CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Rapport Raad voor de Leefomgeving- Samenwerken, kiezen voor toekomstbestendige bedrijventerreinen

Gemeenteraad 28 oktober 2025, gemeente BarneveldBij agendapunt: Instellen reclamebelasting bedrijventerrein Harselaar t.b.v. Ondernemersfonds Harselaar36.530 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

gaat het om twee bedrijven: (1) een voedingsmiddelenbedrijf met een

paciteit (op het bestaande net), kostenbesparingen voor de bedrijven en

overschot aan warmte bij de koelcellen en (2) een aluminiumverwerkend

substantiële CO2-reductie (door uitbreiding van installaties voor zonne- of

bedrijf met een behoefte aan warmte. Het geschatte jaarlijkse bespa-

windenergie).

ringspotentieel bij het aluminiumverwerkende bedrijf is aanzienlijk: het gasverbruik gaat naar verwachting met 55% omlaag en er wordt aanzienlijk minder CO2 uitgestoten. Het besparingspotentieel bij het voedingsmiddelenbedrijf is nog niet berekend (Gear@SME, 2023).

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

73

De Wet collectieve warmte die op dit moment in voorbereiding is, gaat

op- en overslag (Rood & Evenhuis, 2023). De provincie Zuid-Holland (2022)

op termijn bedrijven verplichten hun restwarmte ‘om niet’ beschikbaar

voorziet dat bedrijventerreinen langs de randen van steden potenties

te stellen. In ruil voor de restwarmte krijgen de bedrijven wel de kosten

hebben voor inzamelen van gebruikte producten en afvalstromen. Op

vergoed die ze maken om de restwarmte ter beschikking te stellen, de

andere, watergebonden bedrijventerreinen ziet deze provincie mogelijk-

zogenaamde uitkoppelkosten. Denk hierbij aan de kosten voor het plaatsen,

heden voor nieuwe logistieke functies in de circulaire economie. Ook de

beheren en onderhouden van een warmtewisselaar (Senel et al., 2023).

gemeente Tilburg (Van Wijk, 2022) ziet bij herontwikkeling van bestaande bedrijventerreinen potentie voor circulaire bedrijfsactiviteit – niet alleen hergebruik van producten in de maakindustrie, maar ook ‘industriële

3.2 Ontwikkeling circulaire economie

symbiose’, waarbij bedrijven op een bedrijventerreinen gebruikmaken van

De transitie naar een circulaire economie bevindt zich op dit moment nog

elkaars reststromen.

in de kinderschoenen. De materiaalinzet in Nederland en de afhankelijkheid van grondstoffen uit het buitenland neemt vooralsnog maar beperkt af

In zijn algemeenheid is de inschatting dat de circulaire economie zal zorgen

(Hanemaaijer et al., 2023).

voor extra ruimtebehoefte op bedrijventerreinen, mate name voor op- en overslag. Rienstra (2022) heeft een schatting gemaakt van de ruimtebe-

Circulariteit vergt veranderingen in productiewijzen, in logistiek en in

hoefte voor circulaire activiteiten in Noord-Brabant en heeft de uitkomst

gebruik van materialen. Het gaat om veranderingen die voor een groot deel

vervolgens geëxtrapoleerd naar nationale schaal. Hij kwam uit op een

moeten plaatsvinden in de maakindustrie: bij bouwbedrijven, metaalver-

benodigd ruimteoppervlak van 870 hectare voor circulaire activiteiten op

werkende bedrijven en kunststofverwerkende bedrijven. Dit soort bedrijven

bedrijventerreinen in 2030. Dit is 16% van de totale ruimtebehoefte op

is vooral gevestigd op bedrijventerreinen. Zodoende hebben bedrijventer-

Nederlandse bedrijventerreinen (Rienstra, 2022). Uit de studie blijkt dat

reinen potentie om bij te dragen aan het circulair maken van de economie.

vooral terreinen die goed zijn ontsloten via weg en water en die ruimte

De omvang van die potentie is echter moeilijk in cijfers uit te drukken,

bieden voor bedrijvigheid in hogere milieucategorieën, de potentie hebben

omdat er nog grote onzekerheden zijn.

om een ruimtelijke schakel te vormen voor circulaire activiteiten.

Duidelijk is wel dat bedrijventerreinen belangrijke ruimtelijke schakels kunnen vormen voor het inzamelen, hergebruiken, reviseren of recyclen van producten en afvalstromen (De Kort & Gradussen, 2023b) en ook voor

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

74

3.3 Klimaatadaptatie

Hoewel het areaal van reguliere bedrijventerreinen relatief klein is (2,4% van

De noodzaak om op bedrijventerreinen hittestress en wateroverlast te

Nederland (De Kort & Gradussen, 2023b), kan het in bepaalde gebieden van

beperken, is evident. Een ruimtelijke inrichting met veel beton en asfalt

belang zijn dat bedrijventerreinen bijdragen aan het vasthouden van (regen)

maakt dat bedrijventerreinen op zomerse dagen snel ‘hitte-eilanden’ zijn

water. Vooral in gebieden die steeds vaker kampen met droogte, zoals de

(De Kort & Gradussen, 2023b). De klimaatverandering zal dit probleem de

hogere zandgronden in Noord-Brabant, Gelderland en Overijssel is het van

komende decennia verder vergoten. Zonder aanpassingen zal op bedrij-

belang om water vast te houden. Maatregelen op bedrijventerreinen, zoals

venterreinen het aantal zomerse dagen met een gemiddelde temperatuur

het loskoppelen van de hemelwaterafvoer van het riool, kunnen dan rele-

(tussen 12 en 18 uur) boven de 40 graden Celsius geen bijzonderheid meer

vant zijn. Het ‘weglopen’ van water in de grond (in plaats van in het riool) is

zijn (Arcadis et al., 2021). Ook de kans op wateroverlast wordt de komende

goed voor de grondwaterstand. De adviescommissie Droogte (2022) bere-

decennia groter. Wateroverlast bij hevige regenval zal op 80 tot 90% van het

kende dat het ontkoppelen van hemelwater in het gehele bebouwde gebied

areaal van de bedrijventerreinen een probleem gaan worden (Arcadis et al.,

van de provincie Noord-Brabant een substantiële bijdrage kan leveren aan

2021).

de grondwaterstand (tot 1 meter stijging). Deze maatregelen bleken echter alleen relevant als tegelijkertijd de ontwatering (zoals peilregeling voor

Door het aanbrengen van vergroening en vergroten van de mogelijkheden

landbouw) wordt verminderd.

voor waterberging is de kans op wateroverlast op bedrijventerreinen sterk te verminderen (Arcadis et al., 2021). Tegelijkertijd kan vergroening, met name het planten van bomen en struiken, de temperatuur op een bedrij-

3.4 Biodiversiteitsherstel

venterrein enkele graden verlagen, het aantal dagen met hittestress vermin-

Bedrijventerreinen bestaan over het algemeen vooral uit beton en steen.

deren en zo de leefomgevingskwaliteit voor werknemers en bezoekers

De natuur is er ver te zoeken. Volgens Naus (2020) beperkt de huidige

verbeteren (Arcadis et al., 2021). Er is daarnaast ook een maatschappelijk

hoeveelheid natuurgroen en water zich op bedrijventerreinen tot 1% van

belang om de waterbergingscapaciteit op bedrijventerreinen te vergroten.

de oppervlakte; De Kort & Gradussen (2023b) schatten dat het gaat om 5

Dit maatschappelijk belang betreft met name het beperken van de belasting

tot 15%. Door het oppervlak aan natuurgroen en water te vergroten en te

van het rioolstelsel en van de risico’s van wateroverlast in de openbare

komen tot een meer ecologische inrichting van bedrijventerreinen, kunnen

ruimte.

de leefgebieden voor dieren, insecten en planten verbeteren (Rli, 2022). Bedrijventerreinen kunnen dan ook dienen als doorgangsroute voor dieren, insecten en planten om zich te verspreiden over andere leefgebieden.

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

75

Zeker bedrijventerreinen die zich op kleine afstand bevinden van natuur-

De transitieopgaven zorgen voor extra druk op de beschikbare ruimte. Denk

gebieden (17% bevindt zich binnen één kilometer van een Natura 2000-

aan de ruimte die nodig is voor waterberging, energieopwekking, e-laadsta-

gebied) kunnen zo substantieel bijdragen aan het biodiversiteitsherstel in

tions, biodiversiteitsherstel en circulaire activiteiten.27 In dit licht is het van

Nederland.

groot belang dat bedrijventerreinen mogelijkheden bieden om efficiënter met de gebruikte ruimte om te gaan.

