B-3.29 Besluit B&W inzake Bestuursovereenkomst Zoetwatervoorziening Oost-Nederland d.d. 30-11-21.pdf
Tekst van het document
Kernteam ZON In de werkgroep worden alle lopende zaken binnen het werkgebied van ZON behandeld. Om efficiënt te kunnen opereren is er vanuit de werkgroep een kernteam gevormd. Dit kernteam bestaat uit een programmacoördinator, een programmasecretaris, en vertegenwoordigers namens de waterschappen en provincies.
46
Programmacoördinatie Voor de dagelijkse leiding heeft het RBO een programmacoördinator en programmasecretaris aangesteld (deze vormen het programmabureau), zodat afstemming over en bijstelling van het werkprogramma in de loop van de uitvoeringsperiode mogelijk is.
Sturing Het werkprogramma vormt voor de regionale partijen het vertrekpunt voor de uitvoering. Tabellen en kaarten worden periodiek geactualiseerd en zijn daarmee instrumenten om de uitvoering te coördineren. Jaarlijks wordt in een rapportage door de initiatiefnemer de voortgang per maatregeltype in beeld gebracht. Wanneer een maatregel niet of niet volledig wordt uitgevoerd, kan de initiatiefnemer (het restant van) de bijdrage vanuit het Deltafonds inzetten voor een gelijkwaardige maatregel. De initiatiefnemer informeert het RBO Rijn-Oost jaarlijks middels de voortgangsrapportage over deze wijzigingen. Daarnaast dient de voortgangsrapportage de basis voor de verantwoording voor het Rijk hoe de Deltafondsmiddelen in de regio besteed zijn.
4.3 Kennis en innovatie Samen kennisdelen en leren van elkaar is van grote meerwaarde voor de realisatie van de doelen in het werkprogramma. Organisaties moeten leren hoe zij met de veranderingen omgaan (governance). Daarnaast zijn er inhoudelijke kennisvragen. Klimaatverandering zorgt voor nieuwe kennisvragen over hoe watersystemen, gewassen, flora en fauna en mensen op deze veranderende omstandigheden reageren. Sinds het begin van de eeuw publiceert het KNMI regelmatig klimaatscenario’s waarin de mogelijke veranderingen van weerkarakteristieken worden geschetst. De laatste klimaatscenario’s zijn in 2014 gepubliceerd. De volgende prognoses worden in 2023 verwacht. Onderzoeken naar de gevolgen van klimaat-
verandering worden door diverse partijen op verschillende schalen uitgevoerd. De eerste landsdekkende analyse van de gevolgen van droogte was de droogtestudie uit 2003. Deze is opgevolgd door de knelpuntenanalyses in het kader van het deelprogramma zoetwater. Voorafgaand aan het werkprogramma ‘Wel goed water geven’ uit fase 1 werd een knelpuntenanalyse uitgevoerd. Voor het nieuwe landelijke werkprogramma is opnieuw een knelpuntenanalyse uitgevoerd met gedeeltelijk nieuwe gegevens en methoden. Naast de knelpuntenanalyse heeft het deelprogramma zoetwater een kennisagenda opgezet waarin alle betrokken partijen hun kennisvragen hebben ingebracht.
KLIMAP Als vervolg op het kennisprogramma Lumbricus is het onderzoeksprogramma KLIMAP, klimaatadaptatie in de praktijk, opgezet. De opzet van dit programma is vergelijkbaar met Lumbricus en bestaat uit verschillende sporen: proeftuinen, toekomstverkenningen en adaptatiepaden. Nieuwe technieken zijn ook in ontwikkeling.
Impuls Slim Watermanagement Ten aanzien van Slim Watermanagement lag in de eerste fase de nadruk op dat deel van
het watersysteem waar wateraanvoer mogelijk is. In de tweede fase zal meer worden ingezet op de gebieden waar geen aanvoer van water mogelijk is. Hierdoor verbreedt Slim Watermanagement zich van oppervlaktewaterbeheer bij watertekort en wateroverlast naar grondwater voorraad beheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van dynamische, real-time gebiedsdekkende visualisatie. Als eerste stap daar naartoe wordt het Droogteportaal opgenomen in het nieuw te ontwikkelen landelijke Slim Watermanagement informatiescherm.
4.4 Tussentijdse evaluatie Het programma voor de tweede fase heeft een looptijd van zes jaar tot eind 2027. Eind 2024, halverwege het programma, zal er een tussentijdse evaluatie plaatsvinden. Kenmerkend voor het werken in een programma is dat zich gedurende de looptijd ontwikkelingen kunnen voordoen die maken dat bepaalde prestaties niet gehaald kunnen worden of een bijstelling behoeven. Daarnaast worden in 2023 de nieuwe klimaatscenario’s vastgesteld. We zullen dan opnieuw moeten bekijken wat dat betekent voor ons gebied en of we nog op schema liggen voor het behalen van onze ambitie in 2027.
47
48
Bijlagen
49
Bijlage 1: Beschrijving maatregelenpakket Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de 26 maatregelen die de basis vormen voor het maatregelenpakket. Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar het rapport van Witteveen+Bos (2019).
Optimalisatie operationeel peilbeheer in hoofdsysteem van regionale waterbeheerders Door een slimmere sturing van het regionale watersysteem kan er een dynamisch/ flexibel peilbeheer gevoerd worden in de wateraanvoergebieden. Deze maatregel wordt genomen in de hoofdwatergangen (in beheer bij de waterschappen) en niet in de detailwatergangen. Het doel van deze maatregel is om in het voorjaar en in zomers water vast te houden in de hoofdwatersystemen van de regionale waterbeheerders. Tijdelijk kunnen dan iets hogere peilen geaccepteerd worden. Hogere peilen in de watergangen resulteren via infiltratie ook in hogere grondwaterstanden. Ook na hevige regenval in het voorjaar of in de zomer kunnen tijdelijk hogere peilen geaccepteerd worden. Met deze maatregel worden naast de extra berging in het hoofdwatersysteem ook de grondwaterstanden iets verhoogd.
Klimaat-robuuste inrichting in hoofdsysteem van regionale waterbeheerders (beekherstel, herprofilering leggerwaterlopen) Het doel van het klimaat-robuust inrichten van het regionaal system is de infiltratie naar het grondwater te bevorderen en de grondwaterstanden te verhogen. Deze maatregel omvat alleen leggerwatergangen. Maatregelen voor detailwaterlopen zijn apart beschreven onder de maatregel conservering op perceelsniveau. Met deze maatregel worden beken verondiept en ingericht ten behoeve van natuurlijke dynamiek en morfologie. Deze maatregel omvat een reeks technische ingrepen, bijvoorbeeld beekherstel of de herprofilering van leggerwaterlopen. Door het verhogen van beekbodems, aanleggen van meanders, inbrengen van obstakels (zoals dood hout) of creëren van natuurvriendelijke oevers stijgen de waterstanden. Door een hogere oppervlaktewaterstand infiltreert meer water en wordt de grondwaterstand verhoogd. Verder kunnen de maatregelen tot regelmatigere overstromingen leiden waardoor de wortelzone en het grondwater kan worden aangevuld. Daarnaast wordt door deze maatregelen ook een bijdrage geleverd aan het realiseren van KRW-doelen. Het klimaat-robuust inrichten van leggerwatergangen focust vooral op het grotere regionale watersysteem.
Om gebiedsgericht grondwaterstanden te verhogen wordt deze maatregel bij voorkeur uitgevoerd in samenhang met maatregelen ter conservering van water op perceelsniveau.
50
Aanleg regelbare/peilgestuurde drainage, en onderwaterdrainage in veengebieden De maatregel bestaat uit twee delen: A. Conventionele drainage wordt vervangen door regelbare/peilgestuurde drainage. Dit betekent dat, in tegenstelling tot conventionele drainage, de ontwateringsbasis in hoogte kan worden gevarieerd. Bij deze maatregel wordt aangenomen dat de huidige drainage niet hoeft te worden verwijderd, maar dat een verzameldrain en regelput worden aangelegd, van waaruit het peil wordt gestuurd. Dit kan worden toegepast in alle landbouwgebieden waar in de huidige situatie drainage aanwezig is. B. In veengebieden met landbouwfunctie wordt onderwaterdrainage aangelegd. Uitgangspunt is dat in deze veengebieden in de huidige situatie nog geen onderwaterdrainage aanwezig is. Bij deze vorm van drainage liggen de drainbuizen onder het slootpeil.
