - 871 - 476
- 2.256 - 957 - 819 - 481
74 V 27 V 52 V -5N
4.2 Interne dienstverlening 421 Beheer overige eigen gebouwen en gronden 422 Ondersteuning organisatie
- 21.184 - 161 - 21.023
- 22.071 - 1.119 - 20.952
- 23.116 - 909 - 22.207
- 22.363 - 496 - 21.868
753 V 413 V 340 V
4.3 Algemene dekkingsmiddelen 431 Treasury 432 Belastingen 433 Algemene uitkering 434 Overige baten en lasten 436 Werken voor derden
106.165 5.011 17.078 86.261 - 3.478 1.292
108.912 5.514 17.171 85.415 - 308 1.120
111.497 5.622 17.421 92.153 - 4.777 1.078
115.523 4.953 17.563 95.227 - 3.448 1.227
4.025 V - 668 N 141 V 3.074 V 1.329 V 149 V
Saldo van baten en lasten
81.667
84.552
86.050
90.903
4.853 V
Mutatie reserves 4.4 Resultaatbepaling 441 Mutaties reserves
2.532 2.532
7.005 7.005
10.109 10.109
9.667 9.667
- 442 N - 442 N
Mutatie reserves
2.532
7.005
10.109
9.667
- 442 N
Resultaat
84.199
91.557
96.159
100.570
4.411 V
4. Bestuur en interne dienstverlening Saldo van baten en lasten 4.1 Bestuur 411 Raad 412 B&W 413 Bestuurlijke samenwerking
49
Paragrafen Paragraaf 1 Lokale heffingen
1.1 Inleiding De inkomsten van de gemeente komen uit verschillende bronnen. De hoofdmoot wordt gevormd door de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Ongeveer 20% van de gemeentelijke inkomsten wordt gegenereerd vanuit het eigen belastinggebied. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan dit gebied dat wordt gevormd door de belastingen, de leges en de overige heffingen die de gemeente oplegt. Het (meerjaren)beleid ten aanzien van de lokale belastingen is opgenomen in de op 16 december 2014 door de raad vastgestelde Nota lokaal belastinggebied Barneveld 2014. Er is informatie opgenomen over de volgende zaken: het beleid ten aanzien van de lokale belastingen; een overzicht van de begrote en de werkelijk ontvangen inkomsten uit belastingen; een toelichting op de grootste afwijkingen tussen begrote en werkelijke inkomsten; de lokale lastendruk; informatie over bezwaar, beroep en kwijtschelding. De lokale belastingen zijn een belangrijk onderdeel van de “eigen” inkomsten van de gemeente en worden meestal gebruikt als algemeen dekkingsmiddel voor het te voeren beleid.
1.2 Beleid Algemene uitgangspunten Het beleid voor de lokale belastingen is vastgelegd in de verschillende verordeningen en in de Nota lokaal belastinggebied Barneveld 2014. Het tarievenbeleid wordt jaarlijks geformuleerd bij de vaststelling van de begrotingsuitgangspunten in de kadernota. Toeristen- en forensenbelasting Bij de Kadernota van 2020-2023 is afgesproken de tarieven voor de toeristen- en forensenbelasting te verhogen om een meeropbrengst van € 125.000 te genereren. Het tarief per overnachting van de toeristenbelasting is hiertoe verhoogd met € 0,15. Voor de forensenbelasting is het basisbedrag met 15% verhoogd. Leges De algemene lijn is om de leges zo min mogelijk te verhogen. In sommige gevallen wordt daarvan afgeweken om de opbrengst kostendekkend te houden.Dit heeft plaatsgevonden voor de leges van de bestemmingsplannen (10%) en die voor de omgevingsvergunningen (17,5%).
50
Tarieven tabel
2020
2021
Stijging t.o.v. vorig jaar
Onroerende zaakbelastingen - eigenaren woningen, in % van de waarde - eigenaren niet-woningen, in % van de waarde - gebruikers niet-woningen, in % van de waarde
0,0968 0,1975 0,1558
0,0916 0,2011 0,1586
-5,4% 1,8% 1,8%
Hondenbelastingen - voor de 1e hond - voor de 2e hond - voor elke volgende hond
42,80 59,60 73,40
43,30 60,35 74,30
1,2% 1,3% 1,2%
Toeristenbelasting - tarief per overnachting - seizoenplaats - jaarplaats
0,93 173,90 174,10
1,08 202,00 202,20
16,1% 16,2% 16,1%
185,30
202,20
9,1%
185,30
202,20
9,1%
966,00
994,00
2,9%
187,50 312,50
196,80 328,00
5,0% 5,0%
179,25
186,40
4,0%
Tarieven lokale heffingen
Forensenbelasting - waarde minder dan € 70.000 of panden waarvoor geen waarde is vastgesteld - waarde meer dan € 70.000 vermeerderd met 0,83% van het bedrag waarmee de heffingsgrondslag € 70.000 te boven gaat. Met dien verstande dat een maximumbedrag geldt van: Afvalstoffenheffing - éénpersoonhuishoudens - meerpersoonshuishoudens Rioolheffing: - vastrecht tot 350 m 3 afvalwater
1.3 Inkomsten uit heffingen Vergelijkend overzicht opbrengsten uit belastingen Binnen het gemeentelijk belastinggebied wordt onderscheid gemaakt in belastingen en rechten. Belastingen zijn bijdragen in de algemene middelen van de gemeente. Tegenover het betalen van belasting staat geen direct aanwijsbare tegenprestatie. Voor de tarieven van de belastingen zijn geen beperkingen opgenomen. Voorbeelden van belastingen zijn: onroerendezaakbelastingen, forensenbelasting, toeristenbelasting en hondenbelasting. Rechten worden geheven ter dekking van de kosten van dienstverlening door de gemeente. In de wet is bepaald dat de geraamde opbrengst niet hoger mag zijn dan nodig om 100% van de geraamde kosten te dekken. Dit houdt in dat de kostendekkendheid op basis van de begroting wordt beoordeeld. Een beoordeling achteraf is niet in de wet opgenomen. Voorbeelden van rechten zijn de begrafenisrechten, parkeergelden en leges voor verschillende diensten. Een lagere dekking is een beleidsvrijheid van de gemeente. Het overzicht van de belastingen wordt weergegeven in bijgaande tabellen en grafieken. In onderstaande tabel ziet u tevens de begroting en werkelijke cijfers.
51
Tabel lokale heffingen bedragen x € 1.000 Rekening Verschil 2021
Rekening 2020
Primitieve Begroting
Actuele Begroting
Belastingen (Algemene dekkingsmiddelen) 01. Onroerende zaakbelastingen woningen 02. Onroerende zaakbelastingen niet-woningen 03. Hondenbelasting 04. Toeristenbelasting 05. Forensenbelasting 06. Rioolheffing 06. Rioolheffing - kwijtschelding 07. Reclamebelasting 08. Precariobelasting Totaal Belastingen (Algemene dekkingsmiddelen)
7.061 6.321 166 515 982 4.854 - 114 117 2.969 22.871
7.052 6.434 173 585 950 4.939 - 120 120 2.955 23.089
7.235 6.488 173 585 950 4.939 - 120 120 2.969 23.339
7.235 6.479 166 706 1.097 5.077 - 116 112 2.969 23.725
0V -9N -7N 121 V 147 V 137 V 4V -8N 0V 386 V
Rechten (Tariefsgebonden) 09. Begrafenisrechten 10. Afvalstoffenheffing 10. Afvalstoffenheffing - kwijtschelding 11. Parkeergelden 12. Parkeerboetes 13. Marktgelden 14. Leges burgerlijke stand 15. Leges dienstverlening 16. Leges Wabo vergunningen 17. Leges bestemmingsplannen 18. Overige leges Totaal Rechten (Tariefsgebonden)
691 6.175 - 159 568 46 37 108 477 2.243 929 138 11.254
924 6.429 - 155 720 100 40 130 915 2.316 1.097 186 12.702
814 6.429 - 155 464 10 40 130 622 2.838 1.097 101 12.390
829 6.567 - 162 596 35 30 140 591 2.996 1.101 137 12.861
15 V 137 V -7N 132 V 25 V - 10 N 9V - 30 N 159 V 5V 36 V 471 V
Totaal lokale heffingen
34.124
35.790
35.729
36.586
857 V
Lokale heffingen
Toelichting grootste afwijkingen
De belangrijkste afwijkingen ten opzichte van de begroting zijn als volgt te verklaren. ad 4) Toeristenbelasting Er is sprake van een hogere opbrengst Toeristenbelasting door toename van recreatieve objecten. Daarnaast is er door Covid-19 sprake van meer verblijf in eigen land. Deze oorzaken geven een meeropbrengst van totaal € 71.000. Door een eenmalige naheffing is er nog een extra voordeel van € 52.000 bij de Toeristenbelasting door een éénmalige naheffing. ad 5) Forensenbelasting Het positieve resultaat,waarvan € 135.000 structureel, is gerealiseerd door toename van het aantal recreatieve objecten. ad 6) Rioolheffing De opbrengsten rioolheffing zijn als gevolg van meer aansluitingen dan vooraf geraamd € 141.000 hoger uitgevallen. ad 10) Afvalstoffenheffing Het positieve resultaat valt te verklaren doordat per saldo lagere kosten zijn gerealiseerd in het proces van inzameling-verwerking (met name PMD), oorzaak daarvoor zijn sterk fluctuerende tarieven voor zowel verwerking als opbrengst per tonnage. ad 11) Parkeergelden In de maandrapportage hebben we als gevolg van Covid-19 rekening gehouden met lagere parkeeropbrengsten. We hielden rekening met een nadeel van € 256.000. De opbrengsten vallen nu hoger uit en leiden tot een begrotingsvoordeel van € 131.500, waarvan een voordeel van € 91.500 betrekking heeft op slagboomparkeren en € 40.000 op straatparkeren.
