CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

B-1.8 Besluit B&W inzake reactie op rapport Kinderombudsman d.d. 17-11-20.pdf

Commissie Samenleving 20 januari 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Besluit B&W inzake reactie op rapport Kinderombudsman.20.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

-1Afdeling: Sociaal Domein Behandelaar: Essousi, Ali Telefoonnummer: 0342495248 Ter kennisname naar de raad Nummer beleidsproduct:

Onderwerp:

Voorstelnr. 1001 Barneveld, 10 november 2020 Portefeuillehouder: P.J.T. van Daalen Op overzicht Bestaand beleid (website)

Reactie rapport Kinderombudsman (integrale aanpak voor kinderen met meerdere problemen)

Gevraagde beslissing: 1. In te stemmen met memo: Reactie rapport Kinderombudsman (integrale aanpak voor kinderen met meerdere problemen). 2. De gemeenteraad te informeren (rubriek B) en de memo als bijlage mee te zenden.

Inleiding In de raadsvergadering van 5 februari 2020 stond een rapport van de Kinderombudsman (integrale aanpak voor kinderen met meerdere problemen) als ingekomen stuk op de agenda. Het college is gevraagd om een memo hierover te sturen, ter bespreking in een volgende commissie. Als gevolg van de extra uitgevoerde taken gedurende de coronacrisis is dat niet tijdig gelukt. Met deze memo geeft het college alsnog een reactie op het rapport.

Bijlagen - Memo: Reactie rapport Kinderombudsman (integrale aanpak voor kinderen met meerdere problemen) - Rapport 'Ik ben meer dan mijn problemen. Een integrale aanpak voor kinderen met meerdere problemen in de thuissituatie'

Memo

Datum: 10 november 2020 Onderwerp:

Ter attentie van:

Afzender:

Reactie rapport Ombudsman (integrale aanpak voor kinderen met meerdere problemen) Gemeenteraad Barneveld Burgemeester en wethouders In de raadsvergadering van 5 februari 2020 stond een rapport van de Kinderombudsman (integrale aanpak voor kinderen met meerdere problemen) als ingekomen stuk op de agenda. Het college is gevraagd om een memo hierover te sturen, ter bespreking in een volgende commissie. Als gevolg van de extra uitgevoerde taken gedurende de coronacrisis is dat niet tijdig gelukt. Met deze memo geeft het college alsnog een reactie op het rapport. Onderzoek Het doel van het onderzoek is om zicht te krijgen op wat het voor kinderen betekent als er sprake is van meerdere problemen in hun leven. Het onderzoek richt zich specifiek op kinderen die problemen in de thuissituatie ervaren. Het gaat dan over complexe problemen als armoede of gescheiden ouders die niet meer normaal met elkaar om kunnen gaan of ruzies en geweld in de thuissituatie. Ook is er gekeken naar welke beschermende factoren in de leefomgeving van kinderen een rol spelen in het verbeteren van het welbevinden van kinderen. Het onderzoek richt zich op de beleving van kinderen zelf, door gebruik te maken van de data die de Kinderombudsman heeft verzameld. Er is een vragenlijst uitgezet die in totaal door 1703 kinderen is ingevuld.

Op basis van de analyse hiervan heeft de Kinderombudsman conclusie getrokken en aanbevelingen gedaan. Conclusies  Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat een stapeling van problemen in toenemende mate een negatief effect heeft op het welbevinden van kinderen. Dus, hoe meer problemen er spelen in de thuissituatie, hoe minder gelukkig de kinderen zelf aangeven te zijn.  Voor kinderen waarbij "slechts" één probleem of twee problemen spelen zijn het vooral de problemen zélf die een negatieve invloed hebben op hun welbevinden. Het welbevinden van deze kinderen verbetert wanneer hulp en ondersteuning zich direct richt op het oplossen van de concrete problemen.  Voor kinderen waarbij meerdere problemen spelen is het vooral de negatieve invloed die deze problemen hebben op het opvoedersgedrag waar de kinderen last van hebben. Bij deze kinderen zal hulp en ondersteuning van de ouders bij de opvoeding leiden tot een verbetering in het welbevinden van kinderen. Het betekent dat in de beleving van

deze kinderen het gedrag van ouders de belangrijkste invloed is op hun welbevinden. Verder blijken problemen die thuis spelen relatief weinig impact te hebben op de bredere sociale omgeving van kinderen. Tegelijkertijd heeft de bredere sociale omgeving een sterkere relatie met het ervaren welbevinden van kinderen dan het opvoedersgedrag.

Advies aan gemeenten  Biedt in het geldende beleid ruimte voor een passende, integrale en multi-categoriale aanpak. Daarbij gaat het vooral om een samenwerking tussen professionals, die zich allen inhoudelijk echter op één afzonderlijk probleem richten. Interventies die voor kinderen of gezinnen ingezet worden, richten zich evengoed veelal op één probleem. Dit betekent in de praktijk dat – hoewel er gesproken wordt over een integrale aanpak – meerdere professionals bezig zijn verschillende problemen losstaand van elkaar op te lossen. Reactie gemeente Barneveld - Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de impact van problemen thuis op het welbevinden van kinderen maar voor een gedeelte verklaard wordt door de problemen zelf. Een andere gedeelte van het welbevinden van kinderen wordt verklaard door de negatieve invloed die problemen thuis op het opvoedersgedrag hebben. Deze tweeledige kijk is geïntegreerd in de werktaken van het Centrum voor Jeugd en Gezin Barneveld (CJG). Het CJG ondersteunt iedereen met vragen over opvoeden en opgroeien. Opgroeien gaat vooral over de problemen die kinderen zelf hebben en opvoeden gaat vooral over het gedrag van de omgeving. Voor beide onderdelen zijn er diverse programma’s en worden diverse ondersteuningsvormen aangeboden.

Het CJG richt zich niet alleen op kinderen en jongeren tot 18 jaar maar ook op ouders, verzorgers, toekomstige ouders en iedereen die werkt met kinderen, jongeren, ouders en verzorgers. Deze resultaten van de Kinderombudsman bevestigen de terechte keuze voor deze brede kijk van het CJG. -

Verder valt op dat het vooral de negatieve invloeden (van problemen) op het opvoedersgedrag is waar de kinderen last van hebben. Zo hebben bijvoorbeeld 205 kinderen in de leeftijd van 8 tot 18 jaar aangegeven thuis weinig geld te hebben en/of ruzies in het gezin te hebben en/of gescheiden ouders te hebben. In Barneveld valt sinds 2018 op dat jeugdhulpvragen steeds vaker raken aan dit soort (oudergerelateerde) problemen. Deze thema’s zijn breder dan armoede en echtscheidingen en hebben bijvoorbeeld ook betrekking op laaggeletterdheid en alcohol & drugs. Deze thema’s zijn prioritair opgenomen in ons werkprogramma. In het kader van Kind & Armoede zijn er bijvoorbeeld diverse preventieactiviteiten ontwikkeld zoals diverse minimaregelingen waardoor kinderen ondanks de financiële situatie van de ouders mee kunnen op schoolreisje, huiswerk maken op een computer, zwemlessen volgen of lid worden van een sportvereniging. In het kader van echtscheidingen of relatiebreuken zijn er bijvoorbeeld kinder- en oudertrainingen als steun voor kinderen en ouders die thuis of in hun directe omgeving veel meemaken op het gebied van stress en spanningen. Zo zijn er meerdere preventie-activiteiten binnen 8 prioritaire thema’s uitgewerkt waarmee wij problematieken willen voorkomen die de kinderen direct of indirect last geven.

De uitwerking van deze preventie-activiteiten behorende bij deze thema’s zijn eerder uitgewerkt en besproken in commissie Samenleving van 13 mei 2020 (memo overzicht preventie-activiteiten problemen jongeren).

