CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

B-1.8 Besluit B&W inzake reactie op rapport Kinderombudsman d.d. 17-11-20.pdf

Commissie Samenleving 20 januari 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Besluit B&W inzake reactie op rapport Kinderombudsman.20.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 1: Model van de verwachte onderlinge relaties tussen de risicofactoren en het ervaren welbevinden van het kind

Stapeling problemen: 1 2 3

BIC-thuis (opvoedersgedrag)

e

Rapportcijfer 1-10 (ervaren welbevinden)

BIC-omgeving (bredere omgeving)

In eerste instantie is de interacterende variabele 'BIC Omgeving' meegenomen als losstaande variabele (dus niet beïnvloedt door problemen in de thuissituatie) in het onderzoek. Uit deze analyse kwamen echter geen belangrijke resultaten naar voren. Voor de leesbaarheid van dit rapport, laten we dit eerste gedeelte van het onderzoek hier buiten beschouwing. De geïnteresseerde lezer kan hierover contact opnemen met de auteurs van dit rapport.

20

WAT ZIJN ONZE BEVINDINGEN? "Dat je wordt gehoord. Dus als je naar buiten loopt, zijn de buren superaardig en vragen hoe het gaat" Hoe zien de groepen kinderen er uit? In totaal hebben 205 kinderen in de leeftijd van 8 tot 18 jaar aangegeven thuis weinig geld te hebben en/of ruzies in het gezin te hebben en/of gescheiden ouders te hebben.f Tabel 1: Omvang en beschrijving van de verschillende kwetsbare groepen Stapeling Kwetsbaarheid (in ieder Aantal Leeftijd Sekse van geval) (n) (gemiddeld) problemen jongen Gehele groep 205 13 jaar 68 (33,2%) 1 Armoede 84 12,9 jaar 22 (26,2%) 1 ruzie/geweld in het 94 13,5 jaar 28 gezin (29,8%) 1 Gescheiden ouders 87 13,3 jaar 26 (29,9%) 2 Armoede + 27 14,4 jaar 4 ruzie/geweld in het (14,8%) gezin 2 Armoede + gescheiden 23 14,2 jaar 3 ouders (13 %) 2 ruzie/geweld in het 19 14,6 jaar 3 gezin+ gescheiden (15,8%) ouders 3 Armoede+ruzie/geweld 9 15,2 jaar 2 in het gezin+gescheiden (22,2%) ouders

meisje 136 (66,3%) 61 (72,6%) 65 (69,1%) 60 (69%) 22 (81,5%)

anders 1 (0,5%) 1 (1,2%) 1 (1,1%) 1 (1,1%) 1 (3,7%)

19 (82,6%) 15 (78,9%)

1 (4,3%) 1 (5,3%)

6 (66,7%)

1 (11,1%)

Beschrijving van de groepen kinderen Wat betreft de specifieke probleemgebieden voor dit onderzoek (armoede, ruzie/geweld in het gezin en/of gescheiden ouders) vallen van de 205 kinderen 154 kinderen in één-probleem groep, 42 kinderen in twee-problemen groep en slechts 9

f

De volledige groep bestond uit 281 kinderen. Bij een aantal kinderen speelden er naast deze problemen ook nog andere problemen, zoals het ontvangen van jeugdhulp of speciaal onderwijs. Dit waren 73 kinderen (26,3%). Deze kinderen zijn niet meegenomen in de analyse. Om zuiver zicht te krijgen op de impact van een stapeling van problemen in de thuissituatie, zoals door kinderen ervaren, is het van belang om andere problemen die kunnen spelen niet mee te nemen in dit onderzoek. Daarnaast waren er nog drie kinderen waarvan de antwoorden zo extreem waren (zogenaamde 'outliers') dat deze ook niet meegenomen zijn in de analyses. De uiteindelijke groep bestond daardoor uit 205 kinderen.

21

kinderen in drie-problemen groep.g De verdeling van het aantal kinderen over de groepen 'aantal problemen' is daarmee scheef. In bovenstaande tabel (tabel 1) zijn de relevante aantallen per groep weergegeven, waarbij tevens demografische gegevens als sekse en gemiddelde leeftijd zijn opgenomen. Het ervaren welbevinden van de groepen kinderen We hebben voor de verschillende groepen kinderen gekeken naar hun gemiddelde rapportcijfer en hun scores op de 14 omgevingsvoorwaarden, zoals ze eerder beschreven zijn. Ook hier hebben we onderscheid gemaakt naar het aantal problemen en niet naar de specifieke aard van de problemen, omdat juist de impact van deze stapeling van problemen het onderwerp van dit onderzoek is. De rapportcijfers, als weergave van het ervaren welbevinden, verschillen behoorlijk tussen de drie groepen kinderen. Kinderen met drie problemen in de thuissituatie geven hun leven zelfs een onvoldoende: ▪ Als er 1 probleem in de thuissituatie speelt, geven kinderen hun leven het rapportcijfer 7,3. ▪ Als er 2 problemen in de thuissituatie spelen, geven kinderen hun leven het rapportcijfer 6,6. ▪ Als er 3 problemen in de thuissituatie spelen, geven kinderen hun leven het rapportcijfer 5,1 De gemiddelde scores per groep hebben we weergegeven in een lijngrafiek (zie grafiek 1 op de volgende bladzijde).

Het valt op dat de kinderen met één of twee problemen thuis minder van elkaar verschillen dan de kinderen met drie problemen thuis. Vooral op de ontwikkelingsvoorwaarden die gaan over aandacht van ouders en ervaren zekerheid, scoren kinderen met drie problemen beduidend lager. Wat laten de analyses zien? We hebben via verschillende statistische analyses gekeken of onze verwachtingen klopten over de verschillende relaties tussen een stapeling van problemen thuis, het welbevinden van kinderen, opvoedersgedrag van ouders en factoren in de bredere sociale omgeving. De specifieke statistische gegevens van deze analyses hebben we in bijlage 3 en 4 meegenomen in dit rapport.h g

Voor de leesbaarheid van het rapport spreken we verder in het rapport over kinderen met één of meerdere problemen thuis. Dit gaat echter altijd over wat kinderen zélf hebben aangegeven. Ook moet hierbij worden opgemerkt dat de problemen waar in dit rapport over gesproken wordt op zichzelf al groot en ingewikkeld zijn. De terminologie van één probleem, twee problemen etc. reflecteert in dit opzicht niet de complexiteit van de problemen. h Voordat we konden onderzoeken of onze verwachtingen klopten, hebben we via een test of normality en regressieanalyse gecontroleerd of we de noodzakelijke analyses konden uitvoeren op de data die we hadden. Uit dit vooronderzoek weten we dat er belangrijke relaties zijn tussen de vier variabelen in dit onderzoek. We weten echter nog niet of de drie variabelen 'Stapeling Problemen', 'BIC Thuis' en 'BIC Omgeving' ook een verklaring zijn voor het welbevinden van

22

Grafiek 1: Gemiddelde scores op de 14 ontwikkelingsvoorwaarden per groep

Zoals eerder is weergegeven in figuur 1 verwachten we (1) dat er een directe negatieve relatie is tussen aantal problemen en cijfer leven. Daarnaast verwachten we dat (2) de relatie tussen aantal problemen en cijfer leven beïnvloed wordt door het opvoedersgedrag van ouders en (3) door factoren in de bredere sociale omgeving. Tot slot verwachten we (4) dat hoe meer problemen er voor kinderen in de thuissituatie zijn, hoe belangrijker alle bovenstaande relaties voor deze kinderen worden. DE INVLOED VAN OPVOEDERSGEDRAG EN DE BREDERE SOCIALE OMGEVING Uit het onderzoek blijkt dat onze verwachtingen voor een groot gedeelte kloppen. De verschillende bevindingen worden hieronder stap voor stap beschreven. Problemen in de thuissituatie zijn niet de enige verklaring Allereerst blijkt uit ons onderzoek dat de impact van problemen thuis op het welbevinden van kinderen maar voor een gedeelte verklaard wordt door de problemen zelf. Een ander belangrijk gedeelte van het welbevinden van kinderen wordt verklaard door de negatieve invloed die problemen thuis op het opvoedersgedrag hebben. Factoren in de bredere sociale omgeving van het kind spelen hierbij ook een rol, maar deze rol is meer indirect. Zoals verwacht laten de resultaten zien dat hoe meer problemen een kind in de thuissituatie ervaart, hoe negatiever dit kind (gemiddeld genomen) ook het opvoedersgedrag beoordeeld.

