B-3.10 Besluit B&W over raadsinformatiebrief svz NOVEX-ontwikkelperspectief d.d. 7-11-23
Tekst van het document
We realiseren woon- en werklocaties en voorzieningen zoveel mogelijk binnenstedelijk, door verdichting in steden en dorpskernen. We programmeren nieuwe woningen en werklocaties zoveel mogelijk op locaties die goed ontsloten zijn met (hoogwaardig) openbaar vervoer en (snel)fietspaden. We benutten de grote bouwopgave als een kans om echt in te zetten op verduurzaming en circulariteit in de woningbouw. We versterken onze woon- en werklocaties ook het gebied van groen en gezondheid. Een groei in inwoneraantal vraagt dat ook voorzieningen in brede zin, zoals bijvoorbeeld scholen en zorgvoorzieningen meegroeien. Een vraagt om ontwikkeling op gebied van natuur, recreatie, economie, mobiliteit, energie, drinkwater en riolering. Een robuust watersysteem wordt een steeds belangrijkere opgave. In paragraaf 2.2 wordt deze opgave verder uitgewerkt. Leefomgeving Voor de leefomgeving hebben we in de verstedelijkingsstrategie afgesproken dat onze bewoners in bestaande en nieuwe wijken toegang hebben tot groen en recreatiegebieden in en dicht bij de stad en ook tot de grote natuurgebieden in onze provincies, waarbij we de druk op de Veluwe niet verder toe willen laten nemen. Meer groen in de leefomgeving draagt ook bij de gezondheid van de bewoners en de klimaatbestendigheid en biodiversiteit van het gebied.
Het toevoegen van groen in en aan de stad en het vergroten van de boomkroonbedekking in het stedelijk gebied sluit aan op de ambities waar in EU-verband op wordt ingezet in de EU-verordening Natuurherstel. Concreet hebben we afgesproken om 5.000 hectare uitloopgebied te realiseren en versterken we groen in de stad. We doen dit door de bestaande landschappen en leefomgeving te versterken en door nieuwe landschapzones te creëren. In Utrecht werken we daarbij ook met het concept GroenGroeitMee. Daarbij zetten we in op multifunctioneel ruimtegebruik voor natuur, recreatie, energie, waterberging en landbouw. Voorbeelden van kansrijke gebieden hiervoor zijn de zones rondom Nijmegen en Arnhem en de gebieden rondom de snelgroeiende kernen zoals Ede, Veenendaal (De Roode Haan), Barneveld (Binnenveld), Westervoort en Zevenaar. Via bijvoorbeeld snelfietspaden en toeristische overstappunten kan het stedelijk uitloopgebied verder worden uitgestrekt voorbij de direct aangrenzende omgeving.
11
Economie Onze economie laten we meegroeien met de groei van het aantal inwoners, zodat onze bewoners niet alleen prettig kunnen wonen maar ook kunnen werken in het gebied. We zetten in op verdichten en verduurzamen van bestaande werkgebieden en bedrijventerreinen met een goede OVbereikbaarheid. We zijn sterk in innovatie waarbij onze focus ligt op food, health, hightech en energy. We versterken onze positie als circulaire topregio. We creëren sterke economische brandpunten met een hoge stedelijke dichtheid van wonen en werken zoals in Nijmegen West en Spoorzone Arnhem Oost. We houden rekening met extra ruimte voor bedrijvigheid op gebied van circulaire, energieneutrale en klimaatadaptieve economie. Vanuit de grote woningbouwopgave stimuleren we de ontwikkeling van circulaire bedrijvigheid voor deze bouwopgave. Dit vraagt dat we hoge milieucategorie locaties behouden en nieuwe ontwikkelen voor bedrijven in de circulaire economie. We hebben de ambitie om de nationale proeftuin te zijn voor de transitie naar een circulaire voedselvoorziening; belangrijke thema’s hierbij zijn de eiwitransitie, korte ketens en natuurinclusieve landbouw. Ook voor deze bedrijven moeten we ruimte beschikbaar stellen. Voor woningbouw of ontwikkeling van infrastructuur is het in bepaalde gevallen nodig om bestaande bedrijventerreinen te gebruiken.
In deze gevallen zetten we in op behoud en groei van het aantal banen passend bij de bevolking in het gebied. Dit vraagt niet per direct om compensatie van meters op nieuwe werklocaties, omdat de doelstelling is bestaande terreinen te intensiveren. Mobiliteit De druk op de infrastructuur van wegen, fietspaden, spoor en waterwegen neemt toe door de groei in inwoners, economische ontwikkelingen en de verwachte toename van het goederenvervoer. Deze toename in mobiliteit veroorzaakt knelpunten in het netwerk. In de eerste plaats vraagt dit om het beter benutten van de bestaande infrastructuur. Voor een goede bereikbaarheid van woningen, bedrijvigheid en recreatie moet daarnaast het mobiliteitsnetwerk worden versterkt. De focus daarbij ligt op slimme en schone mobiliteit. Het vergroten van de capaciteit van het mobiliteitsnetwerk moet hand in hand gaan met de verduurzaming en de mobiliteitstranisitie. We doen dit door mobiliteitshubs, het stimuleren van fietsen en lopen, het versterken van het hoogwaardig openbaar vervoernetwerk (BRT en HOV), onze inzet bij met name de spoorcorridor Utrecht-Arnhem-Duitse grens, gedragsmaatregelen en aanpassing van de inrichting van het regionale en landelijke wegennet. Met de bestuurlijke afspraken Verstedelijking en het MIRT-Circuit van afgelopen jaren hebben we – met de verstedelijkingsstrategie als basis – eerst stappen gezet.
De ambitie is de mobiliteitstransitie verder vorm te geven. De multimodale Goederenvervoercorridor Oost loopt door deze regio. Deze is zowel regionaal, nationaal als internationaal van belang. Daarnaast speelt het vraagstuk van de toekomst van het spoorgoederenvervoer in Oost-Nederland. Dit vraagstuk wordt nader onderzocht in het onderzoek Goederencorridor (spoor) Noordoost-Europa (GNOE). De economische activiteiten in het gebied (en die daarbuiten) leiden ook tot het een groei van vervoer van gevaarlijke stoffen o.m. per spoor. Het vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor, dat soms door dicht bebouwd gebied plaats vindt, kan op gespannen voet komen te staan met (woning)bouwplannen en andere bouwplannen nabij OV-knooppunten. De energietransitie kan daarbij nog leiden tot nieuwe en extra vervoersstromen van gevaarlijke stoffen per spoor, maar de onzekerheid over de groei van die vervoersstromen is groot. Er wordt op nationaal niveau gewerkt aan een Robuust Basisnet Spoor dat zowel veilig vervoer mogelijk maakt als een verdere ontwikkeling van de steden. Het Robuust Basisnet Spoor zal ook doorwerking krijgen in de ontwikkelingen in deze regio.
12
Energietransitie en netcongestie Een belangrijke aanvulling op de Verstedelijkingsstrategie is hoe we omgaan met energietransitie en netcongestie. Via de Regionale Energie Strategie (RES) hebben we afspraken gemaakt met als doel om in 2050 energieneutraal te zijn. Hiermee dragen we bij aan de doelen van het Nationale Programma RES Om dit te bereiken zetten we zowel in op het opwekken van energie (zon en wind), warmtenetwerken, waterstof en energiebesparing. Een belangrijk tussendoel vastgelegd in RES 1.0 is om in 2030 2,37 TWh zonne- en windenergie op te wekken en 15% energiebesparing te realiseren. Voor de energietransitie zetten we in op duurzame zonne-energie conform de Voorkeursvolgorde Zon. Daarbij zetten we in op het zoveel mogelijk benutten van daken en gevels en multifunctioneel gebruik op overige gronden, anders dan landbouw- en natuurgronden. Alleen als het benutten van de potentie op daken en gevels en deze terreinen redelijkerwijs niet mogelijk is, of de RES-opgave voor hernieuwbare opwek onder druk komt te staan, kijken we naar multifunctioneel zon-PV op landbouw- en natuurgronden (trede 4). Hierbij passen we de nog vast te stellen “nee, tenzij” voor landbouw- en natuurgronden toe. Samen brengen we in beeld welke extra stappen we kunnen zetten om zoveel mogelijk zonPV op trede 1, 2 en 3 te realiseren.
