B-1.16 Besluit B&W inzake verdeling Covid-19 compensatie lokale culturele voorzieningen 1e helft 2021 d.d. 22-6-21.pdf
Tekst van het document
-1Afdeling: Sociaal Domein Behandelaar: Veldhuizen, Merit Telefoonnummer: 14 0342
Voorstelnr. 1496 Barneveld, 22 juni 2021 Portefeuillehouder: A.H. van de Burgwal
Ter kennisname naar de raad Nummer beleidsproduct:
Op overzicht Bestaand beleid (website)
Onderwerp:
Verdeling Covid-19 Compensatie Lokale Culturele Voorzieningen eerste helft 2021 (SOC-Vele)
Gevraagde beslissing: 1. In te stemmen met verdeling van het beschikbare bedrag ad € 276.400 binnen de subsidieregeling Covid19 Compensatie Lokale Culturele Voorzieningen voor de eerste helft 2021 conform bijlage 1. 2. Bijlage 3 op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en sub c van de Wet openbaarheid van bestuur, aan te merken als niet-openbaar voor onbepaalde tijd. 3. Dit besluit ter kennisname aan te bieden aan de gemeenteraad.
1. Inleiding Ook in de eerste helft van 2021 heeft de coronacrisis zijn weerslag gehad op onder andere de culturele sector. Culturele instellingen bleven gesloten, repetities en activiteiten waren niet of nauwelijks mogelijk en publieksinkomsten bleven uit. Ter compensatie van de gevolgen van de coronacrisis heeft het Rijk aanvullende steunmiddelen aangewend voor de lokale culturele sector, bedoeld voor de eerste helft van 2021. Voor de gemeente Barneveld betrof dit € 276.400. Op 18 maart 2021 stemde de gemeenteraad in met de bestemming van deze ontvangen Rijksmiddelen voor de lokale culturele infrastructuur. De gemeenteraad besloot dit bedrag in te zetten om de bestaande subsidieregeling ‘Covid-19 compensatieregeling Lokale Culturele Voorzieningen,’ voort te zetten. Met deze regeling wordt organisaties gestimuleerd om een breed cultuuraanbod toegankelijk te maken en te houden voor inwoners van de gemeente Barneveld. Tot 26 april 2021 stond de subsidieregeling open. 19 partijen hebben een aanvraag gedaan voor compensatie van verlies en/of innovatie. Het beschikbare subsidiebedrag ad € 276.400 is hiermee overvraagd. Wijze van toekennen Bij het verdelen van deze subsidie zetten we primair in op het compenseren van verliezen bij de culturele voorzieningen en secundair op het stimuleren van innovaties.
Zonder een gezonde financiële situatie blijft er immers weinig slagkracht over voor deze partijen om te innoveren. Bij de beoordeling van de innovatieaanvragen is getoetst in hoeverre de beoogde innovatie aansluit bij de doelstellingen van deze subsidieregeling. Deze zijn geformuleerd in de ‘Tweede tijdelijke nadere regels Covid19 Compensatie lokale culturele voorzieningen gemeente Barneveld’ en in het beleidsplan Sociaal Domein. Compensatie van verlies Van de 19 aanvragers, hebben 10 aanvragers een verzoek gedaan voor compensatie van corona-gerelateerde verliezen in de eerste helft van 2021. Het betreft hier deels daadwerkelijke verliezen (januari tot en met maart) en deels geprognosticeerde verliezen (april tot en met juni), die zijn ontstaan op de winst & verliesrekening over de eerste helft van 2021. Op basis van de ingediende gegevens voorziet dit collegevoorstel in het gedeeltelijk dan wel volledig compenseren van het corona-gerelateerde verlies in de eerste helft van 2021 van 9 van de 10 aanvragers. In totaal betreft dit een (afgerond) bedrag ad € 174.600. De compensatie-aanvraag van één aanvrager wordt niet gehonoreerd, omdat uit de ingediende gegevens blijkt dat er over de eerste helft van 2021 geen aantoonbare verliezen zijn geleden. Bovendien is deze aanvraag na de deadline van 26 april 2021 binnengekomen. De aanvraag voldoet dus niet aan de voorwaarden.
Gezien het relatief hoge compensatiebedrag voor het Oude Ambachten en Speelgoed Museum, wordt hen gevraagd als aanvullende voorwaarde voor deze subsidie een beknopt visiestuk in te dienen bij het college waarin wordt toegelicht hoe de beoogde koers van het museum bijdraagt aan meer maatschappelijke relevantie en verbinding in de gemeente Barneveld.
-2-
Innovatie Naast een mogelijkheid voor compensatie van verliezen, is er in deze subsidieregeling ruimte geboden voor het aanvragen van subsidie ten behoeve van innovatie. Zo is de sector gestimuleerd om cultuurparticipatieen educatie mogelijk te blijven maken, waar nodig op alternatieve, innovatieve wijze. Van de 19 aanvragers hebben 14 partijen een aanvraag gedaan voor in totaal 29 innovaties. Het betreft een variëteit aan innovatieve projecten, zoals het organiseren van culturele evenementen, het opzetten van prcampagnes ten behoeve van ledenwerving en het aanpassen van cultureel aanbod om nieuwe doelgroepen aan te spreken. Voor een overzicht van de gehonoreerde innovaties, zie bijlage 1. Aanvragers konden een innovatiebedrag aanvragen ter hoogte van 50% van de totaal begrote kosten. Indien de eigen financiële situatie het niet toelaat om de andere 50% met eigen of externe middelen te bekostigen, kon men een beroep doen op het volledige bedrag. Enkele innovatieprojecten voldoen in de basis aan de beleidsdoelstellingen, maar worden verleend onder de voorwaarde dat de plannen verder verfijnd of uitgewerkt worden. De Cultuurmakelaar ondersteunt deze partijen hierbij. Hiernaast hebben enkele innovatieprojecten het kenmerk van een evenement waarbij ook lokale ondernemers betrokken zijn.
Eén van de projecten is in aanmerking gekomen voor een gedeeltelijke financiering vanuit het evenementenfonds. Dit collegevoorstel voorziet in de (gedeeltelijke) honorering van 19 innovaties, verdeeld over 13 aanvragers. In totaal betreft dit een bedrag ad € 101.800. Hiermee komt de verdeling van de beschikbare € 276.400 in deze regeling neer op 63% bestemd voor compensatie van verlies en 37% bestemd voor beoogde innovatie. Vervolg Hoewel op moment van schrijven het einde van de coronacrisis lijkt te naderen, is de verwachting dat de naweeën van de crisis ook de komende tijd voelbaar blijven voor veel sectoren, waaronder de culturele sector. Op 27 mei 2021 heeft het Rijk daarom aanvullende steunmaatregelen aangekondigd voor de lokale culturele sector in het derde kwartaal van 2021 (zie bijlage 2).
2. Beoogd effect a) Meetbaar effect; De beschikbare € 276.400 in deze subsidieregeling wordt voor 63% besteed aan het compenseren van coronagerelateerde verliezen voor 9 culturele voorzieningen, en voor 37% aan het bijdragen aan beoogde innovaties voor 13 culturele voorzieningen.
b) Maatschappelijk effect De lokale cultuursector wordt financieel ondersteund in de gevolgen van corona. Daarmee wordt herstel in de lokale culturele infrastructuur bevorderd. Daarnaast wordt een impuls gegeven aan een veelzijdig en laagdrempelig cultuuraanbod voor alle inwoners van de gemeente Barneveld en daarbuiten.