-

Uit het onderzoek blijkt verder dat problemen die thuis spelen relatief weinig impact hebben op de bredere sociale omgeving van kinderen. Tegelijkertijd heeft de bredere sociale omgeving een sterkere relatie met het ervaren welbevinden van kinderen dan het opvoedersgedrag. De visie van de jeugdhulp in Barneveld is erop gericht om de totale omgeving van een kind geschikter te maken voor zijn/haar ontwikkeling op basis van zijn/haar behoeften (normaliseren). Om dit te bereiken heeft het CJG een centrale rol gekregen om dit te organiseren omdat het CJG al in diverse levensgebieden (thuis, school, huisarts, vrije tijd) is betrokken waardoor zij eerder knelpunten in de opvoeding en het opgroeien kunnen signaleren. Zo kan het CJG sneller en integraal een ondersteuningsaanbod inzetten of de (sociale) omgeving activeren. De gemeente Barneveld heeft blijvende aandacht voor een passende ondersteuningsaanbod en activering van de sociale omgeving. Het CJG krijgt bijvoorbeeld extra mogelijkheden om ambulante begeleidingsvormen in te zetten. Daarnaast blijven wij het CJG ondersteunen bij de werving van nog meer vrijwilligers, steunouders en buurtgezinnen.

-

Het rapport bevat ook aanbevelingen voor organisaties binnen het Sociaal Domein. Aanbevelingen om professionals breder te laten kijken naar de problematieken en ruimte geven om ouders te helpen bij hun opvoeding hebben ook onze aandacht. Vanuit de opdrachtgevende rol voelen wij ons ook geroepen om organisaties hiertoe aan te sporen en hiervoor ruimte te bieden. Tot nu toe hebben wij een aantal dingen gedaan om organisaties binnen het preventieve- en specialistische veld hierin te faciliteren. o In het preventieve (jeugd)veld is naast de algemeen toegankelijke voorzieningen een breed pallet aan expertise beschikbaar bij het CJG (sociotherapeut, orthopedagoog, sociaal psychisch verpleegkundige etc.) zodat ze multidisciplinair kunnen inspelen op hulpvragen. Voortdurend wordt gekeken wat er nodig is, in welke situatie, om snel en preventief te acteren. o In het specialistisch jeugdveld werken wij vanuit vertrouwen in de expertise van jeugdhulpaanbieders. De jeugdhulp wordt aspecifiek beschikt. Dat wil zeggen dat wij de te leveren hulp niet vooraf omkaderen door zorgvorm, volume en tijdseenheid te bepalen. Jeugdhulpaanbieders krijgen hierdoor ruimte om maatwerk te organiseren en gespreksvoerders hoeven niet steeds de beschikking aan te passen tijdens iedere fluctuatie van de hulpvraag.

Hierdoor verliezen wij geen kostbare tijd aan administratieve lasten ten koste van de hulpverlening. De ervaring leert namelijk dat een jeugdhulptraject niet beantwoordt kan worden met een vast omkaderde beschikking aan de voorkant.

Aan de Gemeenteraad

Per email verzonden datum 13 december 2019 ons nummer KOM012/2019 uw brief

Betreft: Rapport 'Ik ben meer dan mijn problemen. Een integrale aanpak voor kinderen met meerdere problemen in de thuissituatie'

uw kenmerk contactpersoon Marit Hopman doorkiesnummer (070) 850 69 59

Geachte heer/mevrouw, In de tweede helft van 2018 heb ik in het kader van onze tweejaarlijkse Kinderrechtentour een vragenlijst uitgezet die in totaal door 1703 kinderen is ingevuld. Dit heeft veel informatie opgeleverd over hoe kinderen zélf vinden dat het met hen gaat. Het rapport Als je het ons vraagti bevatte een eerste beschrijvende analyse van deze data. Met deze brief bied ik u het eerste verdiepende rapport aan, dat op deze data gebaseerd is. Een tweede verdiepend rapport zal begin 2020 verschijnen. Dit rapport richt zich specifiek op kinderen die problemen in de thuissituatie ervaren. Het gaat dan over complexe problemen als armoede of gescheiden ouders die niet meer normaal met elkaar om kunnen gaan of ruzies en geweld in de thuissituatie. Het doel van het onderzoek is om zicht te krijgen op wat het voor kinderen betekent als er sprake is van meerdere problemen in hun leven. Ook is er gekeken naar welke beschermende factoren in de leefomgeving van kinderen een rol spelen in het verbeteren van het welbevinden van kinderen. Door gebruik te maken van de data van de Kinderrechtentour gaat het onderzoek vooral in op de beleving van kinderen zélf. Hieronder volgen de belangrijkste conclusies.

postadres Postbus 93122 2509 AC Den Haag bezoekadres Bezuidenhoutseweg 151 2594 AG Den Haag telefoon + fax T (070) 356 35 63 F (070) 360 7572 www info@dekinderombudsman.nl www.dekinderombudsman.nl de Kinderombudsman is onderdeel van Bureau Nationale ombudsman

Wat zijn mijn conclusies? De resultaten laten allereerst zien dat problemen thuis volgens kinderen een negatieve impact hebben op hun welbevinden. Hoe meer problemen er in de thuissituatie spelen, hoe lager kinderen hun eigen welbevinden scoren.

voor de rechten van kinderen en jongeren

blad 1 van 3

Daarnaast heeft het onderzoek laten zien dat er een kantelpunt is, waarin de oorzaak voor een lager welbevinden verandert: kinderen met één of twee van dergelijke complexe problemen thuis geven aan dat vooral de problemen zélf een oorzaak zijn voor een lager welbevinden. Kinderen met drie problemen thuis geven aan dat vooral de impact van deze problemen op het opvoedersgedrag van hun ouders, hun welbevinden bepaalt. Deze groep kinderen geeft aan vooral last te hebben van het feit dat de problemen ouders belemmeren een goede opvoeding te kunnen geven. Bovendien hebben de problemen thuis volgens de kinderen (via opvoedersgedrag) ook een impact op hun bredere sociale omgeving.

datum 13 december 2019 ons nummer KOM012/2019

Kort samengevat vertellen kinderen mij: 1 of 2 problemen? Pak het probleem aan! 3 problemen? Help mijn ouders met opvoeden! De bevindingen van dit onderzoek ondersteunen ideeën om integraal en multicategoriaal in te steken bij hulpverlening, specifiek daar waar kinderen met meerdere problemen in de thuissituatie geholpen en ondersteund moeten worden. Tevens duiden de bevindingen op een sterkere inzet van beschermende factoren, vooral in de bredere sociale omgeving van kinderen. Voor beleid en ondersteuning betekent dit dat de hulpverlening beter afgestemd moet worden op de behoeften van kinderen. Zo is het belangrijk dat als problemen zich in de thuissituatie opgestapeld hebben, er altijd naar het opvoedgedrag van ouders gekeken wordt. Wat zijn mijn aanbevelingen? De resultaten leiden tot een aantal aanbevelingen, gericht op zowel professionals in het sociale domein als bij gemeenten en beroepsverenigingen: Voor organisaties in het sociale domein 1. Neem in het geldende beleid en werkinstructies op dat professionals altijd kijken of er in een gezin op meerdere gebieden problemen spelen. 2. Biedt professionals ruimte om ouders te helpen goed vorm te geven aan hun opvoeding, als er op drie of meer gebieden problemen spelen. 3. Als er een of twee problemen spelen, laat professionals zich dan richten op het oplossen van het probleem. 4.