Daar staat tegenover dat de inkomsten voor (tijdelijke) parkeervergunningen lager uitgevallen zijn. Waarschijnlijk is dit te verklaren door het aantal mensen dat thuis is gaan werken, waardoor werknemers geen behoefte hadden aan een parkeervergunning. Het nadeel op de vergunningen bedroeg € 25.500. Per saldo ontstaat een voordelig begrotingssaldo parkeeropbrengsten van € 92.500. ad 12) Parkeerboetes De geraamde opbrengst parkeerboetes is in de maandrapportage oktober verlaagd met € 90.000 omdat de baten als gevolg van Covid-19 achterbleven in 2021. In het laatste kwartaal is echter een reguliere opbrengst gerealiseerd, waardoor een voordeel ontstaat van € 25.000 ten opzichte van de bijgestelde begroting. ad 15) Leges Dienstverlening Hoewel de geraamde baten ten aanzien van reisdocumenten in de maandrapportage oktober al
52
aanzienlijk waren verlaagd omdat de realisatie als gevolg van Covid-19 fors achterbleef, zijn de werkelijke legesopbrengsten € 30.000 lager dan begroot. Tegenover een voordeel op de rijbewijzen van € 53.000 staan een nadeel op leges reisdocumenten van € 62.000 en € 21.000 op de leges voor verklaringen omtrent gedrag en uittreksels bevolkingsregister. Ad 16) Leges Wabo-vergunningen De hogere leges inkomsten van de Wabo-vergunningen komen voort uit een grotere aanvraag van vergunningen binnen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan beoogd. ad 18) Overige leges Het voordeel van € 36.000 op de 'overige leges' wordt in hoofdzaak veroorzaakt op drie onderdelen. Vanwege Covid-19 zijn de baten m.b.t. leges 'uitvoering bijzondere wetten' naar beneden bijgesteld, o.a. omdat de terrasprecario in 2021 niet in rekening is gebracht en veel evenementen niet hebben plaatsgevonden in 2021. Uiteindelijk is ten opzichte van de bijgestelde begroting een voordeel van € 21.000 gerealiseerd. Voornamelijk door leges standplaatsvergunningen in het laatste kwartaal van 2021. Naast het voordeel op de leges 'uitvoering bijzondere wetten' zijn in 2021 € 41.000 meer leges gerealiseerd voor naturalisaties. Tot slot zijn er € 25.000 minder leges gerealiseerd voor parkeervergunningen als gevolg van Covid-19 en thuiswerken.
Grafiek belastingen
Grafiek rechten
1.4 Lokale lastendruk Om een indruk te hebben wat de “lokale lastendruk” is, wordt berekend wat de huishoudens aan belasting moeten betalen. Daarbij worden de voor huishoudens gebruikelijke heffingen betrokken. Door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) wordt jaarlijks een atlas van de lokale lasten opgesteld. De bruto woonlasten van meerpersoonshuishoudens lopen, volgens de COELO Atlas voor 2021, uiteen van € 598 tot € 1.517 per jaar. Landelijk gezien bevindt Barneveld zich op plaats 288 van de 374 gemeenten en is Barneveld een gemeente met een lastendruk net iets boven het gemiddelde. De stijging in 2021 van de lokale lasten in Barneveld is 3,4%. Het grote verschil tussen de woonlasten in de goedkoopste en de duurste gemeente (€ 919) is enigszins misleidend. De frequentieverdeling van de gemeentelijke woonlasten is namelijk zeer vlak. Dat blijkt uit de figuur onder kaart 28. In 70% van de gemeenten liggen de woonlasten tussen de € 750 en de € 1.000. Aan de onderkant en de bovenkant van de verdeling zit een beperkt aantal uitschieters. Hoewel het maximum op € 1.517 ligt komen 30 gemeenten boven de € 1.000 uit. Het bedrag van de bruto woonlasten is opgebouwd uit de onroerende zaakbelasting, waarbij wordt uitgegaan van de gemiddelde woningwaarde (zowel landelijk als provinciaal als voor
53
Barneveld), de afvalstoffenheffing en de rioolheffing.
Tabel lokale lastendruk Lokale lastendruk
2020
2021
Lastenstijging (%)
Hoogste tarieven - Landelijk - Gelderland
1.440 1.011
1.517 1.090
5,3% 7,8%
Laagste tarieven - Landelijk - Gelderland
573 573
598 618
4,4% 7,9%
Gemiddelde tarieven - Landelijk - Gelderland - Barneveld
776 785 796
818 808 823
5,4% 2,9% 3,4%
Bron: COELO Atlas van de lokale lasten(www.coelo.nl)
1.5 Bezwaar, beroep en kwijtschelding Bezwaar en beroep Wie het niet eens is met een opgelegde aanslag kan een bezwaarschrift indienen bij de gemeente. Een bezwaarschrift moet worden ingediend binnen 6 weken na het opleggen van de aanslag. Behoudens de no cure no pay-bezwaren, is voor nagenoeg alle overige bezwaren tegen de bij het reguliere kohier opgelegde aanslagen, voor eind oktober 2021 uitspraak gedaan. Voor degenen die het niet eens zijn met de uitspraak bestaat er de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de rechtbank, hoger beroep bij het gerechtshof en cassatieberoep bij de Hoge Raad. Kwijtschelding Voor de inwoners van Barneveld zonder vermogen en met een laag inkomen bestaat de mogelijkheid om kwijtschelding te vragen voor de aanslag van de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. Door gegevensuitwisseling met het Inlichtingenbureau (waar gegevens uit de administraties van UWV, RDW en Belastingdienst worden gecombineerd), wordt nagegaan of een eerder verleende kwijtschelding leidt tot een ambtshalve kwijtschelding in het volgende jaar. Betrokkenen hoeven daarvoor dan niet zelf opnieuw een aanvraag in te dienen. In de begroting 2021 is een lichte toename geraamd in de omvang van de kwijtschelding (€ 285.000). In werkelijkheid is er 761 keer kwijtschelding gevraagd. 641 aanvragen zijn geheel of gedeeltelijk gehonoreerd en 120 afgewezen.
Het totale bedrag aan kwijtschelding is uitgekomen op € 278.171. In circa 49% van de gehonoreerde aanvragen is automatisch kwijtschelding verleend op grond van de hiervoor aangegeven gegevensuitwisseling met het Inlichtingenbureau.
Tabel ontwikkeling kwijtschelding Kwijtscheldingen 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021
Aangevraagd
Afgewezen
713 714 848 830 788 785 761
66 101 96 106 139 162 120
Geheel of Bedrag gedeeltelijk kwijtschelding toegewezen 647 € 244.424 613 € 233.743 752 € 292.716 724 € 266.422 649 € 272.832 649 € 272.994 641 € 278.171
Grafiek ontwikkeling kwijtschelding
54
Paragraaf 2 Weerstandsvermogen
2.1 Inleiding Informatie over het weerstandsvermogen is van belang om te weten of en in hoeverre financiële tegenvallers kunnen worden opgevangen. Deze tegenvallers kunnen incidenteel en structureel van aard zijn, maar hebben altijd invloed op de financiële positie van de gemeente. Hoe hoog het weerstandsvermogen zou moeten zijn, is niet exact aan te geven. De omvang is afhankelijk van de financiële risico’s die de gemeente loopt en de kans dat de risico’s daadwerkelijk effectief worden. De mate van flexibiliteit van de gemeentebegroting speelt een belangrijke rol bij de bepaling van het weerstandsvermogen: hoe snel kunnen tegenvallers worden opgevangen door ombuigingen van bestaand beleid, al dan niet in combinatie met belastingverhogingen. Ook de omvang van de vrij aanwendbare reserves is daarbij van belang. Vanuit het provinciaal toezicht zijn geen directe normen voor het weerstandsvermogen aangegeven; wel wordt bewaakt dat de algemene reserve een bepaalde minimum omvang heeft. Begrippenkader Onder het weerstandsvermogen wordt een kengetal verstaan, namelijk de verhouding tussen de direct beschikbare en de benodigde weerstandscapaciteit.
