CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

B-4.3 Besluit B&W inzake memoTijdelijke wet maatregelen COVID-19 d.d. 8-12-20.pdf

Gemeenteraad 3 februari 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Ingekomen en uitgaande stukken34.499 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Vereniging voor Raadsleden De Vereniging voor Raadsleden merkt op dat artikel 4.2 zodanig zou kunnen worden uitgelegd dat raadsvergaderingen met meer dan dertig personen onmogelijk zijn. Wij kunnen de zorgen van de Vereniging voor Raadsleden wegnemen. Het maximumaantal van dertig dat in artikel 4.2 is opgenomen ziet alleen op personen die als publiek aanwezig zijn. Uit de definitie van publiek in artikel 1.1 volgt eveneens dat de daar werkzame personen hiervan zijn uitgezonderd. Zoals uit de toelichting op artikel 1.1 blijkt, is het daarvoor niet relevant of deze personen daar tegen betaling werkzaam zijn. Dit is verduidelijkt in artikel 1.1. Dat betekent dus dat deze regeling niet in de weg staat aan doorgang van raadsvergaderingen met meer dan dertig deelnemers aan de beraadslaging.

19

5.3.2. Interprovinciaal Overleg Het Interprovinciaal Overleg (IPO) hecht eraan dat de bedoelde wetgeving inderdaad een tijdelijk karakter heeft en slechts zolang van kracht zal zijn als strikt noodzakelijk. Dit kunnen wij bevestigen. De Twm heeft een tijdelijk karakter en deze ministeriële regeling kan niet langer gelden dan de wet waarop zij gebaseerd is. Het gaat hier om een uiterste vervaldatum; als de noodzaak al eerder ontvalt aan deze regeling of onderdelen ervan, zal de regeling eerder worden ingetrokken of aangepast (zie ook artikel 58c, zesde lid, Wpg). Verder merkt het IPO op dat ondanks de spoedeisendheid van deze regelingen, voldoende aandacht dient te worden geschonken aan de uitvoerbaarheid van de regeling, de communicatie hierover, en de (financiële) middelen voor met name de gemeenten om de regeling uit te voeren. Het kabinet onderschrijft het belang hiervan. In de inleiding van deze paragraaf is reeds ingegaan op de publiekscommunicatie, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen. Voor zover het IPO aangeeft de reactie van de Kring van commissarissen van de Koning in het kader van de onderhavige consultatie te onderschrijven, verwijzen wij naar de opmerkingen bij deze reactie. 5.3.3.

De Kring van commissarissen van de Koning Het verheugt ons dat de Kring van commissarissen van de Koning (Kring) het nut van de voorgestelde mondkapjesverplichtingen onderschrijft omdat een verplichting het belang van de maatregel onderschrijft en dat is wat nu nodig is. De Kring benadrukt voorts de noodzaak om naast handhaving ook te blijven investeren in maatschappelijke betrokkenheid en draagvlak voor het coronabeleid. Het kabinet onderschrijft het belang hiervan. De communicatie is hierbij een belangrijk aspect. Hierop is reeds ingegaan in de inleiding van deze paragraaf, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen. 5.3.4. Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Nederlands Genootschap van Burgemeesters en Wethoudersvereniging De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB) en de Wethoudersvereniging (WHV) hebben gezamenlijk op de conceptregelingen gereageerd. Samengevat concluderen wij dat deze partijen kunnen instemmen met de regelingen. Wel benadrukken deze partijen dat afspraken gemaakt moeten worden over de inwerkingtredingsdatum en de financiële gevolgen van de regelingen, dat het nodig is de regelingen aan te scherpen en dat goede communicatie van groot belang is. Vijf aandachtspunten staan centraal in de consultatiereactie. Deze worden hieronder per categorie besproken.

Voorbereidingstijd Allereerst wijzen de VNG, het NGB en de WHV op het belang van voldoende voorbereidingstijd om de transitie van de noodverordeningen naar de systematiek van de Twm uit te voeren. Gemeenten en veiligheidsregio’s moeten de tijd krijgen om deze transitie vorm te geven. Het belang van voldoende voorbereidingstijd erkennen wij. Gelijktijdig is het van belang dat op korte termijn het stelsel van de Twm in werking treedt. Deze wet biedt namelijk een solide juridische basis om maatregelen te nemen ter bestrijding van het virus waarbij de democratische legitimatie van de maatregelen is geborgd. Zoals de Afdeling advisering van de Raad van State heeft bevestigd in haar voorlichting aan de Tweede Kamer en haar advies op het wetsvoorstel

20

Twm kan het gebruik van noodverordeningen gelet op hun aard niet te lang duren.16 De inwerkingtreding van de Twm en onderhavige regeling biedt volgens ons enerzijds voldoende voorbereidingstijd en bevordert anderzijds een spoedige overgang naar de systematiek van de Twm. Daarbij speelt dat de onderhavige regeling een beleidsneutrale omzetting van de reeds geldende maatregelen uit de noodverordening bevat. Dit zijn maatregelen waar de praktijk inmiddels al geruime tijd mee werkt. Van aanvullende bevoegdheden voor burgemeesters is gelet op de huidige fase van de virusbestrijding zeer beperkt sprake. Dit is toegelicht in paragraaf 4.3 van het algemeen deel van deze toelichting. Wij zetten ons in om gezamenlijk met de gemeenten te werken aan een goede implementatie van de Twm. Gewerkt wordt aan een aantal initiatieven hiertoe. De minister van BZK ondersteunt de VNG bij de inrichting van een ondersteuningsstructuur. Via deze ondersteuningsstructuur wordt onder meer gezorgd voor een helpdeskfunctie bij de VNG waar gemeenten en bestuurders met vragen terecht kunnen over de Twm en de daarop gebaseerde ministeriële regelingen waarin maatregelen hun grondslag vinden en voor een goede informatievoorziening over de werking van de regelgeving (online en via handreikingen).

Ook is er gericht aandacht voor lokale bevoegdheden in de gemeentelijke praktijk (bijvoorbeeld door middel van webinars, trainingen en impactanalyses). Verhoudingen tussen Rijk, veiligheidsregio’s en gemeenten Ten tweede vragen de VNG, het NGB en de WHV om verduidelijking over de verhoudingen tussen het Rijk, de veiligheidsregio’s en de gemeenten. Zij merken op dat deze ministeriële regeling geen differentiatiebepalingen bevat waardoor in een toekomstig afschalingsscenario een wijzigingsregeling nodig is. Gelet daarop wordt gevraagd naar de verhouding tot de routekaart van de minister van VWS. Ook wordt het kabinet gevraagd om meer duidelijkheid te bieden over de ontheffingsbevoegdheid voor de burgemeester op grond van artikel 58e, tweede tot en met vierde lid, Wpg in relatie tot de huidige stand van zaken in de bestrijding van het virus. Verder wordt om voorbeelden gevraagd van concrete situaties waarin de minister van VWS de bevoegdheden van de burgemeester tijdelijk zal overhevelen naar de voorzitter van de veiligheidsregio. Tot slot vragen zij om nadere toelichting over handhaving in besloten plaatsen nu hier een bevoegdheid ligt voor zowel de burgemeester als de minister van VWS. Wij willen graag voorop stellen dat de onderhavige regeling een beleidsarme omzetting van de maatregelen uit de noodverordening naar de systematiek van de Twm bevat.

Dit brengt met zich dat deze regeling inderdaad geen differentiatiebepalingen bevat. De huidige opdracht op basis waarvan noodverordeningen worden vastgesteld, bevat dergelijke bepalingen immers ook niet. De huidige cijfers rond het virus zijn helaas zodanig dat een meer uniforme en centrale aanpak voor de hand ligt. Maar er komt een moment waarop we kunnen afschalen en een meer regionale of lokale aanpak aan de orde zal kunnen zijn. De verhoudingen tussen het Rijk, de veiligheidsregio’s en de gemeenten zijn toegelicht in paragraaf 4 van het algemeen deel van deze toelichting. Ook is dit onderwerp uitgebreid aan de orde gekomen in de memorie van toelichting van de Twm 17 en in de parlementaire behandeling van deze wet.18 Hier willen wij benoemen dat het al dan niet verlenen van een ontheffing een bevoegdheid is die de burgemeester toekomt. Artikel 58e, derde en vierde lid, Wpg bevat hiervoor het afwegingskader. Binnen het daar genoemde kader staat het gemeenten vrij om beleid op te stellen voor de behandeling van aanvragen tot een ontheffing. Wij benadrukken wel dat de figuur van ontheffing expliciet is bedoeld voor bijzondere gevallen. Ontheffingen dienen als individuele uitzondering op de algemene maatregelen en zijn niet bedoeld om nieuwe algemene Kamerstukken 2019/20, 35526, nr. 3, p. 7. Kamerstukken 2019/20, 35526, nr. 3, § 4.

