A-2 Brief Mts Van de Langemeen inzake leefgebieden zwarte specht en draaihals d.d. 8-2-22.pdf
Tekst van het document
2.13.6.3
Overige ongewenste effecten
Bij kappingen (zowel kaalslag, femelkap als bij sterke dunningen) wordt ingegrepen in het kronendak, waardoor scherpe interne bosranden kunnen ontstaan ter hoogte van de ‘gaps’ en grotere ‘roughness’ van het kronendak bij sterke dunningen. Dergelijke structuren zorgen voor veel extra turbulentie in de bovenste kruinlagen (Raupach & Thom 1981; Poggi et al. 2004). Deze hogere structurele heterogeniteit leidt hierdoor tot een hogere depositie van ammonium en NOx (Adriaenssens et al. 2012). Deze verhoogde depositie kan het effect van lagere depositie ten gevolge van de lagere LAI (cfr hoger) sterk overstijgen. Vooral in grotere bossen met volgroeide bosbestanden met een vrij homogeen gesloten kronendak zal dit effect sterk spelen, waardoor de eindbalans van deze maatregel in functie van stikstofmitigatie wellicht negatief is. Zo werd vastgesteld dat ter hoogte van scherpe (interne of externe) bosranden de depositie tot viermaal hoger kan zijn dan elders, en dit over een breedte tot vijf keer de boomhoogte (De Schrijver et al. 2007a). Kappen kan verder ook, vooral in combinatie met afvoeren van hout, het aanbod aan dood hout en monumentale bomen reduceren. Deze structuurelementen zijn belangrijk als habitat voor gespecialiseerde biodiversiteit, vooral fungi, kevers en epifyten.
Nogal wat soorten zijn gebonden aan bosranden (nachtvlinders, libellen, Hazelmuis) en daarom moet er voorzichtig worden omgesprongen met deze maatregel: als het de mantel‐zoomvegetatie behoudt of creëert is het een gunstige maatregel, indien dit de mantel‐zoopmvegetatie net verstoord, is het een ongunstige maatregel. Voor vleermuizen is het verwijderen van bomen met losse schors of met boomholten bijzonder nadelig omdat deze plekken gebruikt worden als schuil‐ of overwinteringsplaats. Het spreekt voor zich dat deze maatregel niet tijdens de voortplantingsperiode gebeurt. Verstoringen kunnen exoten de gelegenheid geven zich te vestigen in boshabitat (zie bij voorbeeld Vacciano et al. 2016).
2.14 Ingrijpen in de soortensamenstelling van de boom‐ en struiklaag 2.14.1 Omschrijving en toepassing Via het strooisel dat jaarlijks op de bodem terecht komt, bepalen boomsoorten in belangrijke mate de nutriëntencycli. Door in te grijpen in de samenstelling van de boom‐ en struiklagen, kan hierop ingegrepen worden. Soorten met een mild bladstrooisel, dat hoge concentraties van Ca, Mg en K bevat, bevorderen de vorming van een www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
37
gunstige humuslaag en kunnen zo verzuring afremmen. Soorten met moeilijk afbreekbaar strooisel werken daarentegen verzuring in de hand. Dit boomsoorteneffect is het belangrijkste op leemhoudende bodem in het matig zure bereik (standplaats van habitatypes 9130 en 9160), die zeer gevoelig is voor verdere verzuring, maar waar boomsoorten met een relatief goed afbreekbaar strooisel (linde, haagbeuk, esdoorn) zich nog kunnen handhaven. Daar liggen ook de beste kansen om via een aangepaste boomsoortenkeuze verzuring af te remmen (Hommel et al. 2007). Ook op zeer zure zandige bodem (standplaatsen van 9190 en 9120) is de invloed van het bladstrooisel van een boomsoort op de bodemontwikkeling en –verzuring belangrijk, maar zijn de kansen toch minder groot, zelfs na toevoeging van basische stoffen (Hommel et al. 2007: 46). De reden hiervoor is, dat boomsoorten die op deze zure bodem kunnen groeien, ook allemaal een relatief slecht afbreekbaar strooisel hebben. Naast de strooiselkwaliteit bepalen de soortspecifieke kroonkenmerken en de Leaf Area Index (LAI) ook de omvang van de vervuilende depositie in bossen. Soorten met een dichte kroon of wintergroene naaldboomsoorten, vangen meer verzurende en vermestende stoffen soorten met een ijlere kroon.
De maatregel ‘ingrijpen in de soortensamenstelling van de boom‐ en struiklaag’ kan vaak samensporen met maatregelen om het aandeel van niet‐inheemse bomen en struiken terug te dringen.
2.14.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
2.14.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt overeen met de Nederlandse maatregel ‘3.2.3 Maatregelen tegen verzuring door ingrijpen in de soortensamenstelling van de boomlaag’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 124).
2.14.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Deze maatregel staat beschreven onder ‘Bijzondere maatregelen voor ontwikkeling en herstel van de kruidvegetatie’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012: p. 265). Bosbeheertrajecten die kunnen ingrijpen op de soortensamenstelling van de boom‐ en struiklaag, zijn meer in detail beschreven in Kint et al. (2015) en Cosyns & Vandekerkhove (2015).
2.14.5 Mitigerende werking 2.14.5.1
Tegen vermesting
Vervanging van wintergroene naaldboomsoorten en soorten met een hoge LAI door loofboomsoorten met een lage LAI kan de depositie van stikstof verlagen. Dit effect is echter beperkt op de habitatlocatie zelf, omdat bossen waarin naaldhout domineert, per definitie geen Europese habitat zijn. In de infiltratiezone kan het mogelijk wel een invloed hebben, maar deze omvorming valt onder maatregel 2.22 ‘Herstel waterhuishouding: herstel grondwaterkwaliteit’.
2.14.5.2
Tegen verzuring
Het verhogen van het aandeel van boomsoorten met een mild bladstrooisel, kan een efficiënte maatregel tegen verzuring zijn. Dergelijke soorten stellen echter hogere eisen aan de bodem dan beuk, eik en naaldhoutsoorten, zodat deze maatregel niet toegepast kan worden op sterk verzuurde bodem, zonder bijkomend basische stoffen toe te dienen.
2.14.5.3
Overige gunstige effecten
Het verhogen van de diversiteit van houtige soorten kan ook een gunstig effect hebben op de globale biodiversiteit omdat bepaalde soorten aan specifieke boomsoorten geassocieerd zijn (bv. Europese bever).
38
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.14.6 Ongewenste effecten 2.14.6.1
Verzuring
De maatregel heeft geen ongunstig verzurend effect.
2.14.6.2
Vermesting
Soorten met een mild bladstrooisel hebben in principe geen vermestend effect, al kan het wel zijn dat onder de minder zure omstandigheden vermesting meer tot uiting komt in de vegetatie.
2.14.6.3
Overige ongewenste effecten
Kappingen om de boomsoortensamenstelling bij te sturen kunnen aanleiding geven tot een meer onregelmatig kronendak, met meer randeffecten, turbulentie en vaak sterk verhoogde depositie tot gevolg (zie 2.13.6.3). Dit ongewenste effect is vooral belangrijk in grotere bossen met een vrij uniform (volgroeid) kronendak. Verwijderen van naaldhout en andere soorten met een relatief zuur bladstrooisel (beuk, zomereik) kan nadelig zijn voor biodiversiteit die aan deze boomsoorten geassocieerd is. In habitattypes waar deze boomsoorten kenmerkend voor zijn (bij voorbeeld H9120 en H9190) is het niet aangewezen om deze soorten te verwijderen. Bepaalde exoten kunnen belangrijk zijn voor inheemse, zeldzame biodiversiteit. Als voorbeeld kan hier Amerikaanse eik aangehaald worden, die veel sneller holtes vormt dan inheemse eiken en daarom belangrijk kan zijn voor vleermuizen (Dekeukeleire et al. 2015). Voor soorten zoals Vliegend hert is het belangrijk dat er geen boomsoorten gebruikt worden die het bos nog meer verdonkeren. Het spreekt voor zich dat deze maatregel best niet tijdens de voortplantingsperiode wordt uitgevoerd.