3. Argumenten 1.1 Deze subsidieverdeling bereikt een breed scala aan cultuurdisciplines en voorziet zo in een brede impuls in de lokale culturele infrastructuur. Aanvragende partijen dragen bij aan de culturele infrastructuur in de gemeente op het gebied van de disciplines muziek, podiumkunsten, beeldend, dans en/of erfgoed. Het compenseren van hun geleden verlies en/of innovatie waarborgt mede een divers en laagdrempelig cultuuraanbod in de gemeente Barneveld. 1.2 Er is maatwerk verleend bij de honorering van de aanvragen voor compensatie van verlies. Bij het verlenen van compensatie van verlies, is rekening gehouden met het door de aanvrager zelf opgegeven verlies over de eerste helft van 2021 als resultaat uit de (geprognosticeerde) winst & verlies rekening. Zo is maatwerk verleend aan zowel de partijen met een groter verlies, als de partijen met een kleiner verlies. 1.3 De partijen die eerder liquiditeitssteun ontvingen uit de gelijknamige eerdere subsidieregeling, worden met deze subsidiering verder ondersteund richting een zelfstandig herstel na corona. In de vorige subsidietranche is liquiditeitssteun geboden aan het Oude Ambachten en Speelgoed Museum en het Pluimveemuseum. Met het nu compenseren van hun verliezen over de eerste helft van 2021, wordt
-3hun liquiditeitspositie verder verbeterd. Naast het compenseren van verlies, voorziet dit collegevoorstel in een (gedeeltelijke) compensatie van door beide musea ingediende beoogde innovaties. Zo helpen wij hen niet alleen de verliezen op te vangen, maar ook te kunnen investeren om uiteindelijk zelfstandig terug te werken naar een sluitende begroting, zoals ook voor de coronacrisis het geval was. Beide partijen geven aan te verwachten terug te kunnen keren naar een sluitende begroting, wanneer de coronacrisis voorbij is. In de komende maanden wordt indien nodig actief gemonitord in hoeverre de beoogde ontwikkelingen bij deze culturele partijen ten goede (blijven) komen aan de Barneveldse samenleving. 1.4 De gehonoreerde innovatie-aanvragen dragen bij aan de gestelde primaire en secundaire doelstellingen. De ingediende innovatieplannen zijn getoetst op aansluiting met de gemeentelijke beleidsdoelstellingen. Enerzijds wordt invulling gegeven aan de primaire beleidsdoelen op het gebied van cultuur binnen de opgaven Groeien naar zelfstandigheid, Meedoen naar vermogen en Samen oud worden. Anderzijds wordt invulling gegeven aan de secundaire beleidsdoelen; het stimuleren van samenwerking met lokale ondernemers en evenementen die een positief bijeffect hebben op de lokale economie.
1.5 Culturele voorzieningen worden waar nodig ondersteund bij verdere ontwikkeling van hun innovaties. De cultuurmakelaar kan in voorkomende situaties aanvragers ondersteunen bij het verder uitwerken of verfijnen van de beoogde projecten. Zo voorkomen we vertraging in de subsidieverstrekking en behouden de aanvragers slagkracht om zich te blijven ontwikkelen op cultureel gebied. 1.6 Alle aanvragen zijn aan dezelfde voorwaarden getoetst. 10 van de 29 innovatieplannen worden niet gehonoreerd, aangezien zij niet aantoonbaar of voldoende bijdragen aan de beleidsdoelstellingen zoals vastgelegd in de Tweede tijdelijke nadere regels Covid-19 Compensatie lokale culturele voorzieningen gemeente Barneveld. Hiervoor zijn de volgende onderbouwingen van toepassing: De beoogde innovatie getuigt te weinig van een cultureel karakter; De beoogde innovatie zal niet meer nodig zijn nu de coronaversoepelingen plaatsvinden; De beoogde innovatie behoeft nadere uitwerking en is afhankelijk van externe factoren waar deze subsidieregeling niet in voorziet; De beoogde innovaties hebben naar eigen zeggen minder prioriteit dan andere aangevraagde innovaties van dezelfde aanvrager; De beoogde innovatie overlapt met ontwikkelingen die reeds door team Be Active & Creative zijn ingezet; De beoogde innovatie heeft het karakter van (regulier) onderhoud. 2
Deze bijlage wordt aangemerkt als niet openbaar. De bijlage bevat privacygevoelige informatie van één of meer aanvragers.
3
De raad wordt van het besluit op de hoogte gesteld. Het toezenden aan de raad van de stukken via rubriek B, is de gebruikelijke werkwijze.
4. Kanttekeningen
Hoewel het einde van de coronacrisis lijkt te naderen, is de verwachting dat de naweeën van de crisis voelbaar blijven in de culturele sector. Daarom bestaat er een reële kans dat er ook in de tweede helft van 2021 financiële steun nodig is voor onze lokale culturele infrastructuur. Naar verwachting volgt daarom een raadsvoorstel voor het bestemmen van het door het Rijk aangekondigde aanvullende steunpakket voor de lokale cultuursector voor het derde kwartaal 2021 (zie bijlage 2).
5. Financiën Deze subsidieregeling wordt bekostigd vanuit de door het rijk beschikbaar gestelde middelen als tweede tranche voor lokale culturele voorzieningen ad € 276.400. De gemeenteraad heeft deze regeling in maart 2021 bestemd voor lokale culturele voorzieningen, als vervolg op de gelijknamige eerdere subsidieregeling ad € 125.000 voor 2020. Dit voorstel voorziet in de verdeling van het bedrag onder de lokale culturele voorzieningen tot het vastgestelde plafondbedrag. N.B. Vanwege de aanhoudende coronacrisis is een derde Rijkstranche voor lokale culturele voorzieningen via de algemene uitkering aangekondigd. Deze tranche dient de gemeenteraad nog nader te bestemmen. In totaal bedraagt dit een landelijk bedrag van vooralsnog € 36,5 miljoen, waarvan Barneveld naar verwachting afgerond € 144.500 ontvangt (indicatief bedrag volgens meicirculaire 2021).
-4-
6. Uitvoering Planning: Na besluitvorming door het college wordt de subsidie zo spoedig mogelijk overgemaakt aan de aanvragers. Communicatie: Na besluitvorming worden de aanvragers per brief op de hoogte gesteld van het besluit. Naar aanleiding van dit collegebesluit wordt vanuit de gemeente Barneveld een persbericht opgesteld. Evaluatie/controle: Organisaties die een subsidie hoger dan € 5.000 ontvangen, moeten deze voor 1 april 2022 verantwoorden met een financiële en inhoudelijke onderbouwing, ter vaststelling van de subsidie. Na dit collegebesluit en in het laatste kwartaal van 2021 wordt een evaluatiegesprek gevoerd met het Oude Ambachten en Speelgoed Museum en het Pluimveemuseum.
7. Bijlagen 1. Overzicht subsidieverdeling tweede steunpakket cultuur 1e helft 2021 2. Kamerbrief ‘Steun- en herstelpakket 3e kwartaal 2021’, d.d. 27-05-2021 3. Niet openbaar: memo financiële onderbouwing
Overzicht verdeling Covid-19 compensatie Lokale Culturele Voorzieingen - Eerste helft 2021 Compensatie van verlies Naam Majorettevereniging Vomako Interkerkelijk Vrouwenkoor Euterpe Atelier Hupsakee Pegasus Pipes and Drums Stichting Borduurmuseum Balletschool Desiree Nillesen Nederlands Pluimveemuseum
Categorie Majorettevereniging Koren Beeldende kunsten Muziekverenigingen Musea en erfgoed Dans Musea en erfgoed
Oude Ambachten en Speelgoed Museum Museum Nairac
Musea en erfgoed Musea en erfgoed
Toe te kennen na Verlies 1e helft 2021 afronding Toelichting € 635,61 € 640,00 € 1.966,00 € 1.970,00 € 2.892,00 € 2.890,00 € 1.200,00 € 1.200,00 € 9.501,00 € 9.500,00 € 5.013,84 € 5.010,00 € 40.700,00 € 40.700,00 Het toe te kennen bedrag is gecorrigeerd naar het beschikbare plafondbedrag binnen deze € 99.657,00 € 98.470,00 regeling € 14.225,00 € 14.230,00 € 174.610,00
Innovatie
Aanvrager Majorettevereniging Vomako Balletschool Desiree Nillesen Bloemencorso en festival vereniging Floralia Voorthuizen e.o. Barnevelds Shantykoor Het Roer Om Atelier Hupsakee
Categorie Majorettevereniging Dans
Aard innovatie Verspreiden van magazine, werven nieuwe leden Project "Balletschool komt binnen via live streaming"
Overig / combinatie Koren Beeldende kunsten
Het Bloemencorso van Voorthuizen Bekostigen van meerkosten om elders te kunnen repeteren Project "Online Tekenschool"
Nederlands Pluimveemuseum
Musea en erfgoed
Oude Ambachten en Speelgoed Museum Muziekvereniging De Harmonie
Musea en erfgoed Muziekverenigingen
Muziekschool Barneveld / Cultuurplein-1 Stichting Kunstcollectief Barneveld
Overig / combinatie Beeldende kunsten
Muziekvereniging Crescendo Stichting De Wardborg Stichting Jongerensocieteit Barneveld
Muziekverenigingen Overig / combinatie Overig / combinatie