Conservering op perceelsniveau De grondwatervoorraad kan lokaal worden aangevuld door maatregelen te treffen op perceelsniveau. Hierbij wordt het water op perceelsniveau vastgehouden waardoor de afvoer wordt vertraagd, infiltratie toeneemt en de grondwaterspiegel stijgt. Om het effect van conserverende maatregelen te kunnen bepalen, zijn verschillende uitwerkingen nader onderzocht. Onderstaande maatregelen zijn keuzemaatregelen voor conservering op perceelsniveau. Zo kunnen maatregel ‘sloten dempen’ en maatregel ‘sloten verondiepen’ niet gelijktijdig uitgevoerd worden, maar moet een keuze gemaakt worden. Het wordt geadviseerd per locatie te bekijken welke maatregel het beste past. In onderstaande paragrafen wordt wel de totale potentie in beeld gebracht van de baten en kosten als in het gehele areaal de maatregelen worden toegepast, om een goede kostenindicatie te kunnen geven. Het is uiteraard niet realistisch dat in het gehele gebied alle sloten worden gedempt, maar wel dat in het gehele gebied maatregelen op perceelsniveau gedaan worden. Het zijn relatief goedkope maatregelen waar vol op ingezet moet worden om zoveel mogelijk grondwater aan te vullen. Onderstaande maatregelen zijn keuzemaatregelen voor conservering op perceelsniveau:
A) B) C) D) E) F) G)
Sloten dempen Sloten of greppels verondiepen of afdammen Greppels afsluitbaar maken Duikers verhogen of verkleinen Plaatsen van stuwen in detailwaterlopen Aanleg infiltratiegreppel Beperken oppervlakkige afstroming
51
Herinrichting stedelijk gebied Dit is een combinatie van maatregelen in stedelijk gebied met sterke samenhang met het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Afkoppelen van verhard oppervlak kan goed gecombineerd worden met een infiltratievoorziening, zoals een wadi, of een ontsteend of groenblauw gebied. Dit wordt steeds vaker gedaan, omdat het ook sterke baten heeft wat betreft het verminderen van wateroverlast en hittestress, en omdat het in vergelijking met andere maatregelen tegen hittestress een kosteneffectieve maatregel is.
A) Afkoppelen verhard oppervlak naar bergings- of infiltratievoorziening Veel gemeenten zijn reeds bezig met het afkoppelen van verhard oppervlak om hiermee de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast en hittestress te voorkomen. Door het afkoppelen van verhard oppervlak wordt de riolering ontlast en komen overstorten minder vaak voor. Een ontlasting van het rioolstelsel leidt tot een verbetering van het rendement van een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) en een verbeterde waterkwaliteit van oppervlaktewater in stedelijk gebied. Ook resulteert het in minder water op straat tijdens extreme neerslagevents. Het regenwater wordt via een buizen of leidingenstelsel naar een bergings- of infiltratievoorziening geleid waar het gebruikt wordt voor een betere vochtvoorziening van stedelijk groen en verder kan infiltreren naar de grondwatervoorraad.
B) Groenblauwe structuren in bestaand stedelijk gebied Door een integrale aanpak van stedelijke herstructurering en watermaatregelen is veel winst te behalen, onder andere door restruimtes te benutten voor groen en waterberging. Door koppeling van verspreid liggende waterpartijen en waterlopen kunnen nieuwe groenblauwe structuren ontstaan die bijdragen aan belevingswaarde en leefkwaliteit van het stedelijk gebied. Meer groen heeft een verkoelend effect op de omgevingstemperatuur en vermindert daardoor problemen als gevolg van hittestress. Dit is een wezenlijke maatregel om de stedelijke omgeving klimaatbestendig te maken.
C) Waterpartijen omvormen tot wadi’s Stedelijke waterpartijen liggen vaak geïsoleerd ten opzichte van de rest van het watersysteem in stedelijk gebied, of het water stagneert in dode hoeken van kanalen en krijgt daardoor een lange verblijftijd. Deze wateren hebben in droge en warme perioden vaak te maken met een slechte waterkwaliteit. Blauwalg en stankoverlast vormen de belangrijkste klachten in droge zomers in steden. De waterpartijen dienen daarom vaak te worden aangevuld of doorgespoeld en zijn daarom juist in droge tijden een belangrijke post van de watervraag.
D) Ontstenen van publiek verhard oppervlak In deze maatregel wordt het effect onderzocht van het ontstenen van publiek verhard oppervlak. Voorbeelden zijn: het vervangen van asfalt door grasbetontegels (parkeerterreinen), het vergroenen van schoolpleinen, aanleggen van doorlatende betonstraatstenen en het vergroenen van pleinen in winkelcentra. Het vervangen van verhard oppervlak door grasbetontegels wordt verder uitgewerkt.
52
Verbeteren bodemstructuur Het verbeteren van de bodemstructuur kan worden bereikt door het organische stofgehalte in de bodem te verhogen, door storende, slecht doorlatende bodemlagen te doorbreken of door het tegengaan van bodemverdichting. Dit vermindert ook het risico op wateroverlast. Dit is een belangrijke stap naar circulaire landbouw.
Investeringen in gerichte watergeefsystemen Deze maatregel bestaat uit twee onderdelen: A. Druppelirrigatie in plaats van beregenen. Hierbij wordt het beregenen met allerlei vormen van sprinklerinstallaties vervangen door druppelirrigatie. Dit kan worden toegepast op locaties met kapitaalintensieve teelten (waar de irrigatiebuizen niet worden omgeploegd). B. Aanleggen van subirrigatiesysteem: hierbij wordt een (eventueel aanwezig) drainagesysteem uitgebreid met een verzamelput die ondiep grondwater vanuit een onttrekkingsput inlaat. Op die manier wordt water de wortelzone in gepompt. Beide hierboven benoemde irrigatiemethoden zorgen voor een reductie van verdampingsverliezen ten opzichte van reguliere beregeningsmethoden. Daardoor hoeft het grond- of oppervlaktewater minder te worden aangesproken en daalt de watervraag. Hierdoor zakt het grondwaterpeil in droge perioden minder ver uit.
Water (lokaal) opvangen en opslaan als voorraad voor droge perioden In natte perioden wordt water opgevangen en opgeslagen als voorraad voor droge perioden. Opslag vindt plaats in een foliebassin of vijver met ondoorlatende bodem, waardoor infiltratie naar het grondwater niet mogelijk is. Water komt in het bassin via afkoppelen van daken van bebouwing of pompen vanuit watergangen/oppervlaktewater. Zonder bassin zou dit water worden afgevoerd via de watergangen. Bij glastuinbouw wordt deze methode al toegepast; hier wordt de toepassing bij kapitaalintensieve gewassen onderzocht.
Bedrijfsgerichte stimuleringsplannen voor waterbeschikbaarheid. Een gebiedsgericht plan betreft hier het gezamenlijk opstellen van het plan door meerdere landbouwbedrijven in een gebied. De grondwatervoorraad profiteert van verminderen van grondwaterverbruik en daardoor verbeterde waterbeschikbaarheid. Om de effectiviteit van op waterbeschikbaarheid gerichte maatregelen te verbeteren is het belangrijk niet alleen naar lokale of verbruikersschaal te kijken, maar maatregelen gebiedsgericht te implementeren. Het is hierbij van belang dat verbruikers zoals landbouwbedrijven zich bewust worden hoe hun handelen de waterbeschikbaarheid beïnvloedt en hoe zij deze kunnen verbeteren. Omdat deze maatregel verschillende
53
manieren (‘elementen’) omvat om de bewustwording ten opzichte van waterbeschikbaarheid gebiedsgericht vooruit te laten gaan, zou zij in principe voor alle landbouwgebieden toegepast kunnen worden.
Besparen drinkwater Al jaren is er een stijging te zien in de vraag naar drinkwater. Deze maatregel bekijkt de mogelijkheden om deze stijging te verminderen. In Nederland wordt drinkwater onder andere gebruikt door particulieren, industrie en landbouwbedrijven. Het grootste drinkwaterproductiebedrijf in regio Oost- Nederland is Vitens. Het drinkwater wordt grotendeels gewonnen uit de (diepe) grondwatervoorraad. In 2018 leverde Vitens in totaal 353 Mm3 drinkwater aan 5,7 miljoen klanten. Door de economie en de bevolkingsgroei neemt de vraag naar drinkwater toe. In totaal gaat het om circa 16,4 Mm3 extra drinkwater in 2021 ten opzichte van 2017. Het is dus nuttig mogelijkheden te verkennen om deze drinkwatervraag te verminderen.
Hergebruik water Door het hergebruiken van water hoeft er minder drinkwater te worden gebruikt. Zo kan bijvoorbeeld regenwater worden gebruikt voor het spoelen van het toilet of het besproeien van de tuin. Door het hergebruiken van proceswater kunnen industriële bedrijven op hun waterverbruik besparen, de thermische energie uit water kan bijvoorbeeld worden gebruikt in warmte/koudeopslag (WKO)-installaties. Gezuiverde RWZI-effluenten kunnen worden gebruikt voor het irrigeren van akkerland in plaats van afwateren naar een waterlichaam. Als basis voor de berekening van de kosten en effectiviteit is op drie mogelijke realisaties gefocust: A. Hergebruik van regenwater voor huishoudelijk waterverbruik, bijvoorbeeld het spoelen van toiletten. B. Hergebruik van industrieel proceswater, bijvoorbeeld voor het koelen van leidingen. C. Hergebruik van RWZI-effluenten, bijvoorbeeld voor het irrigeren van landbouwgebieden.