Maak werkelijk integraal werken speerpunt van geldend beleid en werkinstructies. 5. Zet in op het versterken van beschermende factoren die een belangrijke rol kunnen spelen in het verkleinen van de impact van problemen in de thuissituatie op het welzijn van kinderen. Voor gemeenten 1. Biedt in het geldende beleid ruimte voor een passende, integrale en multi-categoriale aanpak.

voor de rechten van kinderen en jongeren

blad 2 van 3

Voor beroepsverenigingen 1. Stimuleer kennisverbreding over een integrale aanpak. 2. Stimuleer kennis over mogelijkheden van hulp buiten het eigen werkveld. Voor iedereen die als professional besluiten neemt over het leven van kinderen 1. Bij alle besluiten die genomen worden, moeten de belangen van de kinderen een eerste overweging zijn.

datum 13 december 2019 ons nummer KOM012/2019

Achter deze aanbevelingen liggen organisatorische veranderingen die goed doordacht moeten worden, en in samenwerking met alle genoemde partijen moeten plaatsvinden. Zo vraagt een effectieve en adequate wijze van integraal werken ook om een regievoerder die de verantwoordelijkheden van de verschillende partijen combineert, en die als contactpersoon voor het gezin kan fungeren. Ten aanzien van de vraag hoe je een belangenafweging moet maken en hoe je het belang van het kind vaststelt, verwijs ik u naar de toolkit op de website van de Kinderombudsman, en heb ik ter informatie een boekje toegevoegd waarin u meer over het stappenplan kunt lezen. Bij deze brief vindt u het volledige onderzoek, de conclusies en een uitgebreidere toelichting op mijn aanbevelingen. Dit zal u meer inzicht geven in wat ik van u vraag. Heeft u nog vragen? Indien u vragen heeft naar aanleiding van deze brief, kunt u contact opnemen met Marit Hopman (Marit.Hopman@dekinderombudsman.nl). Met vriendelijke groet,

Margrite Kalverboer de Kinderombudsvrouw Een afschrift van deze brief is tevens verzonden aan: Colleges van Burgemeester en Wethouders Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) Nederlandse Vereniging van Orthopedagogen en Onderwijskundigen (NVO) Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW) Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

i

De Kinderombudsman (2018). Als je het ons vraagt. Kinderrechtentour 2018. Den Haag: De Kinderombudsman. voor de rechten van kinderen en jongeren

blad 3 van 3

1

Ik ben meer dan mijn problemen Een integrale aanpak voor kinderen met meerdere problemen in de thuissituatie

Rapportnummer: KOM012/2019 Datum: 13 december 2019

2

Ik ben meer dan mijn problemen Een integrale aanpak voor kinderen met meerdere problemen in de thuissituatie © De Kinderombudsman, 13 december 2019 Onderzoeker(s) Marit Hopman Alexandra de Jong Kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer

3

Inhoudsopgave SAMENVATTING VOOR KINDEREN .............................................................................. 5 WAAROVER GAAT DIT RAPPORT? ............................................................................... 7 BELANGRIJKE KNELPUNTEN .................................................................................................... 7 OPBOUW RAPPORT .............................................................................................................. 8 WAT WETEN WE AL? .................................................................................................. 9 SIGNALEN VAN DE KINDEROMBUDSMAN .................................................................................. 9 KINDERRECHTEN ALS KADER ................................................................................................. 10 WAT WETEN WE UIT ANDER ONDERZOEK?.............................................................................. 10 NEDERLANDS BELEID RONDOM PROBLEMEN THUIS................................................................... 14 WAT IS HET DOEL VAN DIT ONDERZOEK? .................................................................. 16 DOELEN ONDERZOEK ..........................................................................................................

16 ONDERZOEKSVRAAG ........................................................................................................... 17 WAT HEBBEN WE GEDAAN? ..................................................................................... 18 ONAFHANKELIJKE VARIABELE ................................................................................................ 18 DE INTERACTERENDE VARIABELEN EN DE UITKOMSTVARIABELE ................................................... 18 WAT ZIJN ONZE BEVINDINGEN? ............................................................................... 20 HOE ZIEN DE GROEPEN KINDEREN ER UIT? .............................................................................. 20 WAT LATEN DE ANALYSES ZIEN?............................................................................................ 21 WAT ZIJN ONZE CONCLUSIES? .................................................................................. 26 ANTWOORDEN OP DE VERWACHTINGEN................................................................................. 26 CONCLUSIES ...................................................................................................................... 27 WELKE ADVIEZEN GEVEN WIJ MEE? ..........................................................................

29 VOOR ORGANISATIES IN HET SOCIALE DOMEIN......................................................................... 29 VOOR GEMEENTEN ............................................................................................................. 30 VOOR BEROEPSVERENIGINGEN ............................................................................................. 31 VOOR IEDEREEN DIE ALS PROFESSIONAL BESLUITEN NEEMT OVER HET LEVEN VAN KINDEREN ........... 31 KORTE AFSLUITENDE REFLECTIE................................................................................ 32 LITERATUURLIJST ..................................................................................................... 33 BIJLAGE 1: VRAGENLIJST VAN DE KINDERRECHTENTOUR 2018 .................................. 36 BIJLAGE 2: HET KINDERRECHTENVERDRAG ............................................................... 44 BIJLAGE 3: STATISTISCHE ONDERBOUWING EN EXTRA INFORMATIE .......................... 45 BEPALEN VERDELING (NORMALITEIT) ..................................................................................... 45 REGRESSIE ........................................................................................................................ 45 BIJLAGE 4: STATISTISCHE ONDERBOUWING VAN DE BEVINDINGEN ........................... 47

4

MODEL 1: BIC THUIS EN BIC OMGEVING ALS MEDIATOR ......................................................... 47 MODELLEN 2 EN 3: VERGELIJKING TUSSEN GROEPEN KINDEREN OP BASIS VAN AANTAL KWETSBAARHEDEN ............................................................................................................. 48

5

SAMENVATTING VOOR KINDEREN WAAROM DIT RAPPORT? De Kinderombudsman wil graag weten hoe kinderen met problemen thuis het beste geholpen kunnen worden. Met de meeste kinderen in Nederland gaat het gelukkig goed. Maar er zijn ook kinderen met wie het minder goed gaat. Over deze kinderen gaat dit rapport. Kinderen die thuis weinig geld hebben. Kinderen met gescheiden ouders die niet meer normaal met elkaar om kunnen gaan. Of kinderen waarbij er thuis veel ruzie is. Kortom, dit rapport gaat over kinderen die thuis problemen hebben en hoe zij het beste geholpen kunnen worden. HOE MEER PROBLEMEN, HOE LAGER HET RAPPORTCIJFER De Kinderombudsman heeft in dit onderzoek gekeken naar hoeveel problemen er thuis zijn. Uit andere onderzoeken blijkt namelijk dat hoe meer problemen er thuis zijn, hoe minder tevreden kinderen over hun leven zijn. De Kinderombudsman wilde weten of dit ook klopt voor kinderen in Nederland, en dat is zo: Als er 1 probleem is, geven kinderen hun leven het rapportcijfer 7,3. Als er 2 problemen zijn, geven kinderen hun leven het rapportcijfer 6,6. Als er 3 problemen zijn, geven kinderen hun leven een onvoldoende, namelijk het rapportcijfer 5,1 KOMT DAT LAGE RAPPORTCIJFER ALLEMAAL DOOR DE PROBLEMEN THUIS? Voor een deel komen de lagere cijfers die sommige kinderen hun leven geven door de problemen thuis.