Tot 2030 zien we dat netcongestie sterk beperkend is voor de gewenste groei in wonen en werken. Op kortere termijn, tot 2030, zijn de meeste uitbreidingen in het elektriciteitsnetwerk al gepland. Voor alle verstedelijkingslocaties (wonen en werken) maken we een risicoanalyse of de geplande locatie op het gewenste moment aangesloten kan worden op het netwerk onder twee scenario’s: all electric en warmtenet en hoe groot de risico’s zijn van mogelijke andere ontwikkelingen die aansluiting alsnog in gevaar kunnen brengen. Daarna volgt een verkenning van mogelijke oplossingsrichtingen. Hiervoor is een goede samenwerking tussen provincies, gemeenten en netbeheerders cruciaal. Voor veel werklocaties kunnen tot 2030 aansluitingen op het elektriciteitsnet alleen gerealiseerd worden indien er lokale oplossingen met een 0-netcapaciteit gerealiseerd worden of door lokale energieopslag te realiseren. Het voldoende uitbreiden van de netcapaciteit na 2030 om de schaalsprong en de energietransitie te accommoderen, is noodzakelijk. In de RES hebben we plannen ontwikkeld voor de opwekking van duurzame energie tot 2030. Voor de periode daarna werken we aan een visie op het energiesysteem in 2040. We kijken hierbij naar de mogelijkheden en voor- en nadelen van verschillende energie- en warmtebronnen, zoals waterstof, geothermie en de daarvoor benodigde (boven)regionale distributienetwerken.
In het rivierengebied is ook aquathermie een potentieel belangrijke warmtebron. Aandachtspunt hierbij is het duurzaam gebruik van de ondergrond. Zo hebben individuele bodemwarmtesystemen duizenden perforaties van belangrijke kleilagen als gevolg en hiermee een negatieve impact op de nog onbesmette diepere grondwatervoorraden. In de Groene Metropoolregio zijn mogelijkheden voor geothermie geïdentificeerd en wordt aansluiting op de waterstofbackbone als mogelijke route gezien. Daartoe is het voor de verspreide industrie in de regio, de zogenoemde cluster 6 bedrijven, van cruciaal belang dat de nodige aftakkingen van het hoofdtransportnet worden gerealiseerd. In Regio Foodvalley is bekend dat er geen ‘normale’ geothermische warmtebron is. Naar de mogelijkheden voor ultradiepe geothermie en aquathermie moet nog onderzoek worden gedaan. De provincie Gelderland heeft een onderzoek naar de mogelijkheden en wenselijkheid van kernenergie voorzien. De energietransitie zorgt voor het ontstaan van nieuwe vormen van bedrijvigheid. Net als we ruimte bieden aan de circulaire economie bieden we ook ruimte aan deze bedrijvigheid.
13
Kansen en schuurpunten schaalsprong in verstedelijking met oog voor de leefomgeving Gewenste bouwtempo en verdichting In de verstedelijkingstrategie kiezen we nadrukkelijk voor verdichting en zo veel mogelijk binnenstedelijk bouwen voor wonen en werken. Dit is een bewuste keuze omdat we zo niet alleen “meer stad” realiseren, maar ook ruimte hebben om “meer landschap” te realiseren. Dit staat in de praktijk vaak op gespannen voet met het bouwtempo dat we ook willen. Het realiseren van binnenstedelijke bouwlocaties vraagt soms meer durf en volharding dan het realiseren van nieuwbouw op uitleglocaties, waarop ook een deel van de bouwopgave wordt gerealiseerd. We moeten bewaken dat we vast blijven houden aan de door ons vastgestelde principes van duurzame verstedelijking ondanks de druk op kwantiteit. En voorkomen dat woningen door die tijdsdruk worden gebouwd op plekken, die vanuit de ambities van natuurherstel en het realiseren van een robuust watersysteem (zie paragraaf 2.2) beter een andere bestemming kunnen krijgen. Dat vraagt dat we hierover het gesprek met elkaar aangaan en keuzes durven maken. Risico van onbalans in ontwikkeling Voor de korte termijn (tot 2030) zien we dat de ontwikkeling van de verschillende bouwstenen onvoldoende op elkaar is afgestemd. Netcongestie zorgt voor uitdagingen om nieuwe woningen en werklocaties aan te sluiten op het elektriciteitsnetwerk.
De ontwikkeling van warmtenetwerken is nog onvoldoende. De versterking van de infrastructuur, nodig voor de bereikbaarheid, dreigt een ander tempo te krijgen dan de geplande woningbouw. Ook het bouwen voor wonen en werken wordt nog niet in balans opgepakt. De bouw van woningen en bedrijven wordt gehinderd door de stikstof beperkingen. Een groot deel van de woningen, zeker in Arnhem en Foodvalley zuid (rondom de Veluwe) is gepland binnen 2 kilometer van Natura 2000-gebieden. De stikstofopgave stelt ons hier voor de uitdaging om maximaal in te zetten op slimmere en schonere oplossingen en waarschijnlijk zal dit voor bepaalde locaties op korte termijn onvoldoende zijn. Voor sommige bouwstenen hebben we al goed in beeld welke maatregelen nodig zijn om de schaalsprong te realiseren. Zo hebben rijk en regio’s voor de grootschalige NOVEXwoningbouwlocaties en woningbouwlocaties in diverse gemeenten mobiliteitspakketten ontwikkeld en bekostigd. Daarnaast hebben we een onderzoek gedaan om in beeld te brengen welke aanvullende maatregelen nodig zijn om de verstedelijking te realiseren. Over deze maatregelen hebben we nog geen afspraken en verschillen de beelden over wat van dit maatregelenpakket echt noodzakelijk is. Bovendien zijn er bij zowel Rijk als regio onvoldoende middelen beschikbaar om deze maatregelen te realiseren. En er zijn meer onzekerheden.
Door stikstofproblematiek liggen meerdere projecten stil. Tegelijk kampt IenW met steeds meer prijsstijgingen en financiële tegenvallers op aanleg, naast schaarste in personele capaciteit. IenW focust op wat wél kan en zet haar financiële middelen en capaciteit zo in dat de bereikbaarheid en veiligheid daar het meeste van profiteren. Dit betekent inzet op het in stand houden van de hoofdwegen en hoofdvaarwegen, net als aanlegprojecten die reeds in realisatie zijn. In het gebied worden als gevolg hiervan de aanpak van knooppunt A1/A30 en knooppunt Hoevelaken op pauze gezet. Deze onzekerheden en ontwikkelingen hebben effect op de bereikbaarheid van het gebied. Wat dit effect is, wat dit betekent voor de stedelijke ontwikkelingen en wat dit dus ook betekent voor de manier waarop we de verstedelijkingsafspraken tot uitvoering brengen, gaan we met een netwerkanalyse samen in beeld brengen. Van daaruit zoeken we naar wat nodig is om de verstedelijkingsafspraken op een goede manier uit te voeren, die recht doet aan de onzekerheden en (nieuwe) ontwikkelingen waar we mee te maken hebben. Ook zijn onze woningbouwplannen in beeld. De planvoorraad in de Groene Metropoolregio komt dicht in de buurt van het gewenste aantal voor de periode tot 2030. In de Groene Metropoolregio zien we echter dat de recente bevolkingsprognoses hoger uitkomen, er blijft dus behoefte bestaan 14
om de planvoorraad te vergroten. Dit geldt zeker voor de periode 2030-2040, waarin nog onvoldoende plannen bestaan voor deze regio. In Regio Foodvalley is de planvoorraad voor de periode tot 2030 krap (95% bruto). Het is dan ook vooral van belang om locaties daadwerkelijk in ontwikkeling te krijgen en minimaal in te zetten op de afgesproken woningbouwaantallen per locatie. Voor de periode daarna lijkt vooralsnog voldoende ruimte om invulling te geven aan de woningbehoefte en eventueel een beperkte inhaalslag te maken. Door de sterk gestegen materiaalkosten, onder eigen kwaliteitseisen en de extra kosten van binnenstedelijk verdichten lopen we tegen steeds hogere onrendabele toppen aan. Voor de onderwerpen die nog minder in beeld zijn, maken dit de komende tijd inzichtelijk. Zo hebben we nog onvoldoende beeld wat de benodigde ruimte voor werklocaties is, bijvoorbeeld welke ruimtebesparing kan gerealiseerd worden door middel van verdichting en wat is de ruimte behoefte voor de circulaire economie. Ook is er nog beter inzicht nodig in de consequenties van water- en bodem sturend als leidend principe. Ook energievoorziening vraagt extra onderzoek. We hebben in het gebied op steeds meer plaatsen te maken met netcongestie.