18 Zie bijvoorbeeld de beantwoording van de vragen 217, 247 en 428 in Kamerstukken 2020/21, 35526, nr. 23. 16 17

21

uitzonderingen te maken of een ander regime te laten gelden.19 Bijzondere omstandigheden rondom uitvaarten, het uitreiken van koninklijke onderscheidingen, herdenkingen en jubilea kunnen reden zijn het verlenen van een ontheffing te overwegen. Uit het voorgaande volgt dat een ontheffing voor lange duur van de geldende maatregelen voor de reguliere exploitatie van een bedrijf niet in de rede ligt, nu het in dat geval niet gaat om een bijzonder geval. Omdat de ontheffingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 58e, tweede lid, onder a, rechtstreeks uit de Wpg voortvloeit en aan de burgemeester toekomt, past het niet dat het kabinet bepaalt in welk inschalingsniveau de burgemeester al dan niet gebruik mag maken van zijn ontheffingsbevoegdheid. Het kabinet heeft andere instrumenten voor dergelijk maatwerk. 20 Dit leidt ertoe dat het aan het oordeel van de burgemeester is of het huidige inschalingsniveau mogelijkheden biedt voor de toepassing van zijn ontheffingsbevoegdheid, waarbij hij wel de GGD zal moeten consulteren.21 Artikel 58e, vierde lid, eerste zin, Wpg bepaalt bovendien dat de burgemeester verplicht is een ontheffing te weigeren, indien het belang van de bestrijding van de epidemie zich daartegen naar zijn oordeel verzet. Wanneer een ontheffing bovenlokale effecten kan veroorzaken dient verder goede afstemming met andere gemeenten plaats te vinden.

Dit volgt uit artikel 170 van de Gemeentewet. Deze hoofdregel geldt overigens ook in andere tijden dan tijdens de coronacrisis. Het ligt voor de hand dat een burgemeester die een ontheffing wil verlenen zijn lokale afweging afstemt in het regionaal beleidsteam.22 Verder kan de minister van VWS in het geval van een dreigend nadelig bovenlokaal effect besluiten dat de burgemeestersbevoegdheid op de voorzitter van de veiligheidsregio overgaat, als dat nodig is voor de bestrijding van de epidemie. In de regel zal het hier gaan om grootschalige evenementen die een toestroom van bezoekers op de been brengt, die de druk op de infrastructuur en de drukte op straat in andere gemeenten mogelijk doet toenemen en daarmee de bestrijding van de epidemie in gevaar brengt. Doorgaans zal hiervan geen sprake zijn bij de hier genoemde kleinschalige aangelegenheden zoals een uitvaart of een jubileum. Te denken valt wel aan een festival of een sportwedstrijd met toeschouwers. De bevoegdheidsverdeling tot handhaving in besloten plaatsen verloopt langs de scheidslijn van het oordeel of een besloten plaats een ruimte is waar een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend. In die gevallen is de minister van VWS bevoegd tot handhaving. Hierbij kan worden gedacht aan kantoren of slachterijen.

In andere gevallen, zoals verenigingsgebouwen en loodsen die niet bedrijfsmatig worden gebruikt, is de burgemeester bevoegd tot handhaving. Voor gevallen waarin wegens ernstige vrees voor onmiddellijke verspreiding van het virus onmiddellijk dient te worden ingegrepen geldt verder een specifieke bevelsbevoegdheid voor de burgemeester zodat snel gehandeld kan worden (artikel 58n Wpg). Deze bevoegdheid kan bijvoorbeeld worden toegepast in de situatie waarin een groot aantal personen die de veiligeafstandsnorm niet in acht nemen wordt geconstateerd in een kleine besloten ruimte die wordt gebruikt voor beroep of bedrijf. Het gaat hier om de excessen waarin snel optreden door de burgemeester noodzakelijk is. Met deze verdeling is aansluiting gezocht bij de algemene toezichtstaken binnen gemeenten.23 Communicatie Ten derde roepen de VNG, het NGB en de WHV het kabinet op tot heldere communicatie over de Twm en de ministeriële regelingen die voor iedereen toegankelijk is. De systematiek van de Twm maakt het voor leken lastiger om de maatregelen die worden genomen ter bestrijding van het virus op één plek terug te vinden. Ook dringen deze partijen erop aan dat het Rijk, het

Kamerstukken 2020/2021, 35526, nr. 23, p. 178. Differentiatie in maatregelen (artikel 58e, eerste lid, Wpg), aanvullende ontheffingsbevoegdheden voor de burgemeester (artikel 58e, tweede lid, onder b, Wpg) en de bevoegdheid aan de burgemeester verlenen tot het aanwijzen van plaatsen (artikel 58e, vijfde lid, Wpg). 21 Artikel 58e, derde lid, Wpg. 22 Kamerstukken 2020/2021, 35526, nr. 23, p. 105. 23 Kamerstukken 2020/2021, 35526, nr. 23, p. 198. 19 20

22

Veiligheidsberaad en de VNG de maatregelen op eenduidige wijze uitleggen, bijvoorbeeld in een set van vragen en antwoorden. Wij zijn het eens met de VNG, het NGB en de WHV dat heldere communicatie over het systeem van de Twm en de ministeriële regelingen van belang is. In de inleiding van deze paragraaf is daar aandacht aan besteed. In aanvulling daarop merken wij op dat de eerdere genoemde ondersteuningsstructuur van de VNG hier, met ondersteuning van de minister van BZK, een grote rol in kan spelen. Zo kunnen algemene vragen en antwoorden op de website worden geplaatst. Naast communicatie over de systematiek van de Twm, is heldere communicatie over de geldende maatregelen van groot belang. Wij merken wel op dat de ministeriële regeling vijfentwintig noodverordeningen vervangt waarvan elke voorzitter van de veiligheidsregio bepaalt hoe zij bekend worden gemaakt. De regeling zal worden gepubliceerd in de Staatscourant en via www.wetten.nl zal zijn te raadplegen. Financiële gevolgen Ten vierde wijzen de VNG, het NGB en de WHV erop dat de financiële gevolgen van de coronacrisis op allerlei manierenten laste van de gemeenten komen. Thans vindt compensatie hiervoor plaats via een directe uitkering. Het is volgens hen noodzakelijk dat deze uitkering in stand blijft en volledige compensatie bevat voor extra taken die gemeenten krijgen.

De VNG, het NGB en de WHV vragen het kabinet met klem om een financieringsparagraaf in deze regeling op te nemen. Wat betreft de vergoeding door het Rijk van de (meer)kosten ten gevolge van de uitvoering van de Twm en de regelingen is het uitgangspunt de Financiële-verhoudingswet. Artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet bepaalt dat bij beleidswijzigingen die leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten van gemeenten, aangegeven dient te worden wat de financiële gevolgen voor de gemeenten zijn. Vervolgens dient aangegeven te worden via welke bekostigingswijze deze kunnen worden opgevangen. Tussen de VNG, het Veiligheidsberaad en GGD GHOR Nederland zijn in juli 2020 bestuurlijke afspraken gemaakt over de (wijze van) bekostiging van de intensivering van de taken in het kader van de uitbraak van het virus voor 2020 en 2021. De vergoeding van de meerkosten voor de GGD-en de Veiligheidsregio’s vindt plaats op basis van artikel 62 Wpg en de artikelen 15 en 16 van het Besluit publieke gezondheid. Wat betreft de wijze van bekostiging is afgesproken dat deze plaatsvindt via bevoorschotting van de opgave van de meerkosten door de GGD’s en de veiligheidsregio’s. Finale afrekening is vervolgens op basis van de goedgekeurde jaarrekeningen van de GGD’s en de veiligheidsregio’s.