Maar het komt ook doordat de problemen thuis invloed hebben op andere dingen in het leven van kinderen. Door de problemen kunnen ouders bijvoorbeeld weinig aandacht en interesse voor hun kinderen hebben. Of het kan zijn dat kinderen zich schamen voor de problemen thuis en het daardoor moeilijk vinden om vrienden te maken. Ook kan het zijn dat kinderen met problemen thuis zich niet veilig voelen, of weinig vertrouwen hebben in de toekomst. WAT VOOR HULP WILLEN KINDEREN DIE HET THUIS NIET ZO LEUK HEBBEN? Voor kinderen die 1 of 2 problemen in de thuissituatie hebben, moeten de problemen zélf opgelost worden. Als de problemen opgelost zijn, zullen zij gelukkiger zijn. Kinderen die thuis 3 problemen hebben, hebben vooral last dat hun ouders zo druk zijn met de problemen dat zij geen tijd en aandacht voor de kinderen hebben. Voor deze kinderen is het belangrijk dat ouders weer goed voor hen kunnen zorgen, en dat zij fijn contact met hun ouders hebben. Doordat deze kinderen moeilijker contact hebben met hun ouders, hebben zij ook vaak een minder goede band met andere volwassenen. Bijvoorbeeld met familie of een docent. De problemen thuis hebben dus ook invloed op andere dingen in het leven van deze kinderen. Het is voor hen daarom juist belangrijk dat de band met hun ouders

6

verbeterd wordt. Of dat er anders in ieder geval andere mensen in hun omgeving zijn die hen kunnen helpen. WIE GAAT VOOR DEZE HULP ZORGEN? Voor de kinderen die thuis 1 of 2 problemen hebben, kan een hulpverlener het gezin helpen om het probleem op te lossen. De hulpverlener kan bijvoorbeeld helpen met het omgaan met weinig geld, of helpen bij het aanpakken van de ruzies thuis. Voor kinderen die thuis 3 problemen hebben, kunnen veel verschillende dingen gedaan worden om te zorgen dat zij meer tevreden worden over hun leven. Zo kan een jeugdhulpmedewerker ouders leren om meer aandacht en interesse voor hun kinderen te hebben. Ook kan hij of zij zorgen dat er andere volwassenen zijn die deze kinderen kunnen helpen, zoals buren of familie. Ook kan de jeugdhulpmedewerker gaan praten op school om meer aandacht en ondersteuning op school te regelen. Eigenlijk moet deze jeugdhulpmedewerker zoveel mogelijk mensen in het netwerk van de kinderen betrekken om deze kinderen te helpen. HEBBEN DE KINDEREN DIT ZELF AAN DE KINDEROMBUDSMAN VERTELD? Ja! Vorig jaar hebben kinderen een online vragenlijst ingevuld, waarin een heleboel vragen werden gesteld over hun leven. In totaal hebben toen 1703 kinderen de vragenlijst ingevuld. Dit rapport gaat over 205 kinderen uit deze groep. Zij hebben de Kinderombudsman dus zelf verteld wat zij belangrijk vinden en wat zij nodig hebben.

De Kinderombudsman moet in de gaten houden of iedereen in Nederland goed met kinderen omgaat. Bijvoorbeeld de regering, scholen, jeugdzorg en ziekenhuizen. Hierbij is het belangrijk dat kinderen zelf kunnen vertellen hoe het met hen gaat. Kinderen vinden soms andere dingen belangrijk dan volwassenen. Daarom wil de Kinderombudsman van kinderen zelf weten hoe zij hun leven vinden en of ze problemen ervaren. Zo kan de Kinderombudsman de beste adviezen geven om te zorgen dat de hulp voor deze kinderen goed geregeld wordt.

7

WAAROVER GAAT DIT RAPPORT? Met dit onderzoek wil de Kinderombudsman meer zicht krijgen op wat het voor kinderena betekent als er sprake is van meerdere problemen in hun leven. Hierbij kijken we specifiek naar kinderen die problemen ervaren in de thuissituatie. Ook wordt in het onderzoek gekeken naar welke beschermende factoren in de leefomgeving van kinderen een rol hebben in het verbeteren van het welbevinden van kinderen. We richten ons in het bijzonder op de beleving van kinderen zélf, door gebruik te maken van de data die de Kinderombudsman tijdens de Kinderrechtentour van 2018 verzameld heeft. Met de resultaten van dit onderzoek hoopt de Kinderombudsman te kunnen bijdragen aan meer passende, en meer integrale, vormen van (jeugd)hulp. Hierbij zou enerzijds oog moeten zijn voor het opgroei- en ontwikkelingsbelang van kinderen. Anderzijds zou er recht gedaan moeten worden aan de ervaring van kinderen zélf met problemen in de thuissituatie. Belangrijke knelpunten Ruim 10% van de kinderen in Nederland maakt gebruik van een vorm van jeugdhulp. Deze jeugdhulp wordt ingezet omdat kinderen één of meerdere problemen in hun leven ervaren.1 Door middel van gerichte interventies en beleidsmaatregelen worden kinderen, en hun ouders, geholpen bestaande problemen op te lossen of hanteerbaar te maken.

De effectiviteit van deze interventies en beleidsmaatregelen is voor de betrokken partijen al langere tijd een belangrijk thema.2 Recentelijk is er ook meer aandacht gekomen voor een zogenaamde integrale aanpak, waarbij oog is voor het naast elkaar bestaan van problemen.3,4 Hierbij vallen echter twee belangrijke punten op: Teveel gericht op één probleem Allereerst gaat het bij deze integrale aanpak veelal om een samenwerking tussen professionals, die zich allen inhoudelijk echter op één afzonderlijk probleem richten. Interventies die voor kinderen of gezinnen ingezet worden, richten zich evengoed veelal op één probleem.1 Dit betekent in de praktijk dat – hoewel er gesproken wordt over een integrale aanpak – meerdere professionals bezig zijn verschillende problemen losstaand van elkaar op te lossen. Voor het welbevinden van kinderen is een stapeling van problemen echter extra problematisch: Hun welbevinden is niet alleen het resultaat van een simpele optelsom van problemen die kunnen spelen. Een stapeling van problemen lijkt eerder een exponentieel effect te hebben op het welbevinden van kinderen5: Als er meerdere problemen in het leven van een kind spelen, hebben deze problemen in toenemende mate een negatief effect op het welbevinden van kinderen.

Weinig aandacht voor beschermende factoren Ten tweede bestaan er verschillen tussen kinderen in de impact die problemen kunnen hebben. Bij sommige kinderen zijn er factoren in hun leven die hen tegen de impact van a

Met de term 'kinderen' bedoelen wij kinderen en jongeren van 0 tot 18 jaar. Voor de leesbaarheid van dit rapport zullen we in de tekst alleen de term kinderen gebruiken.

8

problemen kunnen beschermen. Goede sociale contacten of steun van andere volwassenen bijvoorbeeld, kunnen kinderen helpen problemen in hun leven het hoofd te bieden. Eenzelfde probleem kan daardoor bij het ene kind een negatiever effect hebben dan bij een ander kind. Interventies en beleidsmaatregelen zijn er per definitie op gericht om problemen in gezinnen op te lossen of te minimaliseren. Ondanks dat de invloed die beschermende factoren kunnen hebben wel erkend wordt, lijken ze in beleidsmaatregelen of interventies niet altijd te worden gezien of meegenomen.6 Voor beide punten speelt daarnaast mee dat de beleving van kinderen zélf over de problemen die spelen veelal niet wordt meegenomen. Een belangrijk gevolg hiervan is dat beleidsmaatregelen en interventies niet of niet voldoende aansluiten bij de beleving en behoeften van kinderen. Begin 2019 heeft de Kinderombudsman al zijn zorgen uitgesproken over dit probleem.7 In dit rapport wordt het onderzoek beschreven dat de Kinderombudsman in 2019 heeft uitgevoerd naar kinderen met (meerdere) problemen thuis. We hebben het dan over problemen zoals kinderen die opgroeien in armoede, kinderen die te maken hebben met een complexe scheiding en/of kinderen die te maken hebben met ruzie en geweld in de thuissituatie. Deze problemen zijn op zichzelf vaak al groot en ingewikkeld, en vragen daarom veelal om een brede en sluitende aanpak.

Over hoe kinderen dergelijke problemen, en de oplossingen daarvoor, ervaren is minder bekend. Hun visie staat in dit onderzoek en rapport dan ook centraal. Opbouw rapport In hoofdstuk 2 wordt de achtergrond van het onderzoek besproken. In hoofdstuk 3 gaan we kort in op de doelen van het onderzoek en de onderzoeksvraag. In hoofdstuk 4 volgt de opzet en uitvoering van het onderzoek. Hoofdstuk 5 beschrijft de resultaten van de uitgevoerde analyses. In hoofdstuk 6 worden de conclusies besproken. In hoofdstuk 7 volgen enkele aanbevelingen van de Kinderombudsman ten aanzien van de hulpverlening aan deze kinderen. Ter afsluiting volgt in hoofdstuk 8 een korte discussie van en reflectie op de resultaten.