Introduceren van informatiezuilen bij de diverse tentoongestelde voorwerpen Project "Cornelis de verzamelaar", project "Fabeltjeskrant", project "360 graden thuis tour", Marketingbudget Centrumoptredens ism BMV Projecten "Talent@cultuurplein-1" "GOUD@cultuurplein-1", "Senioren@cultuurplein-1" Ontwikkeling Kunsthaltes Projecten "Instrument aan huis", evenement "Muziek en MMMeer voor en door Voorthuizen" Herstart culturele activiteiten / communicatie + marketing Investering filmprojectie t.b.v. filmavonden / voorstellingen
Aangevraagd innovatiebedrag (max 50% Toe te kennen na van totale begroting) afronding Toelichting € 518,00 € 520,00 € 2.120,00 € 2.120,00 Dit project ontvangt € 2.500 cofinanciering € 10.000,00 € 7.500,00 vanuit het evenementenfonds € 500,00 € 500,00 € 3.500,00 € 3.500,00 €
17.797,00 €
17.800,00
€ €
26.440,00 € 2.000,00 €
26.440,00 2.000,00
€ €
28.000,00 € 2.500,00 €
28.000,00 2.500,00
€ € €
4.812,50 € 4.500,00 € 1.600,00 € €
4.810,00 4.500,00 1.600,00 101.790,00
€
276.400,00
Totaal
> Retouradres Postbus 20401 2500 EK Den Haag
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA DEN HAAG
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek Bezoekadres Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag Postadres Postbus 20401 2500 EK Den Haag Overheidsidentificatienr 00000001003214369000 T 070 379 8911 (algemeen) F 070 378 6100 (algemeen) www.rijksoverheid.nl/ezk
Datum Betreft
27 mei 2021 Het steun- en herstelpakket in het derde kwartaal van 2021
Geachte Voorzitter,
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598 Bijlage(n) 1
1. Inleiding Een nieuwe fase in de coronacrisis dient zich aan. Na een loodzwaar jaar voor onze hele economie en samenleving gloort er voorzichtig licht aan het einde van de tunnel. De vaccinatiegraad stijgt snel, steeds meer bedrijven openen weer hun deuren en het economische herstel wordt langzaamaan zichtbaar. Sinds de start van de crisis in maart 2020 nam het kabinet vergaande steunmaatregelen om de economische schok op te vangen en ondernemers en bedrijven door deze zware tijd heen te helpen. En met resultaat: bedrijven bleven overeind, het aantal faillissementen bleef laag, en banen en inkomens zijn behouden. Het kabinet wil nogmaals benadrukken dat het grote bewondering heeft voor de veerkracht, het innovatievermogen en de creativiteit die bedrijven, ondernemers en werkenden in deze zware tijd hebben getoond. In een fase waarin beperkingen stapsgewijs kunnen worden afgeschaald en het maatschappelijk leven weer doorgang vindt, komt ook het moment dat de economie weer op eigen kracht kan gaan draaien. De economische rationale voor de steunpakketten wordt daardoor steeds kleiner, zo laten de analyses van onder andere het Centraal Planbureau (CPB) zien. De terugkeer naar een gezonde economie, met een normale economische dynamiek, is van groot belang voor het verdienvermogen van Nederland. Tegelijkertijd zijn de onzekerheden op dit moment nog groot.
Daarom blijft het steun- en herstelpakket ook in het derde kwartaal van 2021 beschikbaar. Naarmate bedrijven weer omzet kunnen maken, zullen ze de komende periode vanzelf uit het steunpakket “groeien”. Het kabinet heeft er vertrouwen in dat deze steun in het licht van de oplevende economie het bedrijfsleven er weer bovenop helpt. De verwachte budgettaire omvang van het pakket is met circa 6 miljard euro wederom groot, maar dit bedrag kan mee- of tegenvallen gezien de grote onzekerheden. De voorstellen in deze brief zijn gebaseerd op het huidige beeld van de virusontwikkeling en voortgang van de vaccinatiecampagne. Het kabinet vaart daarbij nog steeds op zicht, want de onzekerheid is aanzienlijk. Het kabinet houdt daarom een vinger aan de pols, zoals gedurende deze gehele coronacrisis het geval is geweest. Het kan daarbij beter of slechter gaan dan we op dit moment Pagina 1 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
verwachten. Concreet houdt dit in dat als er zich onverhoopt nieuwe ontwikkelingen voordoen die nopen tot extra contactbeperkende maatregelen, dit ook de afweging over het afbouwen van steun na het derde kwartaal zal beïnvloeden. Andersom geldt dat de epidemiologische omstandigheden zich ook juist positiever kunnen ontwikkelen, waarbij restricties verdwijnen, ofwel voor iedereen ofwel voor mensen die gevaccineerd of negatief getest zijn. Dit veel positiever economische uitgangspunt brengt een ander dilemma met zich mee, namelijk dat de risico’s en nadelen van het doortrekken van steun (maatschappelijk) steeds minder acceptabel zijn naarmate de contactbeperkingen worden opgeheven. Het gaat dan bijvoorbeeld om risico’s op oneigenlijk gebruik, verkeerde prikkels of de toegenomen kans dat uitgekeerde voorschotten later terugbetaald moeten worden, met alle mogelijke complicaties van dien. Indien we in dit positieve scenario zitten, zal het kabinet nadenken over manieren om deze risico’s – die inherent zijn aan het onverkort doortrekken van de NOW en TVL en de specifieke steunmaatregelen – in kaart te brengen, te beoordelen en verder in te perken. We zullen uw Kamer informeren als dit leidt tot actie.
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
In deze brief schetst het kabinet allereerst de (economische) dilemma’s van dit moment, gevolgd door de verschillende afwegingen die hierbij gemaakt zijn. Daarna wordt weergegeven hoe het steunpakket in beginsel eruit komt te zien in het derde kwartaal van dit jaar. Vervolgens wordt ingegaan op de positie van het bedrijfsleven en de maatregelen die genomen worden om bedrijven uit de nasleep van deze crisis te helpen loodsen. Zo zorgt het kabinet ervoor dat de Tegemoetkoming in de Vaste Lasten (TVL) niet meer meetelt als omzet voor de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW). Dit geeft bedrijven net het beetje extra wat zij kunnen gebruiken om hun normale economische activiteiten aan te vangen. Ook worden verschillende maatregelen genomen ten aanzien van het aflossen van belastingschulden, zoals verlenging van de betalingstermijn tot vijf jaar. Bij deze besluitvorming heeft het kabinet voor lastige dilemma’s en afwegingen gestaan. Er is daarbij ook contact geweest met sociale partners en uw Kamer. Het kabinet stelt die betrokkenheid zeer op prijs. Het demissionaire kabinet geeft met het doortrekken van het steunpakket en de bijbehorende maatregelen tevens een eerste vorm aan het herstelbeleid.
2. Gunstige economische vooruitzichten, maar met onzekerheid De afgelopen maanden is er intensief gewerkt aan het inventariseren van mogelijke economische scenario’s en de daarbij best passende steunmaatregelen voor ondernemers en werkenden. Die grondige analyse, aangevuld met de adviezen van het CPB en De Nederlandsche Bank (DNB), vormt de basis voor deze brief. Zie hiervoor onder andere onderstaande box. Wat centraal staat voor het kabinet is de verwachting dat de economische en epidemiologische omstandigheden vanaf de zomer beter zijn dan nu. De economie heeft zich beter staande gehouden dan werd voorzien. Mede dankzij de steunpakketten ligt de werkloosheid met 3,4% in april op een zeer laag niveau Pagina 2 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
en is ook het aantal faillissementen historisch laag. Het kabinet verwacht dan ook snel aantrekkende bedrijvigheid als de economie weer open kan, net als in het derde kwartaal van 2020 het geval was.
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
CPB adviseerde al eerder om af te bouwen In het Centraal Economisch Plan (CEP) van maart 2021 is het CPB optimistisch over het economisch herstel. Naar verwachting is aan het eind van dit jaar de economie terug op het niveau van voor de coronacrisis. Bovendien gaat het CEP nog uit van een aflopend steunpakket in juni 2021 en bleek de gerealiseerde economische krimp in het eerste kwartaal van 2021 (-0,5%) substantieel lager uit te vallen dan initieel geraamd in het CEP (-1,9%). Beide zaken zullen naar verwachting leiden tot een opwaartse bijstelling van de verwachte economische groei voor 2021 ten opzichte van de CEP-raming. Maar ook zonder deze bijstelling gaat het CEP al uit van een economische groei van 2,2% in 2021 en 3,5% in 2022. De relatief lage werkloosheid zal volgens het CEP licht stijgen: naar 4,4% in 2021 en 4,7% in 2022. Uiteraard is deze raming met veel onzekerheid omgeven. Nieuwe uitbraken of grote tegenvallers met vaccineren kunnen volgens het CPB alsnog roet in het eten gooien. In alle scenario’s adviseert het CPB om ruimte te maken voor herstelbeleid en de economie zich te laten aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Wanneer de beperkende maatregelen worden opgeheven, vervalt namelijk de motivering voor de huidige steunregelingen voor bedrijven.
