A-2 Brief Mts Van de Langemeen inzake leefgebieden zwarte specht en draaihals d.d. 8-2-22.pdf
Tekst van het document
1.5
Remediëring door hydrologisch herstel
Meer dan de helft van de habitattypes in Vlaanderen is afhankelijk van grond‐ of oppervlaktewater en ruim 80% van de habitatdeelgebieden bevatten een aanzienlijke oppervlakte habitat dat afhankelijk is van grond‐ of oppervlaktewater (De Becker & Adriaens 2015). De beschikbaarheid van nutriënten en de mate van verzuring worden in deze habitattypes sterk bepaald door hydrologische processen. In die mate zelfs dat andere herstelmaatregelen tegen de effecten van atmosferische stikstofdepositie nauwelijks zin hebben als niet eerst de hydrologie wordt hersteld. Hydrologisch herstel is daarom prioritair in de herstelstrategie voor waterafhankelijke habitat (Jansen et al. 2014) en er werd in het Nederlandse rapport om deze reden een afzonderlijk onderdeel gewijd aan de biogeochemische mechanismen in natte ecosystemen (Bobbink et al. 2014; http://pas.natura2000.nl/pages/herstelstrategieen‐deel_i.aspx). Van de complexe processen die in waterafhankelijke ecosystemen kunnen optreden, zijn er drie die een erg belangrijke terugkoppeling of buffer zijn tegen de effecten van stikstofdepositie: denitrificatie, de immobilisatie van stikstof in organisch materiaal en de aanvoer van basische kationen en bicarbonaat als buffer tegen verzuring.
Omdat deze processen bijzonder effectief zijn, is habitat dat afhankelijk is van grond‐ of oppervlaktewater geklasseerd als B‐habitat (zie onderdeel 3.3 en bijlage 1). De toevoer van nitraat bepaalt de omvang van denitrificatie in moerassen (Bartlett et al. 1979). In niet of weinig met stikstof vervuilde moerassen is dit verlies marginaal, vaak zelfs minder dan 1 kg/ha/jaar (Hemond 1983; Westermann & Ahring 1987). In door stikstof belaste moerassen kan door denitrificatie tot meer dan 100 kg/ha/jaar uit het ecosysteem verdwijnen (Bowden 1987). In moerassen is niet alleen denitrificatie belangrijk, ook de immobilisatie van stikstof kan aanzienlijk zijn. Bij een hoge grondwatertafel is de bodem zuurstofarm en vertraagt de afbraak van dood organisch materiaal, waardoor dat zich opstapelt. Moerassen zijn daarom een belangrijke sink voor koolstof en stikstof (Hill et al. 2016). Een derde belangrijk hydrologisch proces in het kader van de PAS, is de 2+ 2+ + aanvoer van bicarbonaat, Ca , Mg en K via grondwater of via oppervlaktewater. Hierdoor kan waterafhankelijke habitat bijzonder effectief gebufferd worden tegen verzuring (Wheeler et al. 2002; Witt et al. 2008). Ondanks deze processen kunnen zich in waterafhankelijke habitat ook specifieke problemen stellen door eutrofiëring met stikstof.
Zo geeft de aanrijking van grondwater met nitraat, afkomstig van depositie of van uitspoeling in het infiltratiegebied, aanleiding tot de vrijstelling van sulfaat. Sulfaat en nitraat versnellen de afbraak van veen en hebben een verhoogde beschikbaarheid van fosfaat tot gevolg (Smolders et al 2010). Een zorgvuldig hydrologisch beheer van met nitraat belaste wetlands is nodig om dergelijke eutrofiëring te voorkomen (Lucassen et al. 2005). In de vorige paragraaf werd aangehaald dat het herstel van natuurlijke overstromingen een buffer kan zijn tegen verzuring, maar in de praktijk treedt dan ook vaak vermesting op met fosfor en stikstof via vervuild slib. De kwaliteit van de meeste waterlopen is nog steeds ontroereikend om bij overstroming een goede natuurkwaliteit in de vallei te garanderen (De Bie & De Becker 2013). www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
19
De zes hydrologische herstelmaatregelen die in hoofdstuk 2 van dit rapport worden beschreven, zijn een praktische indeling op basis van de oorzaak van de verstoring waarop ze ingrijpen, niet op basis van de herstelprocessen die ze ondersteunen. De hierboven beschreven herstelprocessen treden immer vaak samen op bij één en dezelfde hydrologische herstelmaatregel. Bovendien kunnen meerdere herstelmaatregelen sterk vergelijkbare processen ondersteunen. Zo zullen de maatregelen ‘verhogen van de infiltratie’ en ‘afbouwen van grondwaterwinning’ allebei tot een stijging van het grondwaterniveau. Deze indeling heeft als bijkomend praktisch voordeel dat de mogelijke oorzaken van een verstoorde waterhuishouding, systematisch kunnen overlopen worden en tegen elkaar kunnen afgewogen worden. PAS herstelbeheer is steeds maatwerk en dit is zeker het geval voor hydrologische herstelmaatregelen. Gezien de complexiteit van de processen is voor hydrologisch herstelbeheer ook steeds een grondige voorstudie noodzakelijk (Jansen et al. 2014).
1.6
De Nederlandse herstelmaatregelen en ‐strategieën als uitgangspunt
In functie van de Nederlandse PAS werd een omvattend overzicht gepubliceerd van de wetenschappelijke kennis die betrekking heeft op het herstelbeheer (Jansen et al. 2014; zie http://pas.natura2000.nl/pages/herstelstrategieen‐deel_i.aspx). De afzonderlijke herstelmaatregelen werden voor elk habitattype gecombineerd tot een pakket, dat herstelstrategie genoemd wordt (Smits & Bal 2014; Smits et al. 2014; zie http://pas.natura2000.nl/pages/herstelstrategieen‐deel_ii.aspx). Het ligt voor de hand om de Nederlandse aanpak, herstelmaatregelen en ‐strategieën als basis te gebruiken voor de Vlaamse PAS. Nederland behoort immers net als Vlaanderen grotendeels tot de Atlantische regio van Natura 2000 (Sundseth 2010), met sterk gelijkende habitat en gelijkaardige milieudrukken. De onderbouwing van het Nederlandse rapport is gebaseerd op wetenschappelijke publicaties die niet alleen werden uitgevoerd in Nederland, maar vaak ook in buurlanden of –regio’s waar gelijkaardige processen en patronen spelen in gelijkaardig habitat. Ook heel wat onderzoek uit Vlaanderen is gebruikt voor de wetenschappelijke onderbouwing van de Nederlandse herstelstrategieën. Om deze redenen is het vanzelfsprekend om het omvangrijke werk dat in Nederland werd uitgevoerd, niet volledig over te doen voor Vlaanderen.
In de plaats daarvan werd gekozen voor een gerichte revisie, waarbij zoveel mogelijk een beroep werd gedaan op de INBO experts die in 2011 het Nederlandse ontwerprapport beoordeeld hebben. De internationale reviewcommissie van de Nederlandse herstelstrategieën bestond uit: Dr. de Smidt (voorzitter; oud‐universitair docent Universiteit Utrecht), prof. dr. van Diggelen (UA), prof. dr. Hermy (KULeuven), prof. dr. Hoffmann (UGent en INBO), prof. dr. Joosten (Universiteit Greifswald), prof. dr. Nienhuis (emeritus hoogleraar Radboud Universiteit Nijmegen) en dr. Kuiters (secretaris; Alterra Wageningen UR). Onder de redactie van Maurice Hoffmann is het ontwerprapport van de Nederlandse herstelstrategieën door het INBO onder de loep genomen. De hoofdstukken van Deel II, die per habitattype de herstelstrategieën bespreken, werden als volgt verdeeld: habitatgroep van de kustduinen: Sam provoost; Habitatgroep water: Luc Denys, Floris Vanderhaeghe en Geert De Blust; habitatgroep graslanden: Jan Van Uytvanck en Piet De Becker; habitatgroep van de venen en moerassen: Piet De Becker, Geert De Blust en Jan Wauters; habitatgroep van de heiden: Geert De Blust; habitatgroep bossen: Luc De Keersmaeker en Johan Neirynck. Deel I, de overige teksten van Deel II en Deel III werden geheel of gedeeltelijk beoordeeld door Maurice Hoffmann, Geert De Blust, Maarten Hens en Desiré Paelinckx.
