CConstaterende datBarneveld
Koppel je AI →
Document · PDF

B-1.16 Besluit B&W inzake verdeling Covid-19 compensatie lokale culturele voorzieningen 1e helft 2021 d.d. 22-6-21.pdf

Gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente BarneveldBij agendapunt: Ingekomen en uitgaande stukken23.897 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aangezien grootschalige faillissementen tot op heden zijn uitgebleven en de meest stringente maatregelen voor het grootwinkelbedrijf zijn opgeheven, lijkt de druk op de capaciteit op basis van de nu beschikbare informatie geen knelpunt te zijn. Het kabinet zal de komende tijd desondanks onderzoeken wat de mogelijkheden zijn in het geval dat de capaciteitsvraag onverhoopt toch aanzienlijk zou toenemen. Aanvullend op de bestaande mogelijkheden heeft het kabinet gekeken naar de mogelijkheden om de grote bedrijven extra te ondersteunen op een wijze die zo gericht mogelijk is. Zodat de ondersteuning terechtkomt bij bedrijven die hard door de coronacrisis zijn getroffen en daarbij het risico lopen op faillissement op een manier die uitvoeringstechnisch (zowel voor de bedrijven als uitvoeringsorganisaties) haalbaar is. Daarnaast is het voor het kabinet van belang dat aanvullende steun voor het groot(winkel)bedrijf zoveel als mogelijk gepaard gaat met voorwaarden die ook bij maatwerksteun worden gehanteerd. Om te voorkomen dat steun wordt aangewend voor andere doelen dan het behoud van economische activiteiten en zoveel mogelijk werkgelegenheid.19 Het kabinet heeft twee opties onderzocht: (1) een schadecompensatiemaatregel onder art. 107(2)b VWEU en (2) een compensatiemaatregel onder artikel 3.12 van het Europese Steunkader.

De voor- en nadelen van deze opties staan hieronder beschreven, gevolg door de afweging die het kabinet maakt.20 Optie 1: schadecompensatiemaatregel onder art. 107(2)b VWEU Een schadecompensatiemaatregel onder art. 107(2)b VWEU biedt naast een compensatie voor ongedekte vaste lasten ook ruimte voor vergoeding van voorraadschade, tot 100% van de geleden schade. Dit brengt grote risico’s op overcompensatie met zich mee. De Europese Commissie schrijft daarom voor dat Kamerstuk 35420, nr. 36 Kamerstuk 35420, nr. 248 Kamerstukken 35420, nr. 36 en nr. 144 20 Hiermee voldoet het kabinet ook aan het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat van 17 mei 2021 (kenmerk 201Z08179). 17 18 19

Pagina 15 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek Ons kenmerk

de geleden schade daadwerkelijk en aantoonbaar moet zijn. Het bepalen van CE-AEP / 21140598 daadwerkelijke schade is echter bijzonder lastig, fraudegevoelig en kan leiden tot verkeerde prikkels. Het meest duidelijk is dat bij voorraadschade: daar zijn allerlei keuzes die de schade kunnen beperken (zoals opslaan en later verkopen) of juist maximeren (tegen bodemprijzen afstaan aan een andere partij). Ook is de reële marktwaarde op een gegeven peildatum niet goed vast te stellen. Dit maakt een voorraadvergoeding feitelijk niet uitvoerbaar. Bovendien impliceert het inzetten van een schademaatregel handelen van de overheid dat gecompenseerd moet worden. Dit kent een aanzienlijke precedentwerking en opent de deur naar rechtszaken. Daarbij is deze optie zeer complex en tijdrovend in de uitvoering: het definiëren en vaststellen van “schade” onder deze regeling kan jaren duren. Met een dergelijke termijn zijn ondernemers niet geholpen. Hoewel een budgettaire schatting momenteel lastig te geven is, zal dit aanzienlijk hoger liggen dan bij een “reguliere” compensatieregeling onder art. 3.12. Een dergelijke regeling kan al snel tot ruim boven een miljard euro kan oplopen. Het kabinet ziet een maatregel onder 107(2)b VWEU derhalve bij voorbaat al als een onhaalbare en onwenselijke optie.

Optie 2: Compensatieregeling onder Europees Steunkader 3.12 Ook een aparte compensatieregeling voor ongedekte vaste lasten onder het Europees steunkader artikel 3.12 is verkend. Een dergelijke regeling kan grote bedrijven ondersteunen die niet failliet gaan, maar wel met significante omzetderving te maken hebben. Een regeling onder artikel 3.12 kent als voorwaarden een omzetverliesdrempel van tenminste 30% en een tegemoetkoming van maximaal 70% in de feitelijke vaste lasten die nog niet gedekt worden in de TVL, tot een maximum van 10 miljoen euro. Een voorraadvergoeding is hierbij uitgesloten. Uitgaande van het benutten van de volledige ruimte die de Europese Commissie biedt, worden de kosten van een compensatieregeling onder 3.12 geschat op 350 miljoen euro per kwartaal. Hoewel een regeling onder 3.12 minder complex is dan een regeling onder 107(2)b VWEU, is ook een regeling onder 3.12 complex en vergt deze veel van de uitvoering. Eventuele steun via zo’n regeling zou daarmee ook pas na de zomer kunnen worden uitbetaald. Een regeling onder 3.12 is beperkt doeltreffend en niet doelmatig. Ook deze regeling is kostbaar en ongericht. Zo kunnen bedrijven die het niet direct nodig hebben (bijvoorbeeld bouwmarkten en tuincentra voor wie 2020 een goed jaar is geweest, maar in Q1 van 2021 de omzetdrempel halen) ervoor in aanmerking komen.

Ook vermindert deze regeling de prikkels bij eigenaren, verhuurders en schuldeisers om verlies te nemen. Daarnaast bestaat de kans dat een deel van de subsidie neerstrijkt bij vermogende aandeelhouders en vastgoedeigenaren. En doordat geen beoordeling plaatsvindt van levensvatbaarheid van een onderneming, is er een risico dat een onderneming uiteindelijk alsnog failliet gaat en de middelen alleen schuldeisers helpen. Duidelijk is ook dat dit niet voor alle grote bedrijven soelaas zal bieden. Niet alle winkelketens zullen bijvoorbeeld in het 1e kwartaal aan de omzetverliesdrempel komen, omdat er ook gezonde onderdelen van het concern zijn die wel voldoende omzet hebben gemaakt. En ook het maximum van 10 miljoen euro zal door de heel grote bedrijven snel bereikt worden. Pagina 16 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

Alles overziend kiest het kabinet ervoor geen extra subsidieregeling voor het grootbedrijf in te voeren. Een nieuwe subsidieregeling is complex in de uitvoering en is erg ongericht. Daarnaast zijn niet alle aanvullende voorwaarden die gehanteerd worden bij maatwerksteun zoals een verbod op bonussen en ontslagvergoedingen voor het bestuur uitvoerbaar bij een generieke steunmaatregel. Om faillissementen van levensvatbare grote bedrijven te voorkomen blijft maatwerksteun de meest doelgerichte optie. Het kabinet zal daarom de komende periode bezien of er nog onnodige drempels voor maatwerksteun weggenomen kunnen worden en de beoordelingscapaciteit indien nodig kan worden uitgebreid.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

3.4.Verlenging Tozo (Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers) Het kabinet verwacht dat steeds meer zelfstandig ondernemers weer aan de slag kunnen. Desalniettemin zullen er ondernemers zijn die meer tijd nodig hebben. Het kabinet heeft daarom besloten om de periode waarover Tozo kan worden aangevraagd, te verlengen tot 1 oktober 2021 (Tozo 5). De voorwaarden voor het recht op uitkering wijzigen niet. Wel zal meer dan voorheen de nadruk liggen op het activerende karakter van de Tozo, zodat zelfstandigen toekomstperspectief krijgen. Ook worden de kaders voor terugbetaling van de lening bedrijfskapitaal versoepeld. De Tozo wordt meer activerend voor ondernemers De Tozo heeft als doel het bieden van bestaanszekerheid aan zelfstandigen die door de beperkende maatregelen hun huishoudinkomen tot onder het sociaal minimum hebben zien terugvallen. Nu de contactbeperkingen afnemen zal er bij Tozo 5 nog meer de nadruk komen te liggen op het ondersteunen, activeren en stimuleren van ondernemers zodat zij zo snel mogelijk weer op eigen benen kunnen staan. Hiermee probeert het kabinet een brug te slaan tussen de tijdelijke Tozo-regeling, en reguliere instrumenten zoals de Bijstand voor zelfstandigen (Bbz) waar zelfstandig ondernemers in de toekomst weer gebruik van dienen te maken.

