Bijlage 2 Rapport Raad voor de Leefomgeving- Samenwerken, kiezen voor toekomstbestendige bedrijventerreinen
Tekst van het document
gaat het om twee bedrijven: (1) een voedingsmiddelenbedrijf met een
paciteit (op het bestaande net), kostenbesparingen voor de bedrijven en
overschot aan warmte bij de koelcellen en (2) een aluminiumverwerkend
substantiële CO2-reductie (door uitbreiding van installaties voor zonne- of
bedrijf met een behoefte aan warmte. Het geschatte jaarlijkse bespa-
windenergie).
ringspotentieel bij het aluminiumverwerkende bedrijf is aanzienlijk: het gasverbruik gaat naar verwachting met 55% omlaag en er wordt aanzienlijk minder CO2 uitgestoten. Het besparingspotentieel bij het voedingsmiddelenbedrijf is nog niet berekend (Gear@SME, 2023).
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
73
De Wet collectieve warmte die op dit moment in voorbereiding is, gaat
op- en overslag (Rood & Evenhuis, 2023). De provincie Zuid-Holland (2022)
op termijn bedrijven verplichten hun restwarmte ‘om niet’ beschikbaar
voorziet dat bedrijventerreinen langs de randen van steden potenties
te stellen. In ruil voor de restwarmte krijgen de bedrijven wel de kosten
hebben voor inzamelen van gebruikte producten en afvalstromen. Op
vergoed die ze maken om de restwarmte ter beschikking te stellen, de
andere, watergebonden bedrijventerreinen ziet deze provincie mogelijk-
zogenaamde uitkoppelkosten. Denk hierbij aan de kosten voor het plaatsen,
heden voor nieuwe logistieke functies in de circulaire economie. Ook de
beheren en onderhouden van een warmtewisselaar (Senel et al., 2023).
gemeente Tilburg (Van Wijk, 2022) ziet bij herontwikkeling van bestaande bedrijventerreinen potentie voor circulaire bedrijfsactiviteit – niet alleen hergebruik van producten in de maakindustrie, maar ook ‘industriële
3.2 Ontwikkeling circulaire economie
symbiose’, waarbij bedrijven op een bedrijventerreinen gebruikmaken van
De transitie naar een circulaire economie bevindt zich op dit moment nog
elkaars reststromen.
in de kinderschoenen. De materiaalinzet in Nederland en de afhankelijkheid van grondstoffen uit het buitenland neemt vooralsnog maar beperkt af
In zijn algemeenheid is de inschatting dat de circulaire economie zal zorgen
(Hanemaaijer et al., 2023).
voor extra ruimtebehoefte op bedrijventerreinen, mate name voor op- en overslag. Rienstra (2022) heeft een schatting gemaakt van de ruimtebe-
Circulariteit vergt veranderingen in productiewijzen, in logistiek en in
hoefte voor circulaire activiteiten in Noord-Brabant en heeft de uitkomst
gebruik van materialen. Het gaat om veranderingen die voor een groot deel
vervolgens geëxtrapoleerd naar nationale schaal. Hij kwam uit op een
moeten plaatsvinden in de maakindustrie: bij bouwbedrijven, metaalver-
benodigd ruimteoppervlak van 870 hectare voor circulaire activiteiten op
werkende bedrijven en kunststofverwerkende bedrijven. Dit soort bedrijven
bedrijventerreinen in 2030. Dit is 16% van de totale ruimtebehoefte op
is vooral gevestigd op bedrijventerreinen. Zodoende hebben bedrijventer-
Nederlandse bedrijventerreinen (Rienstra, 2022). Uit de studie blijkt dat
reinen potentie om bij te dragen aan het circulair maken van de economie.
vooral terreinen die goed zijn ontsloten via weg en water en die ruimte
De omvang van die potentie is echter moeilijk in cijfers uit te drukken,
bieden voor bedrijvigheid in hogere milieucategorieën, de potentie hebben
omdat er nog grote onzekerheden zijn.
om een ruimtelijke schakel te vormen voor circulaire activiteiten.
Duidelijk is wel dat bedrijventerreinen belangrijke ruimtelijke schakels kunnen vormen voor het inzamelen, hergebruiken, reviseren of recyclen van producten en afvalstromen (De Kort & Gradussen, 2023b) en ook voor
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
74
3.3 Klimaatadaptatie
Hoewel het areaal van reguliere bedrijventerreinen relatief klein is (2,4% van
De noodzaak om op bedrijventerreinen hittestress en wateroverlast te
Nederland (De Kort & Gradussen, 2023b), kan het in bepaalde gebieden van
beperken, is evident. Een ruimtelijke inrichting met veel beton en asfalt
belang zijn dat bedrijventerreinen bijdragen aan het vasthouden van (regen)
maakt dat bedrijventerreinen op zomerse dagen snel ‘hitte-eilanden’ zijn
water. Vooral in gebieden die steeds vaker kampen met droogte, zoals de
(De Kort & Gradussen, 2023b). De klimaatverandering zal dit probleem de
hogere zandgronden in Noord-Brabant, Gelderland en Overijssel is het van
komende decennia verder vergoten. Zonder aanpassingen zal op bedrij-
belang om water vast te houden. Maatregelen op bedrijventerreinen, zoals
venterreinen het aantal zomerse dagen met een gemiddelde temperatuur
het loskoppelen van de hemelwaterafvoer van het riool, kunnen dan rele-
(tussen 12 en 18 uur) boven de 40 graden Celsius geen bijzonderheid meer
vant zijn. Het ‘weglopen’ van water in de grond (in plaats van in het riool) is
zijn (Arcadis et al., 2021). Ook de kans op wateroverlast wordt de komende
goed voor de grondwaterstand. De adviescommissie Droogte (2022) bere-
decennia groter. Wateroverlast bij hevige regenval zal op 80 tot 90% van het
kende dat het ontkoppelen van hemelwater in het gehele bebouwde gebied
areaal van de bedrijventerreinen een probleem gaan worden (Arcadis et al.,
van de provincie Noord-Brabant een substantiële bijdrage kan leveren aan
2021).
de grondwaterstand (tot 1 meter stijging). Deze maatregelen bleken echter alleen relevant als tegelijkertijd de ontwatering (zoals peilregeling voor
Door het aanbrengen van vergroening en vergroten van de mogelijkheden
landbouw) wordt verminderd.
voor waterberging is de kans op wateroverlast op bedrijventerreinen sterk te verminderen (Arcadis et al., 2021). Tegelijkertijd kan vergroening, met name het planten van bomen en struiken, de temperatuur op een bedrij-
3.4 Biodiversiteitsherstel
venterrein enkele graden verlagen, het aantal dagen met hittestress vermin-
Bedrijventerreinen bestaan over het algemeen vooral uit beton en steen.
deren en zo de leefomgevingskwaliteit voor werknemers en bezoekers
De natuur is er ver te zoeken. Volgens Naus (2020) beperkt de huidige
verbeteren (Arcadis et al., 2021). Er is daarnaast ook een maatschappelijk
hoeveelheid natuurgroen en water zich op bedrijventerreinen tot 1% van
belang om de waterbergingscapaciteit op bedrijventerreinen te vergroten.
de oppervlakte; De Kort & Gradussen (2023b) schatten dat het gaat om 5
Dit maatschappelijk belang betreft met name het beperken van de belasting
tot 15%. Door het oppervlak aan natuurgroen en water te vergroten en te
van het rioolstelsel en van de risico’s van wateroverlast in de openbare
komen tot een meer ecologische inrichting van bedrijventerreinen, kunnen
ruimte.
de leefgebieden voor dieren, insecten en planten verbeteren (Rli, 2022). Bedrijventerreinen kunnen dan ook dienen als doorgangsroute voor dieren, insecten en planten om zich te verspreiden over andere leefgebieden.
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
75
Zeker bedrijventerreinen die zich op kleine afstand bevinden van natuur-
De transitieopgaven zorgen voor extra druk op de beschikbare ruimte. Denk
gebieden (17% bevindt zich binnen één kilometer van een Natura 2000-
aan de ruimte die nodig is voor waterberging, energieopwekking, e-laadsta-
gebied) kunnen zo substantieel bijdragen aan het biodiversiteitsherstel in
tions, biodiversiteitsherstel en circulaire activiteiten.27 In dit licht is het van
Nederland.
groot belang dat bedrijventerreinen mogelijkheden bieden om efficiënter met de gebruikte ruimte om te gaan.