Aan de INBO experten die aan de review van het Nederlandse rapport hebben gewerkt, werden drie vragen voorgelegd in functie van een herwerking voor Vlaanderen: 1) Is in het Nederlandse rapport voldoende rekening gehouden met de opmerkingen die geformuleerd zijn?; 2) Zijn er sinds 2011 nieuwe inzichten die om een aanpassing vragen? 3) Zijn er specifieke aanpassingen nodig omwille van de verschillen tussen Nederland en Vlaanderen, bij voorbeeld als gevolg van een afwijkende habitattypologie? Als er geen aanpassingen nodig waren, werd de toelichting beknopt gehouden en werd gerefereerd naar de Nederlandse herstelstrategieën. Aan de onderbouwing van wijzigingen werd meer aandacht besteed.
20
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2
Omschrijving van de herstelmaatregelen
Het reguliere beheer van biotopen wordt beschreven in Van Uytvanck & De Blust 2012, dat van soorten in Van Uytvanck & Goethals 2014 en Decleer 2007. Bij het uitvoeren van de maatregelen moet zeker altijd eerst nagegaan worden of er Habitatrichtlijn‐, Vlaams prioritaire of andere doelsoorten aanwezig zijn en moet de maatregel aangepast worden aan de ecologische behoeften en de fenologie van deze soorten (Maes et al. 2017). Bij elke maatregel wordt bij ‘overige gunstige effecten’ of ‘overige ongewenste effecten’ summier beschreven of de maatregel een impact kan hebben op de soorten van bijlagen II en IV van de habitatrichtlijn en van bijlage I van de vogelrichtlijn. Het overzicht van soorten waarvoor een effect verwacht mag worden, is opgenomen in bijlage 2. Indien deze bijlagesoorten of de Vlaamse prioritaire of andere doelsoorten niet aanwezig zijn in sterk gedegradeerde biotopen kan de maatregel intensief en grootschalig uitgevoerd worden, in andere gevallen moet het beheer met de nodige voorzichtigheid uitgevoerd worden.
2.1
Plaggen en chopperen
2.1.1 Omschrijving en toepassing Plaggen en chopperen zijn maatregelen die de organische bodem, die rijk is aan nutriënten, geheel of gedeeltelijk verwijderen. Plaggen is het afsteken en verwijderen van de zode, in principe tot op de minerale bodem. Het kan handmatig of machinaal uitgevoerd worden. Bij chopperen worden de vegetatie, de moslaag en een deel van de organische bodem mechanisch verwijderd en afgevoerd. Deze techniek houdt het midden tussen maaien en plaggen en is minder ingrijpend voor de bodem dan plaggen, maar laat meer organisch materiaal achter (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 61).
2.1.2 Schaal van toepassing Deze maatregelen worden op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
2.1.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Plaggen stemt overeen met de Nederlandse maatregel ‘3.2.5 Het verwijderen van nutriënten door plaggen’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 126), chopperen met de maatregel ‘3.2.6 Het verwijderen van nutriënten door chopperen’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 127). Omdat deze maatregelen sterk vergelijkbare effecten kunnen hebben, zijn ze samengenomen.
2.1.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Technisch aspecten en de effecten van plaggen worden uitgebreid beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’ (Van Uytvanck & De Blust 2012 p. 57‐58). De maatregel is beschreven voor de binnendijkse zilte vegetaties (p 79), de heischrale graslanden (p 99), de landduinen (p. 137), vochtige heide (p. 148), droge heide (p. 161), voedselarme vennen en plassen (p. 181; 194), en de zuurminnende eikenbossen op zandgrond (p.260). Chopperen wordt summier beschreven (Van Uytvanck & De Blust 2012: p. 61).
2.1.5 Mitigerende werking 2.1.5.1
Tegen vermesting
Door de vegetatielaag en organische laag van de bodem volledig of gedeeltelijk te verwijderen, worden grote hoeveelheden nutriënten, waaronder stikstof, verwijderd. Plaggen geeft de beste resultaten op een bodem die niet zeer sterk verzuurd is (Sterckx et al. 2016).
2.1.5.2
Tegen verzuring
Door plaggen kunnen verzurende stoffen die zich in de strooisellaag en de organische bodem hebben opgestapeld, worden verwijderd en kan minder verzuurde minerale bodem vrij komen te liggen. De effecten van chopperen op verzuring zijn niet goed gekend, maar houden wellicht het midden tussen de effecten van maaien en plaggen.
www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
21
Lokale kenmerken van de standplaats en de uitvoering van de maatregel bepalen in hoge mate de effecten van chopperen.
2.1.5.3
Overige gunstige effecten
Door plaggen en chopperen kan een geschikt kiembed gecreëerd worden voor soorten die als gevolg van vermesting of verzuring verdwenen waren. De zaadbank van doelsoorten wordt in mindere mate verwijderd door chopperen dan door plaggen.
2.1.6 Ongewenste effecten 2.1.6.1
Verzuring
Door plaggen worden naast stikstof worden ook andere nutriënten, zoals K, Mg, Ca en P verwijderd en kan verzuring en verarming optreden (Vogels et al. 2016). Toevoeging van nutriënten en meer bepaald van basische stoffen kan aangewezen zijn als aanvullende maatregel, om de effecten van verzuring en van ammoniumvergiftiging tegen te gaan. Het effect van chopperen op verzuring is niet goed gekend.
2.1.6.2
Vermesting
Plaggen heeft geen vermestende effecten, omdat de organische topbodem vrijwel volledig verwijderd wordt. Bij chopperen kan meer organisch materiaal achterblijven, dat door mineralisatie een vermestend effect kan hebben en de vestiging van ongewenste soorten in de hand kan werken.
2.1.6.3
Overige ongewenste effecten
Het is aangewezen om als vuistregel kleinschalig te werken, vooraf kwetsbare soorten grondig te inventariseren en voldoende aandacht te besteden aan het vervolgbeheer: ‐
‐ ‐
2.2
Populaties van fauna en flora kunnen achteruit gaan of verdwijnen door plaggen en chopperen indien dit grootschalig en te frequent gebeurt; bij broedvogels mag deze beheermaatregel zeker niet gebeuren tijdens de broedperiode (april‐augustus). Een aanzienlijk deel van de zaadbank wordt weggehaald, vooral door plaggen. Dit treft voornamelijk soorten met een kort levende zaadbank die zich in de topbodem bevindt. Plaggen en chopperen creëren een geschikt kiembed voor de vestiging van bomen en struiken in open habitat en vereisen dus een vervolgbeheer
Maaien
2.2.1 Omschrijving en toepassing Maaien is het verwijderen van de plantendelen die boven de grond of in het water groeien. Maaien kan handmatig of machinaal worden uitgevoerd en het maaisel kan meteen worden afgevoerd, of pas nadat het gedroogd is tot hooi. We gaan er van uit dat in halfnatuurlijk habitat, dat niet wordt blootgesteld aan vermestende invloeden, maximaal éénmaal per jaar maaien en afvoeren van maaisel volstaat om de habitat in goede kwaliteit te houden. Bij verhoogde beschikbaarheid van stikstof kunnen extra maaibeurten aangewezen zijn om te mitigeren.