Op kortere termijn, tot 2030, zijn de meeste uitbreidingen in het elektriciteitsnetwerk al gepland en weten we in grote lijnen waar de verstedelijking gaat plaatsvinden. Voor alle grote verstedelijkingslocaties (wonen en werken) maken we een risicoanalyse en verkenningen mogelijke oplossingsrichtingen, tot op het niveau van onderstations. Hier kijken we naar versneld uitbreiden en slimme keuzes om energieinfrastructuurbehoefte te verminderen. Wat we daarbij waarschijnlijk wel nodig hebben is meer ruimte (o.a. in wet- en regelgeving) voor innovatieve initiatieven die bijdragen aan meer decentrale energievoorziening (smart energy hubs). De aanleg van energie-infrastructuur zoals warmtenetten vraagt flinke investeringen, zeker daar waar de warmtebron niet direct in de buurt zit van het warmtenetwerk en additionele transportleidingen aangelegd moeten worden. Er is een verkenning nodig mogelijkheden en financierbaarheid van regionale warmte-infrastructuur en transportcapaciteit. In dit ontwikkelperspectief staan drie hoofdopgaven. In paragraaf 2.2 hebben we onze opgaven voor natuurherstel en het realiseren van een robuust watersysteem uitgewerkt. De opgaven vanuit de schaalsprong verstedelijking kunnen hiermee schuren. We moeten de balans bewaken tussen de verschillende opgaven. We gebruiken hiervoor de NOVI-afwegingsprincipes.
Multifunctionele inrichting vraagt om gebundelde financiering De realisatie van de bouwstenen waaronder bijvoorbeeld toevoegen van 5.000 hectare uitloopgebied en versterken van groen en blauw in de bebouwde omgeving, vraagt om het goed benutten van koppelkansen en inzetten op functiecombinaties. Voor financiering van zowel de natuurherstel opgave als de recreatie opgaven zullen we verschillende financieringsbronnen moeten combineren. We onderzoeken de mogelijkheden om koppelingen aan te brengen in investeringen in het kader van nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke programma’s; zoals NPLG, het Deltaprogramma, het Programma Integraal Rivierenmanagement, het Programma Hoogwaterbescherming en de Programmatische Aanpak Grote Wateren. Uitvoeringkracht voor circulaire economie Ruimte voor circulaire activiteiten is belangrijk, hierbij is ruimte voor hogere milieu categorieën (4.1 en hoger) nodig om bedrijven die hinder veroorzaken voor hun omgeving te kunnen huisvesten of verplaatsen. Omdat de ruimte beperkt is, is selectiviteit in type bedrijf (gelieerd aan topsectoren) noodzakelijk. Ook bedrijven die een bijdrage leveren aan de realisatie van duurzame en circulaire woningen en de energietransitie zien we graag in de regio zich vestigen. We streven naar het sluiten van ketens.
We hebben nog onvoldoende duidelijk beeld van ambities, kansen en consequenties met betrekking tot de circulaire economie. De komende periode werken we een gedeelde visie en ambitie 15
uit. We verwachten dat om deze ambities te kunnen realiseren, we uitvoeringskracht en passend instrumentarium moeten ontwikkelen. Waterverbruik industrie kan natuurherstel tegenwerken Voor grondwater ligt er een belangrijke herstelopgave. In zowel kwantitatief als kwalitatief opzicht staat het (grondwater)systeem onder grote druk. Het verbruik van grondwater door industrie heeft effect op de hoeveelheid en kwaliteit van het grondwater. Klimaatverandering vraagt om een robuust herstel om verdroging, het verlies van natuurwaarden en omgevingskwaliteit tegen te gaan en drinkwatervoorziening duurzaam veilig te stellen. We moeten het industrieel verbruik conform provinciaal en nationaal beleid afstemmen op een robuust functionerend grondwatersysteem. We onderzoeken of en waar (grond)water verbruikende industrie zonder kwantitatieve en kwalitatieve effecten op natuurwaarden mogelijk is. Het sturen op waterverbruik door bedrijven en de locaties waar (hoogwaardig) waterverbruikende economie wel en niet mogelijk is, vraagt dat de kaders uit natuurherstelbeleid locatie specifiek vertaald worden. De schaalsprong maakt het nog belangrijker om waterbewust te ontwikkelen, leven en werken. Ook van inwoners vragen we dat het waterverbruik wordt verminderd. Dit betekent dus ook dat we een besparingsdoelstelling hebben voor (nieuwbouw)woningen.
Samenvattend: wat is hiervoor nodig Inzicht in onbalans en maken van integrale keuzes We gaan in beeld brengen waar er onbalans is tussen ontwikkeling van de verschillende bouwstenen die nodig zijn om de gewenste schaalsprong te realiseren. Daar waar dat beeld er is: maken we keuzes en brengen we de consequenties daarvan in beeld. Dat zou in uiterste geval kunnen betekenen dat we bepaalde ambities niet in zijn geheel, of op het gewenste moment kunnen realiseren. Bijvoorbeeld aantallen woon- en werklocaties, omdat bouwstenen zoals leefomgeving, energie of mobiliteit niet meegroeien of vertraging in realisatie omdat de reductie van stikstofdeposities nog onvoldoende is. Dit betekent samen de feiten in beeld brengen, de gevolgen onder ogen zien en keuzes maken. Gebundelde financiering en uitvoeringskracht Voor de realisatie van de schaalsprong is het behulpzaam als er in toekomst een meer gebundelde financiering en uitvoeringskracht zou komen. Minder sectoraal en meer vanuit de opgaven geredeneerd. Samen onderzoeken we hoe we een gezamenlijke uitvoeringsorganisatie met bij voorkeur gebundelde financiering vanuit het Rijk, provincie(s), waterschappen en regio-gemeenten kunnen realiseren. Hiermee voorkomen we tegenstrijdig beleid en zorgen we voor synergie en efficiënt gebruik van overheidsgeld.
Mogelijkheden voor het realiseren van concrete plannen Partijen moeten samenwerken in het realiseren van concrete plannen. Dit vraagt dat we concrete afspraken maken over: • Het uitvoeren van het mobiliteitspakket van het programma Woningbouw en mobiliteit en het uitvoeren van een netwerkanalyse om gezamenlijk te bepalen wat verder nodig. • Hoe om te gaan met benodigde investeringen om onze werklocaties te verdichten, te vergroenen en te herstructureren • Hoe ruimte te creëren voor Smart Energy Hubs op bedrijventerreinen om optimaal gebruik te kunnen maken van lokale duurzame energie en te zorgen voor slimme regie op opwek, opslag en verbruik. • Hoe investeringen in natuur- en landschapsontwikkeling, waaronder de recreatieve infrastructuur te organiseren. • Hoe om te gaan met de onrendabele toppen bij de bouw van woningen. 16
Zoeken naar lokale en regionale oplossingen om beperkingen van netcongestie te minimaliseren In samenwerking met netbeheerders onderzoek doen naar maatregelen om ons energiesysteem gereed te maken voor onze schaalsprong en onderzoek naar aanvullend instrumentarium om de problemen van netcongestie het hoofd te bieden. Ruimte in wetgeving voor innovatieve initiatieven die bijdragen aan meer decentrale energievoorziening. We hebben oplossingen nodig voor de problemen op de kortere termijn en een strategie voor de langere termijn.