Vergroening van bedrijventerreinen zorgt ook voor een aantrekkelijk arbeidsklimaat. Een groene werkomgeving zorgt volgens onderzoek voor
De mogelijkheden om de ruimte op reguliere bedrijventerreinen beter te
15% meer productiviteit en 23% minder ziekteverzuim (provincie Zuid-
benutten verschillen sterk per bedrijventerrein en per regio. Met het beter
Holland, 2023). Het vergroenen van bedrijfsterreinen heeft ook in econo-
benutten van het bouwvlak en het aanpassen van de regels voor de maxi-
misch opzicht nut: het zorgt voor een waardestijging van het vastgoed
male bouwhoogte is een potentiële ruimtewinst te behalen van naar schat-
van 4 tot 8%. Gegeven de huidige totale vastgoedwaarde van reguliere
ting 5 tot 10%. Zelfs een ruimtewinst tot 20% is in theorie haalbaar, door bij
bedrijventerreinen van ongeveer € 210 miljard betekent dit een potentiële
herstructurering van terreinen bedrijven met dezelfde milieucategorie bij
vastgoedwaardestijging van € 8 tot € 17 miljard (Arcadis et al., 2021; De Kort
elkaar te plaatsen (De Kort & Gradussen, 2023b).
& Gradussen, 2023b). Naast het beter benutten van de beschikbare ruimte speelt ook beleid een rol. Bedrijventerreinen worden bedreigd door woningbouw – soms lijkt
3.5 Ruimtelijke efficiëntie en landschapskwaliteit
het alsof alles daarvoor moet wijken. Gemeenten en provincies hebben de
Ruimte wordt steeds schaarser in Nederland. Ook op bedrijventerreinen
instrumenten om strategisch gelegen terreinen te beschermen. Hiermee kan
neemt de behoefte aan extra ruimte jaarlijks toe. De huidige ruimtevraag
nabijheid gecreëerd worden die belangrijk is voor verduurzaming. Dit gaat
voor uitbreiding of nieuwe bedrijfsruimte omvat circa 7.000 hectare, oftewel
met name over de circulaire economie en mobiliteit.
10% van het totale areaal aan bedrijventerreinen.26 Ook op het punt van landschapskwaliteit is op reguliere bedrijventerreinen in potentie veel winst te behalen. Op dit moment blinken bedrijventerreinen 26 Reguliere bedrijventerreinen beslaan op dit moment circa 10% van het bebouwde oppervlak in Nederland; dat is 2,4% van het totale oppervlak van Nederland (De Kort & Gradussen, 2023b). Zie figuur 1 in deel 1.
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
27 Het Europese voorstel gericht op bescherming van bodemgezondheid voegt een extra opgave toe aan het ruimtegebruik (zie tabel 3 van dit deel 2). Bij uitbreiding van bedrijventerreinen op natuur of landbouwgebied zijn er dan immers elders of op het terrein zelf compenserende maatregelen nodig die zorgen dat er netto geen negatieve effecten zijn op de bodem.
76
doorgaans niet uit in landschappelijke schoonheid. Juist omdat reguliere
hoe ze deze energievraag zullen accommoderen. Dit is eens temeer urgent
bedrijventerreinen een relatief groot deel beslaan van het bebouwd opper-
omdat er nu al sprake is van netcongestie (zie § 3.1 van dit deel 2).
vlak in Nederland, levert meer aandacht voor landschapskwaliteit veel op. Het gaat daarbij zowel om een aantrekkelijke werkomgeving voor mede-
Een deel van de grotere vrachtwagens zal in de toekomst waarschijnlijk op
werkers als een aantrekkelijke leefomgeving voor omwonenden. Dit laatste
waterstof rijden, wat eveneens laadinfrastructuur vereist (Rli, 2021b). Het is
is vooral relevant wanneer een bedrijventerrein met fiets- of wandelroutes
nog niet duidelijk of ook deze laadinfrastructuur deels op bedrijventerreinen
wordt ontsloten (Nationaal Groeifonds, 2023).
terecht zal komen.
3.6 Mobiliteit De verduurzaming van mobiliteit behandelen wij in onze analyse niet als een afzonderlijk aspect, maar als een onderdeel van de energietransitie (zie § 1.3 van deel 1). Niettemin kunnen de implicaties van de verduurzaming van mobiliteit voor bedrijventerreinen groot zijn. Daarom besteden we er hier apart aandacht aan. Het aantal elektrische trucks en bestelauto’s neemt naar verwachting in de komende jaren flink toe, met name vanaf 2030. En 90% van alle trucks en 57% van de bestelauto’s hebben een bedrijventerrein als standplaats. Door elektrificatie van deze voertuigen ontstaat er een additionele elektriciteitsvraag. Volgens een onderzoek van ElaadNL gaat het om een extra elektriciteitsvraag van 16,7 TWh in 2050 (Refa et al., 2022). Dat is bijna 15% ten opzichte van het huidige totaalverbruik van heel Nederland. Deze extra elektriciteitsvraag zal zich vooral concentreren op bedrijventerreinen (De Kort & Gradussen, 2023b). Bedrijven op bedrijventerreinen moeten daarom op korte termijn samen met gemeente en netbeheerder gaan bedenken
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3
77
4 DUURZAAMHEIDSLABEL VOOR BEDRIJVENTERREINEN
bij technisch specialisten te rade moeten gaan.28 Hieronder zetten we om te beginnen uiteen wat de uitgangspunten zijn van het duurzaamheidslabel.
4.1 Algemene uitgangspunten Het door ons voorgestelde duurzaamheidslabel voor bedrijventerreinen zal moeten voldoen aan de volgende algemene uitgangspunten:
In deel 1 van dit advies hebben we de rijksoverheid geadviseerd om een
• Het label geeft de mate van duurzaamheid van het bedrijventerrein
toekomstbeeld voor bedrijventerreinen op te stellen en dit te vertalen
weer. Dit kan door middel van letters worden uitgedrukt, net zoals
naar meetbare doelstellingen met een bijbehorend tijdpad. De intro-
bij het Energielabel utiliteitsgebouwen (Rijksoverheid, 2023a) en het
ductie van een nationaal duurzaamheidslabel voor bedrijventerreinen is
Energielabel woningen (Rijksoverheid, 2023b). Een label G staat dan voor
in dit verband een goed instrument. Het biedt ondernemers duidelijkheid over hoe zij op korte en langere termijn kunnen voldoen aan Europese en nationale voorschriften. Bovendien kunnen bedrijventerreinen zich met dit label onderscheiden en extra waarde creëren, door eerder dan voorgeschreven te voldoen aan bepaalde duurzaamheidseisen.
‘nauwelijks duurzaam’ en een label A voor ‘volledig duurzaam’. • Het label betreft primair de mate waarin aan de collectieve opgaven is voldaan. Hiervoor zullen uiteraard vaak ook maatregelen op bedrijfs niveau nodig zijn. De scheidslijn tussen individuele en collectieve opgave moeten bij de concrete invulling van het labelsysteem nader worden uitgewerkt. • Het label heeft betrekking op nationale wet- en regelgeving. Aan eisen
In dit hoofdstuk bespreken we hoe het door ons voorgestelde duurzaam-
van lagere overheden (gemeente, provincie, waterschap) zoals verwoord
heidslabel er op hoofdlijnen uit zou kunnen zien. Ook schetsen we hoe in de
in omgevingsvergunning, -visie of keuren et cetera, moet zijn voldaan
toekomst, mocht wordt gekozen voor een verplicht duurzaamheidslabel, de
om het label te krijgen. Een bedrijventerrein kan dus niet een hoog label
toetsing en handhaving van het label kan worden ingericht. Bij dit laatste achten wij het niet onze rol om de details uit te werken; daarvoor zal het Rijk
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4
28 Het verdient aanbeveling om aan te sluiten bij bestaande initiatieven. Binnen het programma ‘Werklandschappen van de toekomst’ wordt op dit moment gewerkt aan een label voor bedrijventerreinen. Een andere bouwsteen voor het label zou het instrument BREAAM-NL Gebied kunnen zijn (zie § 1.8 van dit deel 2). Beide instrumenten kunnen een goed beginpunt vormen voor de ontwikkeling van een duurzaamheidslabel voor bedrijventerreinen. Daarbij moet wel worden bedacht dat de beide genoemde instrumenten nog niet alle aspecten van verduurzaming afdekken en dat BREEAM-NL Gebied veel meer omvat dan wij voor ogen hebben.