Het is in de ogen van het CPB belangrijk dat 1) de reguliere dynamiek terugkeert in de economie waarbij bedrijven zich aanpassen aan de omstandigheden, ook wanneer het virus onder ons blijft, 2) de arbeidsmarkt mobiliteit van werkenden bevordert en 3) de overheid herstel faciliteert en schade repareert. Het in stand houden van niet-levensvatbare bedrijven zorgt voor inefficiënt gebruik van onze productiemiddelen, waardoor deze niet optimaal ingezet worden waar ze nodig zijn.
Het kabinet concludeert dat de vooruitzichten voor de economie op korte termijn gunstig zijn. Maar ze zijn nog wel met onzekerheid omgeven. Zowel het virus als de situatie op de wereldmarkt laat zich lastig voorspellen. Sommige bedrijven zullen nog een tijd last blijven houden van de crisis. De verschillende sectoren in de Nederlandse economie zijn niet in gelijke mate geraakt door de coronacrisis. Bepaalde branches, zoals de horeca, kunst en cultuur en evenementen, zijn zwaar getroffen door de maatregelen om het virus onder controle te krijgen. Zo kreeg de horeca te maken met een halvering van de gebruikelijke omzet in het tweede en vierde kwartaal van 2020. Bij de evenementenbranche, die al ruim een jaar nagenoeg stilligt, is het omzetverlies nog groter. Veel ondernemers die hard getroffen zijn door de crisis, zullen de gevolgen daarvan nog blijven merken. Dit brengt het risico met zich mee dat bedrijven die in de kern gezond zijn, alsnog failliet gaan. Dat zou kunnen leiden tot een toename van het aantal faillissementen en oplopende werkloosheid. Tegelijkertijd hebben bepaalde delen van de economie het afgelopen half jaar uitstekend gedraaid. Zo was de industrie eind 2020 de eerdere productieval alweer te boven. De ICT-sector deed het tevens heel goed. Het kabinet staat daarmee voor een lastige keuze.
Vanaf het eerste steunpakket heeft het kabinet moeten manoeuvreren om zo veel mogelijk onnodige faillissementen te voorkomen en tegelijkertijd de gezonde dynamiek in de economie, waar onder normale omstandigheden faillissementen aan bijdragen, zo min mogelijk te hinderen. Het kabinet heeft zich zo veel mogelijk willen richten op Pagina 3 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
schade door corona; ook tijdens normale economische tijden hebben bedrijven tenslotte te maken met omzetfluctuaties. In elk kwartaal van 2019 heeft zo’n 25 procent van bedrijven een omzetverlies van meer dan 20 procent geleden ten opzichte van het voorgaande jaar.1
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
De economie heeft eerder grote veerkracht getoond en naar verwachting zal ook richting de zomer het herstel snel doorzetten. Zodra dat moment aanbreekt, is afbouw van de steun verstandig en noodzakelijk. Het kabinet is voornemens in het vierde kwartaal te beginnen met afbouw, en gaat ervan uit dat de epidemiologische situatie dit toelaat. Steun die te lang wordt doorgezet, zal het potentieel van de Nederlandse economie op de langere termijn schaden. Het kabinet heeft daarbij ook in het achterhoofd dat dit geld niet meer aan andere doelen besteed kan worden. Aan de andere kant bestaat er nog veel onzekerheid over de nabije toekomst en hebben ondernemers vanwege de coronacrisis moeten interen op hun reserves. Nog niet alle problemen zijn voorbij. In deze context is het kabinet voornemens om het steunpakket in het derde kwartaal van dit jaar onverkort door te trekken, in de wetenschap dat het pakket zal meebewegen met het voorziene herstel. Daarnaast worden enkele maatregelen genomen die significant bijdragen aan de solvabiliteit van bedrijven en daarmee het toekomstperspectief voor Nederlandse bedrijven verbeteren.
3. Het steun- en herstelpakket in het derde kwartaal
NOW 3 20% 85% 2x 10% 40% TVL Q2 30% 100%
Voorstel derde kwartaal 2021 NOW 4 20% 85% 2x 10% 40% TVL Q3 30% 100%
€ 550.000
€ 550.000
€ 1.200.000
€ 600.000
- min. vergoeding € 1.500 - mkb en niet-mkb - vastelasten-drempel € 1.500
- min. vergoeding € 1.500 - mkb en niet-mkb - vastelasten-drempel € 1.500
Tweede kwartaal 2021 NOW Omzetdrempel Subsidiepercentage Dagloon Vrijstelling Opslag TVL Omzetdrempel Subsidiepercentage Max. subsidiebedrag mkb (cap)* Max. subsidiebedrag grote bedrijven (cap)* Overig * maximum subsidiebedrag voor hele steunperiode is € 1,8 miljoen (staatssteunplafond)
Dit cijfer is het ongewogen gemiddelde voor de sectoren handel, bouwnijverheid, horeca, vervoer en opslag, informatie en communicatie en nijverheid (delfstoffenwinning, industrie, energievoorziening, waterbedrijven en afvalbeheer). Dit betreft het merendeel van de sectoren in de Nederlandse economie. 1
Pagina 4 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
3.1. NOW
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
De NOW stelt werkgevers in staat om bij terugvallende omzet de loonkosten te kunnen blijven betalen en daarmee banen te behouden. Hieronder gaan we nader in op de verlenging van de NOW en schetsen we de dilemma’s die een rol spelen bij de vormgeving van deze regeling. Verlenging van de NOW Om werkgevers zoveel mogelijk te ondersteunen is het kabinet voornemens de loonsubsidie onaangepast te verlengen met een periode van drie maanden. Dat betekent dat de NOW 4 zal lopen van 1 juli tot en met 30 september 2021 en dat net als de NOW 3 het maximale vergoedingspercentage 85% en de loonsomvrijstelling 10% van de loonsom zal zijn. Ook blijft het minimale omzetverlies om voor de NOW in aanmerking te komen 20%, de forfaitaire opslag 40% en de maximale vergoeding per werknemer twee keer het maximum dagloon. Als nieuwe referentiemaand voor de loonsom wordt februari 2021 gehanteerd omdat deze maand een representatiever beeld geeft van de huidige loonsom. De oude referentiemaand (juni 2020) wordt voor de NOW 4 losgelaten. Dilemma’s binnen de NOW Sinds 7 oktober 2020 kunnen ondernemers hun aanvraag voor vaststelling van de NOW 1 doen, en vanaf 15 maart 2021 voor de NOW 2. Tot nu toe zijn er ongeveer 60.000 aanvragen voor een vaststelling ingediend. Bij de vaststelling wordt er gekeken naar het definitieve omzetverlies en de daadwerkelijk gemaakte loonkosten.
Als het omzetverlies lager is dan verwacht ten tijde van de aanvraag van de subsidie en/of als de loonkosten ten opzichte van de referentiemaand zijn gedaald, is de definitieve subsidie mogelijk lager dan het reeds uitgekeerde subsidievoorschot. In dat geval kunnen ondernemers worden geconfronteerd met een terugvordering. Een dergelijke terugvordering komt voort uit de opzet van de NOW-regeling waarin een subsidie wordt verstrekt met als doel het in dienst houden van de werknemers en waarvan de hoogte is gerelateerd aan de hoogte van het omzetverlies. Om werkgevers daarbij snel te kunnen voorzien van liquide middelen, is er aan het begin van de pandemie voor gekozen een voorschot uit te keren, op basis van het verwachte omzetverlies en een referentieloonsom. Desalniettemin begrijpt het kabinet dat het in deze moeilijke tijd lastig is als er een terugvordering op de mat valt, terwijl ondernemers vaak alle zeilen moeten bijzetten om hun bedrijf staande te houden. Ook ziet het kabinet dat de schuldenlast van ondernemers hoog is en dat de huidige berekening van de NOWsubsidie daaraan kan bijdragen. Om de ondernemers hierin deels tegemoet te komen, is gekeken naar eventuele mogelijkheden om de NOW te verruimen.