2.2.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
2.2.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt volledig overeen met de Nederlandse maatregel ‘3.2.8 Het verwijderen van nutriënten door (extra) maaien’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 128)
22
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.2.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Technisch aspecten en de effecten van een maaibeheer worden meer uitgebreid beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’ (Van Uytvanck & De Blust 2012 p. 35‐40). De maatregel wordt beschreven bij stroomdalgrasland (p. 90), heischrale graslanden (p. 101), graslanden op matig voedselrijke bodem (p. 114), ruigten (cyclisch maaien p. 126), vochtige heide (p. 148), droge heide (p. 161), voedselarme vennen en plassen (p. 182; 194), vegetatierijke plassen (p. 209).
2.2.5 Mitigerende werking 2.2.5.1
Tegen vermesting
Door het afvoeren van biomassa worden nutriënten, waaronder stikstof, afgevoerd. Het effect daarvan is echter veel kleiner dan bij plaggen (Stevens et al. 2013).
2.2.5.2
Tegen verzuring
Maaien heeft geen mitigerende werking tegen verzuring.
2.2.5.3
Overige gunstige effecten
Door te maaien kan de vegetatie open gemaakt worden, waardoor minder concurrentiekrachtige soorten kunnen kiemen en uitgroeien. Dit gunstige effect is wellicht belangrijker dan de export van stikstof uit de habitat. Eventueel kunnen vlekken of pollen van forse, competitieve soorten (bij voorbeeld pijpestrootje in heide) selectief uitgemaaid worden. Door te maaien kan ook opslag van houtige soorten onder controle gehouden worden, bij voorbeeld nadat andere herstelmaatregelen, zoals plaggen of chopperen, zijn uitgevoerd. Voor ongewervelden en andere kleine dieren is het aangewezen om gefaseerd te maaien waarbij altijd een deel van de vegetatie blijft overstaan waarin de overwintering kan gebeuren, waarin ze kunnen schuilen of waardoor nectarbronnen gedurende heel het jaar aanwezig blijven. Voor Kruipend moerasscherm is frequent maaien (gazonbeheer) een positieve maatregel; ook bij Geel schorpioenmos is maaien voordelig, op voorwaarde dat de moslaag niet mee verwijderd wordt. Voor enkele overwinterende watervogels is maaien positief aangezien zij een korte grasmat prefereren in het winterhalfjaar.
2.2.6 Ongewenste effecten 2.2.6.1
Verzuring
Naast stikstof worden ook andere nutriënten, zoals K, Mg en Ca verwijderd, waardoor verarming en verzuring in de hand gewerkt kunnen worden op zwak gebufferde standplaatsen.
2.2.6.2
Vermesting
Maaien met afvoer van maaisel heeft geen vermestende effecten.
2.2.6.3
Overige ongewenste effecten
Populaties van fauna en flora kunnen achteruit gaan verdwijnen door te intensief en te frequent te maaien, bij voorbeeld omdat bepaalde soorten hun levenscyclus niet meer kunnen voltooien, homogenisatie van de vegetatie optreedt of onvoldoende nectarbronnen overblijven (Stevens et al. 2013; Maes et al. 2017). Bij amfibieën moet er over gewaakt worden dat het maaien bij aanwezigheid van juvenielen niet te dicht bij het voorplantingswater gebeurt. Bij vogels moet erop toegezien worden dat het maaien niet gebeurt tijdens de broedperiode (april‐ augustus). Bij vissen kan het maaien van vegetatie aan de randen van vijvers of langsheen rivieren negatief zijn. Maaien onder natte omstandigheden kan bodemverstoring of bodemverdichting veroorzaken, vooral als gebruik gemaakt wordt van niet aangepast materieel op een bodem met een geringe draagkracht.
www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
23
2.3
Begrazen
2.3.1 Omschrijving en toepassing Begrazen als PAS herstelmaatregel is de inzet van vee om hoogproductieve, concurrentiekrachtige plantensoorten terug te dringen ten gunste van laagproductieve, weinig concurrentiekrachtige soorten. We gaan er van uit dat een halfextensieve begrazing toegepast moet worden om op lange termijn niet‐vermeste, halfnatuurlijke grazige habitat in stand te houden. Dit betekent dat de biomassa van de vegetatie, jaarlijks volledig wordt weggenomen door begrazing. Een hogere biomassa, die het gevolg is van vermesting, kan door verschillende vormen van begrazing worden weggenomen, afhankelijk van de periode, de intensiteit, de ruimtelijke context en de mate van sturing die wordt toegepast (Uytvanck & De Blust, 2012). De begrazingsvorm die het meest aangewezen is in het kader van het PAS herstelbeheer, kan niet a priori bepaald worden.
2.3.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
2.3.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt volledig overeen met de Nederlandse maatregel ‘3.2.9 Het verwijderen van nutriënten door (extra) begrazen’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 128)
2.3.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ De effecten van een graasbeheer en de technische aspecten ervan worden meer uitgebreid beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’ (Van Uytvanck & De Blust 2012 p. 41‐50). De maatregel wordt beschreven bij binnendijkse zilte vegetaties (p. 77), stroomdalgrasland (p. 89), heischrale graslanden (p. 100), graslanden op matig voedselrijke bodem (p. 116), ruigten (p. 127), landduinen (p. 138), vochtige heide (p. 150), droge heide (p. 164), droge bossen (p. 261).
2.3.5 Mitigerende werking 2.3.5.1
Tegen vermesting
Door begrazing worden meestal zeer weinig nutriënten afgevoerd, maar er kan wel een herverdeling onstaan tussen schrale zones en latrines die aangerijkt zijn met nutriënten (Van Uytvanck et al. 2010).
2.3.5.2
Tegen verzuring
Begrazen heeft op zichzelf geen mitigerende werking tegen verzuring. Grazers hebben daarentegen een bepaalde behoefte aan Ca, K, en Mg, waardoor likstenen nodig kunnen zijn in verzuurde habitat dat begraasd wordt. Hierdoor worden extra mineralen in de habitat gebracht, die kunnen mitigeren tegen verzuring.
2.3.5.3
Overige gunstige effecten
Grazers zijn selectief en verkiezen smakelijke, voedselrijke planten. Vaak zijn dit grassen of forse competitieve soorten, waardoor minder competitieve soorten meer ruimte krijgen. Het effect van begrazen is afhankelijk van het type grazer dat wordt ingezet en van de dichtheid aan grazers. Voor Kruipend moerasscherm bijvoorbeeld heeft een intensieve begrazing, bij voorkeur met paarden, een bijzonder gunstig effect. Ook voor vleermuizen kunnen de uitwerpselen van grazers het prooiaanbod (grote mestkevers) verhogen. Voor nogal wat overwinterende watervogels is begrazing gunstig omdat deze maatregel zorgt voor een voldoende korte grasmat in het winterhalfjaar. Vertrappeling door grazers kan zorgen voor kiemplaatsen van niet‐competitieve soorten.
2.3.6 Ongewenste effecten 2.3.6.1
Verzuring
Het verzurende effect van begrazing is wellicht verwaarloosbaar, temeer omdat via likstenen mineralen in omloop gebracht worden.
24
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.3.6.2
Vermesting
Begrazen kan lokaal vermestende effecten hebben, door herverdeling van nutriënten (Van Uytvanck et al. 2010). Dit kan een probleem zijn als onbemeste habitat samen met (voorheen) bemeste percelen worden begraasd.
2.3.6.3
Overige ongewenste effecten
Populaties van gevoelige fauna en flora kunnen achteruit gaan of verdwijnen door een te intensieve begrazing of een begrazing in de verkeerde periode en dat vooral in kleine populaties (Jones et al. 2016). Voor amfibieën, reptielen en broedvogels kan begrazing best vermeden worden in de voortplantingsperiode (april‐augustus).
2.4
Branden
2.4.1 Omschrijving en toepassing Het periodiek gecontroleerd afbranden, vooral in de winter, is een traditionele beheermethode die werd toegepast om de vegetatie van heide, stuifzanden en bepaalde graslanden te verjongen. Het effect van branden hangt sterk af van het type vegetatie, de intensiteit van de brand en de weersomstandigheden tijdens en na de brand (Jansen et al. 2015, Deel I p. 129).