Daarnaast zijn ten aanzien van de laboratoriumkosten, de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) en de bron- en contactopsporing nadere afspraken gemaakt tussen het kabinet en de VNG, het Veiligheidsberaad en GGD GHOR Nederland. Ten vijfde vragen de VNG, het NGB en de WHV om de bepalingen uit de Twm die zien op besloten plaatsen te heroverwegen. De vrees bestaat dat horecaondernemers creatief om zullen gaan met het beperktere regime om regels te kunnen stellen aan de openstelling van besloten plaatsen. De bevoegdheden om regels te stellen voor besloten plaatsen volgen direct uit de Wpg. Met deze regeling kan daar geen verandering in worden gebracht. Het kabinet wil wel benadrukken dat de eis van een lidmaatschap voor toegang tot een eet- en drinkgelegenheid niet automatisch betekent dat sprake is van een besloten plaats. Een plaats die voor eenieder zonder aanzien des persoons openstaat is een publieke plaats.24 In de toelichting is verduidelijkt dat een plaats voor het publiek toegankelijk is wanneer deze feitelijk voor een in beginsel onbeperkt aantal personen toegankelijk is. Daarnaast is een plaats voor het publiek toegankelijk wanneer deze weliswaar voor een 24

Kamerstukken 2019/20, 35526, nr. 3, p. 76.

23

bepaalde groep van personen openstaat en aan de toegang voorwaarden worden verbonden, maar die groep in beginsel een onbeperkt aantal personen kan omvatten. Dat beletselen gelden voor toegang en verblijf zoals een entreeprijs, minimumleeftijd of verzoek om identificatie doet hier niet aan af. Als toegang is gekoppeld aan een lidmaatschap waarbij een ieder het lidmaatschap kan verkrijgen zonder aanziens des persoons, dan is dit vergelijkbaar met een toegangsbewijs of plaatsbewijs. Iedereen die immers aan die voorwaarde voldoet, heeft toegang tot die plaats. Daarin verschilt een publieke plaats van een besloten plaats, waar de toegang openstaat voor specifieke personen en de identiteit van de aanwezigen bepalend is voor de toegang en het gebruik van de ruimte. Denk aan de (ruimten van) kantoorgebouwen die toegankelijk zijn voor de werknemers en de personen met wie zij een afspraak hebben. Gelet hierop, zal een café of restaurant dat bij entree zijn klanten vraagt een lidmaatschap af te sluiten in de regel dus gewoon moeten worden gekwalificeerd als publieke plaats. Hiervoor geldt het verbod op openstelling uit deze regeling. Daarnaast wijzen wij erop dat in de definitiebepaling van evenement in artikel 58a, eerste lid, Wpg ook een feest op een andere plaats dan een woning is opgenomen.

Horecaondernemers die creatief willen omgaan met het begrip besloten plaats kunnen vervolgens ook stuiten op het evenementenverbod, waaronder feesten vallen. De toelichting op het begrip publieke plaatsen is in deze regeling aangevuld. 5.3.5. Veiligheidsberaad Het Veiligheidsberaad (VB) constateert terecht dat de regeling in belangrijke mate een beleidsarme omzetting is van de noodverordeningen. Wij zijn verheugd te horen dat het deze aanpak steunt. Het kabinet hecht, zoals ook blijkt uit de totstandbrenging van de Twm en de toelichting op de regeling, aan de coördinerende rol van de voorzitters van de veiligheidsregio’s en dus ook aan het VB. Adviezen van het VB over concrete casuïstiek kunnen dan ook belangrijke diensten bewijzen bij met name bestuursrechtelijke handhaving door burgemeesters, die in de nieuwe situatie een van de handhavingsautoriteiten zijn. Wij merken naar aanleiding van de reactie van het VB wel op dat, hoezeer de noodverordeningen ook als uitgangspunt zijn genomen, geen sprake is van een-op-een overzetten. Bovendien zijn de voorzitters van de veiligheidsregio’s na intrekking van de noodverordeningen geen regelgever meer. De toekomstige interpretatie voor concrete vraagstukken zal dus moeten worden bezien in het licht van het nieuwe juridische kader. Het vertrekpunt daarvan is de Twm.

Op basis van de wet, en de totstandbrengingsgeschiedenis ervan, en met de daar gebruikte begrippen en het daarin vervatte systeem geven wij de regeling gestalte en daarnaar zal de handhaving zich moeten richten. De interpretatieadviezen lenen zich ook niet altijd zonder meer voor omzetting in een regeling. Gezien de interpretatieadviezen van het VB is de toelichting op diverse plaatsen echter wel aangepast. Wij wijzen op de artikelsgewijze toelichtingen op artikel 1.1 (bij de begrippen doorstroomlocaties en winkel), 3.2 (educatieve activiteiten) en 4.5 (sluitingstijd winkels). Het door het VB genoemde begrip ‘huishouden’ is daarvan een treffend voorbeeld. De regeling kent dat begrip niet, net zo min als de wet dit doet. Het gaat er in het nieuwe stelsel om of personen ‘op hetzelfde adres woonachtig zijn’. Dit kan inderdaad ook studentenhuizen omvatten. 25 Bij de totstandbrenging van artikel 58f Wpg is uitdrukkelijk aan de orde gekomen dat dit begrip afwijkt van de noodverordeningen en dat de achtergrond daarvan is gelegen in het streven de reikwijdte van de uitzondering op de veilige afstand te verbreden tot meer verschillende samenlevingsnormen.26

Kamerstukken II 2019/20, 35526, nr. 3, p. 81. Kamerstukken II 2020/21, 35526, nr. 23, p. 87, 129 en 179-180 (antwoorden 187, 288, 430 en 433 op vragen van de leden van de ChristenUnie-, GroenLinks- en D66-fracties); Kamerstukken I 2020/21, 35526, G, p. 74 (antwoord 18 op een vraag van de leden van de PVV-fractie). 25 26

24

Het VB vraagt het kabinet om aandacht te hebben voor het tijdig instellen van een vraagbaakfunctie onder verantwoordelijkheid van het Rijk, voor veiligheidsregio’s en gemeenten. Het kabinet is zich ervan bewust dat er behoefte is aan een vraagbaakfunctie. Zoals nader toegelicht in paragraaf 5.3.3 werkt de minister van BZK samen met de VNG aan het opzetten van een ondersteuningsstructuur waaronder een helpdeskfunctie. Hierbij is overigens wel van belang te onderkennen dat juridische uitleg van begrippen na totstandkoming van wetgeving uiteindelijk door de handhavingsinstanties en de rechter plaatsvindt en niet door de rijksoverheid. De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord heeft nog aandacht gevraagd voor Waddenveren en overige veerponten in verband met (thans) artikel 6.7 en de toelichting daarop. Het artikel en de toelichting zijn aangepast. 5.4. Rechtspraak, Openbaar Ministerie, advocatuur en politie 5.4.1. Raad voor de rechtspraak Begrip ‘publiek’ en procesdeelnemers De Raad voor de rechtspraak (Raad) vraagt aandacht voor de definitie van publiek en de positie van procesdeelnemers. Voor zover het gaat om advocaten, officieren van justitie, tolken en deskundigen geldt dat zij wel degelijk werkzaam zijn in een rechtszaal. Dit is in de toelichting op de begripsbepaling van publiek (artikel 1.1) met een voorbeeld verduidelijkt.