Vergroening van bedrijventerreinen zorgt ook voor een aantrekkelijk arbeidsklimaat. Een groene werkomgeving zorgt volgens onderzoek voor

De mogelijkheden om de ruimte op reguliere bedrijventerreinen beter te

15% meer productiviteit en 23% minder ziekteverzuim (provincie Zuid-

benutten verschillen sterk per bedrijventerrein en per regio. Met het beter

Holland, 2023). Het vergroenen van bedrijfsterreinen heeft ook in econo-

benutten van het bouwvlak en het aanpassen van de regels voor de maxi-

misch opzicht nut: het zorgt voor een waardestijging van het vastgoed

male bouwhoogte is een potentiële ruimtewinst te behalen van naar schat-

van 4 tot 8%. Gegeven de huidige totale vastgoedwaarde van reguliere

ting 5 tot 10%. Zelfs een ruimtewinst tot 20% is in theorie haalbaar, door bij

bedrijventerreinen van ongeveer € 210 miljard betekent dit een potentiële

herstructurering van terreinen bedrijven met dezelfde milieucategorie bij

vastgoedwaardestijging van € 8 tot € 17 miljard (Arcadis et al., 2021; De Kort

elkaar te plaatsen (De Kort & Gradussen, 2023b).

& Gradussen, 2023b). Naast het beter benutten van de beschikbare ruimte speelt ook beleid een rol. Bedrijventerreinen worden bedreigd door woningbouw – soms lijkt

3.5 Ruimtelijke efficiëntie en landschapskwaliteit

het alsof alles daarvoor moet wijken. Gemeenten en provincies hebben de

Ruimte wordt steeds schaarser in Nederland. Ook op bedrijventerreinen

instrumenten om strategisch gelegen terreinen te beschermen. Hiermee kan

neemt de behoefte aan extra ruimte jaarlijks toe. De huidige ruimtevraag

nabijheid gecreëerd worden die belangrijk is voor verduurzaming. Dit gaat

voor uitbreiding of nieuwe bedrijfsruimte omvat circa 7.000 hectare, oftewel

met name over de circulaire economie en mobiliteit.

10% van het totale areaal aan bedrijventerreinen.26 Ook op het punt van landschapskwaliteit is op reguliere bedrijventerreinen in potentie veel winst te behalen. Op dit moment blinken bedrijventerreinen 26 Reguliere bedrijventerreinen beslaan op dit moment circa 10% van het bebouwde oppervlak in Nederland; dat is 2,4% van het totale oppervlak van Nederland (De Kort & Gradussen, 2023b). Zie figuur 1 in deel 1.

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

27 Het Europese voorstel gericht op bescherming van bodemgezondheid voegt een extra opgave toe aan het ruimtegebruik (zie tabel 3 van dit deel 2). Bij uitbreiding van bedrijventerreinen op natuur of landbouwgebied zijn er dan immers elders of op het terrein zelf compenserende maatregelen nodig die zorgen dat er netto geen negatieve effecten zijn op de bodem.

PRINT

76

doorgaans niet uit in landschappelijke schoonheid. Juist omdat reguliere

hoe ze deze energievraag zullen accommoderen. Dit is eens temeer urgent

bedrijventerreinen een relatief groot deel beslaan van het bebouwd opper-

omdat er nu al sprake is van netcongestie (zie § 3.1 van dit deel 2).

vlak in Nederland, levert meer aandacht voor landschapskwaliteit veel op. Het gaat daarbij zowel om een aantrekkelijke werkomgeving voor mede-

Een deel van de grotere vrachtwagens zal in de toekomst waarschijnlijk op

werkers als een aantrekkelijke leefomgeving voor omwonenden. Dit laatste

waterstof rijden, wat eveneens laadinfrastructuur vereist (Rli, 2021b). Het is

is vooral relevant wanneer een bedrijventerrein met fiets- of wandelroutes

nog niet duidelijk of ook deze laadinfrastructuur deels op bedrijventerreinen

wordt ontsloten (Nationaal Groeifonds, 2023).

terecht zal komen.

3.6 Mobiliteit De verduurzaming van mobiliteit behandelen wij in onze analyse niet als een afzonderlijk aspect, maar als een onderdeel van de energietransitie (zie § 1.3 van deel 1). Niettemin kunnen de implicaties van de verduurzaming van mobiliteit voor bedrijventerreinen groot zijn. Daarom besteden we er hier apart aandacht aan. Het aantal elektrische trucks en bestelauto’s neemt naar verwachting in de komende jaren flink toe, met name vanaf 2030. En 90% van alle trucks en 57% van de bestelauto’s hebben een bedrijventerrein als standplaats. Door elektrificatie van deze voertuigen ontstaat er een additionele elektriciteitsvraag. Volgens een onderzoek van ElaadNL gaat het om een extra elektriciteitsvraag van 16,7 TWh in 2050 (Refa et al., 2022). Dat is bijna 15% ten opzichte van het huidige totaalverbruik van heel Nederland. Deze extra elektriciteitsvraag zal zich vooral concentreren op bedrijventerreinen (De Kort & Gradussen, 2023b). Bedrijven op bedrijventerreinen moeten daarom op korte termijn samen met gemeente en netbeheerder gaan bedenken

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 3

PRINT

77

4 DUURZAAMHEIDSLABEL VOOR BEDRIJVENTERREINEN

bij technisch specialisten te rade moeten gaan.28 Hieronder zetten we om te beginnen uiteen wat de uitgangspunten zijn van het duurzaamheidslabel.

4.1 Algemene uitgangspunten Het door ons voorgestelde duurzaamheidslabel voor bedrijventerreinen zal moeten voldoen aan de volgende algemene uitgangspunten:

In deel 1 van dit advies hebben we de rijksoverheid geadviseerd om een

• Het label geeft de mate van duurzaamheid van het bedrijventerrein

toekomstbeeld voor bedrijventerreinen op te stellen en dit te vertalen

weer. Dit kan door middel van letters worden uitgedrukt, net zoals

naar meetbare doelstellingen met een bijbehorend tijdpad. De intro-

bij het Energielabel utiliteitsgebouwen (Rijksoverheid, 2023a) en het

ductie van een nationaal duurzaamheidslabel voor bedrijventerreinen is

Energielabel woningen (Rijksoverheid, 2023b). Een label G staat dan voor

in dit verband een goed instrument. Het biedt ondernemers duidelijkheid over hoe zij op korte en langere termijn kunnen voldoen aan Europese en nationale voorschriften. Bovendien kunnen bedrijventerreinen zich met dit label onderscheiden en extra waarde creëren, door eerder dan voorgeschreven te voldoen aan bepaalde duurzaamheidseisen.

‘nauwelijks duurzaam’ en een label A voor ‘volledig duurzaam’. • Het label betreft primair de mate waarin aan de collectieve opgaven is voldaan. Hiervoor zullen uiteraard vaak ook maatregelen op bedrijfs­ niveau nodig zijn. De scheidslijn tussen individuele en collectieve opgave moeten bij de concrete invulling van het labelsysteem nader worden uitgewerkt. • Het label heeft betrekking op nationale wet- en regelgeving. Aan eisen

In dit hoofdstuk bespreken we hoe het door ons voorgestelde duurzaam-

van lagere overheden (gemeente, provincie, waterschap) zoals verwoord

heidslabel er op hoofdlijnen uit zou kunnen zien. Ook schetsen we hoe in de

in omgevingsvergunning, -visie of keuren et cetera, moet zijn voldaan

toekomst, mocht wordt gekozen voor een verplicht duurzaamheidslabel, de

om het label te krijgen. Een bedrijventerrein kan dus niet een hoog label

toetsing en handhaving van het label kan worden ingericht. Bij dit laatste achten wij het niet onze rol om de details uit te werken; daarvoor zal het Rijk

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4

28 Het verdient aanbeveling om aan te sluiten bij bestaande initiatieven. Binnen het programma ‘Werklandschappen van de toekomst’ wordt op dit moment gewerkt aan een label voor bedrijventerreinen. Een andere bouwsteen voor het label zou het instrument BREAAM-NL Gebied kunnen zijn (zie § 1.8 van dit deel 2). Beide instrumenten kunnen een goed beginpunt vormen voor de ontwikkeling van een duurzaamheidslabel voor bedrijventerreinen. Daarbij moet wel worden bedacht dat de beide genoemde instrumenten nog niet alle aspecten van verduurzaming afdekken en dat BREEAM-NL Gebied veel meer omvat dan wij voor ogen hebben.