Uit de resultaten van de analyse kunnen we afleiden dat ongeveer 4% van de verschillen in de beoordeling van opvoedersgedrag verklaard wordt door problemen thuis. Dit is niet een heel groot gedeelte.

kinderen (de afhankelijke variabele 'Cijfer Leven'). Ook weten we nog niet op welke manier de drie variabelen invloed hebben op het ervaren welbevinden van kinderen. Zie voor meer informatie bijlage 3.

23

Waardering van de bredere sociale omgeving is afhankelijk van de waardering van de thuissituatie Uit de resultaten van de analyses blijkt dat (een stapeling van) problemen in de thuissituatie geen verklaring is voor verschillen in de waardering van de bredere sociale omgeving. We zien echter wel dat verschillen in de waardering van de bredere sociale omgeving worden verklaard via verschillen in het ervaren opvoedersgedrag. Dit wil zeggen dat als kinderen problemen thuis ervaren, zij het opvoedersgedrag van hun ouders – gemiddeld genomen – meer negatief beoordelen. Hoe negatiever zij het opvoedersgedrag beoordelen, hoe negatiever deze kinderen ook de bredere sociale omgeving beoordelen. Dit betekent overigens óók dat een hogere waardering van opvoedersgedrag gepaard gaat met een hogere waardering van de bredere sociale omgeving. We zien dat ongeveer 25% van de verschillen in de ervaren bredere sociale omgeving verklaard wordt door een combinatie van (een stapeling van) problemen thuis en het opvoedersgedrag. Voor deze twee variabelen (BIC Thuis en BIC Omgeving) geldt echter ook dat deze een positieve relatie hebben met 'Cijfer Leven'. Dit betekent dat hoe hoger kinderen opvoedersgedrag en/of de bredere sociale omgeving waarderen, hoe hoger hun welbevinden is.

Het betekent echter óók dat een lagere waardering van het opvoedersgedrag en/of een lagere waardering van de bredere sociale omgeving gepaard gaat met een lager welbevinden. Alle drie de factoren belangrijk voor het welbevinden van kinderen Het belangrijkste doel van dit onderzoek was om helder te krijgen óf en op welke manier deze drie variabelen zich verhouden tot het rapportcijfer dat kinderen hun leven geven, als indicatie van hun welbevinden. We zien dan dat alle afzonderlijke variabelen 'Stapeling Problemen', 'BIC Thuis' en 'BIC Omgeving' een belangrijk effect hebben op 'Cijfer Leven'. De resultaten laten zien dat een stapeling van problemen in de thuissituatie een negatief effect heeft op zowel Cijfer Leven, op BIC Thuis en (indirect) op BIC omgeving. Dit betekent dat hoe meer problemen een kind ervaart, hoe lager zijn of haar welbevinden is. Gedeeltelijk is dit een direct gevolg van problemen in de thuissituatie. Het is echter ook een gevolg van een lagere waardering van het opvoedersgedrag, en daarmee ook een lagere waardering van de bredere sociale omgeving. De resultaten van het onderzoek laten zien dat, als we alle drie de variabelen meenemen als oorzaak voor het welbevinden van kinderen een groot deel (46,9%) van de verschillen in welbevinden verklaard wordt.

HET EFFECT VAN EEN STAPELING VAN PROBLEMEN We weten nu dat als er sprake is van (een stapeling van) problemen in de thuissituatie, dit op meerdere gebieden een negatief effect heeft voor kinderen. We weten ook dat met een toenemend aantal problemen de effecten negatiever worden. We wilden echter ook weten of in deze onderliggende relaties verschillen bestaan tussen kinderen met één probleem thuis, kinderen met twee problemen thuis of kinderen met drie problemen thuis. Hiermee bedoelen we dat we wilden weten of met toenemende

24

problemen thuis, de impact van deze problemen op de andere drie variabelen ook sterker wordt. Dit blijkt echter meer genuanceerd te liggen dan gedacht. Om dit te onderzoeken hebben we een statistische analyse uitgevoerd, waarbij we de groepen kinderen met één, met twee en met drie problemen thuis onderling met elkaar vergeleken hebben. In deze analyse worden kinderen met twee problemen eerst vergeleken met kinderen met één probleem, en daarna worden kinderen met drie problemen vergeleken met kinderen met één probleem.i De exacte statistische gegevens zijn wederom te vinden in bijlage 4 (modellen 2 en 3). Kantelpunt in de oorzaak van een lager welbevinden De belangrijkste bevinding is dat er een kantelpunt lijkt te zijn waarop het directe effect van problemen thuis wegvalt en alleen het indirecte effect via BIC Thuis en BIC omgeving bestaat. Als kinderen met twee problemen vergeleken worden met kinderen met één probleem zien we dat er alleen een directe impact is van de problemen thuis op het welbevinden van kinderen. De indirecte impact via opvoedersgedrag (BIC Thuis) en de bredere sociale omgeving (BIC Omgeving) is dan niet relevant. Het indirecte effect bestaat wél als kinderen met drie problemen vergeleken worden met kinderen met één probleem. Daar valt juist de directe impact van de stapeling van problemen thuis weg.

Bij één of twee problemen, het probleem oplossen Dit betekent dat voor kinderen met één of twee problemen in de thuissituatie de variabelen BIC Thuis en BIC Omgeving geen rol spelen in het verbeteren of verslechteren van het ervaren welbevinden van kinderen. Tussen kinderen met één of met twee problemen in de thuissituatie zien we geen belangrijke verschillen, maar wordt een daling in het welbevinden grotendeels verklaard door de problemen in de thuissituatie. Het ervaren opvoedersgedrag en de ervaren kwaliteit van de leefomgeving spelen bij hen geen rol in relatie tot het welbevinden. Bij drie problemen, zorgen dat ouders goede opvoeders kunnen zijn Pas als kinderen drie problemen in de thuissituatie ervaren worden de variabelen BIC Thuis en, meer indirect, BIC Omgeving relevant. De daling in welbevinden voor kinderen met drie problemen wordt voor het belangrijkste deel verklaard door de daling in ervaren kwaliteit van opvoedersgedrag. Hierbij zien we ook weer terug dat via het i

In een mediatieanalyse wordt de sterkte van de relatie geïnterpreteerd alsof een verandering van één unit in variabele X een verandering in variabele Y veroorzaakt met de sterkte zoals weergegeven met het betreffende cijfer, gebaseerd op gemiddelden per groep. Omdat voor de groepen in dit onderzoek de verschillen tussen kinderen met één of twee problemen thuis relatief klein waren, maar het verschil met kinderen met drie problemen thuis juist groot waren, hebben we de groepen toebedeeld aan twee categorieën waarbij de kinderen met één probleem als het ware gezien worden als een constante (Hays & Preacher, 2014). 37 We hadden hierbij ook voor een iets andere analysetechniek kunnen kiezen, maar gezien de verschillen tussen de groepen kinderen is de verwachting dat beide analysetechnieken tot dezelfde uitkomsten zouden leiden.

25

ervaren opvoedersgedrag ook de ervaren kwaliteit van de bredere sociale omgeving beïnvloed wordt. De problemen in de thuissituatie hebben weliswaar een negatieve impact op het opvoedersgedrag (BIC Thuis), maar hebben geen directe negatieve impact meer op het welbevinden van kinderen.

26

WAT ZIJN ONZE CONCLUSIES? "Dat we allemaal ons eigen plekje hebben waar we ons volledig thuis voelen, en niet ons vervelend/schuldig voelen of iedere 5 min hoeven na te denken over betalen" Met dit onderzoek wilden we meer zicht krijgen op wat kinderen aangeven wat het voor hen betekent als zij meerdere problemen in hun leven hebben. Hierbij hebben we specifiek gekeken naar kinderen die problemen ervaren in de thuissituatie. We hebben het dan over ingewikkelde problemen als opgroeien in armoede en/of opgroeien met ouders in een complexe scheiding en/of opgroeien met ruzie of geweld thuis. Ook hebben we gekeken naar welke factoren in de leefomgeving van kinderen volgens kinderen zelf een rol hebben in het verbeteren van hun welbevinden. We hebben ons gericht op de beleving van kinderen zélf, door gebruik te maken van de data die de Kinderombudsman tijdens de Kinderrechtentour van 2018 verzameld heeft. Het is, bij ons weten, het eerste onderzoek naar het effect van een stapeling van problemen in de thuissituatie waarbij kinderen en jongeren zelf hebben verteld wat zij ervaren en nodig hebben. Antwoorden op de verwachtingen Bij aanvang van dit onderzoek hebben we vier verwachtingen geformuleerd. Met de resultaten kunnen wij nu zien of deze verwachtingen zijn uitgekomen: 1.