2.15 Verminderde oogst houtige biomassa 2.15.1 Omschrijving en toepassing Houtoogst kan tot een verarming van het bosecosysteem leiden, omdat naast N, proportioneel meer andere nutriënten zoals Ca, K, Mg en P worden geëxporteerd. Nutriëntenbalansen in drie Vlaamse Level II proefvlakken, die zich in habitat 9120 situeren (Wijnendalebos, Gontrodebos, Zoniënwoud) tonen aan dat onder de huidige deposities zeer zorgvuldig moet omgesprongen worden met de export van nutriënten uit het bosecosysteem. De aanlevering van nutriënten door de bodem via verwering wordt namelijk overtroffen door de export via biomassaoogst. Ook bij stamoogst zonder oogst van kroonhout treedt reeds een verarming op (Cosyns et al. 2015; De Keersmaeker et al. 2017). Dergelijke verarming kan zich manifesteren in alle boshabitats op zwak gebufferde, niet kalkhoudende bodem buiten de bufferende invloed van grondwater (9110, 9120, 9130 partim, 9160 partim, 9190). Hoe meer er sprake is van verzuring, des te belangrijker het is om biomassa (en dus nutriënten) in het bos te laten (van den Burg et al. 2015). Door minder te oogsten dan gangbaar is of door niet te oogsten, blijven nutriënten achter in het bosecosysteem die door verzuring schaars zijn geworden.
In de loop van het verteringsproces is een toename vastgesteld van de concentratie van calcium en magnesium in dood hout, zodat lokaal mineralenrijke pools ontstaan (Kuehne et al. 2008; Shortle & Smith 2015). Door deze retentie vormt dood hout een belangrijke voorraad van macronutriënten die elders in de bodem van verzuurde bossen schaars zijn of moeilijk ontsloten kunnen worden. De minder zure bodem in de nabijheid van dood hout is gunstig voor bepaalde biota, o.m. slakken (Kappes et al. 2007). Dood hout is als substraat ook belangrijk voor gespecialiseerde saproxyle fauna en flora. Er zijn aanwijzingen dat door stikstofdepositie de competitieverhoudingen tussen saproxyle fungi worden beïnvloed, waardoor de afbraak van dood hout sneller kan verlopen (Bebber et al 2011). Hierdoor kan het aangewezen zijn om meer dood hout in bossen achter te laten.
2.15.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf toegepast.
www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
39
2.15.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel maakt geen deel uit van de Nederlandse herstelmaatregelen (Jansen et al. 2015), maar wordt wel beschreven als een uitbreidingsmaatregel voor een aantal boshabitats (zie bij voorbeeld Hommel et al. 2015). In de gebiedsanalyse voor Norgerholt (voornamelijk habitatype 9120) wordt ‘niets doen’ als de meest aangewezen maatregel beschouwd (zie https://www.provincie.drenthe.nl/publish/pages/57965/022_norgerholt_gebiedsanalyse_01‐01‐15_dr.pdf).
2.15.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Het behoud van dood hout staat beschreven onder ‘Kapbeheer’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 51‐52), en is verderop beschreven als ‘Behouden van voldoende dood hout’(Van Uytvanck & De Blust, 2012: 254‐255; 283) en als ‘Regulier beheer zonder productiefunctie: nulbeheer’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 259; 284‐285) . Beheertrajecten die tot een toename van het dood houtvolume kunnen leiden, zijn beschreven in Kint et al. (2015).
2.15.5 Mitigerende werking 2.15.5.1
Tegen vermesting
Deze maatregel heeft geen mitigerende werking tegen vermesting.
2.15.5.2
Tegen verzuring
Door dood hout achter te laten in het bos, blijven ook essentiële nutriënten (Ca, K, Mg) in het ecosysteem waardoor verzuring tenminste plaatselijk minder snel optreedt.
2.15.5.3
Overige gunstige effecten
Dood hout is belangrijk als habitat van saproxyle soorten. Naar schatting is 20% tot 50% van de biodiversiteit van bossen in de loop van zijn levenscyclus afhankelijk van dood hout (Jagers op de Akkerhuis et al. 2007). Voor vleermuizen kan de aanwezigheid van dood hout ervoor zorgen dat er een groter prooiaanbod van grote kevers behouden blijft.
2.15.6 Ongewenste effecten 2.15.6.1
Verzuring
De maatregel heeft geen verzurende werking
2.15.6.2
Vermesting
De afbraak van dood hout is een sterk stikstofgelimiteerd proces, als gevolg van de hoge C/N verhouding van hout. De stikstof die bijkomend nodig is voor afbraak wordt voor een aanzienlijk deel door microbiële fixatie van N2‐gas geleverd, zodat de totale stikstofvoorraad toeneemt. Recent onderzoek toont echter aan dat fungi ook stikstof onttrekken uit de bodem in de directe omgeving van het dode hout om het afbraakproces mogelijk te maken (Philpott et al. 2014; Rinne et al. 2017). Volgens Hart (1999) levert verterende dode biomassa globaal slechts een zeer bescheiden bijdrage aan de stikstofbehoefte van de vegetatie.
2.15.6.3
Overige ongewenste effecten
Niet gekend.
2.16 Tijdelijke drooglegging 2.16.1 Omschrijving en toepassing Door oppervlaktewater tijdelijk droog te leggen, kan de sliblaag die zich heeft gevormd op de onderwaterbodem, afgebroken of verwijderd worden zodat minder nutriënten beschikbaar zijn als het oppervlaktewater hersteld wordt. Dit kan op verschillende wijzen bij de drooglegging: bij voorbeeld door het slib mechanisch af te voeren of door tijdelijk te beakkeren. Tijdelijke drooglegging beïnvloedt de soortensamenstelling en kan gecombineerd 40
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
worden met het afvissen van vissen die de onderwaterbodem omwoelen (zie maatregel ‘manipulatie voedselketen’).
2.16.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt toegepast op de habitatlocatie, d.w.z. op de habitatlocatie zelf.
2.16.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel wordt niet expliciet vermeld in de overzichtstabel van het Nederlandse rapport (Jansen et al. 2015: p. 123), maar het belang van kortstondig droogvallen wordt wel beschreven, bij voorbeeld bij habitattype 3130 (Arts et al. 2015).
2.16.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Droogzetten wordt samen met afvissen behandeld bij de ‘Voedselarme vennen en plassen (1)’ (p.184‐185), bij de ‘Voedselarme vennen en plassen (2): Vennen met bruin water (3160)’ (p.195) en bij de ‘Voedselrijke plassen’ (p.209‐210).
2.16.5 Mitigerende werking 2.16.5.1
Tegen vermesting
De beschikbaarheid van nutriënten (fosfor en stikstof) in de sliblaag wordt gereduceerd door tijdelijke droogzetting en de maatregelen die erop kunnen volgen. Dat kan door tijdelijk zijn door vastlegging na oxidatie (bvb fosfor), of permanent door uitspoeling of opname (bij voorbeeld door beakkeren).
2.16.5.2
Tegen verzuring
De belasting met verzurende stoffen in de sliblaag wordt gereduceerd door tijdelijke droogzetting en de maatregelen die erop kunnen volgen.
2.16.5.3
Overige gunstige effecten
Drooglegging is gunstig voor soorten met een pionierkarakter. Ook de Grote modderkruiper kan hierbij gebaat zijn omdat concurrerende soorten hierdoor verwijderd worden. De Grote modderkruiper zelf kan zich ingraven in de modder en kan zo een tijdelijke drooglegging overleven.
2.16.6 Ongewenste effecten 2.16.6.1
Verzuring
Als gevolg van droogval kan oxydatie van sulfide tot sulfaat optreden, met verzuring tot gevolg (Arts et al. 2015).
2.16.6.2
Vermesting
De maatregel heeft geen vermestende effecten als de sliblaag volledig verdwijnt.