Beschikbare weerstandscapaciteit Weerstandsvermogen = ---------------------------------------------Benodigde weerstandscapaciteit Met de direct beschikbare weerstandscapaciteit bedoelen we de middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt om niet begrote kosten te dekken. Onder benodigde weerstandscapaciteit verstaan we alle risico’s waarvoor nog geen maatregelen zijn getroffen, die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie. Tot het treffen van dergelijke maatregelen behoren onder andere het instellen van voorzieningen, het afdekken van risicogebieden met verzekeringen dan wel andere risico-beperkende acties.
2.2 Beleid Eind 2020 is de Nota risicomanagement & weerstandsvermogen 2020 - 2024 geactualiseerd en daarin zijn de hoofdlijnen van beleid ongewijzigd. Het weerstandsvermogen wordt concernbreed twee maal per jaar bepaald, ten tijde van de begroting en de jaarrekening, in paragraaf 2 (programmabegroting en jaarverslaggeving). Risico's en reserves zijn continu aan verandering onderhevig, zo is ook het weerstandsvermogen in deze paragraaf een momentopname. In de paragraaf weerstandsvermogen wordt er daarom gewerkt met streefwaardes en bandbreedtes in plaats van met exacte getallen. Met ingang van de begroting 2021 hanteren we een meer uitgebreide set van indicatoren waarmee een bredere weging van de balanswaarden als weerstandsvermogen, schuldenpositie en/of exploitatieruimte mogelijk wordt gemaakt. De bandbreedtes van het weerstandsvermogen zijn gehandhaafd zoals in onderstaande tabel weergegeven.
55
Weerstands vermogen
Effect
Maatregel
< 1,0
onder minimale streefwaarde
College neemt maatregelen om binnen twee jaar > 1,0 te komen. Deze zijn gericht op het verlagen van de benodigde weerstandscapaciteit en/of het verhogen van de beschikbare weerstandscapaciteit.
1,0 – 1,2
minimale streefwaarde optimale bandbreedte maximale streefwaarde boven maximale streefwaarde
college maakt analyse en geeft de meerjarige verwachting aan.
1,2 – 1,6 1,6 – 2,0 > 2,0
n.v.t. college maakt analyse en geeft de meerjarige verwachting aan. n.v.t.
2.3 Beschikbare weerstandscapaciteit De structurele weerstandscapaciteit geeft de mate aan waarin de gemeente zelf in staat is om niet begrote kosten te dekken door structurele middelen vrij te maken. Hierbij kan gedacht worden aan de mogelijkheden die er zijn tot het verhogen van de inkomsten (bijvoorbeeld via belastingverhoging). Bij de incidentele weerstandscapaciteit gaat het om de aanwezigheid van vrij besteedbare middelen die eenmalig kunnen worden ingezet. In het kader van het weerstandsvermogen binnen deze paragraaf zullen wij slechts rekening houden met de incidentele weerstandscapaciteit. In onderstaande tabel is een vergelijkend overzicht gegeven van de geprognosticeerde weerstandscapaciteit per begin/einde van het boekjaar Algemene reserves (1) Voor de berekening van de weerstandscapaciteit worden alleen de vrij besteedbare reserves meegenomen. Deze vrij besteedbare reserves treffen wij aan bij de groep van algemene reserves. Voor de bestemmingsreserves geldt dat voor wijziging van de bestemming een raadsbesluit nodig is en er dus geen sprake is van een vrij besteedbare reserve. Voorzieningen zijn niet vrij besteedbaar en behoren daarom niet tot de weerstandscapaciteit. Stille reserves (2) Stille reserve is het verschil tussen de hogere directe opbrengstwaarden bij verkoop en de boekwaarden van de diverse activa.
Hierbij kan worden gedacht aan panden, aandelen en bedrijfsmiddelen. De directe opbrengstwaarde dient bekend te zijn en bovendien moeten de betreffende activa direct verkoopbaar of verhandelbaar zijn. Dit is met de gemeentelijke activa zelden het geval. Mede daarom zijn de stille reserves als een PM-post opgenomen.
bedragen x € 1.000 Beschikbare weerstandscapaciteit 1. Algemene reserves 2. Stille reserves Totaal
31-dec-2020
31-dec-2021
38.303 p.m. 38.303
30.688 p.m. 30.688
2.4 Benodigde weerstandscapaciteit Voor de jaarrekening 2021 zijn risico’s onlangs geactualiseerd ten opzichte van de begroting 2022 (laatste actualisatie). De covid-19-pandemie is nog onderdeel van deze inventarisatie, waarbij wel te zien is dat een aantal facetten hiervan regulier zijn ingeregeld, en het risico hierdoor af is genomen. Daar komt bij dat het op het moment van inschatting van de risico's de pandemie is geminimaliseerd en het 'gewone' leven weer in volle gang is. Een andere belangrijke component van de risico-inventarisatie zijn de grondexploitaties. Sinds dit jaar is, om aan te sluiten bij de woningmarkt en Barneveldse ontwikkelingen van de afgelopen jaren, 2,0% aan opbrengstenstijging gehanteerd in de grondexploitaties. Mede door de stijgende inkoopprijzen, de stijgende rente en onzekerheid in de economie (en daarmee de woningmarkt) is de sinds deze jaarrekening opgenomen gecalculeerde opbrengststijging van 2,0% voor 50% meegenomen in deze risicosimulatie. Daarnaast is het risico op de onderhanden projecten met 5% verhoogd, hetgeen zich beter verhoudt tot de huidige markt (stijgende kosten van werken) en aansluit bij de basismethodiek van de IFLO. Waar mogelijk zijn maatregelen getroffen om risico's te beperken. Vervolgens is een risicosimulatie uitgevoerd. Deze simulatie resulteert in een totaal risicobedrag van € 22,6 miljoen.
56
De top 10 is gewijzigd ten opzichte van de vorige meting. De belangrijkste tien risico's (mix van omvang/geld en kans), in volgorde van impact zijn: 1 Onvoorziene risico's grondexploitaties (planfase 2 en 3) 2 Toenemende kosten voor jeugdhulp 3 Kosten maatschappelijke ondersteuning en participatiewet nemen toe 4 Uitbraak crises (zoals Covid-19) 5 Stikstofproblematiek 6 Stagneren van taken door de krappe arbeidsmarkt, vraag naar specialistische kennis, `transitie, in verhouding tot hoge ambities 7 Beheerkwaliteit van de nieuwe wijken de Burgt en Veller blijft achter 8 Exponentiële groei van de gemeente 9 Onvoldoende managementinformatie voor adequate sturing 10 Onvoldoende overzicht en het niet houden aan proces anterieure overeenkomst Risico’s zijn ook inzichtelijk bij (en integraal onderdeel van) alle speerpunten van de vier programma’s. De risico’s van verbonden partijen zijn in paragraaf 6 in beeld gebracht.
2.5 Weerstandsvermogen Het weerstandsvermogen eind 2021, exclusief het resultaat van 2021, ligt met een ratio van 1,36 binnen de optimale bandbreedte van 1,2-1,6. Indien we overigens rekening houden met het rekeningresultaat 2021, zal deze waarde 2 zijn. 30,7 Weerstandsvermogen = -------- = 1,36 22,6
2.6 Financiële kengetallen De financiële kengetallen zoals die voorgeschreven worden door het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) zijn in deze jaarverslaggeving opgenomen in paragraaf 2. De kengetallen hebben een verband met zowel het weerstandsvermogen alsook met de financiering. Landelijk
57
wordt aandacht gevraagd voor deze kengetallen. Daarin is met name aangegeven om naast het weerstandsvermogen ook te letten op de ontwikkeling van deze financiële kengetallen. In 2019 is de schuldennotitie geactualiseerd en is er meer duiding, verdieping en toelichting gegeven op de verschillende kengetallen. Conform de actualisatie van de schuldennotitie nemen wij een breder aantal kengetallen op. Mede gezien de ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt is het goed de financiële kengetallen of ratio’s in beeld te hebben. Deze ratio’s zijn verhoudingsgetallen op basis van de balans- en/of exploitatiecijfers. Bij het beoordelen van de hoogte en ontwikkeling van de ratio’s kijken we vooral naar de samenhang tussen deze ratio’s en de ontwikkeling in de tijd. De uitkomst van een individuele ratio biedt een beperkt inzicht. Samen met het weerstandsvermogen kunnen we een beeld vormen van hoe de gemeente er in financieel opzicht voorstaat. De ratio’s worden hierna zowel in tabelvorm als grafisch weergegeven. Omdat er sprake is van balansvergelijkingen zal de toelichting bij de kengetallen meer dan in voorgaande jaren voornamelijk gaan over de vergelijking ten opzichte van de vorige jaarrekening (2020) in plaats van met de begroting.