Voor een deel van de ondernemers zal daarbij geen extra activering of ondersteuning nodig zijn: zij kunnen wanneer de contactbeperkingen verdwijnen hun bedrijf weer voeren zoals ze dat gewend waren te doen. Maar er is ook een groep die zich geconfronteerd ziet met een blijvend andere situatie dan voor corona en die juist wel bij gebaat kan zijn bij extra activering of ondersteuning vanuit gemeenten. Die ondersteuning die gemeenten hierbij kunnen bieden ziet onder andere op het levensvatbaar houden of maken van de onderneming, scholing, de zoektocht naar een baan in loondienst, en de aanpak van schulden. In dat kader is dan ook besloten om in de Tozo een aanvullende informatieplicht voor ondernemers op te nemen. Gemeenten kunnen die informatieplicht gebruiken om een beter beeld te krijgen van de ondernemers die gebruik maken van de Tozo en van wie er eventueel nog extra ondersteuning nodig heeft. Gemeenten bepalen zelf of ze van deze informatieplicht gebruik maken en hoe ze deze – binnen de wettelijke kaders – in willen richten. Gemeenten kunnen deze informatieplicht bijvoorbeeld gebruiken om via een inlichtingenformulier die groep Pagina 17 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

van ondernemers te selecteren die naar hun inschatting als eerste ondersteuning van de gemeente nodig hebben.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

Verlenging termijn terugbetaling lening bedrijfskapitaal In de Tozo was geregeld dat zelfstandig ondernemers op 1 juli 2021 zouden starten met de terugbetaling van de Tozo-lening voor bedrijfskapitaal. Om bedrijven meer financiële ademruimte te geven is besloten om deze terugbetalingsdatum zes maanden uit te stellen tot 1 januari 2022. Ook zal over deze zes maanden geen verschuldigde rente worden opgebouwd. Tevens wordt voor alle Tozo-leningen bedrijfskapitaal de looptijd (de periode vanaf het moment van verstrekking tot het moment waarop deze moet zijn terugbetaald) met anderhalf jaar verlengd, van 42 maanden naar 60 maanden. Op deze manier hebben zelfstandigen meer tijd om de opgebouwde schuld af te betalen. Motie Marijnissen over coulance bij terugvorderingen Uw Kamer heeft met de motie Marijnissen21 gevraagd om gemeenten op te dragen bij de beoordeling van de Tozo coulant te zijn en de geboden steun niet terug te vorderen in die gevallen waarin bij de aanvraag voldaan werd aan de gestelde eisen. De Tozo is in maart 2020 onder grote druk en in hele korte tijd tot stand gekomen. In samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Divosa is zo snel mogelijk gecommuniceerd over de voorwaarden van de regeling.

Bijvoorbeeld via de folder voor zelfstandigen op krijgiktozo.nl, de Toolkit Tozo met daarin modelaanvraagformulieren en de handreiking Tozo en/of de websites van VNG en Divosa. Bij vragen vanuit de gemeenten of organisaties van zelfstandigen zijn aanpassingen in de handreiking doorgevoerd of indien dat nodig was wijzigingen in de regeling aangebracht. Gedurende de crisis is de handreiking daarom al een groot aantal keren aangevuld. Ondanks de intensieve communicatie en het feit dat het wettelijke kader van de Participatiewet een bekend gegeven voor gemeenten is, is in een paar specifieke gevallen onduidelijkheid ontstaan over de vereisten van de Tozo. In die gevallen hebben de minister en staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) gemeenten en accountants gevraagd coulance te betrachten. In brieven van 24 november 202022 en 27 januari 202123 aan uw Kamer en in het Gemeentenieuws van SZW is op die uitzonderingen uitgebreider ingegaan. De motie Marijnissen sluit daarom aan bij de wijze waarop in overleg met gemeenten en accountants de controle en uitvoering van de Tozo vorm is gegeven. Het kabinet beschouwt de motie hiermee als ingevuld. 3.5.TONK (Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten) De TONK is bedoeld voor huishoudens die door een inkomensterugval vanwege de coronacrisis de noodzakelijke (woon)kosten niet meer kunnen betalen.

Het kabinet heeft besloten om de TONK te verlengen tot en met het derde kwartaal van 2021, waardoor het aanvragen van de TONK ook nog over de periode juli tot en met september 2021 mogelijk is. 21 22 23

Kamerstuk 25 295, nr. 1142 Kamerstuk 35 420, nr. 191 Kamerstuk 35 420, nr. 213 Pagina 18 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

Gemeenten voeren de TONK uit. Zij hebben daarbij de ruimte om rekening te houden met lokale omstandigheden, wat tot uiting komt in toelatingscriteria en de hoogte van de uitkering. Gemeenten hebben tevens beleidsvrijheid met betrekking tot het vaststellen van de draagkracht van de aanvrager; hierbij kan de gemeente zelf bepalen in welke mate het inkomen of vermogen wordt betrokken bij het beoordelen van de aanvraag. Tot dusver zijn er minder aanvragen dan waar vooraf rekening mee werd gehouden. Dit is een gedeeld aandachtspunt voor Rijk en gemeenten, waarbij ook UWV, de sociale partners en de Landelijke Cliëntenraad (LCR) betrokken worden.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voert regelmatig overleg met VNG, Divosa en gemeenten over mogelijkheden om de TONK ruimhartig toe te passen en de bekendheid en het bereik van de TONK te vergroten conform de wensen van uw Kamer. De gemeenten Rotterdam, Den Haag en Utrecht hebben al aangekondigd hun TONK-regeling per 25 mei te gaan verruimen met een terugwerkende kracht tot 1 januari. Reeds gedane aanvragen zullen hierbij opnieuw worden beoordeeld. Om gemeenten meer ruimte te geven de TONK uit te voeren, is het beschikbare budget van de TONK al verdubbeld van 130 miljoen euro naar 260 miljoen euro. De eerste tranche van 65 miljoen euro is inmiddels over gemeenten verdeeld. Met gemeenten is afgesproken dat de komende tijd de vinger aan de pols gehouden wordt over de ontwikkelingen van de TONK. Volgende maand stuurt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een brief aan uw Kamer met de laatste stand van zaken over de TONK. In die brief zal tevens worden ingegaan op de verdeelsleutel waarmee het resterende budget van 195 miljoen euro over gemeenten verdeeld wordt. 3.6. Fiscale maatregelen Naast het versoepelde uitstel voor de betaling van belastingen loopt een aantal fiscale maatregelen af per 30 juni 2021. Het kabinet verlengt deze fiscale maatregelen tot 1 oktober 2021.

Het gaat daarbij om 1) het uitstel van administratieve verplichtingen rondom de loonheffingen, 2) het akkoord met Duitsland en België over de belastingheffing van grenswerkers,24 3) de onbelaste reiskostenvergoeding, 4) de vrijstelling voor een aantal Duitse netto-uitkeringen, 5) het btw-nultarief op mondkapjes, 6) de btw-vrijstelling voor de uitleen van zorgpersoneel, 7) het btw-nultarief op COVID-19- vaccins en testkits, en 8) het behoud van het recht op hypotheekrenteaftrek voor huizenbezitters als zij van hun hypotheekverstrekker een hypotheekbetaalpauze krijgen. Het tijdelijk verlaagde btw-tarief op de sportlessen die sportscholen online aanbieden liep door totdat de verplichte sluiting van sportscholen is opgeheven. De verplichte sluiting is nog niet opgeheven voor groepslessen. Tot groepslessen binnen weer zijn toegestaan blijft het verlaagde tarief op basis van een goedkeuring gelden op het aanbieden van online lessen die deze groepslessen tijdelijk vervangen.