Functie veranderen en ruimte voor water Functie veranderen betekent dat er in plaats van bijvoorbeeld landbouw natte natuur komt, of een vorm van extensieve landbouw, zoals agrarisch natuurbeheer. Daardoor is er meer ruimte voor water om te inunderen zonder voor wateroverlast te zorgen. Dit kan voordelig zijn voor laaggelegen gebieden waar snel sterke natschade kan optreden, zoals gebieden naast beken of lokale laagtes op plateaus en flanken die nat worden wanneer de ontwateringsbasis wordt verhoogd. Deze maatregel kan noodzakelijk zijn om in gebiedsprojecten gebiedsdekkend de grondwatervoorraad te kunnen vergroten. Daarmee is deze maatregel dan in feite een randvoorwaarde voor de maatregelen in categorie 1 (klimaat-robuust watersysteem).
54
Bijlage 2: Overzichtstabel met uit te voeren maatregelen en resultaten Flexibel peilbeheer
Investering / prestatie
ha
Opmerking: De TBO’s zijn niet opgenomen in deze tabel omdat zijn geen financiële middelen inbrengen. Dit neemt niet weg dat zij wel hun terreinen beschikbaar stellen voor het vasthouden en bergen van water
Beekherstel en herprofilering leggerwaterlopen
Regelbare drainage en onderwaterdrainage
Verminderen Lokale afvoer- en ontwatering
Afkoppelen verhard oppervlak naar infiltratievoorziening
Verbeteren bodemstructuur
Gerichte watergeefsystemen
Bedrijfsgerichte stimuleringsplannen
Functie veranderen in ruimte voor water
Naaldbos omzetten in heide of loofbos
€
€
€
€
€
€
€
€
€
ha
Investering
Eigen bijdrage
Rijksbijdrage
gemeente Aalten
ha
ha
€ 496.200
8,3 ha
€ 496.200
€ 372.150
€ 124.050
gemeente Almelo
€ 1.150.800
19,2 ha
€ 1.150.800
€ 863.100
€ 287.700
gemeente Amersfoort
€ 360.000
6,0 ha
€ 360.000
€ 270.000
€ 90.000
gemeente Apeldoorn
€ 2.160.000
36,0 ha
€ 2.960.000
€ 2.220.000
€ 740.000
gemeente Baarn
€ 540.000
9,0 ha
€ 540.000
€ 405.000
€ 135.000
gemeente Barneveld
€ 1.680.000
28,0 ha
€ 1.680.000
€ 1.260.000
€ 420.000
gemeente Berkelland
€ 2.400.000
40,0 ha
€ 2.400.000
€ 1.800.000
€ 600.000
gemeente Borne
€ 90.000
1,5 ha
€ 90.000
€ 67.500
€ 22.500
gemeente Brummen
€ 870.000
14,5 ha
€ 870.000
€ 652.500
€ 217.500
gemeente Coevorden
€ 169.200
2,8 ha
€ 169.200
€ 126.900
€ 42.300
gemeente Deventer
€ 2.070.000
34,5 ha
€ 2.070.000
€ 1.552.500
€ 517.500
gemeente Doetinchem
€ 1.140.000
19,0 ha
€ 1.140.000
€ 855.000
€ 285.000
gemeente Duiven
€ 210.000
3,5 ha
€ 210.000
€ 157.500
€ 52.500
€ 1.590.000
26,5 ha
€ 1.880.000
€ 1.410.000
€ 470.000
gemeente Elburg
€ 437.646
7,3 ha
€ 437.646
€ 328.235
€ 109.412
gemeente Enschede
€ 180.000
3,0 ha
€ 543.000
€ 407.250
€ 135.750
gemeente Epe
€ 180.000
3,0 ha
€ 180.000
€ 135.000
€ 45.000
gemeente Ermelo
€ 150.000
2,5 ha
€ 150.000
€ 112.500
€ 37.500
gemeente Hardenberg
€ 360.000
6,0 ha
€ 360.000
€ 270.000
€ 90.000
gemeente Harderwijk
€ 144.000
2,4 ha
€ 144.000
€ 108.000
€ 36.000
gemeente Hattem
€ 465.000
7,8 ha
€ 465.000
€ 348.750
€ 116.250
gemeente Heerde
€ 532.400
11,0 ha
€ 532.400
€ 399.300
€ 133.100
gemeente Ede
€ 40.000
ha
100 ha
ha
ha
aantal
€ 800.000
€ 250.000 € 363.000
ha
ha
15 ha
25 ha 1,2 ha
gemeente Hellendoorn
€ 400.000
67 ha
€ 66.667
67 ha
€ 660.000
11,0 ha
€ 1.126.667
€ 845.000
€ 281.667
gemeente Hengelo
€ 635.000
75 ha
€ 1.800.000
1.350 ha
€ 870.000
14,5 ha
€ 3.305.000
€ 2.478.750
€ 826.250
gemeente Kampen
€ 481.800
8,0 ha
€ 481.800
€ 361.350
€ 120.450
gemeente Leusden
€ 54.000
0,9 ha
€ 54.000
€ 40.500
€ 13.500
gemeente Lochem
€ 1.245.000
20,8 ha
€ 1.245.000
€ 933.750
€ 311.250
gemeente Losser
€ 360.000
6,0 ha
€ 360.000
€ 270.000
€ 90.000
gemeente Nunspeet
€ 120.000
2,0 ha
€ 120.000
€ 90.000
€ 30.000
gemeente Oldebroek
€ 817.800
13,6 ha
€ 817.800
€ 613.350
€ 204.450
gemeente Oldenzaal
€ 135.000
2,3 ha
€ 135.000
€ 101.250
€ 33.750
gemeente Ommen
€ 180.000
3,0 ha
€ 180.000
€ 135.000
€ 45.000
gemeente Oostgelre
€ 174.000
2,9 ha
€ 174.000
€ 130.500
€ 43.500
gemeente Oude-Ijsselstreek
€ 3.120.000
52,0 ha
€ 3.120.000
€ 2.340.000
€ 780.000
gemeente Putten
€ 300.000
5,0 ha
€ 300.000
€ 225.000
€ 75.000
gemeente Renkum
€ 234.000
3,9 ha
€ 234.000
€ 175.500
€ 58.500
gemeente Rhenen
€ 210.000
3,5 ha
€ 210.000
€ 157.500
€ 52.500
gemeente Rijssen Holten
€ 276.000
4,6 ha
€ 276.000
€ 207.000
€ 69.000
gemeente Soest
€ 540.000
9,0 ha
€ 540.000
€ 405.000
€ 135.000
gemeente Voorst
€ 580.800
12,0 ha
€ 580.800
€ 435.600
€ 145.200
gemeente Westervoort
€ 48.000
0,8 ha
€ 48.000
€ 36.000
€ 12.000
gemeente Wierden
€ 204.000
3,4 ha
€ 204.000
€ 153.000
€ 51.000
gemeente Winterswijk
€ 291.600
4,9 ha
€ 291.600
€ 218.700
€ 72.900
gemeente Zevenaar
€ 1.095.000
18,3 ha
€ 1.095.000
€ 821.250
€ 273.750
gemeente Zutphen
€ 720.000
12,0 ha
€ 720.000
€ 540.000
€ 180.000
gemeente Zwolle
€ 3.264.000
54,4 ha
€ 3.264.000
€ 2.448.000
€ 816.000
€ 13.000.000
€ 9.750.000
€ 3.250.000
LTO noord provincie Drenthe
€ 4.000.000 € 5.940.821
9.870 ha
1.274 ha
€ 10.749.296 6.125 ha
€ 3.000.000
3.000 ha
€ 3.563.084
2.970 ha
€ 3.000.000 907 ha
€ 1.000.000 78 ha
€ 2.000.000 800 st
provincie Gelderland provincie Overijssel
€ 433.333
51.000 ha € 3.110.333
2.060 ha
€ 6.093.600
2.147 ha
provincie Utrecht
€ 533.333
Vitens waterschap Drents Overijsselse Delta € 4.444.444
4.444 ha
waterschap Rijn en IJssel (met Gld) waterschap VenV
€ 1.600.000
8260 ha
€ 41.379.370
€ 31.034.528
€ 10.344.843
1150 ha
€ 5.000.000
€ 3.750.000
€ 1.250.000
€ 15.401.800
410 ha
€ 1.000.000 501 ha
€ 26.039.067
€ 19.529.300
€ 6.509.767
€ 400.000
€ 933.333
€ 700.000
€ 233.333
60 ha
200 ha
€ 2.682.133
680 ha
€ 500.000
2.000 ha
€ 986.667
700 ha
€ 4.168.800
€ 3.126.600
€ 1.042.200
€ 9.555.555
1.593 ha
€ 333.333
333 ha
€ 6.916.667
308 ha
€ 21.249.999
€ 15.937.499
€ 5.312.500
€ 1.500.000
1500 ha
€ 4.000.000
200 ha
€ 20.000.000
€ 14.500.000 2417 ha
provincie gelderland (met WRIJ)
€ 21.126.169 € 5.000.000
1.600 ha
waterschap VenV (met Gld )
€ 1.600.000 € 6.150.000
provincie gelderland (met WVV)
1025 ha
€ 6.150.000
waterschap VenV (met Gld en Utr) €1.866.667
1.867 ha
€ 1.866.667
provincie Utrecht (met WVV) werkregio Veluwezoom Totaal
56
€ 7.031.250 € 1.200.000 € 3.825.000 € 787.500
€ 5.000.000 € 400.000 € 1.537.500
€ 1.087.500
provincie gelderland (met WVV) waterschap Vechtstromen
€ 7.968.750
€ 212.500
€ 466.667
€ 100.000 € 2.533.333 € 14.951.932
2.533 ha
€ 16.266.667
69.448 ha € 64.048.984
2.711 ha 16.752 ha
€ 3.200.000 € 4.000.000
1.274 ha
€ 21.963.351
3.200 ha 18.534 ha
€ 500.000 € 690.000
11,5 ha
€ 34.579.579
632 ha
€ 3.000.000 907 ha
€ 1.000.000 78 ha
€ 2.000.000 800 st
€ 55.344.302
17 ha 11.086 ha € 1.400.000 701 ha
€ 22.500.000
€ 16.875.000
€ 5.625.000
€ 690.000
€ 517.500
€ 172.500
€ 202.288.148
€ 151.716.111
€ 50.572.037
57
De volgende aspecten zijn van belang: In stedelijk gebied is het veranderen van functie om natschade te voorkomen vaak niet gewenst, waardoor andere maatregelen moeten worden getroffen. In natuurgebieden zijn hogere grondwaterstanden en vaker voorkomende inundatie meestal juist gewenst, en wordt met deze maatregel een belangrijke bijdrage geleverd aan het realiseren van Natura 2000 instandhoudingsdoelen. Bij landbouwgebieden is regelmatigere inundatie ongunstig. Om deze maatregel toe te kunnen passen, zouden landbouwgebieden in lage, natte delen ‘geruild’ kunnen worden met bijvoorbeeld hoger liggende droge natuurgebieden om natschade in de landbouw te voorkomen. Het ruilen van gronden is zo een manier om het risico op lokale natschade in de landbouw te beperken. Een andere optie is peilgerichte drainage, maar dit zal niet in alle landbouwgebieden natschade kunnen voorkomen.