PRINT

78

krijgen als lokale regels worden overtreden. Verder speelt toekomstige

4.2 Specifieke uitgangspunten

lokale regelgeving geen rol in de toekenning. Met andere woorden: een

Het door ons voorgestelde duurzaamheidslabel voor bedrijventerreinen zal

bedrijventerrein kan het nationale duurzaamheidslabel niveau A of B

ook moeten voldoen aan enkele specifieke uitgangspunten. Het label:

krijgen als het in 2026 voldoet aan de nationale eisen van 2030 en daarbij

1. zal overzichtelijk moeten zijn en ruimte moeten bieden voor maatwerk;

moet het voldoen aan de lokale eisen van 2026, maar het feit dat het al

2. zal erop gericht moeten zijn dat bepaalde doelen worden gerealiseerd (en

voldoet aan lokale eisen van 2030 geeft geen sprong in het nationale label van bijvoorbeeld niveau D naar B of A. • Het label heeft geen betrekking op de uitvoering van publieke taken; deze blijven in overheidshanden. • De vereniging van het bedrijventerrein (zie aanbeveling 2.4 in deel 1) is ervoor verantwoordelijk dat aan de eisen van het duurzaamheidslabel

dus niet dat bepaalde maatregelen worden getroffen); 3. zal geen ruimte moeten laten voor vrijblijvendheid; 4. zal helder moeten definiëren volgens welke voorspelbare wijze periodiek de doelen voor alle bedrijventerreinen worden verhoogd; 5. zal zicht moeten bieden op financiële voordelen bij het realiseren van doelen.

wordt voldaan. Het staat bedrijven vrij om de collectieve opgaven individueel op te lossen, maar de vereniging blijft verantwoordelijk. Als een lid

Hieronder volgt een nadere toelichting.

van de vereniging weigert mee te werken aan gemaakte afspraken, zal de vereniging uiteindelijk naleving van de afspraken kunnen afdwingen via

1. Overzichtelijk met ruimte voor maatwerk

een gang naar de rechter (zie ook hoofdstuk 5 van dit deel 2).

Het label zal een onderliggend puntensysteem moeten hebben dat bepaalt

• De kosten die de vereniging maakt, kunnen ofwel naar rato over de

in welke mate doelen worden behaald. Hieruit volgt welk duurzaamheids­

deelnemende bedrijven worden verdeeld (bijvoorbeeld gebaseerd op

label een bedrijventerrein krijgt. Het aantal doelen per transitieopgave

kavelgrootte), ofwel volgens het profijtbeginsel (waarbij dan de te leveren

moet worden beperkt om een voor ondernemers overzichtelijk en werkbaar

bijdrage aan de kosten afhankelijk is van het voordeel dat het betreffende

label te creëren. Een beperkt aantal ‘key performance indicators’ is ook van

bedrijf geniet van een bepaalde collectieve maatregel).

belang voor de praktische uitvoerbaarheid. Het puntensysteem moet ruimte bieden voor maatwerk: een bedrijventerrein moet zelf kunnen bepalen hoe het de benodigde hoeveelheid punten gaat behalen. Zo moet een bedrijventerrein ervoor kunnen kiezen om per transitieopgave aan specifieke doelen te werken, waarbij punten worden vergaard naar de mate waarin dat specifieke doel is behaald. Als

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4

PRINT

79

bijvoorbeeld het doel is ‘Regenwater wordt niet afgevoerd maar lokaal

bepaald labelniveau niet voorschrijft dat een bedrijventerrein een water-

opgevangen’, levert 100% opvang 10 punten op, 90% opvang 9 punten

opslag- en infiltratievoorziening moet aanleggen, maar wel in welke mate

enzovoort. En als het doel luidt ‘De ruimte wordt optimaal benut’, levert een

het terrein bestand moet zijn tegen wateroverlast en droogte. Het is aan

Floor Space Index (FSI)29 van 0,XX 10 punten op, een FSI van 0,YY 9 punten

de vereniging op het bedrijventerrein om de maatregelen te kiezen die

enzovoort.

het beste passen bij de lokale situatie. Zo wordt recht gedaan aan lokale

Het door ons bepleite maatwerk zit hem vooral in de vrijheid die bedrijven-

verschillen: als er door (natuurlijke) omstandigheden geen probleem is met

terreinen hebben om in te zetten op maatregelen die passen bij de eigen

wateroverlast, hoeft het bedrijventerrein daarvoor geen maatregelen te

situatie. Stel dat elk bedrijventerrein op 1 januari 2030 duurzaamheidslabel

nemen.

C moet hebben, en dat dit betekent dat elk bedrijventerrein in dat jaar

Het centraal stellen van doelen bevordert het verbinden van opgaven en

60 van het maximum van 100 punten moet behalen. Bedrijventerreinen

maatregelen in een integrale aanpak. De aanleg van groenstroken bijvoor-

kunnen dan zelf bepalen hoe ze de benodigde 60 punten behalen. Als een

beeld, kan zowel punten opleveren voor de doelstelling behorend bij

bedrijventerrein vooral iets aan wateropvang wil doen omdat het last heeft

klimaatadaptatie als voor de doelstelling behorend bij biodiversiteitsherstel.

van wateroverlast of droogte, of omdat daar het snelst punten te behalen zijn, kan het ervoor kiezen om maatregelen te nemen die bijdragen aan de

3. Tegengaan van vrijblijvendheid

opvang van water.

Het duurzaamheidslabel zal vrijblijvendheid moeten tegengaan. Hierin

Het Rijk zal de flexibiliteit die gepaard gaat met maatwerk zo nodig wel

wordt voorzien doordat elk bedrijventerrein voldoende punten moet

moeten kunnen inperken. Bijvoorbeeld door voor het behalen van bepaalde

behalen om het in jaar X voorgeschreven label te bemachtigen. Ongeacht

doelen extra veel punten te geven, of door het systeem zo in te richten dat

de specifieke situatie van het bedrijventerrein, zal elk bedrijventerrein

het benodigde totaal aantal punten alleen kan worden behaald door het

voldoende punten moeten behalen om aan de eisen van het label te

realiseren van bepaalde basisdoelen.

voldoen. Uiteindelijk (in de laatste fase van het tijdpad) zal elk bedrijven­ terrein label A moeten behalen.

2. Doelen centraal, niet de maatregelen Het duurzaamheidslabel zal gericht moeten zijn op het behalen van doelen

4. Helder tijdpad

en niet op het treffen van maatregelen. Concreet betekent dit dat een

Het Rijk zal een helder tijdpad moeten koppelen aan het duurzaamheids-

29 De Floor Space Index (FSI) geeft de verhouding weer tussen het bebouwde bruto vloeroppervlak en de netto uitgegeven kaveloppervlakte (De Kort & Gradussen, 2023b).

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4

label. Dat kan bijvoorbeeld door te bepalen dat elke vijf jaar een hoger duurzaamheidslabel als minimaal vereiste geldt. Daarbij zal het Rijk duidelijk

PRINT

80

moeten vermelden welke eisen bij de labels horen, zodat verenigingen

4.3 Toetsing en handhaving

van bedrijventerreinen weten wanneer ze welke doelen moeten hebben

Wij hebben het Rijk in deel 1 aanbevolen om te zorgen voor een heldere

behaald. Stel dat op dit moment duurzaamheidslabel G de minimumnorm

taakverdeling rond het verduurzamen van reguliere bedrijventerreinen en

is, dan wordt dat over vijf jaar duurzaamheidslabel F, over tien jaar duur-

provincies daarbij een centrale rol te geven (zie § 5.3 in deel 1). Wij vinden

zaamheidslabel E enzovoort. Uiteindelijk zullen alle bedrijfsterreinen op

de provincie ook de aangewezen bestuurslaag om, als op termijn wordt

hetzelfde moment moeten voldoen aan de voorwaarden van label A en

gekozen voor een verplicht duurzaamheidslabel, toe te zien op controle en

dus voor alle verduurzamingsaspecten voldoende punten moeten hebben

handhaving rond het label. Provincies kunnen de uitvoering van de controle

behaald.

neerleggen bij de omgevingsdiensten; in hoofdstuk 6 van dit deel 2 gaan we hier nader op in. De uitgifte van duurzaamheidslabels kan worden uitbe-