9

WAT WETEN WE AL? "Thuis begrepen worden, het idee dat ik het waard ben en goede punten kan halen" In dit hoofdstuk geven we een kort overzicht van de achtergrond van ons onderzoek. Dit onderzoek is voornamelijk gebaseerd op signalen die bij de Kinderombudsman zijn binnengekomen. Specifiek de signalen die via de vragenlijst van de Kinderrechtentour zijn binnengekomen. Daarnaast is dit onderzoek gebaseerd op wat al bekend is uit eerder onderzoek van anderen. Signalen van de Kinderombudsman De Kinderombudsman heeft in het najaar van 2018 zijn tweede Kinderrechtentour gehouden. Deze tour bestond uit meerdere werkbezoeken bij kinderen en er heeft een online vragenlijst voor kinderen open gestaan. Tijdens de tour is veel informatie opgehaald over het leven van kinderen in Nederland. Niet alleen over kinderen die het goed hebben, maar ook over kwetsbare kinderen in de samenleving. In de online vragenlijst van de Kinderrechtentour konden kinderen aangeven of zij in een kwetsbare groep vielen, bijvoorbeeld omdat ze thuis weinig geld hebben, thuis problemen hebben – wat in veel gevallen betekent dat er sprake is van ruzie en geweld in het gezin – of ouders hebben die op een vervelende manier gescheiden zijn. Maar ook omdat ze zelf een lichamelijke ziekte hebben, een diagnose hebben en jeugdhulp krijgen, naar het speciaal onderwijs gaan of omdat ze gevlucht zijn uit een ander land.

Een voorbeeld van de vragenlijst is te vinden in bijlage 1.8 Van deze kwetsbare groepen, hebben drie groepen te maken met problemen in de thuissituatie: 1. Thuis weinig geld hebben, 2. Thuis te maken hebben met ruzies/geweld 3. Ouders hebben die gescheiden zijn en niet meer normaal met elkaar om kunnen gaan. Een statistische toetsb heeft laten zien dat er veel overeenkomsten zijn tussen deze drie kwetsbare groepen. Zoveel dat zij als één groep kunnen worden samengenomen. De verklaring voor deze overeenkomst lijkt te zijn dat het in deze gevallen gaat om kinderen die problemen in de thuissituatie ervaren. Ongeacht het specifieke probleem lijkt de impact van problemen in de thuissituatie door deze kinderen op dezelfde manier ervaren te worden. Bovendien kunnen de problemen aan elkaar gerelateerd zijn: Een conflictueuze relatie tussen ouders kan eindigen in een conflictueuze scheiding, waarbij de nu alleenstaande ouders een grotere kans lopen op financiële problemen en armoede. Voor dit onderzoek richten wij ons daarom specifiek op deze drie groepen kinderen.

b

Een factoranalyse

10

Kinderrechten als kader Het Kinderrechtenverdrag is het kader van de Kinderombudsman. Een aantal artikelen staat in dit verdrag centraal, bijvoorbeeld artikel 3 over het belang van het kind en artikel 12 over het horen van kinderen. Voor de groep kinderen die (een stapeling van) problemen thuis ervaart, kunnen daarnaast een aantal andere kinderrechten onder druk komen te staan. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om artikel 9 (scheiding van ouder en kind), artikel 19 (bescherming tegen misbruik en verwaarlozing) en artikel 27 (een adequate levensstandaard). Een volledig overzicht van de relevante kinderrechten met betrekking tot dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Wat weten we uit ander onderzoek? Kwetsbare thuissituaties De thuissituatie is voor kinderen de eerste en belangrijkste omgeving voor een gezonde ontwikkeling. Problemen in het leven van kinderen kunnen een negatieve invloed hebben op de ontwikkeling en het welzijn van deze kinderen.

Dit lijkt in het bijzonder zo te zijn als deze problemen zich in de thuissituatie afspelen.9 Kinderen die opgroeien in armoede of waarbij veel strijd is tussen ouders bijvoorbeeld, ervaren meer sociaalemotionele en gedragsproblemen dan kinderen waarbij deze problemen niet spelen.9 Bovendien is uit onderzoek gebleken dat problemen een cumulatief effect kunnen hebben; dit wil zeggen dat een stapeling van problemen een sterkere afname in welzijn van kinderen laat zien dan wanneer er sprake is van een enkel probleem.5,10 Bijvoorbeeld, kinderen die opgroeien in gezinnen waarbij naast armoede óók conflicten tussen ouders spelen, ervaren meer sociaal-emotionele problemen en/of gedragsproblemen dan kinderen waarbij alleen armoede óf conflicten tussen ouders spelen. Kinderen ervaren dan op meerdere fronten spanning en stress. Doordat de problemen zich op meerdere fronten afspelen, wordt het voor kinderen steeds lastiger de stress en spanning te compenseren door positieve, beschermende factoren.11 Gevolgen voor kinderen en gezinnen Problemen in de thuissituatie kunnen op allerlei verschillende manieren een negatieve impact hebben op het welbevinden van kinderen. Soms zijn de gevolgen voor kinderen direct gerelateerd aan het specifieke probleem dat in de thuissituatie speelt.

Zo ervaren kinderen waarvan de ouders in een conflictueuze scheiding zitten, vaak loyaliteitsconflicten richting hun beide ouders. Conflicten bij een scheiding leiden ook vaak tot slechtere afspraken rondom de omgang tussen ouders en kinderen.12 Kinderen die opgroeien in armoede, eten vaak ongezonder of wonen in kwalitatief slechtere woningen, waardoor ze meer gezondheidsproblemen kunnen ervaren.13 Naast deze directe gevolgen kunnen problemen in de thuissituatie ook op een indirecte manier het welbevinden van kinderen beïnvloeden. Kinderen die opgroeien in gezinnen waarbij sprake is van armoede bijvoorbeeld, wonen niet alleen in kwalitatief slechtere woningen; deze woningen staan veelal ook in slechtere buurten waarbij kinderen vaker te maken kunnen hebben met criminaliteit. Ook kan armoede er toe leiden dat gezinnen vaker moeten verhuizen of dakloos kunnen raken. Dergelijke gevolgen van armoede

11

hebben evengoed invloed op de opgroei- en ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen.13 Deze indirecte 'wegen' betekenen echter ook dat maatregelen om de gevolgen van problemen thuis voor kinderen te minimaliseren, gericht kunnen zijn op andere factoren dan de problemen an sich. Zo blijkt uit onderzoek dat beleid gericht op de onderwijsmogelijkheden voor kinderen in armoede, kinderen beter helpt om de effecten van armoede te overwinnen dan beleid gericht op het toekennen van financiële middelen aan gezinnen in armoede.14,15 Ander onderzoek wijst op een multi-categoriale aanpak om op verschillende gebieden kinderen die opgroeien in armoede te ondersteunen. Dit soort beleid zou zich juist moeten richten op het vergroten van welzijn van kinderen en gezinnen, en minder op het oplossen van een probleem zoals armoede.13 Verder in dit rapport gaan we in op maatregelen die in Nederland genomen zijn om kinderen met problemen in de thuissituatie te helpen. Eerst gaan we dieper in op interacterende factoren in zowel de thuissituatie als in de bredere leefomgeving die het welbevinden van kinderen met problemen thuis op een indirecte manier beïnvloeden.