24

Voor de verlenging van deze maatregelen zullen wij in overleg treden met België en Duitsland. Pagina 19 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek Ons kenmerk

Urencriterium CE-AEP / 21140598 Ondernemers die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting kunnen onder voorwaarden aanspraak maken op verschillende ondernemersfaciliteiten. Op sommige van deze ondernemersfaciliteiten zoals de zelfstandigenaftrek, de meewerkaftrek en de oudedagsreserve kan uitsluitend aanspraak worden gemaakt als aan het zogenoemde urencriterium wordt voldaan. Aan dit urencriterium wordt voldaan wanneer de ondernemer ten minste 1.225 uren per kalenderjaar besteedt aan werkzaamheden voor zijn onderneming. Het feit dat ondernemers puur als gevolg van het coronavirus bepaalde ondernemersfaciliteiten verliezen is onwenselijk en onrechtvaardig. Daarom geldt voor ondernemers in de periode 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021 dat zij geacht worden ten minste 24 uren per week aan hun onderneming te hebben besteed, ook als ze die gelet op de crisis niet daadwerkelijk hebben besteed. In het licht van de aangekondigde versoepelingen van de coronamaatregelen wordt een verlenging van de versoepeling van het urencriterium na 1 juli 2021 niet langer noodzakelijk geacht. Vanaf 1 juli 2021 tellen enkel de uren die de ondernemers daadwerkelijk aan hun ondernemingen besteden mee voor het urencriterium.

4. Schulden en de solvabiliteitspositie van bedrijven 4.1. Hoe staat het met de solvabiliteit van Nederlandse bedrijven? Ondanks de ruimhartige steunmaatregelen en vindingrijkheid van ondernemers komen veel bedrijven uit deze crisis in een minder gunstige financiële situatie. Bijvoorbeeld omdat ze door de lagere omzet interen op hun reserves, of omdat ze extra geld lenen om aan lopende verplichtingen te voldoen. Daardoor is de coronacrisis inmiddels ook gaan doorwerken op de solvabiliteit van bedrijven (oftewel: de verhouding tussen het eigen vermogen en vreemd vermogen van een bedrijf). Met name restaurants, reisbemiddelaars en bedrijven in de kunst- en welzijnssectoren zijn zwaar geraakt in hun solvabiliteit.25 Er zijn helaas geen goede en actuele cijfers over het eigen vermogen van Nederlandse bedrijven, maar wel over de schuldpositie. Veel ondernemers hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid van belastinguitstel. Op dit moment doen ongeveer 250.000 ondernemers dit. In totaal heeft 36 miljard euro aan belastinguitstel opengestaan. Veel ondernemers hebben afgelost (16 miljard euro) of hebben belastingvermindering (4 miljard euro) gekregen, waardoor er nu nog 16 miljard euro aan belastinguitstel openstaat. Daarnaast hebben bedrijven geld geleend bij banken, al is het lastig om precies aan te geven hoeveel daarvan gerelateerd is aan corona.

Zo geeft de meest recente coronamonitor van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) aan dat er sinds het begin van de coronacrisis 51 miljard euro aan financiering aan bedrijven is verleend, en bedrijven voor ca. 3 miljard euro aan (generieke) betaalpauzes hebben gekregen.26 Cijfers van DNB geven aan dat de totale hoeveelheid uitstaand krediet aan bedrijven in het eerste kwartaal van 2021 ongeveer 302 miljard euro is. Dat is ongeveer evenveel als vlak voor de coronacrisis. Bij sommige sectoren is echter Winter, de en Volkerink, 2021, De financiële positie van het Nederlandse MKB één jaar na de COVID-19 uitbraak. 26 https://www.nvb.nl/corona/corona-monitor/ 25

Pagina 20 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

een duidelijke stijging te zien, zoals de horeca, kunst, groothandel en detailhandel, bouwnijverheid en industrie. Op andere schulden of verplichtingen heeft het kabinet geen goed zicht: denk aan leningen en betaalpauzes bij leveranciers, verhuurders of vrienden en familie. Daarbij is een schuld niet altijd problematisch of gerelateerd aan corona: een bedrijf kan ook een schuld aangaan om een nieuwe investering te financieren.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

Voor bedrijven is nu het belangrijkste dat zij, wanneer dat epidemiologisch verantwoord is, weer open kunnen. Dan kunnen ze weer (meer) omzet maken en die inkomsten gebruiken voor het versterken van hun financiële positie en investeringen in hun toekomst. Tegelijkertijd brengt het heropenen van de economie niet iedereen uit de problemen. Wanneer bij heropening de schuldeisers direct aankloppen, kan dit voor een ondernemer alsnog tot een moeilijke situatie leiden. Bovendien kunnen sommige bedrijven voorlopig door beperkingen nog altijd minder omzet genereren dan voor de uitbraak van het coronavirus. Daarom neemt het kabinet, naast de reguliere steunmaatregelen, ook maatregelen om in de kern gezonde bedrijven met een schuld te ondersteunen in de herstelfase. Dit doen we onder andere door ondernemers een adempauze te geven op het moment dat de economie weer van het slot gaat, door de datum waarop het aflossen van opgebouwde belastingschuld begint later in te laten gaan en de termijn voor aflossing van belastingschuld fors te verlengen. Maar het kabinet kan, ook met deze maatregelen, niet alle problemen tegengaan. Sommige bedrijven zullen zo’n hoge schuld hebben opgebouwd dat dit problematisch is voor hun toekomst.

Als zo’n bedrijf nog in de kern gezond is, is het in een dergelijk geval noodzakelijk dat de ondernemer met zijn of haar schuldeisers een duurzame oplossing zoekt, waarbij bijvoorbeeld een deel van de schuld wordt kwijtgescholden. Hoewel dat geen aangename stap is, neemt het kabinet ook maatregelen om dit proces makkelijker en efficiënter te maken. Dat kan in veel gevallen voorkomen dat een bedrijf onnodig failliet gaat. Een ondernemer kan na een herstructurering weer met een gezonde positie verder. Dat is beter voor de ondernemer en de economie als geheel, want zo vormen (te) hoge schulden niet onnodig lang een rem op het herstel. Het kabinet kiest er overigens niet voor om de belastingschuld op generieke wijze (geheel of gedeeltelijk) kwijt te schelden. In paragraaf 4.2 volgt hierop een nadere toelichting. Voor sommige ondernemers biedt ook een herstructurering nog niet voldoende lucht. Als een bedrijf een slechte financiële situatie kent en ook geen goed toekomstperspectief heeft, is in sommige gevallen een faillissement of bedrijfsbeëindiging onvermijdelijk. Dit was ook voor de coronacrisis al de realiteit voor een aanzienlijk deel van de (vooral startende) ondernemingen. Het kabinet beseft dat een faillissement een aangrijpende gebeurtenis is voor ondernemers en hun werknemers. Het is echter niet haalbaar of wenselijk om dit tegen alle kosten te voorkomen.