Deze sectie gaat in op twee mogelijke aanpassingen van de NOW die het gevoel van onrechtvaardigheid bij werkgevers kunnen beperken en tegelijkertijd de solvabiliteit van werkgevers kunnen vergroten: (1) een andere manier van berekenen van de definitieve subsidie in het geval van een gedaalde loonsom. (2) de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) niet langer tot het omzetbegrip voor de NOW rekenen. Pagina 5 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
Het kabinet kiest, om werkgevers in deze fase extra ademruimte te bieden, voor optie 2: het uitzonderen van de TVL van het omzetbegrip binnen de NOW. Onderstaand wordt nader ingegaan op de voordelen, nadelen en risico’s van beide opties en hoe het kabinet tot de keuze voor optie 2 gekomen is.
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
1) Berekening van NOW-subsidie bij gedaalde loonsom werkgever De NOW-subsidie is erop gericht werkgelegenheid ten tijde van de coronacrisis zoveel mogelijk te behouden. Om die reden wordt bij de berekening van het definitieve subsidiebedrag gecorrigeerd voor een eventueel gedaalde loonsom, waarbij er geen rekening wordt gehouden met het omzetverlies. Anders gezegd, om een werkgever te stimuleren zoveel mogelijk werkgelegenheid te behouden leidt een loonsomdaling voor een werkgever maar voor een klein deel (10%) tot een kostenbesparing, en voor het overige deel (90%) tot een vermindering van de subsidie. Hiervoor is mede gekozen vanuit de gedachte dat de werkgever met bijvoorbeeld 40% omzetverlies voor 60% zelf de loonkosten kan betalen en alleen voor de overige 40% subsidie nodig heeft. Het dalen van de loonsom verandert niets aan de draagkracht van een ondernemer op basis van de resterende omzet: hij of zij wordt geacht nog steeds hetzelfde bedrag uit de loonsom zelf te kunnen betalen. Op deze manier wordt de werkgever geprikkeld zo veel mogelijk werknemers in dienst te houden.
Dit onderwerp is eerder aan de orde gekomen in de beantwoording van Kamervragen van zowel het lid Bruins als het lid Stoffer over dit onderwerp.2 De ervaring leert inmiddels dat er nog veel onbegrip bestaat over de vaststellingsberekening van de NOW en dat (de hoogte van) een terugvordering voor veel ondernemers als een verrassing komt. Hoewel ongeveer 20% van de terugvorderingen mede wordt veroorzaakt door een loonsomdaling, is een ruwe schatting dat om en nabij een derde van alle gemaakte bezwaren gaat over een foutieve berekening, bijvoorbeeld door een gedaalde loonsom.3 En de verwachting is dat die klachten en bezwaren, en daarmee de druk op UWV, nog zullen toenemen. Als mogelijke tegemoetkoming aan werkgevers zou UWV in de vaststelling van de subsidie bij een eventuele correctie voor een loonsomdaling alsnog rekening kunnen houden met het daadwerkelijk geleden omzetverlies. Wanneer een werkgever bijvoorbeeld 20% omzetverlies heeft, zou de gedaalde loonsom kunnen worden gecorrigeerd met 0,2. Correcties van een andere vorm zijn voor UWV niet uitvoerbaar. Door een dergelijke aanpassing worden de gevolgen van een loonsomdaling op de hoogte van de subsidie (veel) minder groot maar komt ook de doelstelling van de NOW – behoud van werkgelegenheid – onder druk te staan.
Gevolg van deze aanpassing zou namelijk zijn dat er in sommige gevallen sprake kan zijn van overcompensatie: op basis van de ontvangen subsidie samen met de overgebleven omzet, zou van een grotere loonsom sprake moeten zijn dan de werkgever daadwerkelijk heeft. Daarmee zou de NOW 4 ook een groter risico op misbruik en oneigenlijk gebruik kennen. Het ontslaan van personeel heeft door de 2 3
Kenmerk 2021Z03456 en 2021Z03455 Kamerstuk 35420, nr. 236 Pagina 6 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
andere berekeningswijze immers minder gevolgen voor de hoogte van de subsidie, of wordt mogelijk zelfs gestimuleerd.
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
Bovendien geldt voor deze berekening dat werkgevers met hogere percentages omzetverlies (en een gedaalde loonsom) minder profijt zouden hebben van de aanpassing. Enerzijds zorgt dat voor een prikkel om de loonsom in stand te houden, anderzijds zouden bedrijven die het zwaarst getroffen zijn door de crisis het minst zijn geholpen met deze systematiek. Dit terwijl het aannemelijk is dat juist de zwaarst getroffen bedrijven de loonsom hebben (moeten) laten dalen. Overleg met UWV heeft uitgewezen dat het, zoals het er nu naar uitziet, voor UWV mogelijk is om een dergelijke aanpassingsactie met terugwerkende kracht vanaf NOW 1 in het najaar 2021 uit te voeren. UWV geeft daarbij aan dat de keuze voor aanpassing van de berekening dan wel nu moet worden gemaakt. Langer wachten betekent een toenemend aantal vaststellingen van subsidies en dat maakt een aanpassingsactie voor UWV niet meer te behappen. Een gemakkelijk en fraai proces wordt het echter ook bij tijdige besluitvorming niet. Concreet betekent het dat UWV een aanpassingsactie uit moet voeren voor circa 20.000 subsidies die al zijn vastgesteld en waarbij sprake was van een gedaalde loonsom. Deze aanpassing zou veel vergen van UWV, en zou dan ook verschillende uitvoeringstechnische consequenties met zich mee brengen.
Zo zullen sommige ondernemers langer moeten wachten voordat zij een vaststelling kunnen aanvragen en zullen ze in sommige gevallen langer moeten wachten op uitsluitsel of een eventuele nabetaling. Bovendien is het voor UWV niet uitvoerbaar om eventuele nabetalingen die volgen uit de aanpassingsactie te verrekenen met nog openstaande terugvorderingen van werkgevers. Een werkgever moet in zo’n geval dus gewoon de terugvordering betalen en ontvangt de nabetaling op een ander moment. Tot slot bestaat er ook een juridisch risico met mogelijke uitvoeringsgevolgen, doordat achteraf de regels voor de vaststelling van de subsidie zouden worden veranderd. Werkgevers die vanwege de toen gehanteerde systematiek geen aanspraak hebben gemaakt op de NOW zouden zich met een beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen wenden tot de rechter om alsnog aanspraak op de NOW te maken onder de nieuwe systematiek. Dat zou mogelijk zorgen voor extra druk op UWV, dat heeft aangegeven de toekenning van eventuele toegewezen schadeclaims die hier mogelijk uit volgen niet uit te kunnen voeren en waarvoor dus een andere oplossing zou moeten worden gezocht.
Tegelijkertijd is overigens wel de verwachting dat op termijn de druk op het Klant- en contactcentrum en de Beroep- en Bezwaarafdeling zal afnemen met deze aanpassing in de regeling, aangezien het eerder uitgekeerde voorschotbedrag vaker zal aansluiten bij de verwachting van ondernemers. De budgettaire effecten worden ingeschat op circa 1,5-2 miljard euro voor de totale looptijd van de NOW (2020-2021). De exacte budgettaire gevolgen zijn onzeker, zolang de vaststellingen voor de NOW-tranches nog niet hebben plaatsgevonden.