Interacterende factoren in de thuissituatie De negatieve relatie tussen problemen in de thuissituatie en het welbevinden van kinderen wordt gedeeltelijk ook verklaard door de negatieve impact die de problemen hebben op het opvoedersgedrag van ouders.10,11 Dit betekent dat het welbevinden van kinderen niet alleen negatief wordt beïnvloed door de problemen zelf, maar ook doordat ouders door deze problemen minder goed in staat zijn vorm te geven aan de opvoeding. Bijvoorbeeld, armoede kan een directe relatie hebben met de ontwikkeling van het kind doordat er mogelijk te weinig gezond voedsel is. Een indirecte relatie ontstaat doordat de stress van armoede ertoe leidt dat ouders minder aandacht voor hun kind hebben, minder betrokken zijn bij het leven van hun kind en/of emotioneler reageren op het gedrag van hun kind. Dit soort opvoedersgedrag heeft eveneens een negatieve impact op het welbevinden van kinderen. Aan de andere kant kan er ook sprake zijn van armoede in een gezin, waarbij ouders desondanks in staat zijn aandacht te geven aan hun kinderen en betrokken te zijn bij hun leven. Armoede zelf zal dan een minder negatief effect hebben op de ontwikkeling van het kind. Oftewel het welbevinden van het kind wordt ook via opvoedersgedrag beïnvloedt.9,11,16 Gevolgen voor ouders en kinderen Als er thuis problemen spelen, staat het opvoedersgedrag echter vaak onder druk.

Eerder zagen we al dat bij gescheiden ouders veel conflicten tussen ouders kunnen spelen. Uit ditzelfde onderzoek blijkt ook dat bij ongeveer 10% van ouders in zo'n conflictueuze scheiding eigen problematiek speelt, zoals psychiatrische problemen of een belast verleden van ouders.12 Deze eigen problematiek van ouders maakt het voor ouders lastiger de problemen thuis te bolwerken én daarbij een adequate opvoeder te blijven. Bovendien ervaren kinderen in dergelijke situaties de band met hun ouders als zwakker dan wanneer er geen conflicten spelen. Gedeeltelijk is dit een gevolg van loyaliteitsconflicten bij kinderen. Daarnaast ervaren deze kinderen een gebrek aan

12

veiligheid en structuur. Bovendien hebben de conflicten tussen ouders niet alleen op korte termijn negatieve effecten op de ontwikkeling van kinderen. Het gebrek aan ondersteuning van ouders leidt ertoe dat er ook op de langere termijn nog negatieve gevolgen zijn voor deze kinderen.17,18 Ook als er geen conflicten spelen, legt een scheiding druk op de opvoedersvaardigheden van ouders. Als alleenstaand ouder hebben zij vaak minder tijd en geld om aan hun kinderen te besteden. Tijd en geld zijn belangrijke bronnen voor adequaat ouderschap: Het biedt de mogelijkheden voor de juiste mate van zorg, ondersteuning en controle, wat noodzakelijk is voor een goede ontwikkeling van kinderen.16,19,20 Uit armoedeonderzoek blijkt dat de financiële druk van armoede ook effecten heeft op het eigen welbevinden van ouders. De dagelijkse druk van beperkte financiële middelen kan er bij ouders toe leiden dat zij depressieve en/of angstklachten ervaren.21 Tegelijkertijd geven deze ouders ook aan dat zij een onderscheid kunnen maken tussen de financiële stress die zij zelf ervaren en hun opvoedersgedrag.

De grootste zorg voor deze ouders is om ervoor te zorgen dat basisbehoeften, zoals een woning, voeding en gas, water en licht, voor hun kinderen geregeld zijn.20,22 Interacterende factoren in de bredere sociale omgeving Vanuit het sociaalecologisch model van Bronfenbrenner (tegenwoordig; bio-ecologisch model) is bekend dat niet alleen de thuissituatie van belang is voor een gezonde ontwikkeling van kinderen.23 De ontwikkeling van kinderen wordt ook beïnvloed door factoren vanuit de bredere sociale omgeving zoals de buurt en de school. Hiermee is het ook mogelijk dat factoren in deze bredere context een extra risico vormen of juist bescherming kunnen bieden tegen risicofactoren in de gezinssituatie.11 Zo blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek dat sociale ondersteuning van andere volwassenen dan hun ouders, een compenserende factor kan zijn voor jongeren uit risicogroepen.24 Denk aan hulp en ondersteuning van een leerkracht voor een kind in het omgaan met de complexe scheiding van ouders. Tegelijkertijd betekent dit ook dat als deze beschermende factoren er niet of minimaal zijn, kinderen 'het volle effect' kunnen voelen van een bestaand probleem. Voor een kind dat in armoede opgroeit en geen vrienden heeft om mee af te spreken, wordt het effect van de armoede niet gecompenseerd door bijvoorbeeld een goed contact met leeftijdsgenoten.

Bovendien blijkt uit onderzoek onder kinderen zélf dat kinderen verschillen van volwassenen/ouders in hoe zij problemen thuis ervaren. Voor kinderen zijn vooral de gevolgen van de problemen thuis een belangrijk zorgenpunt. Deze gevolgen hebben voor een groot deel betrekking op de bredere sociale omgeving: Kinderen die opgroeien in armoede bijvoorbeeld maken zich zorgen over de werkeloosheid van hun ouders maar ook over hun eigen prestaties op school. Daarnaast ervaren ze een gebrek aan status onder hun leeftijdsgenoten. Dit kan zijn omdat zij niet 'de juiste kleding' hebben, of omdat ze niet mee kunnen lunchen simpelweg omdat ze geen lunchpakket hebben. Aandacht op school voor gezond eten en sporten kan bij deze kinderen schaamte oproepen, omdat ze weten dat er thuis te weinig geld is voor gezonde voeding of sporten.20,25 Ander onderzoek laat zien dat deze groep kinderen over het algemeen

13

gelukkig is thuis, al ervaren ze soms een gebrek aan structuur en aandacht. Het is voor hen vooral belastend dat zij weinig goede vrienden hebben, en stigma en sociale exclusie ervaren.25 Voor ouders die in armoede moeten opvoeden, spelen de buurt en de sociale relaties een dubbele rol. Aan de ene kant zijn ouders zelf blij met de onderlinge sociale contacten in een wijk en ervaren zij (achterstands)wijken zelf vaak als goed. Aan de andere kant zien zij dat dergelijke wijken belastend kunnen zijn voor hun kinderen, wat extra stress oplevert. Het maakt dat zij zichzelf als ouder op lagere waarde schatten, wat gevolgen kan hebben voor hun eigen welbevinden.22 Dubbele rol van de bredere sociale omgeving Naast de indirecte impact van opvoedersgedrag op het welbevinden van kinderen, kunnen factoren in de bredere sociale omgeving (andere volwassenen, vrienden) dus ook een belangrijke factor zijn.9,11,24 Het is nog niet helemaal duidelijk hoe en wanneer problemen in de thuissituatie de bredere sociale omgeving van kinderen precies beïnvloeden. Er lijkt weinig eenduidigheid te bestaan over de precieze rol van factoren in de bredere sociale omgeving.26 De bredere sociale omgeving zou een deel kunnen verklaren van het lagere welbevinden van kinderen met problemen thuis, doordat de problemen in de thuissituatie effect hebben op de bredere omgeving.

Zoals hierboven beschreven, wonen kinderen die opgroeien in armoede in minder veilige wijken of schamen zij zich voor het weinige geld dat zij hebben waardoor zij minder vrienden hebben.25 Tegelijkertijd hebben we gezien dat de bredere sociale omgeving juist steun kan bieden aan ouders en hun rol als opvoeder.22,27 Ander onderzoek wijst weer op de rol van de bredere sociale omgeving als een 'losstaande' factor die de relatie tussen problemen thuis en het ervaren welbevinden van kinderen kan beïnvloeden. 24,c Bovendien bestaat er nog onduidelijkheid over de mogelijk samenhang tussen de verschillende factoren in de bredere sociale omgeving (zoals een samenhang tussen school, vrienden en ondersteunende andere volwassenen).26 In ieder geval wordt uit voorgaande duidelijk dat problemen thuis zich niet beperken tot de thuissituatie, maar ook op andere domeinen in het leven van kinderen impact hebben. Voordat we verder ingaan op het onderzoek en de beleving van kinderen zelf over problemen thuis, bespreken we kort een aantal beleidsmaatregelen die in Nederland genomen zijn om de betreffende kinderen te helpen.

c

In statistische termen spreken we over een 'mediërende variabele' als een variabele die de relatie tussen twee andere variabelen verklaart. In het kader van dit onderzoek kan bijvoorbeeld de relatie tussen armoede en lager welbevinden van kinderen geheel of gedeeltelijk verklaard worden door (een gebrek aan) vrienden, waarbij deze vrienden dan de mediërende variabele is. Als een variabele een losstaande factor is die wél invloed heeft op de relatie tussen twee andere variabelen, dan spreken we in statistische termen van een 'modererende variabele'. Deze modererende variabele verklaart de relatie tussen de andere twee variabelen niet, maar beïnvloedt deze wel.