Niet alleen is dit zeer kostbaar voor de belastingbetaler, maar het gaat uiteindelijk ook ten koste van economisch herstel. Pagina 21 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

Ten slotte is het van belang dat ondernemers weten waar zij terecht kunnen voor hulp bij hun financiële situatie. Als onderdeel van het Time Out Arrangement (TOA) biedt de Kamer van Koophandel (KvK) informatie, doorverwijzing en advies aan ondernemers in zwaar weer. Ze krijgen onder andere via routewijzers en stappenplannen inzicht op maat in hoe hun bedrijf ervoor staat en welke hulp en oplossingsrichtingen er zijn bij financiële problematiek en schulden. Op 21 mei jl. lanceerde de KvK bovendien een stroomschema ‘(‘Stroomschema Schulden, verken je ‘opties’) waarmee ondernemers worden geïnformeerd over welke insolventieroute bij hun situatie past.27 Ook biedt KvK persoonlijk advies door experts.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

4.2. Geen generieke kwijtscheldingen van schulden Het kabinet kiest niet voor het generiek (geheel of gedeeltelijk) kwijtschelden van de belastingschuld. Dat heeft verschillende redenen. Ten eerste kent kwijtschelding een mate van willekeur, en is daarom onrechtvaardig. Het versoepelde uitstelbeleid stond voor alle bedrijven open, ongeacht of zij direct geraakt werden door de coronamaatregelen (zoals tijdelijke sluiting). Sommige sectoren (die relatief sterk zijn geraakt door beperkende coronamaatregelen) hebben een relatief kleine schuld, terwijl sectoren die minder geraakt zijn toch relatief grotere schulden kunnen hebben. Ook blijkt dat onder de bedrijven die toegang hadden tot het versoepelde uitstelbeleid ook bedrijven zitten waarvan de omzet in 2020 gegroeid is. De cijfers in bijlage 1 illustreren dit. Er zijn echter ook veel ondernemers met een omzetverlies in 2020 die géén uitstel van betaling hebben aangevraagd. Zij zouden dus niet profiteren van kwijtschelding, in tegenstelling tot ondernemers met een hoge schuld die achteraf niet of beperkt zijn geraakt door corona. Bovendien blijkt uit de cijfers (in bijlage 1) dat veel bedrijven het afgelopen jaar in staat zijn geweest om de belastingschuld al (deels) terug te betalen.28 Sommige ondernemers hebben daarvoor (deels) hun eigen reserves aangesproken of zijn een lening aangegaan om de belastingen te kunnen betalen.

Een generieke gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de openstaande belastingschulden zou daarom onrechtvaardig zijn tegenover al deze ondernemers die hun belastingschuld wel hebben voldaan. Een generieke kwijtschelding verstoort bovendien het concurrentieverhoudingen tussen ondernemers. Dit is onwenselijk. Tevens ontstaat daarmee het risico van ongeoorloofde staatssteun. Ten slotte is een eenzijdige, generieke kwijtschelding slechts beperkt effectief voor de totale schuldproblematiek van bedrijven. Als andere schuldeisers niet tegelijk hun schulden zouden kwijtschelden, dan heeft kwijtschelding van de belastingschuld maar een beperkt effect op de totale schuldenberg van bedrijven. Dit zou betekenen dat belastinggeld deels zou verschuiven naar private schuldeisers en niet naar de getroffen ondernemer zelf. Deze schuldeisers zullen in veel gevallen kortere termijnen en strengere voorwaarden hanteren dan de overheid. Omdat kwijtschelding ondernemers bevoordeelt die deze aanvullende steun niet nodig hebben, is een generieke https://www.kvk.nl/advies-en-informatie/zwaar-weer/; https://www.kvk.nl/advies-eninformatie/dossiers/whoa/; en https://www.kvk.nl/advies-en-informatie/wetten-en-regels/stroomschemaschulden-verken-je-opties/ 28 Zoals eerder aangegeven, is de totale belastingschuld 36 miljard euro door betalingen en verminderingen inmiddels teruggelopen naar 16 miljard euro.

27

Pagina 22 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

kwijtschelding van de belastingschuld geen verstandige besteding van belastinggeld. Het kabinet kiest juist voor gerichtere steun. Deze worden hieronder verder toegelicht.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

4.3. Maatregelen rond aflossing van belastingschuld Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 12 maart 202129, heeft het kabinet bezien of verdere versoepelingen in het uitstelbeleid van belastingschulden noodzakelijk zijn. Het doel daarvan is dat levensvatbare ondernemers niet onnodig failliet gaan. De uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst is ook een belangrijke factor. Het kabinet heeft de duur van het uitstel van betaling al een paar keer verlengd. Het uitstel van betaling van nieuwe betalingsverplichtingen voor ondernemers loopt tot uiterlijk 1 juli 2021. Het is de verwachting dat de economie per 1 juli 2021 grotendeels weer open is. Als de beperkende maatregelen grotendeels ten einde komen, zullen bedrijven hun nieuw opkomende betalingsverplichtingen naar verwachting weer kunnen voldoen uit de omzet die zij genereren. De meeste belastingen ademen immers mee met de economie: als een ondernemer minder omzet of winst behaalt, is minder belasting verschuldigd. Bovendien is het van belang dat schulden niet verder oplopen dan noodzakelijk, om problematische schuldsituaties te voorkomen. Het kabinet houdt daarom de datum van 1 juli 2021 in stand als het moment waarop ondernemers de betaling van hun nieuw opkomende fiscale betalingsverplichtingen hervatten.

Voor de loon- en omzetbelasting betekent dit dat de belasting over het laatste belastingtijdvak voor 1 juli 2021 tijdig moet worden voldaan. Het tijdig voldoen aan de nieuw opkomende verplichtingen is een voorwaarde voor het recht op de ruimhartige betalingsregeling. Aanvangsdatum aflossen opgebouwde belastingschuld: 1 oktober 2022 Om ondernemers een adempauze te geven op het moment dat de economie weer van het slot gaat, wordt de datum waarop zij uiterlijk moeten starten met het aflossen van de opgebouwde belastingschuld verplaatst van 1 oktober 2021 naar 1 oktober 2022. Daarmee krijgen ondernemers extra de tijd om te herstellen en zich voor te bereiden op de aflossingsverplichting. Vanaf het moment dat de nieuw opkomende belastingverplichtingen moeten worden hervat, namelijk vanaf 1 juli 2021, hebben ze immers 15 maanden de tijd voor ze beginnen met het aflossen van hun opgebouwde belastingschuld. Betalingstermijn van 60 maanden Het kabinet verlengt de aflossingstermijn van de opgebouwde belastingschulden van 36 naar 60 maanden. Hierdoor worden de maandelijkse termijnbedragen lager en is er meer financiële ruimte over om de continuïteit van de onderneming te borgen en noodzakelijke investeringen te kunnen doen. Deze maatregel betekent dat bedrijven, in combinatie met de latere startdatum, hun laatste aflossing pas in 2027 hoeven te doen.

Daarmee krijgen bedrijven ruim de tijd hiervoor. Eerder afbetalen kan altijd.

29

Kamerstuk 35420, nr. 248 Pagina 23 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek Ons kenmerk

Invorderingsrente stapsgewijs CE-AEP / 21140598 Als een belastingplichtige niet tijdig overgaat tot het betalen van een belastingaanslag wordt invorderingsrente in rekening gebracht. Sinds 23 maart 2020 is het percentage invorderingsrente op vrijwel nihil (0,01%) gesteld. Hierdoor worden ondernemers niet geconfronteerd met hoge rentelasten over hun belastingschulden. Bij voortzetting van het huidige beleid veert de invorderingsrente per 1 januari 2022 terug naar 4%. Omdat invorderingsrente een belangrijke prikkel vormt om belastingaanslagen (tijdig) te voldoen, is het wenselijk dat deze prikkel herleeft. Een belangrijke notie daarbij is dat het percentage van 0,01% geldt voor álle belastingplichtigen, dus ook voor burgers en bedrijven die geen economisch nadeel ondervinden van de coronacrisis. Ook kan de lage invorderingsrente tot gevolg hebben dat ondernemers andere rentedragende schulden eerst aflossen, waardoor de Belastingdienst op achterstand komt ten opzichte van andere schuldeisers. Tegelijkertijd levert verhoging van het percentage invorderingsrente naar 4% per 1 januari 2022 een forse rentelast op voor ondernemers die gebruikmaken van uitstel van betaling van belastingschulden. Het kabinet wil ondernemers echter juist ruimte geven om de situatie binnen hun onderneming te verbeteren zonder dat zij worden geconfronteerd met een hoge rentelast.