De resultaten van de eerste analyse laten zien dat er inderdaad een negatief én causaal verband bestaat tussen problemen in de thuissituatie en het welbevinden van kinderen: hoe meer problemen kinderen in de thuissituatie ervaren, hoe lager het ervaren welbevinden van deze kinderen is. 2. De resultaten van deze analyse laten ook zien dat de negatieve impact van problemen in de thuissituatie en het welbevinden van kinderen voor een belangrijk deel verklaard wordt door het ervaren opvoedersgedrag: kinderen waarbij ouders (ondanks problemen) op adequate wijze vorm weten te geven aan de opvoeding, ervaren een hoger welzijn dan kinderen wiens ouders daartoe niet in staat zijn. 3. De bredere sociale omgeving heeft een positieve relatie met het ervaren welbevinden van kinderen. De bredere sociale omgeving wordt alleen indirect beïnvloed door de (stapeling van) problemen in de thuissituatie via het opvoedersgedrag. Het wordt niet direct beïnvloed door een stapeling van problemen. Dit betekent dat kinderen met problemen in de thuissituatie alleen hun sociale omgeving negatief beoordelen wanneer zij het opvoedersgedrag laag beoordelen. Hiermee kan het een belangrijke beschermende factor zijn. Ongeacht het aantal problemen thuis en de kwaliteit van de relatie tussen ouders en kind, kan het welbevinden van kinderen positief beïnvloed worden door in te zetten op de sociale omgeving.

27

4. We verwachtten dat deze relaties steeds sterker zouden worden naarmate er meer problemen in de thuissituatie spelen. Dit blijkt niet het geval te zijn. Er blijkt een kanteling plaats te vinden wanneer het aantal problemen in de thuissituatie toeneemt. Voor kinderen waarbij één of twee problemen spelen in de thuissituatie zijn het de problemen zelf die een lager welbevinden veroorzaken. Voor kinderen waarbij drie problemen in de thuissituatie spelen, zijn de problemen thuis niet meer zo belangrijk voor hun (lagere) welbevinden. Het gaat voor hen juist om de effecten die de problemen thuis hebben op opvoedersgedrag en de bredere sociale omgeving.

Conclusies Hoe meer problemen thuis, hoe minder gelukkig Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat een stapeling van problemen in toenemende mate een negatief effect heeft op het welbevinden van kinderen. Dus, hoe meer problemen er spelen in de thuissituatie, hoe minder gelukkig de kinderen zelf aangeven te zijn. We hebben hierbij niet gekeken naar de aard van de problemen maar specifiek naar het aantal problemen. 1 of 2 problemen? Pak het probleem aan! 3 problemen? Help mijn ouders met opvoeden! Het belangrijkste dat uit ons onderzoek naar voren is gekomen, is dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen de ervaringen van kinderen waarbij "slechts" één of twee problemen spelen en kinderen waarbij meerdere problemen spelen. Voor de eerste groep kinderen zijn het vooral de problemen zélf die een negatieve invloed hebben op hun welbevinden. Voor kinderen waarbij meerdere problemen spelen is het vooral de negatieve invloed die deze problemen hebben op het opvoedersgedrag waar de kinderen last van hebben. Dit betekent dat deze groepen kinderen gebaat zijn bij een verschillende aanpak. Het welbevinden van kinderen met één of twee problemen verbetert wanneer hulp en ondersteuning zich direct richt op het oplossen van de concrete problemen.

Bij kinderen met meerdere problemen zal hulp en ondersteuning van de ouders bij de opvoeding leiden tot een verbetering in het welbevinden van kinderen. Dit wil niet zeggen dat bij de groep kinderen met meerdere problemen in de thuissituatie de problemen niet opgelost moeten worden; dit zal ouders immers ontlasten. Het betekent dat in de beleving van deze kinderen het gedrag van ouders de belangrijkste invloed is op hun welbevinden. Hierbij moet opgemerkt worden dat voor alle kinderen in dit onderzoek geldt dat opvoedersgedrag en de bredere sociale omgeving belangrijke beschermende factoren zijn. Het is echter juist voor de kinderen met meerdere problemen belangrijk om op deze twee variabelen in te steken om hun welbevinden te verbeteren. Andersom geldt ook dat problemen altijd aangepakt moeten worden: waar dit voor kinderen met één of twee problemen direct effect kan hebben op hun welbevinden, is dit voor kinderen met

28

meerdere problemen vooral van belang omdat het oplossen van de problemen ouders kan helpen weer 'ouder' te zijn. Sociale omgeving als beschermende factor Bovendien blijken problemen die thuis spelen relatief weinig impact te hebben op de bredere sociale omgeving van kinderen. Tegelijkertijd heeft de bredere sociale omgeving een sterkere relatie met het ervaren welbevinden van kinderen dan het opvoedersgedrag. Deze relatief 'neutrale' positie van de bredere sociale omgeving, betekent ook dat voor kinderen met problemen in de thuissituatie, personen in deze omgeving een belangrijke ondersteunende rol kunnen spelen (bijvoorbeeld vrienden, goede leerkrachten, andere volwassenen in het sociale netwerk). De steunfiguur zoals die bij de programma's rondom scheiding en rondom huiselijk geweld ingezet moet gaan worden, is hiervan een voorbeeld. Samengenomen betekent dit dat hulpverleners die betrokken zijn bij kinderen en gezinnen vanwege een probleem in de thuissituatie, goed zicht moeten hebben op de aanwezigheid van mogelijke andere problemen in de thuissituatie. Een combinatie van problemen kan immers duiden op een andere gewenste insteek van de hulpverlening en op een sterkere inzet op beschermende factoren.

De bevindingen van dit onderzoek ondersteunen ideeën om meer integraal en multicategoriaal in te steken bij maatregelen, specifiek daar waar kinderen met meerdere problemen in de thuissituatie geholpen en ondersteund moeten worden.

29

WELKE ADVIEZEN GEVEN WIJ MEE? "Ik vind het goed dat er overal hulp is; thuis, op school of in de buurt." De resultaten van dit onderzoek roepen op tot een integrale aanpak in de jeugdhulpverlening en het sociaal werk met kinderen en gezinnen. Het onderzoek laat zien wat een stapeling van problemen kan betekenen voor kinderen en hoe deze stapeling verschillende effecten heeft bij verschillende groepen kinderen. Bovendien geven de resultaten weer wat kinderen zélf hebben aangegeven over wat belangrijk is voor hun welbevinden. Ondanks de stappen die op enkele domeinen al worden genomen met betrekking tot een integrale aanpak, blijkt het in de praktijk lastig te zijn om een dergelijke aanpak vorm te geven.7,j De Kinderombudsman doet daarom (nogmaals) een appèl op alle professionals en organisaties in het sociale domein, inclusief de gemeenten en de beroepsverenigingen, om actief aan de slag te gaan met een integrale aanpak voor gezinnen met problemen in de thuissituatie. De Kinderombudsman doet de volgende aanbevelingen: Voor organisaties in het sociale domein Neem in het geldende beleid en werkinstructies op dat professionals altijd kijken of er in een gezin op meerdere gebieden problemen spelen.

Om goed in te kunnen schatten of een bredere integrale aanpak noodzakelijk is, is het essentieel dat hulpverleners die vanwege één probleem bij een gezin thuis komen, goed zicht hebben op eventuele andere problemen die kunnen spelen. Organisaties moeten daarom in hun beleid en werkinstructies tijd en ruimte bieden voor professionals om in gesprek met ouders en kinderen zicht te krijgen op alle problemen die (kunnen) spelen in een gezin. Biedt professionals ruimte om ouders te helpen goed vorm te geven aan hun opvoeding, als er op drie gebieden problemen spelen. Uit de resultaten van het onderzoek wordt duidelijk dat als er meerdere problemen in de thuissituatie spelen, de kwaliteit van het opvoedersgedrag en de kwaliteit van de bredere sociale omgeving de grootste en belangrijkste impact hebben op het welbevinden van kinderen. Kijk bij meerdere problemen daarom altijd of ouders nog in staat zijn goede opvoeders te zijn. En zet hulp en ondersteuning voor deze kinderen juist hierop in. Vanzelfsprekend moeten de problemen zelf ook opgelost worden; dit helpt ouders immers in het beter vorm kunnen geven van hun ouderschap. Maar kinderen zelf geven aan dat het voor hun welbevinden vooral belangrijk is dat ouders 'ouders' kunnen zijn en/of dat er andere volwassenen zijn bij wie zij terecht kunnen.

j

Zie hiervoor bijvoorbeeld ook de Regeling Maatwerk Multiproblem Huishoudens, die in mei van 2019 verschenen is in opdracht van de ministeries van VWS, BZK, SZW en J&V.