•
• •
Binnen de bestaande functie het grondgebruik permanent aanpassen Door het aanpassen van grondgebruik kan de hydrologische cyclus worden beïnvloed en extra water ter aanvulling van grondwater opgeslagen. Planten beïnvloeden het neerslagoverschot door interceptie en evapotranspiratie. Het doel van deze maatregel is daarom om waterverlies door verdamping te verminderen een daardoor meer water aan de grondwatervoorraad beschikbaar te stellen. Voorbeelden zijn naaldbos omzetten naar gemengd bos, loofbos of heide, en de Dinkeldalregeling. Het overgaan op meer droogteresistente gewassen is geen onderdeel van deze maatregel. Naast het aanpassen van het grondgebruik omvat deze maatregel ook het implementeren van een robuuster bomenplan in stedelijke gebieden waardoor de watervraag door gewassen geringer is en beter verdeeld over het jaar. De effectiviteit van een robuuster bomenplan zou op lokale schaal moeten worden bepaald en wordt daarom hier buiten beschouwing gehouden.
55
Bijlage 3: Overzicht deelnemende partners Deelnemende partners provincie Drenthe
gemeente Hengelo
provincie Gelderland
gemeente Kampen
provincie Overijssel
gemeente Leusden
provincie Utrecht
gemeente Lochem
waterschap Drents Overijsselse Delta
gemeente Losser
waterschap Vallei en Veluwe
gemeente Nunspeet
waterschap Vechtstromen
gemeente Oldebroek
waterschap Rijn en IJssel
gemeente Oldenzaal
gemeente Aalten
gemeente Ommen
gemeente Almelo
gemeente Oost Gelre
gemeente Amersfoort
gemeente Oude-IJsselstreek
gemeente Apeldoorn
gemeente Putten
gemeente Arnhem
gemeente Rheden
gemeente Baarn
gemeente Rhenen
gemeente Barneveld
gemeente Rijssen Holten
gemeente Berkelland
gemeente Renkum
gemeente Borne
gemeente Soest
gemeente Brummen
gemeente Voorst
gemeente Coevorden
gemeente Westervoort
gemeente Deventer
gemeente Wierden
gemeente Doetinchem
gemeente Winterswijk
gemeente Duiven
gemeente Zevenaar
gemeente Ede
gemeente Zutphen
gemeente Elburg
gemeente Zwolle
gemeente Enschede
Vitens
gemeente Epe
Waterleidingmaatschappij Drenthe
gemeente Ermelo
LTO noord
gemeente Hardenberg
Landschap Overijssel
gemeente Harderwijk
Overijssels Particulier Grondbezit
gemeente Hattem
Utrechts Particulier Grondbezit
gemeente Heerde
Natuurmonumenten
gemeente Hellendoorn
Staatsbosbeheer
58
59
60
BESTUURSOVEREENKOMST ZOETWATERVOORZIENING OOST-NEDERLAND Van de samenwerkende overheden en maatschappelijke organisaties in het RBO Rijn-Oost, betrokken bij het programma Zoetwatervoorziening Oost-Nederland 2e fase
Tweede fase Deltaprogramma 2022-2027
Versie 1 oktober 2021
2
Regionale Partijen Deelnemende partners provincie Drenthe
gemeente Kampen
provincie Gelderland
gemeente Leusden
provincie Overijssel
gemeente Lochem
provincie Utrecht
gemeente Losser
waterschap Drents Overijsselse Delta
gemeente Nunspeet
waterschap Vallei en Veluwe
gemeente Oldebroek
waterschap Vechtstromen
gemeente Oldenzaal
waterschap Rijn en IJssel
gemeente Ommen
gemeente Aalten
gemeente Oost Gelre
gemeente Almelo
gemeente Oude-IJsselstreek
gemeente Amersfoort
gemeente Putten
gemeente Apeldoorn
gemeente Rheden
gemeente Arnhem
gemeente Rhenen
gemeente Baarn
gemeente Rijssen Holten
gemeente Barneveld
gemeente Renkum
gemeente Berkelland
gemeente Soest
gemeente Borne
gemeente Voorst
gemeente Bronckhorst
gemeente Westervoort
gemeente Brummen
gemeente Wierden
gemeente Coevorden
gemeente Winterswijk
gemeente Deventer
gemeente Zevenaar
gemeente Doetinchem
gemeente Zutphen
gemeente Duiven
gemeente Zwolle
gemeente Ede
Vitens
gemeente Elburg
WMD Drinkwater B.V.
gemeente Enschede
LTO noord
gemeente Epe
Gelders Landschap
gemeente Ermelo
Landschap Overijssel
gemeente Hardenberg
Utrechts Landschap
gemeente Harderwijk
Overijssels Particulier Grondbezit
gemeente Hattem
Utrechts Particulier Grondbezit
gemeente Heerde
Natuurmonumenten
gemeente Hellendoorn
Staatsbosbeheer
gemeente Hengelo
3
Overwegingen
A. Gezien: •
•
•
•
•
• •
•
4
de instemming van het Regionaal Bestuurlijk Overleg (RBO) Rijn-Oost op 25 juni 2020 met de notitie Hoge Zandgronden klimaatbestendig en water robuust: Ambitie en strategie voor zoetwater en ruimtelijke adaptatie; de instemming van het RBO Rijn-Oost op 25 juni 2020 met de Werkwijze voor Deltaprogrammering Zoetwater 2022-2027 en vastgesteld door het Bestuurlijk Platform Zoetwater (BPZ) op 17 september 2020; de instemming van het RBO Rijn-Oost op 3 december 2020 met het regionaal bod 2e fase Zoetwatervoorziening Oost-Nederland (ZON) 2022-2027, tevens opgenomen in het Werkprogramma ZON 2022-2027; de aanbevelingen van de beleidstafel droogte, zoals verwoord in het eindrapport ‘Nederland beter weerbaar tegen droogte’ (2019) waarin wordt aanbevolen dat de nadruk bij waterbeheer en landgebruik meer moet komen te liggen op voorraadbeheer door het vasthouden en vertraagd afvoeren van water; de instemming van het RBO Rijn-Oost op 25 juni 2020 met de grondwateragenda waarmee bestuurders en beleidsmakers op hoofdlijnen richting en ruimte kunnen geven aan de uitvoering van maatregelen die de waterbeschikbaarheid en veerkracht van onze watersystemen vergroten; de instemming van het RBO Rijn-Oost op 18 juni 2021 met het Werkprogramma ZON 2022-2027; het Deltaprogramma 2022 met als onderdeel het Deltaplan Zoetwater 2022-2027, aangeboden op 21 september 2021 aan de Tweede Kamer, samen met de
begroting van het Deltafonds, waarin het investeringsprogramma Zoetwater is opgenomen dat € 50 miljoen reserveert voor de Zoetwaterregio Oost; dat voornoemde stukken bij de Regionale Partijen genoegzaam bekend zijn, en in te zien op de website www.zoetwatervoorzieningoostnederland.nl en voor wat betreft het Deltaprogramma op: www.deltacommissaris.nl;
Overwegende dat: a. de Regionale Partijen in Oost-Nederland werken aan een langjarig programma tot 2050 voor de aanpak van de zoetwaterproblematiek. De hiervoor noodzakelijke maatregelen worden veelal uitgevoerd in integrale gebiedsprocessen die meerdere doelen dienen; b. de droge zomers van 2018, 2019 en 2020, aangevuld met de geactualiseerde knelpuntenanalyse voor het Deltaplan Zoetwater fase II en de resultaten van de Beleidstafel Droogte laten zien dat de zoetwateropgave onverminderd actueel is en dat de aanpak een impuls behoeft; c. de zoetwaterproblematiek in Oost-Nederland een inzet vraagt van de Regionale Partijen om hun aandeel in de strategie en ambities, zoals verwoord in het regionale bod en werkprogramma ZON 2022-2027, bestuurlijk en organisatorisch te verankeren in hun beleids- en beheerplannen voor de periode 2022-2027 om de strategie en ambities te verwezenlijken; d. Regionale Partijen met hun bod (eigen investering €150 miljoen) inzet van het Rijk verwachten, bestaande uit een cofinanciering met Deltafondsmiddelen (€50 miljoen); e. de noodzakelijke nationale en regionale maatregelen en de financiering daarvan op rijksniveau zijn vastgelegd in het Deltaplan Zoetwater 2022-2027 (onderdeel Deltaprogramma 2022); f.