Om deze ondernemers tegemoet te komen en gelijktijdig de prikkel om belastingschulden (tijdig) te voldoen te laten herleven, kiest het kabinet voor stapsgewijze verhoging van het percentage invorderingsrente in plaats van dit in één keer te laten terugveren naar 4%. Dit betekent dat op 1 januari 2022 het percentage invorderingsrente niet op 4% wordt vastgesteld, maar op 1%. Op 1 juli 2022 wordt de rente verhoogd naar 2%. Vervolgens wordt de rente jaarlijks verhoogd met één procentpunt naar het gebruikelijke tarief van 4%. Dat betekent dat de rente op 1 januari 2023 op 3% wordt vastgesteld en vervolgens op 1 januari 2024 op 4%. Samen met de verdere versoepelingen wat betreft de aanvangsdatum van het aflossen en de verlenging van de aflossingstermijn (zoals hierboven beschreven), zorgt de stapsgewijze opbouw van de invorderingsrente dat de maandlasten van ondernemers aanzienlijk worden verlaagd ten opzichte van de situatie zonder deze verdere versoepelingen. Dit alles wordt gedaan om levensvatbare bedrijven financieel meer lucht te geven om te voorkomen dat zij alsnog failliet gaan. 4.4 Maatregelen rond terugbetaling van overheidssteun Het kabinet is tijdens de coronacrisis ondernemers snel te hulp geschoten via noodmaatregelen zoals de NOW, de Tozo, en TVL en door het bieden van uitstel van betaling van belastingen.

Om recht te hebben op steun moet een ondernemer voldoen aan bepaalde voorwaarden. Gezien de urgente behoefte aan liquiditeit besloot het kabinet om in de NOW en TVL te werken met bevoorschotting. Dit betekent dat direct bij toekenning van de subsidie de ondernemer een voorschot van 80% van de verwachte subsidie ontvangt. Na afloop van het betreffende tijdvak wordt bepaald of een ondernemer daadwerkelijk in aanmerking kwam voor subsidie en, zo ja, voor welk bedrag. Als het voorschot achteraf te laag is gebleken, zal het restant van de subsidie waar recht op is alsnog worden uitgekeerd via een nabetaling. Als blijkt dat een onderneming achteraf via het voorschot meer NOW- of TVL-subsidie heeft ontvangen dan waar de onderneming Pagina 24 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

recht op had – bijvoorbeeld omdat de verwachte omzetterugval door versoepelingen uiteindelijk meeviel – dan zal een deel van het voorschot moeten worden terugbetaald.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

Voor de NOW-1 (maart – mei 2020) verwacht het kabinet dat ongeveer 60% van de ondernemers die een voorschot hebben ontvangen hiermee te maken krijgt. Bij de TVL-1 (juni-september 2020) gaat dit op voor 25% van de ondernemers. Voor latere openstelling van de TVL Q4 2020 is het percentage terugvorderingen wezenlijk lager (ca. 10% voor TVL Q4). Het overgrote merendeel van de ondernemers krijgt in de TVL-vaststelling dus een nabetaling. Het kabinet ziet signalen dat veel ondernemingen zo snel mogelijk van hun terugbetalingen en belastingschuld af willen. Zo laten de cijfers over terugbetalingen in de NOW-1 regeling zien, dat circa twee derde van de bedrijven inmiddels al heeft terugbetaald. Dit patroon is ook zichtbaar bij de TVL. Daar betaalt 57% van de ondernemers direct binnen 6 weken terug. Wel bestaan er sectorale verschillen die onder andere te verklaren zijn door het specifieke ingrijpen van de lockdownmaatregelen op de horeca en detailhandel. Ook verneemt het kabinet dat sommige goed draaiende bedrijven uit zichzelf besluiten om verleende subsidie terug te betalen, ook al hadden ze wel recht op NOW en TVL. Het kabinet stelt de opstelling van deze bedrijven zeer op prijs.

Tegelijkertijd is het kabinet zich ervan bewust dat voor andere ondernemers een combinatie van mogelijke terugbetalingen, in samenhang met de uitgestelde belastingschuld, leningen van banken en/of leningen in het kader van de Tozo, kan leiden tot een stapeling aan betalingsverplichtingen waardoor de levensvatbaarheid van de onderneming verder onder druk komt. Het kabinet heeft oog voor deze noden van ondernemers en heeft daarom – in goed overleg met de uitvoeringsorganisaties – de regels voor terugbetalingen nog eens goed tegen het licht gehouden. Het uitgangspunt van het kabinet is dat ondernemers de steun moeten krijgen waar ze recht op hebben. Daarnaast hecht het kabinet eraan dat bedrijven door eventuele betalingen aan de overheid niet nog verder in de problemen komen. Ook wat betreft de termijn van terugbetalingen verdient maatwerk de voorkeur: er is geen uniforme lijn te kiezen die voor ieder optimaal is. Ondernemingen hebben zelf namelijk het beste inzicht in hun kasritmes en het is belangrijk hier rekening mee te houden. Wat voor het ene bedrijf werkt, hoeft niet te werken voor het andere bedrijf. Tegelijkertijd wil het kabinet het risico op misbruik en oneigenlijk gebruik zo veel mogelijk beperken. Onze uitvoeringsorganisaties hebben een proces ingericht met oplossingen die het leven van ondernemers gemakkelijker maken.

Ze krijgen en nemen ten aanzien van terugbetalingen de ruimte voor individueel maatwerk met de menselijke maat. Denk aan betalingsritmes die rekening houden met seizoenpatronen, tussentijdse evaluatie momenten, en termijnen en bedragen die zijn afgestemd op de draagkracht van de onderneming. Twintig procent van de terugbetalingen voor TVL maakt gebruik van een dergelijke maatwerk regeling. Het kabinet houdt hierbij blijvend een vinger aan de pols. Pagina 25 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

Als bij de definitieve vaststelling van NOW en TVL blijkt dat een ondernemer te veel voorschot op de subsidie heeft ontvangen, heeft de ondernemer hier geen recht op en moet dat bedrag worden terugbetaald aan UWV respectievelijk RVO. Na vaststelling krijgt elke ondernemer standaard zes weken de tijd om het openstaande bedrag terug te betalen.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

Mocht dit om wat voor reden dan ook niet lukken, dan kan een ondernemer afspraken maken om te komen tot een terugbetalingsregeling voor meerdere termijnen. UWV en RVO stellen zich hierbij coulant op: de ondernemer kiest in goed overleg zelf welke terugbetalingstermijn het beste bij zijn omstandigheden past. De terugbetaling van een vordering – met een rente van 0% – kan hiermee over een langere periode worden uitgesmeerd passend bij de situatie van de ondernemer. De ondernemer kan hiertoe digitaal of telefonisch een verzoek indienen of wordt, in geval van een hoge vordering (RVO) of niet reageren (RVO en UWV) proactief benaderd. De uitvoeringsorganisaties hebben en nemen de ruimte voor maatwerk en bieden termijnen aan tot en met vijf jaar, afgestemd op de situatie van de ondernemer. Het kabinet heeft ook overwogen om standaard bij iedere terugbetaling een langere betaaltermijn vast te leggen, maar dat doet geen recht aan de individuele situatie en wensen van de ondernemer, zoals bij seizoensondernemingen. Bovendien zijn bij lage terugbetaalbedragen (die een groot deel uitmaken van het totale aantal vorderingen) zowel ondernemer als uitvoeringsorganisatie niet gebaat bij een lange standaardtermijn. Daarnaast blijkt nu al dat veel ondernemers geen behoefte hebben aan langere terugbetalingstermijnen.

Een ondernemer kan uiteraard ook altijd, na contact met UWV en RVO, zijn terugbetaling (deels) eerder aflossen dan afgesproken, bijvoorbeeld wanneer de omzet weer aantrekt. Het kabinet constateert tevens dat er een roep is om een generieke ‘betaalpauze’ voor alle terugvorderingen in de NOW en TVL. Hoewel dit uitkomst biedt voor sommige ondernemers, is dit lang niet door alle bedrijven gewenst. Tevens zou voor veel ondernemingen deze beslissing met betrekking tot de NOW en TVL leiden tot een “schuldenafgrond” door een verdere opstapeling van de terugbetalingen; bijvoorbeeld als in één keer voor meerdere tijdvakken moet worden terugbetaald. Een spreiding van deze terugbetalingen past beter en is overzichtelijker. Ook hier staat voorop dat een bedrijf zelf het beste weet wat een optimaal terugbetalingsritme is. Van belang is ook dat bij een persoonlijke betaalpauze de uitvoeringsinstanties het zicht houden op ondernemers en bedrijven, wat bij een generieke betaalpauze niet goed mogelijk is. Bij een generieke pauze kan minder goed rekening gehouden worden met problemen bij de ondernemer, en wordt het terugdringen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de regelingen bemoeilijkt.