2.16.6.3
Overige ongewenste effecten
Het droogvallen kan een (tijdelijk) probleem zijn voor bepaalde soorten, in het bijzonder watergebonden fauna (amfibieën, libellen, mollusken, vissen, broedvogels, overwinterende watervogels, Europese bever en Europese otter), zie Arts et al. (2015), maar ook flora (Groenknolorchis en Kruipend moerasscherm). Voor vleermuizen die vaak in de buurt van water jagen of voor overwinterende watervogels, kan droogleggen ervoor zorgen dat hun foerageergebied tijdelijk verdwijnt.
www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
41
2.17 Herstel van winddynamiek 2.17.1 Omschrijving en toepassing Stikstofdepositie kan de successie versnellen en zorgt er voor dat habitat dat afhankelijk is van een hoge winddynamiek, sneller verdwijnt. Herstel van de winddynamiek door vegetatie te verwijderen, kan aangewezen zijn om accumulatie van biomassa en humus tegen te gaan. Het verwijderen van de vegetatie en de organische bovenlaag moet zo uitgevoerd worden dat wortels niet opnieuw kunnen uitlopen. Het verwijderen van bos en bosopslag is vaak onderdeel van de maatregel, niet alleen op de te herstellen stuifzandvlakte maar ook in de omgeving, om voldoende strijklengte voor de wind te realiseren, om voldoende verstuifbaar zand aan het oppervlak te brengen en om invang van stikstofdepositie te verminderen. Het afgraven van de bodem op de hoogste delen van zuidhellingen kan watererosie bevorderen en verstuifbaar zand aan de oppervlakte brengen, waardoor nieuwe stuifkuilen kunnen ontstaan. Uitstuiving door de wind is een natuurlijk proces waardoor ondiepe waterhabitat gevormd kunnen worden in duin‐ en heidegebieden. Het herstel van de winddynamiek is bovendien van belang voor de gasuitwisseling en om de bodem plaatselijk vrij te houden van organisch sediment.
2.17.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt toegepast op standplaatsschaal, d.w.z. op de habitat zelf, en op landschapsschaal, d.w.z. in de omgeving van de habitat die een invloed uitoefent op de kwaliteit van de habitat.
2.17.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel is een onderdeel van ‘3.3.2 Maatregelen gericht op herstel wind‐ en waterdynamiek’ (Jansen et al. 2015: 136‐137). Het herstel van de waterdynamiek wordt in voorliggend rapport beschreven als onderdeel van de maatregel 2.20 ‘Herstel waterhuishouding: structureel herstel met grote ruimtelijke impact.’
2.17.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Diverse maatregelen die toegepast kunnen worden om de vrije windwerking te vergroten, worden beschreven in het hoofdstuk over de landduinen (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 130‐140) over voedselarme vennen en plassen (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 168‐196) en in mindere mate ook bij de vegetatierijke plassen (Van Uytvanck & De Blust, 2012: 197‐214). Kustduinen, waar de maatregel ook relevant is, worden niet beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’ (Van Uytvanck & De Blust, 2012).
2.17.5 Mitigerende werking 2.17.5.1
Tegen vermesting
Verstuiving kan een voedselarme, minerale bodem in stand houden en dus vastlegging en vermesting tegengaan. Als een waterhabitat in een open landschap komt te liggen, kan windwerking zorgen voor sterkere circulatie, differentiële sedimentatiepatronen en een betere gasuitwisseling.
2.17.5.2
Tegen verzuring
Deze maatregel kan niet of minder verzuurde bodem terug aan de oppervlakte brengen.
2.17.5.3
Overige gunstige effecten
Open, verstuivende zanden van duinen en minerale oevers of bodem van waterhabitat zijn belangrijke habitat voor gespecialiseerde fauna (sternen en Strandplevier) en flora (Groenknolorchis).
2.17.6 Ongewenste effecten 2.17.6.1
Verzuring
Niet gekend
42
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.17.6.2
Vermesting
De maatregel heeft geen vermestend effect
2.17.6.3
Overige ongewenste effecten
Om vrije windwerking mogelijk te maken is een groot open landschap nodig. De maatregelen die hiervoor nodig zijn (bij voorbeeld kappen van bos) kunnen leiden tot verlies van habitat of tot verlies van leefruimte voor andere soorten. Nogal wat warmteminnende soorten hebben beschutte plekken nodig (amfibieën, reptielen, libellen, Hazelmuis) en het herstel van winddynamiek is hiervoor ongunstig omdat meer wind leidt tot een afname in het micro‐klimaat.
2.18 Herstel functionele verbindingen 2.18.1 Omschrijving en toepassing Habitatlocaties die functioneel verbonden zijn met elkaar kunnen via het omgevende landschap soorten met elkaar uitwisselen. Hierdoor zijn de kenmerkende soorten van habitat minder gevoelig voor lokaal uitsterven onder invloed van een milieudruk en kan de habitat zich beter herstellen als de milieudruk is afgenomen. Maatregelen om de landschapskwaliteit opnieuw te verbeteren en functionele verbindingen te realiseren, zijn zeer uiteenlopend en soort‐ en habitatspecifiek, waardoor een grondige voorstudie steeds vereist is. Het landschap heeft de afgelopen eeuw ingrijpende veranderingen ondergaan waardoor planten en dieren veel minder in staat zijn om zich in hun habitats te handhaven, of om nieuwe, geschikte terreinen te bevolken. De milieudrukken, waaronder stikstofdepositie, zijn sterk toegenomen op de habitat zelf, maar ook de kwaliteit van de landschapsmatrix is achteruit gegaan, waardoor uitwisseling van soorten tussen habitat en het omringende landschap bemoeilijkt wordt. Hierdoor is de veerkracht van (meta)populaties van kenmerkende soorten van habitats achteruit gegaan en dreigen kenmerkende soorten lokaal uit te sterven. Het gebrek aan functionele verbindingen wordt ook geciteerd als oorzaak voor het uitblijven van herstel.
Als de abiotische condities opnieuw geschikt zijn geworden door herstelmaatregelen of door afname van de milieudruk, kunnen de kenmerkende soorten zonder functionele verbindingen de geschikte habitat niet opnieuw koloniseren (Suding et al. 2004; Clark & Tilman 2010).
2.18.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt toegepast op landschapsschaal, d.w.z. in de omgeving die zich tussen en rond de verschillende habitatlocaties bevindt en die van belang is om functionele uitwisseling van soorten mogelijk te maken.
2.18.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel stemt overeen met de Nederlandse maatregel ‘3.3.3 Maatregelen gericht op herstel connectiviteit’ (Jansen et al. 2015, Deel I p. 137).
2.18.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Diverse maatregelen uit het ‘Handboek voor beheerders’ (Van Uytvanck & De Blust 2012) geven een invulling, maar zijn niet uitputtend: zoeken op ‘verbinding’ (p. 98; 114; 260; 262; 263; 279; 287; 297) .
2.18.5 Mitigerende werking 2.18.5.1
Tegen vermesting
De maatregel op zich werkt niet in op vermesting, maar kan populaties die onder druk staan door vermesting robuuster maken.
www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
43
2.18.5.2
Tegen verzuring
De maatregel op zich werkt niet in op verzuring, maar kan populaties die onder druk staan door verzuring robuuster maken.
2.18.5.3
Overige gunstige effecten
Functionele verbindingen kunnen de genetische diversiteit en de soortendiversiteit van habitat verhogen en creëren geschikt leefgebied voor soorten die afhankelijk zijn van ruimtelijke overgangen tussen verschillende habitats.
2.18.6 Ongewenste effecten 2.18.6.1
Verzuring
Niet gekend
2.18.6.2
Vermesting
Niet gekend
2.18.6.3
Overige ongewenste effecten
Verbindingen die gerealiseerd worden in functie van een bepaald habitattype of een bepaalde soortengroep, kunnen ten koste gaan van een ander type habitat of kunnen barrières creëren voor andere soorten. Via verbindingen kunnen ook ongewenste soorten, bij voorbeeld exoten, in het gebied komen. Een grondige voorstudie en afweging is aangewezen, met onderbouwing door het beschikbare instrumentarium (Rode Lijsten, prioritaire soorten, bosleeftijd, etc.).