Pagina 7 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
2) Aanpassen omzetbegrip NOW: uitzonderen TVL De tweede denkbare aanpassing is de TVL niet langer tot het omzetbegrip voor de NOW rekenen. Op dit moment telt de TVL wel altijd mee als omzet voor de NOW, hetgeen gevolgen heeft voor de hoogte van de NOW-subsidie die immers gerelateerd is aan de mate van omzetverlies. 4
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
Deze interactie tussen de NOW en de TVL is al eerder erkend en beschreven in Kamerbrieven en in debatten.5 De TVL is in het vierde kwartaal van 2020 verder opgehoogd, onder andere om voor die interactie te compenseren. Daarna is de TVL echter nog vaker (fors) verhoogd, waarmee het punt van de interactie tussen de NOW en TVL opnieuw en met meer urgentie in beeld is gekomen. Hoe hoger de TVL, hoe hoger de omzet en hoe lager het omzetverlies en de bijbehorende NOWsubsidie. Door de TVL uit te zonderen van het omzetbegrip wordt de relevante omzet voor de NOW verlaagd, waardoor een hoger recht op NOW-subsidie ontstaat. Hierdoor wordt de solvabiliteitspositie van bedrijven verbeterd. Deze aanpassing kan worden geregeld vanaf de NOW 3, en zal dan effect hebben op de hoogte van de nog vast te stellen subsidie. Het is niet wenselijk om deze maatregel ook met terugwerkende kracht in te voeren vanaf de NOW 1.6 Daardoor zou de uitvoering door UWV en Uitvoering van Beleid (UVB) te veel worden belast. Anders dan de aanpassing met betrekking tot de loonsomdaling, die na een systeemaanpassing automatisch kan worden gerealiseerd, moet in dit geval alles ‘met de hand’ opnieuw worden vastgesteld. In deze handmatige complete herziening van de eerdere beslissing is geheel niet voorzien. Een aanpassingsoperatie is daarmee heel complex, zo niet onuitvoerbaar.
De administratieve lasten voor bedrijven zouden hiermee danig worden verhoogd, doordat ook aanpassing van de derdenverklaringen en accountantsverklaringen nodig is. De maximale hoogte van de TVL (en daarvoor de TOGS) was ten tijde van de NOW 1 en NOW 2 echter nog beperkt, waardoor de lasten niet opwegen tegen de baten. Met terugwerkende kracht het omzetbegrip aanpassen is daarom minder urgent en weegt niet op tegen de lasten. Dat betekent dat het resultaat van deze aanpassing zich pas laat zien vanaf de vaststellingen van de NOW 3, die conform de huidige planning vanaf het najaar van 2021 tot medio 2022 kunnen worden aangevraagd. Voor de vaststellingen van de NOW 1 en NOW 2 heeft deze variant geen effect. Uiteraard kunnen werkgevers bij de aanvraag van het subsidievoorschot van de NOW 4 (derde kwartaal 2021) en eventueel ook nog voor de derde tranche van NOW 3 (die ziet op het tweede kwartaal van 2021) bij het verwachte omzetverlies rekening houden met het aangepaste omzetbegrip. Aan deze aanpassing is, net als bij de eerste optie, een juridisch risico verbonden. De regels voor de vaststelling van de omzet worden namelijk achteraf aangepast. Het kan zijn dat werkgevers een andere keuze hadden willen maken als zij van tevoren hadden geweten van deze verandering. Zij zouden zich met een beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen wenden tot de rechter. In tegenstelling tot de
4 5 6
Kamerstuk 35420, nr. 237 Kamerstuk 35420, nr. 217 In de NOW 1 konden ondernemers aanspraak maken op de TOGS, de voorloper van de TVL. Pagina 8 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
eerste optie, is de inschatting dat dit bij slechts een beperkt aantal werkgevers het geval zou kunnen zijn.
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
De budgettaire effecten worden ingeschat op grofweg 1,5 miljard euro voor invoering vanaf de NOW 3 (Q4 2020-Q3 2021). De exacte budgettaire gevolgen zijn voorlopig onzeker. Dat komt omdat de uitgaven afhankelijk zijn van het toekomstig aantal aanvragen NOW en pas duidelijk worden zodra alle vaststellingen voor de NOW 3 en NOW 4 hebben plaatsgevonden. Conclusie Zowel de aangepaste berekening bij loonsomdaling als de TVL uitzonderen van het omzetbegrip kunnen ervoor zorgen dat werkgevers meer ademruimte hebben, en die ruimte kan net het benodigde steuntje in de rug betekenen. Het kabinet is echter van mening dat de optie met betrekking tot de loonsomdaling te grote risico’s met zich meebrengt. Zowel op juridisch terrein, voor de uitvoering door UWV, als op het terrein van misbruik en oneigenlijk gebruik. Bovendien komt vanwege de risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik de doelstelling van behoud van werkgelegenheid onder druk te staan. Alle voor- en nadelen van beide opties overwegende, kiest het kabinet ervoor om de TVL-subsidie uit te zonderen van het omzetbegrip binnen de NOW-regeling voor NOW 3 en NOW 4. Dit betekent dat werkgevers die NOW 3 en NOW 4 aanvragen of hebben aangevraagd, geen rekening meer hoeven te houden met ontvangen TVL-subsidie bij de vaststelling van de NOW-subsidie.
Het kabinet hoopt dat zij met deze maatregel ook recht doet aan het gevoel van onrechtvaardigheid dat sommige werkgevers ervaren, wanneer zij een deel van de NOW-subsidie moeten terugbetalen omdat werkgevers tevens ondersteuning voor de vaste lasten hebben ontvangen. Hieronder gaat het kabinet met een rekenvoorbeeld nader in op hoe deze maatregel kan uitpakken voor een doorsnee café en filmhuis.
Rekenvoorbeelden Café-onderneming • Een doorsnee caféonderneming met per kwartaal een omzet van €120.000, een loonsom7 van €20.650 en €30.0008 aan vaste lasten krijgt bij een omzetverlies van 40% in Q3 2021 voor dat kwartaal in totaal €21.833 aan subsidie vanuit de TVL en NOW (€12.000 TVL + €9.833 NOW). Wanneer de TVL wel als omzet zou gelden voor de NOW, zou de subsidie in totaal €19.375 zijn (€12.000 TVL + €7.375 NOW). De ondernemer gaat door de aanpassing van het omzetbegrip er per saldo €2.458 op vooruit. • Bij een omzetverlies van 100% in het derde kwartaal van 2021 ontvangt deze onderneming voor dat kwartaal in totaal €54.582 aan subsidie vanuit de TVL en NOW (€30.000 TVL + €24.582 NOW). Wanneer de TVL wel als omzet zou gelden voor de NOW zou de subsidie in totaal €48.437 zijn (€30.000 TVL + €18.437 NOW). De ondernemer gaat er door de aanpassing van het omzetbegrip per saldo €6.146 op vooruit.
De loonsommen zijn gebaseerd op de totale personele kostenpercentages van de betreffende sectoren, gecorrigeerd voor de verschillen tussen de bij de NOW gebruikte loonsom uit de Polisadministratie en de bijkomende personele lasten à 40%. (Bron: CBS Statline) 8 Hierbij is uitgegaan van de vastelastenpercentages die bij de TVL worden gehanteerd, welke zijn gebaseerd op CBS-data op 2-digitniveau. Voor eet- en drinkgelegenheden is dit 25% en voor filmhuizen 72%. 7
Pagina 9 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
Filmhuis • Een filmhuis met per kwartaal een omzet van €174.000, een loonsom van €18.600 en €125.300 aan vaste lasten, krijgt bij een omzetverlies van 40% in het derde kwartaal van 2021 voor dat kwartaal in totaal €58.986 aan subsidie vanuit de TVL en NOW (€50.112 TVL + €8.874 NOW). Wanneer de TVL wel als omzet zou gelden voor de NOW, zou de subsidie in totaal €50.112 zijn. De ondernemer zou dan alleen subsidie vanuit de TVL ontvangen, maar niet vanuit de NOW9. De ondernemer gaat door de aanpassing van het omzetbegrip er per saldo €8.874 op vooruit. • Bij een omzetverlies van 100% in Q3 2021 ontvangt deze onderneming voor dat kwartaal in totaal €147.465 aan subsidie vanuit de TVL en NOW (€125.280 TVL + €22.185 NOW). Wanneer de TVL wel als omzet zou gelden voor de NOW zou de subsidie in totaal €131.492 zijn (€125.280 TVL + €6.212 NOW). De ondernemer gaat door de aanpassing van het omzetbegrip er per saldo €15.973 op vooruit.
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
3.2. TVL Uitvoering van de TVL tot nu toe De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) heeft sinds de invoering van de TVL in juni 2020 in drie TVL-openstellingen ruim 3,7 miljard euro steun aan ondernemers toegekend. Tot 19 mei 2021 heeft RVO 251.000 steunaanvragen ontvangen. In het eerste kwartaal van 2021 zijn ruim 113.000 aanvragen gedaan. De openstelling van de TVL voor Q2 2021 staat voor de tweede helft van juni op de planning. De TVL-subsidiepercentages zijn meerdere keren verhoogd toen de coronamaatregelen strenger werden en de lockdown (en later ook avondklok) van kracht waren. Bij een omzetdaling van ten minste 30% ontving de ondernemer in Q3 2020 een tegemoetkoming in de vaste lasten van 50% naar rato van de omzetdaling. In Q4 2020 is het subsidiepercentage van 50% aangepast naar een oplopend percentage van 50 tot 70%. In Q1 2021 is deze nog verder verhoogd naar een vlak percentage van 85%, tot uiteindelijk 100% in Q2 2021. Dilemma’s binnen de TVL De TVL stelt ondernemers in staat om hun vaste lasten ook in een tijd met minder of zelfs geen inkomsten te kunnen blijven betalen.