De Raad wijst er terecht op dat evenwel niet alle procespartijen in een rechtszaal werkzaam zijn, zoals bij verdachten en slachtoffers niet het geval is. Aan artikel 4.2, tweede lid, waar dat in deze regeling kan klemmen, is daarom een onderdeel toegevoegd voor het onderzoek ter zitting. In de toelichting op die bepaling zijn ook voorbeelden vermeld. Begrip ‘instelling voor topsport’ De Raad mist een definitie van het begrip ‘instelling voor topsport’. Omdat het vinden van een sluitende begripsbepaling niet mogelijk blijkt en het niet de bedoeling is bepaalde topsporters onterecht uit te sluiten, is gekozen voor een verwijzing naar de topsportinstellingen in de toelichting. Begrip ‘erf’ De Raad vraagt het kabinet om de verhouding tussen artikel 3.1, eerste lid, en 3.2, eerste lid, te duiden wat betreft het gebruik van het begrip erf. De modelnoodverordening, waar deze regeling een beleidsneutrale vertaling van is, bevat kort gezegd een beperking tot groepsvorming tot en met vier personen voor openbare plaatsen en de buitenlucht. Deze maatregel is vertaald naar artikel 3.1. Om het verschijnsel “buitenlucht” te vangen in regels, is gekozen om de beperking tot groepsvorming expliciet van toepassing te laten zijn op een erf behorende bij een publieke plaats.

Uit de definitie van publieke plaats in de Wpg volgt immers dat hier onder meer onder moet worden verstaan een voor het publiek openstaand gebouw als bedoeld in artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet of artikel 176, eerste lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en een daarbij behorend erf. Dit maakt dat zowel een ruimte in een gebouw, als een erf behorende tot dat gebouw, een publieke plaats kan zijn. Door de beperking tot groepsvorming in artikel 3.1 alleen van toepassing te verklaren op het erf wordt duidelijk dat het hier gaat om buitenruimte zoals bijvoorbeeld een terras. Dezelfde systematiek is gekozen voor een erf behorende bij een besloten plaats. De definitie van besloten plaats luidt: een andere dan

25

openbare of publieke plaats en een daarbij behorend erf. Ook hier wordt de groepsvorming alleen beperkt tot het erf. Daar waar artikel 3.1 juist expliciet van toepassing is op de erven, worden deze in artikel 3.2 uitgezonderd. Hiermee wordt geregeld dat de beperking tot groepsvorming tot maximaal dertig personen per zelfstandige ruimte alleen geldt in besloten gebouwen en voor het publiek openstaande lokalen, voertuigen of vaartuigen. Ook dit is een vertaling van de maatregelen uit de noodverordening. Woningen zijn expliciet uitgezonderd van alle beperkingen tot groepsvorming. Mede naar aanleiding van deze opmerking van de Raad zijn redactionele wijzingen doorgevoerd in de artikelen 3.1 en 3.2 om onduidelijkheden weg te nemen. Uitzondering maximaal dertig personen publiek per zelfstandige ruimte De Raad wijst erop dat, kort gezegd, hoorzittingen in het kader van bezwaar of administratief beroep niet zijn opgenomen als uitzondering in artikel 4.2 van de regeling. Hij ziet hierin een afwijking van artikel 2.1, tweede lid, onder f, van de geldende noodverordeningen. De uitzondering in de noodverordeningen betreft een uitzondering op het verbod op samenkomsten van meer dan dertig personen voor samenkomsten die noodzakelijk zijn voor de continuering van de dagelijkse werkzaamheden van organisaties.

Deze uitzondering komt niet terug in artikel 4.2, tweede lid, van de regeling, omdat personen die noodzakelijke werkzaamheden verrichten in publieke plaatsen, niet onder publiek vallen. Wij kozen er bovendien voor een onderdeel aan artikel 4.2, tweede lid, toe te voegen voor personen die direct zijn betrokken bij een onderzoek ter zitting of de hoorzitting in het kader van bezwaar of administratief beroep. Dat op het aantal mensen dat ter plekke dan als bezoeker resteert, een maximum van dertig wordt gesteld, brengt de continuering van de dagelijkse werkzaamheden niet in gevaar. Reservering per tijdvak De Raad gaat in op reserveringen voor tijdvakken, waarop artikel 4.3 betrekking heeft. Wij wijzen erop dat dit artikel geen betrekking heeft op rechtszalen, omdat het ziet op doorstroomlocaties en rechtszalen dat niet zijn. Ontheffingen De Raad wijst er terecht op dat ontheffingen vervallen die zijn gebaseerd op noodverordeningen en dat als een ontheffing wordt gewenst, deze opnieuw moet worden aangevraagd. Als de ontheffing niet wordt verleend, kan dit inderdaad effect hebben op de werklast van de gerechten. Dit kan, zoals de Raad ook opmerkt, worden meegenomen bij de gesprekken die hij daarover reeds voert met de minister van JenV. Terecht merkt de Raad op dat beleidsneutraliteit het uitgangspunt is van de regeling.

Dit betekent dat de bestaande noodverordeningen zo veel mogelijk worden omgezet in de regeling. Daarmee is echter niet gezegd dat onder de noodverordeningen verleende ontheffingen per definitie opnieuw zullen worden verleend onder het nieuwe regime. Beoordeling van een aanvraag zal moeten plaatsvinden door de burgemeester binnen het wettelijk kader (artikel 58e, tweede tot en met vierde lid, Wpg), hetgeen een ander bestuursorgaan is met een ander juridisch raamwerk dan onder de noodverordeningen het geval is.

26

Financiële gevolgen De Raad wijst in zijn advies op de lopende gesprekken met het ministerie van JenV over de financiële gevolgen van de huidige covid-19-crisis voor de rechtspraak en over de manier waarop die gevolgen kunnen worden opgevangen. Daarbij zullen, zoals de Raad stelt, ook eventuele gevolgen van het wetsvoorstel en de ministeriële regelingen worden betrokken. 5.4.2. Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak Wij danken de Wetenschappelijke Commissie van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) voor haar advies. Met tevredenheid stellen wij vast dat volgens de NVvR in de toelichting voldoende aandacht is besteed aan de grondrechtelijke kwesties die met deze regeling zijn gemoeid. De NVvR adviseert de leeftijdsgrens van zeventien jaar, zoals opgenomen in artikel 3.2, te verhogen naar achttien jaar. Naar aanleiding van deze opmerking is in de toelichting beter uitgelegd waarom aangesloten is bij de leeftijd van zeventien jaar en niet achttien jaar. 5.4.3. College van procureurs-generaal Algemene opmerking Overeenkomstig het advies van het College van procureurs-generaal (College) is een tweede bijlage bij de toelichting opgenomen, die duidelijk maakt op welke wettelijke grondslagen de diverse bepalingen in de regeling berusten.

Groepsvorming Het College vraagt zich af op welke bepaling uit de Twm de bevoegdheid is gebaseerd om in de artikelen 3.1, tweede lid, 3.2, tweede lid, en 6.2 van de regeling ten opzichte van artikel 58g, tweede lid, Wpg aanvullende categorieën van uitgezonderde personen aan te wijzen. De wettelijke grondslag hiervoor is artikel 58e, eerste lid, aanhef en onder b, c en d, Wpg. Op grond hiervan kan in de ministeriële regeling bij groepsvormingsverboden onderscheid worden gemaakt tussen personen, op basis van leeftijd, activiteiten en (gedeelten van) openbare, publieke en besloten plaatsen. De in artikel 3.1, tweede lid, 3.2, tweede lid, en 6.2 genoemde uitzonderingen geven daar invulling aan. Uit het oogpunt van duidelijkheid en eenvoud zijn in de formulering van deze bepalingen soms categorieën van personen aangewezen, terwijl deze aanwijzing in wetstechnische zin herleidbaar is tot de in artikel 58g, tweede lid, aanhef en onder c en d, Wpg opgenomen bevoegdheid om activiteiten en gedeelten van plaatsen aan te wijzen. Aanwijzing van plaatsen Het College stelt terecht vast dat op grond van artikel 58h Wpg voorwaarden alleen kunnen gelden voor aangewezen publieke plaatsen. Het vraagt of dit betekent dat alle publieke plaatsen worden aangewezen als publieke plaatsen in de zin van die bepaling en, zo ja, waar die aanwijzing dan is geregeld.

Naar aanleiding hiervan is de tekst van de artikelen 4.1 tot en met 4.7 en 6.3 en 6.4 aangepast, net als de tekst van de artikelen 3.1, 3.2 en 5.1, omdat het gestelde mutatis mutandis ook daarvoor geldt. Daar waar zonder onderscheid plaatsen of evenementen worden genoemd, hebben wij hiermee alle desbetreffende plaatsen en evenementen aangewezen. In een aantal bepalingen zijn slechts bepaalde plaatsen en evenementen aangewezen. Deze differentiatie is mogelijk op grond van artikel 58e, eerste lid, onder d, Wpg.