Tevens heeft het kabinet besloten voor terugbetalingen van NOW en TVL een doelmatigheidsgrens te hanteren, waarbij bedragen onder de 500 euro niet geïnd zullen worden; dit kan vooral voor kleine ondernemers veel verschil maken. RVO en UWV voeren dit in de praktijk al uit, wat het aantal terugbetalingen in de TVL heeft teruggedrongen met 21%.

Pagina 26 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

Tozo-lening Op dit moment bedraagt de totale openstaande lening bedrijfskapitaal Tozo (exclusief rente) circa 270 miljoen euro. Zoals hiervoor al aangegeven, wordt het moment vanaf wanneer de Tozo-lening moet worden terugbetaald verschoven van 1 juli 2021 naar 1 januari 2022. De looptijd van de Tozo-lening wordt verlengd naar 60 maanden, waarbij 2% rente in rekening wordt gebracht vanaf het moment van terugbetaling. Gemeenten kunnen maatwerk verlenen indien de betalingsverplichting niet wordt nagekomen.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

Overzicht betalingsregelingen Ondernemers die zowel uitstel van betaling van belastingen en steun die zij hebben ontvangen via de NOW, TVL of een Tozo-lening moeten terugbetalen, krijgen te maken met verschillende betalingsregelingen, die in tabel 1 worden weergegeven. Tabel 1. Betalingsregelingen Betalingstermijn

Rente

Betalingsregeling mogelijk?

NOW

6 weken na vaststelling van de definitieve subsidie; langer op verzoek

0%

Ja, telefonisch of digitaal contact met UWV; UWV belt na aanmaning.

TVL

6 weken na vaststelling van de definitieve subsidie; langer op verzoek

0%

Ja, middels telefonisch contact met RVO.

Tozo-lening

Looptijd van de lening: 60 maanden (start aflossing vanaf 1 januari 2022)

2% vanaf 1 januari 2022

Gemeentelijke beleidsvrijheid.

1% vanaf 1 januari 2022 en oplopend

Ruime generieke regeling.

Belastinguitstel 60 maanden (vanaf 1 oktober 2022)

4.5 Verdere maatregelen die bijdragen aan liquiditeit en solvabiliteit De overheid spant zich ook in het derde kwartaal in voor toegankelijke financiering voor bedrijven. Daartoe worden verschillende maatregelen verlengd en aanvullende maatregelen genomen gericht op de liquiditeit- en solvabiliteitspositie van bedrijven. Groeifaciliteit De Groeifaciliteit beoogt investeringen van banken en participatiemaatschappijen in het risicodragend vermogen (achtergestelde leningen of aandelenkapitaal) van ondernemingen te stimuleren. Investeerders kunnen een garantie krijgen op ten hoogste 50% van hun geïnvesteerde kapitaal. Voor deze garantstelling betaalt de financier een kostendekkende provisie aan de Nederlandse Staat.

Pagina 27 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

De Groeifaciliteit is met de Kamerbrief van 21 januari jl.30 verlengd tot medio 2023. Het garantiebudget is 85 miljoen euro per jaar. Om tijdens deze crisis de Groeifaciliteit voor zoveel mogelijk bedrijven en financiers toegankelijk te maken heeft het kabinet nu besloten de maximale financiering die voor één onderneming onder garantie kan worden gebracht te verhogen van 25 naar 50 miljoen euro en de maximale financiering per financier gelijk te trekken naar 25 miljoen euro voor alle financiers. Ten behoeve hiervan zal de kasreserve die voor de uitvoering van de regeling wordt aangehouden met 50 miljoen euro worden verhoogd. Indien de regeling door de verruimingen uitgeput dreigt te raken of uit de marktvraag blijkt dat ophoging van het garantiebudget noodzakelijk is, dan zal het kabinet het garantieplafond van 85 miljoen euro herzien. De kasreserve zal bij een plafondverhoging worden herijkt.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

In de Kamerbrief van 28 augustus 2020 over het steun- en herstelpakket31 bent u geïnformeerd over het initiatief van VNO-NCW voor een publiek-privaat fonds dat Nederlandse (middel)grote ondernemingen zou kunnen herkapitaliseren. Dit initiatief is helaas niet tot wasdom gekomen. Het kabinet verwacht echter dat het verruimen van de plafonds van de Groeifaciliteit ruimte biedt aan private partijen om alsnog de balans van (middel)grote ondernemingen te versterken zodat deze ook in deze tijd kunnen investeren. Verlenging kredietgarantieregelingen Verlenging van de kredietgarantieregelingen is van belang om toegang tot vreemd vermogen te borgen. De BMKB-C is al verlengd t/m 31 december 2021.32 De garantieregelingen KKC, GO-C en de regeling Overbruggingskredieten via Qredits zullen worden verlengd t/m 31 december 2021, in lijn met het verlengde EUstaatssteunkader. Doel van de kredietgarantieregelingen KKC (tot 50.000 euro), BMKB-C (tot 1,5 miljoen euro) en GO-C (tot 150 miljoen euro) is primair liquiditeitssteun, maar de regelingen kunnen door de financiers ook worden benut voor kredieten om ondernemingen terug te brengen het omzet- en winstniveau van 2019. Zo kunnen de regelingen worden benut voor kredieten ten behoeve van heropbouw van voorraden- en debiteurenposities, terugbrengen van leverancierskredieten naar een gebruikelijke termijn en investeringen in vaste activa.

De regelingen hoeven daarvoor niet aangepast te worden. Voor de garantieregelingen KKC en BMKB-C kunnen mkb-ondernemers, behalve bij banken, ook terecht bij 22 non-bancaire financiers. Voor kredieten tot 250.000 euro kunnen financiers geautomatiseerde kredietbeoordeling toepassen waardoor ondernemers snel uitsluitsel kunnen krijgen over hun kredietaanvraag. Samen met Stichting MKB Financiering wordt onderzocht of, en zo ja hoe ook de GO-C kan worden opengesteld voor non-bancaire financiers. Signalering knelpunten in financiering Brancheorganisaties hebben het meeste inzicht in de problematieken van bedrijven met betrekking tot (bancaire) financiering. De branches wordt gevraagd deze signalen te verzamelen. MKB-NL coördineert deze inventarisatie om met de NVB eventuele knelpunten in financiering inzichtelijk te maken en te bezien wat mogelijke oplossingen kunnen zijn. Tevens kunnen met een dergelijke gerichte 30 31 32

Kamerstuk 35420, nr. 217 Kamerstuk 35420, nr. 105 Kamerstuk 35420, nr. 237 Pagina 28 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

signalering door branches, daar waar nodig, ondernemers geholpen worden met doorverwijzing naar - en informatieverstrekking over - financiering en overheidsregelingen.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

Garantieregelingen evenementen De garantieregeling evenementen (Tijdelijke regeling subsidie evenementen Covid-19 TRSEC) moet evenementenorganisatoren stimuleren om evenementen te organiseren in de tweede helft van dit jaar. Omdat deze garantieregeling een vorm van staatssteun is, is goedkeuring van de Europese Commissie noodzakelijk. Die gesprekken verlopen positief en wij verwachten daar binnen enkele weken een formeel besluit op de regeling te krijgen. Hierna zal de regeling zo snel mogelijk gepubliceerd en geopend worden. In de tussentijd kunnen ondernemers starten met het plannen en organiseren van evenementen tussen 1 juli en 31 december 2021. Ondernemers kunnen de aanvraag alvast voorbereiden op de website van RVO. We hopen dat evenementen gewoon door kunnen gaan en dat men geen gebruik zal hoeven te maken van de regeling, maar mocht een georganiseerd evenement tussen 1 juli en 31 december 2021 onverhoopt verboden worden door de rijksoverheid vanwege corona, dan staat het Rijk onder voorwaarden garant voor de al gemaakte kosten (80% subsidie, 20% lening). Dit geeft de sector perspectief. Versterken eigen vermogen mkb (Nederlands Comité voor Ondernemerschap) Op 21 april jl.