op 27 mei 2021 de leden van het Bestuurlijk Platform Zoetwater hebben afgesproken dat, voor de programmering van zoetwatermaatregelen voor de periode tot en met 2027, afspraken over verantwoordelijkheden, kostenverdeling, financieel arrangement en planning via een specifieke uitkering worden vastgelegd; Komen de Regionale Partijen het volgende overeen:
5
Artikel 1. Begrippenkader a. Bestuurlijk platform zoetwater (BPZ): Landelijk bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van de zoetwaterregio’s, Interprovinciaal Overleg (IPO), Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Unie van Waterschappen (UvW) en Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Ministerie van Economische Zaken, Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) en Staf Deltacommissaris zijn agendalid. De natuur- en milieufederaties zijn vertegenwoordigd in het BPZ. Het BPZ stemt af over de uitvoering van de Deltabeslissing Zoetwater en bijbehorende zoetwaterstrategie en adviseert de stuurgroep Deltaprogramma.
b. Coördinerende provincie: De provincie die namens de Zoetwaterregio Oost de kassiersfunctie heeft voor de bijdrage van het Rijk. Daarbij zal de provincie Overijssel namens de Zoetwaterregio Oost fungeren als kassier. De kassier vraagt de rijksbijdrage aan namens alle Regionale Partijen via de landelijke subsidieregeling (SPUK) en beschikt deze door aan de Regionale Partijen. De bewaking van de voortgang van het maatregelenpakket en het opstellen van de jaarlijkse voortgangsrapportages aan het Rijk en de overige inhoudelijke werkzaamheden liggen bij het Programmabureau.
c. Deltabeslissing Zoetwater: Hoofdkeuze voor de aanpak van de zoetwatervoorziening in Nederland. De Deltabeslissing Zoetwater stelt dat Nederland in 2050 weerbaar is tegen zoetwatertekort. Het beleid dat voortvloeit uit de Deltabeslissing, dat is opgenomen in het Deltaprogramma, wordt door overheden verankerd in beleidsplannen. Dit beleid geeft richting aan de maatregelen die worden ingezet voor de aanpak van het behoud en waar mogelijk het verbeteren van de zoetwatervoorziening, op korte en op lange termijn.
d. Deltafonds: Begrotingsfonds (als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Compatibiliteitswet 2001) dat bedoeld is voor de financiering en bekostiging van maatregelen en voorzieningen in verband met de opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwaliteit. De beoogde bijdragen uit het Deltafonds aan de zoetwatermaatregelen in de tweede fase zijn opgenomen in het Deltaprogramma 2022, verdeeld over de perioden 2022-2027 en een agendering van maatregelen voor de periode 2028-2033 waarover later een beslissing wordt genomen.
e. Initiatiefnemers: Initiatiefnemers zijn de Regionale Partijen die maatregelen realiseren, zoals benoemd in het Werkprogramma ZON 2022-2027. Dit zijn op het moment van ondertekening waterschappen, provincies, gemeenten, agrarische ondernemers, terreinbeherende organisaties, particuliere landgoedeigenaren en drinkwaterbedrijven. Ook maatschappelijke koepelorganisaties als LTO-Noord en koepels van particuliere grondeigenaren kunnen initiatiefnemer zijn.
6
f. Pluspakket De Regionale Partijen hebben bij de opstelling van het werkprogramma (in de periode februari tot september 2020) een hogere investering aangeboden dan in het Werkprogramma ZON 2022-2027 kon worden gehonoreerd. Het verschil tussen het aanbod en de investeringen, zoals opgenomen in het Werkprogramma ZON 2022-2027, wordt het ‘Pluspakket’ genoemd. Dit Pluspakket heeft een omvang van circa €147 miljoen. Het pluspakket is bedoeld om flexibiliteit te behouden in het programma, bijvoorbeeld om tegenvallers op te vangen en om in te zetten bij vrijval van middelen binnen het programma. Bij aanvullende (rijks)budgetten wordt opnieuw afgewogen waar deze middelen het beste aan kunnen worden besteed, waarbij het pluspakket in de afweging wordt meegenomen.
g. Programmabureau De programmacoördinator en programmasecretaris vormen het Programmabureau.
h. Regionaal Ambtelijk Overleg (RAO) Rijn-Oost: Ambtelijk overleg, met vertegenwoordigers van Regionale Overheden, Rijk en drinkwatersector uit het deelstroomgebied Rijn-Oost, dat adviseert aan het RBO.
i. Regionaal Bestuurlijk Overleg (RBO) Rijn-Oost: Bestuurlijk overleg met vertegenwoordigers van Regionale Overheden, Rijk, natuur- en landbouworganisaties en drinkwatersector uit het deelstroomgebied Rijn-Oost. Voor de huidige samenstelling zie bijlage I.
j. Regionale Overheden: Alle ondertekenende provincies, waterschappen en gemeenten.
k. Regionale Partijen: Alle ondertekenende Partijen.
l. Specifieke uitkering (SPUK): De bijdrage van het Rijk aan het programma voor de 2e fase Deltaprogramma zoetwater wordt middels een Specifieke uitkering (SPUK) beschikbaar gesteld aan de Coördinerende provincie(s). De voorwaarden en verplichtingen die het Rijk stelt aan de ontvanger staan beschreven in de SPUK met als titel ‘Tijdelijke regeling stimuleren maatregelen tweede fase Deltaprogramma zoetwater’.
m. Werkgroep ZON: Een ambtelijke werkgroep bestaande uit medewerkers van de betrokken overheden en belangenorganisaties ingesteld door het RAO Rijn-Oost. Deze ambtelijke werkgroep coördineert de uitvoering van het Werkprogramma ZON 2022-2027 op hoofdlijnen en adviseert de leden van het RAO wat betreft voortgangsrapportage en aanpassing van het Werkprogramma ZON 2022-2027. Voor de dagelijkse werkzaamheden is een kernteam ZON samengesteld onder leiding van het Programmabureau. 7
n. Werkprogramma ZON 2022-2027: Het door de Regionale Partijen opgestelde Werkprogramma Zoetwatervoorziening Oost Nederland 2022-2027 heeft als titel ‘Wel goed water vasthouden; werken aan een nieuwe balans’. Het werkprogramma is bestuurlijk vastgesteld in het RBO RijnOost op 18 juni 2021. In het werkprogramma is het regionale bod en het bijbehorende maatregelenpakket (december 2020) nader uitgewerkt. Het werkprogramma vormt de basis voor de Bestuursovereenkomst. Het is een instrument om de samenhang van de uitvoering te beschrijven en te bewaken. Het werkprogramma wordt periodiek geactualiseerd. Het investeringsvolume en de verdeling over de Regionale Partners is ter informatie opgenomen in bijlage II. Na actualisatie zal de vigerende versie van het werkprogramma steeds geplaatst worden op de volgende website: www.zoetwatervoorzieningoostnederland.nl.
o. Werkwijze: Bestuurlijke afspraak over werkwijze zoetwaterprogrammering vastgelegd in het landelijke Bestuurlijk Platform Zoetwater.
p. Zoetwaterregio’s (waaronder Hoge Zandgronden Regio Oost) (zie bijlage III): Het landelijk deelprogramma Zoetwater kent zes Zoetwaterregio’s, waaronder de Hoge Zandgronden Oost. Zie het kaartje hieronder voor een geografische aanduiding.
Artikel 2. Doel en reikwijdte Deze overeenkomst heeft tot doel om de afspraken vast te leggen tussen de Regionale Partijen onderling voor de uitvoering van het Werkprogramma ZON 2022-2027. De afspraken betreffen: de organisatie van de uitvoering, de financiering en de rapportage over besteding van middelen.