78
krijgen als lokale regels worden overtreden. Verder speelt toekomstige
4.2 Specifieke uitgangspunten
lokale regelgeving geen rol in de toekenning. Met andere woorden: een
Het door ons voorgestelde duurzaamheidslabel voor bedrijventerreinen zal
bedrijventerrein kan het nationale duurzaamheidslabel niveau A of B
ook moeten voldoen aan enkele specifieke uitgangspunten. Het label:
krijgen als het in 2026 voldoet aan de nationale eisen van 2030 en daarbij
1. zal overzichtelijk moeten zijn en ruimte moeten bieden voor maatwerk;
moet het voldoen aan de lokale eisen van 2026, maar het feit dat het al
2. zal erop gericht moeten zijn dat bepaalde doelen worden gerealiseerd (en
voldoet aan lokale eisen van 2030 geeft geen sprong in het nationale label van bijvoorbeeld niveau D naar B of A. • Het label heeft geen betrekking op de uitvoering van publieke taken; deze blijven in overheidshanden. • De vereniging van het bedrijventerrein (zie aanbeveling 2.4 in deel 1) is ervoor verantwoordelijk dat aan de eisen van het duurzaamheidslabel
dus niet dat bepaalde maatregelen worden getroffen); 3. zal geen ruimte moeten laten voor vrijblijvendheid; 4. zal helder moeten definiëren volgens welke voorspelbare wijze periodiek de doelen voor alle bedrijventerreinen worden verhoogd; 5. zal zicht moeten bieden op financiële voordelen bij het realiseren van doelen.
wordt voldaan. Het staat bedrijven vrij om de collectieve opgaven individueel op te lossen, maar de vereniging blijft verantwoordelijk. Als een lid
Hieronder volgt een nadere toelichting.
van de vereniging weigert mee te werken aan gemaakte afspraken, zal de vereniging uiteindelijk naleving van de afspraken kunnen afdwingen via
1. Overzichtelijk met ruimte voor maatwerk
een gang naar de rechter (zie ook hoofdstuk 5 van dit deel 2).
Het label zal een onderliggend puntensysteem moeten hebben dat bepaalt
• De kosten die de vereniging maakt, kunnen ofwel naar rato over de
in welke mate doelen worden behaald. Hieruit volgt welk duurzaamheids
deelnemende bedrijven worden verdeeld (bijvoorbeeld gebaseerd op
label een bedrijventerrein krijgt. Het aantal doelen per transitieopgave
kavelgrootte), ofwel volgens het profijtbeginsel (waarbij dan de te leveren
moet worden beperkt om een voor ondernemers overzichtelijk en werkbaar
bijdrage aan de kosten afhankelijk is van het voordeel dat het betreffende
label te creëren. Een beperkt aantal ‘key performance indicators’ is ook van
bedrijf geniet van een bepaalde collectieve maatregel).
belang voor de praktische uitvoerbaarheid. Het puntensysteem moet ruimte bieden voor maatwerk: een bedrijventerrein moet zelf kunnen bepalen hoe het de benodigde hoeveelheid punten gaat behalen. Zo moet een bedrijventerrein ervoor kunnen kiezen om per transitieopgave aan specifieke doelen te werken, waarbij punten worden vergaard naar de mate waarin dat specifieke doel is behaald. Als
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4
79
bijvoorbeeld het doel is ‘Regenwater wordt niet afgevoerd maar lokaal
bepaald labelniveau niet voorschrijft dat een bedrijventerrein een water-
opgevangen’, levert 100% opvang 10 punten op, 90% opvang 9 punten
opslag- en infiltratievoorziening moet aanleggen, maar wel in welke mate
enzovoort. En als het doel luidt ‘De ruimte wordt optimaal benut’, levert een
het terrein bestand moet zijn tegen wateroverlast en droogte. Het is aan
Floor Space Index (FSI)29 van 0,XX 10 punten op, een FSI van 0,YY 9 punten
de vereniging op het bedrijventerrein om de maatregelen te kiezen die
enzovoort.
het beste passen bij de lokale situatie. Zo wordt recht gedaan aan lokale
Het door ons bepleite maatwerk zit hem vooral in de vrijheid die bedrijven-
verschillen: als er door (natuurlijke) omstandigheden geen probleem is met
terreinen hebben om in te zetten op maatregelen die passen bij de eigen
wateroverlast, hoeft het bedrijventerrein daarvoor geen maatregelen te
situatie. Stel dat elk bedrijventerrein op 1 januari 2030 duurzaamheidslabel
nemen.
C moet hebben, en dat dit betekent dat elk bedrijventerrein in dat jaar
Het centraal stellen van doelen bevordert het verbinden van opgaven en
60 van het maximum van 100 punten moet behalen. Bedrijventerreinen
maatregelen in een integrale aanpak. De aanleg van groenstroken bijvoor-
kunnen dan zelf bepalen hoe ze de benodigde 60 punten behalen. Als een
beeld, kan zowel punten opleveren voor de doelstelling behorend bij
bedrijventerrein vooral iets aan wateropvang wil doen omdat het last heeft
klimaatadaptatie als voor de doelstelling behorend bij biodiversiteitsherstel.
van wateroverlast of droogte, of omdat daar het snelst punten te behalen zijn, kan het ervoor kiezen om maatregelen te nemen die bijdragen aan de
3. Tegengaan van vrijblijvendheid
opvang van water.
Het duurzaamheidslabel zal vrijblijvendheid moeten tegengaan. Hierin
Het Rijk zal de flexibiliteit die gepaard gaat met maatwerk zo nodig wel
wordt voorzien doordat elk bedrijventerrein voldoende punten moet
moeten kunnen inperken. Bijvoorbeeld door voor het behalen van bepaalde
behalen om het in jaar X voorgeschreven label te bemachtigen. Ongeacht
doelen extra veel punten te geven, of door het systeem zo in te richten dat
de specifieke situatie van het bedrijventerrein, zal elk bedrijventerrein
het benodigde totaal aantal punten alleen kan worden behaald door het
voldoende punten moeten behalen om aan de eisen van het label te
realiseren van bepaalde basisdoelen.
voldoen. Uiteindelijk (in de laatste fase van het tijdpad) zal elk bedrijven terrein label A moeten behalen.
2. Doelen centraal, niet de maatregelen Het duurzaamheidslabel zal gericht moeten zijn op het behalen van doelen
4. Helder tijdpad
en niet op het treffen van maatregelen. Concreet betekent dit dat een
Het Rijk zal een helder tijdpad moeten koppelen aan het duurzaamheids-
29 De Floor Space Index (FSI) geeft de verhouding weer tussen het bebouwde bruto vloeroppervlak en de netto uitgegeven kaveloppervlakte (De Kort & Gradussen, 2023b).
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4
label. Dat kan bijvoorbeeld door te bepalen dat elke vijf jaar een hoger duurzaamheidslabel als minimaal vereiste geldt. Daarbij zal het Rijk duidelijk
80
moeten vermelden welke eisen bij de labels horen, zodat verenigingen
4.3 Toetsing en handhaving
van bedrijventerreinen weten wanneer ze welke doelen moeten hebben
Wij hebben het Rijk in deel 1 aanbevolen om te zorgen voor een heldere
behaald. Stel dat op dit moment duurzaamheidslabel G de minimumnorm
taakverdeling rond het verduurzamen van reguliere bedrijventerreinen en
is, dan wordt dat over vijf jaar duurzaamheidslabel F, over tien jaar duur-
provincies daarbij een centrale rol te geven (zie § 5.3 in deel 1). Wij vinden
zaamheidslabel E enzovoort. Uiteindelijk zullen alle bedrijfsterreinen op
de provincie ook de aangewezen bestuurslaag om, als op termijn wordt
hetzelfde moment moeten voldoen aan de voorwaarden van label A en
gekozen voor een verplicht duurzaamheidslabel, toe te zien op controle en
dus voor alle verduurzamingsaspecten voldoende punten moeten hebben
handhaving rond het label. Provincies kunnen de uitvoering van de controle
behaald.