27

5.4.4. Nederlandse orde van Advocaten De Nederlandse orde van Advocaten (NOvA) heeft een gecombineerd advies gegeven van de adviescommissies bestuursrecht en strafrecht, waarbij de algemene raad zich aansluit. Daarvoor zeggen wij de NOvA dank en wij stellen vast dat ondanks de gevraagde spoed, een uitvoerig advies tot stand is gekomen. Die spoed hangt niet alleen samen met de – ook door de NOvA onderkende – noodzaak om in het belang van de volksgezondheid snel en krachtig op te treden. Van belang is eveneens dat de wetgever – en zoals onder meer ook de Afdeling advisering van de Raad van State bij herhaling heeft onderschreven – het bestaande juridisch kader tot een einde wil en meent te moeten brengen, waarin een opdracht van de minister van VWS leidt tot noodverordeningen. Her en der geeft de NOvA haar opvatting over het wettelijk kader of de wet waarop de regeling is gebaseerd. Die opvatting nemen wij voor kennisgeving aan. Het wetsvoorstel en het daarin vervatte systeem zijn immers door de Staten-Generaal met de regering tot stand gebracht en dienen daarom thans voor ons tot vertrekpunt. Tegen die achtergrond toetsen wij de begrippen ‘samenkomst’ en ‘groep’, anders dan de NOvA voorstelt, niet aan de vonnissen die kantonrechters hebben gewezen over dergelijke in noodverordeningen vervatte begrippen.

Er komt een nieuw juridisch kader tot stand, waarbij het begrip ‘samenkomst’ nog slechts voorkomt in de uit de Wet openbare manifestaties bekende betekenis van religieuze of levensbeschouwelijke samenkomst en waarbij in artikel 58a Wpg aan het begrip ‘groep’ betekenis is gegeven.27 Daarover gaan die uitspraken niet.28 Maatwerk en differentiatie De NOvA pleit voor meer maatwerkbepalingen. Zoals toegelicht in paragraaf 4.3 van deze toelichting vergt de ernst van de epidemie op dit moment landelijke maatregelen. Bij wijzigingen van de geldende maatregelen in opvolgende ministeriële regelingen, wordt opnieuw beoordeeld of meer ruimte voor lokaal maatwerk tot de mogelijkheden behoort. Ook vraagt de NOvA meer aandacht voor differentiatie van de maatregelen naar leeftijd, omdat jonge mensen niet in het ziekenhuis belanden. De maatregelen in deze regeling zijn niet alleen ingegeven door de druk op de zorg, zoals toegelicht is in paragraaf 3.2. Doordat jongeren andere mensen kunnen besmetten, is het noodzakelijk maatregelen te nemen die ook voor jongeren gelden. Daar komt bij dat jonge mensen wel ouderen en zwakkeren kunnen besmetten, bij wie de kans groter is dat een besmetting tot een ziekenhuisopname leidt. Differentiatie ligt daarom niet in de rede.

Begripsbepaling mondkapje De NOvA merkt op dat in de begripsbepaling van ‘mondkapje’ een verwijzing naar de definitie van een persoonlijke beschermingsmiddel mist. Naar aanleiding van deze opmerking is in de toelichting op het begrip mondkapje verduidelijkt dat een mondkapje een persoonlijk beschermingsmiddel is, zoals bedoeld in de wet. De begrippen ‘erf’ en ‘voor het publiek openstaande gebouwen’ De NOvA geeft het kabinet in overweging om het begrip erf nader te definiëren. Daarnaast kan het volgens haar soms onduidelijk zijn of een gebouw voor publiek openstaat of niet.

Kamerstukken II 2019/20, 35526, nr. 3, p. 16 en 84; Kamerstukken II 2020/21, 35526, nr. 24, p. 14 (bij onderdeel A, onder 1.a); Kamerstukken I 2020/21, 35526, G, antwoorden GroenLinks-27 en 28, en 29. 28 Vgl. ook Kamerstukken I 2020/21, 35526, G, antwoord GroenLinks-30. 27

28

Bij het opstellen van hoofdstuk Va Wpg hebben wij aansluiting gezocht bij begrippen die sinds jaar en dag worden gebruikt op het terrein van de openbare orde. Dit zijn de begrippen waarmee de praktijk ervaring heeft. Het begrip “erf” komt al lange tijd voor in bepalingen in de Gemeentewet en het Wetboek van Strafrecht.29 Hiervoor geldt dat de jurisprudentie die is ontstaan rond deze artikelen van overeenkomstige toepassing zal zijn bij de toepassing van hoofdstuk Va Wpg. Een veel voorkomend voorbeeld van een erf in de zin van publieke plaats is een terras. 30 Een tuin bij een woning of een binnentuin bij een flatgebouw kan worden aangemerkt als erf behorende tot een woning. In algemene zin kan over de opmerking van de NOvA over de verduidelijking of een gebouw voor het publiek openstaat of niet worden opgemerkt dat ook hier aansluiting is gezocht bij de definitie van publieke plaats in de Wpg en bij het bepaalde in artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 176, eerste lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze artikelen bevatten de zinsnede “voor het publiek openstaande gebouwen”. Het kabinet waakt ervoor een poging te wagen om tot een uitputtende lijst voorbeelden te komen welke gebouwen voor het publiek toegankelijk zijn, omdat dit nu eenmaal afhangt van de omstandigheden van het geval.

Er bestaat veel jurisprudentie over de vraag of een gebouw voor het publiek openstaat of niet. Ook deze jurisprudentie zal overeenkomstig van toepassing zijn in het kader van hoofdstuk Va Wpg. Zoals in de memorie van toelichting bij de Twm is opgenomen31, komt het neer op de vraag of een gebouw voor eenieder zonder aanzien des persoons openstaat. Een gebouw kan verder zowel publieke als besloten onderdelen hebben. Hierbij valt te denken aan een kantoor dat alleen open staat voor medewerkers, maar waarin zich ook een verdieping bevindt met voor het publiek openstaande eet- en drinkgelegenheden. Vragen gegevens voor bron- en contactopsporing De NOvA meent ten aanzien van artikel 6.8 dat onduidelijk is hoe deze verplichting exact vorm dient te krijgen en wat de consequentie is voor de ondernemer als een gast weigert zijn gegevens te delen. De NOvA vraagt of nu de ondernemer medewerking niet kan afdwingen, hij dan wel verantwoordelijk is of kan worden gehouden voor hetgeen hij op grond van de regeling moet doen. Wij merken in reactie hierop op dat de regeling de ondernemer alleen verplicht de klant de gelegenheid te bieden om de persoonsgegevens ten behoeve van bron- en contactopsporing achter te laten. Indien de klant deze gegevens niet wil achterlaten, heeft dit geen gevolgen voor zowel de ondernemer als de klant.