Het kabinet heeft te maken met een aantal dilemma’s op het gebied van de TVL: • Verlenging van de TVL in huidige vorm • De roep om maatwerk • Sectorspecifieke afbakening is complex • Risicobeheersing • Grote bedrijven ervaren onevenredige steun Verlenging TVL Nu de lockdown is opgeheven en de economie grotendeels open is, staat het kabinet voor het dilemma of dit ook het moment is om de subsidiepercentages in de TVL weer langzaam te verlagen of komend kwartaal nog gelijk te houden. Dit is
Doordat de TVL-subsidie meetelde als omzet binnen de NOW, was deze ondernemer niet aan de 20% omzetverliesdrempel gekomen van de NOW en daarom geen subsidie ontvangen vanuit de NOW. 9
Pagina 10 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
een lastige afweging, omdat zowel afbouwen als doortrekken van de TVL voor- en nadelen kennen.
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
Enerzijds zien we nu al dat er situaties zijn waar het vergoedingspercentage van 100% leidt tot overcompensatie en aanpassingen aan economische ontwikkelingen kan remmen. De berekening van de vaste lasten van een ondernemer wordt gebaseerd op een gemiddelde schatting van de vaste lasten van de betreffende sector. De vergoeding is dus niet gebaseerd op de daadwerkelijke lasten van ondernemers. Bij een vergoedingspercentage van 100% van deze gemiddelde vaste lasten valt voor sommige ondernemers de vergoeding daarom lager uit dan hun daadwerkelijke vaste lasten. Maar voor sommigen juist hoger, waardoor deze ondernemers overgecompenseerd worden. Een verlaging van het subsidiepercentage verkleint deze overcompensatie en kan de ondernemer daarnaast extra stimuleren om zich geleidelijk aan te passen aan veranderingen als gevolg van de pandemie die mogelijk ook op de lange termijn blijven bestaan. Bovendien zijn bij een vergoedingspercentage van minder dan 100% andere partijen in de keten (zoals leveranciers of verhuurder) meer geneigd om in de pijn te delen. Indien de ondernemer wel in zijn kosten kan snijden, zal deze overgecompenseerd worden (omdat dit niet leidt tot een lagere vergoeding). Anderzijds blijft de TVL nodig voor ondernemers in sectoren die maar gedeeltelijk open zijn.
Ook ademt de regeling in zijn huidige vorm mee met de ontwikkelingen van het virus: de TVL is afhankelijk van het geleden omzetverlies van een ondernemer. Met de huidige economische vooruitzichten is de verwachting dat in het derde kwartaal steeds meer ondernemers terug kunnen naar hun normale omzetniveau. De vergoeding voor vaste lasten hebben zij dan niet meer nodig. Een nadeel van afbouwen is echter dat ondernemers die nog niet of slechts gedeeltelijk open kunnen vanwege de contactbeperkende maatregelen, minder ruim gecompenseerd worden. Een andere optie is om af te bouwen door de omzetdrempel van de TVL te verhogen. Dit brengt het nadeel met zich mee dat bedrijven die nu gedeeltelijk open kunnen, en dus niet op hun gebruikelijke omzetniveau zitten, buiten de boot zouden kunnen vallen omdat zij de omzetdrempel niet halen. Dit terwijl zij door de coronacrisis al hebben moeten interen op hun reserves. Beide opties stellen het kabinet voor een complexe afweging. De overweging dat ondernemers in sectoren die nog steeds maar gedeeltelijk open zijn en al ruim een jaar zwaar getroffen zijn (zoals de horeca en de evenementensector) nog steeds afhankelijk zijn van de TVL, brengt het kabinet ertoe in beginsel de huidige percentages te handhaven voor Q3. Het kabinet is dus voornemens de TVL per 1 juli 2021 te verlengen met één kwartaal (TVL3), zonder aanpassingen.
Dit biedt ondernemers ook de ruimte om zich voor te bereiden op mogelijke wijzigingen in en afronding van het steunpakket in het vierde kwartaal.10 Het vergoedingspercentage blijft 100% en de omzetdervingsdrempel van 30% blijft gehandhaafd. De regeling blijft in het derde kwartaal ook openstaan voor nietmkb bedrijven. Het maximumbedrag dat een mkb-ondernemer kan ontvangen Het doorzetten van het steun- en herstelpakket komt ook ten goede aan de groepsaccommodaties conform de motie van het lid Stoffer (Kamerstukken 25295 nr. 1213) en hiermee reageert het kabinet ook op het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken Een Klimaat (kenmerk 2020Z18416/2020D43467) 10
Pagina 11 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
blijft 550.000 euro en voor grote bedrijven wordt dit 600.000 euro. In het derde kwartaal blijft het ook mogelijk om als referentiekwartaal Q3 2020 in plaats van Q3 2019 te kiezen.
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
De roep om maatwerk De afgelopen maanden is de roep om maatwerk toegenomen. Dat is begrijpelijk. Sommige ondernemers vallen tussen wal en schip: ze ontvangen geen steun, terwijl ze wel door coronamaatregelen getroffen zijn. En dat kan onredelijk voelen. Een generieke maatregel heeft als voordeel dat veel ondernemers snel geholpen kunnen worden, maar als nadeel dat niet voor ieder bedrijf een oplossing gevonden kan worden. Maatwerk is vanwege de omvang van de regeling helaas niet mogelijk. Daarom heeft het kabinet met diverse aanpassingen in de afgelopen tijd geprobeerd de generieke maatregelen zo aan te passen dat ook deze ondernemers hiermee ondersteund worden. Denk bijvoorbeeld aan het verlagen van de vaste lasten drempel, de openstelling voor niet-mkb bedrijven en de aanpassing van de referentiesystematiek, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 17 mei jl.11 Daarnaast is een aparte startersregeling geïntroduceerd.
Deze wordt zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 17 mei vanaf het tweede kwartaal geïntegreerd in de TVL.12 Uw Kamer is eerder uitgebreid geïnformeerd over de dilemma’s rondom de TVL en uitvoering daarvan in het Verslag van een schriftelijk overleg over de uitvoeringsproblemen rondom het steunpakket bij RVO.13 Sectorspecifieke afbakening is complex Een andere vraag is of steun meer gericht kan worden door te differentiëren per sector door middel van Standaard Bedrijfsindeling (SBI) codes. Er zijn immers sectoren die meer getroffen worden dan andere sectoren. Een sectorale TVL is echter geen optie gebleken. De TVL en de TOGS hadden een sectorale opzet met focus op de direct gesloten sectoren. Nadeel hiervan bleek dat de afbakening steeds willekeuriger werd gevoeld naarmate de sluiting langer duurde. Toeleveranciers kwamen bijvoorbeeld door deze afbakening niet in aanmerking, want zij waren niet direct gesloten. Hoe langer de crisis duurde, hoe groter echter het effect werd voor de indirect getroffen bedrijven. Tevens bleken SBI-codes niet altijd eenduidig ingedeeld of geregistreerd. Hierdoor vielen ondernemers, die wel direct geraakt werden door de coronacrisis, buiten de boot. Deze ondernemers haalden terecht hun gelijk bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). In Q4 van 2020 is de TVL-regeling daarom opengesteld voor alle sectoren.
Hoe graag het kabinet ook op grote schaal maatwerkoplossingen zou willen bieden, zit er een grens aan wat juridisch en uitvoeringstechnisch haalbaar is. Zeker als we ook willen zorgen dat ondernemers de vergoeding snel uitbetaald krijgen. Het terugbrengen van een onderscheid naar sectoren vraagt om een afbakening die niet of nauwelijks is te maken is. Waar leg je de grens, wie wel en wie niet, hoe ver in de keten neem je leveranciers mee, hoe baken je een sector precies af? Naast de beleidsmatige nadelen leidt dit tot veel juridische bezwaarKamerstuk 35420, nr. 270 Hiermee reageert het kabinet ook op het verzoek van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat (kenmerk 2021Z06635) 13 Kamerstuk 35420, nr. 266 11 12
Pagina 12 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
en beroepsprocedures. Die maken een goede en snelle uitvoering onmogelijk. Daarom heeft het kabinet ook voor het derde kwartaal van 2021 niet voor een sectorspecifieke afbakening of ander maatwerk van de TVL gekozen.