14

Nederlands beleid rondom problemen thuis Armoede De Nederlandse nationale overheid en de diverse gemeenten zetten een breed scala aan programma’s en interventies in om problemen in de thuissituatie voor kinderen op te lossen. Zo heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid sinds 2017 extra geld vrijgemaakt om kinderarmoede aan te pakken.28 Het gaat hierbij volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) om 222.800 kinderen waarvan het gezinsinkomen niet meer is dan 120% van het bestaansminimum.29 Van alle gemeenten in Nederland zet 92% deze extra financiële ruimte ook daadwerkelijk in ter bestrijding van kinderarmoede. De focus ligt hierbij op participatie en talentontwikkeling van kinderen. De financiële middelen creëren ruimte voor kinderen uit arme gezinnen om mee te kunnen doen op school, met sport of muziek en met culturele activiteiten.30 Sinds maart 2019 zijn er afspraken gemaakt, waardoor gemeenten nu pakketten aanbieden aan gezinnen in armoede. Hierin kunnen onder andere bonnen voor kleding, schoolspullen en sportverenigingen zitten.30 Defence for Children geeft echter aan dat de huidige maatregelen zich te veel beperken tot het aanpakken van inkomensarmoede.

Volgens Defence for Children is het juist van belang dat er ook aandacht en ondersteuning komt voor de stress en spanning die armoede voor de gezinsleden – en daarmee ook voor kinderen – oplevert.31 Deze oproep sluit aan bij een eerder verschenen rapport van de Kinderombudsman. Daaruit bleek dat kinderen die opgroeien in armoede minder veiligheid en zekerheid ervaren dan niet-arme kinderen. Ook bleek dat in hun ervaring de band met ouders vaak onder druk staat, zij zich bewust waren van de stress van ouders en ze ondersteunende andere volwassenen misten.20 Gescheiden ouders Volgens de CBS Jeugdmonitor29 groeiden in 2017 32.913 kinderen op met gescheiden ouders. Voor een deel van deze kinderen geldt dat er sprake is van een complexe scheiding, waarbij ouders ruzie hebben, strijd voeren en niet meer op normale voet met elkaar om kunnen gaan. Om dergelijke problematische scheidingen te voorkomen is het ministerie van Justitie en Veiligheid samen met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in september 2018 het programma "Scheiden zonder Schade" gestart. Het doel van dit programma is ervoor te zorgen dat er meer oog is voor het belang van het kind bij scheidingen.

Ook moet er meer ondersteuning komen bij een scheiding voor alle betrokken gezinsleden, om ruzie en strijd te voorkomen.32 Tot in ieder geval 2022 wordt er met het programma onder meer ingezet op het voorbereiden van aanstaande ouders op ouderschap en op een snellere herkenning bij professionals van problematische scheidingen. Daarnaast richt het programma zich ook op het inzetten van steunfiguren voor kinderen die te maken krijgen met een scheiding. Dit kunnen professionals zijn, maar ook mensen uit het eigen sociale netwerk van kinderen. Het programma sluit op een aantal punten aan bij andere programma's die door de diverse ministeries worden uitgevoerd om de zorg voor kinderen te kunnen waarborgen, bijvoorbeeld het programma "Zorg voor de jeugd" en het hieronder besproken programma "Geweld hoort nergens thuis".32

15

Ruzies thuis Het Nederlands Jeugdinstituut33 geeft aan dat in 2017 tussen de 90.000 en 127.000 kinderen in Nederland te maken hebben met kindermishandeling en huiselijk geweld. De kinderen die in de vragenlijst van de Kinderombudsman hebben aangeven ‘problemen thuis’ te hebben, hebben niet allemaal te maken met ernstige vormen van kindermishandeling of huiselijk geweld. Wel wordt uit de antwoorden van deze groep kinderen duidelijk dat er veel ruzies in de thuissituatie zijn. Dit kan tussen ouders zijn, maar ook tussen kinderen en ouders of tussen kinderen onderling. Vanuit het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn er meerdere maatregelen ingezet om het probleem van geweld in de thuissituatie op te lossen. Zo is er een verplichte meldcode voor professionals die in hun werk met kinderen te maken hebben (o.a. huisartsen, onderwijzers en jeugdhulpprofessionals). Ook wordt samenwerking tussen wijkteams en Veilig Thuis-teams gestimuleerd om geweldsituaties beter en eerder te kunnen signaleren en geweld te kunnen stoppen. De aanpak hierbij is bij voorkeur multidisciplinair zodat alle gezinsleden de hulp krijgen die zij nodig hebben.33 Met het programma "Geweld hoort nergens thuis" stimuleert het ministerie een dergelijke multidisciplinaire aanpak, vooral omdat er bij huiselijk geweld en kindermishandeling vaak meerdere problemen tegelijkertijd spelen.

De aanpak vergt dan ook de inzet van meerdere partijen. Tevens is er aan het programma een publiekscampagne verbonden. Deze campagne moet de samenleving bewust maken van het probleem, en van het feit dat iedereen iets kan doen als ze geweld in gezinsrelaties signaleren.34

16

WAT IS HET DOEL VAN DIT ONDERZOEK? "Betere hulpverleners en meer aandacht voor kinderen die stil zijn, geen problemen veroorzaken maar wel problemen hebben thuis" In het voorgaande hebben we een beeld geschetst van de mogelijke gevolgen voor het welbevinden van kinderen als er problemen in de thuissituatie spelen. Een stabiele thuissituatie is immers één van de belangrijkste factoren voor een gezonde ontwikkeling van kinderen.9 Dit is echter niet voor alle kinderen vanzelfsprekend. Soms zijn er problemen in thuissituaties, zoals conflicten tussen ouders of financiële problemen. Het kan ook zijn dat er meerdere problemen in de thuissituatie tegelijkertijd spelen, waardoor er sprake is van een stapeling van problemen. Dergelijke problemen brengen risico's met zich mee voor de gezonde sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen uit deze gezinnen. Zeker als het een stapeling van problemen betreft.9 Uit de diverse programma's die vanuit Nederlandse ministeries worden ingezet, blijkt dat er op verschillende terreinen maatregelen worden genomen om deze risico's voor kinderen weg te nemen of te minimaliseren. In deze maatregelen lijkt een stapeling van problemen zelden een aandachtspunt te zijn of zo te worden benoemd.

Uit onderzoek is echter gebleken dat een stapeling van problemen grotere risico's met zich meebrengt voor de ontwikkeling van kinderen dan één opzichzelfstaand probleem. Ook lijken diverse maatregelen voornamelijk gericht te zijn op de specifieke risico's (zoals armoede, scheiding of ruzie thuis). Er lijkt beduidend minder aandacht te zijn voor zogenaamde beschermende factoren. Hierdoor mist een mogelijke insteek voor een bredere integrale aanpak, die zich richt op interacterende, beschermende factoren die de impact van (een stapeling van) problemen kan verminderen.7,9,11 Dit is juist belangrijk omdat problemen in de thuissituatie ook op domeinen buiten het gezin negatieve effecten kunnen hebben op het leven van kinderen.5,10,25 Voor deze groep kinderen kunnen hierdoor meerdere kinderrechten onder druk komen te staan. Een andere belangrijke reden voor de Kinderombudsman om onderstaand onderzoek uit te voeren, is dat in veel onderzoek over problemen in de thuissituatie het perspectief van kinderen niet wordt meegenomen. Een soortgelijk beeld zien we bij beleidsmaatregelen die genomen zijn: Deze worden veelal bedacht door volwassenen zonder dat de beleving van kinderen hierin een plek krijgt. Met dit onderzoek willen we juist de beleving van kinderen zélf over problemen thuis naar voren brengen.