2.4.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
2.4.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt volledig overeen met de Nederlandse maatregel ‘Het verwijderen van nutriënten door branden’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 129)
2.4.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ De maatregel ‘branden’ wordt beschreven bij het beheer van landduinen, heide en graslanden (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 139; 149; 162).
2.4.5 Mitigerende werking 2.4.5.1
Tegen vermesting
Door branden verdwijnen voornamelijk C, N en S, terwijl P en andere mineralen achterblijven. De export van stikstof is echter relatief klein en volstaat niet om op termijn vermesting te voorkomen van habitat dat langdurig aan verhoogde depositie van stikstof wordt blootgesteld (Niemeyer et al. 2005).
2.4.5.2
Tegen verzuring
Branden verwijdert N en S maar heeft verder nauwelijks effect op de totale pool van andere macronutriënten (P, K, Mg, Ca), waardoor geen verdere verzuring optreedt en bepaalde soorten van matig zure bodem zich kunnen handhaven. Als deze nutriënten, die na de brand achterblijven in de asse, niet worden opgenomen door de vegetatie, kunnen ze echter alsnog uitspoelen en verdwijnen uit het ecosysteem (Niemeyer et al. 2005).
2.4.5.3
Overige gunstige effecten
Specifieke soorten, zoals bepaalde fungi, zijn gebonden aan brandplekken. Een goed opvolgingsbeheer (bv. begrazing, maaien) blijft nodig om te verhinderen dat de biotoop opnieuw gedomineerd wordt door bijvoorbeeld Pijpenstrootje.
2.4.6 Ongewenste effecten 2.4.6.1
Verzuring
Branden verzuurt relatief minder sterk dan maatregelen die de biomassa en/of de organische bodem verwijderen, maar het is niet zeker of de maatregel in staat is om verdere verzuring te voorkomen (Bobbink et al. 2009). www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
25
2.4.6.2
Vermesting
Branden is het meest effectief bij lage depositie van stikstof. Bij hoge depositie zouden ongewenste soorten, zoals pijpestro, net gestimuleerd kunnen worden door branden (Bobbink et al. 2009).
2.4.6.3
Overige ongewenste effecten
Populaties van fauna en flora kunnen achteruit gaan of verdwijnen door grootschalig en frequent te branden (Jones et al. 2016). Branden moeten strikt gecontroleerd worden omwille van het veiligheidsrisico en vraagt de inzet van deskundig personeel (Bobbink et al. 2009). De negatieve effecten hangen sterk af van de schaal, omstandigheden en tijdstip (zie bij voorbeeld Van Uytvanck & De Blust, 2012: 149). Branden in de buurt van bosranden moet vermeden worden om een structuurrijke bosrand te kunnen behouden en ook het verbranden van dood hout kan negatieve effecten hebben op doodhoutkevers en andere doodhoutbewonende organismen. Het spreekt voor zich dat branden in de voortplantingsperiode van soorten bijzonder funest is.
2.5
Strooisel verwijderen
2.5.1 Omschrijving en toepassing In bossen en struwelen kan zich door verzuring een dikke strooisellaag vormen. Deze strooisellaag bevat een grote voorraad aan stikstof en andere nutriënten. Voor het behoud van specifieke soorten en habitats (bij voorbeeld orchideeën in habitat 9150) kan het aangewezen zijn om de strooisellaag regelmatig, zelfs jaarlijks, te verwijderen (Vandekerkhove et al. 2015). Vooral soorten met een pionierkarakter hebben baat bij deze maatregel (Jansen et al. 2015, Deel I p. 129; Van Uytvanck & De Blust 2012: 260). In bossen en struwelen kan het verwijderen van strooisel afzonderlijk worden toegepast. In open terrestrische habitat zoals grasland, ruigte, moeras of de oeverzone van open water is het verwijderen van strooisel meestal een onderdeel van of vervolg op andere herstelmaatregelen.
2.5.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
2.5.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt overeen met de Nederlandse maatregel ‘3.2.11 Verwijderen van nutriënten door strooiselverwijdering’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 130)
2.5.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ De toepassing van de maatregel wordt vermeld bij het beheer van boshabitat ‘oude zuurminnende eikenbossen’ (habitatype 9190: 260). De maatregel is ook van toepassing op habitattype 9150, maar dit zeer zeldzame bostype wordt niet beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’.
2.5.5 Mitigerende werking 2.5.5.1
Tegen vermesting
Door strooisel te verwijderen wordt ook stikstof uit het ecosysteem afgevoerd.
2.5.5.2
Tegen verzuring
Strooisel kan een verzurend effect hebben. Door verzurend strooisel af te voeren, kan de basenrijke minderale bodem opnieuw aan de oppervlakte worden gebracht. Op (matig) zure bodem kan strooisel verwijderen verzuring en verarming in de hand werken (zie hieronder).
2.5.5.3
Overige gunstige effecten
Door strooisel te verwijderen kan een gunstig kiembed ontstaan en kan de zaadbank worden aangesproken van plantensoorten die door vermesting of verzuring verdwenen waren uit de habitat. Het verwijderen van strooisel kan de vruchtvorming van mycorrhizavormende fungi stimuleren (de Vries et al. 1995). In hoeverre dit ook een gunstig effect heeft op het mycelium is echter onzeker. Heel wat ectomycorrhizavormende fungi dringen immers met hun 26
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
mycelium ook door tot in de strooisellaag waar ze nutriënten aan onttrekken en voor een belangrijk deel rechtstreeks doorgeven aan hun gastheer (Leake et al. 2004). De vruchtzetting zou in deze ook een stressreactie kunnen zijn op het afbreken van het mycelium bij de strooiselverwijdering.
2.5.6 Ongewenste effecten 2.5.6.1
Verzuring
Strooisel bevat naast stikstof ook nutriënten die vooral op zure bodem schaars kunnen zijn. Door strooisel af te voeren, kan een verdere verzuring en verarming in de hand gewerkt worden (Zang & Rothe 2013).
2.5.6.2
Vermesting
Strooisel verwijderen heeft geen vermestend effect. Strooisel verwijderen kan aangewezen zijn bij de maatregelen ‘toevoegen basische stoffen’, om de vrijstelling van nitraat door mineralisatie te beperken.
2.5.6.3
Overige ongewenste effecten
Strooisel is een zeer belangrijke habitat voor een vaak zeer rijke en gespecialiseerde saprotrofe levensgemeenschap (fauna, fungi,…). Vooral in bossen is deze gemeenschap vaak zeer goed ontwikkeld. Het verwijderen van strooisel stimuleert weliswaar soorten met een pionierkarakter, maar is ongunstig voor andere ook habitattypische soorten, vooral uit latere successiestadia. Vandaar dat deze maatregel in boshabitats enkel is voorzien in de bostypes 9190 en 9150 waar strooiselverwijdering een gunstige invloed kan hebben op de habitattypische soorten. Verwijderen van strooisel kan voor heel wat ongewervelden en andere kleine dieren negatief zijn omdat ze er vaak in overwinteren. Hierdoor kan het prooiaanbod sterk achteruitgaan wat ook gevolgen kan hebben voor soorten die van deze ongewervelden leven (bv. vleermuizen, vogels). Andere soorten (bv. amfibieën, reptielen) gebruiken strooisel om zich in te verschuilen en het grootschalig verwijderen ervan kan dus zorgen voor een gebrek aan schuilpaatsen voor deze soorten. Als strooisel verwijderen toegepast wordt op groeiplaatsen van Geel schorpioenmos en Groenknolorchis moet er op toegezien worden dat de moslaag niet mee verwijderd wordt en dat er geen bovengrondse knollen verwijderd worden.