17
2.2 Realiseren van natuurherstel en een robuust watersysteem
Onze ambitie 2040: toekomstbestendige natuur voor plant, dier en mens Het NOVEX-gebied Arnhem-Nijmegen-Foodvalley is een gebied met veel groen en blauw. We hebben de prachtige Veluwe, riviernatuur, een groen landelijk gebied en groen in en om de stad. In het gebied bevindt zich ook de “kraan van Nederland” bestaande uit grote rivieren (Bovenrijn, Waal, Pannerdensch Kanaal en Nederrijn) en het binnendijks rivierengebied (Betuwe, Land van Maas en Waal en de lage delen van de Liemers). Ook de Linge is een belangrijke rivier in het gebied en zeker ook benedenstrooms in de Betuwe van grote invloed. Met al deze natuurgebieden en het water hebben we ook een belangrijke opgave: het zorgen voor toekomstbestendige natuur en een robuust watersysteem. In 2040 willen we graag aantrekkelijke landschappen voor bewoners die ecologisch waardevol en biodivers zijn, waar voldoende drinkwater beschikbaar is nu en in de toekomst, voor het gebied zelf en daarbuiten, voldoende ruimte is voor transport over water, voor waterberging en waterveiligheid en toekomstbestendige landbouw zijn gerealiseerd. Waar ruimte is voor recreatie en toerisme, dit is biedt kansen voor bedrijvigheid, draagt bij aan het welzijn en de gezondheid van mensen en zorgt ervoor dat de natuur meer wordt gewaardeerd.
We zetten daarom in op het versterken van de groene en blauwe kwaliteiten van onze regio en creëren een verbonden groenblauw raamwerk in het gebied. Concreet realiseren we minimaal 10% groenblauwe dooradering. Ieder gebied kent specifieke kenmerken en opgaven. Dit vraagt om maatwerk om onze ambities en opgaven in specifieke gebieden te realiseren. Hierbij maken we onderscheid tussen de aanpak binnen de Natura 2000-gebieden en daarbuiten. Binnen de Natura 2000-gebieden gebied is een bestaande aanpak van herstelmaatregelen via beheerplannen en bestaande structuren van terreinbeherende organisaties, waterschappen en overheid. Herstel van kwetsbare natuurgebieden zoals de Veluwe kan niet alleen in de gebieden zelf gerealiseerd worden, maar moet juist door een aanpak van de gebieden erom heen gebeuren: het buitengebied, de stadsranden en stedelijke gebieden. Een aanpak van al deze groenblauwe gebieden komt ten goede aan het herstel van het natuurlijke systeem in het hele NOVEX-gebied. Hiervoor is namelijk herstel van bodem en water een basisvoorwaarde. Het realiseren van natuurherstel en een klimaatrobuust watersysteem is voorwaardenscheppend voor het realiseren van de schaalsprong verstedelijking. Ook bij de opgaven op gebied van natuurherstel en het realiseren van een robuust watersysteem zijn water en bodem sturend.
Door functies te combineren kunnen we een groter resultaat boeken en benutten we de beschikbare ruimte optimaal. Functies zoals landbouw, transport, recreatie, waterberging, waterveiligheid, energie en natuur. Het gaat dan over het combineren van functies in de ruimte, maar ook over de realisatie door financiële middelen en uitvoeringskracht te combineren en zo meerdere opgaven gelijktijdig te realiseren. Hierbij is het van belang om te starten bij een goed inzicht in het gebied. We realiseren geen standaardoplossingen, we sluiten aan bij de kenmerken en specifieke waarden van het gebied. De natuurherstel- en wateropgave zijn cruciaal om ook toekomstige generaties een gezonde, vitale en leefbare woon- en werkomgeving te bieden en de biodiversiteit te herstellen zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied. Een natuurinclusieve ontwikkeling en een inzet op natuurherstel ook buiten Natura 2000 gebieden sluit aan op de inzet in EU verband op biodiversiteitsherstel d.m.v. de EU-verordening Natuurherstel.
18
De opgaven voor herstel en klimaatadaptatie Robuust natuur en watersysteem in ”de kraan van Nederland” De ‘’kraan van Nederland” en daarmee het hele watersysteem heeft onderhoud nodig, om alle gewenste functies te kunnen vervullen. Scheepvaart kampt afgelopen jaren regelmatig met te lage waterstanden. De landbouw in het NOVEX-gebied kampt met zowel wateroverlast als met droogte. Door “lekverliezen” verdrogen gebieden en klinken gronden in. Niet alleen voor de huidige landbouw is dat een probleem, maar ook woningen en bedrijven kampen met verzakkingen. Er zijn bovendien zorgen of met de verdergaande verstedelijking alle nieuwe huizen en bedrijven van drinkwater kunnen worden voorzien. Tot slot lijdt de bijzondere natuur zichtbaar door gebrek aan voldoende water van de juiste kwaliteit. In dit omvangrijke rivierengebied liggen dan ook belangrijke opgaven vanuit het Integraal Rivier Management (IRM). In dit nationale programma wordt ingezet op een toekomstbestendig rivierengebied wat als systeem goed functioneert en meervoudig bruikbaar is. In het IRM is de Gelderse poort aangewezen tot prioritair gebied. Ook liggen in dit gebied opgaven vanuit het Programma Aanpak Grote Wateren (PAGW) vanuit Rijkswaterstaat. In dit gebied ligt een grote opgave voor natuurversterking en -uitbreiding.
De wens geldt voor 7.500 hectare, voornamelijk buitendijks, maar ook binnendijks Natura 2000-gebied. Aspecten van waterveiligheid, natuur, landbouw en duurzame delfstoffenwinning komen hier samen. Via de ‘3e tranche PAGW’ zijn recent tijksmiddelen voor de Gelderse Poort gereserveerd ter waarde van 20 miljoen. We staan voor de uitdaging om hiermee voldoende snel een vliegwiel op gang te brengen voor de grote systeemingrepen die nodig zijn om de totale PAGW-ambitie te realiseren. Ook de Liemers, het gebied van de Rijnstrangen kent een besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro-reservering) voor waterberging voor de grote rivieren. De nadere invulling van deze reservering wacht op uitwerking. In de Liemers is versterking van de weteringen tussen de kernen van belang om verdere inklinking (verzakkingen van huizen) en verdroging van het gebied te voorkomen. Zoetwatervoorraad beschermen en vergroten De Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug bevatten een van de grootste zoetwatervoorraden van Nederland. Deze grote zoetwatervoorraad staat onder druk, enerzijds door de grote onttrekkingen ten behoeve van drinkwater, industrie en landbouw en anderzijds door te snelle afvoer van water en door een langer groeiseizoen waardoor de verdamping is toegenomen.
Om te zorgen dat in de toekomst water uit deze voorraad beschikbaar blijft is het van belang de natuurlijke sponsfunctie van de Veluwe te vergroten, water beter vasthouden en te infiltreren en water en bodem sturend te laten zijn in onze ruimtelijke keuzes. We moeten onze strategische drinkwatervoorraden beschermen. Dit vraagt dat we zowel de kwaliteit van ons water beschermen door het beperken van het gebruik van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen en het voorkomen van nieuwe (diffuse) verontreinigingen. Daarbij mogen gebiedsontwikkelingen de toegang tot onze aangewezen aanvullende strategische drinkwatervoorraden niet in gevaar brengen. Naast beschermen en vergroten van onze zoetwatervoorraden is het ook van belang om het gebruik van water te beperken, door bewoners, door de industrie en de landbouw.