Doelen onderzoek Gebaseerd op bovenstaande bevindingen en hiaten, heeft dit onderzoek voor de Kinderombudsman een tweeledig doel: 1. Zicht krijgen op het effect van een stapeling van problemen in de thuissituatie op het welzijn van kinderen, zoals door henzelf ervaren.

17

2. Zicht krijgen op factoren in de thuissituatie en in de bredere leefomgeving die volgens kinderen zelf een beschermende rol kunnen bieden, wanneer er sprake is van kwetsbare thuissituaties. Deze doelen moeten leiden tot concrete aanbevelingen voor zowel beleidsmakers als jeugdhulp- en maatschappelijk werkprofessionals om een adequate aanpak voor kinderen met kwetsbare thuissituaties te realiseren. We nemen zowel factoren in de thuissituatie als in de bredere leefomgeving mee in het onderzoek. Hierdoor bieden de uitkomsten (mogelijk) concrete duiding voor een bredere visie en meer integrale aanpak voor kinderen die opgroeien met (meerdere) problemen in de thuissituatie. Het onderzoek biedt ook zicht op de ervaringen van kinderen zélf met de problemen in de thuissituatie. Dit biedt tevens aanknopingspunten om een meer passende aanpak voor kinderen te realiseren. Onderzoeksvraag De twee doelen leiden tot de volgende onderzoeksvraag: Wat is de impact van een stapeling van problemen in de thuissituatie op het ervaren welzijn van kinderen, wanneer rekening gehouden wordt met opvoedersgedrag en factoren in de bredere sociale omgeving? Hierbij hebben we een viertal verwachtingen, waarop we via statistische analyses een antwoord willen krijgen: 1.

Er bestaat een negatief verband tussen problemen in de thuissituatie en het welzijn van kinderen: hoe meer problemen in de thuissituatie, hoe lager het ervaren welzijn van kinderen. 2. Het negatieve verband tussen problemen in de thuissituatie en het welzijn van kinderen wordt gedeeltelijk verklaard door opvoedersgedrag: kinderen waarbij ouders (ondanks problemen) op adequate wijze vorm weten te geven aan de opvoeding ervaren een hoger welzijn dan kinderen wiens ouders daartoe niet in staat zijn. 3. Het negatieve verband tussen problemen in de thuissituatie en het welzijn van kinderen wordt beïnvloed door factoren in de bredere leefomgeving: kinderen met een kwetsbare thuissituatie die steun ervaren in hun bredere sociale omgeving, ervaren een hoger welzijn dan kinderen die die steun niet ervaren. 4. De impact van opvoedersgedrag en de bredere sociale omgeving op het welbevinden van kinderen wordt groter naarmate kinderen meer problemen thuis ervaren: Hoe meer problemen er voor kinderen in de thuissituatie zijn, hoe belangrijker alle bovenstaande relaties voor deze kinderen worden.

18

WAT HEBBEN WE GEDAAN? "Dat mijn ouders mij en elkaar beter begrijpen. En dat er minder ruzie is tussen mijn broer en mijn ouders, want ik hang er vaak maar tussenin" Tijdens de Kinderrechtentour in 2018 heeft de Kinderombudsman een vragenlijst online gezet die kinderen zelf in konden vullen. De vragenlijst had tot doel zicht te krijgen op de opgroeisituatie van kinderen in Nederland. De vragenlijst heeft van 13 september 2018 tot 3 november 2018 opengestaan en is in totaal door 1703 kinderen ingevuld. Hoewel deze groep niet representatief is voor alle kinderen in Nederland geeft het wel een goede indicatie van wat kinderen in Nederland vinden.8 In de vragenlijst konden kinderen aangeven of ze tot een kwetsbare groep behoorden (bijvoorbeeld armoede ervaarden, jeugdhulp kregen, naar het speciaal onderwijs gingen of gescheiden ouders hadden). Een voorbeeld van de vragenlijst is te vinden in bijlage 1. Onafhankelijke variabele Voor het onderzoek dat we in dit rapport presenteren, hebben we ons specifiek gericht op de groep kinderen die heeft aangegeven dat er sprake is van weinig geld en/of gescheiden ouders en/of ruzies thuis. Op deze manier konden we groepen creëren, waarbij sprake is van 1, 2 of 3 problemen in de thuissituatie.

Op basis van een factoranalyse en op basis van de hierboven beschreven literatuur richten we ons alleen op kinderen waarbij sprake is van kwetsbare thuissituaties: We maken geen onderscheid tussen het soort probleem of problemen die in de thuissituatie kunnen spelen. Van belang is of er sprake is van 1 probleem in de thuissituatie of van 2 problemen in de thuissituatie en niet of er sprake is van armoede of scheiding dan wel armoede en scheiding. Een stapeling van problemen is immers belangrijker dan het specifieke probleem zelf.5 De stapeling van problemen is in dit onderzoek de onafhankelijke variabele. De interacterende variabelen en de uitkomstvariabele In de bovengenoemde vragenlijst konden kinderen een veertiental vragen beantwoorden over hun leven en de kwaliteit van hun leefomgeving.d Uit onderzoek is bekend dat deze kwaliteit voorspellend is voor het sociale en emotionele welbevinden van kinderen en voor hun ontwikkelingsperspectief: Hoe beter de kwaliteit van de leefomgeving, hoe groter de kans dat het met het kind goed gaat.35,36 Kinderen konden per voorwaarde scoren op een schaal van 1 (onvoldoende) tot 4 (goed).

d

De voorwaarden voor een goede ontwikkeling zijn adequate verzorging (1), veiligheid (2), liefde en aandacht van ouders (3), structuur, regels en ondersteuning (4), goed voorbeeld gedrag van ouders (5), interesse van ouders (6) stabiliteit en continuïteit in de opvoeding en verzorging (7), veiligheid in de buurt (8), respect (9), een sociaal netwerk van andere volwassenen (10), school en vrije tijdsbesteding (11), contact met leeftijdgenoten en vrienden (12), goed voorbeeldgedrag van andere volwassenen (13), zekerheid en continuïteit in de leefomstandigheden (14)

19

Deze 14 omgevingsvoorwaarden vormen samen één schaal, maar er valt een onderscheid te maken in twee sub-schalen: Zeven omgevingsvoorwaarden gaan specifiek over het opvoedersgedrag van ouders/verzorgers, zoals aandacht van ouders, verzorging en structuur. De zeven andere omgevingsvoorwaarden gaan over de bredere sociale omgeving zoals de veiligheid in de buurt, vrienden en het voorbeeld van andere volwassenen. Deze eerste sub-schaal vangen we onder de noemer 'BIC Thuis', de tweede sub-schaal vangen we onder de noemer 'BIC Omgeving'. Voor de kwaliteit van opvoedersgedrag, zoals ervaren door kinderen, gebruiken we de BIC-thuis als eerste interacterende variabele in de relatie tussen (een stapeling van) problemen thuis en het welbevinden van kinderen. Voor de invloed van mogelijk beschermende factoren in de bredere omgeving, zoals ervaren door kinderen, nemen we de BIC-omgeving mee als tweede interacterende variabele in de relatie tussen (een stapeling van) problemen thuis en het welbevinden van kinderen.e Kinderen konden in de vragenlijst ook een rapportcijfer aan hun leven geven op een schaal van 1 (laag welbevinden) tot 10 (hoog welbevinden). Het rapportcijfer dat kinderen hun leven geven interpreteren wij in dit onderzoek als de door henzelf ervaren welbevinden (afhankelijke variabele). In figuur 1 hieronder zijn de verschillende (verwachte) relaties schematisch weergegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=5bf6ca4f-62d9-4198-be0a-6e2bf2b95bf2