5. Financiële voordelen

steed, bijvoorbeeld aan externe adviseurs die toegekende labels vervolgens

Bedrijventerreinen zullen door middel van het duurzaamheidslabel moeten

laten registreren (zoals nu ook gebeurt bij Energielabel C voor kantoor-

worden gestimuleerd om hun verduurzaming te versnellen. Dit kan het Rijk

panden (KvK, 2023)).

doen door een hoog duurzaamheidslabel financieel te belonen Een hoog duurzaamheidslabel is ook voor de markt zichtbaar. Een terrein kan daarmee aantrekkelijk worden voor nieuwe bedrijven. Een nieuwe eigenaar hoeft immers minder in verduurzaming te investeren. Op die manier kan een hoog label de vastgoedwaarde van een bedrijventerrein ten goede komen. De overheid kan dit effect op termijn, als het label verplicht kan worden gesteld, versterken door het duurzaamheidslabel verplicht op te laten nemen in taxatierapporten van bedrijfspanden en kavels. Hoe hoger een label, hoe beter dat is voor de verkoopwaarde van het pand of kavel. Een hoog duurzaamheidslabel heeft ook waarde met het oog op de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) van de Europese Unie. Daarnaast kunnen bedrijven een hoog duurzaamheidslabel gebruiken in hun eigen marketing.

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 4

PRINT

81

5 WET ORGANISATIE­VORMING BEDRIJVENTERREINEN

dat dit soort organisaties eigener beweging maatregelen nemen die de overheid anders zou moeten opleggen. Om een zelfregulerende organisatie goed te laten functioneren is het cruciaal dat de organisatie representatief is. Met andere woorden: het is van belang dat alle betrokken partijen lid zijn én blijven. Deze representativiteit is niet vanzelfsprekend, omdat het lidmaatschap in beginsel vrijwillig is.

Wij hebben in deel 1 van dit advies aanbevolen om bedrijven op

De overheid heeft drie type instrumenten om rechtspersonen of natuurlijke

bestaande reguliere bedrijventerreinen wettelijk te verplichten zich

personen aan te zetten tot lidmaatschap van een privaatrechtelijke organi-

te verenigen. In dit hoofdstuk beschrijven we welke opties de overheid

satie (Beurskens, 2022). We lichten deze hieronder kort toe.

heeft om organisatievorming te bevorderen en waarom wij een wet voor

1. Aansluitprikkels. Van aansluitprikkels is sprake als de overheid partijen

verplichte organisatievorming op bedrijventerreinen de beste keuze vinden. Ook zetten we uiteen welke organisatievorm (vereniging, stichting, enzovoort) het meest geschikt is en welke aanvullende maatregelen de overheid volgens ons zou moeten nemen.30

stimuleert om deel te nemen aan de zelfregulerende organisatie door het toekennen van (financiële en/of economische) voordelen aan lidmaatschap. Het gaat hier om positieve prikkels (beloning). Bij een aansluitprikkel leiden de voordelen voor de aangeslotenen niet tot onoverkomelijke nadelen voor de niet-aangeslotenen. In het geval van bedrijventerreinen zou een aansluitprikkel kunnen

5.1 Opties om organisatievorming te bevorderen

inhouden dat alleen leden van een ondernemersvereniging op een bedrij-

De rijksoverheid kan voor het realiseren van haar doelstellingen – zoals

venterrein in aanmerking komen voor een subsidie voor verduurzaming.

verduurzaming van bedrijventerreinen – een beroep doen op privaatrech-

2. Aansluitdwang. Van aansluitdwang is sprake als de overheid partijen die

telijke organisaties als verenigingen en stichtingen. Dergelijke organisaties

zich aansluiten bij de zelfregulerende organisatie substantiële, exclusieve

worden ook wel ‘zelfregulerende organisaties’ genoemd (Beurskens, 2022).

voordelen toekent. Partijen die zich niet aansluiten worden dan substan-

In de context van bedrijventerreinen verwijst ‘zelfregulerend’ naar het feit

tieel benadeeld (dat wil zeggen: ingrijpend geraakt in hun bedrijfsvoering) en daardoor de facto gedwongen zich aan te sluiten – er is sprake

30 Voor de totstandkoming van dit hoofdstuk hebben wij gesproken met prof. mr. Fokke Jan Vonck (Vrije Universiteit Amsterdam) en mr. L.R.M.A. (Nard) Beurskens (Radboud Universiteit). Wij zijn hen zeer erkentelijk voor hun opmerkingen.

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5

van schijnvrijheid. Het gaat hier om negatieve prikkels (dwang), vaak financieel en/of economisch van aard. Voorbeeld: op grond van Europese

PRINT

82

regelgeving mogen paarden alleen als raspaard worden verhandeld als

5.2 Voor- en nadelen per optie

ze zijn geregistreerd door een stamboekvereniging. Lidmaatschap van zo’n vereniging is niet verplicht, maar wie zijn of haar paard als raspaard

Aansluitprikkels

wil verhandelen, kan niet anders dan lid worden.

• Voordelen: Er zijn geen juridische risico’s. Dat wil zeggen: er is geen risico

In het geval van bedrijventerreinen zou aansluitdwang kunnen inhouden

dat partijen op wie de aansluitprikkel van toepassing is, deze met succes

dat de overheid besluit om aan het verlenen van omgevings- of

juridisch zullen aanvechten.

andere vergunningen aan ondernemers op een bedrijventerrein,

• Nadelen: De aansluitprikkel moet sterk genoeg zijn en blijven om partijen

de voorwaarde te verbinden dat deze ondernemers lid zijn van een

te motiveren om lid te worden. Wat voor de ene partij een sterke prikkel

bedrijventerreinvereniging.

is, hoeft dat niet voor een andere partij te zijn. Hierdoor is volledige of

3. Wettelijke aansluitplicht. Van een wettelijke aansluitplicht is sprake als

voldoende representativiteit geen vanzelfsprekendheid. Een ander nadeel

de overheid in een wet vastlegt dat partijen verplicht zijn om zich aan

van het toepassen van aansluitprikkels is dat ze – indien ze een financieel

te sluiten bij een zelfregulerende organisatie. Voorbeeld: op grond van

en fiscaal voordeel behelzen – overheidsgeld kosten en dat de werking

de Wet kinderopvang zijn kindercentra en gastouderbureaus verplicht

ervan wegvalt zodra de overheid er geen geld meer voor over heeft.

aangesloten bij een door de minister erkende geschillencommissie. Een aansluitplicht kan gelden voor een privaatrechtelijke organisatie,

Aansluitdwang

maar ook voor een publiekrechtelijke organisatie. De Koninklijke

• Voordelen: Het instrument is effectief, want partijen kunnen er vrijwel niet

Notariële Beroepsorganisatie (KNB) is een voorbeeld uit die laatste cate-

omheen; ze worden feitelijk gedwongen om lid te worden.

gorie. Notarissen die hun beroep willen uitoefenen, zijn van rechtswege

• Nadelen: Er zijn juridische risico’s. Dit komt doordat (1) er een monopolie

lid van de KNB. Publiekrechtelijke organisaties hebben andere rechten,

wordt gecreëerd en (2) de privaatrechtelijke organisatie disproportioneel

plichten en bevoegdheden dan privaatrechtelijke organisaties. Bovendien

veel macht krijgt.

vallen ze binnen publiekrechtelijke kaders.

Ad (1): Als de overheid exclusieve rechten verleent aan de zelfregulerende organisatie (zoals bij de stamboekpaarden), kunnen de betrokken

De overgang tussen aansluitprikkel en aansluitdwang is gradueel. De over-

partijen feitelijk niet om die organisatie heen. Er ontstaat daarmee een

gang tussen prikkel en dwang en plicht is strikt: er is wel of niet een wette-

monopolie en dit kan in strijd zijn met mededingingswetgeving.

lijke bepaling die tot lidmaatschap verplicht.