2.19 Aanleg van een scherm van houtige soorten 2.19.1 Omschrijving en toepassing Bossen hebben een grote depositieoppervlakte en veroorzaken turbulenties, waardoor ze relatief veel vervuilende deposities vangen. Deze turbulenties treden vooral op bij scherpe overgangen van open terrein naar bos. Deze randen van boshabitat vangen hierdoor relatief veel atmosferische deposities, tot vier keer meer dan centraal in het bos (zie o.a. De Schrijver et al. 2007a). Door een oplopende bosrand van enkele tientallen meter aan te leggen, kan de depositie in boshabitat aanzienlijk dalen (Wuyts et al. 2009). Bij een windtunnelexperiment verminderde de depositie bij een geleidelijk opgaande bosrand met 66% (Wuyts et al. 2008). Deze oplopende bosrand wordt bij voorkeur naar buiten toe aangelegd, omdat de aanleg naar binnen toe ten koste gaat van de structuurdiversiteit van boshabitat. In het open landschap is het effect van bomenrijen en houtkanten op de depositiepatronen minder groot. Vooral singels in de nabijheid van emissiebronnen kunnen een filterend effect hebben (Kros et al 2015; Oosterbaan et al. 2006). Bredere dichte houtkanten (10‐20m breed) kunnen hetzelfde turbulentie‐effect creëren als scherpe bosranden, en daardoor relatief hoge deposities wegvangen, die daardoor niet in verderop gelegen habitat terecht komen (cfr Wuyts et al. 2008).
Bomenrijen en houtkanten kunnen ook andere vormen van vermesting, ondermeer via het inspoelen van aangerijkt slib, reduceren (Forman & Baudry 1984).
2.19.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt toegepast op landschapsschaal, d.w.z. in de omgeving van habitat die een invloed erop uitoefent.
2.19.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen De verhoogde depositie in de randen van bossen wordt beschreven in het Nederlandse rapport (Bobbink et al. 2014; Deel I, hoofdstuk 2: p. 47‐48) maar werd niet vertaald naar een herstelmaatregel in Deel I, hoofdstuk 3 (Jansen et al. 2015). Houtkanten als buffer worden niet vermeld. 44
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.19.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ Het behouden en aanleggen van brede windschermen wordt besproken bij de ‘Vegetatierijke plassen’ (habitattypes 3140 en 3150) op p. 207. Het belang van een betere buffering van de bosranden wordt besproken bij de ‘Droge bossen’ (habitattypes 9110, 9120, 9130, 9160, 9190) (p 251‐252).
2.19.5 Mitigerende werking 2.19.5.1
Tegen vermesting
De maatregel kan de depositiedruk en de inspoeling of het inwaaien van vermestende stoffen op de achter‐ of verder liggende habitats verlagen. Bij dichte, scherp begrensde bufferzones en houtkanten is dit vooral door het rechtstreekse filterende effect, bij geleidelijke bosranden vooral door het verminderen van de turbulentie en aldus voorkomen van verhoogde depositie in de achterliggende boshabitats.
2.19.5.2
Tegen verzuring
De maatregel verlaagt de depositiedruk en de inspoeling of het inwaaien van verzurende stoffen op de achter‐ of verder liggende habitats. Bij dichte, scherpbegrensde bufferzones en houtkanten is dit vooral door het rechtstreekse filterende effect, bij geleidelijke bosranden vooral door het verminderen van de turbulentie en aldus voorkomen van verhoogde depositie in de achterliggende boshabitats.
2.19.5.3
Overige gunstige effecten
Houtkanten in het open landschap kunnen gunstig zijn voor bepaalde soorten van een bocage landschap en kunnen voor functionele verbindingen zorgen (Forman & Baudry 1984), vooral voor soorten van boshabitat (Corbit et al. 1999, Endels et al. 2004, Wehling & Diekmann 2009). Geleidelijke bosranden (mantel‐zoomgradiënt) kunnen een zeer rijke fauna en flora herbergen (bv. Spaanse vlag, Hazelmuis). Ook vleermuizen maken vaak gebruik van bosranden om in te jagen. De realisatie van doelstellingen betreffende ontwikkeling van struwelen (habitatwaardig en regionaal belangrijke biotopen) kan vaak meesporen met deze mitigerende maatregel.
2.19.6 Ongewenste effecten 2.19.6.1
Verzuring
Bladval van houtkanten zou verzurend kunnen werken op naburig habitat. Als de ingevangen nutriënten uitspoelen naar grondwater dat nabij gelegen habitat voedt, kan de maatregel een verzurend effect hebben.
2.19.6.2
Vermesting
Bladval van houtkanten zou vermestend kunnen werken op naburig habitat. Als de ingevangen nutriënten uitspoelen naar grondwater dat nabij gelegen habitat voedt, kan de maatregel een vermestend effect hebben.
2.19.6.3
Overige ongewenste effecten
Bestaande waardevolle bosranden of open habitat kunnen, samen met de aanwezige typische fauna en flora, verloren gaan door aan de buitenzijde een brede bosbuffer aan te planten. De maatregel is daarom vooral aangewezen bij scherpe bosranden, grenzend aan niet‐habitatwaardige (of regionaal belangrijke) open terreinen. In open landschappen kan, door het aanplanten van een houtkant, beschaduwing op open habitat toenemen, windwerking afnemen of leefruimte van bepaalde fauna verdwijnen (bv. Vliegend hert, Spaanse vlag, Gladde slang). De voor‐ en nadelen moeten dus goed tegen elkaar afgewogen worden.
2.20 Herstel waterhuishouding: structureel herstel op landschapsschaal 2.20.1 Omschrijving en toepassing De waterhuishouding speelt een fundamentele rol in de stikstofhuishouding en de buffercapaciteit tegen verzuring van waterafhankelijk habitat. Maatregelen die de waterhuishouding herstellen of optimaliseren, kunnen daarom www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
45
zeer efficiënt zijn om de beschikbaarheid van stikstof en andere vermestende nutriënten te verlagen en de toevoer van bufferende basische kationen en bicarbonaat te verhogen. De zes maatregelen die ingrijpen op de waterhuishouding, worden ingedeeld op basis van de oorsprong van de verstoring waarop ze ingrijpen, niet op basis van de herstelprocessen. Structurele maatregelen met een grote ruimtelijke impact hebben tot doel de geomorfologische structuur en samenhang van waterafhankelijke ecosystemen te herstellen door natuurtechnische ingrepen, zodat de kwaliteit van de aanwezige habitats vooruit kan gaan. Het kan gaan om maatregelen zoals: het substantiëel verhogen van de onderwaterbodem van waterlopen, het opnieuw aansluiten van al of niet gedempte meanders van waterlopen, het herstel van het historische patroon van greppels of kreken, het verwijderen van stuwen en duikers. Maatregelen die het herstel van de waterhuishouding beogen, vereisen steeds een grondige voorstudie om de effectiviteit en de neveneffecten in te schatten.
2.20.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt toegepast op de habitatlocatie en op landschapsschaal, d.w.z.op de habitatlocatie zelf en in de omgeving van habitat die een invloed op de kwaliteit ervan uitoefent.
2.20.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maakt deel uit van ‘3.2.2 Maatregelen tegen verzuring door herstel waterhuishouding’ (Jansen et al. 2015: p. 123) en deels ook van ‘3.3.2 Maatregelen gericht op herstel wind‐ en waterdynamiek’ (Jansen et al. 2015: p. 136‐ 137).
2.20.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ De betekenis van een intacte waterhuishouding en van maatregelen voor hydrologisch herstel komen vaak terug in het ‘Handboek voor beheerders’: zoeken op de trefwoorden ‘waterhuishouding’ en op ‘hydrologie’: p.23; 65; 70; 76; 77; 81; 91; 97; 103; 120; 130; 142; 143; 145; 146; 154; 147; 169; 179; 188; 193; 197; 206; 216; 224; 231; 244; 270; 273; 275; 276; 279; 280; 288; 289; 294. Herstel van de waterhuishouding of hydrologisch herstel, eventueel door hydrologische isolatie, komt als afzonderlijk onderdeel aan bod bij ‘Heischrale graslanden’ (habitattype 6230): p. 101; ‘Vochtige heide’ (habitattype 4010): p.147; ‘Voedselarme vennen en plassen (habitattypes 3110 en 3130)’: p.179; ‘Voedselarme vennen en plassen (habitattype 3160)’: p.193; ‘Natte bossen’ (habitattypes 91E0 en 91F0): p.289. De maatregel is ook belangrijk voor veenhabitats, maar die zijn niet beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’.
2.20.5 Mitigerende werking 2.20.5.1
Tegen vermesting
Een hoge grondwatertafel vertraagt de afbraak van organisch materiaal, waardoor dit opstapelt in de bodem en de vrijstelling van stikstof vertraagt. Een hoge grondwatertafel kan ook de vervluchtiging van stikstof door denitrificatie stimuleren.