19
Natuurherstel op de Veluwe De Veluwe is het grootste, op land gelegen, Natura 2000-gebied van Nederland, het is de groene long van Gelderland en voor Nederland. Ook herbergt de Veluwe een belangrijke zoetwatervoorraad voor Nederland (zie bovenstaande opgave). De kwaliteit van de natuur staat onder druk door met name hoge belasting van nutriënten en bestrijdingsmiddelen, door droogte en verdroging en door versnippering van gebieden. Het vraagstuk van afnemende biodiversiteit speelt zowel binnen als buiten de aangewezen natuurgebieden. Bijzondere aandacht vraagt de ongezonde conditie van de bodem en natuur door vermesting en verzuring en het veelal op waterafvoer ingerichte watersysteem. Dit vraagt om een transitie van de landbouw op de enclaves en rondom de Veluwe, die ook zal bijdragen aan de opgave op het gebied van terugdringen van uitstoot van broeikasgassen (klimaatmitigatie). Ook wordt ingezet op de robuustheid van de Veluwe en verbindingen met andere natuurgebieden. De Veluwe heeft naast hoge natuurwaarden ook hoge landschappelijke en erfgoedwaarden. Deze dienen behouden en versterkt te worden. De zuidflank van de Veluwe waar de overgang van hoge stuwwal naar de riviervlakte van de Rijn uiterst smal is, kent een sterke verweving met stedelijk gebied en de omliggende bos- en natuurgebieden. Hier is de verstedelijking een uitdaging.
De natuur- en cultuurhistorische waarden maken dat de Veluwe wordt ervaren als een aantrekkelijk recreatiegebied. Dit leidt op sommige locaties tot een te hoge recreatiedruk waardoor recreatiezonering wenselijk is en ook verplaatsing van de recreatiedruk naar locaties rondom de Veluwe in de regio’s nodig is. Het Rijk wil gezamenlijk met de provincie Gelderland en betrokken regio’s en overheden optrekken in het herstel en behoud van natuurgebied de Veluwe en nabijgelegen omgeving. Hiervoor is een stevige interbestuurlijke aanpak in de maak die wordt geborgd in het rijks NPLG en de provinciale programma’s landelijk gebied. Ontwikkeling ecologische verbindingszones en groene ontwikkelingszones We streven naar het realiseren van ecologische verbindingszones tussen natuurgebieden. Dergelijke zones maken het natuurnetwerk robuuster en versterken de biodiversiteit door uitwisseling van flora en fauna tussen natuurgebieden. Een deel van deze zones staat al op beleidskaarten en op een aantal plekken is er door waterschappen, gemeenten en provincies ook al veel werk verzet. We blijven hierop doorbouwen. Per verbindingszone kijken we naar de gewenste invulling: nat en/of droog, wat past er binnen het landschap en in het water- en bodem systeem en voor welke dier- en plantensoorten is het bedoeld. Deze verbindingszones zijn onderdeel van het realiseren van 10% groenblauwe dooradering.
Bij de realisering van deze zones zetten we in op multifunctioneel ruimtegebruik voor natuur, waterberging, recreatie, duurzame energie en landbouw. Naast verbindingszones willen we nabij Natura 2000-gebieden het agrarische en overige landgebruik zo inrichten dat natuurwaarden in natuurgebieden worden beschermd. De huidige harde overgang tussen agrarische gronden en natuurgronden, waaronder bossen, willen we verzachten door aanpassing van het agrarisch gebruik naar natuurinclusieve landbouw. In deze gebieden realiseren we ook mogelijkheden voor extensieve vormen van recreatie en toerisme om de recreatiedruk in de natuurgebieden te laten afnemen. Door het realiseren van deze zones werken we ook aan de invulling van de bossenstrategie, het verbeteren van de zoetwaterkwaliteit en het tegengaan van droogte en verdroging.
20
Biodiversiteit in stand houden en versterken Biodiversiteit is een belangrijke voorwaarde voor een gezonde leefomgeving en gezonde voedselproductie. Het is daarom belangrijk zowel in stedelijk als landelijk gebied te streven naar herstel en instandhouding van natuurgebieden en naar een Basiskwaliteit Natuur (de set van condities die nodig is om algemene soorten algemeen te laten zijn, blijven of worden, met andere woorden de minimale kwaliteit van het leefgebied van soorten). Deze basiskwaliteit is het minimum aan algemene soorten die nodig is om de soortenrijkdom niet verder af te laten nemen en een systeem weerbaar te houden. Hiervoor moet per type gebied in beeld gebracht worden wat de basiskwaliteit is en welke kwaliteit we nastreven. Ook geeft de Basiskwaliteit Natuur aan op welke plekken we landschap, biodiversiteit en natuur moeten versterken om het natuurlijke systeem te herstellen, zowel in de stad als daarbuiten. Klimaatadaptatie in het landelijk gebied Klimaatadaptatie is van belang voor het hele gebied, juist ook in bebouwd gebied. Zoals in paragraaf 2.1 is uitgewerkt bouwen we klimaatadaptief en zorgen we voor groen in de stad. In het landelijke gebied is klimaatadaptatie voornamelijk urgent op de stuwwallen, in de beekdalen en in de laaggelegen komgronden in het rivierengebied.
Het hierbij zowel om het aanpassen van de bestaande functies als het rekening houden met de effecten van het huidige en toekomstige klimaat bij ruimtelijke planvorming. • Voor de stuwwallen, die een specifieke kwaliteit en opgave hebben, betekent inzetten op een duurzaam (drink)water- en bodemsysteem werken aan het verminderen van verdamping, het beperken van grondwateronttrekkingen en het vasthouden en laten infiltreren van water om het waterreservoir in de stuwwal te blijven vullen en kwelsystemen te voeden. Het vasthouden van water op de stuwwallen draagt ook bij aan het spreiden van piekafvoer bij meer extreme neerslag. • Het is nodig om de verdroging van beekdalen structureel aan te pakken en de beekdalen een functie te geven in het opvangen vande piekafvoer van water. En om het beekdalensysteem meer klimaatadaptief en toekomstbestendig te maken door het stroomgebied op basis van de ondergrond en hydrologie slim in te delen. Door het beekherstel wordt bijgedragen aan de waterkwaliteit in ons gebied. Beekdalen lopen langs en door stedelijk gebied en maken hier verbinding met parken en stadsbossen. Hiermee verbinden we mens, dier en leefomgeving op alle schaalniveaus en wordt het waterbewustzijn vergroot.
• In de komgebieden van de regio’s (bijvoorbeeld het Broek in de Liemers en de weteringenstelsels bij de Boven-Linge en tussen Wijchen en Beuningen) en ook in de bovenlopen van de beeksystemen zijn maatregelen noodzakelijk om het (grond)water langer in het gebied te houden. Ook de drainerende werking van de inslijtende grote rivieren zorgt voor verdroging in het omliggende gebied. Voor het tegengaan van verdroging zoeken we naar verbetering van de bodemkwaliteit om zo het waterbergende vermogen, de sponswerking, van bodem te vergroten. Ook het vergroten van de waterberging in de weteringen door bijvoorbeeld aanpassing van het profiel of aanleg van natuurvriendelijke oevers draagt daaraan bij. Door het bergen en vasthouden van water en bodemverbetering wordt bijgedragen aan een klimaatbestendig landelijk gebied. Het revitaliseren van bossen, gericht op meer biodiversiteit en meer loofhout in plaats van naaldhoud is hiervoor een belangrijk onderdeel. Klimaatadaptatie in stedelijk gebied Vanuit de verstedelijkingsstrategie werken we aan maatregelen voor gezonde, circulaire, biodiverse en klimaatadaptieve verstedelijking. We realiseren 5.000 hectare uitloopgebied, we nemen maatregelen in bestaande steden en dorpskernen en ontwerpen nieuwe woon en werkgebieden klimaatadaptief.
In onze steden en dorpen zetten we onder meer in op het toevoegen en verbeteren van groen in de openbare ruimte, het tegengaan van hittestress, het realiseren van waterberging en het realiseren van groene daken. 21
Kansen en schuurpunten natuurherstel en robuust watersysteem Woningbouw- en wateropgaven in balans houden In het kader van waterveiligheid en een robuust watersysteem is het vrijhouden van bebouwing van natte en laaggelegen gebieden bij de rivieren, beekdalen en in de vallei van belang. Vanuit de woningbouwopgave is er druk om in deze gebieden te bouwen. Het risico is dat de woningbouwopgave door het tempo prevaleert op een goede beoordeling van gewenste ontwikkeling in deze gebieden vanuit alle grote opgaven die spelen. Dit vraagt keuzes maken en het goed toepassen van de ontwerpprincipes zoals we die hebben vastgesteld in de verstedelijkingsstrategie en het principe water en bodem sturend. (Drink)water verbruik terugdringen De groei in bevolking en de werkgelegenheid zorgt als we niets doen voor een toename in het drinkwater- verbruik. Door te grote wateronttrekking kan verdroging optreden waardoor natuurherstel onderdruk komt te staan. En op lange termijn kan dit ertoe leiden dat de toegang tot voldoende schoon water niet gegarandeerd kan worden. Het terugdringen van het waterverbruik is een belangrijke opgave. Bij nieuwbouw is de opgave om waterbesparend te bouwen. Ook voor de bestaande bouw moeten maatregelen worden genomen. Het watergebruik van bedrijven verdient specifieke aandacht.