8
Artikel 3. De maatregelen en investeringen a. Regionale Partijen hebben de uitvoering van maatregelen nader uitgewerkt in het Werkprogramma ZON 2022-2027. De maatregelen zijn voor de hanteerbaarheid geclusterd in tien typen maatregelen. b. De Regionale Partijen spannen zich maximaal in om het toegezegde investeringsvolume van het regionale bod gestand te doen. Dit houdt in dat Regionale Partijen hun deel van dit investeringsvolume, zoals opgenomen in bijlage II, inzetten voor de uitvoering van de maatregelen uit het Werkprogramma ZON 2022-2027. Regionale Partijen reserveren hiervoor de middelen in hun begrotingen en meerjarenramingen. c. Het Rijk heeft voor de uitvoering van het Werkprogramma ZON 2022-2027 de toegezegde middelen uit het Deltafonds gereserveerd. d. De Regionale Partijen hebben een grotere ambitie (investeringsvolume) dan de inzet van middelen uit het regionale bod en het Deltafonds laat zien. Alle Regionale Partijen gaan uit van de ambitie die in het regionale bod is geformuleerd voor de periode 2022 - 2027 en spannen zich in om de daarvoor benodigde ontbrekende financiering te verkrijgen. In tabel 1 zijn de bedragen van het regionale bod van Zoetwaterregio Oost weergegeven.
Tabel 1. De samenstelling van het maatregelenpakket.
Maatregelen
Totale investeringsruimte (miljoen euro)
Eigen bijdrage partners (miljoen euro)
ZON-bijdrage Rijk (miljoen euro)
flexibel peilbeheer in hoofdwatersysteem regionale waterbeheerders
€ 14,9
€ 11,2
€ 3,7
beekherstel en herprofilering leggerwaterlopen
€ 64,0
€ 48,0
€ 16,0
regelbare en onderwater drainage
€ 4,0
€ 3,0
€ 1,0
verminderen lokale afvoer- en ontwatering
€ 22,0
€ 16,5
€ 5,5
afkoppelen verhard oppervlak naar bergings- of infiltratievoorziening
€ 35,0
€ 26,2
€ 8,8
verbeteren bodemstructuur
€ 3,0
€ 2,25
€ 0,75
gerichte watergeefsystemen
€ 1,0
€ 0,75
€ 0,25
bedrijfsgerichte stimuleringsplannen
€ 2,0
€ 1,5
€ 0,5
grondgebruik aanpassen: functie veranderen in ruimte voor water
€ 55,4
€ 41,6
€ 13,8
naaldbos omzetten in heide of loofbos
€ 1,4
€ 1,05
€ 0,35
€ 202,8
€ 152,1
€ 50,7*
Robuust watersysteem
Efficiënt watergebruik
Ruimtelijke adaptatie
Totaal
* Er is €50 miljoen aan ZON-bijdrage van het Rijk beschikbaar. Dit betekent dat €0,7 miljoen ZON-bijdrage in eerste instantie nog niet kan worden toegekend, De Regionale Partij met de grootste ZON-bijdrage (Provincie Drenthe) krijgt daarom in eerste instantie €0,7 miljoen ZON-bijdrage minder toegekend. Zodra middelen vrijvallen zal als eerste deze niet-toegekende ZON-bijdrage van €0,7 miljoen worden toegekend aan de Provincie Drenthe. Zie toelichting onder artikel 5.
9
Financiën en Organisatie Artikel 4. Financiële afspraken Rijk – Zoetwaterregio Oost a. Het totale pakket aan maatregelen, zoals opgenomen in het Werkprogramma ZON 2022-2027 heeft een omvang van € 200 miljoen. Van dit bedrag wordt € 150 miljoen ingebracht door de Regionale Partijen. De rijksbijdrage bedraagt 25%. Dit betekent dat het Rijk aan de maatregelen van de Zoetwaterregio Oost € 50 miljoen bijdraagt voor de periode 2022-2027. b. De financiële afspraken tussen het Rijk en de Regio Oost lopen via de Coördinerende provincie en worden vastgelegd in een specifieke uitkering (SPUK) met als titel ‘Tijdelijke regeling stimuleren maatregelen tweede fase Deltaprogramma zoetwater’. Deze afspraken maken geen deel uit van deze overeenkomst. c. De Regionale Partijen spreken af de verdeling van de rijksbijdrage in 2024 tussentijds te evalueren. Op basis daarvan wordt door het RBO Rijn-Oost vastgesteld of de verdeling aanpassing behoeft. Indien de tussenevaluatie leidt tot een andere verdeling, dan zal deze overeenkomst hierop worden aangepast. d. De bijdrage van het Rijk voor de uitvoering van de maatregelen die zijn opgenomen in het Werkprogramma ZON 2022-2027 wordt via een Specifieke Uitkering (SPUK) toegekend aan de Coördinerende provincie, die namens de Zoetwaterregio Oost fungeert als kassier. e.
Ten aanzien van de bijdrage van het Rijk gelden de volgende rijksregels over BTW: • de toegezegde rijksbijdragen bij de projecten zijn inclusief BTW; • provincies en gemeenten mogen in sommige gevallen een beroep doen op het BTW-compensatiefonds om de door hen afgedragen BTW terug te vorderen; • het Rijk stort het BTW-compensabele deel van zijn bijdrage in het BTWcompensatiefonds en geeft een beschikking voor de netto bijdrage aan het programma aan de Coördinerende provincie; • de omvang van het BTW-compensabele deel wordt bepaald op basis van een raming die de initiatiefnemer opstelt en die getoetst wordt door het Rijk; • de initiatiefnemer kan de compensabele BTW op basis van daadwerkelijke betaalde rekeningen terugvragen bij de beheerder van het BTWcompensatiefonds; • verrekening van de BTW achteraf met het Rijk vindt niet plaats. f. Tabel 2 bevat de kasreeks die zal worden aangehouden voor de rijksbijdrage. Het Rijk maakt 80% van de netto bedragen van deze kasreeks in genoemde jaren over aan de Coördinerende provincie. De laatste 20% wordt overgemaakt na oplevering. Voor bedragen van minder dan €1,5 miljoen per Partij zal het voorschot van 80% van de netto bijdrage na goedkeuring van de aanvraag in één keer worden toegekend. Afhankelijk van de voortgang kan de Coördinerende provincie een verzoek indienen om het kasritme aan te passen.
De bedragen van deze kasreeks kunnen op basis van de jaarlijkse voortgangsrapportage of in 2024 op basis van een tussentijdse evaluatie door de Regionale Partijen worden herzien.
10
Tabel 2. Kasreeks rijksbijdrage
Bedragen meer dan 1,5 miljoen per partij
Bedragen minder dan 1,5 miljoen per partij
ZON-bijdrage Rijk (miljoen euro)
%
Bruto bijdrage
Netto bijdrage
%
Bruto bijdrage
Netto bijdrage
Totaal bruto bijdrage
Totaal netto bijdrage
2022
10
€ 3.922.757
€ 3.922.757
80
€ 8.617.942
€ 7.266.969
€ 12.540.700
€ 11.189.726
2023
15
€ 5.884.136
€ 5.884.136
0
€-
€-
€ 5.884.136
€ 5.884.136
2024
15
€ 5.884.136
€ 5.884.136
0
€-
€-
€ 5.884.136
€ 5.884.136
2025
20
€ 7.845.514
€ 7.845.514
0
€-
€-
€ 7.845.514
€ 7.845.514
2026
20
€ 7.845.514
€ 7.845.514
0
€-
€-
€ 7.845.514
€ 7.845.514
2027
20
€ 7.845.514
€ 7.845.514
20
€ 2.154.486
€ 1.816.742
€ 10.000.000
€ 9.662.257
100
€ 39.227.572
€ 39.227.572
100
€ 10.772.428
€ 9.083.711
€ 50.000.000
€ 48.311.283
* De bedragen minder dan 1,5 miljoen per partij bevatten ook de bedragen waarbij sprake is van een BTW-compensatie.
Artikel 5. Financiële afspraken tussen Regionale Partijen onderling a. De bepalingen van artikel 5 betreffen afspraken tussen de Regionale Partijen onderling. b. De aansturing van het Werkprogramma 2022-2027, de (her)verdeling en verantwoording van de rijksmiddelen uit het Deltafonds (Programmamiddelen) voor de Zoetwaterregio Oost is een verantwoordelijkheid van Regionale Partijen en gebeurt door het RBO Rijn-Oost. c. De Programmamiddelen zijn - met het oog op tijdige duidelijkheid bij de start van de uitvoering - op basis van het Werkprogramma ZON 2022-2027 en het daarin opgenomen regionaal bod verdeeld over de Initiatiefnemers. De verdeling is opgenomen in bijlage II. d. De Coördinerende provincie zorgt via een subsidieregeling voor toedeling van de rijksmiddelen aan de Initiatiefnemers. Uitgangspunt daarbij is dat de Coördinerende provincie geen aanvullende inhoudelijke beoordeling van maatregelen of projecten doet, aangezien dit al in het kader van het Werkprogramma ZON 2022-2027 heeft plaatsgevonden. Aanvragen, die passen binnen het Werkprogramma ZON 20222027, worden toegekend tot 80% van de toegedeelde netto Rijksbijdrage (zie bijlage II). De laatste 20% van de netto Rijksbijdrage wordt toegekend bij oplevering van de maatregelen. e.