30

Als er een of twee problemen spelen, laat professionals zich dan richten op het oplossen van het probleem. Voor kinderen waarbij 'slechts' één of twee problemen in de thuissituatie spelen, is het het belangrijkst dat de problemen zelf opgelost worden. Voor deze groepen kinderen zou hulpverlening dus juist in moeten steken op de specifieke problemen die spelen. Maak werkelijk integraal werken speerpunt van geldend beleid en werkinstructies. Gezinnen waarin veel speelt, zijn gebaat bij overzichtelijke ondersteuning en hulp die wordt geboden door zo min mogelijk verschillende instanties en professionals. Neem daarom in het geldende beleid en werkinstructies op wie bij domeinoverstijgende problemen de regie heeft en wie besluiten met het gezin communiceert. Integraal werken betekent naast afstemmen op inhoud, ook afstemmen op organisatieniveau. Zorg ervoor dat er een regievoerder is als er veel speelt. En gun kinderen en gezinnen een vast contactpersoon in hun toch al onoverzichtelijke wereld zodat zij zich het best geholpen voelen. Voorkom zoveel mogelijk wisselingen van professionals over de tijd. Zet in op het versterken van beschermende factoren die een belangrijke rol kunnen spelen in het verkleinen van de impact van problemen in de thuissituatie op het welzijn van kinderen.

Voor alle kinderen in dit onderzoek geldt dat er - binnen en buiten het gezin belangrijke factoren zijn die kinderen kunnen ondersteunen. De kwaliteit van het opvoedersgedrag is in de beleving van kinderen redelijk gevoelig voor problemen in de thuissituatie. De bredere sociale omgeving daarentegen is in de beleving van kinderen redelijk onafhankelijk van de problemen thuis. Bij de hulpverlening aan gezinnen zou daarom expliciet en actief gekeken moeten worden naar steun voor de kinderen in het bredere sociale netwerk. Hierbij kan gedacht worden aan het actiever inzetten op ondersteuning vanuit andere belangrijke volwassenen (familie, buren, etc.), ondersteuning op school of insteken op het creëren van een (breder) sociaal netwerk van leeftijdsgenoten. Voor gemeenten Biedt in het geldende beleid ruimte voor een passende, integrale en multi-categoriale aanpak. Juist als er veel speelt, is het belangrijk dat professionals en organisaties in het sociale domein optimaal afstemmen en samenwerken. Ze hebben ruimte nodig om maatwerk te kunnen bieden en om de grenzen tussen verschillende werkvelden te overbruggen om zo vanuit het belang van het kind te handelen. Deze ruimte moeten zij ondanks verschillende regelingen, bijvoorbeeld ten aanzien van financiering of privacy, nemen.

Uit een verkenning van afgelopen jaar blijkt dat de ruimte om op een passende manier maatwerk te bieden binnen de huidige

31

regelgeving er wel is.k Aan gemeentes – als verantwoordelijk voor de hulp van hun inwoners – de taak om drempels bij organisaties weg te nemen om van deze ruimte gebruik te maken. Voor beroepsverenigingen Stimuleer kennisverbreding over een integrale aanpak. Beroepsverenigingen hebben een belangrijke functie in de professionalisering van hun achterban (sociaal werkers, pedagogen, psychologen e.d.). Kennis over het belang van en mogelijkheden voor een integrale aanpak moet een essentieel onderdeel zijn van deze professionalisering. Wat betekent een integrale aanpak bijvoorbeeld voor sociaal werkers in de schuldhulpverlening of in scheidingsbegeleiding? Hoe creëer je ruimte om een breder palet aan ondersteuning te bieden dan de eigenlijke taak is? Hoe werk je samen met andere organisaties zonder de ondersteuning aan gezinnen te versplinteren? Antwoorden op dergelijke vragen en bijhorende kennis en inzichten moeten beschikbaar zijn voor professionals in het sociale domein, om op goede wijze vorm te kunnen geven aan een passende vorm voor hulp voor kinderen en gezinnen. Stimuleer kennis over mogelijkheden voor hulp buiten het eigen werkveld. Naast het verspreiden van kennis is het ook belangrijk voor professionals om zicht te hebben op praktische mogelijkheden voor een integrale aanpak, en om zicht te hebben op werkvelden buiten het eigen domein.

Beroepsverenigingen kunnen hierin een belangrijke rol vervullen door kennismakings- en netwerkbijeenkomsten te organiseren waarin professionals uit de verschillende (sociale) domeinen elkaar kunnen ontmoeten en informeren. Voor iedereen die als professional besluiten neemt over het leven van kinderen Bij alle besluiten die genomen worden, moeten de belangen van de kinderen een eerste overweging zijn. Om recht te kunnen doen aan lokale samenwerking en diversiteit aan betrokken organisaties, zullen bovenstaande aanbevelingen in de praktijk op verschillende manieren concreet vorm krijgen. Ongeacht deze lokale verschillen in de opvolging van de aanbevelingen, geldt voor iedere professional die besluiten neemt over het leven van kinderen een algemene regel: Volgens het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moeten bij alle besluiten die genomen worden, de belangen van de kinderen een eerste overweging zijn. Hierbij moet het kind zijn/haar visie kunnen geven waarmee rekening gehouden moet worden bij het besluit. Daarnaast hebben kinderen het recht op een gelijke behandeling ten opzichte van elkaar. Onderzoek daarom altijd eerst welke oplossing het beste is voor het kind, en vraag hen hier zelf naar. Stel hun belang voorop en stem de hulp hierop af. k

Zie hiervoor de Regeling Maatwerk Multiproblem Huishoudens, die in mei van 2019 verschenen is in opdracht van de ministeries van VWS, BZK, SZW en J&V.

32

KORTE AFSLUITENDE REFLECTIE De resultaten van dit onderzoek geven een genuanceerd beeld over de noodzaak voor een brede, integrale aanpak voor kinderen met problemen in de thuissituatie. Hierbij is zicht gekomen op wanneer een dergelijke aanpak wel of niet helpend is voor kinderen en jongeren. Daarnaast laat dit onderzoek zien wat kinderen zélf zien als oorzaken voor hun lagere welbevinden. De Kinderombudsman wil hiermee een onderbouwde bijdrage leveren aan de verbetering van de jeugdhulp en de jeugdzorg. De bevindingen moeten echter ook met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden, doordat er enkele problemen spelen in de gebruikte data die we niet opgelost kregen. De verdeling van de aantallen kinderen over de drie verschillende groepen (één probleem thuis, twee problemen thuis en drie problemen thuis) is erg scheef. Er waren slechts 9 kinderen die drie problemen in de thuissituatie hadden, zonder dat daarbij nog andersoortige problemen spelen. Dit is een erg kleine groep, wat de betrouwbaarheid van de bevindingen beïnvloed. Daarnaast is deze groep kinderen, evenals de bredere groep kinderen die de vragenlijst van de Kinderombudsman hebben ingevuld, niet representatief voor de kinderen in Nederland. Dit betekent dat de resultaten van dit onderzoek in principe alleen gelden voor de groep kinderen uit het onderzoek.

Het geeft echter wel een goede indicatie van wat kinderen in Nederland vinden en ervaren. Opvallend in de bevindingen is de sterkere relatie van factoren in de bredere sociale omgeving met het ervaren welbevinden, ten opzichte van de relatie van opvoedersgedrag met welbevinden. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat het juist de groep kinderen betreft met problemen thuis, die door die problemen mogelijk sterker gericht zijn op beschermende factoren in de bredere sociale omgeving. Een andere mogelijke verklaring is dat het in dit onderzoek voornamelijk de wat oudere kinderen betreft (12 jaar en ouder). Vanaf die leeftijd is het passend om minder gericht te zijn op de thuissituatie en meer belang te hechten aan de factoren buitenshuis zoals vrienden en klasgenoten. Dit betekent echter ook dat we niet met zekerheid kunnen zeggen dat de bevindingen ook gelden voor kinderen die jonger zijn dan 12 jaar.