neerleggen bij de omgevingsdiensten; in hoofdstuk 6 van dit deel 2 gaan we hier nader op in. De uitgifte van duurzaamheidslabels kan worden uitbe-
5. Financiële voordelen
steed, bijvoorbeeld aan externe adviseurs die toegekende labels vervolgens
Bedrijventerreinen zullen door middel van het duurzaamheidslabel moeten
laten registreren (zoals nu ook gebeurt bij Energielabel C voor kantoor-
worden gestimuleerd om hun verduurzaming te versnellen. Dit kan het Rijk
panden (KvK, 2023)).
doen door een hoog duurzaamheidslabel financieel te belonen Een hoog duurzaamheidslabel is ook voor de markt zichtbaar. Een terrein kan daarmee aantrekkelijk worden voor nieuwe bedrijven. Een nieuwe eigenaar hoeft immers minder in verduurzaming te investeren. Op die manier kan een hoog label de vastgoedwaarde van een bedrijventerrein ten goede komen. De overheid kan dit effect op termijn, als het label verplicht kan worden gesteld, versterken door het duurzaamheidslabel verplicht op te laten nemen in taxatierapporten van bedrijfspanden en kavels. Hoe hoger een label, hoe beter dat is voor de verkoopwaarde van het pand of kavel. Een hoog duurzaamheidslabel heeft ook waarde met het oog op de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) van de Europese Unie. Daarnaast kunnen bedrijven een hoog duurzaamheidslabel gebruiken in hun eigen marketing.
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4
81
5 WET ORGANISATIEVORMING BEDRIJVENTERREINEN
dat dit soort organisaties eigener beweging maatregelen nemen die de overheid anders zou moeten opleggen. Om een zelfregulerende organisatie goed te laten functioneren is het cruciaal dat de organisatie representatief is. Met andere woorden: het is van belang dat alle betrokken partijen lid zijn én blijven. Deze representativiteit is niet vanzelfsprekend, omdat het lidmaatschap in beginsel vrijwillig is.
Wij hebben in deel 1 van dit advies aanbevolen om bedrijven op
De overheid heeft drie type instrumenten om rechtspersonen of natuurlijke
bestaande reguliere bedrijventerreinen wettelijk te verplichten zich
personen aan te zetten tot lidmaatschap van een privaatrechtelijke organi-
te verenigen. In dit hoofdstuk beschrijven we welke opties de overheid
satie (Beurskens, 2022). We lichten deze hieronder kort toe.
heeft om organisatievorming te bevorderen en waarom wij een wet voor
1. Aansluitprikkels. Van aansluitprikkels is sprake als de overheid partijen
verplichte organisatievorming op bedrijventerreinen de beste keuze vinden. Ook zetten we uiteen welke organisatievorm (vereniging, stichting, enzovoort) het meest geschikt is en welke aanvullende maatregelen de overheid volgens ons zou moeten nemen.30
stimuleert om deel te nemen aan de zelfregulerende organisatie door het toekennen van (financiële en/of economische) voordelen aan lidmaatschap. Het gaat hier om positieve prikkels (beloning). Bij een aansluitprikkel leiden de voordelen voor de aangeslotenen niet tot onoverkomelijke nadelen voor de niet-aangeslotenen. In het geval van bedrijventerreinen zou een aansluitprikkel kunnen
5.1 Opties om organisatievorming te bevorderen
inhouden dat alleen leden van een ondernemersvereniging op een bedrij-
De rijksoverheid kan voor het realiseren van haar doelstellingen – zoals
venterrein in aanmerking komen voor een subsidie voor verduurzaming.
verduurzaming van bedrijventerreinen – een beroep doen op privaatrech-
2. Aansluitdwang. Van aansluitdwang is sprake als de overheid partijen die
telijke organisaties als verenigingen en stichtingen. Dergelijke organisaties
zich aansluiten bij de zelfregulerende organisatie substantiële, exclusieve
worden ook wel ‘zelfregulerende organisaties’ genoemd (Beurskens, 2022).
voordelen toekent. Partijen die zich niet aansluiten worden dan substan-
In de context van bedrijventerreinen verwijst ‘zelfregulerend’ naar het feit
tieel benadeeld (dat wil zeggen: ingrijpend geraakt in hun bedrijfsvoering) en daardoor de facto gedwongen zich aan te sluiten – er is sprake
30 Voor de totstandkoming van dit hoofdstuk hebben wij gesproken met prof. mr. Fokke Jan Vonck (Vrije Universiteit Amsterdam) en mr. L.R.M.A. (Nard) Beurskens (Radboud Universiteit). Wij zijn hen zeer erkentelijk voor hun opmerkingen.
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5
van schijnvrijheid. Het gaat hier om negatieve prikkels (dwang), vaak financieel en/of economisch van aard. Voorbeeld: op grond van Europese
82
regelgeving mogen paarden alleen als raspaard worden verhandeld als
5.2 Voor- en nadelen per optie
ze zijn geregistreerd door een stamboekvereniging. Lidmaatschap van zo’n vereniging is niet verplicht, maar wie zijn of haar paard als raspaard
Aansluitprikkels
wil verhandelen, kan niet anders dan lid worden.
• Voordelen: Er zijn geen juridische risico’s. Dat wil zeggen: er is geen risico
In het geval van bedrijventerreinen zou aansluitdwang kunnen inhouden
dat partijen op wie de aansluitprikkel van toepassing is, deze met succes
dat de overheid besluit om aan het verlenen van omgevings- of
juridisch zullen aanvechten.
andere vergunningen aan ondernemers op een bedrijventerrein,
• Nadelen: De aansluitprikkel moet sterk genoeg zijn en blijven om partijen
de voorwaarde te verbinden dat deze ondernemers lid zijn van een
te motiveren om lid te worden. Wat voor de ene partij een sterke prikkel
bedrijventerreinvereniging.
is, hoeft dat niet voor een andere partij te zijn. Hierdoor is volledige of
3. Wettelijke aansluitplicht. Van een wettelijke aansluitplicht is sprake als
voldoende representativiteit geen vanzelfsprekendheid. Een ander nadeel
de overheid in een wet vastlegt dat partijen verplicht zijn om zich aan
van het toepassen van aansluitprikkels is dat ze – indien ze een financieel
te sluiten bij een zelfregulerende organisatie. Voorbeeld: op grond van
en fiscaal voordeel behelzen – overheidsgeld kosten en dat de werking
de Wet kinderopvang zijn kindercentra en gastouderbureaus verplicht
ervan wegvalt zodra de overheid er geen geld meer voor over heeft.
aangesloten bij een door de minister erkende geschillencommissie. Een aansluitplicht kan gelden voor een privaatrechtelijke organisatie,
Aansluitdwang
maar ook voor een publiekrechtelijke organisatie. De Koninklijke
• Voordelen: Het instrument is effectief, want partijen kunnen er vrijwel niet
Notariële Beroepsorganisatie (KNB) is een voorbeeld uit die laatste cate-
omheen; ze worden feitelijk gedwongen om lid te worden.
gorie. Notarissen die hun beroep willen uitoefenen, zijn van rechtswege
• Nadelen: Er zijn juridische risico’s. Dit komt doordat (1) er een monopolie
lid van de KNB. Publiekrechtelijke organisaties hebben andere rechten,
wordt gecreëerd en (2) de privaatrechtelijke organisatie disproportioneel
plichten en bevoegdheden dan privaatrechtelijke organisaties. Bovendien
veel macht krijgt.
vallen ze binnen publiekrechtelijke kaders.
Ad (1): Als de overheid exclusieve rechten verleent aan de zelfregulerende organisatie (zoals bij de stamboekpaarden), kunnen de betrokken
De overgang tussen aansluitprikkel en aansluitdwang is gradueel. De over-
partijen feitelijk niet om die organisatie heen. Er ontstaat daarmee een
gang tussen prikkel en dwang en plicht is strikt: er is wel of niet een wette-
monopolie en dit kan in strijd zijn met mededingingswetgeving.
lijke bepaling die tot lidmaatschap verplicht.