Ad (2): Een privaatrechtelijke organisatie heeft het recht om eisen en voorwaarden te stellen aan lidmaatschap. Ze kan dus aspirant-leden

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5

PRINT

83

weigeren of leden royeren. Tegelijkertijd kunnen leden niet opstappen

Artikel 11 EVRM: noodzakelijkheid en proportionaliteit

zonder substantieel in hun bedrijfsvoering te worden benadeeld. De

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) stelt strenge

privaatrechtelijke organisatie heeft aldus veel macht; de proportionaliteit

eisen aan noodzakelijkheid en proportionaliteit. Zo kende IJsland voor

daarvan is juridisch aanvechtbaar.

taxichauffeurs dertig jaar geleden een wettelijke aansluitplicht bij een belangenorganisatie voor taxichauffeurs. Zonder aansluiting kregen

Aansluitplicht

chauffeurs geen taxivergunning. Het EHRM verwierp deze regeling op

• Voordelen: Het is een effectieve maatregel die voor iedereen geldt en

grond van EVRM artikel 11, omdat de wettelijke aansluitplicht niet nood-

daarmee voorziet in een belangrijke voorwaarde: representativiteit.

zakelijk voor het beoogde doel zou zijn, te weten het toezicht houden

Aansluitplicht biedt duidelijkheid voor de lange termijn (in tegenstel-

op vergunninghouders. Noodzakelijkheid en proportionaliteit zijn

ling tot financiële prikkels, die gevoelig zijn voor grillige politieke

situationeel.

besluitvorming).

Op grond van hetzelfde artikel 11 oordeelde in 2019 het College van

• Nadelen: Er zijn juridische risico’s. Aansluitplicht vormt namelijk een

Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dat Amsterdamse taxichauffeurs wél

inbreuk op het recht op vrijheid van vereniging (preciezer: de vrijheid om

verplicht mogen worden om lid te worden van een erkende ‘toegelaten

niet gedwongen te worden je te verenigen), zoals geformuleerd in het

taxi-organisatie’. Volgens het CBb was deze aansluitplicht gerechtvaar-

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM artikel 11). Het

digd omdat (1) de Wet personenvervoer voorzag in aansluitplicht, (2)

EVRM staat overigens aansluitplicht toe als (1) de wet daarin voorziet (en

gewelddadige incidenten op de Amsterdamse taximarkt de aansluitplicht

dus expliciet in een wet wordt genoemd) en (2) daarvoor overtuigende en

noodzakelijk maakten en (3) er geen sprake was van landelijk verplichte

dwingende gronden zijn die een noodzakelijkheids- en proportionaliteits-

organisatievorming (de Wet personenvervoer bood de optie voor

toets kunnen doorstaan; zie kader.

gemeenten om organisatievorming te verplichten).

Voor eigenaren van appartementsrechten geldt dat zij van rechtswege lid zijn van een Vereniging van Eigenaren (VVE). In principe kan het verplichte lidmaatschap van een VVE ook worden beschouwd als een inperking van de vrijheid om niet te worden gedwongen je te verenigen. Maar in dat geval wordt die inperking als gerechtvaardigd beschouwd

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5

PRINT

84

omdat op voorhand duidelijk is dat je lid moet worden als je een appar-

erfpachters en gebruikers van desbetreffend bedrijventerrein vertegen-

tement koopt en omdat er weinig alternatieven bestaan om het gemeen-

woordigt, bij voorkeur met ingang van 2030. Reeds bestaande organisaties

schappelijke deel in een appartementencomplex te regelen.

die bedrijventerreinen vertegenwoordigen zullen zo nodig aanpassingen moeten plegen om aan de nieuwe wet te voldoen.

5.3 Noodzaak en proportionaliteit van een wettelijke

Een wettelijke verplichting voor ondernemers op bedrijventerreinen om zich

aansluitplicht

aan te sluiten bij een vereniging is volgens ons noodzakelijk en proportio-

Wij hebben in deel 1 van dit advies vastgesteld dat het tot nu toe gevoerde

neel om de volgende redenen:

overheidsbeleid, dat is gebaseerd op aansluitprikkels, onvoldoende resultaat heeft opgeleverd. Instrumenten als de BIZ en ondernemersfondsen

Noodzakelijk:

hebben de afgelopen jaren nauwelijks tot een hogere organisatiegraad

• Verduurzaming van bedrijventerreinen kan niet zonder bestendige

geleid (zie ook § 1.4 van dit deel 2). Al met al bedraagt de organisatiegraad

samenwerking en dus organisatievorming. Verduurzaming is zowel nood-

op reguliere bedrijventerreinen circa 20% (De Kort & Gradussen, 2023a).

zakelijk voor bedrijven als voor de maatschappij (zie hoofdstuk 1 en 2 van deel 1). Pogingen de organisatiegraad te verhogen hebben tot nu toe

De overheid zal daarom effectievere prikkels moeten toedienen, die daad-

onvoldoende resultaat gehad. Nieuwe aansluitprikkels, zoals wij aanbe-

werkelijk aanzetten tot organisatievorming. In aanbeveling 2 hebben wij

velen, zullen tot meer, maar niet tot de benodigde 100% organisatiegraad

diverse soorten aansluitprikkels voorgesteld. Wij verwachten dat deze prik-

leiden. Daarom is aansluitplicht als ‘laatste redmiddel’ noodzakelijk.

kels tot een hogere organisatiegraad zullen leiden. Deze hogere organisatie-

• Aansluitprikkels moeten in voldoende mate worden toegediend en toege-

graad zal echter niet meer zijn dan een eerste stap. Om de organisatiegraad

diend blijven worden. Dat vereist politieke vasthoudendheid en daarvoor

te bereiken die nodig is om alle bedrijventerreinen te verduurzamen, zal

bestaat geen garantie. Een wettelijke aansluitplicht biedt die garantie wel.

naar ons oordeel het invoeren een aansluitplicht op termijn onvermijdelijk zijn.

• Organisatievorming is niet alleen noodzakelijk om bedrijventerreinen te verduurzamen, maar ook om de algehele staat van een bedrijventerrein te verbeteren (‘schoon, heel en veilig’). Toekomstige, nu nog onbekende

Wij vinden dan ook dat het Rijk door middel van een Wet organisatievor-

uitdagingen zullen waarschijnlijk ook baat hebben bij een georganiseerde

ming bedrijventerreinen alle bedrijven op bedrijventerreinen wettelijk moet

gezamenlijke aanpak.

gaan verplichten zich aan te sluiten bij een vereniging die de eigenaren/

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5

PRINT

85

• Vrijwillige organisatievorming wordt bevorderd wanneer men weet dat er een wettelijke aansluitplicht aan gaat komen.

realiseerbaar zijn. Daarnaast zijn er maatregelen die door organisatie­ vorming goedkoper worden (zie hoofdstuk 3 van deel 1). • Verplichte aansluiting bij een vereniging is ook proportioneel omdat

Proportioneel

deze verplichting in tal van andere situaties niet als een probleem wordt

• Het takenpakket van de vereniging is proportioneel, dat wil zeggen: niet

ervaren. Als bedrijven zich willen vestigen op een nieuw bedrijventerrein,

groter dan noodzakelijk uit het oogpunt van verduurzaming van het

is verplicht lidmaatschap van een vereniging gebruikelijk en dit blijkt in

bedrijventerrein. De taken omvatten in ieder geval: (1) het inhuren van

de praktijk geen belemmering te zijn.

een parkmanager en (2) het laten opstellen van een plan van aanpak door de parkmanager dat wordt goedgekeurd door het bestuur en de leden,

Wij kiezen niet voor verplichte aansluiting bij een publiekrechtelijke organi-

met het oogmerk te voldoen aan wet- en regelgeving voor verduurza-

satie, omdat wij het creëren van een nieuwe overheidsinstantie onwenselijk

ming van bedrijventerreinen. De kosten voor de uitvoering van het plan

vinden. Bovendien vinden wij het cruciaal dat ondernemers (de eigenaren

van aanpak kunnen worden verdeeld naar rato (bijvoorbeeld gebaseerd

en gebruikers van het bedrijventerreinen) zoveel mogelijk zelf besluiten hoe

op kavelgrootte) of volgens het profijtbeginsel (de bijdrage is dan afhan-

zij willen verduurzamen binnen de kaders die overheid stelt. Een privaat-

kelijk van het voordeel dat betreffende partij geniet van een bepaalde

rechtelijke organisatie met evenredige representatie doet daar zo veel

collectieve maatregel).

mogelijk recht aan.