33

LITERATUURLIJST 1. Centraal Bureau voor de Statistiek (2019a). Jeugdhulp 2018. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. 2. Nederlands Jeugdinstituut (2019a). Databank Effectieve Interventies, juli 2019 via https://www.nji.nl/nl/Databank/Databank-EffectieveJeugdinterventies/Erkende-interventies 3. Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (juni, 2018). Visienota Netwerkzorg. Den Haag: Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. 4. Nederlands Jeugdinstituut (2019b). Dossier Integrale Jeugdhulp, juli 2019 via https://www.nji.nl/nl/Kennis/Dossier/Integrale-jeugdhulp/Inhoudelijke-aanpak 5. Rutter, M. (1989). Pathways from childhood to adult life, Journal of Child Psychology and Psychiatry, 30 (1), 23-51. 6. Nederlands Jeugdinstituut (2018). Top tien beschermende factoren voor een positieve ontwikkeling van jeugdigen. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut. 7. De Kinderombudsman (2019). Zorgenbrief Jeugdhulp. Den Haag: De Kinderombudsman 8. De Kinderombudsman (2018). Als je het ons vraagt. Kinderrechtentour 2018. Den Haag: De Kinderombudsman. 9. Newland, L.A. (2015). Family well-being, parenting, and child well-being: Pathways to healthy adjustment, Clinical Psychologist, 19, 3-14. 10. Evans, G.W., Li, D. & Sepanski Whipple, S.S. (2013). Cumulative risk and child development, Psychological Bulletin, 139 (6), 1342-1396. 11.

Grant, K.E., Compas, B.E., Thurm, A.E., McMahon, S.D., Gipson, P.Y., Campbell, A.J., Krochock, K. & Westerholm, R.I. (2006). Stressors and child and adolescent psychopathology: Evidence of moderating and mediating effects, Clinical Psychology Review, 26, 257-283. 12. Antokolskaia, M.V., Jepessen de Boer, C.G., Ruitenberg, G.C.A.M., Schrama, W.M., Van der Valk, I.E. & Vrolijk, P. (2019). Naleving van contact/omgangsafspraken na scheiding: een rechtsvergelijkend en sociaalwetenschappelijk perspectief (samenvatting). Den Haag: Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatie Centrum. 13. Anthony, E. K., King, B. & Austin, M.J. (2011). Reducing child-poverty by promoting child well-being: Identifying best practices in a time of need, Children and Youth Services Review, 33, 1999-2009. 14. Hidalgo-Hidalgo, M. (2019). Childhood-related policies and adult poverty: Evidence form some European countries, Social Indicators Research, 144, 191217. 15. Kiernan, K.E. & Mensah, F.K. (2011). Poverty, family resources and children's early educational attainment, British Educational Research Journal, 37 (2), 317336. 16. Bastaits, K. & Mortelmans, D. (2016). Parenting as mediator between postdivorce family structure and children's well-being, Journal of Child and Family Studies, 25, 2178-2188.

34

17. Elam, K.K., Sandler, I., Wolchik, S. & Tein, J.-Y. (2016). Non-residential fatherchild involvement, interparental conflict and mental health of children following divorce: A person-focused approach, Journal of Youth and Adolescence, 45, 581593. 18. Paul, O. (2019). Perceptions of family relationships and post-traumatic stress symptoms of children exposed to domestic violence, Journal of Family Violence, 34, 331-343. 19. Baumrind, D. (1991). The influence of parenting style on adolescent competence and substance use, The Journal of Early Adolescence, 11 (1), 56-95. 20. De Kinderombudsman (2017). Alle kinderen kansrijk. Het verbeteren van de ontwikkelingskansen van kinderen in armoede. Den Haag: De Kinderombudsman. 21. Hurwich-Reiss, E., Watamura, S., Cybele Raver, C. & BTS Consortium PI's (2019). Beyond income: Expanding our empirical toolkit to better predict caregiver wellbeing, Journal of Child and Family Studies, 28, 753-764. 22. Rose, W. & McAuley, C. (2019). Poverty and its impact on parenting in the UK: Re-defining the critical nature of the relationship through examining lived experiences in times of austerity, Children and Youth Services Review, 97, 134141. 23. Bronfenbrenner, U. (2005). Making human beings human. Bioecological perspectives on human development. London: SAGE Publishers 24. Woolley, M.E. & Bowen, G.L. (2007).

In the context of risk: Supportive Adults and the school engagement of middle school students, Family Relations, 56, 92104. 25. Andresen, S. & Meiland, S. (2019). Being poor from children's point of view. The potential of childhood theory and qualitative methods for child poverty research: Findings from twoo qualitative studies of poverty in Germany, Children and Youth Services Review, 97, 94-99. 26. Sterrett, E.M., Jones, D.J., McKee, L.G. & Kincaid, C. (2011). Supportive nonparental adults and adolescent functioning: Using social support as a theoretical framework, American Journal of Community Psychology, 48, 284-295. 27. Armstrong, M.I., Birnie-Lefcovitch, S. & Ungar, M.T. (2005). Pathways between social support, family well-being, quality of parenting and child resilience: What we know, Journal of Child and Family Studies, 14 (2), 269-281. 28. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (1 april 2019). Kamerbrief "ambities kinderarmoede". Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 29. Centraal Bureau voor de Statistiek (2019b). CBS Jeugdmonitor. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. 30. Bureau Bartels BV (2018). Eerste evaluatie van de bestuurlijke afspraken tussen SZW en VNG over kinderen in armoede. Amersfoort: Bureau Bartels BV. 31. Defence for Children & Save the Children (8 februari 2019).

Input ‘AO Armoede en Schuldenbeleid’, via www.defenceforchildren.nl/media/3602/input-scnl-dcivoor-ao-armoede-en-schulden-14-februari-2019.pdf

35

32. Ministerie van Justitie en Veiligheid (juni, 2019). Uitvoeringsprogramma Scheiden zonder Schade. Den Haag: Ministerie van Justitie en Veiligheid 33. Nederlands Jeugdinstituut (2019c). Dossier Kindermishandeling, juli 2019 via https://www.nji.nl/nl/Kennis/Dossier/Kindermishandeling 34. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2019). Tweede voortgangsrapportage "Geweld hoort nergens thuis". Den Haag: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 35. Kalverboer, M., Ten Brummelaar, M., Post, W., Zijlstra, E., Harder, A. & Knorth, E. (2012). The best interest of the child-questionnaire, reliability and validity: Preliminary data on the question 'where to live after detention or secure treatment?', Criminal Behaviour and Mental Health, 22, 41-52. 36. Zijlstra, A., Kalverboer, M., Post, W., Knorth, E. & Ten Brummelaar, M. (2012). The quality of the childrearing environment of refugee or asylum-seeking children and the best interest of the child: Reliability and validity of the BIC-Q, Behavioral Science & The Law, 30 (6), 841-855. 37. Hayes, A.F. & Preacher, K.J. (2014). Statistical mediation with a multicategorical independent variable, British Journal of Mathematical and Statistical Psychology, 67, 451-470.

36

BIJLAGE 1: VRAGENLIJST VAN DE KINDERRECHTENTOUR 2018 1.

Ik ben een:

☐ Jongen ☐ Meisje ☐Anders

2.

Hoe oud ben je?

…

3.

Waar woon je?

☐ Bij mijn beide ouders ☐ Bij mijn vader (en partner) ☐ Bij mijn moeder (en partner) ☐ Wisselend bij mijn moeder en vader (en partner) ☐ Bij mijn pleeggezin ☐ In een instelling ☐ In een asielzoekerscentrum (azc) of gezinslocatie ☐ Anders, namelijk:

4.

Geldt één van de punten hieronder voor jou? Vink die dan aan. Je kunt meerdere hokjes aanvinken.

☐ We hebben thuis weinig geld ☐ Er zijn thuis problemen ☐ Ik heb een lichamelijke ziekte of aandoening ☐ Ik heb een diagnose en krijg jeugdhulp ☐ Mijn ouders zijn gescheiden. Ze kunnen ook niet meer normaal met elkaar omgaan ☐ Ik ga naar een school voor speciaal onderwijs ☐ Ik kom uit een ander land en ben naar Nederland gevlucht ☐ Geen van deze punten geldt voor mij

5.