Ad (2): Een privaatrechtelijke organisatie heeft het recht om eisen en voorwaarden te stellen aan lidmaatschap. Ze kan dus aspirant-leden
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5
83
weigeren of leden royeren. Tegelijkertijd kunnen leden niet opstappen
Artikel 11 EVRM: noodzakelijkheid en proportionaliteit
zonder substantieel in hun bedrijfsvoering te worden benadeeld. De
Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) stelt strenge
privaatrechtelijke organisatie heeft aldus veel macht; de proportionaliteit
eisen aan noodzakelijkheid en proportionaliteit. Zo kende IJsland voor
daarvan is juridisch aanvechtbaar.
taxichauffeurs dertig jaar geleden een wettelijke aansluitplicht bij een belangenorganisatie voor taxichauffeurs. Zonder aansluiting kregen
Aansluitplicht
chauffeurs geen taxivergunning. Het EHRM verwierp deze regeling op
• Voordelen: Het is een effectieve maatregel die voor iedereen geldt en
grond van EVRM artikel 11, omdat de wettelijke aansluitplicht niet nood-
daarmee voorziet in een belangrijke voorwaarde: representativiteit.
zakelijk voor het beoogde doel zou zijn, te weten het toezicht houden
Aansluitplicht biedt duidelijkheid voor de lange termijn (in tegenstel-
op vergunninghouders. Noodzakelijkheid en proportionaliteit zijn
ling tot financiële prikkels, die gevoelig zijn voor grillige politieke
situationeel.
besluitvorming).
Op grond van hetzelfde artikel 11 oordeelde in 2019 het College van
• Nadelen: Er zijn juridische risico’s. Aansluitplicht vormt namelijk een
Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat Amsterdamse taxichauffeurs wél
inbreuk op het recht op vrijheid van vereniging (preciezer: de vrijheid om
verplicht mogen worden om lid te worden van een erkende ‘toegelaten
niet gedwongen te worden je te verenigen), zoals geformuleerd in het
taxi-organisatie’. Volgens het CBb was deze aansluitplicht gerechtvaar-
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM artikel 11). Het
digd omdat (1) de Wet personenvervoer voorzag in aansluitplicht, (2)
EVRM staat overigens aansluitplicht toe als (1) de wet daarin voorziet (en
gewelddadige incidenten op de Amsterdamse taximarkt de aansluitplicht
dus expliciet in een wet wordt genoemd) en (2) daarvoor overtuigende en
noodzakelijk maakten en (3) er geen sprake was van landelijk verplichte
dwingende gronden zijn die een noodzakelijkheids- en proportionaliteits-
organisatievorming (de Wet personenvervoer bood de optie voor
toets kunnen doorstaan; zie kader.
gemeenten om organisatievorming te verplichten).
Voor eigenaren van appartementsrechten geldt dat zij van rechtswege lid zijn van een Vereniging van Eigenaren (VVE). In principe kan het verplichte lidmaatschap van een VVE ook worden beschouwd als een inperking van de vrijheid om niet te worden gedwongen je te verenigen. Maar in dat geval wordt die inperking als gerechtvaardigd beschouwd
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5
84
omdat op voorhand duidelijk is dat je lid moet worden als je een appar-
erfpachters en gebruikers van desbetreffend bedrijventerrein vertegen-
tement koopt en omdat er weinig alternatieven bestaan om het gemeen-
woordigt, bij voorkeur met ingang van 2030. Reeds bestaande organisaties
schappelijke deel in een appartementencomplex te regelen.
die bedrijventerreinen vertegenwoordigen zullen zo nodig aanpassingen moeten plegen om aan de nieuwe wet te voldoen.
5.3 Noodzaak en proportionaliteit van een wettelijke
Een wettelijke verplichting voor ondernemers op bedrijventerreinen om zich
aansluitplicht
aan te sluiten bij een vereniging is volgens ons noodzakelijk en proportio-
Wij hebben in deel 1 van dit advies vastgesteld dat het tot nu toe gevoerde
neel om de volgende redenen:
overheidsbeleid, dat is gebaseerd op aansluitprikkels, onvoldoende resultaat heeft opgeleverd. Instrumenten als de BIZ en ondernemersfondsen
Noodzakelijk:
hebben de afgelopen jaren nauwelijks tot een hogere organisatiegraad
• Verduurzaming van bedrijventerreinen kan niet zonder bestendige
geleid (zie ook § 1.4 van dit deel 2). Al met al bedraagt de organisatiegraad
samenwerking en dus organisatievorming. Verduurzaming is zowel nood-
op reguliere bedrijventerreinen circa 20% (De Kort & Gradussen, 2023a).
zakelijk voor bedrijven als voor de maatschappij (zie hoofdstuk 1 en 2 van deel 1). Pogingen de organisatiegraad te verhogen hebben tot nu toe
De overheid zal daarom effectievere prikkels moeten toedienen, die daad-
onvoldoende resultaat gehad. Nieuwe aansluitprikkels, zoals wij aanbe-
werkelijk aanzetten tot organisatievorming. In aanbeveling 2 hebben wij
velen, zullen tot meer, maar niet tot de benodigde 100% organisatiegraad
diverse soorten aansluitprikkels voorgesteld. Wij verwachten dat deze prik-
leiden. Daarom is aansluitplicht als ‘laatste redmiddel’ noodzakelijk.
kels tot een hogere organisatiegraad zullen leiden. Deze hogere organisatie-
• Aansluitprikkels moeten in voldoende mate worden toegediend en toege-
graad zal echter niet meer zijn dan een eerste stap. Om de organisatiegraad
diend blijven worden. Dat vereist politieke vasthoudendheid en daarvoor
te bereiken die nodig is om alle bedrijventerreinen te verduurzamen, zal
bestaat geen garantie. Een wettelijke aansluitplicht biedt die garantie wel.
naar ons oordeel het invoeren een aansluitplicht op termijn onvermijdelijk zijn.
• Organisatievorming is niet alleen noodzakelijk om bedrijventerreinen te verduurzamen, maar ook om de algehele staat van een bedrijventerrein te verbeteren (‘schoon, heel en veilig’). Toekomstige, nu nog onbekende
Wij vinden dan ook dat het Rijk door middel van een Wet organisatievor-
uitdagingen zullen waarschijnlijk ook baat hebben bij een georganiseerde
ming bedrijventerreinen alle bedrijven op bedrijventerreinen wettelijk moet
gezamenlijke aanpak.
gaan verplichten zich aan te sluiten bij een vereniging die de eigenaren/
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5
85
• Vrijwillige organisatievorming wordt bevorderd wanneer men weet dat er een wettelijke aansluitplicht aan gaat komen.
realiseerbaar zijn. Daarnaast zijn er maatregelen die door organisatie vorming goedkoper worden (zie hoofdstuk 3 van deel 1). • Verplichte aansluiting bij een vereniging is ook proportioneel omdat
Proportioneel
deze verplichting in tal van andere situaties niet als een probleem wordt
• Het takenpakket van de vereniging is proportioneel, dat wil zeggen: niet
ervaren. Als bedrijven zich willen vestigen op een nieuw bedrijventerrein,
groter dan noodzakelijk uit het oogpunt van verduurzaming van het
is verplicht lidmaatschap van een vereniging gebruikelijk en dit blijkt in
bedrijventerrein. De taken omvatten in ieder geval: (1) het inhuren van
de praktijk geen belemmering te zijn.
een parkmanager en (2) het laten opstellen van een plan van aanpak door de parkmanager dat wordt goedgekeurd door het bestuur en de leden,
Wij kiezen niet voor verplichte aansluiting bij een publiekrechtelijke organi-
met het oogmerk te voldoen aan wet- en regelgeving voor verduurza-
satie, omdat wij het creëren van een nieuwe overheidsinstantie onwenselijk
ming van bedrijventerreinen. De kosten voor de uitvoering van het plan
vinden. Bovendien vinden wij het cruciaal dat ondernemers (de eigenaren
van aanpak kunnen worden verdeeld naar rato (bijvoorbeeld gebaseerd
en gebruikers van het bedrijventerreinen) zoveel mogelijk zelf besluiten hoe
op kavelgrootte) of volgens het profijtbeginsel (de bijdrage is dan afhan-
zij willen verduurzamen binnen de kaders die overheid stelt. Een privaat-
kelijk van het voordeel dat betreffende partij geniet van een bepaalde
rechtelijke organisatie met evenredige representatie doet daar zo veel
collectieve maatregel).
mogelijk recht aan.