2.6
Opslag verwijderen
2.6.1 Omschrijving en toepassing De natuurlijke successie van open terrestrische habitat naar bos gaat samen met de vastlegging van nutriënten in de boven‐ en ondergrondse biomassa en de strooisellaag. Dit proces kan sneller verlopen sneller bij verhoogde depositie van stikstof. Voor het behoud van open terrestrisch habitat, is het aangewezen opslag van bomen en struiken regelmatig te verwijderen. Als zich een strooisellaag onder de opslag van bomen en struiken heeft gevormd, wordt die als onderdeel van deze maatregel eveneens verwijderd.
2.6.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
2.6.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt volledig overeen met de Nederlandse maatregel ‘opslag verwijderen’. Deze maatregel is in het Nederlandse rapport niet afzonderlijk beschreven (Jansen et al. 2015, Deel I p. 125).
2.6.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Het ‘handboek voor beheerders’ bespreekt technische aspecten van de maatregel kappen (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 51‐56), die tenminste ook gedeeltelijk van toepassing zijn op het verwijderen van opslag en strooisel. Kappen van opslag is als maatregel beschreven bij heischrale graslanden (p. 102), graslanden op matig voedselrijke bodem (p. 116), landduinen (p. 137), vochtige heide (p. 150), droge heide (p. 163), voedselarme vennen en plassen (p. 182; 194), vegetatierijke plassen (p. 209). www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
27
2.6.5 Mitigerende werking 2.6.5.1
Tegen vermesting
Door opslag van houtige soorten te verwijderen en aanvullend te plaggen, maaien of strooisel te verwijderen kan de beschikbaarheid van stikstof worden verlaagd.
2.6.5.2
Tegen verzuring
Het kappen opslag van bomen en struiken heeft op zichzelf geen mitigerend effect op de mate van verzuring van een habitat. Verwijderen van strooisel kan dat wel hebben op kalkrijke bodem, maar kan verzuring in de hand werken op een bodem die reeds zuur is.
2.6.5.3
Overige gunstige effecten
Door opslag te kappen en strooisel te ruimen ontstaat een meer lichtrijke omgeving, die gunstig is voor soorten van open habitat. Meer licht op een strooiselarme bodem kan de overleving en de kieming van deze soorten bevorderen. Warmteminnende soorten zoals amfibieën en reptielen zijn gebaat bij open en snel opwarmende habitats die door het verwijderen van opslag gecreëerd kunnen worden. Ook voor de meeste overwinterende watervogels en grondbroeders zoals sternen en strandplevier is het verwijderen van opslag gunstig aangezien zij vaak gebruik maken van grote open graslanden of schelpenstranden. Bij vissen zoals Bittervoorn en Kleine modderkruiper kan het verwijderen van opslag ervoor zorgen dat er meer licht in het water valt, waardoor er een toename van de watervegetatie kan optreden.
2.6.6 Ongewenste effecten 2.6.6.1
Verzuring
Het kappen en afvoeren van opslag heeft tot gevolg dat ook mineralen worden afgevoerd, maar het verzurende effect daarvan is wellicht verwaarloosbaar.
2.6.6.2
Vermesting
Na kappen kan door mineralisatie van strooisel of van organisch materiaal in de bodem, vermesting optreden.
2.6.6.3
Overige ongewenste effecten
Vele soorten organismen (in eerste instantie fauna, maar ook bepaalde flora) zijn aangewezen op geleidelijke overgangen tussen open habitat en bos. Door een intensiever beheer te voeren is het risico reëel dat deze overgangen scherper worden en dat veeleisende soorten verdwijnen. Net deze soorten zijn in de voorbije decennia bijzonder schaars geworden. Daarom is het van groot belang de risico’s voor deze soortengroepen vooraf goed in te schatten en voldoende aandacht te besteden aan het behoud van structuurrijke overgangen tussen diverse habitattypes, in het bijzonder tussen bos en open habitat. Ook binnen open habitat zelf kan een beperkte verbossing en verstruweling, die cyclisch wordt teruggezet, ook voor een verhoogde structuurdiversiteit zorgen, die gunstig is voor heel wat organismen (in het bijzonder fauna). Een intensieve en frequente verwijdering van opslag kan dus ook in open habitats leiden tot een sterke uniformisering en verarming van de vegetatiestructuur en de bijhorende biodiversiteit. Nogal wat vogels en zoogdieren, maar ook ongewervelden gebruiken bomen en struiken als broedplaats, rustplaats of als locatie op een territorium te verdedigen dus het verwijderen van verspreide bomen en struiken heeft op deze dieren een negatief effect. Voor vogels mag het verwijderen van opslag uiteraard niet gebeuren tijdens de broedperiode.
Voor vleermuizen die in bossen jagen is het openkappen van te grote stukken ongunstig. Ook het verwijderen van opslag in hagen is voor vleermuizen nadelig aangezien zij deze lineaire landschapselementen gebruiken tijdens het foerageren en nood hebben aan aaneengesloten lijnvormige landschapselementen.
28
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.7
Toevoegen basische stoffen
2.7.1 Omschrijving en toepassing Deze maatregel omvat het toevoegen van kalk en andere kalkhoudende stoffen of basenrijke substraten aan de bodem of het water. Eventueel kan indirect bekalkt worden, via het grondwater dat een habitat voedt. Doel van deze maatregel is het herstel van de buffercapaciteit van de bodem, het oppervlaktewater of het grondwater dat een habitat voedt, tegen de verzurende effecten van stikstofdepositie. Indien de maatregel wordt toegepast, gebeurt dit vaak in combinatie met plaggen of het verwijderen van een sliblaag of strooisellaag, om ammoniumtoxiciteit en mineralisatie te vermijden.
2.7.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast, als sprake is van toediening van kalk en andere basenhoudende stoffen aan de bodem van de habitat. De maatregel kan ook op landschapsschaal worden toegevoegd, door basische stoffen toe te dienen in het infiltratiegebied van grondwater dat een habitat beïnvloedt.
2.7.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt grotendeels, maar niet volledig, overeen met de Nederlandse maatregel ‘3.2.1 Maatregelen tegen verzuring door toevoegen van basische stoffen’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 121). Hydrologische maatregelen om via de kwaliteit van het grondwater, de buffercapaciteit tegen verzuring te vergroten, zijn afzonderlijk beschreven (onderdelen 2.20 t.e.m. 2.25).
2.7.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Het toevoegen van basische stoffen om op directe wijze (lokaal) of indirecte wijze (via het grondwater) de buffercapaciteit te verhogen, wordt vermeld voor de heischrale graslanden (p. 99‐100), vochtige heide (p. 148), droge heide (p161‐162) en voedselarme plassen en vennen (p. 183) in (Van Uytvanck & De Blust, 2012).
2.7.5 Mitigerende werking 2.7.5.1
Tegen vermesting
Deze maatregel heeft geen mitigerend effect tegen vermesting.
2.7.5.2
Tegen verzuring
Deze maatregel werkt mitigerend tegen verzuring. De oplossing van carbonaten (kalk en andere basische stoffen) is een sterk bufferend proces en de vrijstelling van basen kan tekorten die door verzuring zijn ontstaan, aanvullen. Bovendien kunnen toxiciteiten (bij voorbeeld van aluminium), die het gevolg zijn van verzuring, tegengegaan worden.
2.7.5.3
Overige gunstige effecten
Voor nogal wat amfibieën is het toevoegen van basische stoffen gunstig omdat de zuurtegraad van de voedselarme wateren waarin ze zich voortplanten verlaagd wordt. Dit bevordert de overleving van de eieren en de larven.
2.7.6 Ongewenste effecten 2.7.6.1
Verzuring
Het toedienen van basische stoffen heeft geen verzurend effect op de habitatlocatie.