2.20.5.2
Tegen verzuring
Een hoge waterstand verhindert de uitspoeling van basen (Ca, K, Mg) als gevolg van verzuring. Basenrijk grond‐ en oppervlaktewater kunnen voor een aanvoer zorgen van deze elementen, die door verzuring schaars worden. Grondwater dat rijk is aan bicarbonaat, is een zeer krachtige buffer tegen verzuring.
2.20.5.3
Overige gunstige effecten
Door structureel herstel wordt tegelijk ook de landschappelijke samenhang versterkt, bij voorbeeld omdat knelpunten voor vismigratie verdwijnen.
46
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.20.6 Ongewenste effecten 2.20.6.1
Verzuring
Een stijging van de grondwaterstand heeft geen verzurend effect, in tegendeel.
2.20.6.2
Vermesting
Een permanent hoge grondwaterstand kan de vrijstelling van fosfaten en andere nutriënten tot gevolg hebben, die zorgen voor een interne eutrofiëring. Overstroming met oppervlaktewater kan voor vermesting zorgen (vooral door fosfor en stikstof), zelfs als dit slechts licht aangerijkt is.
2.20.6.3
Overige ongewenste effecten
Een stijging van de grondwatertafel op landschapsschaal zorgt ervoor dat habitats en soorten zich moeten ‘herpositioneren’. In het algemeen is een geleidelijke vernatting te verkiezen boven een plotse stijging van de grondwatertafel. Het aansluiten van sloten en meanders met een goede waterkwaliteit op waterlopen met een matige tot slechte waterkwaliteit kan nadelige gevolgen hebben voor soorten en habitats die een hoge kwaliteit vereisen. Voor amfibieën en libellen kan dit bovendien zorgen voor een introductie van predatoren zoals vissen wat een negatief effect kan hebben. Voorstudie is vereist om na te gaan in welke mate dit mogelijk is en of hierdoor geen habitats of soorten verloren kunnen gaan.
2.21 Herstel waterhuishouding: herstel oppervlaktewaterkwaliteit 2.21.1 Omschrijving en toepassing Met nutriënten aangerijkt oppervlaktewater kan eenzelfde eutrofiërend effect hebben als de eutrofiërende depositie vanuit de lucht. Een verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater van rivieren en beken kan een vereiste zijn om de habitatkwaliteit te behouden of te verbeteren. Indien een kwaliteitsverbetering niet mogelijk is, moet voorkomen worden dat vervuild oppervlaktewater de habitat overstroomt en zo de nutriëntenlast verder verhoogt. Maatregelen die het herstel van de waterhuishouding beogen, vereisen steeds een grondige voorstudie om de effectiviteit en de neveneffecten in te schatten.
2.21.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt toegepast op de habitatlocatie en op landschapsschaal, d.w.z.op de habitatlocatie zelf en in de omgeving van habitat die een invloed op de kwaliteit ervan uitoefent.
2.21.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel wordt niet in het Nederlandse rapport (Jansen et al. 2015: p. 123) beschreven.
2.21.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ De betekenis van een intacte waterhuishouding en van maatregelen voor hydrologisch herstel komen vaak terug in het ‘Handboek voor beheerders’: zoeken op de trefwoorden ‘waterhuishouding’ en op ‘hydrologie’: p.23; 65; 70; 76; 77; 81; 91; 97; 103; 120; 130; 142; 143; 145; 146; 154; 147; 169; 179; 188; 193; 197; 206; 216; 224; 231; 244; 270; 273; 275; 276; 279; 280; 288; 289; 294. Herstel van de waterhuishouding of hydrologisch herstel, eventueel door hydrologische isolatie, komt als afzonderlijk onderdeel aan bod bij ‘Heischrale graslanden’ (habitattype 6230): p. 101; ‘Vochtige heide’ (habitattype 4010): p.147; ‘Voedselarme vennen en plassen (habitattypes 3110 en 3130)’: p.179; ‘Voedselarme vennen en plassen (habitattype 3160)’: p.193; ‘Natte bossen’ (habitattype 91E0 en 91F0): p.289. De maatregel is ook belangrijk voor veenhabitats, maar die zijn niet beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’.
www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
47
2.21.5 Mitigerende werking 2.21.5.1
Tegen vermesting
De aanvoer van nutriënten (fosfor en stikstof) wordt gereduceerd door overstroming van verontreinigd oppervlaktewater tegen te gaan, of de kwaliteit van het oppervlaktewater sterk te verbeteren.
2.21.5.2
Tegen verzuring
Niet‐vervuild oppervlaktewater kan een bufferende werking hebben tegen verzuring.
2.21.5.3
Overige gunstige effecten
De dynamiek van overstromingen is van belang voor een aantal soorten, die zich vlotter kunnen verspreiden (bvb ratelaars, moeraskartelblad). De afzetting van slib die ermee samengaat, creëert gunstige omstandigheden voor voor een aantal habitats (bij voorbeeld habitattype 91F0).
2.21.6 Ongewenste effecten 2.21.6.1
Verzuring
Deze maatregel heeft geen verzurende effecten.
2.21.6.2
Vermesting
Geen: de reductie van de nutriëntenlast van vervuild oppervlaktewater is een maatregel tegen vermesting.
2.21.6.3
Overige ongewenste effecten
Een herstel van de overstromingsdynamiek kan ervoor zorgen dat habitats en soorten zich moeten ‘herpositioneren’ in het landschap. Voorstudie is vereist om na te gaan in welke mate dit mogelijk is en of hierdoor geen habitats of soorten verloren kunnen gaan. Sommige overwinterende watervogels zijn gebaat bij een vrij hoge voedselrijkom van het water (bv. benthos) en een verbeterde waterkwaliteit kan leiden tot een afname aan voedsel voor deze vogels.
2.22 Herstel waterhuishouding: herstel grondwaterkwaliteit 2.22.1 Omschrijving en toepassing Met nutriënten aangerijkt grondwater heeft eenzelfde eutrofiërend effect als eutrofiërende depositie vanuit de lucht. Maatregelen die de kwaliteit van het grondwater verbeteren, zijn zeer divers. Het kan ondemeer gaan om het terugdringen van het bemestingsniveau in het infiltratiegebied, het terugdringen van infiltratie van rioolwater, het verlagen van de vervuilende depositie in het infiltratiegebied… Laatstgenoemde maatregel wordt in de volgende paragraaf kort toegelicht. Het geleidelijk aan omvormen van naaldhout naar loofhout, kan de droge depositie van stikstof (en zwavel) reduceren en tegelijk de retentie van stikstof in het bosecosysteem verhogen (De Schrijver et al. 2000). Dit laatste is het gevolg van de relatief hoge stikstofbehoefte van loofbomen, vergeleken met naaldbomen. Bij deze omvorming van naaldhout naar loofhout zijn echter een aantal kanttekeningen te plaatsen: 1) kappen om de vestiging van loofbomen te stimuleren of het depositieoppervlakte te reduceren, kan de ruwheid van het kronendak verhogen en zo de vervuilende depositie net verhogen.
Daarom is het belangrijk om een geleidelijke omvorming te realiseren 2) Als in functie van bosomvorming gaten gekapt worden, kan de strooisellaag mineraliseren en hierdoor net meer nitraat uitspoelen; 3) de reductie van het depositieoppervlakte is sterk afhankelijk van de LAI (Leaf Area Index) van de boomsoort en de dichtheid van de bestanden. Bepaalde types loofhoutbestanden vangen allicht evenveel of meer vervuilende depositie als goed gedunde bestanden van naaldhoutsoorten met een relatief lage LAI (bij voorbeeld grove den). Het is ook belangrijk om te beseffen dat de effectiviteit van deze maatregel grotendeels gebaseerd is op kwalitatieve vergelijkende studies op het niveau van bosbestanden (zie bij voorbeeld De Schrijver et al. 2000). Studies die het effect van de maatregel in de praktijk begroten op het niveau van een infiltratiegebied, zijn niet gekend.
48
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
Maatregelen die het herstel van de waterhuishouding beogen, vereisen daarom steeds een grondige voorstudie om de effectiviteit en de neveneffecten in te schatten. Zo is het zeer belangrijk om te begroten welk aandeel van het infiltratiegebied door een maatregel aangepakt wordt. In infiltratiegebied dat overwegend uit open agrarisch landschap bestaat, heeft een geringe reductie van de bemestingsdruk wellicht een betekenisvoller effect dan de omvorming van naaldhout naar loofhout.