Als er wel persoonsgegevens worden verstrekt, moet de ondernemer zich bij het verwerken daarvan houden aan de AVG. Om daar meer duidelijkheid over te geven en op verzoek van de AP, is in de regeling toegevoegd dat bij het vragen van toestemming moet worden vermeld dat dit vrijwillig is, en dat de ondernemer de gegevens moet verwerken op een wijze waarop andere klanten daarvan geen kennis kunnen nemen. Werkingssfeer regeling De NOvA vraagt zich af hoe de beperking van de werkingssfeer zoals neergelegd in artikel 1.2 van deze regeling zich verhoudt tot de werkingssfeer in de wet. Deze regeling is niet van toepassing in Caribisch Nederland, omdat voor ieder eiland een aparte regeling wordt vastgesteld die aansluit bij de lokale omstandigheden. Ook is naar aanleiding van de reactie van de NOvA verduidelijkt in de toelichting dat deze regeling van toepassing is op booreilanden, maar niet op zeeschepen op volle zee. Groepsvorming De NOvA geeft in overweging om de grootte van de groep te relateren aan de omvang van de ruimte waar de groep zich op dat moment bevindt. Gelet op advies van het OMT van 13 oktober Artikel 174 en 174a van de Gemeentewet en artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht. ABRvS 5 juni 2002, Gst. 2002/10 (Nijmegen). 31 Kamerstukken II 2019/20, 35526, nr. 3, p. 76. 29 30

29

202032 om het groepsvormingsverbod niet te koppelen aan de grootte van de ruimte heeft deze opmerking niet tot een wijziging geleid. Verbod openstelling eet- en drinkgelegenheden en vervroegde sluiting detailhandel De NOvA betwijfelt of de sluiting van de horeca wel evenredig is. De sluiting van de horeca komt overeen met het advies van het OMT van 13 oktober 202033 en vinden wij op dit moment noodzakelijk gelet op de stand van de epidemie. Het OMT adviseert te onderzoeken of het mogelijk is dat bepaalde eet- en drinkgelegenheden wel open kunnen. Deze mogelijkheid wordt op dit moment onderzocht. Wij zijn het met de NOvA eens dat een volledige sluiting van de detailhandel op dit moment niet noodzakelijk en proportioneel is. Om die reden is alleen sprake van een vervroegde sluiting. Ook deze maatregel is in lijn met advisering door het OMT van bijvoorbeeld 28 september 2020 en 13 oktober 2020.34 Uitzondering betaald voetbal De NOvA meent dat er geen reden is betaald voetbal door te laten gaan, terwijl andere sporten dit niet mogen. Er is een afweging gemaakt tussen het beperken van het aantal reisbewegingen en het aantal contactmomenten en het doorgang laten vinden van sportwedstrijden. Niet alleen sporters in het betaald voetbal mogen nog sporten, maar ook andere topsporters in topsportinstellingen toegestaan.

Hiermee is het een groot deel van de topsporters toegestaan te sporten. Registratieplicht contactberoepen De NOvA merkt op de bepaling over de registratieplicht voor contactberoepen onvoldoende duidelijk te vinden. Mede naar aanleiding van deze opmerking is de bepaling aangepast. Uit de nieuwe bepaling en de toelichting daarop blijkt nu voldoende duidelijk dat de plicht voor de ondernemer enkel ziet op het vragen om de gegevens en dat niemand verplicht is die af te geven. De wettelijke plicht voor de ondernemer gaat dan ook niet verder dan het stellen van de vraag of iemand zich wil laten registreren. 5.4.5. Politie Gezien het grote belang van uitvoerbare handhaving zijn wij verheugd te lezen dat de voorgelegde regeling volgens de politie korte, duidelijke en uitlegbare regels bevat, die niet zijn voorzien van een grote hoeveelheid uitzonderingen. De politie stelt voor in artikel 1.1 bij de begripsbepaling van ‘ander bedrijfsmatig personenvervoer’ niet alleen luchtvaartuigen nadrukkelijk te benoemen, maar ook schepen en spoorvoertuigen. Wij zijn het eens met de politie dat het wel apart benoemen van luchtvaartuigen en niet van andere voer- of vaartuigen inconsistent is. Om die reden is de verwijzing naar luchtvaartuigen verwijderd uit de begripsbepaling, omdat dit geen toegevoegde waarde heeft. 5.5.

Gezondheidszorg Op het terrein van de gezondheidszorg is een groot aantal verschillende reacties ontvangen. Daarop wordt hieronder ingegaan, waarbij de indeling van de regeling is gevolgd. OMT-advies n.a.v. 80e OMT, 13 oktober 2020. OMT-advies n.a.v. 80e OMT, 13 oktober 2020. 34 OMT-advies n.a.v. 78e OMT COVID-19, 28 september 2020. 32 33

30

Voorts heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) een toezicht- en handhaafbaarheidstoets uitgevoerd. In het algemeen merkt de IGJ daarover op dat zij conform hetgeen in de memorie van toelichting bij de wet is gesteld, de naleving van de in de regelingen neergelegde normen niet afzonderlijk zal toetsen, maar zal meenemen in de uitvoering van haar bredere toezichtstaak in het kader van de kwaliteit en veiligheid van zorg en jeugdhulp. De naleving van de normen die zijn neergelegd in de onderhavige regeling en voor zover relevant voor de gezondheidszorg, worden in een bredere context – de kwaliteit en veiligheid van de zorg – beoordeeld. Daarnaast heeft de IGJ een aantal opmerkingen over specifieke artikelen, die verderop in deze paragraaf aan bod komen. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen - Begripsbepalingen Publieke binnenruimte In deze regeling is een publieke binnenruimte gedefinieerd als een ‘publieke plaats, met uitzondering van erven behorend bij een voor het publiek openstaand gebouw’. Een voor het publiek openstaand gebouw is reeds in de wet gedefinieerd.

Verschillende partijen in de gezondheidszorg vragen, mede aan de hand van diverse praktijksituaties op het terrein van de zorg en vervoer, of bepaalde plaatsen of ruimten – zoals jeugdzorginstellingen, verpleeghuizen of kleinschalige woonvormen voor dagbesteding dagopvang of geriatrische revalidatiezorg, privékamers in zorglocaties, ruimten zoals een ontvangsthal dan wel behandelruimten of kantoorruimten – als publieke binnenruimte kwalificeren of als besloten plaats. In aansluiting hierop wordt ook gevraagd het begrip ‘woning’ te verduidelijken. Naar aanleiding hiervan is de artikelsgewijze toelichting aangevuld, waar mogelijk aan de hand van een aantal aangedragen voorbeelden. Opgemerkt zij dat de toelichting zich niet goed leent voor de beoordeling van de diverse praktijksituaties. In de communicatie richting het veld zal hier dan ook nader aandacht aan worden besteed. Gezondheidscheck Uit de begripsomschrijving volgt dat de aan een persoon gevraagde bevestiging, door die persoon dient te worden gegeven. Gevraagd wordt wat dit betekent voor mensen met een beperking. In de artikelsgewijze toelichting is verduidelijkt dat deze omschrijving niet uitsluit dat een persoon die niet in staat is de gestelde vragen zelf te bevestigen, dit kan laten doen door een ander, zoals zijn begeleider.

Mondkapje Gevraagd wordt of een (volledig) faceshield al dan niet kan worden aangemerkt als mondkapje. Uit de begripsbepaling volgt dat een mondkapje naar zijn ontwerp bestemd is om in ieder geval de mond en de neusgaten volledig te bedekken teneinde de verspreiding van virussen en andere ziektekiemen tegen te gaan. Uit deze omschrijving volgt reeds dat een voorwerp zoals een faceshield – dat op enige afstand van de neusgaten en mond wordt geplaatst – niet als mondkapje kan worden aangemerkt. Hoofdstuk 2 Aanvullende uitzonderingen op de veilige afstandsnorm Mantelzorgers Gevraagd wordt naar de positie van mantelzorgers, aangezien zorgvrijwilligers wel en mantelzorgers niet in de in hoofdstuk 2 geregelde uitzonderingen zijn genoemd. Mantelzorgers – en degene jegens wie de mantelzorg worden verricht – zijn reeds in de wet uitgezonderd van de 31

veiligeafstandsnorm, voor zover zij hun taken niet met inachtneming van de veilige afstand kunnen uitvoeren (artikel 58f, derde lid, onder b en c, Wpg). Om die reden zijn zij niet in de regeling genoemd. Contactberoepen Voorts is gevraagd naar de positie van medewerkers van dagbesteding. Zij kunnen een contactberoep hebben. Voor contactberoepen voorziet artikel 2.2 in een uitzondering op de veiligeafstandsnorm. Dit is verduidelijkt in de artikelsgewijze toelichting. Hoofdstuk 3 Groepsvorming Volgens artikel 3.1, eerste lid, is het verboden om zich op een openbare plaats, een erf behorende bij een publieke plaats of een erf behorende bij een besloten plaats, niet zijnde een woning, in groepsverband op te houden met meer dan vier personen. Hierop wordt in het tweede lid een aantal uitzonderingen gemaakt. Groepsvorming buiten voor zorgverleners en zorgvrijwilligers en voor de personen met een handicap die zij begeleiden met meer dan vier personen is toegestaan. Een aantal partijen waaronder de IGJ heeft gevraagd een uitzondering toe te voegen voor personen in zorglocaties, omdat de beperking tot vier personen voor zorgaanbieders tot problemen kan leiden. De bepalingen uit de noodverordeningen zijn beleidsneutraal omgezet, deze reactie is daarom niet overgenomen.