Hoe heb je van de vragenlijst van de Kinderombudsman gehoord?

…

Deze vragenlijst gaat over kinderrechten. Alle kinderen hebben rechten. Dat is zo afgesproken. De rechten staan in het Kinderrechtenverdrag. Het zijn er 54. Een paar belangrijke kinderrechten gaan over thuis. Dus waar je woont en met wie. Alle kinderen hebben het recht om bij hun ouders te leven. Soms hebben ouders problemen. Als die problemen groot zijn, moeten kinderen soms een tijdje ergens anders wonen. Dat kan bijvoorbeeld in een ander gezin zijn. Of in een tehuis met andere kinderen. Op die andere plek moet er dan wel goed voor je gezorgd worden. Ook als je niet bij je ouders woont, heb je nog steeds het recht om jouw ouders te zien en te spreken. Hierna komen 5 vragen over dit soort kinderrechten. Je kunt bij iedere vraag aankruisen hoe het voor jou is.

37

6. Liefde en aandacht van die ik van mijn ouders of opvoeders krijg, vind ik…

Goed ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

Goed ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

Goed ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

Hiermee bedoelen we: - Je voelt je door hen begrepen - Ze hebben tijd voor je als je ze nodig hebt - Je hebt een goede band met ze Wil je daar iets over vertellen?

… 7. Ik vind de structuur, regels en ondersteuning die er thuis zijn… Hiermee bedoelen we: - Je staat op een vaste tijd op - Je gaat elke dag naar school - Er zijn afspraken en regels, waar jij je aan moet houden - Er is thuis iemand die je helpt als dat nodig is Wil je daar iets over vertellen?

… 8. Het goede voorbeeld dat ik krijg van mijn ouders of opvoeders vind ik… Hiermee bedoelen we: - Ruzie wordt uitgepraat - Ze leggen dingen uit als je iets niet snapt - Ze zorgen goed voor zichzelf en anderen - Ze hebben werk of doen vrijwilligerswerk Wil je daar iets over vertellen?

… 9. Ik vind de interesse van mijn ouders of opvoeders in wat ik belangrijk vind…

Goed ☐

Hiermee bedoelen we: - Je kunt je verhaal bij hen kwijt - Ze luisteren naar jouw ideeën en wensen - Je kan met hen praten als je problemen hebt - Op sommige dagen hoef je niet naar school. • Je mag dan zelf kiezen wat jij wilt doen Wil je daar iets over vertellen?

…

38

10. De opvoeding die ik krijg vind ik…

Goed ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

Hiermee bedoelen we: - Er wordt altijd goed voor je gezorgd - Er staat altijd iemand voor je klaar - Je hebt contact met volwassenen die belangrijk voor je zijn, of die langere tijd voor je hebben gezorgd (bijvoorbeeld familieleden of pleegouders) Wil je daar iets over vertellen?

…

Dat waren de eerste vragen. We gaan nu verder. Je hebt niet alleen thuis rechten. Ook op school en bijvoorbeeld op je sportclub heb je rechten. Zo heb je het recht om naar school te gaan. Al voelt dat soms misschien meer als een plicht. En wist je dat je ook recht hebt op spelen en vrije tijd ?En om samen te zijn met vrienden? Hierna komen 3 vragen over dit soort kinderrechten. Je kunt weer bij iedere vraag aankruisen hoe het voor jou is.

11. Op school en in vrije tijd, is het voor mijn gevoel…

Goed ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

Goed ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

Hiermee bedoelen we: - Je vindt het niet vervelend om naar school te gaan - Je krijgt op school genoeg hulp en steun, zodat je goed kunt leren - Je krijgt de kans om in je vrije tijd de dingen te doen die je leuk vindt of waar je goed in bent (bijvoorbeeld sport, muziek, toneel, scouting of skateboarden). Wil je daar iets over vertellen?

… 12. Het contact met vrienden vind ik… Hiermee bedoelen we: - Je doet leuke dingen met je vrienden - Je kunt goed met je vrienden opschieten - Je voelt je begrepen door hen - Jouw vrienden houden rekening met wie jij bent Wil je daar iets over vertellen?

…

39

Goed 13. De hulp die ik van andere volwassenen krijg, Goed ☐☐ is voor mijn gevoel…

Voldoende Voldoende ☐☐

Matig Matig ☐☐

Onvoldoende Onvoldoende ☐☐

Hiermee bedoelen we: - Behalve je ouders of opvoeders zijn er andere mensen die jou helpen. Bijvoorbeeld andere familie, buren of leraren. - Als je vragen hebt of extra hulp nodig hebt kun je bij familieleden, buren, leraren of andere mensen terecht - Je zit bij een sportclub of vereniging Wil je daar iets over vertellen?

… Er zijn ook kinderrechten die gaan over wat er in jouw leven allemaal geregeld moet zijn. Je hebt bijvoorbeeld het recht op genoeg te eten en drinken en op goede zorg van dokters. Ook zijn er kinderrechten die gaan over wat er juist niet mag zijn in jouw leven. Je mag bijvoorbeeld niet anders behandeld worden dan andere kinderen, bijvoorbeeld door jouw huidskleur of om wat je gelooft. Hierna komen 3 vragen over dit soort kinderrechten. Je kunt weer bij iedere vraag aankruisen hoe dit er in jouw leven uit ziet.

14. De verzorging die ik krijg, vind ik…

Goed ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

Goed ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

Hiermee bedoelen we: - Je krijgt genoeg te eten en te drinken - Je hebt genoeg kleding - Je krijgt genoeg slaap - Er is een dokter wanneer je die nodig hebt Wil je daar iets over vertellen?

… 15. Het goede voorbeeld dat ik krijg van mensen die ik ken, vind ik… Hiermee bedoelen we: - Kinderen en volwassenen die jij kent zorgen - goed voor zichzelf en voor anderen - Kinderen en volwassenen die jij kent helpen - elkaar graag - Kinderen en volwassenen die jij kent behandelen - elkaar met respect (zijn aardig voor elkaar) - Kinderen en volwassenen die jij kent hebben een - goede invloed op je Wil je daar iets over vertellen?

…

40

16. Ik vind het respect dat ik krijg…

Goed ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

Hiermee bedoelen we: - Je wordt niet anders behandeld dan andere kinderen die jij kent (bijvoorbeeld om je geloof, om hoe je eruit ziet, omdat je arm of rijk bent, of omdat je een handicap hebt) - Je hebt het gevoel dat anderen rekening houden met wie jij bent - Je hebt het gevoel dat je dezelfde kansen krijgt als andere kinderen - Je kunt alleen zijn wanneer jij dat wilt - Jouw ouders, opvoeders of anderen, lezen niet zomaar mee met je WhatsAppgesprekken, e-mails of brieven Wil je daar iets over vertellen?

…

Nu komen de laatste paar vragen. Het is belangrijk dat je veilig kunt opgroeien. Thuis, maar ook op school en in de buurt. Ook daar zijn kinderrechten voor. Je hebt bijvoorbeeld recht op bescherming tegen geweld en mishandeling. Ook moet je beschermd worden tegen gevaarlijke dingen, zoals drugs. Een heel belangrijk kinderrecht is het recht om informatie te krijgen over dingen die voor jou belangrijk zijn. Bijvoorbeeld over waar je woont of waar je naar school gaat. Dit is nodig, omdat je ook het recht hebt om je eigen mening te vormen en die te laten horen. Hierna komen 3 vragen over dit soort kinderrechten. Je kunt weer bij iedere vraag aankruisen hoe het voor jou is.

17. De veiligheid bij mij in huis, vind ik… Hiermee bedoelen we: - Je voelt je veilig bij jou thuis - Er wordt bij jou thuis geen geweld gebruikt - Er wordt bij jou thuis geen drugs gebruikt - Er wordt bij jou thuis niet gescholden Wil je daar iets over vertellen?

…

Goed ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

41

18. De veiligheid bij mij in de buurt, vind ik…

Goed ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

Goed ☐

Voldoende ☐

Matig ☐

Onvoldoende ☐

Hiermee bedoelen we: - Je voelt je veilig in jouw buurt - Er is weinig ruzie in de buurt - Er wordt niet vaak ingebroken in jouw buurt - Er is geen crimineel gedrag - Er hangen geen vervelende mensen of jongeren rond in jouw buurt Wil je daar iets over vertellen?