Netto schuldquote: De netto schuldquote is in 2021 verbeterd (139,6%) ten opzichte van de jaarrekening 2020 (147%), maar nog wel hoger dan de streefwaarde van (maximaal) 130%. die de VNG hanteert. Dit is enerzijds het gevolg van een toename van de baten en anderzijds een iets lagere netto hogere schuld. De toename van vlottende schulden is zichtbaar bij de voorfinanciering van de grondexploitatie. Dit is voor gemeente Barneveld logisch, omdat we een grote grondvoorraadpositie hebben vanwege de hogere financieringsbehoefte waar naar de toekomst baten uit voortvloeien. Effectieve netto schuldquote: De effectieve netto schuldquote is de netto schuldquote minus uitleenquote en minus de voorraadquote. Grondvoorraadquote: Het totaal van voorraad bouwgrond (in exploitatie genomen gronden en niet in exploitatie genomen gronden) afgezet tegenover de inkomsten van de gemeente. Het percentage zegt iets over het risicoprofiel van een gemeente en dan met name in relatie tot de bouwgrondactiviteiten. Provincie Gelderland geeft aan dat bij een percentage >35% sprake is van een hoog risico. Dit risicoprofiel is het gevolg van de keuzes die zijn gemaakt ten aanzien van de ambities van Barneveld in de ontwikkeling van grondexploitaties. Ten opzichte van dit risicoprofiel bestaan kansen op hogere opbrengsten uit grondexploitaties.
De risico's als gevolg van deze keuzes worden meegenomen in de risico-inventarisatie en vinden hun weerslag in de weerstandsratio. Voor 2021 komt dit kengetal uit op 42% ten opzichte van 40% in 2020. Uitleenquote: Dit kengetal geeft aan welk deel van het financiële beslag wordt ingezet voor het verstrekken van leningen aan derden.
58
Solvabiliteit: De solvabiliteit, de verhouding eigen vermogen en totaal vreemd vermogen, geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. De solvabiliteit is iets gedaald (naar 24,3%), maar nog steeds hoger dan de streefwaarde van 20%. Dit komt omdat de passiva iets is toegenomen en het eigen vermogen in verhouding iets is gedaald. Hierbij is nog geen rekeng gehouden met de bestemming van het resultaat. Omdat voorgesteld wordt om een deel van het rekeningresultaat aan de algemene reserve toe te voegen, zal deze waarde verbeteren (27%). Structurele exploitatieruimte: De structurele exploitatieruimte is het structurele exploitatieresultaat uitgedrukt in de totale baten voor de mutatie op reserves. Onbenutte belastingcapaciteit OZB: Dit kengetal geeft aan hoeveel een gemeente zijn inkomsten kan verhogen bij een slechtweerscenario. Een positieve uitkomst geeft aan dat een gemeente ruimte heeft om OZBtarieven te verhogen. Netto investeringsquote: De netto investeringsquote is geschikt om te beoordelen of een gemeente voldoende investeert voor het behoud van een aanvaardbaar voorzieningenniveau. Gemeenten kunnen op de investeringen bezuinigen om de schuldquote door exploitatietekorten niet te laten oplopen.
59
Schuld/primair surplus: Dit verhoudingsgetal geeft aan hoeveel jaar het duurt om de schulden volledig terug te betalen uit de vrije kasstroom (primair surplus). DSCR (Debt Service Coverage Ratio): De Debt Service Coverage Ratio (DSCR) is een kengetal dat wordt gebruikt om een beeld te krijgen van de betalingscapaciteit van een onderneming in verhouding tot de financiële verplichtingen, ook wel Debt Service genoemd. Kort gezegd is de DSCR de betalingscapaciteit gedeeld door de financiële verplichtingen. De betalingscapaciteit wordt gevormd door de vrije geldstroom binnen een onderneming, in dit geval het primair surplus. De financiële verplichtingen betreffen het totale saldo van rente en aflossingen.
Kengetallen
Rekening
Begroting
2017
2018
2019
2020
2021
2021
Balans kengetallen 1. Netto schuldquote 2a. Netto schuldquote gecorr. voor verstrekte leningen 2b. Effectieve netto schuldquote 3. Grondvoorrraadquote 4. Uitleenquote 5. Solvabiliteit
250% 229% 123% 106% 22% 23%
131% 121% 78% 43% 9% 23%
146% 136% 97% 38% 10% 27%
147% 139% 99% 40% 9% 25%
140% 131% 89% 42% 9% 24%
146% 137% 110% 27% 10% 27%
Exploitatie kengetal 6. Structurele exploitatieruimte
0,0%
0,0%
0,0%
0,0%
0,0%
0,4%
Belasting kengetal 7. Gemeentelijke belastingcapaciteit 8. Onbenutte belastingcapaciteit (% v/d inkomsten)
104% 5,2%
104% 6,4%
105% 5,8%
101% 5,4%
103% 4,9%
106% 5%
16 0,7
19 0,7
7 1,8
42% 14 0,6
16% 11 0,5
17% 62 0,1
Kasstroom kengetallen 9. Investeringsquote 10. Schuld / Primair surplus 11. DSCR (Debt Service Coverage Ratio)
Paragraaf 3 Onderhoud kapitaalgoederen
3.1 Inleiding Het onderhoud van de kapitaalgoederen legt een aanzienlijk beslag op de financiële middelen van de gemeente. Kapitaalgoederen zijn verdeeld naar de categorieën wegen, water en gebouwen. In deze paragraaf wordt ingegaan op het beleidskader, de beheerplannen en de financiële consequenties. In de beheerplannen legt de gemeenteraad de kaders vast voor de uitvoering van het onderhoud aan de kapitaalgoederen. Het niveau van het onderhoud en de kwaliteit van de kapitaalgoederen zijn bepalend voor het voorzieningenniveau en de jaarlijkse lasten. Met de vaststelling van de programmabegroting machtigt de raad het college om de uitgaven ten laste van de betreffende onderhoudsvoorzieningen te doen. De voorzieningen worden gevuld door jaarlijkse bijdragen en stortingen vanuit de verschillende programma's. Bedragen genoemd in deze paragraaf zijn in
60
duizenden euro’s (x € 1.000).
3.2 Wegen De gemeente heeft op dit moment circa 4,2 miljoen m2 aan wegen, fiets- en voetpaden (verhardingen) in beheer en eigendom. De gemeente is, als wegbeheerder, verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud. Jaarlijks wordt daarom de kwaliteitsontwikkeling gemeten en onderhoud uitgevoerd. Beleidskader In 2016 heeft de raad de beleidsvisie Beheer en onderhoud wegen 2017-2026 vastgesteld. De beleidsvisie is erop gericht het verhardingsareaal op kwaliteitsniveau ‘Basis’ te brengen en te houden. Dit kwaliteitsniveau heeft de cijferrange 5,5 t/m 7,4. Om dit te bereiken is aanvullend structureel en incidenteel budget beschikbaar gesteld. Voor het structurele budget gebeurt dit vanaf 2017 tot en met 2023 via een groeimodel. Incidenteel was in de periode 2017-2020 jaarlijks € 1,5 miljoen beschikbaar gesteld voor het inlopen van de onderhoudsachterstand. Ontwikkeling kwaliteitsniveau Om de kwaliteitsontwikkeling te monitoren wordt de kwaliteit van alle gemeentelijke wegen en andere verhardingen periodiek vastgesteld. Dit gebeurt middels een gestandaardiseerde methodiek die gebaseerd is op de landelijk geldende richtlijn voor het inspecteren van verhardingen. Externe inspecteurs die hiervoor zijn opgeleid en gecertificeerd worden ingezet om de kwaliteitsmeting te doen.