Hoofdstuk 4 Publieke plaatsen Artikel 4.4 regelt het verbod op openstelling voor het publiek van eet- en drinkgelegenheden en daarbij behorende dansvoorzieningen, alsmede een aantal uitzonderingen daarop. Naar aanleiding van diverse vragen over eet- en drinkgelegenheden is de toelichting op een aantal punten verduidelijkt: - De sluiting van eet- en drinkgelegenheden betekent ook dat catering op locatie niet is toegestaan, omdat de dranken en etenswaren ter plaatse worden genuttigd. - Wanneer een eet- en drinkgelegenheid onderdeel is van een andere inrichting, zoals het geval is bij een eethoek in een bioscoop of een koffiezaakje in een bibliotheek, moet op grond van dit artikel alleen de eet- en drinkgelegenheid, dus het gedeelte waar de etenswaren of dranken worden genuttigd, gesloten worden voor publiek. - Bedrijfskantines zijn niet opgenomen in de uitzonderingen. Dit is niet nodig omdat bedrijfskantines niet voor het publiek geopend zijn. Dit volgt uit de definitie van publiek zoals opgenomen in artikel 1.1 van deze regeling. Bedrijfskantines mogen dus geopend zijn voor zover alleen medewerkers van het bedrijf hier toegang tot hebben. - Een eet- en drinkgelegenheid is een inrichting waar bedrijfsmatig of anders dan om niet etenswaren of dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse.

Restaurants in een zorglocatie die alleen voor bewoners en hun bezoekers open zijn, vallen derhalve niet onder deze begripsbepaling. Hoofdstuk 5 Evenementen Artikel 5.1 regelt een verbod op het organiseren van evenementen. De bepaling voorziet in een uitzondering voor evenementen die behoren tot de reguliere exploitatie van de daar genoemde ruimten. In de consultatie is opgemerkt dat het houden van evenementen echter geen reguliere uitoefening van een zaak hoeven te zijn (zoals een bowlinghal, waar een bedrijfsuitje kan plaatsvinden als evenement). Naar aanleiding van deze reactie is de toelichting aangevuld en

32

verduidelijkt. Artikel 5.1 regelt dat alleen die activiteiten nog doorgang mogen vinden die op het normale programma staan van een locatie. Hoofdstuk 6 Bijzondere onderwerpen Uitzonderingen op de veiligeafstandsnorm bij topsport en uitzondering op groepsvorming bij het sporten In de consultatie is erop gewezen dat bij bepaalde sporten een grote onderlinge afstand kan worden gehouden. Gevraagd is een uitzondering op te nemen voor het uitoefenen van sporten waarbij een grote onderlinge afstand eenvoudig is te hanteren, zoals golf en tennis. Deze opmerking heeft niet tot aanpassing van de regeling geleid. De reden om beperkingen op te leggen aan sporten is niet alleen gelegen in het niet kunnen houden van een veilige afstand, maar ook in het beperken van het aantal contactmomenten en reisbewegingen. Voorts zijn enkele vragen gesteld die geleid hebben tot verduidelijking van de toelichting. Personenvervoer Vervoer en begrip publieke binnenruimte Naar aanleiding van vragen uit de vervoersbranche is in de toelichting verduidelijkt dat ook voor publiek toegankelijke voer- en vaartuigen als publieke binnenruimten kwalificeren. Voertuigen die voor privégebruik worden gebruikt vallen buiten de definitie, omdat deze immers niet voor het publiek openstaan.

Uitzondering op de veiligeafstandsnorm Artikel 6.5 voorziet onder voorwaarden in een uitzondering op de veiligeafstandsnorm in het openbaar vervoer en ander bedrijfsmatig vervoer. In de consultatie is gevraagd een uitzondering toe te voegen voor vrijwillig vervoer, gelet op de brede praktijk daarvan op zowel het platteland als in steden voor met name senioren. Vanwege de beleidsneutrale omzetting van de noodverordeningen is dit niet overgenomen. Begrip ‘ander bedrijfsmatig personenvervoer’ In de consultatie is opgemerkt dat vele zorgaanbieders zelf het vervoer verzorgen van cliënten vanaf bijvoorbeeld de thuislocatie naar de zorglocatie of dagbesteding of vanaf de zorglocatie naar de dagbesteding. Gevraagd is te verduidelijken of dit soort vervoer wordt aangemerkt als ‘ander bedrijfsmatig vervoer’. Dit is inderdaad het geval, de toelichting is verduidelijkt op dit punt. In de toelichting werden taxichauffeurs abusievelijk genoemd als personen die een contactberoep uitoefenen. In deze regeling vallen zij niet onder het begrip contactberoep. Op taxichauffeurs zijn de bepalingen over personenvervoer van toepassing. Uitzondering op de mondkapjesplicht in verband met een beperking Artikel 6.6 regelt de mondkapjesplicht in het personenvervoer en bevat een uitzondering daarop voor personen die vanwege een beperking of ziekte geen mondkapje kunnen dragen.

In de consultatie is door diverse partijen verzocht in bepaalde situaties tevens een uitzondering te maken voor begeleiders van mensen met een auditieve beperking, in verband met liplezen, of een verstandelijke beperking (zoals autisme). Naar aanleiding hiervan is aan deze bepaling een uitzondering toegevoegd voor begeleiders van deze personen (zie artikel 6.6 en de toelichting daarbij).

33

Een aantal partijen heeft zorgen geuit over mogelijk misbruik van de uitzonderingen op de mondkapjesplicht, bijvoorbeeld als het gaat om personen die aangeven vanwege een beperking of ziekte geen mondkapje te kunnen dragen, aangezien geen medische verklaring vereist is. Wij hebben niet de illusie misbruik volledig te kunnen uitsluiten. Soms kan echter op het eerste gezicht al duidelijk zijn waarom iemand geen mondkapje kan dragen. Ook in situaties waarin dit niet het geval is – niet iedere ziekte of beperking is immers direct zichtbaar – is goed denkbaar dat iemand de uitzondering bijvoorbeeld via een logische verklaring, een begeleider, voorhanden medicatie of een hulpmiddel of een telefoontje naar bijvoorbeeld een familielid of bekende aannemelijk maakt. Ook patiënten- en cliëntenorganisaties kunnen een rol spelen, bijvoorbeeld door een formulier ter beschikking te stellen waarom iemand geen mondkapje kan dragen. Aangezien er meer mogelijkheden zijn die minder belastend zijn voor personen met een ziekte of beperking en voor de zorg, achten wij het niet wenselijk om mensen te verplichten een medisch bewijs over te leggen. Het is aan degene die een beroep op de uitzondering doet, om die stelling aannemelijk te maken. Hoe dat gebeurt, kan afhangen van de omstandigheden van het geval.

Uitzondering op de mondkapjesplicht in verband met identificatie In de consultatie is gevraagd te verduidelijken hoe de mondkapjesplicht zich verhoudt tot wettelijke identificatieverplichtingen. Naar aanleiding hiervan is een uitzondering toegevoegd aan artikel 6.6. Om de vaststelling van de identiteit niet onmogelijk of erg lastig te maken, wordt bepaald dat personen uitgezonderd zijn van de plicht tot het dragen van een mondkapje op het moment dat zij zich moeten identificeren, wanneer hun gevraagd wordt het mondkapje af te zetten. Gezondheidscheck In de begripsbepaling van gezondheidscheck waren de te stellen vragen opgenomen. Deze waren niet toegesneden op kinderen, hetgeen leidde tot de vraag hoe de inhoud van deze check voor kinderen met een neusverkoudheid zonder koorts zich verhoudt tot de situatie dat deze kinderen wel naar school mogen. Naar aanleiding van vragen over de gezondheidscheck voor kinderen is het begrip gezondheidscheck aangepast. De ter uitvoering van de gezondheidscheck te stellen vragen zijn verplaatst naar de toelichting waarbij is aanbevolen de meest recente checklists van het RIVM voor de gezondheidscheck te gebruiken. Klantgegevens contactberoepen De beoefenaar van een contactberoep dient klanten in de gelegenheid te stellen bepaalde gegevens beschikbaar te stellen voor bron- en contactopsporing. Zorgverleners zijn hiervan uitgezonderd.