… 19. Ik vind de mate van zekerheid in mijn leven… Hiermee bedoelen we: - Je hebt vertrouwen in je toekomst - Je woont langere tijd op één plek (je bent niet vaak verhuisd) - Als er iets verandert dan wordt dat met jou besproken - Je bent niet plotseling van school gewisseld - Er zijn geen grote dingen gebeurd in je leven die je moeilijk of vervelend vond Wil je daar iets over vertellen? …

20. Welk cijfer geef jij aan jouw leven? ☐1 ☐2 ☐3 ☐4 ☐5

☐6 ☐7 ☐8 ☐9 ☐ 10

21. Wat vind je fijn in jouw leven? (Bijvoorbeeld bij jou thuis, op school of in jouw buurt) …

22. Wat kan er beter, om jouw leven (nog) leuker te maken? (Bijvoorbeeld bij jou thuis, op school of in jouw buurt) …

42

23. Wat vind je belangrijk voor de toekomst van jou en andere jongeren in Nederland? …

24. Waar wil jij graag over meebeslissen in jouw leven? Mag je dat nu al? Bij thuis Ik mag meebeslissen Ik zou graag willen meebeslissen

jou

Op school

Bij (jeugd)zorg

In buurt

de

Weet niet

ik

Wil niet

☐

☐

☐

☐

☐

☐

☐

☐

☐

☐

☐

☐

ik

De komende jaren gaat Margrite, de Kinderombudsvrouw, zich inzetten voor alle kinderen in Nederland. Ze wil graag van jou horen waar ze kinderen mee kan helpen. 25. Als jij Kinderombudsman of Kinderombudsvrouw was, wat zou je dan willen veranderen voor kinderen in Nederland? …

We zijn bijna aan het einde van de vragenlijst. We willen je graag nog een paar laatste vragen stellen. 26. Ga je naar school? ☐ Ja, ik ga naar de middelbare school of het MBO ☐ Ja, ik ga nog naar de basisschool ☐ Ja, ik ga naar school en ik werk ook ☐ Nee, ik ga niet naar school. Ik werk ☐ Nee, ik ga niet naar school en heb ook geen werk ☐ Anders, namelijk …

27. Welke type school volg je? ☐ Praktijkonderwijs ☐ VMBO basis of VMBO kader ☐ VMBO-gl of VMBO-tl ☐ MBO1 of MBO 2 ☐ MBO3 of MBO4 ☐ HAVO ☐ VWO ☐ HBO ☐ WO

43

☐ Anders, namelijk:

28. In welke provincie woon je? ☐ Drenthe ☐ Flevoland ☐ Friesland ☐ Gelderland ☐ Groningen ☐ Limburg

☐ Noord-Brabant ☐ Noord-Holland ☐ Overijssel ☐ Utrecht ☐ Zeeland ☐ Zuid-Holland

29. Wil je hier de eerste 4 cijfers van jouw postcode invullen? … 30. Wist je vóór deze vragenlijst al wat kinderrechten zijn? ☐ Ja ☐ Nee

31. Had je vóór deze vragenlijst al eens van de Kinderombudsman gehoord? ☐ Ja ☐ Nee

44

BIJLAGE 2: HET KINDERRECHTENVERDRAG De Kinderombudsman heeft de taak wetgeving, beleid en de uitvoering daarvan te controleren op de naleving van de kinderrechten zoals opgenomen in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Het Kinderrechtenverdrag kent vier basisprincipes. Artikel 2 van het verdrag stelt dat alle rechten uit het verdrag voor alle kinderen en jongeren gelden. Artikel 3 stelt dat bij alle besluiten die genomen worden de belangen van kinderen een eerste overweging moeten zijn. Dit principe geldt voor alle besluiten die genomen worden over individuele kinderen en jongeren, maar ook voor groepen kinderen en jongeren in het algemeen. Artikel 6 stelt dat elk kind recht heeft op leven en dat de overheid hiervoor waarborgen moet bieden. Artikel 12 stelt dat het kind het recht heeft om zijn mening te geven over alle zaken die hem aangaan. Deze vier artikelen moeten volgens het Kinderrechtencomité in onderlinge samenhang worden bezien. Dit betekent dat bij alle besluiten die er worden genomen, het ontwikkelingsbelang van kinderen en jongeren leidend is, dat kinderen en jongeren hierbij gelijk behandeld moeten worden en dat hun mening moet worden meegewogen bij ieder te nemen besluit. De overige bepalingen van het Kinderrechtenverdrag moeten vanuit dit perspectief worden bekeken.

Voor kinderen die problemen in de thuissituatie ervaren, kunnen er daarnaast nog een aantal andere kinderrechten onder druk staan. Zeker als er sprake is van een stapeling van problemen. Afhankelijk van de (combinatie van) problemen die kunnen spelen in de gezinssituatie, kunnen er zorgen over: -

-

-

De rol van ouders bij de begeleiding en ontwikkeling van het kind (artikel 5). Dit kan spelen in elk gezin waarbij ouders door de ervaren stress niet meer goed in staat zijn vorm te geven aan hun opvoedingsgedrag. Dit geldt evenzo voor het zorg dragen voor de ouderlijke verantwoordelijkheden (artikel 18). In gezinnen waarbij sprake is van (in ieder geval) een complexe scheiding kan het contact tussen ouder en kind onder druk komen staan (artikel 9). Daar waar sprake is van ruzie en strijd (binnen het gezin of tussen gescheiden ouders) kan artikel 19 onder druk komen staan, die stelt dat kinderen beschermt moeten worden tegen misbruik en verwaarlozing. Voor kinderen die opgroeien in armoede geldt dat er problemen kunnen ontstaan met hun gezondheid (artikel 24), dat zij niet altijd de zorg krijgen of kunnen krijgen die zij nodig hebben (artikel 24 en 26) en dat door de armoede een adequate levensstandaard (artikel 27) niet gegarandeerd is.

45

BIJLAGE 3: STATISTISCHE ONDERBOUWING EN EXTRA INFORMATIE Bepalen verdeling (normaliteit) Om te bepalen welke analyses uitgevoerd kunnen worden op de data gezien de relatief kleine groepen bij twee of drie problemen thuis, hebben we in relatie tot de onafhankelijke variabele ('Stapeling Problemen'), voor de afhankelijke variabele ('Cijfer Leven'), de variabele ('BIC-thuis') en de variabele ('BIC-omgeving') via de Explore-functie van SPSS zogeheten tests of normality uitgevoerd. Zoals uit tabel I blijkt, is met name de groep kinderen met één probleem thuis problematisch. Uit de test of normality blijkt dat voor alle variabelen geldt dat de data van de groep kinderen met één probleem thuis of met twee problemen thuis significant afwijken van een normaalverdeling (p<.05). Voor de kinderen met twee of drie problemen thuis lijken alle variabelen redelijk normaal verdeeld.

Tabel 2: Resultaten van de Test of Normality voor de afhankelijke en interacterende variabelen Kwetsbare groep Variabele Skewnessl Kurtosism Test of (gemiddelde) Normality (p) Rapportcijfer (1-10) 1 7,3 -3,7* 2,5* 0,000† * 2 6,6 -2,3 1,9 0,004† 3 5,1 0,8 -0,4 0,194 BIC-Thuis (1-28) 1 24,2 -6,9* 3,4* 0,000† 2 23,5 -1,7 -0,8 0,005† 3 19,7 -0,8 -0,3 0,511 BIC-omgeving (1-28) 1 22,8 -4,9* 3,2* 0,000† 2 22,4 0,6 -1,8 0,0030† 3 19 -0,7 0,2 0,520 *: Om te bepalen of de skewness of kurtosis significant afwijkend is, kan de Z-waarde berekend worden door

de skewness of kurtosis te delen door de standaardfout. Als de Z-waarde tussen de -2 en de 2 valt is de skewness of de kurtosis niet afwijkend van een normale verdeling. In de tabel staat door middel van het *symbool aangegeven welke scores significant zijn en daarmee duiden op niet-normaal verdeelde data. †: De test of normality bepaalt of de data qua verdeling significant afwijkt van een normaalverdeling, waarbij een score (p) lager dan .05 er op duidt dat de verdeling van de data significant afwijkt van een normaalverdeling (d.w.z. niet normaal verdeeld is). In de tabel is door middel van het †-symbool aangegeven welke scores significant afwijken van een normaalverdeling. Voor de grotere groep (één kwetsbaarheid) is hierbij gekeken naar de score op de Kolmogorov-Smirnov, voor de twee kleinere groepen (twee en drie kwetsbaarheden) is de score op de Shapiro-Wilk weergegeven.