• Proportioneel is ook de verantwoordelijkheid die de vereniging draagt voor eventuele specifieke verduurzamingsmaatregelen die in een
Wij kiezen evenmin voor aansluitdwang. Aansluitdwang brengt volgens ons
concreet geval door het bevoegd zijn opgelegd (zie aanbeveling 3.2
te grote juridische risico’s met zich mee en is bovenal juridisch onzuiver.
in deel 1). De kosten die de vereniging hierbij maakt kunnen opnieuw
Als het Rijk het noodzakelijk vindt dat bedrijven op bedrijventerreinen zich
worden verdeeld naar rato (bijvoorbeeld gebaseerd op kavelgrootte)
verenigen, moet het daar open en eerlijk op sturen en niet via sluippaadjes.
of volgens het profijtbeginsel (de bijdrage is dan afhankelijk van het
Een aansluitplicht is in dat opzicht de beste keuze, temeer daar er voldoende
voordeel dat betreffende partij geniet van een bepaalde collectieve
argumenten zijn die de noodzakelijkheid en proportionaliteit van organisa-
maatregel).
tievorming onderbouwen. Het wettelijk vastleggen van de aansluitplicht is
• Organisatievorming is voorts proportioneel omdat sommige noodza-
ook noodzakelijk omdat het EVRM dit vereist (zie § 5.2 hierboven).
kelijke verduurzamingsmaatregelen zonder organisatievorming niet
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5
86
5.4 Keuze van de organisatievorm
van bedrijven op bedrijventerreinen (zie hoofdstuk 3 en aanbeveling 2.4 in
Als organisatievorming op bedrijventerreinen wettelijk verplicht gesteld
deel 1). Eventueel kunnen gebruikers en eigenaren een verschillende status
gaat worden, is de volgende vraag: welke organisatievorm is het meest
in de vereniging krijgen, met eigen rechten en plichten.
geschikt? Een vereniging, een stichting, een coöperatie?
De taakstelling van de vereniging moet, gelet op de noodzaak, proportioneel zijn. Zoals gezegd zal de wet steeds twee algemene taken aan de
Wij zijn van oordeel dat een vereniging het beste past bij het doel van orga-
vereniging moeten geven: 1) inhuur van een gecertificeerde parkmanager
nisatievorming op bedrijventerreinen. De organisatie moet ondernemers
en 2) opstellen van een plan van aanpak om te voldoen aan wet- en regel-
immers inspraak bieden bij de keuze van de verduurzamingsmaatregelen
geving betreffende verduurzaming van het bedrijventerrein (zie aanbeveling
(binnen de kaders die het Rijk stelt), zodat deze het beste bij hun bedrijven
2.4 in deel 1).
terrein passen. Een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid biedt
De provincie kan in nauw overleg met de gemeente een of meer aanvul-
daarvoor de beste mogelijkheden, omdat de leden van een vereniging
lende specifieke opgaven aan een bedrijventerrein opleggen. Dit kan
inspraak hebben via de ledenvergadering. De door ons voorgestelde Wet
bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer de landschappelijke inpassing
organisatievorming bedrijventerreinen zal moeten voorschrijven aan welke
van een bedrijventerrein specifieke maatregelen vereist. De taken van de
eisen de statuten en het huishoudelijk reglement moeten voldoen, zodat de
vereniging voor een dergelijk bedrijventerrein worden dan uitgebreid. De
leden maximale inspraak hebben.
provincie zal in zo’n geval moeten aantonen waarom deze aanvullende
In een stichting hebben de leden geen directe invloed op de besluitvorming
opgave noodzakelijk en proportioneel is.
en daarom valt deze organisatievorm naar ons oordeel af. Coöperaties zijn een specifieke vorm van vereniging; deze organisatievorm is dus eventueel ook te verkiezen. Het behalen van financieel voordeel
5.5 Aanvullende acties op provinciaal niveau
(bijvoorbeeld met gezamenlijke energiebesparing of gezamenlijke inkoop
De invoering van de Wet organisatievorming bedrijventerreinen vraagt om
van diensten) kan soms beter in een coöperatie, omdat coöperaties een
een aantal aanvullende maatregelen op provinciaal niveau:
winstoogmerk mogen hebben.
• De provincie zal de locatiegrenzen van elk afzonderlijk bedrijventerrein moeten afbakenen. Dit is nodig om te voorkomen dat bedrijven dat zelf
De leden van de vereniging zijn (1) eigenaren van kavels en panden en
doen, met mogelijk onwenselijke uitkomsten (kavels die minder goed
(2) gebruikers van de panden. Eigenaren en gebruikers hebben verschil-
passen bij verduurzamingsplannen blijven alleen achter, bijvoorbeeld).
lende belangen en rollen en zijn beiden van belang bij de verduurzaming
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5
87
Deze afbakening moet relatief snel gebeuren, zodat verenigingen die zich vrijwillig organiseren (en verduurzamingsmaatregelen treffen) zich langs dezelfde geografische grenzen verenigen als de provincie voor ogen heeft. Overigens bevat het Integraal Bedrijventerreinen Informatie Systeem (IBIS) een afbakening van bedrijventerreinen die leidend kan zijn. Dit systeem wordt door de provincies gevoed.
6 UITVOERING VAN ONZE AANBEVELINGEN: VERLOOP VAN HET PROCES
• In ons voorstel worden bedrijven eerst gestimuleerd om vrijwillig een vereniging op te richten. Als er na de ingangsdatum van de wet (wij
In dit hoofdstuk beschrijven we wat er komt kijken bij de uitvoering van
stellen 2030 voor) nog geen vereniging is opgericht, zal de provincie dat
de aanbevelingen die wij in hoofdstuk 5 van deel 1 hebben geformuleerd.
moeten (laten) doen. De provincie benoemt in dat geval bestuurders
We schetsen het verloop van het proces: wie speelt op welk moment
(bijvoorbeeld ambtenaren) die de leden van de vereniging kunnen repre-
welke rol? En wat gebeurt er als een van de partijen verzaakt?
senteren en later eventueel kunnen worden vervangen door leden van de vereniging. Het verduurzamen van bedrijventerreinen is een samenspel tussen diverse private en publieke partijen. Bedrijven op bedrijventerreinen spelen hierin de hoofdrol en het Rijk moet de kaders scheppen zodat het samenspel optimaal kan plaatsvinden, zoals hoofdstuk 5 in deel 1 beschrijft. Aangezien onze aanbevelingen gericht zijn aan het Rijk, schetst dit hoofdstuk met name de maatregelen die het Rijk moet nemen.
6.1 Samenspel tussen de partijen Het Rijk formuleert een toekomstbeeld voor bedrijventerreinen, waarin staat (a) wat een duurzaam bedrijventerrein is en wat niet, (b) welke kansen en voordelen een duurzaam bedrijventerrein biedt voor bedrijven die er gevestigd zijn (c) op welke manier bedrijventerreinen bijdragen aan de
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5
88
verduurzamingsopgaven van Nederland en (d) wanneer welke tussen-
Tegelijkertijd worden bedrijven op bedrijventerreinen op diverse manieren
stappen moeten zijn gezet om in 2050 alle Nederlandse bedrijventerreinen
verleid om een vereniging op te richten (zie § 5.2 van deel 1). Om te
duurzaam te laten zijn (‘backcasting’).
beginnen weten bedrijven op bedrijventerreinen dat het in 2030 wettelijk verplicht is om een vereniging op te richten. Dit besef alleen al stimuleert
Vervolgens vertaalt het Rijk dit toekomstbeeld in meetbare doelen (vastge-
naar verwachting de vrijwillige organisatievorming. Daarnaast worden
legd in wet- en regelgeving) voor bedrijventerreinen. Periodiek worden de
bedrijven verleid tot vrijwillige organisatievorming doordat het Rijk een
doelen volgens een helder tijdpad op voorspelbare wijze aangescherpt. Wij
nationaal fonds voor de verduurzaming van bedrijventerreinen in het leven
achten een duurzaamheidslabel een geschikt beleidsinstrument om deze
roept. Vanuit dit fonds worden grootschalige, collectieve maatregelen op
doelen en tijdpad overzichtelijk en helder te presenteren.31 In hoofdstuk 4
bedrijventerreinen gesubsidieerd, zoals de aanleg van een warmtenet of
van dit deel 2 hebben we de uitgangspunten voor zo’n label beschreven.32
een energiehub. Alleen verenigingen van bedrijventerreinen met een gecertificeerde parkmanager33 komen in aanmerking voor subsidies uit dit fonds.