• Proportioneel is ook de verantwoordelijkheid die de vereniging draagt voor eventuele specifieke verduurzamingsmaatregelen die in een

Wij kiezen evenmin voor aansluitdwang. Aansluitdwang brengt volgens ons

concreet geval door het bevoegd zijn opgelegd (zie aanbeveling 3.2

te grote juridische risico’s met zich mee en is bovenal juridisch onzuiver.

in deel 1). De kosten die de vereniging hierbij maakt kunnen opnieuw

Als het Rijk het noodzakelijk vindt dat bedrijven op bedrijventerreinen zich

worden verdeeld naar rato (bijvoorbeeld gebaseerd op kavelgrootte)

verenigen, moet het daar open en eerlijk op sturen en niet via sluippaadjes.

of volgens het profijtbeginsel (de bijdrage is dan afhankelijk van het

Een aansluitplicht is in dat opzicht de beste keuze, temeer daar er voldoende

voordeel dat betreffende partij geniet van een bepaalde collectieve

argumenten zijn die de noodzakelijkheid en proportionaliteit van organisa-

maatregel).

tievorming onderbouwen. Het wettelijk vastleggen van de aansluitplicht is

• Organisatievorming is voorts proportioneel omdat sommige noodza-

ook noodzakelijk omdat het EVRM dit vereist (zie § 5.2 hierboven).

kelijke verduurzamingsmaatregelen zonder organisatievorming niet

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5

PRINT

86

5.4 Keuze van de organisatievorm

van bedrijven op bedrijventerreinen (zie hoofdstuk 3 en aanbeveling 2.4 in

Als organisatievorming op bedrijventerreinen wettelijk verplicht gesteld

deel 1). Eventueel kunnen gebruikers en eigenaren een verschillende status

gaat worden, is de volgende vraag: welke organisatievorm is het meest

in de vereniging krijgen, met eigen rechten en plichten.

geschikt? Een vereniging, een stichting, een coöperatie?

De taakstelling van de vereniging moet, gelet op de noodzaak, proportioneel zijn. Zoals gezegd zal de wet steeds twee algemene taken aan de

Wij zijn van oordeel dat een vereniging het beste past bij het doel van orga-

vereniging moeten geven: 1) inhuur van een gecertificeerde parkmanager

nisatievorming op bedrijventerreinen. De organisatie moet ondernemers

en 2) opstellen van een plan van aanpak om te voldoen aan wet- en regel-

immers inspraak bieden bij de keuze van de verduurzamingsmaatregelen

geving betreffende verduurzaming van het bedrijventerrein (zie aanbeveling

(binnen de kaders die het Rijk stelt), zodat deze het beste bij hun bedrijven­

2.4 in deel 1).

terrein passen. Een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid biedt

De provincie kan in nauw overleg met de gemeente een of meer aanvul-

daarvoor de beste mogelijkheden, omdat de leden van een vereniging

lende specifieke opgaven aan een bedrijventerrein opleggen. Dit kan

inspraak hebben via de ledenvergadering. De door ons voorgestelde Wet

bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer de landschappelijke inpassing

organisatievorming bedrijventerreinen zal moeten voorschrijven aan welke

van een bedrijventerrein specifieke maatregelen vereist. De taken van de

eisen de statuten en het huishoudelijk reglement moeten voldoen, zodat de

vereniging voor een dergelijk bedrijventerrein worden dan uitgebreid. De

leden maximale inspraak hebben.

provincie zal in zo’n geval moeten aantonen waarom deze aanvullende

In een stichting hebben de leden geen directe invloed op de besluitvorming

opgave noodzakelijk en proportioneel is.

en daarom valt deze organisatievorm naar ons oordeel af. Coöperaties zijn een specifieke vorm van vereniging; deze organisatievorm is dus eventueel ook te verkiezen. Het behalen van financieel voordeel

5.5 Aanvullende acties op provinciaal niveau

(bijvoorbeeld met gezamenlijke energiebesparing of gezamenlijke inkoop

De invoering van de Wet organisatievorming bedrijventerreinen vraagt om

van diensten) kan soms beter in een coöperatie, omdat coöperaties een

een aantal aanvullende maatregelen op provinciaal niveau:

winstoogmerk mogen hebben.

• De provincie zal de locatiegrenzen van elk afzonderlijk bedrijventerrein moeten afbakenen. Dit is nodig om te voorkomen dat bedrijven dat zelf

De leden van de vereniging zijn (1) eigenaren van kavels en panden en

doen, met mogelijk onwenselijke uitkomsten (kavels die minder goed

(2) gebruikers van de panden. Eigenaren en gebruikers hebben verschil-

passen bij verduurzamingsplannen blijven alleen achter, bijvoorbeeld).

lende belangen en rollen en zijn beiden van belang bij de verduurzaming

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5

PRINT

87

Deze afbakening moet relatief snel gebeuren, zodat verenigingen die zich vrijwillig organiseren (en verduurzamingsmaatregelen treffen) zich langs dezelfde geografische grenzen verenigen als de provincie voor ogen heeft. Overigens bevat het Integraal Bedrijventerreinen Informatie Systeem (IBIS) een afbakening van bedrijventerreinen die leidend kan zijn. Dit systeem wordt door de provincies gevoed.

6 UITVOERING VAN ONZE AANBEVELINGEN: VERLOOP VAN HET PROCES

• In ons voorstel worden bedrijven eerst gestimuleerd om vrijwillig een vereniging op te richten. Als er na de ingangsdatum van de wet (wij

In dit hoofdstuk beschrijven we wat er komt kijken bij de uitvoering van

stellen 2030 voor) nog geen vereniging is opgericht, zal de provincie dat

de aanbevelingen die wij in hoofdstuk 5 van deel 1 hebben geformuleerd.

moeten (laten) doen. De provincie benoemt in dat geval bestuurders

We schetsen het verloop van het proces: wie speelt op welk moment

(bijvoorbeeld ambtenaren) die de leden van de vereniging kunnen repre-

welke rol? En wat gebeurt er als een van de partijen verzaakt?

senteren en later eventueel kunnen worden vervangen door leden van de vereniging. Het verduurzamen van bedrijventerreinen is een samenspel tussen diverse private en publieke partijen. Bedrijven op bedrijventerreinen spelen hierin de hoofdrol en het Rijk moet de kaders scheppen zodat het samenspel optimaal kan plaatsvinden, zoals hoofdstuk 5 in deel 1 beschrijft. Aangezien onze aanbevelingen gericht zijn aan het Rijk, schetst dit hoofdstuk met name de maatregelen die het Rijk moet nemen.

6.1 Samenspel tussen de partijen Het Rijk formuleert een toekomstbeeld voor bedrijventerreinen, waarin staat (a) wat een duurzaam bedrijventerrein is en wat niet, (b) welke kansen en voordelen een duurzaam bedrijventerrein biedt voor bedrijven die er gevestigd zijn (c) op welke manier bedrijventerreinen bijdragen aan de

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 5

PRINT

88

verduurzamingsopgaven van Nederland en (d) wanneer welke tussen-

Tegelijkertijd worden bedrijven op bedrijventerreinen op diverse manieren

stappen moeten zijn gezet om in 2050 alle Nederlandse bedrijventerreinen

verleid om een vereniging op te richten (zie § 5.2 van deel 1). Om te

duurzaam te laten zijn (‘backcasting’).

beginnen weten bedrijven op bedrijventerreinen dat het in 2030 wettelijk verplicht is om een vereniging op te richten. Dit besef alleen al stimuleert

Vervolgens vertaalt het Rijk dit toekomstbeeld in meetbare doelen (vastge-

naar verwachting de vrijwillige organisatievorming. Daarnaast worden

legd in wet- en regelgeving) voor bedrijventerreinen. Periodiek worden de

bedrijven verleid tot vrijwillige organisatievorming doordat het Rijk een

doelen volgens een helder tijdpad op voorspelbare wijze aangescherpt. Wij

nationaal fonds voor de verduurzaming van bedrijventerreinen in het leven

achten een duurzaamheidslabel een geschikt beleidsinstrument om deze

roept. Vanuit dit fonds worden grootschalige, collectieve maatregelen op

doelen en tijdpad overzichtelijk en helder te presenteren.31 In hoofdstuk 4

bedrijventerreinen gesubsidieerd, zoals de aanleg van een warmtenet of

van dit deel 2 hebben we de uitgangspunten voor zo’n label beschreven.32

een energiehub. Alleen verenigingen van bedrijventerreinen met een gecertificeerde parkmanager33 komen in aanmerking voor subsidies uit dit fonds.