Bij de laatste meting (voorjaar 2021) is het gemiddelde kwaliteitsniveau vastgesteld op een 5,0 voor de elementen (klinkers, tegels) en een 4,3 voor het asfalt. Dit is lager dan de 5,5 die nodig is om te voldoen aan het vastgestelde ambitieniveau ‘Basis’. Om die reden is nogmaals voor 4 jaar een aanvullend budget beschikbaar gesteld. Daarnaast is het nodig om voor verouderde wegen vervangingsbudgetten in de begroting op te nemen. In 2022 wordt hiervoor een voorstel gedaan.
Waarborgen veiligheid en voorkomen kapitaalvernietiging Dat de kwaliteit lager is dan het ambitieniveau wil niet zeggen dat de veiligheid in het geding is. Waar nodig worden reparaties uitgevoerd om de veiligheid te waarborgen. Bovendien wordt kapitaalvernietiging voorkomen door op betreffende locaties tijdig de juiste maatregelen te treffen. Beheer- en uitvoeringsplan en integrale afstemming Het beheer- en uitvoeringsplan wordt jaarlijks geactualiseerd. Het plan bestaat uit een aantal onderdelen. De belangrijkste onderdelen zijn de terugblik op het onderhoud dat in het voorgaande jaar is uitgevoerd, het geplande onderhoud en een doorkijk naar het onderhoud in de jaren daarna. Voor deze onderdelen worden ook de financiën behandeld. Het beheer- en uitvoeringsplan wordt jaarlijks vastgesteld door het college en ter kennisname aangeboden aan de raad. Voorafgaand aan het vaststellen van de onderhoudsplanning wordt deze besproken met de andere vakafdelingen en beheerdisciplines. Dit is nodig om planningen op elkaar af te stemmen en werkzaamheden waar mogelijk, te combineren. Momenteel wordt gewerkt aan een ‘Integrale Meerjarenplanning’, afgekort IMP. De IMP geeft een totaalbeeld van de geplande projecten en werkzaamheden in de openbare ruimte. Hierdoor is een nog betere en eerdere afstemming mogelijk.
Uitvoering onderhoud Het geplande onderhoud is uitgevoerd binnen de twee meerjarige onderhoudscontracten (afzonderlijke contracten voor asfalt- en elementenonderhoud). Voor een aantal locaties bleek uitvoering in 2021 niet haalbaar. Deze locaties worden in 2022 alsnog uitgevoerd. Financiën In verband met de bezuinigingsopgave is vanaf 2021 het structurele onderhoudsbudget met € 3 ton verlaagd. Daarentegen is viermaal (2021-2024) € 1,18 miljoen beschikbaar gesteld voor het wegwerken van de resterende onderhoudsachterstand. Bovendien is er tweemaal (in 2021 en 2022) een bedrag beschikbaar van € 7,6 ton voor de aanleg van nieuwe- en vervanging van verouderde onveilige bermverhardingen. In het beheer- en uitvoeringsplan is de verantwoording van de bestedingen in 2021 opgenomen. En een overzicht met daarin de beschikbare budgetten in 2022 en de geplande besteding daarvan.
Voorziening groot onderhoud wegen
61
Voorziening Groot onderhoud wegen Voorziening Groot onderhoud wegen
Saldo 1-1-2021 3.453
Stortingen 4.096
bedragen x € 1.000 Saldo 31-12-2021 - 4.049 3.500
Vrijval
Stortingen groot onderhoud wegen bedragen x € 1.000 Specificatie storting groot onderhoud wegen
Bedrag
- dotatie vanuit primaire begroting
1.732
- BT inlopen achterstand groot onderhoud wegen
1.180
- BT intesivering groot onderhoud wegen inclusief areaal uitbreiding
359
- BT bermverharding
760
- Bijdragen derden
65
Totaal
4.096
Onttrekkingen groot onderhoud wegen bedragen x € 1.000 Specificatie onttrekking groot onderhoud wegen
Bedrag
Wencopperweg
344
Essenerweg
368
Dijkerweg
278
Elementenonderhoud
278
Schoonhorsterweg
263
Leemweg
244
Onderhoud Klettersteeg
244
Meentweg
224
Ouwendorperweg
167
Wolweg
156
Krollerweg
142
Voorbereiding verhardings- en bodemonderzo
136
Diepenrustweg
135
Espeterweg
133
Onderhoud Noorderheideweg
112
Meervelderweg
112
Hulstweg
88
Hulakkerweg
87
Onderhoud Thorbeckelaan
82
Kruisweg
81
Onderhoud diverse locaties
375
Totaal
4.049
3.3 Water Beleidskader Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) geeft invulling aan de verplichting vanuit de Wet Milieubeheer om de water- en riooltaken en de bekostiging hiervan vast te leggen. Het GRP 20212026 is op 26 mei 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. De kern van het GRP is de invulling van de gemeentelijke zorgplichten voor stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. Daarnaast is er extra aandacht voor oppervlaktewater, klimaatadaptatie, duurzaamheid en samenwerking. Dit nieuwe GRP past in de structuur van de Omgevingswet. Jaarlijks wordt aan de raad het uitvoeringsplan voor het komende jaar en een overzicht van de uitgevoerde activiteiten en maatregelen gepresenteerd. Platform Water Vallei & Eem (PWVE). Het Platform Water Vallei & Eem is een netwerkorganisatie die succesvol samenwerkt door actief kennis en kunde te delen. De komende jaren staan we als regio Vallei en Eem voor grote uitdagingen zoals meer en hevige neerslag en langere periodes van droogte. Samenwerken is noodzakelijk om deze uitdagingen aan te kunnen. Door kennis en ervaringen te delen dragen we bij aan een klimaatrobuuste, duurzame en prettige leefomgeving. Het platform richt zich de komende jaren op de inhoudelijke opgaven rond de waterketen, waaronder de uitdagingen uit het (nieuwe) Bestuursakkoord Water en de afspraken uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie.
62
Financiële consequenties De genoemde inkomsten en uitgaven komen nagenoeg overeen met hetgeen genoemd is in het GRP 2021-2026. De meerjarenbegroting in het GRP geeft een prognose tot het jaar 2100 waarbij er voor wordt gezorgd dat de voorziening voldoende op peil is om de benodigde maatregelen uit te kunnen voeren.
Egalisatievoorziening riolering GRP Egalisatievoorziening riolering GRP
Saldo 1-1-2021 2.202
Stortingen 382
bedragen x € 1.000 Saldo 31-12-2021 2.584
Vrijval
bedragen x € 1.000 Specificatie onttrekking/storting voorziening riolering
Begroting 2021
Rekening 2021
Lasten Exploitatiekosten Extracomptabele toerekening kosten
4.183 694
4.166 616
Totaal lasten
4.877
4.782
Baten Inkomsten rioolheffing Overige baten
4.939 58
5.076 88
Totaal baten
4.997
5.164
Verschil lasten-baten
- 120
- 382
Mutatie egalisatievoorziening VGRP
- 120
- 382
3.4 Gebouwen 3.4 Gebouwen Beleidskader De uitgangspunten voor de uitvoering van het planmatig onderhoud aan de gemeentelijke gebouwen zijn opgenomen in de rapportage planmatig onderhoud 2021-2040, jaarschijf 2021. Hierin wordt inzichtelijk gemaakt welke structurele onderhoudswerkzaamheden noodzakelijk zijn, gekoppeld aan de toekomstvisie voor het gebruik en het beheer van de gebouwen. Daarnaast zijn mutaties op het gebouwenbestand en de meest omvangrijke werkzaamheden toegelicht. Het efficiënt uitbesteden van planmatige onderhoudswerkzaamheden, is een doorlopend aandachtspunt. Door maatschappelijke en economische ontwikkelingen wordt er steeds meer gekeken naar de mogelijkheden van duurzame oplossingen binnen het vastgoed. Niet alleen bij nieuwbouw, maar juist bij bestaande bouw worden er strengere eisen gesteld. Ook wil de gemeente hier een voorbeeldfunctie in vervullen. Het opstellen van een duurzaam meerjarenonderhoudsplan (DMJOP) is een goed moment voor het beoordelen van de verduurzaming van het gemeentelijk maatschappelijk vastgoed. In plaats van het huidig MJOP uit te voeren, wordt een duurzame afweging en een aanpak per gebouwelement of installatie gemaakt. Hierbij wordt de impact op de exploitatiekosten, het milieu en de investering beoordeeld om te komen tot een DMJOP.