2.22.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt toegepast op de habitatlocatie en op landschapsschaal, d.w.z.op de habitatlocatie zelf en in de omgeving van habitat die een invloed op de kwaliteit ervan uitoefent.
2.22.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel wordt in het Nederlandse rapport beschreven als 3.2.2 Maatregelen tegen verzuring door herstel waterhuishouding’ (Jansen et al. 2015: p. 123).
2.22.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ De betekenis van een intacte waterhuishouding en van maatregelen voor hydrologisch herstel komen vaak terug in het ‘Handboek voor beheerders’: zoeken op de trefwoorden ‘waterhuishouding’ en op ‘hydrologie’: p.23; 65; 70; 76; 77; 81; 91; 97; 103; 120; 130; 142; 143; 145; 146; 154; 147; 169; 179; 188; 193; 197; 206; 216; 224; 231; 244; 270; 273; 275; 276; 279; 280; 288; 289; 294. Herstel van de waterhuishouding of hydrologisch herstel, eventueel door hydrologische isolatie, komt als afzonderlijk onderdeel aan bod bij ‘Heischrale graslanden’ (H6230): p. 101; ‘Vochtige heide’ (habitattype 4010): p.147; ‘Voedselarme vennen en plassen (habitattypes 3110 en 3130)’: p.179; ‘Voedselarme vennen en plassen (habitattype 3160)’: p.193; ‘Natte bossen’ (habitattypes 91E0 en 91F0): p.289. De maatregel is ook belangrijk voor veenhabitats, maar die zijn niet beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’.
2.22.5 Mitigerende werking 2.22.5.1
Tegen vermesting
Door de concentratie van nitraat, fosfaat en sulfaat van grondwater te verlagen kan vermesting teruggedrongen worden.
2.22.5.2
Tegen verzuring
Kwaliteitsverbetering van grondwater, door reductie van de belasting met nitraat en fosfaat, staat los van de bufferende werking tegen verzuring.
2.22.5.3
Overige gunstige effecten
Sulfaat en nitraat (bij lage redoxpotentiaal) stimuleren afbraak van veen, met een verhoogde beschikbaarheid van nutriënten tot gevolg. Een verbetering van de grondwaterkwaliteit kan dit proces stoppen en veenvorming terug op gang brengen.
2.22.6 Ongewenste effecten 2.22.6.1
Verzuring
Niet gekend
2.22.6.2
Vermesting
De maatregel werkt tegen vermesting.
2.22.6.3
Overige ongewenste effecten
Niet gekend
www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
49
2.23 Herstel waterhuishouding: afbouw grondwateronttrekking 2.23.1 Omschrijving en toepassing Het afbouwen van belangrijke grondwaterwinningen kan zorgen voor een stijging van de grondwatertafel. Een hoge grondwaterstand is van belang voor specifieke habitats en soorten en zorgt voor een verminderde beschikbaarheid van stikstof en voor een effectieve buffering tegen verzuring. Maatregelen die het herstel van de waterhuishouding beogen, vereisen steeds een grondige voorstudie om de effectiviteit en de neveneffecten in te schatten.
2.23.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt toegepast op landschapsschaal, d.w.z. in de omgeving van habitat die een invloed op de kwaliteit ervan uitoefent.
2.23.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel wordt in het Nederlandse rapport beschreven als 3.2.2 Maatregelen tegen verzuring door herstel waterhuishouding’ (Jansen et al. 2015: p. 123).
2.23.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ De betekenis van een intacte waterhuishouding en van maatregelen voor hydrologisch herstel komen vaak terug in het ‘Handboek voor beheerders’: zoeken op de trefwoorden ‘waterhuishouding’ en op ‘hydrologie’: p.23; 65; 70; 76; 77; 81; 91; 97; 103; 120; 130; 142; 143; 145; 146; 154; 147; 169; 179; 188; 193; 197; 206; 216; 224; 231; 244; 270; 273; 275; 276; 279; 280; 288; 289; 294. Herstel van de waterhuishouding of hydrologisch herstel, eventueel door hydrologische isolatie, komt als afzonderlijk onderdeel aan bod bij ‘Heischrale graslanden’ (H6230): p. 101; ‘Vochtige heide’ (habitattype 4010): p.147; ‘Voedselarme vennen en plassen (habitattypes 3110 en 3130)’: p.179; ‘Voedselarme vennen en plassen (habitattype 3160)’: p.193; ‘Natte bossen’ (habitattypes 91E0 en 91F0): p.289. De maatregel is ook belangrijk voor veenhabitats, maar die zijn niet beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’.
2.23.5 Mitigerende werking 2.23.5.1
Tegen vermesting
Een hoge grondwatertafel vertraagt de afbraak van organisch materiaal, waardoor dit opstapelt in de bodem en de vrijstelling van stikstof vertraagt. Een hoge grondwatertafel kan ook de vervluchtiging van stikstof door denitrificatie stimuleren.
2.23.5.2
Tegen verzuring
Een hoge waterstand verhindert de uitspoeling van basen (Ca, K, Mg) als gevolg van verzuring. Basenrijk grond‐ en oppervlaktewater kunnen zorgen voor een aanvoer van deze elementen, die door verzuring schaars worden. Grondwater dat rijk is aan bicarbonaat grondwater, is een zeer krachtige buffer tegen verzuring.
2.23.5.3
Overige gunstige effecten
Niet gekend
2.23.6 Ongewenste effecten 2.23.6.1
Verzuring
Een stijging van de grondwaterstand heeft geen verzurend effect, in tegendeel.
2.23.6.2
Vermesting
Een permanent hoge grondwaterstand kan de vrijstelling van fosfaten tot gevolg hebben, die zorgen voor een interne eutrofiëring. Overstroming met oppervlaktewater kan voor vermesting zorgen door afzetting van met fosfor en stikstof belast slib (De Becker & De Bie, 2013). 50
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.23.6.3
Overige ongewenste effecten
Een stijging van de grondwatertafel op landschapsschaal zorgt ervoor dat habitats en soorten zich moeten ‘herpositioneren’. Voorstudie is vereist om na te gaan in welke mate dit mogelijk is en of hierdoor geen habitats of soorten verloren kunnen gaan. In het algemeen is een geleidelijke vernatting te verkiezen boven een plotse stijging van de grondwatertafel.
2.24 Herstel waterhuishouding: optimalisatie van de lokale drainage 2.24.1 Omschrijving en toepassing Het optimaliseren van de lokale waterhuishouding via grachten en sloten regelt de beschikbaarheid van nutriënten, zoals stikstof, fosfor, maar ook basische cationen. Bij te sterke drainage treedt verzuring op en kan organisch materiaal mineraliseren en voor vermesting zorgen. In bepaalde habitats, zoals natte schraalgraslanden, kan bij te weinig drainage fosfor beschikbaar komen, waardoor eveneens vermesting optreedt. Door een peilbeheer te voeren dat streeft naar beperkte fluctuaties van het grondwater, kan een optimale balans gevonden worden tussen de bufferende en vermestende processen (Roelofs 1993; Lamers et al. 1997). Maatregelen die het herstel van de waterhuishouding beogen, vereisen steeds een grondige voorstudie om de effectiviteit en de neveneffecten in te schatten.
2.24.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt toegepast op de habitatlocatie en op landschapsschaal, d.w.z. op de habitatlocatie zelf en in de omgeving van habitat die een invloed op de kwaliteit ervan uitoefent.
2.24.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel wordt in het Nederlandse rapport beschreven als 3.2.2 Maatregelen tegen verzuring door herstel waterhuishouding’ (Jansen et al. 2015: p. 123).
2.24.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ De betekenis van een intacte waterhuishouding en van maatregelen voor hydrologisch herstel komen vaak terug in het ‘Handboek voor beheerders’: zoeken op de trefwoorden ‘waterhuishouding’ en op ‘hydrologie’: p.23; 65; 70; 76; 77; 81; 91; 97; 103; 120; 130; 142; 143; 145; 146; 154; 147; 169; 179; 188; 193; 197; 206; 216; 224; 231; 244; 270; 273; 275; 276; 279; 280; 288; 289; 294. Herstel van de waterhuishouding of hydrologisch herstel, eventueel door hydrologische isolatie, komt als afzonderlijk onderdeel aan bod bij ‘Heischrale graslanden’ (habitattype 6230): p. 101; ‘Vochtige heide’ (habitattype 4010): p.147; ‘Voedselarme vennen en plassen (habitattypes 3110 en 3130)’: p.179; ‘Voedselarme vennen en plassen (habitattype 3160)’: p.193; ‘Natte bossen’ (habitattype 91E0 en 91F0): p.289. De maatregel is ook belangrijk voor veenhabitats, maar die zijn niet beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’.