Bedrijven op bedrijventerreinen weten nu waar ze aan toe zijn. Maar het is nog niet duidelijk wie verantwoordelijk is voor het behalen van de verduur-

Overigens is het nationaal fonds verduurzaming bedrijventerreinen een

zamingsdoelen. Immers: bedrijventerreinen bestaan nog niet als juridische

bundeling van bestaande verduurzamingsprogramma’s van het Rijk voor

entiteit. Daarom kondigt het Rijk een Wet organisatievorming bedrijventer-

bedrijven en bedrijventerreinen. Het fonds dient meerdere verduurzamings-

reinen aan, waarin het bedrijven die op een bedrijventerrein zijn gevestigd,

doelen. Naast het bevorderen van organisatievorming subsidieert het de

verplicht om in 2030 lid te zijn van een vereniging die het bedrijventerrein

bedrijfseconomisch onrendabele top en bestrijdt het interdepartementale

vertegenwoordigt. Deze vereniging is verantwoordelijk voor het behalen

verkokering omdat het de bestaande subsidies voor verduurzaming op

van de doelen voor het bedrijventerrein. De provincie bepaalt wat de loca-

bedrijventerreinen onderbrengt in één fonds dat door één ministerie (EZK)

tiegrenzen van elk bedrijventerrein zijn en dus welke bedrijven gezamenlijk

wordt beheerd.

een vereniging moeten oprichten, als die er nog niet is. Bedrijven op bedrijventerreinen krijgen voor het oprichten van een vereniging van overheidswege ondersteuning. Zij ontvangen via de provincie 31 Zoals wij in § 5.1 van deel 1 hebben besproken, zijn ook andere instrumenten denkbaar. 32 Een duurzaamheidslabel kan ook een ander proces in werking zetten: het levert financiële waarde op, hetgeen de aantrekkingskracht voor bedrijven vergroot. Zie § 5.1 in deel 1 en punt 5 in § 4.2 van dit deel 2.

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 6

gedurende minimaal twee jaar subsidie (het Rijk stelt hiervoor budget 33 Het Rijk kan kiezen voor certificering van parkmanagers door een op te richten instantie of in een lichtere variant deze laten registreren door Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s).

PRINT

89

beschikbaar) voor de oprichtingskosten en voor de kosten van inhuur van

meebrengen (denk aan clustering per milieucategorie). Met deze ruim-

een gecertificeerde parkmanager. Kennis en praktische hulp kunnen de

telijke sturing creëren de provincies zekerheid voor de langere termijn:

bedrijven verkrijgen bij de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s)

bedrijven en andere partijen weten waar ze aan toe zijn.

(zie ook hierna).

• De provincies bepalen of het plan van aanpak van een bedrijventerrein bijdraagt aan een optimale regionale inpassing. Indien nodig sturen ze

De vereniging is niet alleen wettelijk verplicht om een gecertificeerde park-

bij. Hierbij hebben zij oog voor de regionale economie.

manager in te huren, maar ook een plan van aanpak op te (laten) stellen.

• De provincies hebben de vrijheid om zelf te bepalen hoe zij de verduur-

Hierin beschrijft de vereniging hoe het bedrijventerrein wil verduurzamen

zaming van bedrijventerreinen op hun grondgebied willen aanjagen. Zo

conform wet- en regelgeving (of het verplichte duurzaamheidslabel, als

kunnen ze zelf programma’s ontwikkelen en uitvoeren, taken delegeren

daar op termijn voor wordt gekozen). De vereniging kan het opstellen van

of een samenwerkingsverband aangaan met een coalitie van betrokken

het plan van aanpak uitbesteden aan de parkmanager of een adviesbureau.

partijen. Ook kunnen de provincies taken neerleggen bij grote steden,

De vereniging is verplicht hierbij de gemeente te betrekken. De gemeente

(metropool)regio’s of hiervoor ROM’s inschakelen. Wie het verduurza-

is immers een cruciale partij als lokaal bevoegd gezag, vergunningverlener

mingsproces ook aanstuurt, een belangrijk onderdeel van de werkzaam-

en eigenaar van openbare ruimte op het bedrijventerrein. De gemeente ziet

heden zal moeten bestaan uit het stimuleren van organisatievorming,

erop toe dat relevante belanghebbenden, variërend van buurtbewoners

bijvoorbeeld door ondernemers bij elkaar te brengen en hen te helpen bij

tot netbeheerders, op een toereikende manier worden betrokken bij de

het oprichten van een vereniging.

verduurzamingsplannen.

• De provincie kan in nauw overleg met de gemeente specifieke verduurzamingsdoelen aan een bedrijventerrein opleggen, aanvullend op de

De provincies krijgen in ons advies een centrale rol. Zij worden verantwoor-

generieke eisen van het duurzaamheidslabel. Het moet dan wel gaan om

delijk voor de verduurzaming van de bedrijventerreinen op hun grondge-

maatregelen die in een specifieke situatie noodzakelijk en proportioneel

bied en ze rapporteren hierover aan het Rijk. Voorts krijgen zij de volgende

zijn. Denk aan extra maatregelen voor de opvang van regenwater omdat

rollen en verantwoordelijkheden.

een bedrijventerrein zich in een laaggelegen polder bevindt. De provincie

• Vanuit hun verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke ordening bepalen

legt in zo’n geval de specifieke extra verduurzamingsdoelen op aan

de provincies welk bedrijventerrein waar komt en blijft en welke functies

desbetreffende bedrijventerreinvereniging.

er aanwezig mogen zijn. Verduurzaming van bedrijventerreinen kan

• Waar nodig kan de provincie ten behoeve van het verduurzamingsproces

verplaatsing van bedrijven of zelfs gehele bedrijventerreinen met zich

op bedrijventerreinen herstructureringsmaatschappijen oprichten dan

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 6

PRINT

90

wel verstevigen. De financiering is dan bij voorkeur geregeld via revolve-

6.2 Handhaving

rende fondsen (zoals de Herstructureringsmaatschappij Overijssel; zie het

Hieronder bespreken we welke mechanismen in werking treden als een van

kader in § 4.2.6 van deel 1).

de partijen zich niet aan de wet- en regelgeving houdt die wij aanbevelen. • Bedrijven op een bedrijventerrein richten geen vereniging op.

De Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) ontwikkelen zich in

Als een bedrijventerrein in 2030 nog geen vereniging heeft opgericht, zal

onze voorstellen tot hét expertisecentrum voor verduurzaming van bedrij-

de betreffende provincie dat doen. De provincie wijst dan bestuurders

venterreinen waar overheden, bedrijven en bedrijventerreinverenigingen

aan (bijvoorbeeld ambtenaren). Deze kunnen vervolgens door de leden

terecht kunnen voor kennis en ondersteuning (zie § 5.3 in deel 1). De ROM’s

(de bedrijven op het terrein) worden vervangen.

vormen een landelijk netwerk met veel lokale kennis waarvan bedrijven,

• Bedrijven weigeren mee te werken aan het plan van aanpak dat de

bedrijventerreinverenigingen en overheden kunnen profiteren. Ook kunnen

vereniging heeft opgesteld.

zij als ‘oliemannetje’ samenwerking stimuleren tussen partijen die in

Bedrijven zijn van rechtswege lid van de vereniging. Als zij zich niet

hetzelfde schuitje zitten of elkaar kunnen helpen. Tegelijkertijd zijn ROM’s

houden aan de afspraken die met een meerderheid van stemmen zijn

verenigd in ROM Nederland, wat nationale kennisdeling mogelijk maakt.

gemaakt, kan het bestuur van de vereniging via de rechter verzakende

De ROM’s nemen dus een deel van de taken over die nu nog behoren bij

bedrijven dwingen om zich alsnog aan de afspraken te houden.

de uitvoering van het programma ‘Verduurzaming Bedrijventerreinen’ van

• Een bedrijventerrein voldoet niet aan wet- en regelgeving betreffende

het Ministerie van BZK. De ROM’s moeten tevens zo veel mogelijk samen-

verduurzaming van bedrijventerreinen (of bij toekomstige verplichtstel-

werken met bestaande kennisinfrastructuur.

ling van het duurzaamheidslabel niet aan de daarvoor geldende criteria). De omgevingsdiensten toetsen of bedrijventerreinen de doelen voor

De monitoring van de voortgang van de verduurzaming van de bedrijven-

verduurzaming halen. Als dat niet het geval is, zal de provincie hand-

terreinen ligt in ons voorstel bij het Ministerie van EZK. Dit ministerie kan

haven. Het Rijk bepaalt welke sancties provincies moeten opleggen. Deze

bijvoorbeeld voortgangsrapportages opvragen bij de provincies en deze

sancties zijn dus landelijk uniform, om beleidsconcurrentie tussen provin-

bundelen in een nationaal overzicht.