Momenteel wordt inzichtelijk gemaakt welke investeringen de komende jaren benodigd zijn om het gemeentelijk ambitieniveau, ten aanzien van duurzaamheid en energiereducering, tot uitvoering te brengen. In 2019 en 2020 zijn voor diverse gebouwen deze investeringen berekend voor de komende jaren. In 2022 zullen geen investeringen worden gedaan die leiden tot een jaarlijkse kostenverhoging. Projecten waarvan de kapitaallasten hoger zijn dan de besparingen, maar wel benodigd zijn voor CO2-reductie, worden nader uitgewerkt en mogelijk ingediend bij de Kadernota 2023, waarna besluitvorming door de raad plaatsvindt. Beheer en onderhoudsplan De gemeente Barneveld heeft ongeveer 85 gemeentelijke gebouwen waarop planmatig onderhoud plaatsvindt. Dit varieert van huisvesting van gemeentelijke diensten, kleedruimten op sportcomplexen, opstallen bij begraafplaatsen, monumentale kerktorens, parkeergarage Transferium Noord, brandweergarages, waaronder het hulpverleningscentrum tot overige eigendommen, zoals woningen. In 2019 zijn de objecten geïnspecteerd op de onderhoudsconditie volgens de NEN 2767. Tevens is het meerjarenonderhoudsplan (MJOP) geactualiseerd. Op hoofdlijnen zijn er geen noemenswaardige kostenverhogende gebreken bij de objecten geconstateerd. De huidige gemiddelde staat van onderhoud van de objecten is ten minste conditiescore 3; wat wil zeggen
63
sober, maar doelmatig. Voor de eerste 10 jaar lopen we met de bestaande gebouwen en het voorziene meerjarenonderhoud qua kosten in de pas en is het vaste jaarlijkse dotatiebedrag dat wordt gestort, toereikend. Voor de middellange termijn lijken we niet geheel uit te komen. Dit monitoren we jaarlijks zodat we tijdig kunnen bijstellen waar nodig. Voor de 2e helft van 2022 is de driejaarlijkse inspectie van de objecten op de onderhoudsconditie volgens de NEN 2767 en de actualisatie van het MJOP gepland. Als gevolg van wijzigingen in aantal en aard gebouwen, bij bijvoorbeeld nieuwbouw of sloop of afstoten, verschuift ook de opgave van het MJOP. Dit kan een positieve of negatieve invloed hebben op de onderhoudsvoorziening als gevolg van over- of onderuitputting. Ook dit wordt jaarlijks gemonitord. Sinds 1 januari 2015 zijn de binnensportaccommodaties, zwembaden en de Veluwehal in exploitatie aan de exploitant Optisport overgedragen. Op basis van een overeengekomen demarcatielijst worden deze accommodaties planmatig door de gemeente Barneveld onderhouden. Tevens worden tweejaarlijkse inspecties uitgevoerd om te controleren of de exploitant Optisport haar onderhoudsverplichtingen volgens de demarcatie nakomt. Deze tweejaarlijkse inspectie staat voor 2022 wederom gepland.
Financiële consequenties De totale onttrekking aan de voorziening onderhoud gemeentelijke gebouwen is lager dan begroot. In 2021 werd voor de onttrekking € 1.487.000 geraamd. De werkelijke onttrekking is uitgekomen op € 590.000. Het positieve verschil van € 897.000 (d.w.z. minder uitgegeven en onttrokken uit de onderhoudsvoorziening) is onder meer veroorzaakt door: beleidsmatige beslissingen, waardoor werkzaamheden niet uitgevoerd zijn of uitgesteld zijn; doorschuiven van planmatig onderhoud op grond van inspecties en/of rapportages; de ureninzet ten aanzien van de coronacrisis die tevens heeft geleid tot een verminderde inspanning voor de uitvoering van het planmatig onderhoud waardoor minder urgente werkzaamheden zijn doorgeschoven naar 2022; het feit dat werkzaamheden in het kader planmatig onderhoud qua inkoopbeleid vallen onder leveringen en diensten, als gevolg waarvan meer ureninzet ten behoeve van aanbestedingen noodzakelijk was; dit heeft geleid tot minder prioriteit aan cyclivervangingen, deze zijn doorgeschoven naar 2022.
Ook heeft in 2021 ziekteverlof binnen het team Vastgoed / BOF geleid tot een verminderde inspanning om planmatig onderhoudswerkzaamheden in de markt te kunnen zetten; Het feit dat ondanks een gedegen marktconsultatie, waarbij meerdere partijen hebben gereageerd op de vraag of zij bereid zijn mee te doen aan een aanbesteding, kwam naar voren dat het merendeel de orderportefeuille vol heeft, of de opdrachtwaarde niet interessant genoeg vindt. Overigens is de technische conditie altijd bepalend of werkzaamheden worden uitgevoerd. Het merendeel van de gebouwen heeft een technische staat (conditie) van 2-3. Conditie 1 is nieuwbouwkwaliteit en conditie 6 is sloop. Op basis van de meerjarenbegroting in het onderhoudsplan gebouwen 2021-2040 is de voorziening voldoende op peil om de benodigde maatregelen uit te kunnen voeren. Daarmee is het bestaan van de voorziening gerechtvaardigd, het beeld is, dat vanaf 2022 de onttrekkingen gaan oplopen.
Voorziening Onderhoud gemeentelijke gebouwen Voorziening Onderhoud gem. gebouwen
Saldo 1-1-2021 3.271
Stortingen 1.438
bedragen x € 1.000 Saldo 31-12-2021 - 590 4.119
Vrijval
bedragen x € 1.000 Specificatie onttrekking voorziening gemeentelijke gebouwen - Begraafplaatsen - Binnensportaccomodaties - Brandweerkazernes - Buurthuizen - Gemeentehuis - Gemeentewerf en steunpunten - Hulpverleningscentrum - Kerktorens - Milieustraat - Overige Gebouwen - Sportcomplexen - Transferium - Woningen Totaal
Bedrag 3 341 7 10 51 11 35 21 1 18 50 36 6 590
64
Paragraaf 4 Financiering
4.1 Inleiding Onder financiering wordt het aantrekken van geldleningen verstaan. Om te kunnen investeren of om de exploitatie te kunnen dekken, wordt vreemd geld aangetrokken. Als de inkomsten van de gemeente (vanuit de algemene uitkering en de belastingen) niet gelijk lopen met de uitgaven, wordt bijvoorbeeld zogenaamd kort vreemd geld in de vorm van een kasgeldlening aangetrokken. Dit zijn geldleningen met een looptijd korter dan een jaar. In de meeste gevallen wordt een kasgeldlening met een looptijd van één of enkele maanden aangetrokken. Conform het treasurystatuut worden in deze paragraaf de kansen en risico’s rond financiering in beeld gebracht. Om de financieringsbehoefte zo goed mogelijk in te schatten, wordt een liquiditeitsprognose gemaakt die meerdere keren per jaar wordt geactualiseerd.
4.2 Beleid Algemeen Een algemeen uitgangspunt voor de treasury is om het renterisico te beheersen en de rentekosten zo laag mogelijk te houden. Uiteraard passend binnen de kaders zoals opgenomen in het 'Treasurystatuut 2018', die weer gebaseerd zijn op onder andere de Wet Fido. Bij het aantrekken of uitzetten van geld is het van belang dat slechts beperkt risico wordt genomen bij het oversluiten (consolideren) van kasgeldleningen. Daarom worden vaste geldleningen voor (grote) investeringen aangetrokken op momenten dat de rente gunstig is en wordt het tijdelijk overschot aan liquide middelen zo beperkt mogelijk gehouden. De treasuryklankbordgroep overlegt periodiek en geeft mandaat voor het aantrekken van geldleningen. Voor het liquiditeitsbeheer zijn afspraken met de bank gemaakt voor het dagelijkse afromen van overbodige saldi op de rekeningen-courant bij de bank. Aangezien de financiering van de gemeenten in zijn totaliteit wordt beheerd, werken wij met één product 'treasury' waarin de kosten en opbrengsten begroot worden. Op basis van de totale leningenportefeuille wordt vervolgens gerekend met een gemiddeld rentepercentage. Het BBV schrijft voor om deze rentekosten aan de taakvelden toe te rekenen.