is het briefadvies ‘Versterk fundament ondernemerschap’ van het Nederlands Comité voor Ondernemerschap ontvangen.33 Hierin staan op hoofdlijnen drie adviezen rond investeren in innovatie en groei, arbeidsmobiliteit en versterking van ondernemerschap. Een advies van het comité betreft de versterking van het eigen vermogen van het brede mkb om investeringsruimte te creëren. Dit advies wordt komende tijd door het comité verder uitgewerkt. Het kabinet zal na ontvangst van het advies met een reactie komen. 4.6 Maatregelen bij sanering, bedrijfsbeëindiging en problematische schulden De maatregelen van het kabinet zullen in veel gevallen een solvabiliteitsimpuls geven waarmee – in normale omstandigheden levensvatbare bedrijven – weer perspectief krijgen. De maatregelen in het steunpakket, maar ook een ruime aflossingstermijn dragen hieraan bij. Maar voor sommige levensvatbare bedrijven zullen generieke oplossingen onvoldoende blijken. Een deel van de ondernemingen is mogelijk alleen nog levensvatbaar als alle schuldeisers zich soepel en coulant opstellen en mogelijk zelfs hun vordering geheel of gedeeltelijk kwijtschelden (sanering). Versoepelingen saneringsbeleid Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden, gericht op in de kern gezonde bedrijven, van verruiming van het saneringsbeleid van de Belastingdienst.

Het doel hiervan is om in de kern gezonde bedrijven die als gevolg van corona grote belastingschulden hebben opgebouwd ook weer perspectief te geven. Zij moeten nog voordat zij tegen een faillissement aanlopen bij de Belastingdienst terecht 33

Versterk Fundament ondernemerschap (staatvanhetmkb.nl) Pagina 29 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek Ons kenmerk

kunnen voor hulp. Hierbij is de samenwerking met andere private schuldeisers CE-AEP / 21140598 van cruciaal belang. Ondernemers hebben immers vaak te maken met meerdere schuldeisers. Een soepele opstelling van de Belastingdienst helpt ondernemers alleen als andere schuldeisers ook coulance betrachten. Bovendien zijn private partijen zoals banken en accountants doorgaans beter in staat om de levensvatbaarheid van een bedrijf in te schatten en dus te bepalen welk bedrijf voor een schuldherstructurering in aanmerking komt. Het kabinet verkent daarom de mogelijkheden om op basis van publiek-private afspraken te komen tot een herstructurering van onhoudbare schulden bij levensvatbare bedrijven. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan: (a) aansluiten bij de toekomstige aflossingscapaciteit van de onderneming (‘spaarsanering’) in plaats van de bestaande vermogenspositie, b) opgeven van preferenties en zekerheden, waaronder de mogelijkheid om de afschrijvingslasten gelijk over alle schuldeisers - publiek en privaat - te verdelen, (c) meer ruimte voor maatwerk voor levensvatbare bedrijven die onvoldoende geholpen worden door de generieke steunmaatregelen. Daarnaast is, als alternatief voor sanering (d) een gerichte langdurige betalingsregeling onder aanvullende voorwaarden een beleidsoptie die op het netvlies staat.

Voor al deze beleidsopties geldt dat de uitvoerbaarheid een belangrijke voorwaarde is. Al deze maatregelen zijn momenteel onderwerp van gesprek met andere schuldeisers. Om dit proces te versnellen organiseert het kabinet met de grootste schuldeisers, waaronder banken, rondetafelgesprekken. Daarnaast wil het kabinet ook gesprekken organiseren met deskundigen zoals schuldhulpverleners en hun adviseurs. Het streven is om tijdens deze rondetafelgesprekken meer inzicht te krijgen op de verschillende perspectieven die bij de verschillende schuldeisers bestaan en om de effectiviteit van beleidskeuzes te peilen om zo tot gezamenlijke richtlijnen te komen voor de omgang met coronaschulden. Het kabinet informeert de Tweede Kamer over de uitkomsten van deze gesprekken. Bedrijfsbeëindiging Wanneer blijkt dat ondernemers ondanks de geboden steun, uitgestelde terugbetalingen en langere terugbetalingstermijnen, toch hun bedrijf dienen te beëindigen, wil het kabinet dit proces zo soepel mogelijk laten verlopen. Daarnaast bestaat er een kans dat ondernemers blijven zitten met een restschuld waarvoor zij mogelijk privé aansprakelijk zijn. Ondernemers met problematische schulden kunnen – net als andere mensen met problematische schulden – rekenen op hulp bij schuldhulpverlening. Ondernemers zijn gebaat bij het vroeg aan de bel trekken voor hulp.

Het kabinet roept dan ook alle ondernemers die kampen met schulden die hen boven het hoofd groeien zich te melden bij de schuldhulpverlening van hun gemeente. TOA (Time Out Arrangement) krediet voor doorstart Op 1 januari 2021 is de WHOA in werking getreden.34 Deze regeling is onderdeel van de Faillissementswet en kan ondernemers helpen die als gevolg van het COVID-19-virus of de daarmee verband houdende beperkende maatregelen schulden hebben opgelopen om een akkoord met de schuldeisers (en Wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid tot homologatie van een onderhands akkoord (Wet homologatie onderhands akkoord), Stb. 2020, nr. 414. 34

Pagina 30 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

aandeelhouders) tot stand te brengen waarbij de schulden worden gesaneerd en een faillissement wordt voorkomen.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

Het TOA-krediet stelt mkb-bedrijven in staat om een doorstart vanuit een WHOAtraject te maken. De doelgroep van het TOA-krediet is mkb-bedrijven die beschikken over bedrijfsactiviteiten die voldoende levensvatbaar zijn. Het TOAkrediet stelt deze bedrijven in staat om uitgaven en investeringen ten behoeve van de (her)start van de bedrijfsactiviteiten te maken. Het TOA-krediet zal bestaan uit twee bestanddelen, te weten werkkapitaal en achtergesteld vermogen (maximaal 30 procent van het TOA-krediet). Met een (deel) achtergesteld vermogen zal het voor mkb-bedrijven gemakkelijker zijn om vervolgfinanciering aan te trekken. Een WHOA-procedure brengt ook kosten voor bedrijven mee waardoor de ondernemer minder financiële middelen overhoudt voor de uitvoering van het akkoord. Daarom kan de ondernemer verzoeken om een vergoeding voor deze kosten achteraf. Hiermee krijgt hij dan weer extra werkkapitaal om zijn bedrijf na de totstandkoming van het akkoord voort te zetten. Voor het TOAkrediet maakt het kabinet 200 euro miljoen vrij. Per bedrijf kan maximaal 100.000 euro aan TOA-krediet door Qredits worden verstrekt. De ondernemers aan wie het krediet wordt verstrekt, krijgen bovendien 12 maanden gratis coaching bij het (weer) goed op de rails zetten van het bedrijf.

In de brief aanbieding toetsingskader TOA-krediet van 21 mei jl.35 wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de vormgeving van het TOA-krediet, dat naar verwachting vanaf 1 juni door de non-bancaire financier Qredits kan worden verstrekt. Brede aanpak instrumenten bedrijfsbeëindiging, waaronder WHOA en turboliquidatie Het kabinet voorziet dat een toenemend aantal ondernemers zal willen stoppen met de bedrijfswerkzaamheden, mede als gevolg van het COVID-19 virus, daarmee verband houdende beperkende maatregelen of door verder oplopende schulden. Inzet is dat deze ondernemers kunnen stoppen en daarbij zoveel mogelijk voorkomen wordt dat zij bedrijfsmatige dan wel persoonlijke restschulden overhouden. Ondernemers die gecontroleerd willen stoppen, kunnen via de minnelijke weg met de bij de onderneming betrokken partijen afspraken maken over de afwikkeling van onder meer lopende contracten. Daarnaast is er een beperkt aantal mogelijkheden beschikbaar als die route onvoldoende soelaas biedt, waaronder de sinds 1 januari 2021 in werking getreden WHOA36, de turboliquidatie, maar ook de zwaardere vormen, zoals faillissement en de Wsnptrajecten voor zzp-ers en eenmanszaken.