Bedrijven op bedrijventerreinen weten nu waar ze aan toe zijn. Maar het is nog niet duidelijk wie verantwoordelijk is voor het behalen van de verduur-
Overigens is het nationaal fonds verduurzaming bedrijventerreinen een
zamingsdoelen. Immers: bedrijventerreinen bestaan nog niet als juridische
bundeling van bestaande verduurzamingsprogramma’s van het Rijk voor
entiteit. Daarom kondigt het Rijk een Wet organisatievorming bedrijventer-
bedrijven en bedrijventerreinen. Het fonds dient meerdere verduurzamings-
reinen aan, waarin het bedrijven die op een bedrijventerrein zijn gevestigd,
doelen. Naast het bevorderen van organisatievorming subsidieert het de
verplicht om in 2030 lid te zijn van een vereniging die het bedrijventerrein
bedrijfseconomisch onrendabele top en bestrijdt het interdepartementale
vertegenwoordigt. Deze vereniging is verantwoordelijk voor het behalen
verkokering omdat het de bestaande subsidies voor verduurzaming op
van de doelen voor het bedrijventerrein. De provincie bepaalt wat de loca-
bedrijventerreinen onderbrengt in één fonds dat door één ministerie (EZK)
tiegrenzen van elk bedrijventerrein zijn en dus welke bedrijven gezamenlijk
wordt beheerd.
een vereniging moeten oprichten, als die er nog niet is. Bedrijven op bedrijventerreinen krijgen voor het oprichten van een vereniging van overheidswege ondersteuning. Zij ontvangen via de provincie 31 Zoals wij in § 5.1 van deel 1 hebben besproken, zijn ook andere instrumenten denkbaar. 32 Een duurzaamheidslabel kan ook een ander proces in werking zetten: het levert financiële waarde op, hetgeen de aantrekkingskracht voor bedrijven vergroot. Zie § 5.1 in deel 1 en punt 5 in § 4.2 van dit deel 2.
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 6
gedurende minimaal twee jaar subsidie (het Rijk stelt hiervoor budget 33 Het Rijk kan kiezen voor certificering van parkmanagers door een op te richten instantie of in een lichtere variant deze laten registreren door Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s).
89
beschikbaar) voor de oprichtingskosten en voor de kosten van inhuur van
meebrengen (denk aan clustering per milieucategorie). Met deze ruim-
een gecertificeerde parkmanager. Kennis en praktische hulp kunnen de
telijke sturing creëren de provincies zekerheid voor de langere termijn:
bedrijven verkrijgen bij de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s)
bedrijven en andere partijen weten waar ze aan toe zijn.
(zie ook hierna).
• De provincies bepalen of het plan van aanpak van een bedrijventerrein bijdraagt aan een optimale regionale inpassing. Indien nodig sturen ze
De vereniging is niet alleen wettelijk verplicht om een gecertificeerde park-
bij. Hierbij hebben zij oog voor de regionale economie.
manager in te huren, maar ook een plan van aanpak op te (laten) stellen.
• De provincies hebben de vrijheid om zelf te bepalen hoe zij de verduur-
Hierin beschrijft de vereniging hoe het bedrijventerrein wil verduurzamen
zaming van bedrijventerreinen op hun grondgebied willen aanjagen. Zo
conform wet- en regelgeving (of het verplichte duurzaamheidslabel, als
kunnen ze zelf programma’s ontwikkelen en uitvoeren, taken delegeren
daar op termijn voor wordt gekozen). De vereniging kan het opstellen van
of een samenwerkingsverband aangaan met een coalitie van betrokken
het plan van aanpak uitbesteden aan de parkmanager of een adviesbureau.
partijen. Ook kunnen de provincies taken neerleggen bij grote steden,
De vereniging is verplicht hierbij de gemeente te betrekken. De gemeente
(metropool)regio’s of hiervoor ROM’s inschakelen. Wie het verduurza-
is immers een cruciale partij als lokaal bevoegd gezag, vergunningverlener
mingsproces ook aanstuurt, een belangrijk onderdeel van de werkzaam-
en eigenaar van openbare ruimte op het bedrijventerrein. De gemeente ziet
heden zal moeten bestaan uit het stimuleren van organisatievorming,
erop toe dat relevante belanghebbenden, variërend van buurtbewoners
bijvoorbeeld door ondernemers bij elkaar te brengen en hen te helpen bij
tot netbeheerders, op een toereikende manier worden betrokken bij de
het oprichten van een vereniging.
verduurzamingsplannen.
• De provincie kan in nauw overleg met de gemeente specifieke verduurzamingsdoelen aan een bedrijventerrein opleggen, aanvullend op de
De provincies krijgen in ons advies een centrale rol. Zij worden verantwoor-
generieke eisen van het duurzaamheidslabel. Het moet dan wel gaan om
delijk voor de verduurzaming van de bedrijventerreinen op hun grondge-
maatregelen die in een specifieke situatie noodzakelijk en proportioneel
bied en ze rapporteren hierover aan het Rijk. Voorts krijgen zij de volgende
zijn. Denk aan extra maatregelen voor de opvang van regenwater omdat
rollen en verantwoordelijkheden.
een bedrijventerrein zich in een laaggelegen polder bevindt. De provincie
• Vanuit hun verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke ordening bepalen
legt in zo’n geval de specifieke extra verduurzamingsdoelen op aan
de provincies welk bedrijventerrein waar komt en blijft en welke functies
desbetreffende bedrijventerreinvereniging.
er aanwezig mogen zijn. Verduurzaming van bedrijventerreinen kan
• Waar nodig kan de provincie ten behoeve van het verduurzamingsproces
verplaatsing van bedrijven of zelfs gehele bedrijventerreinen met zich
op bedrijventerreinen herstructureringsmaatschappijen oprichten dan
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 6
90
wel verstevigen. De financiering is dan bij voorkeur geregeld via revolve-
6.2 Handhaving
rende fondsen (zoals de Herstructureringsmaatschappij Overijssel; zie het
Hieronder bespreken we welke mechanismen in werking treden als een van
kader in § 4.2.6 van deel 1).
de partijen zich niet aan de wet- en regelgeving houdt die wij aanbevelen. • Bedrijven op een bedrijventerrein richten geen vereniging op.
De Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) ontwikkelen zich in
Als een bedrijventerrein in 2030 nog geen vereniging heeft opgericht, zal
onze voorstellen tot hét expertisecentrum voor verduurzaming van bedrij-
de betreffende provincie dat doen. De provincie wijst dan bestuurders
venterreinen waar overheden, bedrijven en bedrijventerreinverenigingen
aan (bijvoorbeeld ambtenaren). Deze kunnen vervolgens door de leden
terecht kunnen voor kennis en ondersteuning (zie § 5.3 in deel 1). De ROM’s
(de bedrijven op het terrein) worden vervangen.
vormen een landelijk netwerk met veel lokale kennis waarvan bedrijven,
• Bedrijven weigeren mee te werken aan het plan van aanpak dat de
bedrijventerreinverenigingen en overheden kunnen profiteren. Ook kunnen
vereniging heeft opgesteld.
zij als ‘oliemannetje’ samenwerking stimuleren tussen partijen die in
Bedrijven zijn van rechtswege lid van de vereniging. Als zij zich niet
hetzelfde schuitje zitten of elkaar kunnen helpen. Tegelijkertijd zijn ROM’s
houden aan de afspraken die met een meerderheid van stemmen zijn
verenigd in ROM Nederland, wat nationale kennisdeling mogelijk maakt.
gemaakt, kan het bestuur van de vereniging via de rechter verzakende
De ROM’s nemen dus een deel van de taken over die nu nog behoren bij
bedrijven dwingen om zich alsnog aan de afspraken te houden.
de uitvoering van het programma ‘Verduurzaming Bedrijventerreinen’ van
• Een bedrijventerrein voldoet niet aan wet- en regelgeving betreffende
het Ministerie van BZK. De ROM’s moeten tevens zo veel mogelijk samen-
verduurzaming van bedrijventerreinen (of bij toekomstige verplichtstel-
werken met bestaande kennisinfrastructuur.