cies te voorkomen. • De provincie verzaakt te handhaven. Het Rijk is verantwoordelijk voor de landelijke monitoring. Als de bedrijventerreinen in een provincie de doelen voor verduurzaming niet halen

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 6

PRINT

91

(c.q. niet voldoen aan de eisen van een verplicht duurzaamheidslabel) is het aan het Rijk om op te treden tegen de provincie. • Het plan van aanpak dat de bedrijventerreinvereniging opstelt, deugt niet. De gemeente is een verplichte gesprekspartner bij het opstellen van het plan van aanpak. Zij is ook de instantie die aan de vereniging kenbaar moet maken als een plan van aanpak niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Als het bedrijventerrein vervolgens de plannen niet aanpast, riskeert het sancties van de provincie. • Het plan van aanpak is onvoldoende afgestemd met regionale belanghebbenden. De vereniging van een bedrijventerrein is verplicht om het plan van aanpak op te stellen in samenspraak met de gemeente. Deze laatste ziet erop toe dat relevante belanghebbenden, variërend van buurtbewoners tot netbeheerders, op een toereikende manier worden betrokken bij de verduurzamingsplannen. Provincies toetsen op hun beurt of de plannen bijdragen aan optimale regionale inpassing.

SAMEN WERKEN | DEEL 2: TOELICHTING EN VERDIEPING | HOOFDSTUK 6

PRINT

92

LITERATUUR

Adviescommissie Droogte (2022). Zonder water, geen later. Naar een omslag in het (grond)waterbeheer in Noord-Brabant. Advies in opdracht van het Breed Bestuurlijk Grondwateroverleg, opgesteld onder voorzitterschap van Melanie Maas Geesteranus. ‘s-Hertogenbosch: eigen beheer. Arcadis Nederland, Stec Groep, Tauw BV & Business Design Academy (2021). Onderzoek naar het vergroenen van bedrijventerreinen. Amersfoort: Arcadis. Bijlage 1007284 bij brief aan de Tweede Kamer van de minister van LNV d.d. 23 november 2021. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 35 925 XIV. Beekmans, J., Stopel, P. & Janssens, B. (2020). Zorgvuldig ruimtegebruik op bedrijventerreinen in provincie Utrecht. Eindconcept. Rapport opgesteld in opdracht van de provincie Utrecht. Arnhem: Stec Groep. Berghe, K. Van den (2023). Het verduurzamen van bedrijventerreinen: hou(dt) (geen) rekening met de (veranderende maatschappelijk noodzakelijke) bedrijven. Den Haag: eigen beheer. Te raadplegen via www.rli.nl Beurskens, L.R.M.A. (2022). Het aanzetten tot organisatievorming. Over het stimuleren en dwingen door de overheid om deel te nemen aan een zelfregulerende organisatie. Nederlands Tijdschrift voor Bestuursrecht, september 2022. BIZ Grote Polder (2023). Toekomstvisie Grote Polder. Geraadpleegd op 19 juli 2023 via: https://www.bizgrotepolder.nl/toekomstvisie-grote-polder Blanken, H. & Lössbroek, T. (2016).

Biodiversiteit op bedrijventerreinen, het kan wel! Kringen, 03 (04), p. 4-7.

PRINT

93

Bruin, R. de, Kleiwegt, E. & Boer, H. de (2023). Handreiking slimme

BZK (2022d). Programma NOVEX. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse

energiesystemen: het hoe en wat van slimme energieoplossingen voor

Zaken en Koninkrijksrelaties. Bijlage 1040560 bij brief aan de Tweede

energiecoöperaties, bedrijventerreinen, lokale overheden. Rotterdam:

Kamer van de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Rebel Group. Te raadplegen via: https://topsectorenergie.nl/nl/kennisbank/

d.d. 6 juli 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 34 682, nr. 100.

handreiking-slimme-energiesystemen/ Bureau Lubbers, Gemeente Zoeterwoude & BIZ Grote Polder (2016).

BZK (2022e). Provinciaal startpakket fysieke leefomgeving. Brief aan de Tweede Kamer van de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke

Boeiend bloeiend bedrijventerrein Grote Polder. Definitief Inrichtingsplan.

Ordening d.d. 12 december 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023,

Vught: Bureau Lubbers. Te raadplegen via: https://docplayer.nl/29456997-

34 682, nr. 107.

Bloeiend-boeiend-bedrijventerrein-grote-polder.html

BZK (2023). Voortgang regie op de ruimte en programma Mooi Nederland.

BZK (2022a). Nationale woon- en bouwagenda. Den Haag: Ministerie van

Brief aan de Tweede Kamer van de minister voor Volkshuisvesting en

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bijlage 1021382 bij brief aan

Ruimtelijke Ordening d.d. 24 april 2023. Tweede Kamer, vergaderjaar

de Tweede Kamer van de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke

2022-2023, 34 682, nr. 160.

Ordening d.d. 11 maart 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 32 847, nr. 878. BZK (2022b). Versnelling verduurzaming gebouwde omgeving. Beleidsprogramma. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bijlage 1035282 bij brief aan de Tweede Kamer van de

CBS (2022). 8 op de 10 bedrijven bezig met verduurzamen. Nieuwsbericht van het Centraal Bureau voor de Statistiek d.d. 13 oktober 2022. Te raadplegen via: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/41/8-op-de-10bedrijven-bezig-met-verduurzamen Circulair Friesland (2022). Circulaire bedrijventerreinen. Nieuwsbericht z.d.

minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening d.d. 1 juni 2022.

van de Vereniging Circulair Friesland. Geraadpleegd op 22 augustus 2023

Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 32 847, nr. 911.

via: https://circulairfriesland.frl/circulaire-bedrijventerreinen/

BZK (2022c). Programma Mooi Nederland. Den Haag: Ministerie van

Cirkelstad (2022). Hergebruiken van je reststromen in de regio. Kan dat

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bijlage 1040561 bij brief aan

echt? Ja, dat kan! Nieuwsbericht d.d. 29 november 2022. Geraadpleegd

de Tweede Kamer van de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke

op 12 september 2023 via: https://www.cirkelstad.nl/hergebruiken-van-je-

Ordening d.d. 6 juli 2022. Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 34 682,

reststromen-in-de-regio-kan-dat-echt-ja-dat-kan/

nr. 100.

SAMEN WERKEN | LITERATUUR

PRINT

94

Coalitieakkoord (2021). Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst:

Europese Commissie (2020). Een nieuw actieplan voor een circulaire

­coalitieakkoord 2021-2025 VVD, D66, CDA en ChristenUnie. Z.pl.: eigen

economie. Voor een schoner en concurrerender Europa. Mededeling

­beheer. Bijlage 1009826 bij brief aan de Tweede Kamer d.d. 12 december

van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees

2021 van de informateurs J.W. Remkes en W. Koolmees. Tweede Kamer,

Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. Brussel,

­vergaderjaar 2021-2022, 35 788, nr. 77.

11 maart 2020, COM(2020) 98 final.

CRa (2019). (X)XL-verdozing: Minder, compacter, geconcentreerder,

Europese Commissie (2022). De Green Deal: baanbrekende voorstellen

multifunctioneler. Onderzoek uitgevoerd door Rademacher / De Vries

om de natuur in Europa tegen 2050 te herstellen en het gebruik van

Architecten in samenwerking met de Stec Groep. Den Haag: College van

pesticiden tegen 2030 te halveren. Persbericht d.d. 22 juni 2022.

Rijksadviseurs.

Geraadpleegd op 9 augustus 2023, via: https://ec.europa.eu/commission/

Deventer Economisch Perspectief (2021). Toekomstbestendige bedrijven­ terreinen Deventer 2030. Deventer. Eichholtz, P., Kok, N. & Sun, X. (2023). Plicht voor energielabel C voor

presscorner/detail/nl/IP_22_3746 Europese Commissie (2023). Proposal for a DIRECTIVE OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL on Soil Monitoring and Resilience

kantoren lijkt gewenst effect te hebben. ESB. Te raadplegen via https://

(Soil Monitoring Law). Brussel, 5 juli 2023, COM(2023) 416 final.

esb.nu/plicht-voor-energielabel-cvoor-kantoren-lijkt-gewenst-effect-te-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=cd406602-eb91-498a-820c-3de12d14674a