4.3 Financiële aspecten Renteontwikkeling In de grafiek van de renteontwikkeling van de geldleningen over 2009 t/m 2021 is te zien dat de rente vanaf 2010 verder daalt. In de grafiek die de renteontwikkeling van 2021 laat zien, is duidelijk zichtbaar dat het korte geld op een stabiel laag niveau beschikbaar was en zelfs iets onder de nul schiet. Voor het hele korte geld bedroeg de rentevergoeding 0% (of lager). In 2018 zijn veel inkomsten gegenereerd door gerealiseerde verkopen van gronden en ontvangen subsidies. Vanwege zekere, substantiële (eind)aflossingen in 2019 ter grootte van zo'n € 29 miljoen is in 2018 reeds geanticipeerd door kortlopende leningen te consolideren. Treasuryresultaat Op het beleidsproduct Treasury vindt u de financiële resultaten van onze rente. Zowel de rentekosten als de opbrengsten worden daar verantwoord. Aan de kostenkant worden de rentekosten over onze opgenomen (geld)leningen hier verantwoord. De renteopbrengsten worden gevormd door de ontvangen rente op uitstaande leningen en de rente die we ten laste brengen van de grondexploitaties. Daarnaast wordt binnen het beleidsproduct Treasury ontvangen dividend verantwoord. Het gemiddeld gewogen rentepercentage van de langlopende leningen bedroeg over het jaar 2021 zo'n 2,24%.
In onderstaande grafiek is de ontwikkeling van het gemiddelde gewogen rentepercentage van de opgenomen langlopende leningen weergegeven.
Rente ontwikkeling leningportefeuille
65
Renteontwikkeling meerjarig
Renteontwikkeling lopend jaar
Overzicht schatkistbankieren Sinds enkele jaren is de wet verplicht schatkistbankieren van kracht geworden. Vanaf dat moment zijn alle decentrale overheden verplicht om hun overtollige middelen in de schatkist aan te houden. Het woord ‘overtollig’ verwijst naar alle middelen die decentrale overheden niet onmiddellijk nodig hebben voor het uitvoeren van de publieke taak. Alle deelnemers aan het schatkistbankieren hebben een privaatrechtelijke rekening-courantovereenkomst met de Staat der Nederlanden. De rekening-courant bij de schatkist is gekoppeld aan de BNG-bankrekening van de gemeente Barneveld. Via die bankrekening worden middelen naar de schatkist geboekt en weer teruggehaald. In Barneveld is er slechts een sporadisch overschot op de bankrekening omdat wij veel lenen. Er is daarom hoogst zelden sprake van schatkistbankieren. Door de invoering van het schatkistbankieren dienen gemeenten in de toelichting op de balans te rapporteren over het drempelbedrag (maximum bedrag wat de gemeente aan liquiditeiten in eigen beheer mag aanhouden) en per kwartaal het bedrag aan liquiditeiten die buiten de schatkist zijn aangehouden. Het drempelbedrag is per 1 juli 2021 verhoogd van 0,75% naar 2% van het begrotingstotaal. Zoals in de tabel af te lezen is, blijven de aangehouden liquide middelen buiten de schatkist per kwartaal gemiddeld onder het drempelbedrag.
Hiermee geeft de gemeente uitvoering aan de wet betreffende het schatkistbankieren. bedragen x € 1.000
66
1e 2e 3e 4e kwartaalkwartaalkwartaalkwartaal
Schatkistbankieren Kwartaalcijfer op dagbasis buiten 's Rijks schatkist aangehouden middelen (1a) Som van de per dag buiten 's Rijks schatkist aangehouden middelen (negatieve bedragen tellen als nihil) (1b) Dagen in het kwartaal (1) = (1a) / (1b) Kwartaalcijfer op dagbasis buiten 's Rijks schatkist aangehouden middelen Drempelbedrag (2a) (2b) (2c)
Begrotingstotaal verslagjaar Het deel van het begrotingstotaal dat kleiner of gelijk is aan € 500 miljoen Het deel van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te boven gaat
(2) = (2b)*0,75% + (2c)*0,2% met een minimum van Drempelbedrag €250.000 (3a) = (2) > (1) (3b) = (1) > (2)
Ruimte onder het drempelbedrag Overschrijding van het drempelbedrag
51.139
53.323
29.619
55.882
91
91
92
92
562
586
322
607
157.931 157.931 157.931 157.931 157.931 157.931 157.931 157.931 -
-
-
-
1.184
1.184
3.159
3.159
622
598
2.837
2.552
Ontwikkeling financieringsbehoefte
In de begroting 2021 is rekening gehouden met een fluctuerende financieringsbehoefte van per saldo zo'n € 15 miljoen extra. Vanwege de lage rente op kort geld en de verwachte inkomende kasstromen vanuit grondexploitaties zou de financieringsbehoefte voor een belangrijk deel met kortlopende leningen worden ingevuld. De realisatie in 2021 bestaat uit gedeeltelijke herfinanciering van reguliere aflossingen gedurende het jaar. Aan reguliere, jaarlijkse aflossingen is er in het jaar 2021 € 36,4 miljoen afgelost. De nieuw aangetrokken langlopende geldleningen hebben een omvang van € 38 miljoen. Vanaf 2015 is de decentrale overheid verplicht om overtollige middelen te stallen in de schatkist van het Rijk (het zogenaamde 'schatkistbankieren'). In beginsel moeten alle overtollige middelen in de schatkist worden aangehouden, tenzij deze middelen onder het drempelbedrag blijven. Over het algemeen heeft Barneveld een financieringsbehoefte en is er geen sprake van een structureel financieringsoverschot. Sporadisch is er sprake van een tijdelijk financierings- c.q. liquiditeitsoverschot.
Financieringsbehoefte bedragen x € 1.000 Financieringsbehoefte Stand van de opgenomen leningen per 1 jan. Aflossingen in de loop van het jaar Aangetrokken nieuwe leningen Stand van de opgenomen leningen per 31 dec.
Rekening 2021 205.336 - 36.354 38.000 206.982
4.4 Risicobeheer In de Wet Fido zijn kaders opgenomen ter beperking van het renterisico op de netto vlottende schuld (kasgeldlimiet) en het renterisico op de vaste schuld (renterisiconorm). Renterisico’s kunnen ook met behulp van derivaten afgedekt worden, de gemeente Barneveld maakt hier geen gebruik van. Daarnaast kan nog sprake zijn van een kredietrisico van aan derden verstrekte leningen. Renterisiconorm Op grond van de Wet Fido is voor gemeenten de zogenaamde renterisiconorm ingesteld. Doel hiervan is, dat gemeenten hun leningenportefeuille zodanig spreiden, dat de renterisico’s gelijkmatig over de jaren worden gespreid ingeval van herfinanciering en renteherziening van geldleningen. De renterisiconorm geeft een aanwijzing voor de gevoeligheid van de gemeente voor veranderingen in de rente. De renterisiconorm wordt afgezet tegen de jaarlijks verplichte aflossingen en de renteherzieningen. De renterisiconorm bedroeg in 2021 € 29,6 miljoen en moet afgezet worden tegen onze aflossingen van € 36,4 miljoen. Dit betekent dat onze gemeente in 2021 meer heeft afgelost dan de norm zou toestaan. In het bedrag van de aflossing 2021 is ten onrechte ook de aflossing van een kasgeldlening ad € 5 miljoen opgenomen. Dit verandert de conclusie overigens niet.
67
Kasgeldlimiet Om het risico van kortlopende financiering te beperken is in de Wet Fido de kasgeldlimiet vastgesteld. De kasgeldlimiet is een vastgesteld percentage berekend over de lastenkant van de begroting. Zodra de kortlopende financiering (rekening-courant en kasgeldleningen) boven dit bedrag uitkomt dient de gemeente over te gaan tot consolidatie. De kortlopende schuld kan dan omgezet worden in een langlopende geldlening (zodat de rente komt ‘vast te staan’). De kortlopende schuld is jaareinde € 19,1 miljoen en is dus per 31 december boven de kasgeldlimiet van € 12,6 miljoen. In verband met de onzekerheid vanuit verwachte opbrengsten grondexploitatie en de planning van de investeringen is ter voorkoming van overliquiditeit eind 2021 meer kort geld aangetrokken in plaats van langlopende geldleningen. Per 1 maart 2022 werken we binnen de kasgeldlimiet. Medio 2022 zullen in overleg met de treasuryklankbordgroep de financieringsscenario's op basis van de dan beschikbare informatie opnieuw worden besproken. Onderstaand is de berekening weergegeven van de renterisiconorm en de kasgeldlimiet.