2.7.6.2
Vermesting
Toedienen van basische stoffen leidt vaak tot vrijstelling van nitraat en sulfaat in bodems die rijk zijn aan organisch materiaal, omdat de afbraak hiervan gestimuleerd wordt. In open habitat wordt daarom meestal eerst geplagd.
www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
29
Afbraak van organisch materiaal kan vermesting veroorzaken van de habitat zelf, of via het grondwater ook van andere habitat dat door het grondwater gevoed wordt. De vrijstelling van sulfaat kan afbraak van veen en verhoogde beschikbaarheid van fosfaat tot gevolg hebben. Om deze reden wordt aangeraden om traagwerkende basische stoffen te gebruiken, zoals bij voorbeeld steenmeel, die daarenboven ook andere nutriënten dan Ca en Mg bevatten.
2.7.6.3
Overige ongewenste effecten
De veranderingen in de bodem door het toedienen van basische stoffen kunnen erg ongunstig zijn voor fungi, mossen en invertebraten (Auclerc et al. 2012). De uitspoeling van nutriënten kan de kwaliteit van waterlopen aantasten. Vooral snel oplossende stoffen schijnen negatief te zijn, omdat ze voor een korte, hevige piek in de mineralisatie zorgen. Basische stoffen die in poedervorm worden toegediend, kunnen directe negatieve effecten hebben op invertebraten, door verstopping van de tracheëen. Bekalking is ongunstig bij Groenknolorchis en Geel schorpioenmos omdat de mineraalsamenstelling van de bodem erdoor verandert. Ook bij Gevlekte witsnuitlibel zorgt bekalking voor een negatief effect op de mineraalsamenstelling in het voortplantingswater.
2.8
Baggeren
2.8.1 Omschrijving en toepassing Baggeren is het verwijderen van slib en ander los organisch materiaal dat op de minerale (onderwater)bodem en in de oeverzone van waterhabitat ligt. De maatregel kan ook van toepassing zijn op habitat die tijdelijk nat is, voor zover daar een sliblaag voorkomt. Het verwijderen van de compacte zode van een vegetatie die wortelt in de minerale bodem van een oeverzone of van een tijdelijk natte laagte, valt onder de maatregel ‘plaggen’. Het verwijderen van veen, d.i. vaste, organische bodems die het resultaat zijn van een langdurig vormingsproces, valt onder de maatregel ‘uitvenen’.
2.8.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
2.8.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt volledig overeen met de Nederlandse maatregel ‘3.2.7 Het verwijderen van nutriënten door baggeren’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 127).
2.8.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ De technische aspecten ervan worden beschreven onder graafwerken in het ‘Handboek voor beheerders’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 59; 61). De maatregel is beschreven bij voedselarme vennen en plassen (p. 180; 194) en vegetatierijke plassen (207).
2.8.5 Mitigerende werking 2.8.5.1
Tegen vermesting
Door baggeren worden nutriënten die in het slib zitten, afgevoerd.
2.8.5.2
Tegen verzuring
De sliblaag bevat niet alleen nutriënten, maar ook stoffen die een verzurende werking kunnen hebben. Door de sliblaag te verwijderen, kan verdere verzuring worden tegegaan.
2.8.5.3
Overige gunstige effecten
Door slib te ruimen ontstaat een gunstige uitgangssituatie voor de kieming van water‐ en oeverplanten, die nog in de zaadbank aanwezig zijn.
30
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.8.6 Ongewenste effecten 2.8.6.1
Verzuring
Baggeren heeft geen verzurend effect.
2.8.6.2
Vermesting
Als ruimingsslib niet grondig wordt afgevoerd, of wordt uitgespreid in de oeverzone, kan de maatregel een vermestend effect hebben.
2.8.6.3
Overige ongewenste effecten
Populaties van fauna en flora kunnen achteruit gaan of verdwijnen door grootschalig en frequent baggeren. Door baggeren wordt de zaadbank van water‐ en oeverplanten aangesproken. Als de abiotische kwaliteit na baggeren snel terug ongunstig wordt, als gevolg van aanhoudende verontreiniging, kunnen de soorten snel terug verdwijnen en bestaat het risico dat de zaadbank uitgeput wordt. Voor mollusken zorgt baggeren voor een ongunstige verstoring van de bodem. Voor vissen is baggeren ongunstig omdat hierdoor voedsel en oevervegetaties vernield worden. Voor overwinterende watervogels kan baggeren een negatieve impact hebben wanneer hierdoor slikken verdwijnen of wanneer dit gevolgen heeft op mogelijke voedselbronnen (bv. bodemfauna, plankton).
2.9
Vegetatie ruimen
2.9.1 Omschrijving en toepassing Vegetatie ruimen is een maatregel die kan uitgevoerd worden in en langs de oeverzone van waterhabitat. De maatregel heeft tot doel de vegetatie die wortelt in de sliblaag met wortel en al te verwijderen en zo de verlanding terug te zetten. Het verwijderen van de compacte zode van een vegetatie op de minerale bodem van een oeverzone of van een tijdelijk natte laagte, valt onder de maatregel ‘plaggen’. Het verwijderen van veen, d.i. vaste, organische bodems die het resultaat zijn van een langdurig vormingsproces, valt onder de maatregel ‘uitvenen’. Het korten (en afvoeren) van watervegetatie boven de bodem en het verwijderen van vlottende waterplanten valt onder ‘maaien’.
2.9.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
2.9.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen In Nederland wordt de term ruimen niet gebruikt, maar wel ‘schonen’ of ‘opschonen’. De maatregel wordt niet afzonderlijk vermeld, maar wel als onderdeel van het ‘vrijzetten van venoevers’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 127).
2.9.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ De technische aspecten ervan worden samen met baggeren beschreven onder graafwerken in het ‘Handboek voor beheerders’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 59; 61). De termen baggeren en ruimen worden door elkaar gebruik. Zoals hierboven omschreven, is de maatregel beschreven bij voedselarme vennen en plassen (p. 182; 185; 194; 195) en vegetatierijke plassen (204; 209).
2.9.5 Mitigerende werking 2.9.5.1
Tegen vermesting
De maatregel werkt niet specifiek in op vermesting. Bij ruimen ligt de focus op het verwijderen van de vegetatie in en langs waterhabitat. Het slib en de daarin aanwezige nutriënten worden in mindere mate verwijderd dan bij baggeren.
www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
31
2.9.5.2
Tegen verzuring
Geen specifieke werking tegen verzuring. Bij ruimen ligt de focus op het verwijderen van de vegetatie in en langs waterhabitat. Het slib en de daarin aanwezige verzurende stoffen worden in mindere mate verwijderd dan bij baggeren.
2.9.5.3
Overige gunstige effecten
Door vegetatie te ruimen wordt de successie teruggezet en ontstaat een gunstige uitgangssituatie voor de kieming van water‐ en oeverplanten, die nog in de zaadbank aanwezig zijn.Dit heeft gunstige effecten op soorten die open water nodig hebben om te foerageren (bv. Kluut, Grote zilverreiger, Meervleermuis en Watervleermuis) of om zich voort te planten (bv. Rivierrombout).
2.9.6 Ongewenste effecten 2.9.6.1
Verzuring
Ruimen heeft geen verzurend effect.
2.9.6.2
Vermesting
Als het slib of de plantendelen die bij ruimen vrijkomen, niet grondig wordt afgevoerd, of worden uitgespreid in de oeverzone, kan de maatregel een vermestend effect hebben.
2.9.6.3
Overige ongewenste effecten
Door ruimen kunnen populaties van zeldzame fauna en flora achteruitgaan of verdwijnen, vooral als het ruimen grootschalig en frequent gebeurt tijdens de voortplantingsperiode of, voor nogal wat overwinterende eenden tijdens het winterhalfjaar.
2.10 Vrijzetten oevers 2.10.1 Omschrijving en toepassing Deze maatregel heeft tot doel plassen en vennen die omgeven zijn door struweel, bomen of bos, vrij te stellen zodat ze in een meer open omgeving komen te liggen. Hierdoor vergroot de lichtinval en vermindert de aanvoer van organisch materiaal. De strooisellaag die zich in de oeverzone heeft opgehoopt, kan hierbij eveneens verwijderd worden. De kap van bos in het infiltratiegebied van grondwater, om de kwantiteit of kwaliteit ervan te beïnvloeden, wordt behandeld onder de maatregel ‘herstel waterhuishouding: verhogen infiltratie neerslag’. De kap van bos om de windwerking op zoetwaterhabitat te herstellen, is begrepen onder ‘herstel van de winddynamiek’.