2.24.5 Mitigerende werking 2.24.5.1
Tegen vermesting
Een hoge grondwatertafel vertraagt de afbraak van organisch materiaal, waardoor dit opstapelt in de bodem en de vrijstelling van stikstof vertraagt. Een hoge grondwatertafel kan ook de vervluchtiging van stikstof door denitrificatie stimuleren.
2.24.5.2
Tegen verzuring
Een hoge waterstand verhindert de uitspoeling van basen (Ca, K, Mg) als gevolg van verzuring. Basenrijk grond‐ en oppervlaktewater kunnen zorgen voor een aanvoer van deze elementen, die door verzuring schaars worden. Grondwater dat rijk is aan bicarbonaat grondwater, is een zeer krachtige buffer tegen verzuring. www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
51
2.24.5.3
Overige gunstige effecten
Niet gekend
2.24.6 Ongewenste effecten 2.24.6.1
Verzuring
Een stijging van de grondwaterstand heeft geen verzurend effect, in tegendeel.
2.24.6.2
Vermesting
Een permanent hoge grondwaterstand kan de vrijstelling van fosfaten tot gevolg hebben, die zorgen voor een interne eutrofiëring. Een te lage grondwaterstand zorgt voor vrijstelling van nutriënten door afbraak van organisch materiaal. Om vermesting te voorkomen, moeten de fluctuaties dus een beperkte amplitude hebben.
2.24.6.3
Overige ongewenste effecten
Een stijging van de grondwatertafel op landschapsschaal zorgt ervoor dat habitats en soorten zich moeten ‘herpositioneren’. Voorstudie is vereist om na te gaan in welke mate dit mogelijk is en of hierdoor geen habitats of soorten verloren kunnen gaan. In het algemeen is een geleidelijke vernatting te verkiezen boven een plotse stijging van de grondwatertafel. Een te grote schommeling die tijdelijk kan leiden tot het volledig droogvallen van bepaalde habitats wat nadelige gevolgen kan hebben op bepaalde soorten tijdens de voortplantingsfase (bv. amfibieën).
2.25 Herstel waterhuishouding: verhogen infiltratie neerslag 2.25.1 Omschrijving en toepassing Het versneld afvoeren van regenwater via rioleringen, grachten en beken, vermindert het watervolume dat in de bodem infiltreert en het grondwater voedt. Onder bepaalde vormen van landgebruik, bij voorbeeld een jonge aanplant van donker naaldhout zoals Fijnspar, infiltreert minder neerslagwater, dan bij ander landgebruik. Maatregelen om bij een bepaald landgebruik de infiltratie van regenwater te verhogen, of de omvorming naar een ander landgebruik waarbij meer neerslagwater infiltreert, kunnen verdroging tegengaan. Maatregelen die het herstel van de waterhuishouding beogen, vereisen steeds een grondige voorstudie om de effectiviteit en de neveneffecten in te schatten. Als slecht een klein deel van het infiltratiegebied door de maatregel beïnvloed wordt, is wellicht slechts een gering positief effect te verwachten.
2.25.2 Schaal van toepassing Deze maatregel wordt toegepast op landschapsschaal, d.w.z. in de omgeving van habitat die een invloed op de kwaliteit ervan uitoefent.
2.25.3 Relatie tot de Nederlandse herstelmaatregelen Deze maatregel wordt in het Nederlandse rapport beschreven als (3.2.2 Maatregelen tegen verzuring door herstel waterhuishouding’ (Jansen et al. 2015: p. 123).
2.25.4 Beschrijving in het ‘Handboek voor beheerders’ De betekenis van een intacte waterhuishouding en van maatregelen voor hydrologisch herstel komen vaak terug in het ‘Handboek voor beheerders’: zoeken op de trefwoorden ‘waterhuishouding’ en op ‘hydrologie’: p.23; 65; 70; 76; 77; 81; 91; 97; 103; 120; 130; 142; 143; 145; 146; 154; 147; 169; 179; 188; 193; 197; 206; 216; 224; 231; 244; 270; 273; 275; 276; 279; 280; 288; 289; 294. Herstel van de waterhuishouding of hydrologisch herstel, eventueel door hydrologische isolatie, komt als afzonderlijk onderdeel aan bod bij ‘Heischrale graslanden’ (habitattype 6230): p. 101; ‘Vochtige heide’ (habitattype 4010): p.147; ‘Voedselarme vennen en plassen (habitattypes 3110 en 3130)’: p.179; ‘Voedselarme vennen en plassen (habitattype 3160)’: p.193; ‘Natte bossen’ (habitattype 91E0 en 91F0): p.289. De maatregel is ook belangrijk voor veenhabitats, maar die zijn niet beschreven in het ‘Handboek voor beheerders’. 52
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
2.25.5 Mitigerende werking 2.25.5.1
Tegen vermesting
Een hoge grondwatertafel vertraagt de afbraak van organisch materiaal, waardoor dit opstapelt in de bodem en de vrijstelling van stikstof vertraagt. Een hoge grondwatertafel kan ook de vervluchtiging van stikstof door denitrificatie stimuleren.
2.25.5.2
Tegen verzuring
Een hoge waterstand verhindert de uitspoeling van basen (Ca, K, Mg) als gevolg van verzuring. Basenrijk grond‐ en oppervlaktewater kunnen een aanvoer zorgen van deze elementen, die door verzuring schaars worden. Grondwater dat rijk is aan bicarbonaat grondwater, is een zeer krachtige buffer tegen verzuring.
2.25.5.3
Overige gunstige effecten
Het omvormen van naaldbos naar open landgebruik dat een hogere infiltratie mogelijk maak, kan gunstig zijn voor bepaalde soorten van open habitat. Indien het naaldhout ligt op een locatie die reeds meer dan 100 jaar bos is, kan het potentie hebben voor omvorming naar habitatwaardig bos (habitattype 9190), omdat de bodemvorming en structuurontwikkeling reeds ver gevorderd kan zijn. Een verminderde afvoer van regenwater heeft gunstige effecten op waterminnende soorten zoals libellen, slakken, Europese bever en Europese otter.
2.25.6 Ongewenste effecten 2.25.6.1
Verzuring
Een stijging van de grondwaterstand heeft geen verzurend effect, in tegendeel.
2.25.6.2
Vermesting
Een permanent hoge grondwaterstand kan de vrijstelling van fosfaten tot gevolg hebben, die zorgen voor een interne eutrofiëring.
2.25.6.3
Overige ongewenste effecten
Een stijging van de grondwatertafel op landschapsschaal zorgt ervoor dat habitats en soorten zich moeten ‘herpositioneren’. Voorstudie is vereist om na te gaan in welke mate dit mogelijk is en of hierdoor geen habitats of soorten verloren kunnen gaan. In het algemeen is een geleidelijke vernatting te verkiezen boven een plotse stijging van de grondwatertafel. Het aansluiten van sloten en meanders met een goede waterkwaliteit op waterlopen met een matige tot slechte waterkwaliteit kan nadelige gevolgen hebben voor veeleisende soorten en habitats. Voor amfibieën en libellen kan dit bovendien zorgen voor een introductie van predatoren zoals vissen wat een negatief effect kan hebben. Door naaldhout of ander bos te kappen, kan de infiltratie verhogen, maar dit kan ten koste gaan van soorten die afhankelijk zijn van bos of meer specifiek van naaldhout , op lokaal niveau of landschapsniveau. Een grondige voorstudie (waterbalansen, soortengegeven, landschapsontwikkeling) is daarom noodzakelijk. Bovendien kan de maatregel ook ongewenste neveneffecten hebben (verhoogde run‐off en erosie in reliëfrijke streken, vrijstelling van nutriënten door mineralisatie van de bosbodem na kap, vooral op langdurig beboste locaties met een hoge voorraad organisch materiaal).
www.inbo.be
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
53
3
Herstelstrategieën van habitat(sub)types
3.1
Herstelmaatregelen versus herstelstrategieën
Per habitat(sub)type wordt een herstelstrategie voorgesteld, dit is een pakket van geschikte herstelmaatregelen met een bijhorende prioritering (zie onderdelen 3.4 t.e.m. 3.12). Alle beheermaatregelen waarvan gekend is dat ze de negatieve effecten van stikstofovermaat voor een specifiek habitat(sub)type kunnen mitigeren, zijn opgenomen in een herstelstrategie en komen in aanmerking als PAS herstelbeheer. Maatregelen waarvan geoordeeld werd dat de voordelen niet opwegen tegen de nadelen, zijn niet weerhouden. De herstelmaatregelen worden in tabelvorm weergegeven, waarbij de habitat(sub)types gegroepeerd zijn per habitatgroep. In de bijhorende tekst is een onderbouwing voor de globale prioritering uitgeschreven.