Naar aanleiding van de consultatie is in de toelichting verduidelijkt dat zorgverleners, waaronder huisartsen en tandartsen, een contactberoep zijn. Dit volgt uit de definitie van het begrip contactberoep. Zorgverleners zijn evenwel, zoals hierboven is aangegeven, uitgezonderd van de genoemde verplichting. Overig Zorglocaties In verschillende bepalingen alsmede in de toelichting werd gesproken over zorginstellingen. De IGJ heeft verzocht – in lijn met de Twm – de term zorginstelling te vervangen door zorglocaties. Dit is overgenomen.

34

5.6. Religieuze en levensbeschouwelijke organisaties De regeling is ter consultatie voorgelegd aan de Boeddhistische Unie Nederland, het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken, het Centraal Joods Overleg, het Contactorgaan Moslims en Overheid en de Hindoeraad. 5.6.1. Boeddhistische Unie Nederland De Boeddhistische Unie Nederland (BUN) heeft ons erop gewezen dat in deze regeling wordt verwezen naar kerken (kerkgebouwen), moskeeën en synagogen. Wij hebben haar suggestie overgenomen om hieraan tempels toe te voegen, een equivalent dat niet alleen voor boeddhisten geldt, maar ook voor hindoes en bijvoorbeeld sikhs. Dit is gebeurd in de toelichting op artikel 7.1. Op andere plekken is voor het woord kerk een algemenere term gekozen, namelijk bij de artikelsgewijze toelichting op artikel 1.1 bij het begrip uitvaart en op artikel 7.1 waar het ging over het onderscheid tussen kerk en staat. De BUN vraagt voorts waarom in de toelichting wel staat vermeld dat het voor het tegengaan van de verspreiding van het virus noodzakelijk is dat de veilige afstand ook bij de belijdenis van godsdienst en levensovertuiging in acht wordt genomen, terwijl niet wordt gewezen op de noodzaak van andere basisregels om verspreiding van het virus tegen te gaan, te weten: mondkapjes, hygiëne, ventilatie en niet zingen.

De toelichting betreft artikel 7.1 van de regeling, waarin is bepaald dat in religieuze en levensbeschouwelijke gebouwen geen gebruik kan worden gemaakt van de aanwijzings- en bevelsbevoegdheid van de burgemeester uit artikel 58l Wpg, waarmee deze kan bewerkstelligen dat beheerders van besloten plaatsen ervoor zorgen dat mensen daar de geldende gedragsmaatregelen in acht kunnen nemen. In de toelichting staat – ter inleiding – de veilige afstand vermeld, omdat die geldt in religieuze en levensbeschouwelijke gebouwen. Over ventilatie en niet zingen zijn geen regels opgenomen en de regels over mondkapjes en hygiëne gelden niet in die gebouwen. 5.6.2. Interkerkelijk Contact in Overheidszaken Met tevredenheid stellen wij vast dat het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) het overleg met de minister van JenV, die de erediensten in zijn portefeuille heeft, als bijzonder zinvol en constructief ervaart. Wij hechten eveneens aan dat overleg, zodat ook in deze periode van bijzondere uitdagingen op het terrein van de volksgezondheid, zo veel mogelijk recht kan worden gedaan aan religieuze en levensbeschouwelijke situaties. Het CIO is verbaasd dat geestelijk bedienaren in de toelichting op de desbetreffende definitie in artikel 1.1 niet als contactberoep worden aangemerkt. Wij wijzen erop dat die definitie voortvloeit uit artikel 58j, eerste lid, onder b, Wpg.

In beide bepalingen gaat het om een beroep waarbij het niet mogelijk is ten minste de veilige afstand te houden tot een klant of patiënt. De persoon jegens wie een geestelijk bedienaar zijn taak uitoefent, wordt niet gezien als ‘klant of patiënt’. Anders dan het CIO lijkt te veronderstellen, heeft dit voor de geestelijk bedienaren onder het nieuwe regime geen nadelen. Integendeel, dat zij niet als contactberoep gelden, heeft voor hen tot gevolg – dit is immers de strekking van artikel 58j, eerste lid, onder b, Wpg – dat wij de uitoefening van hun beroep niet kunnen verbieden en over die uitoefening geen regels kunnen stellen. Bij deze concrete regeling (zie artikel 6.8, eerste lid) betekent dit dat geestelijk bedienaren, anders dan bijvoorbeeld kappers en schoonheidsspecialisten, mensen voor wie zij werken niet om hun gegevens hoeven te vragen ten behoeve van bron- en contactopsporing. Naar aanleiding van de daartoe strekkende vraag van het CIO gebruiken wij de gelegenheid graag nog eens te benadrukken dat uit de artikelen 58f, derde lid, onder b en c, en 58g, tweede lid, onder b, Wpg al voortvloeit dat – voor zover men de taak niet op gepaste wijze kan uitoefenen met inachtneming van de veilige afstand – de veiligeafstandsnorm en het groepsvormingsverbod niet gelden voor geestelijk bedienaren en degene jegens wie zij hun taak uitoefenen.

De regering heeft dit overigens ook herhaaldelijk naar 35

voren gebracht bij de totstandbrenging van de wet.35 Wettelijke uitzonderingen worden niet nog eens herhaald in een ministeriële regeling die op een wet is gebaseerd. Om het door het CIO aangeduide misverstand verder te voorkomen, hebben wij de geestelijk bedienaren toegevoegd aan de voorbeelden van wettelijke uitzonderingen, die staan vermeld in § 3.1 van de toelichting.

6. Parlementaire zeggenschap en inwerkingtreding Deze ministeriële regeling wordt in overeenstemming met artikel 58c, tweede lid, Wpg binnen twee dagen nadat zij is vastgesteld aan beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd. Indien binnen die termijn de Tweede Kamer besluit niet in te stemmen met de regeling, vervalt deze van rechtswege. Het streven is erop gericht deze regeling per 1 december 2020 gelijktijdig met de Twmin werking te laten treden.

Artikelsgewijs Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen De begripsbepalingen in dit artikel komen in aanvulling op de definities in artikel 58a Wpg. Die definities gelden ook voor deze regeling en worden daarom niet herhaald. Zo zijn de begrippen onderwijsinstelling, openbare plaats en publieke plaats al in artikel 58a Wpg gedefinieerd. Voor een toelichting op deze begrippen wordt primair verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.36 Ander bedrijfsmatig personenvervoer en openbaar vervoer Voor de definitie van besloten busvervoer, taxivervoer en openbaar vervoer is aangesloten bij de definities zoals opgenomen in de Wet personenvervoer 2000. Openbaar vervoer is voor eenieder openstaand vervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of via een geleidesysteem voortbewogen voertuig. Geleidesystemen zijn voorzieningen met behulp waarvan of waarlangs een voertuig zich voort kan bewegen. Besloten busvervoer is personenvervoer per bus, niet zijnde openbaar vervoer en taxivervoer is personenvervoer per auto tegen betaling, niet zijnde openbaar vervoer.

Om andere vormen van bedrijfsmatig personenvervoer niet uit te sluiten van de reikwijdte van deze regeling, is daarnaast bepaald dat bedrijfsmatig vervoer van personen op andere wijze dan met een bus of taxi ook onder de definitie van ‘ander bedrijfsmatig personenvervoer’ valt. Hierbij kan gedacht worden aan bedrijfsmatig personenvervoer per boot of vervoer naar dagbesteding. Vervoer dat wordt ingezet om werknemers te vervoeren valt hier ook onder. Hierbij kan gedacht worden aan de inzet van busjes om schilders of personen werkzaam in de bouw te vervoeren. Voor de toepassing van deze regeling valt onder ander bedrijfsmatig personenvervoer ook vervoer met een luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=34f53721-a680-4d19-8263-53d748eac5b8