2.10.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op landschapsschaal toegepast, grenzend aan of in de directe omgeving van waterhabitat.
2.10.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt volledig overeen met de Nederlandse maatregel ‘Ingrijpen op de successie door het kappen van bomen en het vrijzetten van venoevers’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 132).
2.10.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ De technische aspecten ervan worden beschreven onder kapbeheer in het ‘Handboek voor beheerders’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 51‐56). De maatregel is in het ‘Handboek voor beheerders’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012) beschreven bij voedselarme vennen en plassen (p. 176; 182; 194), vegetatierijke plassen (p. 209).
32
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.10.5 Mitigerende werking 2.10.5.1
Tegen vermesting
Door bomen te kappen langs de oevers, vermindert de toevoer van nutriënten via bladval, takken en stuifmeel en vormt zich minder snel een sliblaag. Als een waterhabitat in een open landschap komt te liggen, kan windwerking zorgen voor sterkere circulatie, differentiële sedimentatiepatronen en een betere gasuitwisseling, maar dit is niet het specifieke doel van deze maatregel.
2.10.5.2
Tegen verzuring
De sliblaag die gevormd wordt door inwaaiend strooisel van bomen en struiken kan een een verzurend effect hebben. Door opslag van bomen en struiken te verwijderen, kan dit vermeden woren.
2.10.5.3
Overige gunstige effecten
De verminderde schaduwwerking door bomen en struiken is gunstig voor bepaalde kenmerkende soorten van oppervlaktewaterhabitat, zoals mollusken (Bataafse stroommossel en Platte schijfhoren) en vissen (Bittervoorn, Grote en Kleine modderkruiper). Ook voor Geel schorpioenmos is het vrijzetten van oevers gunstig.
2.10.6 Ongewenste effecten 2.10.6.1
Verzuring
Het vrijkappen van oevers heeft geen verzurend effect.
2.10.6.2
Vermesting
Het vrijkappen van oevers heeft geen vermestend effect, tenzij de bodem sterk beschadigd wordt.
2.10.6.3
Overige ongewenste effecten
Populaties van fauna en flora kunnen achteruit gaan of verdwijnen door oevers vrij te kappen. Bepaalde soorten zijn namelijk net afhankelijk van met bomen begroeide oeverzones. Vooral tijdens de voortplantingsperiode moeten deze maatregel vermeden worden en steeds gefaseerd en niet te frequent gebeuren. Bij overwinterende eenden kan het een negatief effect hebben op waterplassen omdat de beschutting tegen de wind hierdoor wegvalt. Vleermuizen jagen vaak in de omgeving van plassen met veel oeverbegroeiing, die door het vrijzetten van de oevers net zouden verdwijnen.
2.11 Uitvenen 2.11.1 Omschrijving en toepassing In het laagveenlandschap werd vroeger op grote schaal veen gewonnen. Hierdoor ontstonden sloten en plassen, die door veenvorming opnieuw dicht groeiden, waarna opnieuw veen kon gewonnen worden. Deze successiereeks is stilgevallen door het wegvallen van het beheer en door eutrofiëring. De kenmerkende ontwikkelingsstadia zijn gedegradeerd door vermesting. Door de aanrijking van grondwater met nitraat, ondermeer als gevolg van depositie, kan sulfaat vrijgesteld worden, dat op zijn beurt leidt tot afbraak van veen en een verhoogde concentratie van fosfaten. Ook vervuild oppervlaktewater kan voor eutrofiëring en veenafbraak zorgen. Op kansrijke plaatsen met een geschikte waterhuishouding, waar veenvorming optreedt, kan uitvenen een geschikte maatregel zijn om opnieuw een volledige verlandingsreeks te bekomen.
2.11.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
2.11.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt overeen met de Nederlandse maatregel ‘3.2.14 Ingrijpen op de successie door het graven van petgaten en het herstellen van legakkers’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 133). Omdat de termen ‘petgaten’ en ‘legakkers’ in Vlaanderen niet gebruikt worden, is de maatregel hernoemd tot ‘uitvenen’. www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
33
2.11.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Deze maatregel staat niet beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012)
2.11.5 Mitigerende werking 2.11.5.1
Tegen vermesting
Deze maatregel heeft geen direct effect tegen vermesting, maar kan habitat dat te leiden heeft onder vermesting, herstellen op kansrijke locaties door de successie terug te zetten.
2.11.5.2
Tegen verzuring
Deze maatregel heeft geen direct effect tegen verzuring, maar kan habitat dat te leiden heeft onder verzuring, herstellen op kansrijke locaties door de successie terug te zetten.
2.11.5.3
Overige gunstige effecten
Doordat er plassen kunnen ontstaan bij het uitvenen, is deze maatregel gunstig voor soorten zoals Europese bever en Europese otter.
2.11.6 Ongewenste effecten 2.11.6.1
Verzuring
Uitvenen heeft geen verzurend effect.
2.11.6.2
Vermesting
Het onzorgvuldig afvoeren van veen kan een vermestend effect hebben op het water en de oeverzone. In een vervuilde of verstoorde omgeving kan het uitgraven van veen nutriënten mobiliseren en de gevolgen van vervuiling versterken.
2.11.6.3
Overige ongewenste effecten
De maatregel houdt een risico in op vernietiging van (ander) Europees beschermde habitat en van populaties van fauna en flora (bv. amfibieën, libellen, Groenknolorchis en Geel schorpioenmos). In gunstige hydrologische omstandigheden ontstaan door successie en veenvorming Europees beschermde habitats op veen. Door veen uit te graven, verdwijnen deze habitats of wordt de ontwikkeling ervan teruggezet. De maatregel heeft daarom enkel zin als er voldoende ruimte is om alle stadia van de successie naast elkaar te behouden, of als de natuurwaarde van een klein gebied zich vooral situeert in de eerste stadia van de successie.
2.12 Manipulatie voedselketen 2.12.1 Omschrijving en toepassing Deze maatregel is van toepassing op oppervlaktewater en bossen waar bepaalde organismen een sleutelrol spelen in de nutriëntenhuishouding. In oppervlaktewater werd vastgesteld dat, na verbetering van de abiotische condities (waterkwaliteit), toch onvoldoende herstel optreedt, omdat bepaalde soorten vissen (vooral brasem, maar ook zonnebaars en karper) de onderwaterbodem omwoelen en onderwaterfauna predateren. Het afvangen van deze soorten kan dit tegengaan en herstel bevorderen. In bossen op een neutrale tot matig zure bodem, zijn diepgravende regenwormen een belangrijke functionele groep, omdat ze strooisel afbreken en vermengen met de minerale bodem. Bij verzuring van deze bossen verdwijnen deze organismen en hoopt het strooisel zich op. Als maatregelen worden genomen om verzuring tegen te gaan, bij voorbeeld door toevoeging van basische stoffen, door te kiezen voor boomsoorten met een goed afbreekbaar bladstrooisel, of door maatregelen te nemen die de depositie reduceren, kan de (her)introductie van diepgravende regenwormen aangewezen zijn om de strooiselafbraak en menging met de minerale bodem opnieuw op gang te brengen (Muys et al. 2003, Hommel et al. 2007, Blanchart & Capowiez 2014, Jouquet et al. 2014).
34
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.12.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
2.12.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt overeen met de Nederlandse maatregel ‘3.3.4 Maatregelen gericht op herstel voedselketen’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 133). In het Nederlandse rapport wordt enkel het afvangen van witvis als onderdeel van deze herstelmaatregel behandeld.