3.2
Prioritering van herstelmaatregelen
In het rapport van de Nederlandse herstelstrategieën worden herstelmaatregelen ingedeeld in drie categorieën: bewezen, vuistregel en hypothese (Jansen et al. 2014). Een maatregel wordt getypeerd als ‘bewezen’ als er in de praktijk met zekerheid een positieve werking is, als de maatregel wordt toegepast onder de voorwaarden die zijn beschreven in het rapport. Voor categorieën ‘vuistregel’ en hypothese’ is de effectiviteit niet steeds gegarandeerd, of is het effect niet door onderzoek aangetoond (Jansen et al. 2014). Deze driedeling beoordeelt dus in zekere zin de onderbouwing en de effectiviteit samen. Er is zeer weinig wetenschappelijke literatuur voorhanden die de effectiviteit van een maatregel voor een specifieke habitat rechtstreeks onderbouwt. In de wetenschappelijke literatuur wordt de habitattypologie weinig gebruikt. Daar staat tegenover dat de processen die het succes van een maatregel ‐ of het gebrek daaraan ‐ bepalen vaak wel goed onderzocht zijn. Een voorbeeld daarvan is het onderzoek naar het proces van interne eutrofiëring van wetlands door nitraatuitspoeling in infiltratiegebieden (Smolders et al. 2010).
Als dergelijke sturende processen al of niet van toepassing zijn op bepaalde habitats, kan de werking van een maatregel op een specifieke habitat vaak goed worden beoordeeld, ook al is er geen onderzoek beschikbaar dat een rechtstreekse verband legt tussen de maatregel en een habitat(sub)type.
Tabel 2
Omschrijving van de prioriteit van herstelmaatregelen die ingezet kunnen worden om de effecten van stikstofdepositie op habitat te mitigeren.
Prioriteit
Omschrijving
1
Prioritaire maatregel: deze maatregelen zijn op basis van wetenschappelijke literatuur en expertise het meest effectief of ze zijn een randvoorwaarde voor maatregelen met prioriteit 2 of 3
2
Bijkomende maatregelen: deze maatregelen zijn op basis van wetenschappelijke literatuur en expertise vrijwel steeds effectief, maar pas na uitvoering van maatregelen van prioriteit 1 indien deze voor een habitat omschreven zijn.
3
Optionele maatregelen: deze maatregel zijn een minder belangrijk onderdeel van de herstelstrategie, om volgende redenen: ze zijn slechts zeer lokaal toepasbaar; ze hebben een experimenteel karakter waardoor de effectiviteit niet gegarandeerd is; ze niet steeds effectief; ze kunnen aanzienlijke ongewenste effecten op habitats of soorten hebben
/
Deze maatregel kan worden toegepast maar de prioriteit kan niet globaal bepaald worden omdat die sterk afhangt van de lokale omstandigheden.
Blanco
In het kader van de PAS is deze maatregel niet van toepassing op de habitat
Wij kozen voor een aanvulling op de onderbouwing die in de Nederlandse rapporten wordt gehanteerd, namelijk een onderlinge prioritering van alle maatregelen die ingezet kunnen worden om de effecten van stikstofovermaat 54
Rapporten van het Instituut voor Natuur‐ en Bosonderzoek 2018 (13)
www.inbo.be
op een bepaald habitat(sub)type te mitigeren (tabel 2). De prioritering heeft tot doel, aan te geven welke maatregelen het meest effectief zijn en zo in de mate van het mogelijke het meest efficiënte pakket maatregelen aan te bieden. Deze prioritering is globaal bepaald, d.w.z. gebaseerd op een evaluatie van de toestand van een habitat in geheel Vlaanderen. De voorgestelde prioritering is niet absoluut en kan aangepast worden aan de lokale context. Of herstelmaatregelen in de praktijk voor een specifieke case ook van toepassing zijn, en de prioriteit die ze lokaal moeten krijgen, hangt af van de lokale systeemkenmerken, het reeds uitgevoerde beheer en de toestand van de habitat. Prioritaire herstelmaatregelen hoeven dus niet steeds toegepast te worden, bij voorbeeld omdat meerdere maatregelen niet te combineren zijn op dezelfde locatie, omdat bepaalde maatregelen al uitgevoerd zijn, omdat er te veel negatieve effecten zijn, e.d. De prioritering die door de herstelstrategie wordt aangereikt, biedt een kader en kan de afweging die in de gebiedsanalyses en de beheerplannen wordt gemaakt, ondersteunen. Het is daarom wel aangewezen om keuzes die afwijken van de globale herstelstrategie beschreven in voorliggend rapport, te onderbouwen.
3.3
Effectiviteit van de herstelstrategieën
Op een NecoV symposium over de PAS in het voorjaar van 2016 waarschuwden meerdere sprekers dat de verwachtingen die aan het herstelbeheer worden gesteld, mogelijk te hoog zijn. De sprekers illustreerden met voorbeelden over heide, bos en fauna dat niet alle negatieve effecten van stikstofdepositie effectief geremedieerd kunnen worden (De Keersmaeker et al. 2016; Nijssen & Vogels 2016; van Diggelen et al. 2016). Herstelbeheer dat zich focust op herstel van de vegetatie, kan uitgesproken negatieve effecten hebben op bepaalde soortengroepen, in het bijzonder fauna (Maes et al. 2017; Jones et al. 2017; van den Burg & Vogels 2017). Onder de huidige druk van stikstofdepositie schijnen de grenzen van natuurherstel bereikt te zijn, vooral in het droog zandlandschap (Berendse 2017; Verstrael et al. 2017). De beperkingen op de effectiviteit van het herstelbeheer, situeren zich globaal genomen op volgende vlakken: 1) De werkingsduur van de herstelmaatregel is (zeer) beperkt in de tijd; 2) niet alle effecten van stikstofdepositie kunnen tegelijk worden geremedieerd; 3) De herstelmaatregelen zelf hebben aanzienlijke negatieve effecten op bepaalde soorten of soortengroepen. We illustreren elk van deze beperkingen met een voorbeeld, zonder te streven naar volledigheid.
1) Een monitoring van voedselarme plassen, die vooral door neerslagwater worden gevoed, bracht aan het licht dat herstelmaatregelen wellicht niet duurzaam zijn als de KDW blijvend overschreden wordt. Herstelmaatregelen, zoals het verwijderen van de sliblaag, kunnen de waterkwaliteit kortstondig verbeteren en de kieming van kenmerkende water‐ en oeverplanten mogelijk maken. Dit herstel is echter van korte duur als de atmosferische depositie van stikstof te hoog blijft. Het risico bestaat zelfs, dat de herstelmaatregelen hierdoor de zaadbank van gevoelige plantensoorten uitputten. De lange termijn overleving van de meest kritische soorten zou in die omstandigheden in het gedrang komen (Brouwer et al. 2009). 2) In bossen op droge bodem kunnen de effecten van verzuring en vermesting niet goed samen geremedieerd worden. Door extra biomassa te oogsten, kan de stikstofvoorraad effectief verkleind worden. Dit is gunstig voor soorten met een pionierkarakter, zoals bij voorbeeld blauwe bosbes, maar nadelig voor soorten die leven in de strooisellaag of in dood hout. Bovendien heeft het verwijderen van extra biomassa tot gevolg dat het bos sneller verzuurt (Vangansbeke et al. 2015; De Keersmaeker et al. 2017).