Regressie Omdat het voor de analyses die we willen uitvoeren, belangrijk is om te weten hoe de data verdeeld is, hebben we door middel van een (lineaire) regressieanalyse ook l Skewness meet de symmetrie in de verdeling van de data. Voor een normaalverdeling moeten de scores

gelijkmatig verdeeld zijn. Een optimale normaalverdeling heeft een skewness van 0. m Kurtosis meet de pieken in de verdeling. Voor een normaalverdeling moeten de scores gelijkmatig verdeeld zijn. Een optimale normaalverdeling heeft een kurtosis van 0.

46

vastgesteld of het bovenstaande model past bij de data die we verzameld hebben én of de 'fouten' in de data (d.w.z. de manier waarop de data niet past bij het model) wel normaal verdeeld is. Als deze afwijking gelijkmatig over de data verdeeld is, geeft dat meer ruimte in de mogelijke analyses die gebruikt kunnen worden. Uit de regressieanalyse blijkt dat de fouten in de data normaal verdeeld zijn, en we de geplande analyses uit konden voeren. Ook blijkt uit de regressieanalyse dat er in belangrijke relaties bestaan tussen de vier verschillende variabelen in dit onderzoek (Stapeling Problemen, Cijfer Leven, BIC thuis en BIC omgeving). De relatie met 'Stapeling Problemen' is in alle gevallen negatief, d.w.z. hoe meer problemen kinderen in de thuissituatie ervaren, hoe lager cijfer zij aan hun leven geven, hoe lager zijn de omgevingsvoorwaarden van de thuissituatie beoordelen en hoe lager zij de omgevingsvoorwaarden van de bredere sociale omgeving waarderen. De overige relaties zijn allemaal positief, d.w.z. hoe hoger kinderen scoren op de ene variabele, hoe hoger zij ook scoren op de andere variabelen. De relatie tussen 'Cijfer Leven' en 'BIC omgeving' is het sterkst (r=.615, p<.0001), de relatie tussen 'Cijfer Leven' en 'Stapeling Problemen' is het zwakst (r=-.270, p<.0001).

Bovendien blijkt dat het model waarin alle vier de variabelen meegenomen worden, het beste past bij de data die we hebben (F=59,349, p<.0001). De drie variabelen 'Stapeling Problemen', 'BIC Thuis' en 'BIC Omgeving' verklaren gezamenlijk bijna 50% van de variatie in de afhankelijke variabele 'rapportcijfer leven' (R2 (adj) =.470, p<.0001). Als we kijken naar de unieke relatie die elk van de onafhankelijk variabelen heeft met de afhankelijke variabele 'Cijfer Leven', dan zien we dat die zwak (Stapeling Problemen; r=.129) tot gemiddeld is (BIC Thuis, r=.255; BIC Omgeving, r=.384).

47

BIJLAGE 4: STATISTISCHE ONDERBOUWING VAN DE BEVINDINGEN Model 1: BIC Thuis en BIC Omgeving als mediator Model 1: Model van de onderzochte onderlinge relaties tussen de risicofactoren en het ervaren welzijn van het kind

Stapeling problemen: 1 2 3

Totale effect=-.881 (p=.0001)

Rapportcijfer 1-10 (ervaren welzijn)

-.432 (p=.013) -.566 (p=.178) .127 (p<.0001)

-1,50 (p=.0045)

.214 (p<.0001)

BIC-omgeving (bredere omgeving)

BIC-thuis (opvoedersgedrag)

.425 (p<.0001)

Stapeling problemen – BIC Thuis:

b= -1.50, t= -2.869, p= .0045 (<.01); R2= .039

Stapeling Problemen – BIC Thuis – BIC Omgeving: Stapeling problemen b=-.566, t=-1.350, p=.179 (>.05), BIC Thuis b=.425, t=7.712, p<.0001; R2=.252 Stapeling Problemen – BIC Thuis – BIC Omgeving – Cijfer Leven: Stapeling problemen b= -.432, t= -2,515, p= .013 (<.05), BIC Thuis b=.127, t= 4.97, p<.0001, BIC Omgeving b=.214, t= 7.484, p<.0001; R2= .469 R2= .0729 (p <.0001) Indirecte relatie via BIC Thuis, effect= -.1907 Indirecte relatie via BIC Thuis en BIC Omgeving, effect= -.1369

48

Modellen 2 en 3: Vergelijking tussen groepen kinderen op basis van aantal kwetsbaarheden Model 2: Vergelijking van de groep kinderen met één versus twee problemen thuis

Totale effect: -.667 (p=.026) Kwetsbare groep 1-2

-.762 (p=.282)

Rapportcijfer 1-10 (ervaren welzijn)

-.470 (p=.04)

-.145 (p=.796)

.124 (p<.0001) .215 (p<.0001)

BIC-thuis (opvoedersgedrag)

.418 (p< .0001)

BIC-omgeving (bredere omgeving)

Model 3: Vergelijking van de groep kinderen met één versus drie problemen thuis Totale effect: -2.175 (p=.0003) Kwetsbare groep 1-3

-4.437 (p=.0017)

Rapportcijfer 1-10 (ervaren welzijn)

-.783 (p=.092)

.124 (p<.0001)

-1.989 (p=.078)

BIC-thuis (opvoedersgedrag)

.215 (p<.0001)

.418 (p< .0001)

BIC-omgeving (bredere omgeving)

49

Model 2: Indirecte relatie via BIC Thuis; geen effect, indirecte relatie via BIC Thuis en BIC Omgeving; geen effect. Model 3: Indirecte relatie via BIC Thuis, effect= -.565, indirecte relatie via BIC Thuis en BIC Omgeving, effect= -.399 Vergelijking model 2 en 3: R2-change= .0781, F= 8,5592, p= .0003 (<.05).

de Kinderombudsman.

In 4 stappen naar het beste besluit voor het kind Het Kinderrechtenverdrag als kompas bij besluitvorming

Inhoudsopgave

Kinderrechtenverdrag: Het beste voor kinderen Het beste voor kinderen. Dat is het uitgangspunt van het Kinderrechtenverdrag. En van iedereen die werkt met of voor kinderen. Het beste voor kinderen willen we allemaal. Dat begint bij het nemen van goede besluiten waarbij het belang van het kind voorop staat. In de praktijk is dat soms knap lastig. Daarom heeft het Kinderrechtencomité richtlijnen opgesteld over hoe je dat doet (Artikel 3 - Belang van het kind en General Comment nr. 14 toelichting Belang van het kind). De Kinderombudsman heeft deze richtlijnen vertaald in een overzichtelijk stappenplan: Het beste besluit voor het kind.

In 4 stappen naar het beste besluit voor het kind

3

Het stappenplan

4

Hoe gebruik ik deze stappen in mijn werk?

5

Vragenlijst en checklist voor kinderen en jongeren

6

Vragenlijst: Wat vind ik belangrijk?

7

Checklist: Beslissing over mij

8

In 4 stappen naar het beste besluit voor het kind | 2

In 4 stappen naar het beste besluit voor het kind Ben jij hulpverlener of politieagent? Leraar

In dit boekje lees je alles over de vier stappen

of beleidsmaker? Elke dag zet jij je in voor

en hoe je deze kan gebruiken in jouw werk.

kinderen en elke dag neem jij beslissingen

Achterin staat een vragenlijst en checklist.

die invloed hebben op het leven van

Kinderen en jongeren kunnen deze gebruiken

kinderen. Dit zijn vaak ingewikkelde

als voorbereiding op een beslissing over hun

beslissingen waarbij veel verschillende

leven of om achteraf te kijken of de beslissing

belangen spelen en je soms twijfelt of je

goed genomen is.

het goede doet. Of het nu gaat om een uithuisplaatsing, het

Toolkit Het beste besluit voor het kind

opsluiten van een kind in een politiecel, de

Naast het stappenplan ontwikkelt het team

schoolkeuze voor een leerling met autisme

van de Kinderombudsman de komende jaren

of het sluiten van een klimaatakkoord. Bij al

samen met organisaties uit het jeugddomein

deze beslissingen helpt het stappenplan Het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=5bf6ca4f-62d9-4198-be0a-6e2bf2b95bf2