Onderzoek is nodig of en waar er plaats is voor veel waterverbruikende industrie en hoe de effecten op natuurwaarden kunnen worden beperkt. Bijvoorbeeld door beter secundaire waterstromen te benutten. Intensiever terugdringen vanuit emissies industrie, mobiliteit en landbouw Onze natuur en het water staan onderdruk door emissies en verontreinigingen veroorzaakt door industrie, mobiliteit en landbouw. Het is niet mogelijk om het gewenste natuurherstel en waterkwaliteit te realiseren zonder deze emissies terug te dringen. Mitigerende maatregelen zullen sneller en ingrijpender moeten worden ingevoerd dan tot nu toe het geval is om verdere achteruitgang van natuur en waterkwaliteit te voorkomen. Tijdig natuurherstel en verbeteren van de waterkwaliteit vragen om snel terugdringen van emissies uit industrie, mobiliteit en landbouw. Meer ruimte voor groen en water We staan aan het begin van een watertransitie, van water afvoeren naar water vasthouden daar waar het valt. Dit vraagt afhankelijk van waar je bent in het watersysteem meer infiltreren in de bodem / sponswerking van de bodem, combineren met groenblauwe dooradering, dempen van piekafvoer en tijdelijk bergen van water. Per saldo betekenen deze maatregelen dat er meer ruimte moet zijn voor een robuust watersysteem. Het versterken van de beekdalen en deze ook in de stad herstellen biedt hiervoor kansen.
Klimaatadaptief inrichten van onze gebouwde omgeving door het realiseren van een evenwicht tussen verdichting, verharding, wateropslag (blauw) en ruimte voor groen. Ook vraagt dit om het toepassen van geschikte materialen en klimaatadaptieve manier van bouwen (hittestress bestendig, koele gebouwen etc.) Natuurinclusieve landbouw De interactie tussen landbouw en natuur is groot. Het al dan niet realiseren van noodzakelijke emissiereducties is sterk bepalend voor de mate van succes van natuur- en waterherstelmaatregelen. Natuurinclusieve landbouw, waarbij agrariërs een rol spelen in natuurherstel en natuurbeheer, biedt de mogelijkheid voor meervoudige ruimte gebruik en natuurherstel. Gezien dat op dit moment structurele vergoeding en beloning voor agrariërs hiervoor nog ontbreekt, zullen overheden gezamenlijk moeten optreden om de mogelijkheden hiervoor te vergroten.
22
Recreatieve toegankelijkheid buitengebied Om de Natura 2000-gebieden te ontlasten is het van belang dat recreatie beter verspreid wordt. Grote delen van het buitengebied zijn niet ingericht voor recreatief medegebruik. Er zijn goed ontwikkelde knooppuntenroutes, maar de ontsluiting is in grote delen van het gebied primair gericht op landbouw- en ander bestemmingsverkeer, niet op recreatief medegebruik door fietsers of wandelaars. Ook ontbreken voorzieningen en bewegwijzering specifiek voor recreatief medegebruik. Dit vraagt investeringen in recreatieve ontsluiting van het buitengebied. Zonder deze toegankelijkheid kunnen onze 5000 ha nieuwe recreatieve uitloopgebieden niet functioneren. Voor elk bestaand en te ontwikkelen recreatief gebied brengen we in beeld waar de knelpunten (gevaarlijke situaties, onbereikbaarheid etc.) het grootst zijn om te komen tot een prioriteitenlijst. Daarbij onderzoeken we direct de koppelkansen met andere ontwikkelingen: een (snel)fietspad voor forenzen kan wellicht met een kleine aanpassing ook recreatief gebruikt worden.
Samenvattend: wat is hiervoor nodig Organiseren van gezamenlijke slagkracht Het realiseren van herstel van het natuurlijk systeem gaat niet alleen via normering en vergunningverlening. Sturingsmogelijkheden op ruimtelijke kwaliteit, het verbinden van natuurgebieden en het combineren van functies komen pas echt van de grond wanneer de overheid in staat is om te handelen: actief op te treden in grondtransacties, stimuleren en faciliteren. Hier gaat het om organiseren van gezamenlijke slagkracht: capaciteit, kennis en kunde en mandaat om te kunnen handelen. Om gronden te verwerven, opnieuw in te richten, langdurig te beheren of te ruilen Maar ook om kennisontwikkeling en -overdracht. Dit vraagt dat Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen hiervoor een gezamenlijke aanpak ontwikkelen. Onlangs heeft de Minister van BZK in de kamerbrief Modernisering Grondbeleid aangekondigd de mogelijkheden te willen onderzoeken voor publiek gestuurde gebiedsontwikkeling. Gebiedsgerichte financiering voor realisatie van concrete plannen We hebben concrete plannen om het groen-blauwe raamwerk te versterken. We gaan daarbij nieuwe groene ontwikkelzones en ecologische verbindingszone realiseren, sommige landbouwgebieden in Natura 2000-gebieden zoals in de Rijntakken extensiveren en het stedelijk uitloopgebied uitbreiden.
In de Groene Metropoolregio lopen hiertoe een viertal gebiedsprocessen, met provincie, gemeenten en waterschappen, die kansrijk zijn om versneld op te pakken. Dit betreft projecten in de Gelderse Poort (PAGW en IRM), beekherstel en de omliggende beekdalen in de Veluwezoom, landschap Berg en Dal/Heumen – Ooijpolder- stuwwal -Heumen en herinrichting Boven-Linge -doorontwikkeling Lingezegen. In Regio Foodvalley lopen verschillende gebiedsprocessen, onder andere in de gebieden Binnenveld, De Roode Haan (Veenendaal) en Veenhuizerveld en rond Garderen, Elspeet, Uddel, Speuld (GEUS, regio-grensoverschrijdend). En er tekenen zich ook al potentiële nieuwe gebiedsprocessen af, bijvoorbeeld rond Kootwijkerbroek en in de driehoek Wekerom, Otterlo, Harskamp. Constructieve intersectorale en bovenregionale samenwerking in Gelderse Poort In de Gelderse Poort wordt met de Programmatische Aanpak Grote Wateren en projecten gerelateerd aan de Kaderrichtlijn Water, de noodzaak om het watersysteem te herstellen en de waterkwaliteit te verbeteren inmiddels onderkend. Deze opgave strekt zich uit buiten de grenzen van het NOVEXgebied. Gezien de huidige problematiek lijkt uitvoering na 2030, zoals nu is gepland, te lang te duren. Vanuit de regio is er de ambitie om dit naar voren te halen. Bovendien is een integrale afweging van de opgaven in dit gebied cruciaal om de ambities te realiseren.
Het aanpakken van de opgaven vraagt derhalve om boven departementale en bovenregionale afstemming en samenwerking.
23
2.3 Realiseren van een transitie in de landbouw Onze ambitie 2040: een vitaal landelijk gebied met toekomstbestendige landbouw We ontwikkelen in het landelijk gebied een nieuwe balans tussen een goed (economisch) toekomstperspectief voor boeren en ruimte voor verschillende functies zoals recreatie, energie, wonen en werken. We doen dit binnen de randvoorwaarden voor natuurherstel en een toekomstbestendig bodem- en watersysteem. Onze ambitie is het realiseren van een gebied met bloeiende landbouw en gezonde natuur, een gebied dat klimaat- en toekomstbestendig is. Een gezond en ‘beleefbaar’ landelijk gebied waar landbouw, wonen, werken, recreatie en natuur elkaar versterken en waar vertrouwen is tussen partijen. Deze ambitie hebben we in het hele NOVEX-gebied Arnhem-Nijmegen-Foodvalley. Het realiseren van de landelijke opgaven in het NPLG, waar transitie van de landbouw een essentieel onderdeel van is en wat ook kader geeft voor de verdere uitwerking van water, natuur en klimaat, zal richting geven in de mogelijkheden voor meer natuurinclusieve en extensieve landbouw. De transitie van het landelijke gebied in de Groene Metropoolregio is al volop gaande. De omvang van de landbouw en het grondgebruik zijn de afgelopen decennia flink veranderd. Ook in de toekomst zal de landbouw veranderen.