Bij het opstellen van het regionaal bod, zoals opgenomen in het Werkprogramma ZON 2022-2027 heeft een prioritering plaatsgevonden waarbij het investeringsvolume is teruggebracht tot €202,8 miljoen (zie tabel 1). De niet-gehonoreerde maatregelen (circa €147 miljoen) zijn opgenomen in het Pluspakket. Aangezien het investeringsvolume €202,8 bedraagt betekent dit een lichte overprogrammering van €2,8 miljoen bij de start van het programma. Voor die €2,8 miljoen kan de ZON-bijdrage van €0,7 miljoen in eerste instantie niet worden toegekend, aangezien het Rijk €50 miljoen aan ZON-bijdrage beschikbaar heeft gesteld. De Regionale Partij met de grootste ZON-bijdrage (Provincie Drenthe) krijgt daarom in eerste instantie €0,7 miljoen ZON-bijdrage minder toegekend. Zodra middelen vrijvallen zal als eerste deze niet-toegekende ZON-bijdrage van €0,7 miljoen alsnog worden toegekend aan de Provincie Drenthe.
11
f. Gedurende de looptijd van het programma kunnen er middelen vrijvallen ingeval een Regionale Partij niet in staat is om de beschikte rijksbijdrage te besteden en / of het beschikbaar komen van aanvullende rijksmiddelen. In dat geval kunnen de Initiatiefnemers een beroep doen op cofinanciering vanuit de rijksbijdrage. Hiervoor gelden de volgende regels: • Bijsturing van het Werkprogramma 2022-2027 vindt jaarlijks plaats door de Initiatiefnemers zelf. De bijsturing geschiedt als volgt: jaarlijks wordt in een rapportage door de initiatiefnemer de voortgang per maatregeltype in beeld gebracht. Wanneer een maatregel niet of niet volledig wordt uitgevoerd, kan de initiatiefnemer (het restant van) de Programmamiddelen inzetten voor een gelijkwaardige maatregel. Dit is in een maatregel uit het vastgestelde maatregelenpakket. Het Programmabureau informeert het RBO Rijn-Oost jaarlijks middels de voortgangsrapportage over deze wijzigingen. • Herverdeling van Programmamiddelen tussen de Initiatiefnemers vindt plaats op basis van een tussentijdse evaluatie in 2024 en eventueel daarna op basis van de jaarlijkse voortgangsrapportages. De herverdeling richt zich op de inzet van middelen in de periode tot en met 2027.
• Wanneer uit de evaluatie of gedurende de looptijd van het programma blijkt dat een initiatiefnemer een maatregel niet of niet geheel binnen de periode t/m 2027 zal kunnen uitvoeren en geen gelijkwaardige alternatieve maatregelen binnen het eigen gebied kan inzetten, wordt als eerste de niet-toegekend €0,7 miljoen aan de Provincie Drenthe ingevuld (=de overprogrammering). • Vallen gedurende de looptijd van de tweede fase meer middelen vrij binnen het programma dan de overprogrammering, dan geldt het besluit van het RBO van 13 april 2018. Dit besluit houdt in dat ingeval een Regionale Partij niet in staat is om de beschikte middelen te besteden dat dan andere Regionale Partijen binnen dezelfde groep dit mogen invullen. Dit betreft de volgende 6 groepen: provincies, waterschappen, gemeenten, TBO’s, landbouw, drinkwaterbedrijven. Mocht het niet mogelijk blijken om de middelen binnen de eigen groep te besteden, dan vindt een herverdeling plaats tussen alle Regionale Partijen. • Komen er aanvullende (rijks)budgetten beschikbaar dan wordt opnieuw een afweging gemaakt waar deze middelen het beste aan kunnen worden besteed. In eerste instantie wordt daarbij gekeken naar het Pluspakket, maar daarnaast wordt ook gekeken of zich nieuwe ontwikkelingen of kansen voordoen waar nu nog niet in is voorzien of ontwikkelingen die om een bijsturing vragen. Het RBO Rijn-Oost besluit hierover. g.
In 2024 vindt er een tussentijdse evaluatie plaats en beoordeelt het RBO Rijn-Oost of er financiële ruimte is om deze Initiatiefnemers te voorzien van cofinanciering. h. Partijen die (nog) geen deel uitmaken van deze overeenkomst, maar wel een bijdrage aan de zoetwateropgave willen leveren, kunnen voorstellen indienen bij het Programmabureau. Het RBO Rijn-Oost beslist over de mogelijkheden van opname in het Werkprogramma ZON 2022-2027 en cofinanciering bij vrijval van middelen.
12
Artikel 6. Organisatie a. Bij het opstellen van deze overeenkomst en het Werkprogramma ZON 20222027 is de door het RBO (25 juni 2020) en BPZ (17 september 2020) vastgestelde Werkwijze programmering Deltaprogramma als uitgangspunt gehanteerd (zie bijlage III). Mocht het werkprogramma ZON 2022-2027 worden bijgesteld dan passen de Regionale Partijen de genoemde Werkwijze opnieuw toe. Aanpassing van deze Werkwijze is alleen mogelijk na instemming door de leden van het BPZ. Het RBO Rijn-Oost kan hiervoor voorstellen doen aan het BPZ. b. Bij de uitvoering van het Werkprogramma ZON 2022-2027 draagt iedere initiatiefnemer zelf de verantwoordelijkheid voor de realisatie van de maatregelen zoals die per Regionale Partij zijn beschreven in of ten grondslag liggen aan het Werkprogramma ZON 2022-2027. c. De Regionale Partijen zullen het Werkprogramma ZON 2022-2027 gezamenlijk en op een flexibele manier aansturen. Uitgangspunt daarbij is dat Initiatiefnemers de mogelijkheid hebben om op basis van moverende redenen een maatregel uit het Werkprogramma ZON 2022-2027 in te wisselen voor een andere maatregel uit het vastgestelde maatregelenpakket. Initiatiefnemers informeren daarover de Coördinerende provincie die op haar beurt het Rijk hierover informeert. De wijze van informeren is beschreven in artikel 7.
Indien daar aanleiding toe is wordt het Werkprogramma ZON 2022-2027 door het RBO Rijn-Oost aangepast. d. Het RBO Rijn-Oost zorgt voor de coördinatie van de uitvoering van de maatregelen. Het RBO Rijn-Oost: • bewaakt en rapporteert over de voortgang en samenhang van het deel van het Werkprogramma ZON 2022-2027 en signaleert en bespreekt eventuele knelpunten in de uitvoering van deze overeenkomst; • actualiseert periodiek het Werkprogramma ZON 2022-2027, in ieder geval in 2024; • verzorgt de afstemming met het BPZ; • stelt jaarlijks een voortgangsrapportage op en stuurt deze uiterlijk op 1 maart toe aan het Rijk; • heeft een programmacoördinator en een programmasecretaris aangesteld die verantwoordelijk zijn voor de dagelijkse werkzaamheden; • wordt ambtelijk ondersteund door het RAO die uit haar midden de Werkgroep ZON heeft ingesteld om de stukken voor te bereiden.
Artikel 7. Programmakosten a. De kosten voor de organisatie van het programma worden naar rato betaald door de deelnemende provincies, waterschappen en drinkwaterbedrijven conform de volgende verdeelsleutel: provincie Drenthe 20%, provincie Gelderland 12%, provincie Overijssel 12%, waterschap Drents Overijsselse Delta 12%, waterschap Rijn en IJssel 12%, waterschap Vallei en Veluwe 12%, waterschap Vechtstromen 12%, provincie Utrecht 4%, Vitens 4%. b. Ten behoeve van de organisatiekosten wordt ieder jaar een begroting voorgelegd aan het RBO Rijn-Oost. (Ter indicatie: de begroting van 2020 bedroeg €350.000) c. De kosten van de programmacoördinator en de programmasecretaris maken (conform het RBO-besluit d.d. 6 december 2019) deel van uit van de begroting.
13
Artikel 8. Voortgangsrapportage a. Op basis van een jaarlijkse voortgangsrapportage informeren de Regionale Partijen elkaar over de voortgang van de uitvoering van het Werkprogramma ZON 2022-2027. b. Over de uitvoering van de maatregelen uit het Werkprogramma ZON 20222027 wordt jaarlijks als volgt gerapporteerd: • van Initiatiefnemers aan het RBO Rijn-Oost en op basis hiervan vanuit het RBO Rijn-Oost ter informatie naar Gedupteerde Staten van de Coördinerende provincie; • van het RBO Rijn-Oost in gebundelde vorm voor de gehele Zoetwaterregio Oost aan het Rijk, door de Coördinerende Provincie, op het niveau van maatregelen (zie Werkprogramma ZON 2022-2027). c. Onderdelen van de jaarlijkse rapportage zijn: • voortgang van de uitvoering van maatregelen in termen van: % voorbereiding (verkenning/planvorming), % uitvoering en % gereed; • inzicht in de financiële uitgaven op basis van informatie die beschikbaar komt uit de horizontale verantwoording door de Regionale Partijen; • verloop van programma als geheel: % verloopt volgens planning; % loopt enige vertraging op, % loopt ernstige vertraging op; • verklaring van eventuele afwijkingen; • voorstellen voor aanpassing programma; • waar mogelijk worden doelbereik en effect van de maatregelen kwalitatief en kwantitatief geduid; • prognose van de eindstand van het programma op de aspecten tijd, geld, kwaliteit en doelbereik.