ling van het duurzaamheidslabel niet aan de daarvoor geldende criteria). De omgevingsdiensten toetsen of bedrijventerreinen de doelen voor
De monitoring van de voortgang van de verduurzaming van de bedrijven-
verduurzaming halen. Als dat niet het geval is, zal de provincie hand-
terreinen ligt in ons voorstel bij het Ministerie van EZK. Dit ministerie kan
haven. Het Rijk bepaalt welke sancties provincies moeten opleggen. Deze
bijvoorbeeld voortgangsrapportages opvragen bij de provincies en deze
sancties zijn dus landelijk uniform, om beleidsconcurrentie tussen provin-
bundelen in een nationaal overzicht.
cies te voorkomen. • De provincie verzaakt te handhaven. Het Rijk is verantwoordelijk voor de landelijke monitoring. Als de bedrijventerreinen in een provincie de doelen voor verduurzaming niet halen
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 6
91
(c.q. niet voldoen aan de eisen van een verplicht duurzaamheidslabel) is het aan het Rijk om op te treden tegen de provincie. • Het plan van aanpak dat de bedrijventerreinvereniging opstelt, deugt niet. De gemeente is een verplichte gesprekspartner bij het opstellen van het plan van aanpak. Zij is ook de instantie die aan de vereniging kenbaar moet maken als een plan van aanpak niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Als het bedrijventerrein vervolgens de plannen niet aanpast, riskeert het sancties van de provincie. • Het plan van aanpak is onvoldoende afgestemd met regionale belanghebbenden. De vereniging van een bedrijventerrein is verplicht om het plan van aanpak op te stellen in samenspraak met de gemeente. Deze laatste ziet erop toe dat relevante belanghebbenden, variërend van buurtbewoners tot netbeheerders, op een toereikende manier worden betrokken bij de verduurzamingsplannen. Provincies toetsen op hun beurt of de plannen bijdragen aan optimale regionale inpassing.
SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 6
92
LITERATUUR
Adviescommissie Droogte (2022). Zonder water, geen later. Naar een omslag in het (grond)waterbeheer in Noord-Brabant. Advies in opdracht van het Breed Bestuurlijk Grondwateroverleg, opgesteld onder voorzitterschap van Melanie Maas Geesteranus. ‘s-Hertogenbosch: eigen beheer. Arcadis Nederland, Stec Groep, Tauw BV & Business Design Academy (2021). Onderzoek naar het vergroenen van bedrijventerreinen. Amersfoort: Arcadis. Bijlage 1007284 bij brief aan de Tweede Kamer van de minister van LNV d.d. 23 november 2021. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 35 925 XIV. Beekmans, J., Stopel, P. & Janssens, B. (2020). Zorgvuldig ruimtegebruik op bedrijventerreinen in provincie Utrecht. Eindconcept. Rapport opgesteld in opdracht van de provincie Utrecht. Arnhem: Stec Groep. Berghe, K. Van den (2023). Het verduurzamen van bedrijventerreinen: hou(dt) (geen) rekening met de (veranderende maatschappelijk noodzakelijke) bedrijven. Den Haag: eigen beheer. Te raadplegen via www.rli.nl Beurskens, L.R.M.A. (2022). Het aanzetten tot organisatievorming. Over het stimuleren en dwingen door de overheid om deel te nemen aan een zelfregulerende organisatie. Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht, september 2022. BIZ Grote Polder (2023). Toekomstvisie Grote Polder. Geraadpleegd op 19 juli 2023 via: https://www.bizgrotepolder.nl/toekomstvisie-grote-polder Blanken, H. & Lössbroek, T. (2016).
Biodiversiteit op bedrijventerreinen, het kan wel! Kringen, 03 (04), p. 4-7.
93
Bruin, R. de, Kleiwegt, E. & Boer, H. de (2023). Handreiking slimme
BZK (2022d). Programma NOVEX. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse
energiesystemen: het hoe en wat van slimme energieoplossingen voor
Zaken en Koninkrijksrelaties. Bijlage 1040560 bij brief aan de Tweede
energiecoöperaties, bedrijventerreinen, lokale overheden. Rotterdam:
Kamer van de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Rebel Group. Te raadplegen via: https://topsectorenergie.nl/nl/kennisbank/
d.d. 6 juli 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 34 682, nr. 100.
handreiking-slimme-energiesystemen/ Bureau Lubbers, Gemeente Zoeterwoude & BIZ Grote Polder (2016).
BZK (2022e). Provinciaal startpakket fysieke leefomgeving. Brief aan de Tweede Kamer van de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Boeiend bloeiend bedrijventerrein Grote Polder. Definitief Inrichtingsplan.
Ordening d.d. 12 december 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023,
Vught: Bureau Lubbers. Te raadplegen via: https://docplayer.nl/29456997-
34 682, nr. 107.
Bloeiend-boeiend-bedrijventerrein-grote-polder.html
BZK (2023). Voortgang regie op de ruimte en programma Mooi Nederland.
BZK (2022a). Nationale woon- en bouwagenda. Den Haag: Ministerie van
Brief aan de Tweede Kamer van de minister voor Volkshuisvesting en
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bijlage 1021382 bij brief aan
Ruimtelijke Ordening d.d. 24 april 2023. Tweede Kamer, vergaderjaar
de Tweede Kamer van de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke
2022-2023, 34 682, nr. 160.
Ordening d.d. 11 maart 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 32 847, nr. 878. BZK (2022b). Versnelling verduurzaming gebouwde omgeving. Beleidsprogramma. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bijlage 1035282 bij brief aan de Tweede Kamer van de
CBS (2022). 8 op de 10 bedrijven bezig met verduurzamen. Nieuwsbericht van het Centraal Bureau voor de Statistiek d.d. 13 oktober 2022. Te raadplegen via: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/41/8-op-de-10bedrijven-bezig-met-verduurzamen Circulair Friesland (2022). Circulaire bedrijventerreinen. Nieuwsbericht z.d.
minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 1 juni 2022.
van de Vereniging Circulair Friesland. Geraadpleegd op 22 augustus 2023
Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 32 847, nr. 911.
via: https://circulairfriesland.frl/circulaire-bedrijventerreinen/
BZK (2022c). Programma Mooi Nederland. Den Haag: Ministerie van
Cirkelstad (2022). Hergebruiken van je reststromen in de regio. Kan dat
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bijlage 1040561 bij brief aan
echt? Ja, dat kan! Nieuwsbericht d.d. 29 november 2022. Geraadpleegd
de Tweede Kamer van de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke
op 12 september 2023 via: https://www.cirkelstad.nl/hergebruiken-van-je-
Ordening d.d. 6 juli 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 34 682,
reststromen-in-de-regio-kan-dat-echt-ja-dat-kan/
nr. 100.
SAMEN WERKEN | LITERATUUR
94
Coalitieakkoord (2021). Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst:
Europese Commissie (2020). Een nieuw actieplan voor een circulaire
coalitieakkoord 2021-2025 VVD, D66, CDA en ChristenUnie. Z.pl.: eigen
economie. Voor een schoner en concurrerender Europa. Mededeling
beheer. Bijlage 1009826 bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 12 december
van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees
2021 van de informateurs J.W. Remkes en W. Koolmees. Tweede Kamer,
Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. Brussel,
vergaderjaar 2021-2022, 35 788, nr. 77.
11 maart 2020, COM(2020) 98 final.
CRa (2019). (X)XL-verdozing: Minder, compacter, geconcentreerder,
Europese Commissie (2022). De Green Deal: baanbrekende voorstellen
multifunctioneler. Onderzoek uitgevoerd door Rademacher / De Vries
om de natuur in Europa tegen 2050 te herstellen en het gebruik van
Architecten in samenwerking met de Stec Groep. Den Haag: College van
pesticiden tegen 2030 te halveren. Persbericht d.d. 22 juni 2022.
Rijksadviseurs.
Geraadpleegd op 9 augustus 2023, via: https://ec.europa.eu/commission/
Deventer Economisch Perspectief (2021). Toekomstbestendige bedrijven terreinen Deventer 2030. Deventer. Eichholtz, P., Kok, N. & Sun, X. (2023). Plicht voor energielabel C voor
presscorner/detail/nl/IP_22_3746 Europese Commissie (2023). Proposal for a DIRECTIVE OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL on Soil Monitoring and Resilience
kantoren lijkt gewenst effect te hebben. ESB. Te raadplegen via https://
(Soil Monitoring Law). Brussel, 5 juli 2023, COM(2023) 416 final.
esb.nu/plicht-voor-energielabel-cvoor-kantoren-lijkt-gewenst-effect-te-