2.12.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Afvissen, bij voorkeur in combinatie met droogzetten, wordt beschreven voor ‘voedselarme vennen en plassen’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 184; 195) en voor ‘vegetatierijke plassen’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 209; 195) als onderdeel van het actief biologisch beheer (ABB) van plassen. Introductie van regenwormen wordt niet beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’ (Van Uytvanck & De Blust).
2.12.5 Mitigerende werking 2.12.5.1
Tegen vermesting
Het afvissen van bodemwoelende vissen zorgt ervoor dat nutriënten die in het slib zitten, niet in omloop worden gebracht door deze soorten. De (her)introductie van diepgravende regenwormen is geen maatregel tegen vermesting.
2.12.5.2
Tegen verzuring
Het afvissen van bodemwoelende vissen heeft geen effect op de verzuring van oppervlaktewater. De (her)introductie van diepgravende regenwormen is een maatregel die inwerkt tegen verzuring omdat deze soorten ervoor zorgen dat basische cationen (Ca, Mg, K), die door verzuring schaars kunnen worden in bossen, in omloop gehouden worden en niet uitspoelen. De maatregel is evenwel slechts effectief als de depositiedruk daalt, of als andere maatregelen tegen verzuring genomen worden, zoals ‘toevoeging van basische stoffen’ of ‘ingrijpen op de soortensamestelling van de boom‐ en struiklaag’ in het kader van een geïntegreerd bodemherstel (De Schrijver et al. 2011b: p. 409).
2.12.5.3
Overige gunstige effecten
Het afvangen van bodemwoelende vissen en de introductie van regenwormen kunnen het functioneren van de ecosystemen waarop de maatregelen worden toegepast, grondig wijzigen in positieve zin. Voor sommige organismen (amfibieën, libellen) betekent dit een vermindering van mogelijke predatorenterwijl voor andere soorten de impact onrechtstreeks is door een herstelde watervegetatie (mollusken, vissen). Soorten zoals Europese bever en Europese otter zijn dan weer gebaat bij een groter prooiaanbod door deze maatregel.
2.12.6 Ongewenste effecten 2.12.6.1
Verzuring
De maatregel heeft geen verzurende effect.
2.12.6.2
Vermesting
De maatregel heeft geen verzurende effect.
2.12.6.3
Overige ongewenste effecten
Afvissen kan vooral in combinatie met droogzetten leiden tot (tijdelijk) verlies van habitat van bepaalde fauna en flora van oppervlaktewater. De introductie van regenwormen heeft, voor zover gekend geen ongunstige effecten. De maatregelen waarmee de introductie gecombineerd moet worden, namelijk ‘toevoeging van basische stoffen’ of ‘ingrijpen op de soortensamestelling van de boom‐ en struiklaag’, kunnen dat echter wel hebben (zie onder deze maatregelen). www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
35
2.13 Ingrijpen op de structuur van de boom‐ en struiklaag 2.13.1 Omschrijving en toepassing Door in bossen en struwelen te kappen, komt extra licht op de bodem, waardoor de bodem opwarmt en strooisel dat zich ophoopt door verzuring onder invloed van stikstofdepositie, sneller afbreekt. Hierdoor ontstaan geschikte groeiplaatsen voor jonge bomen en lichtminnende plantensoorten met een pionierkarakter en kan een gevarieerde bosstructuur ontstaan die belangrijk is voor gespecialiseerde fauna. Voor bepaalde bosplanten is de lichtrijke fase na de kap een vestigingsmoment. Een ijlere boomlaag, dus lagere Leaf Area Index, zorgt voor verminderde droge depositie in de boomkruinen en dus minder depositie in het ecosysteem (zie evenwel bij ‘overige ongunstige effecten’).
2.13.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
2.13.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt overeen met de Nederlandse maatregel ‘3.2.12 Ingrijpen op de successie door hakhoutbeheer en dunnen’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 133).
2.13.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Technische aspecten van de maatregel worden toegelicht in het onderdeel ‘kapbeheer (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 51‐56). De diverse vormen van kappen zijn toegelicht bij de droge bossen, vooral onder ‘Regulier beheer met herstel van de historische beheervormen: hakhout of middelhout (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 258‐259), het ‘Specifiek beheer voor oude zuurminnende eikenbossen (9190)’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 259‐261) en de ‘Bijzondere maatregelen voor ontwikkeling en herstel van de kruidvegetatie’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 265‐ 266). De maatregel omvat meer beheervormen dan het klassieke hak‐ en middelhoutbeheer. Bosbeheertrajecten die kunnen ingrijpen op de structuur van de boom‐ en struiklaag, zijn meer in detail beschreven in Kint et al. (2015) en Cosyns & Vandekerkhove (2015).
2.13.5 Mitigerende werking 2.13.5.1
Tegen vermesting
Kappen en afvoeren van houtige biomassa kan rechtstreeks stikstof uit het bosecosysteem weghalen. Door het risico op mineralisatie van de strooisellaag, kan het aangewezen zijn de strooisellaag eveneens te verwijderen (voor bossen enkel in habitattypes 9190 en 9150). Onrechtstreeks wordt door mineralisatie en uitspoeling van nitraat ook stikstof uit het bosecosysteem verwijderd.
2.13.5.2
Tegen verzuring
Het kappen en afvoeren van bomen is geen mitigerende maatregel tegen verzuring, maar kan in tegendeel verzuring in de hand werken op een bodem die daarvoor gevoelig is. (zie bij voorbeeld Vangansbeke et al. 2015). Zie ook de bespreking van de maatregel ‘verminderde oogst van houtige biomassa’.
2.13.5.3
Overige gunstige effecten
Door de verhoogde lichtinval breekt de strooisellaag af en kunnen geschikte groeiplaatsen ontstaan voor lichtminnende soorten (bv. Groenknolrchis). Het zorgen voor meer structuur in de boom‐ en struiklaag is positief voor koudbloedige dieren zoals amfibieën, reptielen, libellen en Vliegend hert en zorgt ook voor een geschikter leefgebied voor zoogdieren zoals Europese bever en Europese otter.
36
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.13.6 Ongewenste effecten 2.13.6.1
Verzuring
Het kappen en afvoeren van hout verwijdert niet enkel stikstof uit het bos, maar ook andere nutriënten (Ca, K, Mg) die door verzuring schaars geworden zijn. Proportioneel worden zelfs meer van deze nutriënten verwijderd dan stikstof, waardoor voedingsonevenwichten versterkt kunnen worden (De Keersmaeker et al. 2017). Het kappen van openingen in het kronendak zorgt ook onrechtstreeks voor verzuring door verhoogde mineralisatie van strooisel, nitrificatie en uitspoeling van stikstof, maar ook van andere nutriënten (Ca, K, Mg). Zo stelden Bauhus & Bartsch (1995) in ‘gaps’ van 30m straal in een beukenbos een sterk verhoogde nitrificatie vast, die resulteerde in een pH‐verlaging van 0.25 eenheden.
2.13.6.2
Vermesting
Door kappen kan de strooisellaag mineraliseren, waardoor extra stikstof (en andere voedingsstoffen) beschikbaar komt en forse lichtminnende soorten, zoals bramen, tot dominantie kunnen komen. Dit kan een achteruitgang van minder forse bosplanten tot gevolg hebben (De Keersmaeker et al 2011). Door de maatregel te combineren met het verwijderen van strooisel, kan dit effect vermeden worden, maar kan verdere verzuring en habitatverlies voor gespecialiseerde soorten in de hand gewerkt worden. Langdurige dominantie van bramen kan ook vermeden worden door te zorgen voor een snelle regeneratie van de houtige vegetatie (De Keersmaeker et al. 2011). Uitspoeling door kap van bos in infiltratiegebieden kan een uitspoeling van nitraat naar grondwater veroorzaken en zo voor aanrijking zorgen van grondwaterafhankelijk habitat. Kleinschalig ingrijpen en stimuleren van verjonging of regeneratie van de houtige vegetatie (vooral loofhout) na kappen kan dit uitspoeling van nitraat beperken.