Overige bepalingen Artikel 9. Looptijd en planning a. Deze overeenkomst treedt na ondertekening in werking op 1 januari 2022 en eindigt op 31 december 2027. b. Uiterlijk een jaar voor laatstgenoemde datum treden de Regionale Partijen in overleg over een vervolg op deze overeenkomst voor de periode 2028 - 2033, of over maatregelen die nog moeten worden afgerond.
Artikel 10. Wijzigingen en beëindiging a. Elke partij kan, onverminderd de eventuele andere aan de Regionale Partijen toegekende rechten tot wijziging, de andere Partijen verzoeken deze overeenkomst te wijzigen. b. Wijzigingen van één of meer bepalingen van de overeenkomst behoeven de instemming van alle Partijen. c. Beëindiging van deze overeenkomst kan uitsluitend plaatsvinden om zwaarwegende redenen die naar redelijkheid niet waren te voorzien. d. Tussentijdse opzegging door één van de Regionale Partijen kan pas worden geëffectueerd na een schriftelijk verzoek hiertoe aan de andere Regionale
14
Partijen waarna de Regionale Partijen in een bijzonder gezamenlijk overleg de reden voor opzegging hebben besproken en zich tot het uiterste hebben ingespannen om deze in de geest van deze overeenkomst op te lossen.
Artikel 11. Geschillen a. Deze overeenkomst is niet in rechte afdwingbaar. b. De Regionale Partijen zullen zich inspannen om te voorkomen dat er geschillen ontstaan ter zake de totstandkoming, uitleg of uitvoering van deze overeenkomst. c. Een geschil is aanwezig als een der Regionale Partijen dat stelt. d. Eventuele geschillen in verband met de uitvoering van deze overeenkomst worden in onderling overleg tot een oplossing gebracht, waarbij de Regionale Partijen niet tussentijds over het geschil met derden zullen communiceren. e. De Regionale Partijen zullen zich inspannen om geschillen minnelijk op te lossen.
Artikel 12. Slotbepaling a. De volgende bijlagen vormen een nadere uitwerking van of toelichting op de afspraken in deze overeenkomst. De Regionale Partijen hebben hier kennis van genomen: I. Samenstelling RBO Rijn-Oost II. Toegezegde bijdragen per organisatie zoals opgenomen in het Werkprogramma ZON 2022-2027 III. Werkwijze voor de zoetwaterprogrammering door Rijk-Regio IV. Werkafspraken tussen de kassier (Coördinerende Provincie Overijssel) en het Programmabureau b. De (zakelijke inhoud van deze) overeenkomst zal binnen 20 werkdagen na ondertekening van deze bestuursovereenkomst in de Staatscourant worden gepubliceerd. c. Bij wijzigingen van de tekst van deze bestuursovereenkomst vindt onderdeel b van dit artikel overeenkomstige toepassing. Aldus ondertekend door alle Regionale Partijen op 4 november 2021.
15
16
provincie Drenthe
provincie Gelderland
Aldus ondertekend door J.N. Kuipers
Aldus ondertekend door P. van ’t Hoog
Datum:
Datum:
provincie Overijssel
provincie Utrecht
Aldus ondertekend door E. Boerman
Aldus ondertekend door H.G.J. Bruins Slot
Datum:
Datum:
waterschap Drents Overijsselse Delta
waterschap Vallei en Veluwe
Aldus ondertekend door D.S. Schoonman
Aldus ondertekend door H. Veldhuizen
Datum:
Datum:
waterschap Vechtstromen
waterschap Rijn en IJssel
Aldus ondertekend door B.H.M. Aarnink
Aldus ondertekend door H.Th.M. Pieper
Datum:
Datum:
gemeente Aalten
gemeente Almelo
Aldus ondertekend door M.J. Veldhuizen
Aldus ondertekend door E.J.F.M. van Mierlo
Datum:
Datum:
gemeente Amersfoort
gemeente Apeldoorn
Aldus ondertekend door C.W. Kraanen
Aldus ondertekend door W. Willems
Datum:
Datum:
gemeente Arnhem (mede namens Rheden)
gemeente Baarn
Aldus ondertekend door C. Bouwkamp
Aldus ondertekend door J. Vissers
Datum:
Datum:
gemeente Barneveld
gemeente Berkelland
Aldus ondertekend door P.J.T. van Daalen
Aldus ondertekend door J.H.A. van Oostrum
Datum:
Datum:
gemeente Borne
gemeente Bronckhorst
Aldus ondertekend door M.J.R. Kotteman
Aldus ondertekend door P.L.P.S. Hofman
Datum:
Datum:
gemeente Brummen
gemeente Coevorden
Aldus ondertekend door P. Inberg
Aldus ondertekend door J. Huizing
Datum:
Datum:
gemeente Deventer
gemeente Doetinchem
Aldus ondertekend door F.J.L. Rorink
Aldus ondertekend door R. Steintjes
Datum:
Datum:
gemeente Duiven
gemeente Ede
Aldus ondertekend door G.M. Tiedink-Koning
Aldus ondertekend door G. Ritsema
Datum:
Datum:
17
18
gemeente Elburg
gemeente Enschede
Aldus ondertekend door H. Wessel
Aldus ondertekend door J.C.R. van Houdt
Datum:
Datum:
gemeente Epe
gemeente Ermelo
Aldus ondertekend door B.J. Aalbers
Aldus ondertekend door L.A. van der Velden
Datum:
Datum:
gemeente Hardenberg
gemeente Harderwijk
Aldus ondertekend door A.H. te Rietstap
Aldus ondertekend door B. van Bijsteren
Datum:
Datum:
gemeente Hattem
gemeente Heerde
Aldus ondertekend door M.A. Schipper
Aldus ondertekend door Y. Çegerek
Datum:
Datum:
gemeente Hellendoorn
gemeente Hengelo
Aldus ondertekend door H.J. Nijhof
Aldus ondertekend door M.A. ten Heuw
Datum:
Datum:
gemeente Kampen
gemeente Leusden
Aldus ondertekend door J.P. van der Sluis
Aldus ondertekend door W.R. Vos
Datum:
Datum:
gemeente Lochem
gemeente Losser
Aldus ondertekend door R. Bosch
Aldus ondertekend door J. van Essen
Datum:
Datum:
gemeente Nunspeet
gemeente Oldebroek
Aldus ondertekend door M.W. Storteboom
Aldus ondertekend door B. Bergkamp
Datum:
Datum:
gemeente Oldenzaal
gemeente Ommen
Aldus ondertekend door E.C. Zinkweg-Ankone
Aldus ondertekend door B. Jaspers Faijer
Datum:
Datum:
gemeente Oost Gelre
gemeente Oude-IJsselstreek
Aldus ondertekend door B.T.M. Porskamp
Aldus ondertekend door H.W. Ankersmit
Datum:
Datum:
gemeente Putten
gemeente Rhenen
Aldus ondertekend door R. Koekkoek
Aldus ondertekend door P. de Rooij
Datum:
Datum:
gemeente Rijssen-Holten
gemeente Renkum
Aldus ondertekend door A.J. Aanstoot
Aldus ondertekend door J. Maouche
Datum:
Datum:
19
20
gemeente Soest
gemeente Voorst
Aldus ondertekend door A. Treep-van Hoeckel
Aldus ondertekend door H. van der Sleen
Datum:
Datum:
gemeente Westervoort
gemeente Wierden
Aldus ondertekend door J.H.J. Sluiter
Aldus ondertekend door J.H. Coes
Datum:
Datum:
gemeente Winterswijk
gemeente Zevenaar
Aldus ondertekend door L.C.M. Frings
Aldus ondertekend door C. Koers-de Graaf
Datum:
Datum:
gemeente Zutphen
gemeente Zwolle
Aldus ondertekend door A. de Jonge
Aldus ondertekend door E.W. Anker
Datum:
Datum:
gemeente Arnhem (mede namens Rheden)
LTO noord
Aldus ondertekend door C. Bouwkamp
Aldus ondertekend door N. Koks
Datum:
Datum:
Vitens N.V.
WMD Drinkwater B.V.
Aldus ondertekend door J.J. Hannema
Aldus ondertekend door L.J.W. Hendriks
Datum:
Datum:
Landschap Overijssel
Natuurmonumenten
Aldus ondertekend door M. Sijbom
Aldus ondertekend door H. Korf
Datum:
Datum:
gemeente Bronckhorst
Overijssels Particulier Grondbezit
Aldus ondertekend door P.L.P.S. Hofman
Aldus ondertekend door M.J.C. von Bönninghausen
Datum:
Datum:
Utrechts Particulier Grondbezit
Staatsbosbeheer
Aldus ondertekend door A. Kaspers
Aldus ondertekend door S.W.A. Bonekamp
Datum:
Datum:
21
22
Bijlagen I.
Samenstelling RBO Rijn-Oost
II. Toegezegde bijdragen per organisatie zoals opgenomen in het Werkprogramma ZON 2022-2027 III. Werkwijze voor de zoetwaterprogrammering door Rijk-Regio IV. Werkafspraken tussen de kassier (Coördinerende Provincie Overijssel) en het Programmabureau