Het kabinet ziet desalniettemin dat voor bepaalde ondernemers geldt dat voor hen niet echt een mogelijkheid beschikbaar is om op een snelle manier de werkzaamheden zo te beëindigen dat de ondernemer zowel privé als zakelijk verder kan. Denk dan bijvoorbeeld aan de zzp-er die zijn hele vermogen heeft gebruikt voor zijn bedrijf en niet verder kan door resterende schulden die

Kamerstuk 35420, 2021Z08744 Wet van 7 oktober 2020 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met de invoering van de mogelijkheid tot homologatie van een onderhands akkoord (Wet homologatie onderhands akkoord), Stb. 2020, nr. 414. 35 36

Pagina 31 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

bovendien steeds verder oplopen of de ondernemer die zijn BV wil beëindigen maar dat niet kan door lopende contracten.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

Daarom zal door de minister voor Rechtsbescherming op korte termijn in overleg met de praktijk een brede aanpak worden uitgewerkt waarin wordt gekeken naar zowel minnelijke als wettelijke beëindigingsbeletselen en wat nodig is om te zorgen dat bij een bedrijfsbeëindiging door de ondernemer altijd de meest efficiënte weg gekozen kan worden. Onder meer zullen de mogelijkheden van tijdelijke verlichting van de procedurekosten, waaronder bijvoorbeeld vergoeding voor griffierechten, bij WHOA en faillissement worden meegenomen. De intentie van het kabinet is dat dit onderzoek leidt tot een wetsaanpassing die tijdelijk kan worden ingezet voor een lichte procedure voor bedrijfsbeëindiging en een vergelijkbare aanpassing van de regelgeving betreffende turboliquidatie. Bij deze trajecten wordt eveneens onderzocht welke extra capaciteit nodig is bij uitvoeringsorganisaties, waaronder het UWV, de Belastingdienst en rechtbanken, om bedrijven versneld te helpen. Dit zal in deze trajecten door Justitie en Veiligheid, SZW, Financiën en EZK worden opgepakt. Een eerste inschatting van mogelijke kosten laat zien dat hier zowel sprake is van incidentele kosten voor wet- en regelgeving, als ook uitvoeringskosten voor de verschillende organisaties.

Voor de brede aanpak inclusief de wetsvoorstellen en de tijdelijke verlichting van de procedurekosten wordt vooralsnog €18,5 miljoen gereserveerd in 2021 en €16 miljoen in 2022. De uiteindelijke incidentele kosten zullen pas inzichtelijk worden na een concrete uitwerking en een uitvoeringstoets.

5. Overige maatregelen voor steun en herstel 5.1 De loketfunctie vanuit de overheid Tijdens de crisis hebben veel ondernemingen baat gehad bij de NOW- en TVLsubsidies en het uitstellen van de verplichtingen tot het betalen van belastingen. Nu we de fase ingaan van mogelijke terugbetalingen, kan het veelvoud aan vaststellingen en uitgestelde verplichtingen leiden tot onduidelijkheid bij ondernemers. Uw Kamer heeft ook aandacht gevraagd voor deze situatie. In het debat over de ontwikkelingen rond het coronavirus van 24 maart jl. heeft de minister-president aan het lid Hermans toegezegd om te bezien hoe in de uitvoering zo goed mogelijk kan worden samengewerkt en in ieder geval virtueel zo veel mogelijk te werken als één loket. Navraag bij de uitvoeringsorganisaties, die al opereren op de grenzen van hun vermogen, leert dat de vaststellingen van de TVL en van de NOW helaas niet met elkaar kunnen worden geïntegreerd. Ook aansluiten bij de Belastingdienst lijkt niet werkbaar. Het is namelijk niet altijd mogelijk om dezelfde onderneming te identificeren bij UWV, Belastingdienst en RVO: de definities en identificatiegegevens overlappen onvoldoende. Daardoor is gegevensuitwisseling moeilijk en juridisch complex om af te bakenen en bovendien privacygevoelig. Het is tevens niet goed mogelijk om (terug-)betalingsregimes op elkaar afgestemd Pagina 32 van 47

Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek

vast te stellen, vanwege de verschillende juridische aspecten van de regelingen en de verschillende status van vorderingen. Zo kan een ondernemer bijvoorbeeld na de vaststelling van een subsidie nog in bezwaar gaan, waardoor het betalingsritme weer veranderd wordt. Daardoor kan een vordering weer wijzigen. Het volledig willen integreren van al deze tranches en openstellingen is juridisch, procesmatig en technisch een niet-oplosbare knoop.

Ons kenmerk CE-AEP / 21140598

Tegelijkertijd onderkent het kabinet de problematiek en doet het er veel aan om het afhandelingsproces voor ondernemers zo zorgeloos mogelijk te maken. UWV, RVO en de Belastingdienst werken zo servicegericht mogelijk met oog voor de menselijke maat. Zo doet het RVO regelmatig aan gebruikersonderzoek voor het verbeteren van de digitale en papieren communicatie en worden ondernemers proactief benaderd bij vorderingen boven de 20.000 euro. Ook ondernemers die meerdere TVL-voorschotten moeten terugbetalen, worden gebeld voordat ze geconfronteerd worden met een opeenstapeling van schulden. Het kabinet heeft signalen gekregen dat dit door ondernemers gewaardeerd wordt. De Belastingdienst wijst ondernemers die nog niet aan hun lopende verplichtingen kunnen voldoen via verschillende kanalen op het feit dat zij hun uitstelregeling moeten verlengen om in aanmerking te komen voor de betalingsregeling van 60 maanden. Het UWV kijkt ook al tijdens de subsidieperiode of de laatste termijnbetaling van de derde maand behulpzaam is – bijvoorbeeld omdat er al een loonsomdaling zichtbaar is, hetgeen kan resulteren in een forse terugvordering – en neemt zo nodig contact op met werkgevers. Dit contact wordt door deze werkgevers als positief ervaren. We blijven zoeken naar mogelijkheden om de administratieve last voor ondernemers te beperken. Ondernemers zijn gebaat bij duidelijkheid.

De bestaande portalen van de KvK, zoals het Ondernemersplein en/of het coronaloket, bevatten al veel informatie voor ondernemers over de coronasteunmaatregelen. De KvK is gevraagd deze uit te breiden met algemene informatie over terugbetalingsregelingen van de verschillende coronaregelingen. Hiermee wordt één centraal informatiepunt vanuit de overheid geboden. 5.2 Sectorale regelingen Cultuur Naar verwachting heeft (een deel van) de culturele en creatieve sector ook in Q3 van dit jaar nog te maken met de (gevolgen van de) beperkende maatregelen. Dit heeft negatieve gevolgen voor het vermogen van de sector om omzet te genereren. Daarom wordt voor de culturele en creatieve sector verlenging van de specifieke steunmaatregelen in Q3, in afgebouwde vorm, voorgesteld. Hiermee wordt beoogd de culturele infrastructuur overeind te houden en banen te behouden. Onder andere door culturele en creatieve zelfstandigen te ondersteunen in een sector die onvoldoende goed door generieke regelingen bereikt wordt. Voor Q3 wordt 45 miljoen euro vrijgemaakt voor BIS- en erfgoedwetinstellingen en 25 miljoen voor een verlenging van de directe steun aan makers. De leningen aan opengestelde monumenten worden in Q3 voortgezet met een bedrag van 25,75 miljoen euro aan onderuitputting uit eerdere steunpakketten. Pagina 33 van 47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Barneveld&id=b9c55fa9-c763-4d55-8255-7e6488c1f837