Renterisiconorm bedragen x € 1.000 Jaar Jaar 2021 2020
Renterisico Renterisico op vaste schulden Renteherziening o/g Renteherziening u/g Netto saldo herziening Aflossingen Renterisico vaste schulden
36.354 36.354
29.100 29.100
Toegestane renterisiconorm Omvang begroting (=grondslag) Renterisiconorm (in % van de grondslag) Minimumbedrag (wettelijk bepaald) Toegestane renterisiconorm
147.846 20% 2.500 29.569
131.386 20% 2.500 26.277
Toets renterisiconorm Onderschrijding Overschrijding
- 6.785
- 2.823
Tabel Kasgeldlimiet Rekening 2021
bedragen x € 1.000 Rekening 2020
7.104 12.000 19.104
1.920 11.000 12.920
-
-0 -0
Netto vlottende schuld
19.104
12.920
Toegestane kasgeldlimiet Omvang begroting (=grondslag) Kasgeldlimiet (in % van de grondslag) Toegestane kasgeldlimiet
147.846 8,5% 12.567
131.386 8,5% 11.168
Toets kasgeldlimiet Onderschrijding Overschrijding
- 6.538
- 1.752
Kasgeldlimiet Netto vlottende schuld Omvang vlottende schulden - Bankschulden - Kasgeldleningen (looptijd < 1 jaar) Omvang vlottende schulden Omvang vlottende middelen - Liquide middelen - Overige uitstaande gelden (looptijd < 1 jaar) Omvang vlottende middelen
Verstrekte leningen bedragen x € 1.000 Verstrekte leningen Stand van de verstrekte leningen per 1 jan. Nieuw verstrekte leningen Aflossingen in de loop van het jaar Stand van de verstrekte leningen per 31 dec.
Rekening 2021 13.788 7.527 - 6.521 14.794
68
4.5 Garantieverplichtingen De gemeente verstrekt geen garanties, tenzij de gemeenteraad besluit om hiervan af te wijken. Dit kan zij doen om een publiek doel te dienen, waarbij aan randvoorwaarden wordt voldaan. De mogelijkheden om deze garanties af te geven, bepaald in wet Fido en het treasurystatuut, zijn beperkt. In 2010 is in de nota ‘Garantstellingen’ uitgewerkt welke beleidsregels hierbij gehanteerd worden. Ontwikkeling garantstellingen Begin 2021 stond de gemeente Barneveld garant voor een bedrag van € 76 miljoen. Dit bedrag is gedurende het jaar gelijk gebleven op € 76 miljoen. Er zijn wel meerdere mutaties in de garantstellingen zoals reguliere aflossing op leningen en daarmee verlaging van borgstellingen en nieuwe borgstellingen voor Stichting Mooiland, Kortbalvereniging Spirit en de Stichting tennishal Barneveld. Waarborgfonds Sociale Woningbouw De achtervangpositie van de gemeente in het Waarborgfonds Sociale Woningbouw vormt, samen met het aandeel van het Rijk, de derde zekerheid in de achtervangstructuur. De zekerstellingen zijn namelijk als volgt georganiseerd: de eerste zekerheid zijn de financiële middelen van de woningbouwcorporatie zelf. De tweede zekerheid bestaat uit de borgstellingreserve van het waarborgfonds. En als derde en laatste staan dus de overheden garant.
Verloop garantstellingen
Garantstellingen 2015 2016 2017 2018 2019 2020
Aantal gegarandeerde leningen
Totaal bedrag van de leningen
11 11 11 10 10 7
€ 161 mln € 151 mln € 144 mln € 141 mln € 150 mln € 133 mln
Waarvan gegarandeerd door de gemeente € 79 mln € 74 mln € 72 mln € 70 mln € 81 mln € 76 mln
Paragraaf 5 Grondbeleid
5.1 Inleiding In de huidige Nota Grondbeleid zijn de kaders gesteld waarbinnen de gemeente werkt. Actief en behoedzaam zijn daarin de kernbegrippen. Dat betekent dat de gemeente enerzijds zelf ontwikkelt maar ook ruimte biedt aan zelfrealisatie door derden en deze faciliteert. Om sturing te kunnen geven aan de gewenste invulling van projecten en waar mogelijk te kunnen delen in de winsten van ontwikkelingen, blijven eigen grondposities voor de gemeente van belang. De baten en lasten van de gemeentelijke grondexploitaties, worden verantwoord onder programma 2 en 3 (respectievelijk Bedrijvigheid en Bereikbaarheid en Woon- en leefomgeving). Een nadere toelichting is opgenomen in de actuele Meerjarenprognose grondexploitaties (MPG 31 december 2021). Een grondexploitatie wijkt qua systematiek duidelijk af van de overige producten in het ‘gemeentelijke huishoudboekje’. Toekomstige lasten en baten op het project worden meegenomen in een saldo op eindwaarde. De baten en lasten worden geactiveerd en in de balans opgenomen onder ‘voorraden’. De afgelopen jaren zijn diverse projecten waar de gemeente zelf gronden in eigendom heeft, verder ontwikkeld en in uitvoering genomen. Woningbouwlocatie Bloemendal neemt hierbij een prominente plaats in. Het jaar 2021 stond voor een belangrijk deel – net als 2020 – in het teken van de wereldwijde coronapandemie.
Dit heeft, tot op zekere hoogte, ook gevolgen gehad voor de gemeentelijke grondexploitaties. Het belangrijkste aanwijsbare effect is geweest dat landelijk de afname van bedrijfskavels is gestagneerd, hoewel dit in 2021 is gestabiliseerd. De prijzen zijn vervolgens, mede door het beperkte aanbod, flink gestegen. Ondertussen is 2022 al even onderweg. De coronapandemie lijkt (voor nu) achter ons te liggen Echter, de oorlog in Oekraïne zorgt voor een onrustig economisch vooruitzicht. De prijzen van bepaalde producten (zoals staal en brandstoffen) schieten omhoog en gaan mogelijk / waarschijnlijk hun weerslag hebben op gemeentelijke grondexploitaties. In het risicomanagement is hier rekening mee gehouden. Met name de stijging van energielasten in de productie en transportketen zorgen ervoor dat de kosten van materiaal gaan stijgen. Op termijn volgen mogelijk ook de loonkosten. De rente op de kapitaalmarkt stijgt en de hypotheekrente volgt[1]. In het eerste kwartaal van
69
2022 is de hypotheekrente flink gestegen. Gevolg hiervan is dat de betaalbaarheid van woningen (verder) onder druk komt te staan. Gecombineerd met stijgende kosten zijn de opbrengsten onzeker. Daartegenover staat dat de woningnood blijft. De woningbouwproductie op landelijk niveau blijft flink achter op de vraag en de schaarste wordt alleen maar groter. Ook de prijzen blijven vooralsnog stijgen[2]. Voor de grondexploitaties hanteren wij een indexatie van de grondopbrengsten van 2,0%. Het is de vraag of deze prijsstijging daadwerkelijk gehaald gaat worden op de (middel)lange termijn. De markt is grillig en lastig te voorspellen. Om het risico op lagere prijzen in de toekomst in te perken, is in het risicomanagement hier aandacht aan besteed. Verder is de wereld van de gebiedsontwikkeling nog altijd flink in beweging. Na de onzekerheid omtrent PFAS (met name de normen) en de nog steeds actuele problematiek omtrent het beperken van de stikstofuitstoot zijn er in het afgelopen jaar een aantal andere uitdagingen ontstaan. Het bouwen in de nabijheid van geitenhouderijen blijkt problematisch voor de volksgezondheid en het Didam-arrest zorgt voor een onzekerheid omtrent grondverkopen. Verder zal de Omgevingswet ook het nodige aan aanpassingen met zich mee brengen. Ondertussen wordt in Barneveld aan ruimtelijke projecten gewerkt.
In 2021 zijn drie projecten (vrijwel) afgerond: de werken en werkzaamheden hebben plaatsgevonden of zijn opgenomen als een nog te betalen verplichting en alle gronden zijn verkocht. Bij de jaarrekening 2021 wordt aan de raad voorgesteld om de volgende projecten af te sluiten: Veller II Herontwikkeling Iepenhof Herontwikkeling Putterweg Het project Kromme Akker Zuid – in het MPG bij de jaarrekening 2020 nog benoemd als een grondexploitatie – is ondertussen opgeknipt in een kostenverhaalproject en een interne levering van grond vanuit de MVA. Dit project is derhalve niet meer opgenomen in het MPG. Het actieve maar behoedzame grondbeleid van de afgelopen jaren heeft de gemeente mogelijkheden verschaft om actief sturing te geven op gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Echter brengt niet elk project een positief resultaat met zich mee. Een ontwikkeling kan om diverse redenen een negatief resultaat kennen, waaronder het behalen van andere, bijvoorbeeld maatschappelijke doelstellingen, het ondervinden van tegenvallers zoals de kosten voor een bodemsanering en dergelijke. Indien een project verlieslatend is dient hiervoor een verliesvoorziening getroffen te worden. De verliesvoorziening zal bij het afsluiten van een project met een negatief resultaat vrijvallen ter dekking van het tekort.