De regio heeft unieke landschappelijke kwaliteiten onder andere door de variatie in bodems en landschappen. Tegelijkertijd is het ook een uitdaging deze variatie te behouden; de verstedelijking drukt zijn stempel op de regio. Ook heeft het landelijk gebied in de regio grote maatschappelijke opgaven, zoals verdroging van de Liemers en het Middengebied, en herstel van de natuurkwaliteit van de grote rivieren en de Veluwe. Gezien de ligging van de landbouwgebieden in de Groene Metropoolregio komt een groot deel van de landbouwbedrijven in aanmerking voor de piekbelastingsaanpak. De uitdaging op het gebied van de transitie van de landbouw is in de Regio Foodvalley zeer groot, groter dan in andere gebieden van Nederland. De agrifoodsector is een belangrijke drager van de identiteit van de Regio Foodvalley. Juist de aanwezigheid van kennisinstellingen en bedrijfsleven die samen met boeren een innovatief ecosysteem vormt, is wat de agrifoodsector in de regio uniek maakt. We willen de identiteit van ons landelijk gebied behouden en versterken. Dat zijn ook de hechte gemeenschappen die er voor elkaar willen zijn. En die stapje voor stapje willen ondernemen met zorg voor mensen en aarde. We willen de uitdagingen voor de agrarische sector omzetten in kansen voor economie, ecologie en samenleving.
Regio Foodvalley is één van de Nederlandse topregio’s voor de transitie naar kringlooplandbouw.
De opgaven langjarig en integraal samenwerken aan een nieuwe balans Integrale, langjarige aanpak toekomstbestendige landbouw Het hele gebied en vooral de Regio Foodvalley, als regio met de meeste piekbelasters als het gaat om stikstofdepositie op kwetsbare natuur, staat voor de enorme uitdaging om een vraagstuk van nationale omvang te helpen oplossen. De kwetsbare natuur van de Veluwe in combinatie met de hoge veedichtheid in de regio maakt dat in Regio Foodvalley een belangrijk deel van het stikstofprobleem én van de oplossing ligt. De opgave voor toekomstbestendige landbouw betreft echter niet alleen stikstof, maar ook geur, fijnstof, water- en bodemkwaliteit, broeikasgasreductie en herstel van biodiversiteit. Op al deze aspecten is verdergaande verbetering nodig voor het herstel van natuurlijke systemen op een manier die sociaaleconomisch perspectief biedt voor het landelijk gebied met duurzame verdienmodellen voor de agrarische sector en keten. We streven naar een 24
toekomstbestendig voedselsysteem in balans met het natuurlijk systeem. Dat vraagt een structurele aanpak die verder kijkt dan één generatie. Een aanpak die duidelijkheid geeft en zowel rust als dynamiek terugbrengt. Zoeken naar balans In het verlengde van de opgaven in het NPLG en het principe bodem en water sturend is een belangrijk uitgangspunt dat de landbouw (voedselproductie) in balans moet zijn met het natuurlijke en het sociaal-maatschappelijk systeem. Hiervoor is een ontwikkeling naar een gezondere en meer circulaire voedselproductie noodzakelijk. Met gezond bedoelen we hier met zo weinig mogelijk verliezen naar bodem, water of lucht. En met circulair bedoelen we hier op een passend schaalniveau zoveel mogelijk gesloten kringlopen. Zo ontstaat evenwicht in de wijze waarop het voedselsysteem en het natuurlijk systeem op elkaar ingrijpen en elkaar zelfs kunnen versterken. De opgave om het natuurlijk systeem duurzaam in balans te krijgen kent twee elementen: balans in het bodem- en watersysteem en herstel van biodiversiteit. De landbouw zal ook een rol spelen in de productie van biobased bouwmaterialen. De genoemde opgave voor de landbouwtransitie is een combinatie van ecologische, economische en maatschappelijke aspecten. De landbouwtransitie is namelijk ook een voedseltransitie.
In het landelijk gebied liggen er ook ruimtelijke vragen vanuit verschillende andere functies zoals recreatie, kennisontwikkeling, energie en ook wonen en werken. Deze ontwikkelingen kunnen elkaar versterken. De financiële haalbaarheid is randvoorwaarde voor een ecologisch én economisch duurzame toekomst. De landbouwtransitie vraagt om een ander economisch systeem (verdienmodellen).
Kansen en schuurpunten transitie in de landbouw Naar een gedeeld perspectief voor het landelijk gebied Alle betrokken partijen moeten ervan uit kunnen gaan dat de inzet van instrumentarium van een overheid gesteund wordt door andere overheden. Dit vraagt een gezamenlijk lange termijnperspectief en handelingskader waarbij keuzes op korte en lange termijn op elkaar zijn afgestemd. De verschillende overheden moeten gezamenlijk en betrouwbaar opereren om het vertrouwen te kunnen herstellen en de gewenste ontwikkeling te realiseren. De NPLG-opgaven vormen een belangrijk kader voor de ontwikkeling in het landelijk gebied, maar daarmee zijn er nog geen structurerende (ruimtelijke en systeem) keuzes gemaakt voor deze regio. Het is aan het rijk en de provincies (in het VLGG en UPLG) om hier verdere richting in te bepalen, samen met de regio. Dat biedt kansen, maar schuurt ook. Bijvoorbeeld wanneer overgangszones ten behoeve van natuur ten koste gaan van goede landbouwgebieden of potentiële woningbouwlocaties. Hooggelegen schrale gronden lenen zich, binnen het principe bodem en water sturend, bij uitstek voor woningbouw, maar dat schuurt met zowel natuurwaarden als agrarische gebruikswaarden. Ook zal natuur-inclusieve landbouw, ook met minder dieren, meer ruimte vragen.
Wat doen we waar, wat heeft prioriteit en hoe verbinden we uitdagingen en kansen? Betere interbestuurlijke samenwerking Duidelijk is dat Rijk, provincies en gemeenten elk eigen rollen en verantwoordelijkheden hebben. Tot dusver wordt nog vaak vanuit de eigen kaders en verantwoordelijkheden geprobeerd de opgave richting te geven. Maar geen van de partijen is zelfstandig in staat om dit vraagstuk op te lossen. Een structurele samenwerking vanuit een gedeeld perspectief is nodig. Het is precies dit wat binnen de interbestuurlijke samenwerking van NOVEX voor ogen hebben. Toch is er de afgelopen jaren al veel gedaan om een vermindering van emissies te bereiken, zowel op regionaal niveau als op individuele boerenbedrijven. Op regioniveau gaat het bijvoorbeeld om 25
fijnstofreductie in het kader van het Manifest Gezonde Leefomgeving Veehouderij. In de Regio Deal Foodvalley en met het meetnetwerk luchtkwaliteit bouwen we verder aan het meten van uitstoot (via het bedrijvenmeetnetwerk) en het verbeteren van inzicht in de regionale effecten van emissiereductie (via omgevingsmeetnetwerk en depositiemeetnetwerk). Kenmerkend is dat deze resultaten in Regio Foodvalley voortkomen uit een gelijkwaardige samenwerking tussen gemeenten, provincies, waterschappen, het Rijk en de landbouwsector. Met de resultaten van deze samenwerking hebben we een sterke basis om een structurele aanpak op te bouwen, waarmee we met perspectief en visie kunnen werken aan verbeteringen op de lange termijn. Samenhang in uitvoering van instrumenten. Op dit moment zijn de beëindigingsregelingen voor boeren (Lbv en Lbv+) net opengesteld. Verplaatsings-, en innovatieregelingen zijn in de maak. Ondertussen worden bedrijfsmanagementmaatregelen toegepast en gemonitord op effect en wordt geëxperimenteerd met (het toepassen van) nieuwe technieken. Zo zijn veel agrariërs zijn op hun bedrijf aan de slag met emissiereductiemaatregelen, ook als het gaat om stikstof. Er is nog geen duidelijkheid over het beleid met betrekking tot dergelijke maatregelingen. Dit heeft tot gevolg dat boeren nog geen compleet beeld hebben van toekomstige regelingen en beleid.