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
Vanwege de onmogelijkheid om op grote schaal maatwerk te bieden, is het onvermijdelijk dat een deel van de steun ondoelmatig en/of niet-noodzakelijk is. Het doel van de TVL is om ondernemers die als gevolg van corona omzetverlies lijden, te ondersteunen bij de bekostiging van hun vaste lasten. In de praktijk zijn er echter ook bedrijven die vanwege bedrijfseconomische redenen (bijvoorbeeld vanwege de Brexit) omzetverlies hebben. Aangezien er geen onderscheid gemaakt kan worden, worden ook zij ondersteund. Ook worden er bedrijven ondersteund die in één of twee van de kwartalen een omzetverlies hadden van tenminste 30%, maar over het geheel van 2020 omzetgroei hadden. Het ondersteunen van deze verschillende groepen bedrijven is onvermijdelijk, omdat meer maatwerk onmogelijk is binnen de TVL. Het dient wel meegenomen te worden in de overwegingen voor verlenging van steun, want naarmate de coronacrisis afloopt zal het ondoelmatige aandeel vanuit deze groepen verder alsmaar stijgen. Bovendien zijn er ook tijdens normale economische tijden bedrijven met omzetfluctuaties. Risicobeheersing Het is ten slotte helaas onontkoombaar gebleken dat bij een regeling als deze (groot in omvang en snel in de uitvoering) sprake is van enkelen die misbruik proberen te maken van de ruimhartig opgezette steunmaatregelen.
Grotendeels wordt dit voorkomen door de uitgebreide en steeds beter werkende controles van RVO vooraf, tussentijds en achteraf, maar soms glippen er frauduleuze aanvragen doorheen. RVO treedt hier ook hard tegenop en doet aangifte bij vermoeden van fraude. Zie hiervoor ook de Kamerbrief Risicobeheersing TVL van 14 januari jl.14 Grote bedrijven ervaren onevenredige steun Sinds het eerste en tweede kwartaal van 2021 kunnen ook niet-mkb bedrijven (meer dan 250 werknemers) gebruikmaken van de TVL Q1 2021. Deze grote bedrijven kunnen per groep verbonden ondernemingen één aanvraag indienen, van maximaal 600.000 euro. Voor mkb bedrijven geldt echter dat zij per werkmaatschappij/dochterbedrijf een aanvraag kunnen indienen van maximaal 550.000 euro, tot het staatssteunplafond van 1,8 miljoen euro is bereikt voor de groep waar de ondernemingen onder vallen. De TVL is zo ingericht, omdat grote bedrijven betere toegang hebben tot financiële middelen via de kapitaalmarkt. Daarnaast kunnen grote bedrijven als fiscale eenheid makkelijker met omzet schuiven tussen bv’s. Het kabinet realiseert zich echter ook dat grote bedrijven dit als onevenredig kunnen ervaren, omdat enkele mkb-bedrijven nu de facto aanspraak kunnen maken op een hoger bedrag dan grote bedrijven.
Een mogelijke oplossing hiervoor is het verhogen van het maximum subsidiebedrag voor grotere bedrijven in de TVL voor het tweede kwartaal. Door dit te verhogen met 600.000 euro gaat het maximumsubsidiebedrag voor grote 14
Kamerstuk 35420, nr. 210 Pagina 13 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek
bedrijven naar 1,2 miljoen euro. De verwachte kosten voor het verhogen van de maximum subsidie voor de grote bedrijven in het tweede kwartaal bedragen 70 miljoen euro.
Ons kenmerk CE-AEP / 21140598
Dit heeft voor- en nadelen. Het voordeel is dat het de ongelijkheid vermindert tussen grote bedrijven en mkb-bedrijven, ook al is het voor veel bedrijven waarschijnlijk nog steeds niet toereikend. Nadeel is dat dit een nieuwe ongelijkheid creëert met het mkb zonder dochterondernemingen, voor wie het maximum niet wordt verhoogd en dat bedrijven door deze verhoging al in het tweede kwartaal aan het staatssteunplafond van 1,8 miljoen euro kunnen komen. Dit betekent dat ze geen TVL-subsidie meer kunnen ontvangen in het derde kwartaal van 2021. Alles afwegende heeft het kabinet besloten de cap voor het tweede kwartaal van 2021 eenmalig te verhogen. 3.3. Groot(winkel)bedrijven In januari 2021 is besloten de TVL ook open te stellen voor het niet-mkb. De TVL was daarvoor gericht op het mkb, omdat grotere bedrijven doorgaans beter in staat zijn zelf financiering te regelen, ze schaalvoordelen kennen en over het algemeen een sterkere onderhandelingspositie hebben in de keten (om zo hun doorlopende vaste lasten te beperken). Maar door de maatregelen teert een deel van de grote en middelgrote bedrijven inmiddels al geruime tijd op hun buffers in. Toegang tot marktfinanciering is door een verslechterde solvabiliteitspositie voor een deel van deze bedrijven daardoor soms moeilijker. Daarom is in januari 2021 besloten de TVL op dit punt uit te breiden. Dit leidt echter tot nieuwe dilemma’s.
Het maximum subsidiebedrag resulteert bij grote ketens tot minder steun per filiaal dan kleine bedrijven uit dezelfde sectoren per filiaal ontvangen als compensatie voor hun vaste lasten. Ook uw Kamer vraagt hiervoor aandacht. Zo hebben de leden Stoffer en Van Haga in een motie15 de regering verzocht de financiële steun voor filiaalbedrijven zo snel mogelijk te verruimen. Daarom is zoals onder meer aangegeven in de Kamerbrief op 12 maart jl.16 nader bekeken in hoeverre aanvullende ondersteuning van de grote bedrijven (naast de bestaande steunmaatregelen als de NOW) nodig, wenselijk en haalbaar is. Het is echter lastig om zicht te krijgen op de omvang van de daadwerkelijke problematiek. Er blijken grote verschillen tussen de bedrijven. Hoewel er nog altijd grote bedrijven zijn waar nog steeds weinig kan, is voor de meeste grote bedrijven, waaronder de winkelketens, al meer mogelijk. Hoewel het kabinet ziet dat de veerkracht van het Nederlandse bedrijfsleven groot is en een toename aan faillissementen uit lijkt te blijven, realiseert het kabinet zich dat de laatste lockdown een flinke tegenslag was. Maatwerksteun Om faillissementen bij maatschappelijk relevante levensvatbare bedrijven te voorkomen biedt het bestaande maatwerktraject voor steun, zoals toegelicht in
15 16
Kamerstuk 25295, nr. 1122 Kamerstuk 35420, nr. 248 Pagina 14 van 47
Chief Economist Directie Algemene Economische Politiek Ons kenmerk
Kamerbrieven van 1 mei 202017 en 12 maart 2021,18 een gerichte en CE-AEP / 21140598 kostenefficiënte oplossing. Steun aan grote bedrijven vergt maatwerk en het afwegingskader biedt reeds de mogelijkheid om impact op het straatbeeld/winkelaanbod en werkgelegenheidseffecten mee te wegen bij eventuele steunverlening. Deze aanpak is afgebakend tot in de kern gezonde ondernemingen, die door coronamaatregelen in de problemen zijn gekomen en die zonder steun onnodig failliet gaan. Maatwerk is in principe een laatste redmiddel. Zo is het niet bedoeld voor bedrijven die het nu moeilijk hebben maar niet op omvallen staan. Ook wordt een maximale bijdrage van eigenaren, schuldeisers en andere stakeholders gevraagd, voordat bekeken wordt welke overheidsbijdrage nodig en mogelijk is. Deze voorwaarden zijn bewust gekozen zodat aanvullende maatwerksteun alleen in beeld komt als het echt nodig is om onnodige faillissementen te voorkomen en tegelijkertijd zeker te stellen dat ook andere stakeholders hier een bijdrage aan leveren. Gegeven de bewerkelijkheid per casus en de benodigde specialistische kennis vraagt de behandeling van steunverzoeken veel capaciteit van de overheid. Als de aanvragen toenemen kan de capaciteit worden opgeschaald, al zijn de mogelijkheden hiertoe beperkt.