Dit leidt tot zorgen of boeren ervaren dat ze een goede afweging en keuze kunnen maken voor de toekomst. Een risico is dat partijen afwachten en de gewenste beweging op zich laat wachten. Aandachtspunt hierbij is dat de openstellingstermijn van de beeindigingsregeling voldoende ruim is zodat boeren een goede afweging kunnen maken en gemeenten tijd hebben voor ruimtelijke afwegingen. We weten dat, om de natuur- en andere doelstellingen te halen, een combinatie van al deze maatregelen nodig is (beëindiging, managementmaatregelen en innovatie). Inzet op één of enkele onderdelen hiervan zal onvoldoende blijken en dat kunnen we ons niet permitteren. Niet vanwege de staat van de natuur en de watersystemen, niet vanwege de onzekerheid die dat voor boeren en bedrijven met zich meebrengt en niet vanwege de impact op andere noodzakelijke ontwikkelingen zoals woningbouw en mobiliteit. Dit NOVEX-ontwikkelperspectief biedt de kans om de samenhang te versterken en gezamenlijk op te trekken. Versterken van vertrouwen tussen overheid en sector Voor samenwerking in afhankelijkheid is vertrouwen cruciaal. Het vertrouwen tussen overheid en praktijk is de afgelopen jaren helaas flink gedaald. We zetten ons continu in om dat vertrouwen te herstellen en te vergroten, voeren goede gesprekken met de sector en werken aan mogelijkheden om samen stappen te zetten.
Een van de routes waarop we inzetten is het realiseren van een uitgebreid meetnetwerk van luchtkwaliteit in combinatie met een bedrijvenmeetnetwerk (sensoring). Wij zijn van mening dat een beter gezamenlijk inzicht in emissies, luchtkwaliteit en deposities en de relaties daartussen op de schaal van de regio enorm kan bijdragen aan herstel van vertrouwen. Dat geldt nog meer als het lukt om beide meetnetwerken te benutten om op bedrijfsniveau op doelen te kunnen sturen in plaats van op middelen. Daarmee kan immers vakmanschap en ondernemerschap ruimte krijgen (via realtime dashboardfuncties) en beloond worden, terwijl het een monitorings- en controlemechanisme geeft aan de overheid. We werken hiervoor samen met het RIVM, kennisinstellingen en andere meetpilots. We denken dat met de sector een regionaal “Ondernemend ecosysteem” inrichten ook kan bijdragen aan herstel van vertrouwen. Een nieuw institutioneel instrument om goede ideeën, betrokken stakeholders, kennis, hulpbronnen, technologie en nieuwe oplossingen bij elkaar te brengen voor de verduurzaming van het gebied. Hiermee bouwen we voort op de lessen die zijn geleerd van de aanpak reductie antibioticagebruik Wellicht kan dit op termijn landelijk worden opgeschaald.
26
Sociale en economische impact goed in beeld brengen De beëindigingsregelingen voor boeren heeft betrekking op een groot deel van de agrarische bedrijven in Regio Foodvalley en op enkele gebieden in de Groene Metropoolregio. Dit gaat om veel gezinnen en gemeenschappen en de regelingen hebben dus een grote sociale en maatschappelijke impact. Ook kunnen de regelingen, afhankelijk van de daadwerkelijke deelname, grote economische impact hebben op een specifiek deel van de agrifoodketen en doorwerken naar de toeleverende innovatieve (maak)industrie. Ook is het nog de vraag wat de invloed is op de ruimte voor ondernemerschap in het landelijk gebied. Juist de onbekendheid van effecten in combinatie met de verwachte omvang van de maatregelen zorgt voor onzekerheid. Dit vraagt om een sociaaleconomische impactanalyse voor Regio Foodvalley. Door hierop samen te werken kunnen met de kennis van de lokale situatie zoveel mogelijk kansen worden benut en ongewenste ontwikkelingen worden tegengaan. Regie op vrijkomende gronden is noodzakelijk De landbouwtransitie leidt tot het beëindigen van boerenbedrijven, de ontwikkeling van nieuwe bedrijvigheid en de behoefte aan grond voor extensivering. Regie op vrijkomende gronden is essentieel voor de verdere ontwikkeling van het landelijk gebied en de keuzes die daarin kunnen worden gemaakt.
De nationale grondbank in oprichting kan hier ondersteuning in bieden. Daarnaast zal naar andere manieren gezocht worden om als overheid regie te kunnen nemen op vrijgekomen grond. Bijvoorbeeld door het faciliteren van een (regionaal / provinciaal / gezamenlijk) grondfonds.
Samenvattend: wat is hiervoor nodig Langjarige gezamenlijke aanpak vanuit een gedeeld perspectief Het is cruciaal dat er naast en binnen de opgaven vanuit het NPLG en NOVEX vanuit regionale identiteit en regionale behoeften wordt gekeken naar ons landelijk gebied. De specifieke situatie met landelijk gezien veruit de grootste opgave, maakt dat noodzakelijk. Dat betekent: samenwerking als één overheid. Deze samenwerking vraagt om een gedeeld perspectief en handelingskader. Onderdelen hiervan zijn: • Op welke plekken is er lange termijnperspectief voor welke vormen van landbouw en onder welke condities? • Hoe en waar maken we de afweging tussen de opgaven voor natuur, water, klimaat en toekomstbestendige landbouw? • Waar en hoe gaan we gebiedsprocessen inzetten? • Hoe bundelen en delen we kennis tussen sector en overheid? • Hoe zetten we bestaand en/of te ontwikkelen grondinstrumentarium in? • Hoe kunnen we stappen zetten om ruimte geven we aan doelsturing (stoffenbalans) in plaats van middelvoorschriften? • Hoe kunnen we managementmaatregelen valideren en toepassen en stappen zetten voor toepassing in het ruimtelijk en milieu instrumentarium?
27
No regret-maatregelen op korte termijn De politiek-bestuurlijke dynamiek is hoog en beleidsontwikkeling door overheden is nog in volle gang. Ongeacht nog te maken beleidskeuzen door overheden zijn de volgende zaken noodzakelijk om op korte termijn in gang te zetten: • Rijk en provincie zetten zich in om het via langjarige overeenkomsten mogelijk te maken dat natuurinclusieve agrarische een kostendekkende beloning ontvangen voor landschaps- en biodiversiteitsbeheer. • De sociaaleconomische impact van de transitie in Regio Foodvalley brengen we gezamenlijk in beeld, we verkennen kansen voor nieuwe economische handelingsperspectieven en handelen naar de uitkomsten daarvan. • Als een van de stappen in de ontwikkeling richting doelsturing zetten we ons ervoor in dat de financiering van het meetnetwerk Regio Foodvalley (zowel voor luchtkwaliteit als op bedrijfsniveau en depositie) voor de komende jaren doorgezet wordt. Dit meetnetwerk geeft door te meten en te monitoren belangrijk inzicht in de effectiviteit van managementmaatregelen op stikstof, op andere emissies, op waterkwaliteit en energieverbruik.
28
3 Van ontwikkelperspectief naar uitvoering Onze gezamenlijke opdracht 2040 Meer landschap meer stad In dit ontwikkelperspectief ‘Meer landschap meer stad’ hebben wij als gemeenten, regio’s, provincies, waterschappen en rijk, gezamenlijk onze langetermijnstrategie (2023-2040) voor het NOVEX-gebied Arnhem-Nijmegen-Foodvalley beschreven. In deze strategie staan drie hoofdopgaven centraal, te weten het realiseren van een schaalsprong, natuurherstel en robuust watersysteem en een transitie van de landbouw. Hieronder schetsen we hoe we stapsgewijs uitvoering geven aan deze strategie.